27 178
Wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in verband met de invoering van een rijksprojectenprocedure (rijksprojectenprocedure)

nr. 28
VIERDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 16 september 2002

Het voorstel van wet wordt gewijzigd als volgt.

A

Artikel I, onderdeel D, wordt als volgt gewijzigd.

1. Het onder punt 1 toegevoegde onderdeel l, komt te luiden:

l. een rijksprojectbesluit;

2. De aanhef van punt 3 komt te luiden:

Na het vijfde lid worden twee leden toegevoegd, luidende:.

3. Na het onder punt 3 voorgestelde zesde lid wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

7. Bij het beroep tegen een rijksprojectbesluit kunnen geen gronden worden aangevoerd die betrekking hebben op de concrete beleidsbeslissing in een planologische kernbeslissing, waarop dat besluit berust.

B

Artikel III komt te luiden:

ARTIKEL III

In de bijlage bij de Algemene wet bestuursrecht wordt in onderdeel C, onder 2, na «38a, eerste lid,» ingevoegd: 39a, eerste lid,.

C

Artikel IV, onderdeel H komt te luiden:

H

Artikel 25c van de Tracéwet komt te luiden:

Artikel 25c

1. Bij het beroep tegen een tracébesluit kunnen geen gronden worden aangevoerd die betrekking hebben op de concrete beleidsbeslissing in een planologische kernbeslissing als bedoeld in artikel 39 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, waarop dat besluit berust.

2. Indien tegen een in artikel 20, tweede lid, bedoeld besluit beroep kan worden ingesteld, kunnen bij dit beroep geen gronden worden aangevoerd die betrekking hebben op een concrete beleidsbeslissing in een planologische kernbeslissing als bedoeld in artikel 39 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening of een tracébesluit waarop dat besluit berust.

Toelichting

Met de derde nota van wijziging, onderdeel B, was beoogd te corrigeren dat voor zover een rijksprojectbesluit zijn grondslag vindt in een concrete beleidsbeslissing in een planologische kernbeslissing «dubbel beroep» mogelijk zou zijn, namelijk beroep tegen de concrete beleidsbeslissing én tegen het daarop gebaseerde rijksprojectbesluit. Bovendien zou het beroep tegen dit laatste dan een beroep in twee instanties zijn. In de derde nota van wijziging is deze correctie bij nader inzien niet op de juiste wijze aangebracht doordat daarin het beroep als zodanig tegen een dergelijk rijksprojectbesluit werd uitgesloten. Dit is niet de bedoeling. Deze nota van wijziging strekt derhalve tot reparatie overeenkomstig de oorspronkelijke bedoeling, namelijk het voorkomen dat in een beroepsprocedure tegen het rijksprojectbesluit gronden kunnen worden aangevoerd die betrekking hebben op bedenkingen tegen de aan het rijksprojectbesluit ten grondslag liggende concrete beleidsbeslissing in een planologische kernbeslissing. Daarbij is de aanvankelijk in het wetsvoorstel opgenomen redactie (voorgestelde artikel 54, tweede lid, onderdeel l, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening) verbeterd. De thans voorgestelde constructie komt materieel overeen met die welke elders in op dit punt vergelijkbare wetgeving is gevolgd, waarbij wordt voorkomen dat in latere procedure dezelfde beroepsgronden worden aangevoerd als in een eerdere procedure al zijn of hadden kunnen worden geuit. (zie artikel 21a, tweede lid, Ontgrondingenwet en artikel 13, vierde lid, Wet procedures vijfde baan Schiphol).

Ook in de Tracéwet wordt een vergelijkbare aanpassing voorgesteld teneinde te bewerkstelligen dat beroepen tegen een tracébesluit geen grond kunnen vinden in bedenkingen tegen een aan het tracébesluit ten grondslag liggende concrete beleidsbeslissing (nieuw voorgestelde artikel 25c, eerste lid). Voor beroepen tegen uitvoeringsbesluiten is eenzelfde regeling voorgesteld met betrekking tot de concrete beleidsbeslissing in een planologische kernbeslissing of het tracébesluit, waarop dat uitvoeringsbesluit berust (nieuw voorgestelde artikel 25c, tweede lid).

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

H. G. J. Kamp

Naar boven