27 258
Wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering met het oog op het herstel van vormfouten bij vorderingen tot verlenging van de terbeschikkingstelling of van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen

B
ADVIES RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT

Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State d.d. 6 juni 2000 en het nader rapport d.d 15 augustus 2000, aangeboden aan de Koningin door de minister van Justitie. Het advies van de Raad van State is cursief afgedrukt.

Bij Kabinetsmissive van 18 april 2000, no. 00.002494, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Justitie, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering met het oog op het herstel van vormfouten bij vorderingen tot verlenging van de terbeschikkingstelling of van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

In het wetsvoorstel wordt een bepaling aan het Wetboek van Strafvordering (WvSv) toegevoegd die moet voorkomen dat bij te laat indienen van een verzoek tot verlenging van terbeschikkingstelling (hierna: TBS) de officier van Justitie (hierna: OvJ) niet-ontvankelijk wordt verklaard en de terbeschikkinggestelde in vrijheid zal moeten worden gesteld.

De Raad van State onderschrijft de strekking van het wetsvoorstel, maar maakt een opmerking over de toepassing van de voorgestelde bepaling 509oa WvSv. Hij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het voorstel wenselijk is.

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 18 april 2000, nr. 00.002494 machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 6 juni 2000, nr. W03.00.0160/1, bied ik U hierbij aan.

1. Ingevolge het voorgestelde artikel 509oa, eerste lid, WvSv is een vordering, als bedoeld in artikel 509o, eerste lid, die later dan één maand voor het tijdstip waarop de TBS door tijdsverloop zal eindigen, niettemin ontvankelijk, indien er bijzondere omstandigheden zijn, waardoor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, de verlenging van de TBS eisen. De Raad merkt hierover het volgende op.

a. Naar het oordeel van het college blijkt uit deze norm onvoldoende dat ook de belangen van de terbeschikkinggestelde bij het in acht nemen van de desbetreffende termijn moeten worden afgewogen tegen die van de maat- schappij bij het voorkomen van ernstig gevaar. Teneinde te verzekeren dat ook deze belangen steeds worden afgewogen, zou die afweging in de bepaling mede tot uitdrukking moeten worden gebracht. Tevens verdient het aanbeveling om in de toelichting de aldus betrokken belangen nader uiteen te zetten.

De Raad adviseert het artikel en de toelichting in de hiervoor bedoelde zin aan te passen.

b. Ingevolge genoemd artikellid, mede gelezen in samenhang met het voor- gestelde tweede lid, kan een vordering tot verlenging ook worden gedaan nadat de TBS door tijdsverloop is geëindigd. In dat geval dient evenwel tegelijkertijd een vordering tot voorlopige voortzetting van de TBS bij de rechter-commissaris te worden ingediend.

De termijn waarbinnen de vordering tot verlenging kan worden gedaan, is aldus niet begrensd. Gelet op de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 2 september 1998 in de zaak Erkalo tegen Nederland1, kan dat leiden tot een schending van artikel 5, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Om het wetsvoorstel in overeenstemming te brengen met het verdrag en deze jurisprudentie zou in de bepaling opgenomen kunnen worden dat de vordering, om toewijsbaar te zijn, in elk geval binnen een redelijke termijn moet zijn gedaan. Voor de betekenis van de term «redelijk» zou in de toelichting verwezen kunnen worden naar de jurisprudentie van het EHRM, in het bijzonder de uitspraken in de zaken Winterwerp2en Erkalo.

De Raad beveelt aan het artikel en de toelichting aldus aan te passen.

1a. De aanbeveling van de Raad is overgenomen. De tekst van het voorgestelde artikel 509oa, eerste lid, en de toelichting is aangepast.

1b. De aanbeveling van de Raad om, gelet op de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Erkalo, in het voorgestelde artikel 509oa expliciet op te nemen dat de vordering binnen een redelijke termijn moet zijn ingediend, is niet overgenomen. In het wetsvoorstel is er voor gekozen om de eis dat de vordering binnen redelijke termijn moet zijn ingediend niet expliciet, naast de genoemde belangenafweging op te nemen. De vraag welke termijn in het concrete geval redelijk is kan naar mijn mening niet los worden gezien van de overige omstandigheden waar de rechter in het kader van de in artikel 509oa, eerste lid, voorgeschreven belangenafweging acht op zal moeten slaan. In de memorie van toelichting is aangegeven dat de mate van termijnoverschrijding, alsmede de reden daarvan, een van de belangrijke factoren is in de belangenafweging die de rechter in het concrete geval dient te maken. De mate van termijnoverschrij- ding en de reden daarvan zal in deze belangenafweging een rol spelen in de omstandigheden van het concrete geval, in zoverre is de termijnoverschrijding niet onbegrensd. Naar aanleiding van de opmerking van de Raad is de toelichting op dit punt aangepast.

2. In artikel III wordt bepaald dat de artikelen van deze wet in werking treden op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen verschillend kan worden vastgesteld. Waarom het noodzakelijk is te kiezen voor deze bijzondere vorm van inwerkingtreding wordt niet gemotiveerd in de toelichting. Uit het oogpunt van kenbaarheid en inzichtelijkheid van regelgeving is het van belang om inwerkingtredingsbepalingen zo eenvoudig mogelijk te houden.

De Raad beveelt aan om, mede gelet op aanwijzing 180 van de Aanwijzingen voor de regelgeving, te motiveren, waarom voor deze bijzondere vorm van inwerkingtreding is gekozen.

2. In de toelichting op artikel III is aangegeven dat de mogelijkheid van gefaseerde inwerkingtreding berust op het gegeven dat bij het voorstel van wet tot vaststelling van een Beginselenwet Justitiële Jeugdinrichtingen (kamerstukken II, 1997–1998, 26 016, nrs. 1–2) een wijziging in de verlengingsprocedure voor de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen wordt voorgesteld. De inwerkingtreding van artikel II van dit voorstel van wet zal afhankelijk zijn van de voortgang en inwerkingtreding van dat voorstel. De toelichting is op dit punt verduidelijkt.

De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De Vice-President van de Raad van State,

H. D. Tjeenk Willink

Ik moge U hierbij verzoeken het hierbij gevoegde (gewijzigde) voorstel van wet en de (gewijzigde) memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals


XNoot
1

ECHR Reports 1998-VI, bladzijde 2464, NJ 1999/624.

XNoot
2

NJ 1980, 114.

Naar boven