nr. 10
TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING
Het voorstel van wet wordt gewijzigd als volgt:
A
In artikel I wordt na onderdeel D een onderdeel ingevoegd, luidende:
Da
In artikel 2.2.1.3 wordt aan het vijfde lid een volzin toegevoegd, luidende:
Onze Minister doet zijn voordracht op voorstel van de Raad.
B
Artikel I, onderdeel H, wordt gewijzigd als volgt:
a. In artikel 2.6.1.3, derde lid, wordt na «wordt ontslagen onderscheidenlijk
geschorst» ingevoegd: , tenzij dat ontslag of die schorsing alleen een
rechtsprekend ambt betreft waarin hij niet is aangesteld overeenkomstig artikel
2, eerste lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.
b. In artikel 2.6.1.3, zevende lid, wordt «28 tot en met 30»
vervangen door: 27a tot en met 30.
c. In artikel 2.6.3.6, eerste lid, wordt de puntkomma na onderdeel b vervangen
door een punt en vervalt onderdeel c.
Toelichting
A
Voor het niet-rechterlijk lid van een gerechtsbestuur (de directeur bedrijfsvoering)
geldt, net als voor de andere gerechtsambtenaren, rechtspositioneel bezien
hetgeen bij of krachtens de wet voor rijksambtenaren is geregeld. Ingevolge
het in het wetsvoorstel organisatie en bestuur gerechten opgenomen
artikel 2.2.2.3, tweede en derde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie
(Wet RO) worden de in de Ambtenarenwet aan het bevoegd gezag toegekende bevoegdheden
ten aanzien van de directeur bedrijfsvoering door het bestuur minus hem zelf
uitgeoefend en zal bij algemene maatregel van bestuur in beginsel worden geregeld
dat ook de rechtspositionele bevoegdheden in de op de Ambtenarenwet berustende
regelgeving (bijvoorbeeld het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR)) door
het bestuur minus hem zelf worden uitgeoefend. De uitzonderingen op de hoofdregel
dat voor de directeur bedrijfsvoering het bestuur uitgezonderd hem zelf het
rechtspositioneel bevoegd gezag is, zijn te vinden in de voorgestelde artikelen
2.2.1.2, vijfde en zesde lid (benoeming), 2.2.2.3, tweede en vijfde lid (disciplinaire
bestraffing, schorsing en ontslag), en 2.2.4.3 (ontslag of schorsing wegens
grove taakverwaarlozing). Benoeming geschiedt voor alle bestuursleden, en
derhalve ook voor de directeur bedrijfsvoering, bij koninklijk besluit op
voordracht van de minister van Justitie en na advies van de Raad voor de rechtspraak.
Ook voor de op het ARAR gebaseerde besluiten houdende disciplinaire bestraffing,
schorsing en ontslag wordt bepaald dat dit geschiedt bij koninklijk besluit
op voordracht van de minister. Hiermee wordt aangesloten bij hetgeen ook voor
andere rijksambtenaren geldt, namelijk dat de bevoegdheid tot het nemen van
deze besluiten berust bij het tot aanstellen bevoegd gezag. Ontslag of schorsing
in geval van grove taakverwaarlozing van een lid van het gerechtsbestuur geschiedt
weliswaar ook bij koninklijk besluit op voordracht van de minister, maar de
minister kan slechts op voorstel van de Raad tot die voordracht komen. Wij
menen dat het bij nader inzien de voorkeur verdient ook voor disciplinaire
bestraffing, schorsing en ontslag op basis van het ARAR van een directeur
bedrijfsvoering uit te sluiten dat de minister zelfstandig tot een voordracht
daarvoor kan komen. De in dit onderdeel vervatte wijziging van artikel 2.2.1.3
vijfde lid, van de Wet RO strekt daartoe.
B
Ba. Ingevolge het voorgestelde artikel 2.6.1.1 van de Wet RO dienen de
rechterlijke leden van de Raad als rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast
of als met rechtspraak belast lid van de Centrale Raad van Beroep of het College
van Beroep voor het bedrijfsleven aangesteld te zijn. Een enkele benoeming
in een plaatsvervangend rechtsprekend ambt sluit een betrokkene derhalve uit
van het lidmaatschap van de Raad. Dat laat uiteraard onverlet dat een betrokkene
vanwege zijn aanstelling in een rechtsprekend ambt rechterlijk lid is van
de Raad, en daarnaast nog een plaatsvervangend rechtsprekend ambt bekleedt.
In het voorgestelde artikel 2.6.1.3, derde lid, van de Wet RO wordt bepaald
dat een rechterlijk lid van de Raad wordt ontslagen of geschorst als lid van
de Raad indien hij als rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast of met
rechtspraak belast lid van de Centrale Raad van beroep of het College van
Beroep voor het bedrijfsleven wordt ontslagen of geschorst. Dit onderdeel
strekt ertoe, door aanpassing van laatstbedoeld artikellid, buiten twijfel
te stellen dat het ontslag of de schorsing die betrekking heeft op een plaatsvervangend
rechtsprekend ambt van een betrokkene niet zijn ontslag of schorsing als lid
van de Raad tot gevolg heeft, indien het rechtsprekende ambt waarin hij daarnaast
is aangesteld, en waaraan hij zijn lidmaatschap van de Raad ontleent, niet
door ontslag of schorsing wordt getroffen.
Bb. Vanwege de Wet van 13 december 2000 tot wijziging van de Wet rechtspositie
rechterlijke ambtenaren (arbeidsvoorwaarden sector Rechterlijke Macht 1997/99)
(Stb. 2001, 32) bevat de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra)
met ingang van 1 februari 2001 een artikel 27a. Dit artikel biedt rechterlijke
ambtenaren de mogelijkheid om in beperkte mate vakantiedagen af
te kopen. Op hiertoe strekkende verzoeken van rechterlijke ambtenaren wordt
beslist door hun functionele autoriteit. Dit onderdeel strekt ertoe artikel
27a van de Wrra toe te voegen aan de in het voorgestelde artikel 2.6.1.3,
zevende lid, van de Wet RO opgesomde artikelen van de Wrra, waarvoor geldt
dat de daarin aan de functionele autoriteit toegekende bevoegdheden ten aanzien
van de rechterlijke leden van de Raad worden uitgeoefend door de Raad.
Bc. Artikel 2.6.3.6, eerste lid, onderdeel c, schrijft thans voor dat
het jaarplan van de Raad voor de rechtspraak ook het onderdeel meerjarenbegroting
dient te bevatten. Gezien de datum van oplevering van het jaarplan, te weten
eind oktober, is het echter niet logisch om een meerjarenbegroting in te leveren.
In januari dient namelijk de Raad voor de rechtspraak een begrotingsvoorstel
in en hierin wordt eveneens een meerjarenbegroting opgenomen. Voorstel is
dan ook om de eis van een meerjarenbegroting als onderdeel van het jaarplan
van de Raad te laten vervallen door middel van het schrappen van onderdeel
c van artikel 2.6.3.6, eerste lid.
De Minister van Justitie,
A. H. Korthals
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
K. G. de Vries