nr. 9
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 30 oktober 2000
In het debat over de nota Voedsel en Groen op 16 oktober 2000 heb ik toegezegd
de Kamer te informeren in hoeverre de argumenten uit 1992 voor de afschaffing
van de vestigingssteun nog gelden. De redenen voor deze afschaffing waren
dat de premie in te weinig gevallen effect had en dat er een noodzaak was
om te bezuinigen.
De argumentatie van een te geringe effectiviteit was gebaseerd op het
evaluatierapport van de Landbouw Universiteit Wageningen met de titel «De
vestigingspremie en haar effecten».
De evaluatie moet gezien worden tegen de achtergrond van de doelstelling
van de maatregel. Binnen de EU is de vestigingspremie ontworpen om de leegloop
van het platteland tegen te gaan. Nederland heeft aan de steun zijn specifieke
invulling gegeven. In Nederland bestond grote aarzeling om de steun toe te
passen, omdat in Nederland de ontvolking niet als een probleem ervaren wordt.
De aarzeling was des te groter omdat het Nederlandse landbouwbeleid gericht
was op structuurverbetering. De angst bestond dat de vestigingspremie averechts
zou werken op de structuurverbetering omdat de premie de kans op overname
van bedrijven met onvoldoende perspectief zou vergroten.
De specifieke invulling bestond er uit dat de steun niet was gericht op
verlichting van de financiering van bedrijfsovername doch op het bevorderen
van investeringen na bedrijfsovername. Op deze wijze werd het beleid dat was
gericht op structuurverbetering door de regeling niet doorkruist.
De evaluatie leerde dat de invulling zodanig was dat er geen extra bedrijven
door zijn overgenomen. Uit de evaluatie bleek ook dat er geen aanwijzingen
waren dat de steun zou weglekken naar ouders door een hogere overnameprijs.
Op deze punten voldeed de invulling aan de doelstelling.
Uit de studie bleek verder dat de premie in ongeveer de helft van de gevallen
een stimulerend effect had gehad op de investeringen (waarvan in
2/3 deel van de gevallen een doorslaggevend effect). Bij de andere helft van
de bedrijven had de premie tot het moment van de evaluatie geen invloed op
het investeringsgedrag.
Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat bij herinvoering de steun
het investeringsgedrag van jonge boeren in sterkere mate zou bevorderen dan
destijds. Bij investeringsbeslissingen nu spelen dezelfde factoren een rol
als destijds. Een belangrijke overweging is uiteraard of de verwachte baten
van de investering de kosten van de investering zullen overtreffen.
Een tweede overweging in 1992 was de invulling van de bezuiniging in het
kader van de Tussenbalans. Deze overweging speelt nu niet. Herinvoering van
de vestigingssteun zou evenwel leiden tot een verlaging voor andere prioriteiten
en tegen de achtergrond van de geringe effectiviteit wordt dit niet overwogen.
In een studie over de toekomst van jonge boeren die in het Europees Parlement
aan de orde is blijkt dat Nederland een van de weinige landen is binnen de
EU die geen vestigingssteun verstrekken. Hierbij kan er op worden gewezen
dat in andere landen veelal sprake is van regio's met ontvolking en achterblijvende
werkgelegenheidsontwikkeling. Overigens signaleert de EU-studie ook dat in
al de jaren dat de EU-vestigingssteun bestaat er geen grondige evaluatie is
gemaakt.
Verder wijs ik erop dat in het Belastingstelsel 2001 de regelingen voor
bedrijfsovername worden gecontinueerd. Dit betreft de vrije afschrijvingsfaciliteit
voor starters en de starterskop op de zelfstandigenaftrek. Er zal verder een
regeling voor durfkapitaal worden ingevoerd, waarin de huidige tante Agaathregeling
op zal gaan. Op onderdelen zullen de regelingen voor starters nog worden verruimd.
Voorstellen hiertoe zijn bij de Tweede Kamer in behandeling. De faciliteit
voor directe beleggingen in durfkapitaal wordt ongeveer verdubbeld. De doorschuifregeling
bij bedrijfsovername, die nu alleen toegankelijk is voor bepaalde familieleden,
wordt verbreed tot mede-ondernemers.
Ten aanzien van de aanbevelingen van de Commissie Moltmaker inzake het
successie- en schenkingsrecht, die ook van belang zijn voor de bedrijfsovername,
is het kabinetsstandpunt in voorbereiding.
Tot slot heb ik het LEI gevraagd onderzoek te doen naar de bedrijfsovername
in de landbouw in Nederland in vergelijking tot een aantal andere EU-landen.
In dit kader zullen modelberekeningen worden gemaakt, waarin naast fiscale
aspecten, ook de effecten van vestigingssteun in beschouwing zullen worden
betrokken. Naar verwachting zal dit onderzoek volgend jaar worden afgerond.
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
L. J. Brinkhorst