nr. 38
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VERKEER EN WATERSTAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 28 maart 2002
Conform uw verzoek, naar aanleiding van de gedachtewisseling in de eerste
termijn over de Spoorwegwet en de Concessiewet, bied ik u hierbij aan:
• Notitie inzake verschil ZBO en privaatrechterlijke concessiehouder
ter attentie van relatie beheerder – minister.
• Notitie inzake enkele voorbeelden van de relatie beheerder –
minister («kosten bij buitendienststellingen»).
• Afschrift van de brief van 22 maart 2002 houdende een reactie op
vragen van het lid Hofstra (VVD-fractie) inzake Spoorwegwet/Concessiewet1
opdat deze notities deel uitmaken van de beraadslagingen.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
T. Netelenbos
ZBO en Concessiehouder
Relatie tussen minister en beheerder
ZBO en privaatrechtelijke concessiehouder worden niet hiërarchisch
door de minister aangestuurd. Een ZBO is bekleed met openbaar gezag.
De verhouding minister – ZBO en de verhouding minister – concessiehouder
wordt in beide gevallen door het publiekrecht geregeld.
Een ZBO is zelfstandig, voorzover dat door de wet wordt bepaald.
Een concessiehouder is zelfstandig krachtens het BW, maar moet opereren
binnen de concessievoorschriften.
De aansturing loopt in het eerste geval via algemene aanwijzingen krachtens
de wet, in het tweede geval via concessievoorschriften van de minister. Aan
een ZBO kunnen doorgaans geen bijzondere aanwijzingen (=aanwijzingen in individuele
gevallen) worden gegeven. Het toezicht door de minister kan via een concessie
meer specifiek van karakter zijn dan in de relatie met een ZBO.
Het kamerdebat Kaderwet ZBO heeft de worsteling laten zien tussen zelfstandigheid
en ministeriele verantwoordelijkheid. Bij verzelfstandiging worden de bevoegdheden
van de minister beperkt en daarmee ook de ministeriele en parlementaire verantwoordelijkheid.
Relatie tussen beheerder en vervoerders
De status van ZBO of concessiehouder is vooral van belang in de relatie
tussen beheerder en vervoerders.
Het spoor wordt gekenmerkt door een zeer beperkt aantal gebruikers: een
zeer grote (NS), een achttal kleine, regelmatige goederen- en personenvervoerders
en daarnaast een tiental marginale, onregelmatige gebruikers (aannemers, museumlijnen
e.d.).
Beheerder en vervoerders moeten maatwerk-afspraken kunnen maken, bijvoorbeeld
extra kwaliteitsafspraken voor het spoor en stations.
De relatie ZBO – vervoerders wordt gedicteerd door beschikkingen
(eenzijdig van aard). De nadruk daarbij ligt op de gezagsverhouding tussen
bevoegd gezag en een vaak onbeperkt aantal adressanten. «Afspraken»
(in de vorm van beschikkingen) in deze relatie kunnen door derden via bezwaar
en beroep worden gefrustreerd. Dat geeft de ZBO weinig armslag voor individuele
maatwerk-afspraken met vervoerders. Iedere rechtshandeling is een bestuurlijke
handeling, zoals het op rood zetten van een sein (verkeersbeslissing), een
buitendienststelling van het spoor, met telkens beroep en bezwaar bij de bestuursrechter.
De relatie concessiehouder – vervoerders wordt bepaald door middel
van netverklaring en privaatrechtelijke overeenkomsten en leent zich veel
beter voor onderlinge maatwerk-afspraken. De rechtsbescherming voor derden/vervoerders
is geregeld via de gang naar de Nma. De netverklaring is openbaar, omvat de
algemene voorwaarden op grond waarvan de beheerder overeenkomsten aangaat
en geeft vooraf kenbaarheid over het te voeren bedrijfsbeleid van de beheerder.
De Europese Richtlijn 2001/14/EG vereist onafhankelijk toezicht op de
relatie infrabeheerder en vervoerders. In de relatie ZBO – vervoerders
is het met name de bestuursrechter die toezicht houdt. Op de relatie concessiehouder –
vervoerders houdt de NMa toezicht. Het karakter van het toezicht is verschillend.
De bestuursrechter houdt repressief toezicht op verzoek van belanghebbenden.
Het toezicht van de NMa omvat ook de fase van totstandkoming van de netverklaring
en overeenkomsten.
Kosten bij buitendienststellingen (onderhoud spoor)
In een ZBO-relatie is een buitendienststelling voor bijvoorbeeld onderhoud
een besluit, vatbaar voor bezwaar en beroep. Via die weg zou een vervoerder
schade kunnen claimen. Omdat er een gezagsrelatie is tussen beheerder en vervoerder
zal er geen natuurlijke neiging zijn om hierover goede afspraken in wederzijds
belang te maken. De eenzijdige gezagsrelatie heeft geen natuulijke rem op
claimgedrag. Tegelijkertijd is het voor de minister moeilijk hierover aan
een ZBO concrete aanwijzingen te geven.
Bij twee bedrijven/concessiehouders is claimgedrag ook nooit uit te sluiten,
maar wel beter aan te pakken. Juist de concessieverlener kan via concessievoorschriften
beide partijen dwingen om ten aanzien van wederzijds claimgedrag wederzijdse
matiging te betrachten, bijvoorbeeld door daarover voorschriften op te nemen,
zodat de verhouding tussen die bedrijven meer gericht wordt op samenwerking.
Samenwerking kan juist door een concessierelatie bevorderd worden.
Goederentrein op zijspoor
Met concessie is er een evenwichtiger relatie in driehoek overheid-beheerder-vervoerder.
Bi een ZBO-vorm zet bijvoorbeeld verkeersleiding een goederentrein met bederfelijke
waar op een zijspoor, waardoor hij mogelijk een klant verliest. Dit is dan
het gevolg van een bestuurlijke handeling: vervoerder moet dan in beroep bij
bestuursrechter om later schade te claimen. Want relatie ZBO vervoerder is
eenzijdige gezagsrelatie.
Zo'n verhouding moet je niet willen. Er moet samenwerking zijn tussen
vervoerder en beheerder; daar moeten ze gelijkwaardige partijen voor zijn.
In een opzet van gelijkwaardige partijen (beheerder en vervoerder) kan
je een snelle conflictbeslechting regelen via toezicht (Nma). Ingeval van
een relatie ZBO-vervoerder worden conflicten beslecht via bestuursrecht (bezwaar
en beroep), dat het risico met zich meebrengt in verlammende procedures te
geraken.
Verkeersleiding en aanwijzingen
Als bijvoorbeeld in de voorschriften aan verkeersleiding een belangrijke
regel niet is opgenomen, bijvoorbeeld additionele maatregelen gevaarlijke
stoffen. In een ZBO-situatie is een algemene aanwijzing van de minister om
additionele maatregelen voor gevaarlijke stoffen op te nemen moeilijk, zolang
de wet of AmvB, waarop de aanwijzing is gebaseerd, daarop niet is aangepast.
In een concessie zou dit sneller en eenvoudiger te regelen zijn.