27 182
Wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enkele andere wetten in verband met de instelling van de Raad voor de rechtspraak (Wet Raad voor de rechtspraak)

nr. 36
GEWIJZIGD AMENDEMENT VAN DE LEDEN RABBAE EN DITTRICH TER VERVANGING VAN DIE GEDRUKT ONDER DE NRS. 17 EN 22

Ontvangen 5 juni 2001

De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:

Artikel I, onderdeel H, wordt als volgt gewijzigd:

I

In artikel 2.6.1.3 wordt in het tweede lid «Onze Minister» vervangen door: de Hoge Raad.

II

In artikel 2.6.1.3 wordt in het derde lid «Onze Minister» vervangen door: de Hoge Raad.

III

In artikel 2.6.1.3 wordt in het vierde lid «Onze Minister» vervangen door: de Hoge Raad.

IV

In artikel 2.6.1.3 wordt het vijfde lid vervangen door:

5. Een niet-rechterlijk lid van de Raad wordt disciplinair gestraft, geschorst en ontslagen door de Hoge Raad op voorstel van Onze Minister.

V

In artikel 2.6.4.3 worden het eerste en tweede lid vervangen door:

1. In geval van ongeschiktheid anders dan wegens ziekte kan de Hoge Raad op initiatief van de procureur-generaal bij de Hoge Raad een of meer leden van de Raad schorsen of ontslaan als lid van de Raad. Voorafgaand hieraan wordt in elk geval de zienswijze van Onze Minister ingewonnen.

VI

In artikel 2.6.4.3 wordt het derde lid vervangen door:

2. Indien alle leden van de Raad zijn geschorst of ontslagen, kan de Hoge Raad, gehoord de procureur-generaal bij de Hoge Raad, bij de Raad een of meer bewindvoerders aanstellen. Artikel 2.6.1.1, zevende lid en achtste lid, is van overeenkomstige toepassing. Bij de aanstelling wordt een termijn bepaald voor de bewindvoering.

Toelichting

Dit amendement beoogt de invloed van de minister op het ontslag van de leden van de Raad voor de Rechtspraak te verminderen, door de bevoegdheid hiertoe toe te bedelen aan de Hoge Raad. Een gecombineerde bevoegdheid voor de minister om de leden van de Raad voor de Rechtspraak te benoemen en te ontslaan, biedt te weinig waarborgen voor een onafhankelijk functioneren van de Raad.

Rabbae

Dittrich

Naar boven