nr. 13
BRIEF VAN DE MINISTER VOOR GROTE STEDEN- EN INTEGRATIEBELEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 22 januari 2001
Met deze brief informeer ik u – mede namens mijn collega's van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen – over het
beleid inzake de toetreding van buitenlandse artsen tot de Nederlandse zorgmarkt.
Dit in samenhang met de (aangehouden) motie-Van Gent c.s. over drempels bij
de toetreding van gevluchte artsen (TK, vergaderjaar 2000–2001, 27 223,
nr. 7) en de motie-Melkert c.s. (TK, vergaderjaar 2000–2001, 27 400,
nr. 9).
Op de uitoefening van het beroep van arts in Nederland is de Wet op de
beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) van toepassing (art.
3 Wet BIG). De zelfstandige uitoefening van het beroep van arts en het voeren
van de titel is alleen toegestaan aan degenen die hiertoe in het BIG-register
staan ingeschreven. Daarvoor is in elk geval vereist dat de arts over een
Nederlands artsdiploma beschikt.
Voor artsen die niet over een Nederlands diploma beschikken, geldt dat
de minister van VWS een verklaring kan afgeven die de arts in staat stelt
om zich toch in het BIG-register te laten registreren. Omdat het belang van
de volksgezondheid in het geding is, zal de minister van VWS bij het afgeven
van deze verklaring primair toetsen op de vakbekwaamheid van de aanvrager.
Deze aanpak voor alle buitenlandse aanvragers is derhalve ook van kracht op
de categorie vluchteling-artsen. Er is dus wat dit betreft geen sprake van
een drempel die specifiek voor deze laatste categorie is aangelegd.
Uitzondering op bovenstaande is de situatie waarbij de aanvrager onderdaan
is van een land behorend tot de Europese Economische Ruimte (EER) en over
een diploma uit een EER-land beschikt. In dat geval zal hij of zij in het
kader van de Europese afspraken over het vrije verkeer van goederen, personen
en diensten, zonder nadere toetsing in het BIG-register worden ingeschreven.
Het zal duidelijk zijn dat het merendeel van de vluchteling-artsen niet in
een dergelijke situatie verkeert.
De meeste vluchteling-artsen beschikken over diploma's die de minister
van VWS in het algemeen als niet gelijkwaardig met een Nederlands diploma
beoordeelt. De minister van VWS laat zich bij haar oordeelsvorming zonodig
leiden door adviezen die de «Commissie Buitenslands Gediplomeerden Volksgezondheid»
heeft afgegeven. Kandidaten met niet-gelijkwaardige diploma's hebben alleen
uitzicht op registratie in het BIG-register nadat zij door aanvullende opleiding
hun kennis en vaardigheden op het niveau van een in Nederland afgestudeerde
arts hebben gebracht. In de regel kan dit alleen via (zij)instroom naar de
universiteiten.
Vanwege personele, infrastructurele en financiële redenen zijn er
grenzen aan de opleidingscapaciteit binnen de faculteiten Geneeskunde. Dat
vertaalt zich door naar het aantal beschikbare plaatsen voor de bijscholing
van vluchteling-artsen. In dit verband wordt kortheidshalve verwezen naar
de brief van de ministers van OCenW en VWS aan de Tweede Kamer (WO/BS/00/41 463)
van 9 november 2000. In deze brief is het kabinetsstandpunt bij het rapport
van de commissie van deskundigen over de numerus fixus geneeskunde (naar aanleiding
van de in de inleiding van deze brief genoemde motie-Melkert) weergegeven.
In het kabinetsstandpunt wordt ingegaan op de wijze waarop de opleidingscapaciteit
in algemene zin kan worden uitgebreid; in paragraaf 5b komen specifieke
maatregelen met betrekking tot de zogenaamde zij-instromers (waaronder vluchteling-artsen)
aan de orde.
Samenvattend kan gezegd worden dat er voor vluchteling-artsen weliswaar
drempels tot de toetreding naar de Nederlandse arbeidsmarkt bestaan, maar
dat die voor de gehele categorie buitenlandse aanvragers gelden om verantwoorde
medische zorg aan de samenleving te kunnen waarborgen.
Wel wil het kabinet actief bijdragen bij het versnellen (maar niet versoepelen!)
van de procedures die de buitenlandse arts (en dus ook de gevluchte arts)
moet volgen teneinde op de Nederlandse zorgmarkt aan de slag te kunnen gaan.
In dat verband heeft de minister van VWS besloten om een centraal meld- en
coördinatiepunt voor buitenlandse beroepsbeoefenaren in te richten. Van
hieruit kan de buitenlandse arts worden begeleid binnen het geheel van betrokken
procedures en instanties. Daarnaast biedt het meldpunt relevante informatie
en dient het als terugvalbasis voor de arts indien hij of zij in zijn nascholing-
en inwerktraject op problemen stuit. Het meldpunt zal tevens een bemiddelende
rol gaan spelen bij het vinden van stageplaatsen. Het is de bedoeling dat
het meldpunt na de zomer van 2001 operationeel is.
Een ander initiatief ligt op het vlak van het bespoedigen van het verkrijgen
van een werkvergunning voor de categorie artsen, voor wie geldt dat hun verblijf
in het belang van de Nederlandse volksgezondheid gewenst is. De minister van
VWS en Arbeidsvoorziening Nederland hebben afspraken gemaakt over het stroomlijnen
van de procedures met betrekking tot het verkrijgen van een vakbekwaamheidsverklaring
en een tewerkstellingsvergunning. Het is niet uit te sluiten dat zich onder
de vluchteling-artsen, personen bevinden die tot voornoemde categorie behoren.
Tot slot, in deze brief wordt vooral ingegaan op de problematiek van de
gevluchte artsen, omdat de motie-Van Gent zich
daarop in eerste instantie richt. Het spreekt voor zich dat dezelfde aanpak
geldt voor de overige beroepsbeoefenaren die onder art. 3 van de Wet BIG vallen
(tandartsen, apothekers, gezondheidszorgpsychologen, psychotherapeuten, fysiotherapeuten,
verloskundigen en verpleegkundigen). Anders ligt het met de beroepsgroepen
die in art.34 van de Wet BIG geregeld zijn. Daarbij gaat het om diëtisten,
ergotherapeuten, logopedisten, mondhygiënisten, oefentherapeuten,
orthoptisten en podotherapeuten. Voor deze paramedici geldt dat bij wettelijk
besluit het deskundigheidsgebied is omschreven en de opleidingstitel is beschermd,
indien hiervoor een wettelijk aangewezen opleiding is doorlopen. Voor deze
beroepen bestaat geen registratieplicht in het BIG-register. Vluchtelingen
die aan de kwalificatie van een bovenstaand beroep voldoen, worden in het
algemeen doorverwezen naar de betreffende beroepsvereniging of opleiding.
De Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid,
R. H. L. M. van Boxtel