Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal1999-200027209 nr. 1;2

27 209
Wijziging van enkele belastingwetten c.a. in verband met de tweede tranche van het ondernemerspakket 2001 (Wet ondernemerspakket 2001)

nr. 1
KONINKLIJKE BOODSCHAP

Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Wij bieden U hiernevens ter overweging aan een voorstel van wet tot wijziging van enkele belastingwetten c.a. in verband met de tweede tranche van het ondernemerspakket 2001 (Wet ondernemerspakket 2001).

De memorie van toelichting, die het wetsvoorstel vergezelt, bevat de gronden waarop het rust.

En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige bescherming.

's-Gravenhage

27 juni 2000

Beatrix

nr. 2
VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat een pakket fiscale maatregelen wordt ingevoerd voor de dynamisering van het ondernemerschap in brede zin en terugdringing onwenselijk gebruik;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 1.7, eerste lid, wordt «vierde lid» vervangen door: vijfde lid.

B. In artikel 2.8, tweede lid, wordt «de artikelen 3.83, eerste of tweede lid,» vervangen door: de artikelen 3.64, eerste lid, 3.83, eerste of tweede lid,.

C. Aan artikel 2.17, vijfde lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel i door een puntkomma, toegevoegd:

j. de aftrekbedragen voor aangewezen maatschappelijke beleggingen.

D. Artikel 3.12, eerste lid, wordt vervangen door:

1. Tot de winst behoren niet voordelen uit landbouwbedrijf ter zake van waardeveranderingen van gronden – daaronder begrepen de ondergrond van gebouwen – voorzover de waardeverandering van de grond is toe te rekenen aan de ontwikkeling van de waarde in het economische verkeer bij voortzetting van de aanwending van de grond in het kader van een landbouwbedrijf, en niet is ontstaan in de uitoefening van het bedrijf.

E. Aan artikel 3.33 worden drie leden toegevoegd:

3. Op T&O-bedrijfsmiddelen kan alleen willekeurig worden afgeschreven indien op een door de belastingplichtige aan de investering voorafgaand gedaan verzoek door Onze Minister van Economische Zaken is verklaard dat de voorgenomen investering betrekking heeft op aangewezen T&O-bedrijfsmiddelen alsmede welk bedrag ten hoogste in aanmerking wordt genomen bij de toepassing van de willekeurige afschrijving. Het verzoek om een verklaring dient te worden gedaan – voor een door Onze Minister vast te stellen tijdstip – in het kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de verplichtingen zullen worden aangegaan of voortbrengingskosten zullen worden gemaakt ter zake van zulke bedrijfsmiddelen.

4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de verklaring, bedoeld in het derde lid.

5. Tegen de in het derde lid bedoelde verklaring staat beroep open bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Tegen een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven kunnen de belanghebbende en Onze Minister van Economische Zaken beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het eerste lid met betrekking tot het begrip bedrijfsmiddelen. Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij het College van Beroep voor het bedrijfsleven de plaats inneemt van een gerechtshof.

F. Na artikel 3.34 wordt ingevoegd:

Artikel 3.34a Grondslag willekeurige afschrijving bij afboeking herinvesteringsreserve

Voor de willekeurige afschrijving blijft een vermindering van de aanschaffings- of voortbrengingskosten ingevolge een herinvesteringsreserve als bedoeld in artikel 3.54 buiten aanmerking. Daarbij wordt het bedrag van die vermindering geacht willekeurig te zijn afgeschreven.

G. In artikel 3.40 wordt «kleinschaligheidsinvesteringsaftrek en van energie-investeringsaftrek» vervangen door: kleinschaligheidsinvesteringsaftrek, van energie-investeringsaftrek en van milieu-investeringsaftrek.

H. In artikel 3.41, tweede lid, wordt in de tabel het percentage van 24 vervangen door 25 en het percentage van 21 vervangen door 22.

I. Artikel 3.42 wordt als volgt gewijzigd:

1. Na het vijfde lid wordt, onder vernummering van het zesde tot en met achtste lid in zevende tot en met negende lid, een nieuw lid ingevoegd:

6. Onder de aanschaffings- of voortbrengingskosten ter zake van een energie-investering als bedoeld in het eerste lid, worden, indien de ondernemer daarvoor bij de aangifte kiest, tevens begrepen de kosten van een advies ter zake van energiebesparende maatregelen in gebouwen of bij processen dat op die investering of mede op die investering betrekking heeft en voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen eisen.

2. In het tot achtste lid vernummerde zevende lid wordt in onderdeel b «zesde lid» vervangen door: zevende lid.

J. Na artikel 3.42 wordt ingevoegd:

Artikel 3.42a Milieu-investeringsaftrek

1. Indien in een kalenderjaar in een onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft, wordt geïnvesteerd in niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen die zijn aangewezen als milieu-investeringen, en de ondernemer daarvoor bij de aangifte kiest, wordt een in het derde lid aangewezen percentage van het bedrag aan milieu-investeringen in de onderscheiden categorieën ten laste gebracht van de winst over dat jaar (milieu-investeringsaftrek).

2. Milieu-investeringen zijn investeringen, behorend tot categorie I respectievelijk categorie II, die door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in overeenstemming met Onze Minister en na overleg met Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij bij ministeriële regeling zijn aangewezen in het belang van de bescherming van het Nederlandse milieu.

3. Bij een bedrag aan milieu-investeringen in een kalenderjaar van meer dan 1700 (f 3746) bedraagt de milieu-investeringsaftrek voor milieu-investeringen die behoren tot categorie I 30 percent en voor milieu-investeringen die behoren tot categorie II 15 percent.

4. Voorzover met betrekking tot een investering bij de aangifte wordt gekozen voor energie-investeringsaftrek, blijft toepassing van de milieu-investeringsaftrek achterwege.

5. De milieu-investeringsaftrek is slechts van toepassing indien:

a. bij de administratie van de onderneming een afschrift van de verklaring omtrent de juistheid en de volledigheid van de vermelde gegevens omtrent het bedrijfsmiddel is gevoegd, afgegeven door een registeraccountant of accountant-administratieconsulent, en

b. de aangegane verplichtingen of de in het jaar gemaakte voortbrengingskosten zijn aangemeld bij en de accountantsverklaring is ingediend bij Onze Minister.

6. Bij ministeriële regeling kunnen in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer nadere regels worden gesteld met betrekking tot het vijfde lid.

K. In artikel 3.44, eerste lid, wordt «de artikelen 3.41 en 3.42» vervangen door: de artikelen 3.41, 3.42 en 3.42a.

L. In artikel 3.45, derde lid, wordt «de energie-investeringsaftrek» vervangen door: de energie-investeringsaftrek en de milieu-investeringsaftrek.

M. artikel 3.52 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, aanhef, wordt «de willekeurige afschrijving buiten toepassing worden gesteld» vervangen door: de willekeurige afschrijving in het algemeen of voor bepaalde aangewezen bedrijfsmiddelen of bepaalde groepen van aangewezen bedrijfsmiddelen buiten toepassing worden gesteld.

2. In het eerste lid, onderdeel b, wordt «artikel 3.42, derde lid» vervangen door: artikel 3.42, derde lid, artikel 3.42a, derde lid.

3. Aan het artikel wordt een lid toegevoegd:

5. Het tweede lid is voorts niet van toepassing op een op grond van het eerste lid, onderdeel a, onder 3°, vastgestelde ministeriële regeling.

N. Na artikel 3.52 wordt ingevoegd:

Artikel 3.52a Duurzame ondernemingsaftrek

1. Indien in een kalenderjaar de omzet hoofdzakelijk bestaat uit de omzet van producten die zijn voortgebracht op een wijze die door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en Onze Minister van Financiën bij ministeriële regeling is aangewezen als een duurzame, niet gangbare wijze van voortbrenging die in het belang is van de bescherming van het Nederlandse milieu voor mens, plant of dier, behorend tot klasse A respectievelijk klasse B, kan een volgens het tweede lid bepaald bedrag aanvullend ten laste worden gebracht van de winst over dat jaar (duurzame ondernemingsaftrek).

2. De duurzame ondernemingsaftrek bedraagt 6 806 (f 15 000) indien het betreft een wijze van voortbrenging behorend tot klasse A en 3 404 (f 7500) indien het betreft een wijze van voortbrenging behorend tot klasse B.

3. De duurzame ondernemingsaftrek geldt slechts voor de ondernemer die voldoet aan het urencriterium.

4. De duurzame ondernemingsaftrek is alleen van toepassing indien bij de aangifte een verklaring is gevoegd die is afgegeven door een bij ministeriële regeling van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aangewezen instelling waaruit blijkt dat sprake is van een in het eerste lid bedoelde, aangewezen niet gangbare wijze van voortbrenging van producten en tot welke klasse deze voortbrengingswijze behoort.

5. Indien de onderneming deel uitmaakt van een samenwerkingsverband met een of meer andere belastingplichtigen die daarbij als ondernemer winst uit onderneming genieten of belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting en de duurzame ondernemingsaftrek bij meer dan een belastingplichtige van toepassing is, worden de in het tweede lid opgenomen bedragen naar evenredigheid van het aantal van deze belastingplichtigen in aanmerking genomen.

Artikel 3.52b Delegatiebepaling duurzame ondernemingsaftrek

Bij ministeriële regeling kunnen door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van de in artikel 3.52a opgenomen duurzame ondernemingsaftrek.

O. Artikel 3.53 wordt vervangen door:

Artikel 3.53 Fiscale reserves

1. Bij het bepalen van de in een kalenderjaar genoten winst kan worden gereserveerd:

a. tot gelijkmatige verdeling van kosten en lasten (egalisatiereserve);

b. tot herinvestering in bedrijfsmiddelen volgens artikel 3.54 (herinvesteringsreserve) en

c. voor de oude dag volgens paragraaf 3 (oudedagsreserve).

2. Met betrekking tot een in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde reserve is artikel 3.26, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

P. Artikel 3.54 wordt vervangen door:

Artikel 3.54 Herinvesteringsreserve

1. Indien bij vervreemding van een bedrijfsmiddel de opbrengst de boekwaarde van het bedrijfsmiddel overtreft, kan bij het bepalen van de in het kalenderjaar genoten winst het verschil gereserveerd worden en blijven tot vermindering van de in aanmerking te nemen aanschaffings- of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen die in het jaar van vervreemding of in de daarop volgende drie jaren worden aangeschaft of voortgebracht, indien en zolang het voornemen tot herinvestering van de opbrengst bestaat (herinvesteringsreserve).

2. Afboeking van de herinvesteringsreserve op de aanschaffings- of voortbrengingskosten van het bedrijfsmiddel of de bedrijfsmiddelen waarin wordt geherinvesteerd, vindt plaats voorzover het gezamenlijke bedrag van de boekwaarden van die bedrijfsmiddelen door die afboeking niet daalt beneden het bedrag van de boekwaarde onmiddellijk voorafgaande aan de vervreemding van het bedrijfsmiddel ter zake waarvan de herinvesteringsreserve is gevormd.

3. Afboeking van een herinvesteringsreserve die is ontstaan als gevolg van de vervreemding van een bedrijfsmiddel waarop niet pleegt te worden afgeschreven of waarop in meer dan tien jaren pleegt te worden afgeschreven, behoeft slechts plaats te vinden op de aanschaffings- of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen met eenzelfde economische functie als de vervreemde bedrijfsmiddelen.

4. Met betrekking tot bedrijfsmiddelen waarop niet pleegt te worden afgeschreven en bedrijfsmiddelen waarop in meer dan tien jaren pleegt te worden afgeschreven, vindt afboeking van een herinvesteringsreserve slechts plaats voorzover de herinvesteringsreserve is gevormd ter zake van de vervreemding van bedrijfsmiddelen met eenzelfde economische functie in de onderneming als de aangeschafte of voortgebrachte bedrijfsmiddelen.

5. Een herinvesteringsreserve wordt uiterlijk in het derde jaar na het jaar waarin de reserve is ontstaan, in de winst opgenomen, behalve voorzover:

a. in verband met de aard van de aan te schaffen of voort te brengen bedrijfsmiddelen een langer tijdvak is vereist of

b. de aanschaffing of voortbrenging, mits daaraan een begin van uitvoering is gegeven, door bijzondere omstandigheden is vertraagd.

6. Voor de toepassing van dit artikel wordt met vervreemding gelijkgesteld verlies of beschadiging van een bedrijfsmiddel. De vergoeding wegens verlies of beschadiging wordt daarbij aangemerkt als opbrengst.

7. Voor de toepassing van dit artikel behoren niet tot de bedrijfsmiddelen:

a. vermogensrechten die ter belegging worden gehouden, en

b. voorwerpen van geringe waarde als bedoeld in artikel 3.30, tweede lid.

8. Indien op het vervreemde bedrijfsmiddel willekeurig is afgeschreven, wordt voor de toepassing van het eerste lid als boekwaarde van dat bedrijfsmiddel in aanmerking genomen, de boekwaarde die zonder willekeurige afschrijving zou hebben gegolden.

9. Met betrekking tot bedrijfsmiddelen waarop in meer dan tien jaar pleegt te worden afgeschreven, is de beperking van het vierde lid niet van toepassing indien de aanschaffing of voortbrenging een direct gevolg is van een aangewezen vorm van overheidsingrijpen als bedoeld in artikel 3.64.

Q. Na artikel 3.54 wordt ingevoegd:

Artikel 3.54a Terugkeerreserve

1. Indien de belastingplichtige de onderneming van een vennootschap waarvan hij aandelen of winstbewijzen houdt, in het kader van de ontbinding van die vennootschap met toepassing van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, voortzet of mede voortzet, wordt op het tijdstip van de voortzetting op de balans van de onderneming een reserve gevormd (positieve of negatieve terugkeerreserve).

2. De terugkeerreserve wordt gesteld op de helft van het vervreemdingsvoordeel dat op grond van artikel 4.42a voor de heffing buiten aanmerking blijft, na het vervreemdingsvoordeel eerst te hebben verminderd met het bedrag bedoeld in het derde lid. Indien deze vermindering leidt tot een positief bedrag, ontstaat er een positieve terugkeerreserve welke ten laste van het vermogen van de voortgezette onderneming komt. Wanneer deze vermindering leidt tot een negatief bedrag, ontstaat er een negatieve terugkeerreserve ter grootte van de helft van het negatieve bedrag; een negatieve terugkeerreserve komt in mindering op de winst bij staking van de onderneming. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt het vervreemdingsvoordeel ten minste gesteld op nihil.

3. Het bedrag waarmee het vervreemdingsvoordeel wordt verminderd wordt gesteld op 65% van de winst die volgens artikel 14c, eerste lid in verbinding met het derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 voor de heffing van de vennootschapsbelasting buiten aanmerking blijft, voorzover deze winst is toe te rekenen aan het aandeel van de belastingplichtige in de vennootschap.

4. Een positieve terugkeerreserve wordt uiterlijk bij staking van de onderneming in de winst opgenomen. Bij staking van een zelfstandig deel van de voortgezette onderneming wordt een evenredig gedeelte van de positieve terugkeerreserve in de winst opgenomen.

5. De omvang van de terugkeerreserve wordt door de inspecteur vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking. De in de eerste volzin bedoelde beschikking kan mede betrekking hebben op voorwaarden als bedoeld in artikel 4.42a, tweede lid.

6. Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat de omvang van de terugkeerreserve op een onjuist bedrag is vastgesteld, kan de inspecteur de beschikking herzien bij voor bezwaar vatbare beschikking.

7. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor herziening opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige terzake van dit feit te kwader trouw is.

8. De bevoegdheid tot herziening vervalt door verloop van vijf jaren na de datum van vaststelling van de beschikking.

R. In artikel 3.56, derde lid, laatste volzin, wordt «vennootschap» vervangen door: rechtspersoon.

S. Artikel 3.63 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift wordt vervangen door: Doorschuiving naar ondernemers.

2. Het eerste lid wordt vervangen door:

1. Indien de belastingplichtige een onderneming waaruit hij als ondernemer of als belastingplichtige als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a, winst geniet, overdraagt in een geval als bedoeld in het vierde lid, wordt voor het bepalen van de uit de onderneming in het kalenderjaar van overdracht genoten winst de onderneming, behalve voor de toepassing van artikel 3.54a, geacht niet te zijn gestaakt, mits zowel de belastingplichtige als degene die de onderneming voortzet dit bij de aangifte van de belastingplichtige verzoeken.

3. Het vierde lid wordt vervangen door:

4. Het eerste lid is slechts van toepassing indien de over te dragen onderneming gedurende de 36 maanden die onmiddellijk voorafgaan aan het tijdstip van de overdracht deel uitmaakte van een samenwerkingsverband met degene die de onderneming gaat voortzetten en degene die voortzet met betrekking tot dat samenwerkingsverband gedurende die 36 maanden als ondernemer winst heeft genoten.

4. Onder vernummering van het vijfde lid tot zesde lid, wordt na het vierde lid ingevoegd:

5. Bij ministeriële regeling kan onder nader te stellen voorwaarden worden bepaald dat in bij die regeling te bepalen gevallen de in het vierde lid bedoelde termijn tot een bij die regeling te bepalen periode wordt verkort.

T. Artikel 3.64 wordt vervangen door:

Artikel 3.64 Doorschuiving via te conserveren inkomen naar andere onderneming bij staking door overheidsingrijpen

1. Bij het staken van een onderneming als direct gevolg van een in het vierde lid bedoelde vorm van overheidsingrijpen wordt op verzoek van de belastingplichtige bij de aangifte de met of bij de staking behaalde winst die is toe te rekenen aan bedrijfsmiddelen en aan herinvesteringsreserves, afzonderlijk bepaald en behandeld als te conserveren inkomen, voorzover aannemelijk wordt gemaakt dat die afzonderlijk bepaalde winst in het jaar van staking, dan wel binnen een periode van 12 maanden na staking, zal worden geherinvesteerd in een onderneming waaruit de belastingplichtige winst geniet.

2. Bij tijdige herinvestering wordt de afzonderlijk bepaalde winst in mindering gebracht op de aanschaffings- of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen die door de belastingplichtige ten behoeve van een bestaande of nieuwe onderneming worden aangeschaft of voortgebracht, als ware die winst een herinvesteringsreserve. Daarbij is artikel 3.54 van overeenkomstige toepassing. De inspecteur vermindert vervolgens dienovereenkomstig de conserverende belastingaanslag bij voor bezwaar vatbare beschikking. Rechtsmiddelen tegen deze beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de grootte van de vermindering.

3. Op verzoek van de belastingplichtige wordt de periode van 12 maanden, bedoeld in het eerste lid, verlengd, indien:

a. in verband met de aard van de aan te schaffen of voort te brengen bedrijfsmiddelen, voor de herinvestering een langer tijdvak is vereist of

b. de herinvestering, mits daaraan een begin van uitvoering is gegeven, door bijzondere omstandigheden is vertraagd.

4. Onder een vorm van overheidsingrijpen als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan:

a. het handelen van de overheid als de instantie die de bevoegdheid heeft om over te gaan tot onteigening als bedoeld voor de toepassing van artikel 57, eerste lid, onderdeel a, van de onteigeningswet, daaronder begrepen de totstandkoming van een bestemmingsplan waarbij denieuwe bestemming ertoe leidt dat de onderneming uiteindelijk niet langer op de oorspronkelijke plaats kan worden uitgeoefend;

b. bij algemene maatregel van bestuur aangewezen communautaire of nationale regelgeving die leidt tot herstructurering van een bedrijfstak.

U. Artikel 3.65, vierde lid, tweede volzin, wordt vervangen door: Voorts kunnen voorwaarden worden gesteld die betrekking hebben op:

a. de grootte van het geplaatste en gestorte aandelenkapitaal;

b. de verkrijgingsprijs, bedoeld in artikel 4.21, van de bij de omzetting verkregen aandelen en de boekwaarde van bij de omzetting verkregen schuldvorderingen;

c. de berekening van de verminderingen ter voorkoming van dubbele belasting;

d. de ingebrachte aandelen die als gevolg van de omzetting gaan behoren tot een deelneming als bedoeld in artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, en

e. de vervreemding van de aandelen in de opgerichte vennootschap.

V. Artikel 3.69 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift wordt vervangen door: Extra toevoegingen.

2. Het eerste lid wordt vervangen door:

1. Het bedrag dat volgens artikel 3.68, eerste lid, aanhef en onderdeel a, aan de oudedagsreserve wordt toegevoegd, kan worden vermeerderd:

a. met het bedrag waarmee in het voorafgaande kalenderjaar de oudedagsreserve volgens artikel 3.70, eerste lid, aanhef en onderdeel b, geheel of gedeeltelijk is afgenomen en waarop artikel 3.72, derde lid, geen toepassing heeft gevonden;

b. met de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen, bedoeld in artikel 3 100, onderdeel b, en de negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen die ten aanzien van de belastingplichtige in aanmerking worden genomen in verband met de toepassing van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 ten aanzien van de vennootschap waarvan de belastingplichtige aandeelhouder is voorzover deze uitkeringen, verstrekkingen en negatieve uitgaven verband houden met een lijfrente die in het kader van de afname van een oudedagsreserve van de belastingplichtige is gevormd.

W. In artikel 3.83, zevende lid, onder 1°, wordt «vierde lid» vervangen door: vijfde lid.

X. Aan artikel 3.92, tweede lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma, toegevoegd:

c. met een vennootschap gelijkgesteld een fonds voor gemene rekening als bedoeld in artikel 4.5 en een coöperatie of vereniging op coöperatieve grondslag.

Y. Na artikel 3.98 wordt ingevoegd:

Artikel 3.98a Doorschuiving bij ontbinding van de vennootschap

Indien vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 3.92 niet langer door de belastingplichtige ter beschikking worden gesteld aan de vennootschap in verband met de toepassing van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 maar onderdeel gaan uitmaken van de onderneming van de vennootschap die door hem wordt voortgezet, wordt, op verzoek van de belastingplichtige, de daarmee behaalde stakingswinst niet in aanmerking genomen voor het bepalen van het in het jaar uit de werkzaamheid genoten resultaat. In dat geval wordt bij de onderneming de boekwaarde van de vermogensbestanddelen gesteld op de boekwaarde daarvan bij de werkzaamheid.

Z. In artikel 3.133, tweede lid, onderdeel e, en vijfde lid, wordt «vierde lid» vervangen door: vijfde lid.

AA. In artikel 3.135, eerste lid, onderdeel d, wordt «vierde lid» vervangen door: vijfde lid.

AB. In artikel 3.136, tweede lid, wordt «vierde lid» vervangen door: vijfde lid.

AC. In artikel 3.138, vierde lid, wordt «vierde lid» vervangen door: vijfde lid.

AD. Aan artikel 3.150 wordt na het vijfde lid toegevoegd:

6. Het ondernemingsverlies dat met toepassing van artikel 14c, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 geacht wordt te zijn geleden door de aandeelhouder die de onderneming voortzet, wordt uitsluitend verrekend met de winst uit de voortgezette onderneming.

AE. Na artikel 4.5 wordt ingevoegd:

Artikel 4.5a Coöperaties

1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt:

a. een lidmaatschapsrecht, of een daarmee op één lijn te stellen bewijs van deelgerechtigdheid tot het vermogen, van een coöperatie of vereniging op coöperatieve grondslag gelijkgesteld met een winstbewijs;

b. een coöperatie of vereniging op coöperatieve grondslag gelijkgesteld met een vennootschap.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op rechten van lidmaatschap van coöperaties indien die rechten direct en uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het recht op uitsluitend of nagenoeg uitsluitend gebruik belichamen van een gebouw of van een gedeelte daarvan dat blijkens zijn inrichting is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt.

AF. Aan artikel 4.6 wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door een puntkomma, toegevoegd:

d. gerechtigd is tot ten minste 5% van de stemmen uit te brengen in de algemene vergadering van een in artikel 4.5a bedoelde rechtspersoon.

AG. In artikel 4.11 wordt «artikel 4.17» vervangen door: artikel 3.65, 4.17.

AH. Aan artikel 4.13, eerste lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door een puntkomma, toegevoegd:

e. de teruggaaf van wat door houders van winstbewijzen is gestort of ingelegd waarbij een teruggaaf geen regulier voordeel vormt voorzover de teruggaaf niet meer bedraagt dan de verkrijgingsprijs van de bedoelde winstbewijzen.

AI. Aan artikel 4.16 wordt na het vierde lid toegevoegd:

5. Met het betaalbaar stellen van een liquidatie-uitkering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt gelijkgesteld het voor rekening van de belastingplichtige voortzetten van de onderneming van de vennootschap waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft, in het kader van de ontbinding van die vennootschap met toepassing van artikel 14c, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

AJ. Aan artikel 4.21 wordt na het derde lid toegevoegd:

4. Indien een inbreng heeft plaatsgevonden op de voet van artikel 3.65 kan de verkrijgingsprijs negatief zijn.

AK. Aan artikel 4.33 wordt een tweede volzin toegevoegd: De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing in geval van teruggaaf op winstbewijzen.

AL. Aan artikel 4.34 wordt na het derde lid toegevoegd:

4. Het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing op:

a. liquidatie-uitkeringen bestaande uit het voor rekening van de belastingplichtige voortzetten van de onderneming van een vennootschap met toepassing van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;

b. het vervreemdingsvoordeel dat wordt genoten bij een vervreemding als bedoeld in artikel 4.16, vijfde lid.

5. Vervreemdingsvoordelen als bedoeld in het vierde lid worden gesteld op de waarde van de vermogensbestanddelen van de onderneming voorzover die door de belastingplichtige wordt voortgezet, verminderd met 35% van het bedrag dat op grond van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt vrijgesteld en voorts verminderd met een evenredig deel van de verkrijgingsprijs.

AM. Na artikel 4.42 wordt ingevoegd:

PARAGRAAF 4.8.4 Doorschuiving in het kader van een geruisloze terugkeer

Artikel 4.42a Doorschuiving vervreemdingsvoordeel bij geruisloze terugkeer

1. Op verzoek van de belastingplichtige wordt het voordeel dat wordt genoten in verband met de vervreemding, bedoeld in artikel 4.16, vijfde lid, niet in aanmerking genomen.

2. Onze Minister kan aan de toepassing van het eerste lid voorwaarden verbinden. Deze voorwaarden mogen slechts strekken tot verzekering van de heffing en invordering van inkomstenbelasting.

AN. Aan artikel 4.46 wordt na het zevende lid toegevoegd:

8. Het voordeel, bedoeld in artikel 4.16, vijfde lid, wordt geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop de onderneming van de vennootschap waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft, voor rekening en risico van de belastingplichtige wordt voortgezet.

AO. Artikel 5.13, eerste lid, komt te luiden:

1. Tot de maatschappelijke beleggingen behoren groene beleggingen. Groene beleggingen zijn aandelen in, winstbewijzen van en geldleningen aan bij ministeriële regeling aangewezen:

a. kredietinstellingen als bedoeld in de Wet toezicht kredietwezen 1992, met hoofdzakelijk als doel en feitelijke werkzaamheid het verstrekken van kredieten ten behoeve van projecten in het belang van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos, of het direct of indirect beleggen van vermogen in dergelijke projecten;

b. beleggingsinstellingen als bedoeld in de Wet toezicht beleggingsinstellingen, met hoofdzakelijk als doel en feitelijke werkzaamheid het direct of indirect beleggen van vermogen in projecten in het belang van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos.

AP. Aan artikel 6.1 wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel h door een puntkomma, toegevoegd:

i. aftrekbedragen voor aangewezen maatschappelijke beleggingen (afdeling 6.9A).

AQ. Na afdeling 6.9 wordt ingevoegd:

AFDELING 6.9A AFTREKBEDRAGEN VOOR AANGEWEZEN MAATSCHAPPELIJKE BELEGGINGEN

Artikel 6.39a Aftrek maatschappelijke beleggingen

1. Aftrekbedragen voor aangewezen maatschappelijke beleggingen zijn de bedragen die in aftrek komen ter zake van aangewezen maatschappelijke beleggingen die tot het vermogen van de belastingplichtige behoren.

2. In deze afdeling en de daarop rustende bepalingen wordt onder aangewezen maatschappelijke beleggingen verstaan groene beleggingen als bedoeld in artikel 5.13.

Artikel 6.39b Aftrekbedrag groene beleggingen

Het aftrekbedrag voor groene beleggingen bedraagt 2,5% van het gemiddelde van het bedrag aan groene beleggingen op de begindatum en van dat bedrag op de einddatum, voorzover deze beleggingen ingevolge artikel 5.12 niet tot de bezittingen behoren.

AR. In artikel 7.2, achtste lid, onderdeel d, onder 1°, wordt «vierde lid» vervangen door: vijfde lid.

AS. In artikel 10.1 wordt «3.47, 3.48, 3.68» vervangen door: 3.42a, 3.47, 3.48, 3.52a, 3.68.

ARTIKEL II

De Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 2, vierde lid, wordt «met uitzondering van de artikelen 13i tot en met 13k, 14a en 14b» vervangen door: met uitzondering van de artikelen 13 tot en met 13d, 13f, 13g, 13i tot en met 13k, 14a, 14b en 28b.

B. Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «3.21 tot en met 3.57» vervangen door 3.21 tot en met 3.5, 3.52a, eerste, tweede lid, vierde en vijfde lid, 3.52b tot en met 3.57.

2. Na het negende lid wordt toegevoegd:

10. Voor de toepassing van artikel 3.54 van de Wet inkomstenbelasting 2001, wordt een deelneming als bedoeld in artikel 13 niet tot de bedrijfsmiddelen gerekend.

C. Artikel 10a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid, wordt «de artikelen 10c, 13, 13b, 13c» vervangen door: de artikelen 10c, 12, 13, 13b, 13c.

2. In het vijfde lid, onderdeel a, wordt «voor de toepassing van dit artikel» vervangen door: voor de toepassing van dit artikel en artikel 12.

D. Na artikel 11 wordt ingevoegd:

Artikel 12

1. Indien een schuld door de belastingplichtige (schuldenaar) wordt voldaan door het uitgeven van aandelen waarvan de waarde in het economische verkeer lager is dan de boekwaarde van de schuld, wordt de schuldenaar geacht een voordeel te hebben genoten. Het voordeel wordt gesteld op het verschil tussen de boekwaarde van de schuld en de waarde in het economische verkeer van de uitgegeven aandelen.

2. Indien als gevolg van de toepassing van artikel 20a verliezen niet meer verrekenbaar zijn, behoeft tot de omvang van die verliezen, in afwijking in zoverre van het eerste lid, het in dat lid bedoelde voordeel niet tot de winst gerekend te worden. Het voordeel dat niet tot de winst wordt gerekend komt – voor de toepassing van dit lid in volgende jaren en voor de regeling van de verliescompensatie – in mindering op de niet meer verrekenbare verliezen.

3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het uitgeven van aandelen tevens begrepen het uitgeven van winstbewijzen, lidmaatschapsrechten dan wel bewijzen van deelgerechtigdheid.

4. Indien een onvolwaardige schuld aan een met de schuldenaar verbonden lichaam of verbonden natuurlijk persoon gaat functioneren als vermogen van de schuldenaar zonder dat de schuldenaar daartoe aandelen uitgeeft, wordt de schuldenaar geacht een voordeel te hebben genoten ter grootte van de boekwaarde van de schuld. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.

5. Indien een schuld aan een met de schuldenaar verbonden lichaam of verbonden natuurlijk persoon wordt verschuldigd aan een ander verbonden lichaam of een andere verbonden natuurlijk persoon die woont buiten Nederland, wordt de schuldenaar geacht een voordeel te hebben genoten ter grootte van de boekwaarde van de schuld. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.

6. Het vijfde lid is niet van toepassing indien aannemelijk wordt gemaakt dat:

a. het andere verbonden lichaam is onderworpen aan de heffing van vennootschapsbelasting en de schuldvordering bij dat lichaam behoort tot het vermogen waarmee winst uit onderneming wordt behaald;

b. bij het andere verbonden lichaam, indien dat buiten Nederland is gevestigd, de schuldvordering gaat behoren tot het vermogen waarmee winst uit onderneming wordt behaald waarover vennootschapsbelasting wordt geheven dan wel per saldo een belasting naar de winst die naar Nederlandse maatstaven redelijk is, of

c. bij de in dat lid bedoelde andere natuurlijke persoon die buiten Nederland woont, de schuldvordering gaat behoren tot het vermogen waarmee winst uit onderneming wordt behaald waarover vennootschapsbelasting wordt geheven dan wel per saldo een belasting naar de winst die naar Nederlandse maatstaven redelijk is.

E. Artikel 13b wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt vervangen door:

1. Indien een vordering op een lichaam (schuldenaar) waarin de belastingplichtige of een met de belastingplichtige verbonden lichaam een deelneming heeft, is afgewaardeerd ten laste van de in Nederland belastbare winst van de belastingplichtige of het verbonden lichaam en de schuld bij de schuldenaar niet behoort tot het vermogen waarmee in Nederland een onderneming wordt gedreven, wordt, ingeval de vordering door de belastingplichtige wordt omgezet, vervreemd of overgebracht als bedoeld in het tweede lid, terzake van die omzetting, vervreemding of overbrenging tot de winst van de belastingplichtige gerekend een bedrag gelijk aan die afwaardering.

2. In het tweede lid wordt, onder verlettering van de onderdelen b en c in onderscheidelijk c en d, ingevoegd:

b. gaat functioneren als vermogen van de schuldenaar zonder dat de schuldenaar daartoe aandelen uitgeeft;.

3. In het tweede lid wordt in het tot c verletterde onderdeel b «en» vervangen door: of. Voorts wordt in het vierde lid, tweede volzin, «en» vervangen door: of.

4. Na het derde lid wordt, onder vernummering van het vierde en vijfde lid tot vijfde en zesde lid, ingevoegd:

4. Het eerste lid is niet van toepassing indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat:

a. de omzetting leidt tot een belasting naar de winst bij de schuldenaar of

b. een omzetting van de vervreemde of overgebrachte schuldvordering zou leiden tot een belasting naar de winst bij de schuldenaar, mits die belasting naar de winst per saldo naar Nederlandse maatstaven redelijk is.

5. In het tot vijfde lid vernummerde vierde lid wordt, voor de punt aan het slot van de eerste volzin, ingevoegd: waarover per saldo een belasting naar de winst wordt geheven die naar Nederlandse maatstaven redelijk is.

6. In het tot zevende lid vernummerde vijfde lid wordt «vierde lid, tweede volzin» vervangen door: vijfde lid, tweede volzin.

F. In artikel 13d, tiende lid, wordt «Artikel 20a, derde lid,» vervangen door: Artikel 20b, derde lid,.

G. Artikel 13g wordt vervangen door:

Artikel 13g

1. Indien een belastingplichtige een bezit van ten minste 25 percent in het nominaal gestorte kapitaal van een vennootschap die is gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie als belegging houdt in de zin van artikel 13, tweede lid, wordt, voorzover uit hoofde van dat aandelenbezit genoten winstuitkeringen tot de winst van de belastingplichtige behoren, ter verrekening van de in die andere lidstaat naar de winst geheven belasting die aan die winstuitkeringen kan worden toegerekend, een vermindering van de verschuldigde vennootschapsbelasting verleend met een volgens artikel 23c te bepalen bedrag.

2. Het eerste lid is slechts van toepassing indien:

a. de in de andere lidstaat gevestigde vennootschap, zonder keuzemogelijkheid, zonder er van te zijn vrijgesteld en zonder toepassing van een bijzonder regime, is onderworpen aan de aldaar geheven belasting naar de winst, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Richtlijn 90/435/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende Lid-Staten (PbEG L 225);

b. de belastingplichtige en de vennootschap één van de in de bijlage bij de in onderdeel a bedoelde richtlijn opgenomen rechtsvormen hebben;

c. de belastingplichtige en de vennootschap in de lidstaat van vestiging niet worden geacht volgens een met een derde Staat gesloten verdrag ter voorkoming van dubbele belasting buiten de lidstaten van de Europese Unie te zijn gevestigd.

3. Indien het eerste lid ten aanzien van een belastingplichtige toepassing vindt, wordt het bedrag van de in dat lid bedoelde door de andere lidstaat geheven belasting die aan de winstuitkering kan worden toegerekend, tot de winst van die belastingplichtige gerekend.

4. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder winstuitkeringen verstaan: voordelen uit aandelen, winstbewijzen of andere rechten, met uitzondering van schuldvorderingen, die aanspraak geven op een aandeel in de winst van de in het eerste lid bedoelde vennootschap.

5. Indien de belastingplichtige in het bezit is van aandelen die ten minste 25 percent van de stemrechten vertegenwoordigen in een vennootschap die is gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie waarmee Nederland een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten dat voorziet in een verlaging van de belastingheffing op dividenden op grond van het bezit van het aantal stemrechten, wordt, in afwijking inzoverre van artikel 13, tweede lid, onderdeel a, dit bezit met een deelneming gelijkgesteld indien aan de in het tweede lid, onderdelen b en c, opgenomen vereisten is voldaan. Ingeval de belastingplichtige dit bezit als belegging houdt, is met betrekking tot dat bezit dit artikel van overeenkomstige toepassing.

H. Na artikel 14b wordt ingevoegd:

Artikel 14c

1. Indien een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die uitsluitend natuurlijke personen als aandeelhouder heeft, wordt ontbonden en de door de vennootschap gedreven onderneming door de aandeelhouders wordt voortgezet, kan Onze Minister op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en de voortzettende aandeelhouders onder door hem nader te stellen voorwaarden toestaan dat de winst die bij of als gevolg van de ontbinding tot uitdrukking komt, niet in aanmerking wordt genomen. De aandeelhouders treden met betrekking tot de vermogensbestanddelen waarmee zij de onderneming voortzetten en die zij in het kader van de ontbinding verkrijgen, ieder voor zijn gedeelte, in de plaats van de belastingplichtige, behalve voorzover bij de te stellen voorwaarden anders is bepaald.

2. Indien de belastingplichtige aanspraak kan maken op voorwaartse verrekening van verliezen of indien ingevolge voorschriften ter voorkoming van dubbele belasting winst uit buitenlandse onderneming naar volgende jaren is overgebracht en welke nog niet in aanmerking is genomen, blijft de in het eerste lid bedoelde winst slechts buiten aanmerking voorzover deze uitgaat boven die verliezen respectievelijk winst uit buitenlandse onderneming. Voorzover de in het eerste lid bedoelde winst betrekking heeft op een buitenlandse onderneming, blijft die winst slechts buiten aanmerking voorzover deze uitgaat boven de verliezen uit buitenlandse onderneming die ingevolge voorschriften ter voorkoming van dubbele belasting naar andere jaren zijn overgebracht en welke nog niet in aanmerking zijn genomen. Voorzover de winst, bedoeld in het eerste lid, wel in aanmerking wordt genomen, vindt een verhoging van boekwaarden van bezittingen of opheffing van fiscale reserves plaats.

3. Voorzover na toepassing van het tweede lid verliezen nog niet zijn verrekend, worden deze voor 35/50 deel aangemerkt als ondernemingsverlies in de zin van artikel 3 148, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 van de aandeelhouders die de onderneming voortzetten. Een en ander voorzover aannemelijk is dat dit verlies is geleden in de uitoefening van de onderneming die wordt voortgezet. Het verlies wordt door de inspecteur vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking. Voorzover na toepassing van het tweede lid naar volgende jaren overgebrachte winst of verliezen uit buitenlandse onderneming nog niet in aanmerking zijn genomen, wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald op welke wijze die winst of verliezen, bij de aandeelhouders van de voortgezette onderneming in aanmerking worden genomen.

4. Het eerste lid is niet van toepassing:

a. voorzover de vermogensbestanddelen en fiscale reserves van de belastingplichtige niet kunnen gaan behoren tot het vermogen waarmee de onderneming door de aandeelhouders wordt voortgezet;

b. op de positieve voordelen die volgens artikel 13ca tot de winst gerekend moeten worden.

5. Voor de toepassing van dit artikel:

a. wordt onder een aandeelhouder die voortzet verstaan een aandeelhouder bij wie de in het eerste lid bedoelde vermogensbestanddelen, vanaf het tijdstip dat deze vermogensbestanddelen hem aangaan, behoren tot het vermogen van een onderneming met betrekking waartoe hij ondernemer als bedoeld in artikel 3.4 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 of medegerechtigde als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a, van die wet, is;

b. worden met aandeelhouders gelijkgesteld houders van winstbewijzen die medegerechtigd zijn tot het vermogen van de vennootschap.

6. De in het eerste lid bedoelde voorwaarden mogen slechts strekken ter verzekering van de heffing en de invordering van de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting die verschuldigd zouden zijn of zouden worden indien het eerste lid buiten toepassing zou blijven. Voorts kunnen aan de voortzettende aandeelhouder voorwaarden worden gesteld die betrekking hebben op de in een jaar genoten winst, de toelaatbare reserves, en kunnen voorwaarden worden gesteld indien de waarde in het economische verkeer van de vermogensbestanddelen op het tijdstip dat onmiddellijk voorafgaat aan het voortzetten van de onderneming voor rekening van de aandeelhouders lager is dan de boekwaarde van deze vermogensbestanddelen. Indien de onderneming door meerdere aandeelhouders wordt voortgezet, wordt in de voorwaarden bepaald dat de verliezen, bedoeld in het derde lid, naar rato van het belang van een ieder in de belastingplichtige worden toegerekend. Tevens kunnen voorwaarden worden gesteld die betrekking hebben op de verdeling van de in het eerste lid bedoelde vermogensbestanddelen over de voortzettende aandeelhouders en de voortgang van de vereffening van het vermogen van de belastingplichtige. Tenslotte kunnen voorwaarden worden gesteld met betrekking tot de financiering van de onderneming bij aanvang van het voortzetten door de aandeelhouder indien de vennootschap voor de overdracht van vermogensbestanddelen waarmee de aandeelhouder de onderneming wil voortzetten, een tegenprestatie ontvangt.

7. Het in het eerste lid bedoelde verzoek wordt voor de ontbinding van belastingplichtige gedaan bij de inspecteur belast met de aanslagregeling van de belastingplichtige. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking waarin de in het eerste lid bedoelde voor- waarden zijn opgenomen.

I. Na artikel 15d wordt ingevoegd:

Artikel 15e

1. Indien de belastingplichtige op de voet van artikel 8, eerste lid, in verbinding met artikel 3.54 van de Wet inkomstenbelasting 2001, een herinvesteringsreserve heeft gevormd, wordt deze in afwijking in zoverre van het laatstgenoemde artikel aan de winst toegevoegd ingeval de uiteindelijke zeggenschap over dan wel de uiteindelijke gerechtigdheid tot het vermogen van de belastingplichtige in belangrijke mate wijzigt, tenzij de belastingplichtige aannemelijk maakt dat zijn bezittingen voor minder dan in belangrijke mate bestaan uit beleggingen daaronder begrepen liquide middelen.

2. Een wijziging van de directe zeggenschap over dan wel de directe gerechtigdheid tot het vermogen van een dochtermaatschappij die behoort tot een concern in de zin van artikel 15b, eerste lid, onderdeel c, leidt niet tot toepassing van het eerste lid ingeval de dochtermaatschappij blijft behoren tot het concern waarvan zij deel uitmaakte voor die wijziging.

3. Een wijziging van de uiteindelijke zeggenschap over een lichaam of de uiteindelijke gerechtigdheid tot het vermogen van een lichaam leidt voorts niet tot toepassing van het eerste lid indien:

a. de wijziging niet uitgaat boven hetgeen als gebruikelijk kan worden aangemerkt, mits het het lichaam niet bekend is of bekend had kunnen zijn wie de uiteindelijke zeggenschap over het lichaam of de uiteindelijke gerechtigdheid tot zijn vermogen heeft;

b. de wijziging voortvloeit uit een overgang krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht.

4. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder dochtermaatschappij verstaan een lichaam waarvan het belang voor tenminste een derde gedeelte berust bij een ander lichaam.

J. In artikel 20 vervalt het vijfde lid.

K. Onder vernummering van artikel 20a tot artikel 20b, wordt na artikel 20 ingevoegd:

Artikel 20a

1. Verliezen van een belastingplichtige zijn, in afwijking in zoverre van artikel 20, niet meer verrekenbaar met belastbare winsten van volgende jaren indien tussen het einde van het jaar waarin het verlies is geleden en het einde van het jaar waarin de belastbare winst is behaald de uiteindelijke zeggenschap over dan wel de uiteindelijke gerechtigdheid tot het vermogen van de belastingplichtige in belangrijke mate is gewijzigd.

2. Een wijziging van de directe zeggenschap over dan wel de directe gerechtigdheid tot het vermogen van een dochtermaatschappij die behoort tot een concern in de zin van artikel 15b, eerste lid, onderdeel c, leidt niet tot toepassing van het eerste lid ingeval de dochtermaatschappij blijft behoren tot het concern waarvan zij deel uitmaakte voor die wijziging.

3. Een wijziging van de uiteindelijke zeggenschap over een lichaam of de uiteindelijke gerechtigdheid tot het vermogen van een lichaam leidt voorts niet tot toepassing van het eerste lid indien:

a. de wijziging niet uitgaat boven hetgeen als gebruikelijk kan worden aangemerkt, mits het het lichaam niet bekend is of bekend had kunnen zijn wie de uiteindelijke zeggenschap over het lichaam of de uiteindelijke gerechtigdheid tot zijn vermogen heeft;

b. de wijziging voortvloeit uit een overgang krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht.

4. Het eerste lid is niet van toepassing indien:

a. de bezittingen van de belastingplichtige op geen enkel tijdstip van het jaar waarin het verlies is geleden en op geen enkel tijdstip van het jaar waarin de winst is behaald in belangrijke mate bestaan uit beleggingen daaronder begrepen liquide middelen en

b. de belastingplichtige na het jaar waarin het verlies is geleden:

1°. geen andersoortige activiteit is aangevangen dan wel heeft verworven en

2°. geen vermogensbestanddelen van een met hem verbonden lichaam of verbonden natuurlijk persoon heeft verworven die een onderneming of een zelfstandig onderdeel daarvan kunnen vormen.

5. Voor de toepassing van het vierde lid, onderdeel b, wordt onder het verwerven van een andersoortige activiteit dan wel van een onderneming of een zelfstandig gedeelte daarvan niet begrepen de verwerving in het kader van een bedrijfsfusie in de zin van artikel 14, een juridische splitsing in de zin van artikel 14a of een juridische fusie in de zin van artikel 14b en de verwerving van vermogensbestanddelen van een lichaam dat behoort tot dezelfde fiscale eenheid, bedoeld in artikel 15, als waartoe ook de belastingplichtige behoort.

6. Met betrekking tot de verrekening van verliezen met winsten uit voorafgaande jaren vindt dit artikel overeenkomstige toepassing.

7. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder dochtermaatschappij verstaan een lichaam waarvan het belang voor tenminste een derde gedeelte berust bij een ander lichaam.

8. De belastingplichtige die zekerheid wenst omtrent de vraag of op het tijdstip waarop de uiteindelijke zeggenschap over hem of de uiteindelijke gerechtigdheid tot zijn vermogen wijzigt, wordt voldaan aan de voorwaarden van het vierde lid voor het niet van toepassing zijn van het eerste lid, kan een verzoek indienen bij de inspecteur. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. In geval van een positieve beschikking, wordt in het jaar waarin de belastbare winst wordt genoten, in afwijking in zoverre van het vierde lid, beoordeeld of is voldaan aan de bedoelde voorwaarden ten opzichte van het in de eerste volzin bedoelde tijdstip.

9. Indien een belastingplichtige vanaf enig tijdstip als gevolg van de toepassing van dit artikel verliezen niet meer kan verrekenen met winsten na dat tijdstip, kan de belastingplichtige op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip, zijn vermogensbestanddelen te boek stellen voor ten hoogste de waarde in het economische verkeer.

L. Na artikel 23b wordt ingevoegd:

Artikel 23c

1. Indien met betrekking tot een als belegging gehouden bezit van ten minste 25 percent in het nominaal gestorte kapitaal van een vennootschap die is gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie, in een jaar ten aanzien van de belastingplichtige artikel 13g toepassing vindt, be- draagt het te verrekenen bedrag van de door de andere lidstaat naar de winst geheven belasting over dat jaar het laagste van de volgende bedragen:

a. de door de andere lidstaat naar de winst geheven belasting die is toe te rekenen aan de in artikel 13g, eerste lid, bedoelde winstuitkeringen;

b. het bedrag dat tot de volgens artikel 22 berekende belasting die over het jaar verschuldigd zou zijn zonder toepassing van dit artikel in dezelfde verhouding staat als het bedrag van de in artikel 13g, eerste lid, bedoelde winstuitkeringen, verminderd met de daarop rechtstreeks drukkende kosten en vermeerderd met het in onderdeel a bedoelde bedrag van de door de andere lidstaat geheven belasting, staat tot het belastbare bedrag.

2. De inspecteur stelt het in het eerste lid bedoelde te verrekenen bedrag vast bij voor bezwaar vatbare beschikking, gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag over het jaar. Het bedrag wordt op het aanslag- biljet afzonderlijk vermeld. Artikel 20b, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

3. De volgens artikel 22 berekende belasting wordt verminderd met het op de voet van het eerste lid berekende te verrekenen bedrag, doch niet verder dan tot nihil.

4. Voorzover het in het eerste lid bedoelde te verrekenen bedrag in het jaar niet leidt tot een vermindering, wordt het in mindering gebracht, doch niet verder dan tot nihil, op de volgens artikel 22 berekende belasting van de volgende jaren, mits het nog niet tot een vermindering geleid hebben- de bedrag door de inspecteur is vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking. De vermindering in de volgende jaren geschiedt in de volgorde van de jaren waarin de winstuitkeringen zijn genoten.

5. De inspecteur stelt het in het eerste lid bedoelde te verrekenen bedrag voorzover dat op de voet van het vierde lid nog in mindering mag worden gebracht op de volgens artikel 22 berekende belasting van de volgende jaren, vast bij voor bezwaar vatbare beschikking, gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag. Dit bedrag wordt op het aanslagbiljet afzonderlijk vermeld.

6. Rechtsmiddelen tegen de beschikking bedoeld in het vierde en vijfde lid kunnen uitsluitend betrekking hebben op het te verrekenen bedrag of op het bedrag dat nog in mindering mag worden gebracht in volgende jaren.

M. Artikel 28b, wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, wordt «, daaronder begrepen bezittingen die worden aangewend voor werkzaamheden welke niet als actieve financieringswerkzaamheden in de zin van artikel 13, tweede lid, laatste volzin, worden aangemerkt,» vervangen door: – daaronder begrepen bezittingen die worden aangewend voor financieringswerkzaamheden als bedoeld in artikel 13, tweede lid, laatste volzin, die niet kunnen worden aangemerkt als actieve financieringswerkzaamheden –.

2. Na het derde lid wordt toegevoegd:

4. Het eerste lid vindt geen toepassing op een belang in een lichaam indien met betrekking tot dat lichaam artikel 13g, eerste lid, van toepassing is, behalve voorzover de belastingplichtige door middel van dat lichaam een belang heeft van een vierde gedeelte of meer in een lichaam als bedoeld in het eerste lid.

N. In artikel 31c wordt «Artikel 70ba van de Wet op de inkomstenbelasting 1964» vervangen door: Artikel 70ba van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat luidde op 31 december 2000.

ARTIKEL III

In artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de dividendbelasting 1965 wordt voor de puntkomma aan het slot ingevoegd: , behoudens voorzover de liquidatie-uitkering is toe te rekenen aan de vermogensbestanddelen waarmee degene die gerechtigd is tot de liquidatie-uitkering, de onderneming van de vennootschap met toepassing van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 voortzet of mede voortzet.

ARTIKEL IV

De Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 18, derde lid, vervalt de tweede volzin.

B. Artikel 22, zevende lid, vervalt. Het achtste lid wordt vernummerd tot zevende lid.

C. In artikel 24, derde lid, vervalt de laatste volzin.

D. Artikel 35, derde lid, vervalt.

ARTIKEL V

De Wet op de loonbelasting 1964 wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 12a wordt in de eerste volzin «een vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang heeft» vervangen door: een rechtspersoon waarin hij een aanmerkelijk belang heeft. Voorts wordt in de tweede volzin «bij de vennootschap of daarmee verbonden vennootschappen» vervangen door: bij de rechtspersoon of daarmee verbonden rechtspersonen.

B. In artikel 19b, eerste lid, onderdeel b, wordt «vierde lid» vervangen door: vijfde lid.

ARTIKEL VI

Artikel 20 van de Successiewet 1956 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het vijfde lid, onderdeel c, wordt toegevoegd:

Artikel 4.5a van de Wet inkomstenbelasting 2001 is van overeenkomstige toepassing.

2. Het zevende lid wordt vervangen door:

7. Voor de toepassing van dit artikel:

a. wordt met de houder van de in het vijfde lid, onderdeel c, genoemde vermogensbestanddelen gelijkgesteld degene die slechts is gerechtigd tot voordelen uit die vermogensbestanddelen en wordt zijn gerechtigdheid aangemerkt als een dergelijk vermogensbestanddeel;

b. is artikel 4.5a van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL VII

De Invorderingswet 1990 wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 24, achtste lid, wordt «artikel 25, derde, vierde, vijfde, zevende, achtste of elfde lid, dan wel krachtens artikel 26, twaalfde lid» vervangen door: artikel 25, derde tot en met zesde, achtste, negende, elfde of veertiende lid, dan wel krachtens artikel 26, elfde lid.

B. In artikel 25 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Onder vernummering van het vierde tot en met achtste lid tot vijfde tot en met negende lid, en het vervallen van het voor deze vernummering bestaande negende lid, wordt na het derde lid een nieuw lid ingevoegd, dat komt te luiden:

4. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling voor de duur van 12 maanden en voor de eventuele verlenging daarvan op grond van artikel 3.64, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, mits voldoende zekerheid is gesteld, voor belastingaanslagen betreffende de inkomstenbelasting die is verschuldigd door de toepassing van artikel 3.64, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Het uitstel wordt beëindigd indien de herinvesteringen niet leiden tot in Nederland belastbare winst van de onderneming en bij emigratie van de belastingschuldige.

2. In het tiende lid wordt «achtste lid» vervangen door: negende lid.

3. Het elfde lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel b vervalt «en koopopties met betrekking tot dergelijke aandelen en winstbewijzen,» en wordt «aandelen, winstbewijzen of koopopties» vervangen door: aandelen of winstbewijzen;

b. In onderdeel c wordt «aandelen, winstbewijzen of koopopties» vervangen door: aandelen of winstbewijzen.

4. In het twaalfde lid wordt «aandelen, winstbewijzen of koopopties» vervangen door: aandelen of winstbewijzen.

5. Na het twaalfde lid worden twee nieuwe leden toegevoegd, die komen te luiden:

13. Voor de toepassing van het achtste tot en met twaalfde lid zijn de artikelen 4.3 tot en met 4.5a van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing.

14. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling voor de duur van ten hoogste tien jaar, mits voldoende zekerheid is gesteld, voor belastingaanslagen voorzover daarin is begrepen inkomstenbelasting die bij staking van een onderneming is verschuldigd en kan worden toegerekend aan het verschil tussen de boekwaarde en de waarde in het economische verkeer van een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Het uitstel wordt slechts verleend voorzover de belastingschuldige geacht wordt over onvoldoende middelen – andere dan de eigen woning – te beschikken om zonder uitstel de belasting te voldoen en aannemelijk maakt dat de belasting binnen de periode waarvoor uitstel wordt verleend, kan worden voldaan. Het uitstel wordt beëindigd:

a. in geval van faillissement van de belastingschuldige;

b. ingeval de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen ten aanzien van de belastingschuldige van toepassing is;

c. in geval van overlijden van de belastingschuldige, tenzij de partner, bedoeld in artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, aannemelijk maakt dat de resterende belasting binnen de periode waarvoor uitstel is verleend, zal worden voldaan;

d. ingeval zich een omstandigheid voordoet waardoor de woning ophoudt een eigen woning te zijn.

C. Artikel 26 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt «artikel 25, vierde lid» vervangen door: artikel 25, vijfde lid.

2. In het derde lid, aanhef, wordt «artikel 25, zevende lid» vervangen door: artikel 25, achtste lid.

3. Het vierde lid vervalt, onder vernummering van het vijfde tot en met twaalfde lid tot vierde tot en met elfde lid.

4. In het tot vierde lid vernummerde vijfde lid vervalt in onderdeel b «en koopopties met betrekking tot dergelijke aandelen en winstbewijzen,» en wordt «aandelen, winstbewijzen of koopopties» vervangen door: aandelen of winstbewijzen.

5. Het tot vijfde lid vernummerde zesde lid wordt als volgt gewijzigd:

a. in de aanhef en onderdelen a en b wordt «vijfde lid» vervangen door: vierde lid;

b. in onderdeel b wordt «aandelen, winstbewijzen of koopopties» vervangen door: aandelen of winstbewijzen.

6. In het tot zesde lid vernummerde zevende lid wordt «zesde lid» telkens vervangen door: vijfde lid.

7. Het tot zevende lid vernummerde achtste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. in de aanhef en onderdelen a en b wordt «vijfde lid» vervangen door: vierde lid;

b. in onderdeel b wordt «aandelen, winstbewijzen of koopopties» vervangen door: aandelen of winstbewijzen.

8. Het tot achtste lid vernummerde negende lid wordt als volgt gewijzigd:

a. in de aanhef en onderdelen a en b wordt «vijfde lid» vervangen door: vierde lid;

b. in onderdeel b wordt «aandelen, winstbewijzen of koopopties» vervangen door: aandelen of winstbewijzen;

c. de slotzin wordt vervangen door:

Indien gedurende de van toepassing zijnde termijn een door de toepassing van het twaalfde lid met een aandeel of winstbewijs gelijkgestelde koopoptie wordt uitgeoefend, treden voor de toepassing van dit lid de daardoor verworven aandelen of winstbewijzen voor de resterende duur van de termijn in de plaats van de koopoptie.

9. Het tot negende lid vernummerde tiende lid wordt als volgt gewijzigd:

a. in de aanhef en onderdeel a wordt «vijfde lid» vervangen door: vierde lid;

b. in onderdeel a wordt «aandelen, winstbewijzen of koopopties» telkens vervangen door: aandelen of winstbewijzen.

10. In het tot tiende lid vernummerde elfde lid wordt «vijfde en tiende lid» vervangen door: vierde en negende lid. Voorts wordt «negende lid» vervangen door: achtste lid.

11. Na het tot elfde lid vernummerde twaalfde lid wordt toegevoegd:

12. Voor de toepassing van het derde tot en met vijfde en zevende tot en met negende lid zijn de artikelen 4.3 tot en met 4.5a van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing.

D. Artikel 28, tweede lid, wordt vervangen door:

2. Invorderingsrente wordt, voorzover daarvan niet wordt afgeweken ingevolge hieromtrent bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels, niet in rekening gebracht over de tijd voor welke de belastingschuldige krachtens artikel 25, derde, achtste, negende of elfde lid, dan wel krachtens artikel 26, elfde lid, uitstel van betaling is verleend.

E. Artikel 40 wordt vervangen door:

Artikel 40

1. Degene die, al dan niet tezamen met zijn partner of echtgenoot als bedoeld in artikel 4.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en zijn bloedverwanten in de rechte lijn, direct of indirect, voor ten minste één derde gedeelte van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is in een vennootschap waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld en waarvan de bezittingen in belangrijke mate bestaan uit beleggingen, daaronder begrepen liquide middelen, en die aandelen of een gedeelte daarvan vervreemdt, is aansprakelijk voor een gedeelte van de vennootschapsbelasting die de desbetreffende vennootschap is verschuldigd aan het einde van het jaar waarin de vervreemding plaats- vindt en de vennootschapsbelasting die verschuldigd wordt over de drie jaren daarna in verband met de op het tijdstip van de vervreemding aanwezige stille en in het kader van de heffing van de vennootschapsbelasting toegelaten fiscale reserves indien het vermogen van de ven- nootschap anders dan ten gevolge van de normale bedrijfsvoering van de vennootschap is verminderd in de vijf jaren voorafgaande aan het jaar van de vervreemding, in het jaar van de vervreemding, dan wel in de drie jaren daarna.

2. Degene die op grond van het eerste lid aansprakelijk is, is niet aansprakelijk voorzover zekerheid is gesteld voor het in het eerste lid bedoelde gedeelte van de vennootschapsbelasting.

3. Het in het eerste lid bedoelde gedeelte van de vennootschapsbelasting waarvoor de aansprakelijkheid geldt, wordt bepaald naar het gedeelte van het vermogen van de vennootschap waarop krachtens de vervreemde aandelen aanspraak zou kunnen worden gemaakt ingeval op het tijdstip van de vervreemding de vennootschap zou worden ontbonden.

4. Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de vervreemder van een belang of een gedeelte daarvan in een lichaam dat een niet in aandelen verdeeld kapitaal heeft. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt onder belang verstaan een gerechtigdheid, direct of indirect, tot ten minste een derde gedeelte van het vermogen of van het resultaat van het lichaam.

5. Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de aandeelhouder of belanghouder in een lichaam ingeval dat lichaam een deelneming in de zin van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 geheel of voor een gedeelte vervreemdt en de aandeelhouder of belanghouder voldoet aan het kwantitatieve criterium van het eerste lid onderscheidenlijk vierde lid, tweede volzin.

6. Degene die op grond van het eerste lid aansprakelijk is, is niet aansprakelijk voorzover hij bewijst dat het niet aan hem is te wijten dat het vermogen van de vennootschap ontoereikend is voor het voldoen van de vennootschapsbelasting.

F. In artikel 50, tweede lid, wordt «artikel 36a» vervangen door: artikel 36a, artikel 40.

ARTIKEL VIII

In artikel 30i, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt «als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking worden genomen» vervangen door: als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking worden genomen, behoudens voorzover artikel 3.69, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van genoemde wet met betrekking tot deze negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen toepassing vindt.

ARTIKEL IX

In artikel 36 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer wordt «0,9 percent» vervangen door: 0,7 percent.

ARTIKEL X

Artikel 71a, derde lid, van de Wet op de accijns wordt vervangen door:

3. Geen teruggaaf wordt verleend voor hoeveelheden van minder dan 75 L per aflevering.

ARTIKEL XI

De Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

A. In hoofdstuk 1, wordt na artikel VIII, onderdeel AE, ingevoegd:

AEa. In artikel 31c wordt «Artikel 70ba van de Wet op de inkomstenbelasting 1964» vervangen door: Artikel I, onderdeel J, vierde lid, van hoofdstuk 2 van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001.

B. In hoofdstuk 1, artikel XIII, onderdeel H, negende lid, wordt «zesde lid» vervangen door: zevende lid. Voorts wordt «zevende lid» vervangen door: achtste lid.

C. In hoofdstuk 2, artikel I, wordt na onderdeel Da ingevoegd:

Db. Tijdelijke doorschuiving in de familiesfeer

1. Ten aanzien van de belastingplichtige die in het kalenderjaar 2001 een onderneming overdraagt in een geval als bedoeld in het tweede lid, zijn de artikelen 3.63 en 3.64 van de Wet inkomstenbelasting 2001, zoals deze zouden luiden indien het voorstel van Wet ondernemerspakket 2001 niet tot wet zou zijn verheven, van toepassing.

2. Het eerste lid is van toepassing indien:

a. de belastingplichtige die de onderneming overdraagt met betrekking tot die onderneming:

1°. ondernemer is als bedoeld in artikel 3.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001, of

2°. een belastingplichtige is als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, onder- deel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 en degene aan wie wordt overgedragen met betrekking tot die onderneming reeds ondernemer in de hiervoor bedoelde zin is, en

b. de belastingplichtige overdraagt aan een persoon als bedoeld in artikel 3.63, vierde lid, onderdeel a of b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 zoals dat zou luiden indien het voorstel van Wet ondernemerspakket 2001 niet tot wet zou zijn verheven.

D. Hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel J, wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid wordt vervangen door:

2. Met reserves als bedoeld in artikel 3.53, eerste lid, onder a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden gelijkgesteld de overeenkomstige reserves, bedoeld in artikel 13 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat artikel luidde op 31 december 2000.

2. Na het tweede lid wordt ingevoegd:

3. Een vervangingsreserve in de zin van artikel 14 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 bij het einde van het kalenderjaar 2000 wordt bij het begin van het kalenderjaar 2001 aangeduid als herinvesteringsreserve en geacht te zijn ontstaan op de voet van de artikelen 3.53, eerste lid, onder b, en 3.54 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Indien door deze aanduiding een herinvesteringsreserve zou moeten worden opgenomen in de winst omdat inmiddels meer dan drie jaren zijn verstreken sinds het tijdstip dat de reserve geacht wordt te zijn ontstaan, vindt deze opname in de winst plaats bij het begin van het kalenderjaar 2001.

4. Artikel 70ba van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat luidde op 31 december 2000, blijft van overeenkomstige toepassing onder de Wet inkomstenbelasting 2001.

E. Aan hoofdstuk 2, artikel I, worden de volgende onderdelen toege- voegd:

AV Overgangsrecht groene beleggingen

1. Voor de toepassing van de artikelen 5.12, 5.13, 6.39a en 6.39b van de Wet inkomstenbelasting 2001 behoren mede tot groene beleggingen, beleggingen als bedoeld in artikel 26, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zoals luidde dat op 31 december 2000.

2. Met betrekking tot groene beleggingen die op 31 december 2000 bestonden en op dat tijdstip tot het vermogen van de belastingplichtige behoorden of daarna krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht door hem verkregen zijn, blijven de maxima, bedoeld in artikel 5.12, eerste en derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, buiten toepassing.

3. Het tweede lid is met ingang van 1 januari 2011 niet meer van toepassing.

AW Overgangsrecht groenprojecten

Tot de projecten, bedoeld in artikel 5.13, tweede lid, van de Wet inkom- stenbelasting 2001, behoren mede projecten die als zodanig zijn aangewezen op grond van artikel 26, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 1964, zoals dat luidde op 31 december 2000.

F. Aan hoofdstuk 2, artikel IV, wordt toegevoegd:

D. Terugkeer uit de BV

Indien de onderneming van een vennootschap als bedoeld in artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 door die vennootschap wordt gedreven als gevolg van de omzetting met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 van de onderneming van een in het genoemde artikel 14c van de Wet op de vennoot- schapsbelasting 1969 bedoelde aandeelhouder of houder van winstbewijzen, en de voorovereenkomst of de intentieverklaring tot die omzetting is gesloten respectievelijk opgesteld op of na 27 juni 2000, maar voor 1 januari 2001, kunnen, in afwijking in zoverre van artikel 14c, vijfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 tevens voorwaarden worden gesteld die afwijken van artikel 4.42a van de Wet inkomstenbelasting 2001.

G. Hoofdstuk 2, artikel V, vervalt.

ARTIKEL XII

In de Wet op de inkomstenbelasting 1964 wordt artikel 8, eerste lid, onderdeel b, vervangen door:

b. voordelen uit landbouwbedrijf ter zake van waardeveranderingen van gronden – daaronder begrepen de ondergrond van gebouwen – voorzover de waardeverandering van de grond is toe te rekenen aan de ontwikkeling van de waarde in het economische verkeer bij voortzetting van de aanwending van de grond in het kader van een landbouwbedrijf, en niet is ontstaan in de uitoefening van het bedrijf.

ARTIKEL XIII

In artikel 32, tweede lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet wordt «vierde lid» vervangen door: vijfde lid.

ARTIKEL XIV

Met betrekking tot de aansprakelijkheidstelling voor 1 januari 2001 op de voet van artikel 40 van de Invorderingswet 1990, zoals dit luidde op 31 december 2000, is artikel 50, tweede lid, van die wet van toepassing indien, ware laatstgenoemd artikellid reeds van toepassing voor 1 januari 2001, de termijn voor het instellen van bezwaar nog niet is verstreken.

ARTIKEL XV

1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.

2. Artikel 3.65 van de Wet inkomstenbelasting 2001 is van toepassing op omzettingen als bedoeld in dat artikel waarbij de oprichting van de naamloze of besloten vennootschap of de inbreng van de onderneming in de vennootschap op of na 1 januari 2001 plaatsvindt. In afwijking van de eerste volzin is artikel 18 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals die bepaling luidde op 31 december 2000, nog van toepassing indien het voornemen tot de omzetting voor 1 januari 2001 is vastgelegd en geregi- streerd en de overgang van de heffing van inkomstenbelasting naar de heffing van vennootschapsbelasting eveneens voor 1 januari 2001 plaatsvindt.

3. De in artikel IV opgenomen wijzigingen werken terug tot en met 1 januari 2000.

4. Artikel XII werkt terug tot en met 27 juni 2000.

5. In afwijking van het eerste lid treden artikel I, onderdeel N, en artikel II, onderdeel B, eerste lid, in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

ARTIKEL XVI

Deze wet wordt aangehaald als: Wet ondernemerspakket 2001.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Staatssecretaris van Financiën,