27 193 (R 1658)
Wijziging van de bepalingen ten aanzien van octrooigemachtigden in de Rijksoctrooiwet en de Rijksoctrooiwet 1995

B
ADVIES RAAD VAN STATE VAN HET KONINKRIJK EN NADER RAPPORT

Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State van het Koninkrijk d.d. 11 november 1999 en het nader rapport d.d. 14 juni 2000, aangeboden aan de Koningin door de staatssecretaris van Economische Zaken mede namens de minister van Justitie. Het advies van de Raad van State van het Koninkrijk is cursief afgedrukt.

Bij Kabinetsmissive van 21 juli 1999, no.99.003515, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken, mede namens de Minister van Justitie, bij de Raad van State van het Koninkrijk ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van rijkswet met memorie van toelichting tot wijziging van de bepalingen ten aanzien van octrooigemachtigden in de Rijksoctrooiwet en de Rijksoctrooiwet 1995.

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 21 juli 1999, nr. 99.003515, machtigde Uw Majesteit de Raad van State van het Koninkrijk zijn advies inzake het bovenvermelde voorstel van rijkswet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 11 november 1999, nr. W10.99.0369/II/K, bied ik U hierbij aan.

1. Bij de totstandkoming van de Rijksoctrooiwet 1995 is voor de regeling ten aanzien van octrooigemachtigden en de Orde van octrooigemachtigden tijdelijk aansluiting gezocht bij de Rijksoctrooiwet. Tijdelijk, omdat laatstgenoemde wet over enkele jaren zal worden ingetrokken. Deze intrekking wordt echter niet afgewacht, omdat op dit moment reeds behoefte bestaat aan een herziene regeling voor octrooigemachtigden en de Orde van octrooigemachtigden die beter aansluit bij de huidige (beleids)inzichten met betrekking tot, onder meer, tuchtrechtspraak, de aan een vrije beroepsgroep zoals de octrooigemachtigden te stellen eisen van vakbekwaamheid en de verhouding tussen de overheid en deze beroepsgroep. Het wetsvoorstel geeft de Raad van State van het Koninkrijk aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen.

2. Delegatie.

In verband met de herziening van het tuchtrecht voor octrooigemachtigden wordt in de toelichting gesteld, dat de procedurele bepalingen omtrent het tuchtrecht beter op het niveau van het Uitvoeringsbesluit Rijksoctrooiwet 1995 gegeven kunnen worden, omdat opneming van allerlei procedurele artikelen in de Rijksoctrooiwet 1995 zelf deze onnodig omvangrijk zou maken. Het voorgestelde artikel 23t, aanhef en onder c respectievelijk d, biedt hiervoor de rechtsgrondslag. Niet van alle procedurele onderwerpen die blijkens de toelichting een regeling zouden moeten vinden in voornoemd besluit, kan in de ogen van de Raad echter worden gesteld dat delegatie zonder meer wenselijk is. Bepalingen inzake het oproepen van klagers en octrooigemachtigden, het horen van getuigen en deskundigen alsmede juridische bijstand en vertegenwoordiging zijn immers te beschouwen als voorschriften die burgers procedurele waarborgen beogen te bieden ten opzichte van de bevoegdheden van de overheid. Ditzelfde geldt, los van de voorgestelde tuchtrechtelijke regeling, overigens ook voor voorschriften met betrekking tot het administratief beroep tegen beslissingen van de ingevolge artikel 23j in te stellen examencommissie. Mede gelet op aanwijzing 24, eerste lid, onder h, van de Aanwijzingen voor de regelgeving gaat het hierbij om onderwerpen die naar het oordeel van de Raad bij voorkeur bij formele wet geregeld dienen te worden. Het enkele feit dat de wet te omvangrijk zou worden en deze onderwerpen op dit moment bij algemene maatregel van bestuur zijn geregeld, te weten in het Octrooigemachtigdenreglement, acht de Raad onvoldoende reden om een zo algemeen en ruim omschreven delegatiebepaling in de wet op te nemen als die waarin artikel 23t, voorziet. In dit verband verdient tevens vermelding, dat zowel in de Advocatenwet als in de onlangs in werking getreden Wet op het notarisambt het tuchtrecht en het administratief beroep tegen beslissingen met betrekking tot examens in de wet zelf zijn geregeld. Ook in de Wet op de Beroepen in de individuele gezondheidszorg is een regeling van het tuchtrecht opgenomen. De omvang van de wet vormde daarbij blijkbaar geen probleem. Naar het oordeel van de Raad dient artikel 23t dan ook op dit punt te worden heroverwogen en dienen voornoemde onderwerpen een regeling te vinden in de Rijksoctrooiwet respectievelijk de Rijksoctrooiwet 1995.

2. Het advies van de Raad van State van het Koninkrijk om het voorstel van rijkswet uit te breiden met procedurele bepalingen betreffende het tuchtrecht voor octrooigemachtigden, is opgevolgd. Daarbij heeft de doorslag gegeven het feit dat dergelijke bepalingen ook in de Advocatenwet en in de Wet op het notarisambt zijn opgenomen. Zoals in de memorie van toelichting is uiteengezet hebben diverse procedurebepalingen in die wetten model gestaan voor de regeling in het wetsvoorstel. Ook is overeenkomstig het advies van de Raad een voorziening getroffen voor het beroep tegen beslissingen van de examencommissie.

3. Vertaling van het octrooischrift.

De in artikel II, onderdelen H en I, voorgestelde wijzigingen van artikel 55, derde lid, juncto artikel 52, zevende lid, beogen derden die zich te goeder trouw hebben verlaten op een gebrekkige Nederlandse vertaling te beschermen tegen een beroep door de octrooihouder op het originele octrooischrift. Ter toelichting op deze bepalingen wordt opgemerkt, dat hiermee een voorziening is gekozen die enigszins afwijkt van artikel 70, derde lid, van het Europees Octrooiverdrag, maar die in Duitsland is aanvaard. Het is de Raad op grond van de toelichting niet duidelijk waarin deze afwijking precies bestaat en waarom deze speciale onderbouwing behoeft door verwijzing naar vergelijkbare regelingen in andere landen. Het komt de Raad voor dat artikel 70, vierde lid, van het Europees Octrooiverdrag de door Nederland voorgestane bescherming van derden te goeder trouw uitdrukkelijk toelaat of daaraan in ieder geval niet in de weg staat. De Raad adviseert de toelichting op dit punt te verduidelijken.

3. Overeenkomstig het advies van de Raad is de toelichting op artikel II, onderdelen H en I, verduidelijkt.

Overige opmerkingen.

4. Ingevolge de formulering in artikel 23e doet de situatie zich voor dat de in dat artikel bedoelde regelingen worden gepubliceerd in het in artikel 20 van de Rijksoctrooiwet 1995 bedoelde blad, alvorens de goedkeuring van de Minister van Economische Zaken heeft plaatsgehad. Het is de Raad niet duidelijk wat hiervan de ratio is. Het is tevens de vraag of wenselijk is dat publicatie voor de goedkeuring plaatsheeft, gelet op het feit dat de genoemde regelingen pas na goedkeuring rechtskracht zullen hebben. Het artikel dient te worden aangepast om te voorkomen dat de geschetste situatie zich voordoet.

4. Overeenkomstig het advies van de Raad wordt in het voorgestelde artikel 23i (voorheen artikel 23e) bepaald dat de Minister van Economische Zaken aan de daar genoemde regelingen goedkeuring moet verlenen voordat deze regelingen gepubliceerd kunnen worden en in werking kunnen treden.

5. Tenslotte vestigt de Raad de aandacht op de juridische verhouding tussen het Octrooigemachtigdenreglement en de nieuwe titel 1a van de Rijksoctrooiwet 1995. Ingevolge het voorgestelde artikel III berust het register van octrooigemachtigden, bedoeld in artikel 3 van het Octrooigemachtigdenreglement, op het nieuwe artikel 23a van de Rijksoctrooiwet 1995. Daarnaast voorziet het voorgestelde artikel IV in overgangsrecht voor de situatie waarin een tuchtrechtelijke procedure tegen een octrooigemachtigde op het moment van inwerkingtreding van de wet niet respectievelijk wel reeds tot een beslissing van de Raad van Toezicht heeft geleid. In het eerste geval zijn de nieuwe tuchtrechtelijke bepalingen (artikelen 23n tot en met 23t) en de daarop gebaseerde uitvoeringsbepalingen van toepassing. In het laatste geval blijven de tuchtrechtelijke bepalingen van het Octrooigemachtigdenreglement van toepassing. Gelet op deze overgangsbepalingen wordt er blijkbaar van uitgegaan dat de krachtens artikel 23t vast te stellen algemene maatregel van bestuur, welke naast het tuchtrecht ook nadere regels zal dienen te bevatten over aanvragen om inschrijving in het octrooiregister, inschrijving en uitschrijving uit dit register en over de deelneming aan en het afnemen van examens en proeven van bekwaamheid, op het moment waarop het wetsvoorstel tot wet wordt verheven en in werking treedt, zal zijn vastgesteld. Hoewel deze verwachting op zichzelf valt te rechtvaardigen, is het niettemin niet ondenkbaar dat door onvoorziene omstandigheden de betrokken algemene maatregel van bestuur niet op tijd het licht ziet. Aangezien de voorgestelde wijziging van artikel 18A van de Rijksoctrooiwet tot gevolg heeft dat, behoudens voor het octrooiregister en de in artikel IV bedoelde situatie, de rechtsgrondslag aan het Octrooigemachtigdenreglement komt te ontvallen, dient het geschetste risico naar het oordeel van de Raad te worden voorkomen, bijvoorbeeld door zowel de wet, als de daarop gebaseerde algemene maatregel van bestuur gelijktijdig bij koninklijk besluit in werking te laten treden. De Raad adviseert een daartoe strekkende regeling in de wet op te nemen.

5. De Raad van State adviseert in het wetsvoorstel te bepalen dat het wetsvoorstel, als het tot wet wordt verheven, tegelijkertijd in werking treedt met de algemene maatregel van rijksbestuur (amvrb) waarbij nadere regels worden gesteld voor een aantal onderwerpen die in het wetsvoorstel zijn behandeld. Uiteraard is het van belang dat de wet en de amvrb tegelijk in werking treden. Daarom wordt in artikel VI van het wetvoorstel bepaald dat de inwerkingtreding geschiedt bij koninklijk besluit. Hetzelfde zal bepaald worden in de amvrb. Op die wijze kan in dat koninklijk besluit één moment van inwerkingtreding worden gekozen voor de wet en de amvrb. Het is onnodig om dit uitdrukkelijk vast te leggen in de wet. Dat is, voor zover mij bekend, ook nooit eerder gedaan. Zodoende is het advies van de Raad van State van het Koninkrijk op dit punt niet overgenomen.

6. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.

6. De redactionele kanttekeningen zijn verwerkt in het voorstel van rijkswet en de memorie van toelichting.

De Raad van State van het Koninkrijk geeft U in overweging het voorstel van rijkswet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal en aan de Staten van de Nederlandse Antillen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De Vice-President van de Raad van State van het Koninkrijk,

H. D. Tjeenk Willink

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om het voorstel van rijkswet op twee punten aan te scherpen. In de eerste plaats wordt bepaald dat de leden van de examencommissie door de Minister van Economische Zaken worden benoemd, en niet door het bestuur van de orde, zoals eerder was voorgeschreven. In verband daarmee wordt ook een wettelijke regeling gegeven van een aantal met de examencommissie verband houdende onderwerpen (artikel 23c). In de tweede plaats wordt thans in het voorgestelde artikel 23h duidelijk aangegeven op welke onderwerpen verordeningen van de Orde van octrooigemachtigden betrekking kunnen hebben.

Ik moge U, mede namens de Minister van Justitie, verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van rijkswet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal en de Staten van de Nederlandse Antillen te zenden.

De Staatssecretaris van Economische Zaken,

G. Ybema

Bijlage bij het advies van de Raad van State van het Koninkrijk van 11 november 1999, no.W10.99.0369/II/K, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.

Ontwerpbesluit.

– In artikel II, onderdeel I, onder b, de zinsnede «Onder vernummering van het vierde lid tot vijfde lid», vervangen door: na het derde lid.

Memorie van toelichting.

– In de toelichting op artikel II, onderdeel B, aangeven op welke bepaling(en) van het Uitvoeringsreglement bij het Europees Octrooiverdrag wordt gedoeld.

– In onderdeel A, punt 6, van de toelichting de Orde van Octrooigemachtigden, zijnde een openbaar lichaam in de zin van artikel 134 van de Grondwet, niet aanmerken als een zelfstandig bestuursorgaan doch als een krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersoon in de zin van artikel 1:1 van de Algemene wet bestuursrecht.

Naar boven