27 217 (R 1659)
Bepalingen omtrent de tarieven voor consulaire dienstverlening (Rijkswet op de consulaire tarieven)

nr. 5
VERSLAG

Vastgesteld 19 oktober 2000

De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, brengt als volgt verslag uit van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de regering de gestelde vragen tijdig zal hebben beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.

I. ALGEMEEN

1. Inleiding

De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Het feit dat de ontvangsten uit de kanselarijrechten momenteel niet op doelmatige wijze te controleren zijn, geeft voldoende aanleiding tot een vergaande vereenvoudiging van het onderhavige vergoedingenstelsel.

Het blijkt moeilijk te zijn een doorzichtige en verifieerbare administratie te voeren. De verschillende tariefposten, de geografische differentiatie, het onderscheid tussen verschillende groepen met betrekking tot kosten en het feit dat de hoogte van de vergoedingen zich moeilijk aanpast aan het prijs- en loonpeil nopen tot een doorzichtiger en een beter verifieerbaar systeem. De leden steunen dan ook de vereenvoudiging van het vergoedingsstelsel voor consulaire verrichtingen.

De leden van de fracties van GPV en RPF hebben met belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel. Zij steunen het uitgangspunt van de regering om de tariefposten in de Wet op de Kanselarijrechten te vereenvoudigen. Wel vragen zij waarom het zo lang heeft geduurd voordat deze, toch vrij eenvoudige, wet is ingediend.

2. Inhoud wetsvoorstel

Zowel de leden van de D66-fractie als de leden van de fracties van GPV en RPF vragen naar de redenen om het onderscheid tussen Nederlanders en buitenlanders te laten vervallen. Welke rechtsgrond bestond er in de wet uit 1948 om dit onderscheid aan te brengen? En om welke reden is dat nu niet meer relevant?

De leden van de D66-fractie willen graag weten of er nog enige mogelijkheid bestaat om de verschillen in levensstandaard tussen Nederland en andere landen te verrekenen in de tarieven. Zo nee, zullen onder het nieuwe stelsel tarieven voor verzoeken uit bepaalde landen dan niet te hoog zijn?

In het voorliggende voorstel wordt geen compensatie meer geboden aan verschillen die in de «oude» tariefstructuur door toepassing van de coëfficiënt werden gecompenseerd. Dit komt de duidelijkheid en overzichtelijkheid van de regeling uiteraard ten goede. Toch vragen de leden van de fracties van GPV en RPF of dit betekent dat geen enkele (financiële) aanpassing meer plaats zal vinden tussen verschillende geografische regio's. De verschillen in levensstandaarden tussen Nederland en andere landen bestaan immers nog altijd. In het kader daarvan lijkt een compensatie terecht en nog steeds relevant. Het kostendekkende uitgangspunt zal anders immers tot grote afwijkingen leiden tussen de verschillende landen. Zo zullen de kosten voor een consulaire handeling in bijvoorbeeld Ghana anders zijn dan de kosten voor dezelfde handeling in bijvoorbeeld Japan.

Om te voorkomen dat iedere tariefaanpassing via formele wet moet worden geregeld, zal de uitwerking van de wet geschieden bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur. De leden van de fracties van GPV en RPF vragen of het mogelijk zou zijn geïndexeerde bedragen in de wet op te nemen om zo de aanpassingen in de tariefstructuur te regelen.

De voor vergoeding in aanmerking te komen diensten

De leden van de D66-fractie merken op dat naast de hoogte van de kanselarijrechten vooral de wijze van dienstverlening van belang is. Hierover waren en zijn veel klachten. De leden willen dan ook graag van de regering weten op welke wijze de dienstverlening zal worden verbeterd?

Financiële gevolgen en gevolgen voor uitvoeringslasten

De leden van de D66-fractie willen weten of het criterium van kostendekkendheid als gevolg heeft dat de tarieven sterk zullen stijgen.

In de memorie van toelichting (bladzijde 3) staat vermeld dat er geen budgettaire gevolgen van de vereenvoudiging van de tariefstructuur worden verwacht. Toch is ook een verlichting van uitvoeringslasten voorzien. De leden van de fracties van GPV en RPF vragen de regering aan te geven hoe hiermee zal worden omgegaan?

Advies Raad van State

Tot slot betreuren de leden van de fracties van GPV en RPF het schrappen van de vrijstelling ten behoeve van hulpacties of instellingen van weldadigheid. De reactie die het kabinet geeft op dit door de Raad van State genoemde onderwerp is daarbij niet overtuigend. De leden pleiten voor het opnemen van een dergelijke vrijstelling in deze nieuwe wet.

II ARTIKELEN

Artikel 2

In de artikelsgewijze toelichting wordt het begrip «tegen vergoeding verrichte diensten» door middel van een overzicht verduidelijkt. De leden van de fracties van GPV en RPF missen in dit overzicht een verwijzing naar ondersteuning van het Nederlandse bedrijfsleven via het postennetwerk. In de memorie van toelichting (bladzijde 3) wordt wel gesteld dat kosten voor bijvoorbeeld handelsbevordering niet worden doorberekend. Bij de behandeling van de Herijkingsnota van het buitenlands beleid (7 december 1995) is hierover al eerder gesproken met de regering. De regering stelde toen dat op groeiende economische markten aan het Nederlandse bedrijfsleven passende ondersteuning moest worden geboden. Waarom worden de hiervoor gemaakte kosten niet aan het bedrijfsleven doorberekend, vragen de leden van de fracties van GPV en RPF.

Artikel 3

De leden van de fracties van GPV en RPF vragen verduidelijking van de in artikel 3 omschreven doorberekening van gemaakte (extra) kosten. Krijgt de burger voor wie diensten worden verricht vooraf inzage in de uiteindelijke kosten?

Artikel 4

De leden van de fracties van GPV en RPF vragen naar de reikwijdte van de in artikel 4 genoemde omstandigheden. Zijn er omstandigheden denkbaar waarbij niet hoeft te worden betaald voor een niet bereikt resultaat? Of gaat het niet bereiken van resultaat in alle gevallen ten koste van de dienstverlener?

Artikel 5

In het verlengde van artikel 4 vragen de leden van de fracties van GPV en RPF naar verduidelijking van de term «onvermogende belanghebbenden».

De voorzitter van de commissie,

De Boer

De griffier voor dit verslag,

Kok


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Blaauw (VVD), Weisglas (VVD), Van den Berg (SGP), Ter Veer (D66), Van Middelkoop (GPV), Valk (PvdA), Apostolou (PvdA), Hillen (CDA), Verhagen (CDA), ondervoorzitter, M. B. Vos (GroenLinks), Marijnissen (SP), Hessing (VVD), Hoekema (D66), Dijksma (PvdA), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Van den Doel (VVD), Koenders (PvdA), De Boer (PvdA), voorzitter, Timmermans (PvdA), Van Ross-van Dorp (CDA), Remak (VVD), Van der Knaap (CDA), Karimi (GroenLinks), Bussemaker (PvdA), Wilders (VVD).

Plv. leden: Dijkstal (VVD), Van Baalen (VVD), De Graaf (D66), Van 't Riet (D66), Rouvoet (RPF), Zijlstra (PvdA), Belinfante (PvdA), Visser-van Doorn (CDA), Eurlings (CDA), Harrewijn (GroenLinks), Van Bommel (SP), Cherribi (VVD), Scheltema-de Nie (D66), Gortzak (PvdA), De Haan (CDA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Albayrak (PvdA), Van Oven (PvdA), Feenstra (PvdA), Leers (CDA), Patijn (VVD), Van den Akker (CDA), Rosenmöller (GroenLinks), Duivesteijn (PvdA), Balemans (VVD).

Naar boven