nr. 17
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 31 oktober 2000
Aanleiding
Tijdens de algemene financiële beschouwingen in de Tweede Kamer eind
1998 is voor de eerste maal door het lid mevrouw Giskes aan de orde gesteld
het tijdstip van openbaarmaking van (fiscale) wetsvoorstellen. Belangrijkste
vraag daarbij was of fiscale wetgeving op een eerder tijdstip openbaar kan
worden gemaakt dan thans gebeurt op grond van de Wet op de Raad van State.
In de periode hierna is deze kwestie meermaals in beide Kamers aan de
orde geweest.
Het verzoek tot eerdere openbaarmaking is gericht op de fiscale wetgeving
en komt met name voort uit de korte tijdspanne die de Tweede Kamer heeft om
de jaarlijkse belastingplannen te behandelen. Extra tijd voor anticipatie
door de beroepsgroepen zou gewonnen kunnen worden, aldus luidt de redenering,
wanneer de fiscale wetsvoorstellen openbaar worden op het moment waarop zij
voor advies aanhangig worden gemaakt bij de Raad van State.
De (vorige) Staatssecretaris van Financiën heeft de Minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gevraagd zich, als eerstverantwoordelijke
voor dit onderwerp, hierover te bezinnen.
Geldende regeling openbaarheid adviezen en adviesaanvragen
Raad van State
Tot 1980 waren adviezen van de Raad van State over wetsvoorstellen en
concept-algemene maatregelen van bestuur (amvb's) alsmede nadere rapporten
aan de Koningin, de reacties van de betrokken minister(s) op een advies, geheim.
Sinds genoemd jaar (inwerkingtreding Wet openbaarheid van bestuur) is de openbaarmaking
van de adviezen van de Raad van State geregeld in artikel 25a van de Wet op
de Raad van State (WRvS).
Artikel 25a WRvS impliceert dat gedurende de adviseringsfase door de Raad
de stukken niet openbaar zijn. Dit betekent in concreto dat vanaf het moment waarop de ministerraad instemt met voorlegging voor advies aan
de Raad wetsvoorstellen en concept-amvb's geheim zijn. Deze tijdelijke geheime
periode houdt op bij de indiening van het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer
of de publicatie van de amvb in het Staatsblad. Op die momenten worden in
beginsel ook de oorspronkelijke tekst van het voorstel, het advies van de
Raad en het nader rapport openbaar.
De situatie sinds 1980
Hoewel in 1980 weloverwogen de keuze voor het hier beschreven systeem
is gedaan, is er de afgelopen jaren veelvuldig kritiek geweest op de zgn.
geheime periode in het wetgevingsproces. Bijvoorbeeld de Commissie voor de
toetsing van wetgevingsprojecten heeft in 1992 nog geadviseerd tot openbaarheid
van adviezen en adviesaanvragen over wetsvoorstellen. De Commissie merkte
daarover op dat de gewoonte zich heeft ontwikkeld dat de feitelijke inhoud
van een voorgelegd wetsvoorstel openbaar wordt gemaakt. Derhalve zou geheimhouding
van de tekst van het voorstel tot het tijdstip van indiening van het wetsvoorstel
niet goed verdedigbaar meer zijn («Advies over de wetsprocedure»,
blz.19, 30 september 1992).
Het kabinet heeft daarop toen in hoofdzaak afwijzend gereageerd in het
kabinetsstandpunt «Voortvarend wetgeven» (Kamerstukken II 1993/94,
23 462, nr. 1). In paragraaf 2.4.4. van het kabinetsstandpunt worden
de argumenten van de Raad van State tegen openbaarheid van adviezen en ontwerpen
ondersteund. Politisering van wetgevingsadvisering, (vooral) het voortijdig
worden van onderwerp van politiek en maatschappelijk debat van adviezen en
ontwerpen en het in het gedrang komen van een weloverwogen reactie zijdens
de regering over adviezen werden in het kabinetsstandpunt als belangrijkste
bezwaren gezien.
De in het kabinetsstandpunt aangekondige nadere uitwerking van eerdere
openbaarmaking indien daarmee een bijzonder belang gemoeid zou zijn is nooit
aangepakt. Daarentegen heeft het vorige kabinet, in het kader van de Staatkundige,
bestuurlijke en staatsrechtelijke vernieuwing, in 1997 aangegeven geen aanleiding
te zien om wijzigingen te brengen in de bestaande openbaarheidsregeling (Kamerstukken
II 1996/97, 21 427, nr.164).
Motivering handhaving bestaande openbaarheidsregime
De discussie over dit onderwerp keert regelmatig terug, nu specifiek in
geval van fiscale wetsvoorstellen.
De argumenten voor het huidige openbaarheidsregime en de voordelen daarvan
zijn dusdanig dat na afweging steeds is besloten om niet tot wijziging van
het stelsel over te gaan. Die argumenten en voordelen gelden ook nu.
Het traject van interne besluitvorming van het kabinet loopt vanaf de
bespreking in de ministerraad tot aan de indiening van een voorstel bij de
Tweede Kamer. In deze periode vindt de oordeelsvorming van een kabinet plaats.
Die oordeelsvorming komt pas tot een afronding indien na ommekomst van het
advies van de Raad van State een wetsvoorstel wordt ingediend of een amvb
wordt gepubliceerd. Immers een advies van de Raad kan van invloed zijn op
de uiteindelijke besluitvorming. Het proces van interne besluitvorming van
het kabinet leent zich niet voor openbaarmaking tijdens het proces.
De beslotenheid van de fase van advisering door de Raad van State geeft
een betrekkelijke rust rond de besluitvorming in die zin dat het ruimte biedt
aan een kabinet om naar aanleiding van het advies van de Raad tot een vrije
heroverweging te komen. Dit laatste is zeker van belang in zaken waarin de
oordeelsvorming van een kabinet nog niet geheel tot bezinking is gekomen en
de besluitvorming niet definitief is.
De positie van de Raad van State als interne en laatste adviseur van de regering en de daaraan inherente besloten periode van advisering kan
dan ook een bijdrage leveren aan het waarborgen van de kwaliteit van het wetgevingsproces.
Differentiatie in openbaarheid van adviesaanvragen kan in de praktijk
tot allerlei discussie leiden. Het verschillende gewicht van de adviesaanvragen
en de gevoeligheid van sommige onderwerpen zou tot gevolg kunnen hebben dat
de ene adviesaanvraag wel openbaar is en dat afhankelijk van het onderwerp
over een andere aanvraag toch discussie zou ontstaan over de gewenste openbaarheid.
Hierdoor zou in praktijk een ondoorzichtig systeem in het leven worden geroepen.
Conclusie
Het geldende stelsel van openbaarmaking is van belang voor een weloverwogen
besluitvorming van de regering en kan mede de kwaliteit van het wetgevingsproces
waarborgen.
Er is dan ook nu geen reden om tot wijziging te komen of om een aparte
regeling te treffen specifiek voor de fiscale wetgeving.
Een eenduidige openbaarheidsregeling dient het belang van een zorgvuldig
en doelmatig wetgevingsproces.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
K. G. de Vries