nr. 3
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 21 september 2000
Gaarne voldoe ik aan uw verzoek van 14 september jl. om in te gaan op
vragen van de heer Poppe (SP), gesteld tijdens de regeling van werkzaamheden
op 14 september jl.
De heer Poppe heeft gevraagd om een toelichting op mijn uitspraak op een
bijeenkomst van D66 te Zetten. Ik heb daar aangegeven met moeite te kunnen
begrijpen waarom sommige boeren uit alle macht proberen hun bedrijf op dezelfde
wijze voort te zetten, terwijl dit een zeer laag rendement oplevert. Ik hecht
eraan te benadrukken dat ik heel goed begrijp dat boeren er alles aan willen
doen om hun bedrijf, dat vaak van generatie op generatie is overgegaan, in
stand te houden. Wat ik echter betreur, is dat boeren nog onvoldoende zoeken
naar vernieuwing en verbreding in de bedrijfsvoering wanneer de inkomens laag
zijn. In de nota Voedsel en Groen heb ik aangegeven
welke perspectieven voor vernieuwing en versterking ik zie voor het agrofoodcluster
in Nederland.
De vragen luiden als volgt:
• Sluit de gedachte om een onderzoek te laten uitvoeren naar de sociaal-culturele
dimensie van het boer zijn aan bij de gedachte van de Minister van Economische
Zaken dat het verkopen en anders aanwenden van landbouwgrond vele miljarden
kan opleveren?
• Wat is het doel van dergelijk onderzoek? Wordt soms ingezet op
nieuw beleid?
Minister Jorritsma heeft in een inleiding voor de pers over arbeidsmarkt
en ruimte voor bedrijvigheid op 5 juni 2000 gezegd dat om een economische
toppositie te blijven innemen meer ruimte voor economische bedrijvigheid nodig
is en dat ze daarom inzet op extra 1000 ha bedrijfsterreinen per jaar. Zij
heeft daarbij gewezen op het misverstand dat sommige delen van Nederland vol
zouden zijn: nog altijd bestaat 70% van het grondgebied uit landbouwgrond
en een vermindering van 1% van het areaal landbouwgrond betekent een vermeerdering
van het areaal voor wonen en werken met 10%.
Deze uitspraak staat geheel los van de gedachte die ik in mijn inleiding
in Zetten op tafel heb gelegd. In mijn streven naar perspectief voor de agrarische sector word ik geconfronteerd met een vrij grote groep landbouwbedrijven
die economisch niet of nauwelijks perspectief heeft doch waarop de ondernemer
het bedrijf wel wil continueren.
Zoals ik Voedsel en Groen heb uiteengezet,
streef ik naar gezonde economische verhoudingen binnen de agrosector. Dit
vereist snellere aanpassingen op bedrijfsniveau. Door meer zicht te krijgen
op sociaal-culturele factoren die noodzakelijke innovaties in de weg kunnen
staan, kan mogelijk beter maatwerk worden geleverd bij het scheppen van voorwaarden
en ondersteunen van ondernemers bij het nemen van hun bedrijfsbeslissingen.
Dergelijk onderzoek kan overigens voortbouwen op eerder onderzoek van onder
meer het LEI en Wageningen UR. Om deze reden beraad ik mij op het laten uitvoeren
van nader onderzoek naar de beweegredenen van boeren om bij ongunstige economische
perspectieven de bedrijfsvoering niet aan te passen. Ik zie daarbij ook een
rol voor het Sociaal-Cultureel Planbureau weggelegd.
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
L. J. Brinkhorst