Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2000-2001 | 27157 nr. 21 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2000-2001 | 27157 nr. 21 |
Vastgesteld 11 april 2001
De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties1 heeft de navolgende vragen over het kabinetsstandpunt Vuurwerkramp, over het rapport van de Commissie onderzoek vuurwerkramp en over een aantal inspectierapporten aan de regering voorgelegd.
De regering heeft deze vragen beantwoord bij brief van 10 april 2001.
De vragen en antwoorden zijn hieronder afgedrukt.
Kabinetsstandpunt (27 157, nr. 20)
Acht het kabinet het noodzakelijk een veiligheidseffectrapportage (VER), al dan niet gekoppeld aan een milieu-effectrapportage (MER), zo snel mogelijk in te voeren?
In 15 gemeenten zijn proefprojecten gestart, waarbij wordt geëxperimenteerd met de toepassing van een VER. Daarna zal de minister van BZK bezien in welke vorm verdere invoering van de VER kan plaatsvinden.
In hoeverre hebben de verschillende culturen van politie, brandweer en ambulance een rol gespeeld bij de bestrijding van de ramp?
Uit de rapportage van de Inspecties noch uit het rapport van de Commissie onderzoek vuurwerkramp (hierna de Commissie) is gebleken dat cultuurverschillen van de hulpverleningsdiensten een rol hebben gespeeld bij de bestrijding van de ramp.
Heeft het kabinet kennisgenomen van het artikel in de Volkskrant (27 maart 2001) waarin gesteld wordt dat er een jarenlange zakelijke relatie bestond tussen de Enschedese brandweer en S.E. Fireworks? Wat is het oordeel van het kabinet over het feit dat commissie-Oosting in haar rapport geen melding maakt van deze relatie? Hoe beoordeelt het kabinet de zakelijke relatie tussen S.E. Fireworks en de Enschedese brandweer? Is daarbij volgens het kabinet sprake van belangenverstrengeling? Is het kabinet voornemens maatregelen te treffen om in de toekomst situaties te vermijden waarin de brandweer zowel betrokken is bij het afgeven van een milieuvergunning en de controle daarop, en tegelijkertijd afnemer van datzelfde bedrijf is?
Het is het kabinet niet bekend om welke reden de Commisie in haar rapport geen melding heeft gemaakt van de zakelijke relatie tussen S.E. Fireworks en de Enschedese brandweer. Uit informatie van de gemeente Enschede blijkt het volgende. De zakelijke relatie tussen S.E. Fireworks en de brandweer Enschede bestond uit de aanschaf van rookpoeder en Bengaals vuur voor brandweeroefeningen. Een dergelijke relatie kan problemen opleveren, omdat de brandweer ook toezichts- en handhavingstaken bij deze bedrijven en instellingen te vervullen heeft. Uit onderzoek in het kader van markt en overheid is gebleken dat sommige brandweerorganisaties ook commerciële relaties onderhouden door het aanbieden van bedrijfshulpverleningscursussen. Deze relaties worden door het kabinet als onwenselijk beschouwd.
Hoewel door de relatie tussen S.E. Fireworks en de brandweer Enschede de schijn van belangenverstrengeling kan ontstaan, is op grond van de bestaande informatie niet te beoordelen in hoeverre hier daadwerkelijk sprake van is geweest. De staatssecretaris van BZK zal de gemeentebesturen verzoeken om geen zakelijke en commerciële relaties met deze bedrijven/instellingen aan te gaan waarbij belangenverstrengeling in het geding kan zijn of komen. Daarbij gaat het zowel om het aanbieden van diensten als het afnemen van diensten.
Wie heeft de minister van VROM geraadpleegd bij het ontwerpvuurwerkbesluit? Is ook de minister van Defensie geraadpleegd? Zo ja, wat was zijn advies dan wel van DMKL en in hoeverre is het opgevolgd?
Het ontwerp-Vuurwerkbesluit is een besluit van het kabinet.
Kan het kabinet een overzicht geven van welke aanbevelingen uit de inspectierapporten hij is afgeweken?
Zie antwoord vraag 2 (27 157-14).
Is het kabinet van mening dat door een grote nadruk op vuurwerk en munitie het integrale risicobeleid wordt onderbelicht? Wat betekenen de maatregelen die het kabinet voorstelt voor het risicobeleid in den brede?
Zoals in het kabinetsstandpunt is aangegeven zal het kabinet het onderwerp externe veiligheid hoger op de agenda van de betrokken ministeries zetten. De minister van VROM zal het initiatief nemen om een grondige discussie over het externe veiligheidsbeleid aan te gaan. De minister van VROM zal een voorstel voor een AMvB Kwaliteitseisen externe veiligheid inrichtingen bij het kabinet indienen. De minister van VenW zal in samenwerking met de minister van VROM een voorstel voor een AMvB Externe veiligheid van vervoer gevaarlijke stoffen bij het kabinet indienen. In deze AMvB's zullen normen worden aangegeven die gehanteerd gaan worden met betrekking tot het risico voor de omgeving. In het kader van de besluitvorming over deze AMvB's zal het kabinet beslissen of sommige risicobronnen zich naar hun aard en betekenis voor de samenleving lenen voor een meer op effecten bij ongevallen gebaseerd beleid. In dit kader zal ook aandacht worden besteed aan de kosten die samenhangen met een mogelijke meer effectgerichte benadering. Ook zullen, waar nodig, destijds geschatte risico's opnieuw worden gevalideerd. Het kabinet zal nog dit jaar voorstellen voor genoemde AMvB's behandelen.
De afstandseis van 20 meter voor verkooppunten van consumentenvuurwerk is niet gebaseerd op ontploffingsgevaar, maar op het feit dat consumentenvuurwerk (type 1.4) brandgevaarlijk is. Deze afstand is gebaseerd op de eis van onbeperkte doorgang voor de brandweer bij een eventuele brand.
Zullen de eigen middelen van gemeenten voor milieuvergunningen, controle en handhaving blijven bestaan? Op welke wijze wil het kabinet dit bijstellen? Is het bij het kabinet bekend of de daarvoor bestemde gelden daarvoor in de gemeentelijke praktijk ook worden ingezet?
Sinds de overheveling in 1998 van de zogenoemde VOGM-gelden (circa 80 miljoen gulden die waren bestemd voor het op een adequaat niveau brengen van de vergunningverlening en handhaving) naar het Gemeentefonds worden de betreffende uitgaven van gemeenten bekostigd uit de algemene, niet-geoormerkte uitkeringen uit het Gemeentefonds.
Door het kabinet worden extra middelen uitgetrokken voor de uitbreiding van het aantal provinciale toezichthouders op grond van de extra taken voor de provincie zoals voorgesteld in het ontwerp-Vuurwerkbesluit. Over de omvang van de benodigde extra capaciteit wordt thans door de minister van VROM nog overleg gevoerd met het IPO.
Van overplaatsing van gemeentelijke toezichthouders naar de provincie is geen sprake.
Het kabinet zal nader bezien in hoeverre een taakverschuiving voor een deel van de vergunningverlening en handhaving van de gemeente naar de provincie gevolgen moet hebben voor de verdeling van middelen.
Op welke wijze wil het kabinet ondernemers wijzen op hun primaire verantwoordelijkheid voor de veiligheid van hun werknemers, hun klanten en hun sociale en fysieke omgeving en waarborgen dat zij die ook nemen?
Voorop staat dat werkgevers onverkort verantwoordelijk zijn voor de veiligheid van hun werknemers, hun klanten en voor hun omgeving.
Het kabinet onderschrijft in dit verband het gestelde in het hoofdrapport van de Commissie op bladzijde 226. Daar wordt ingegaan op de verantwoordelijkheid van de ondernemer en van de overheid.
De verantwoordelijkheid van de overheid is primair gelegen in het creëren van heldere en eenduidige regelgeving en het zorgdragen voor een adequaat stelsel van toezicht en handhaving. In het kabinetsstandpunt Vuurwerkramp is hier in paragraaf 2.4 al op ingegaan.
Via verschillende routes spreekt het kabinet het bedrijfsleven aan op zijn verantwoordelijkheid. De veiligheid van werknemers ligt vast in ARBO-wetgeving en de Arbeidsinspectie spreekt bedrijven aan op de uitvoering van dit beleid. De veiligheid van klanten is met name geregeld in de CE-normen en de warenwet, zodat er bijvoorbeeld geen onveilige elektrische apparaten op de markt verschijnen. Op de naleving van deze regels wordt toegezien door de Keuringsdienst van Waren. En voor de omgeving van een bedrijf is er extern veiligheidsbeleid geformuleerd, waarop de milieu-inspecties toezien. Nog deze kabinetsperiode zijn twee AMvB's (voor vaste inrichtingen en transport) voorzien die het beleid op dit terrein juridisch hecht verankeren. Na publicatie hiervan zal een publiciteitscampagne, gericht op de betreffende bedrijven, plaatsvinden om te zorgen voor voldoende bekendheid.
Hoe wil het kabinet burgers motiveren om misstanden die zij constateren in de vergunningen, controle of handhaving of in de bestuurlijke of politieke besluitvorming daarover bij de overheid te melden? Hoe wil het kabinet vervolgens waarborgen dat de overheid de signalen die haar bereiken serieus neemt, haar eigen bureaucratische neiging overwint en tot actie overgaat om een einde te maken aan de misstand? Op welke financiële steun kunnen de overheden rekenen om deze cultuuromslag mogelijk te maken?
Het is van belang dat een open bestuurscultuur burgers motiveert de bedoelde meldingen te doen. Het afleggen van verantwoording door middel van handhavingsplannen en handhavingsrapportages en -verslagen via het vertegenwoordigend lichaam zal bijdragen aan die openheid. Een dergelijke open bestuurscultuur vormt zowel de waarborg als de uitdrukking van een overheid die signalen uit de samenleving serieus neemt. Dit vereist weliswaar in veel gevallen een andere wijze van opereren, maar behoeft niet tot extra uitgaven te leiden.
Kan de Nationale Ombudsman een bijdrage leveren aan de gewenste cultuuromslag? Kan de NO bijvoorbeeld de opdracht krijgen om elk halfjaar een ministerie door te lichten en aan de Kamer te rapporteren over de publieke informatievoorziening, de klantvriendelijkheid, de alertheid en de mate van het omzetten van signalen in (structurele) veranderingen?
In het kabinetsstandpunt heeft het kabinet aangegeven dat in het algemeen de gemeentelijke overheid de eerstverantwoordelijke is op het gebied van het veiligheidsbeleid. De gemeentelijke overheid heeft in dat perspectief bezien een belangrijke medeverantwoordelijkheid in het leveren van een bijdrage aan de gewenste cultuuromslag. De rol van de Nationale Ombudsman is dan beperkt. Wel kunnen burgers een klacht deponeren bij de gemeentelijke ombudsman, of bij afwezigheid daarvan bij de Nationale Ombudsman, indien zij bij het aanmelden van onrechtmatigheden, waartegen naar hun opvatting handhavend moet worden opgetreden onheus worden bejegend door gemeenteambtenaren.
Vindt van deze drie lessen op bladzijde twee genoemd een centrale monitoring plaats, en zo ja, in welke frequentie? Wordt er in dit licht een toetsingskader voor nieuwe wetgeving ontwikkeld?
De in hoofdstuk 1 van het kabinetsstandpunt genoemde lessen worden door het kabinet gezien als de centrale lessen die uit de gebeurtenissen in Enschede te trekken zijn. Deze lessen zijn door het kabinet vertaald in de actiepunten die deel uitmaken van het kabinetsstandpunt. Over de voortgang wordt twee keer per jaar aan de Tweede Kamer gerapporteerd.
Het kabinet ziet geen aanleiding tot de ontwikkeling van een nieuw toetsingskader voor nieuwe wetgeving. De bestaande toetsingskaders zoals de aanwijzingen voor de regelgeving bieden voldoende aanknopingspunten om tot goede regelgeving te komen. Daarbij moet worden bedacht dat bij de totstandkoming van regelgeving aan allerlei verschillende eisen recht moet worden gedaan. Dat vergt een evenwichtige afweging. Er is dan ook niet zozeer behoefte aan nieuwe toetsingskaders als wel aan een bewuste afweging in voorkomende gevallen van de belangen die met de regelgeving worden nagestreefd. Dat vereist aandacht van alle bij de totstandkoming van regelgeving betrokken instanties.
Wat is het oordeel van het kabinet over de uitspraken van de Vice-voorzitter van de Raad van State bij de presentatie van het Jaarverslag 2000 over afschaffing van strafrechtelijke immuniteit voor overheden? Wil de regering in dit verband ook reageren op het artikel van J. A. F. Peters, «Na Pikmeer: Volendam of Enschede?» in NTB 2001/2?
Zoals bekend, heeft de Raad van State op 28 april 1999 advies uitgebracht betreffende de strafrechtelijke immuniteit van de Staat. Het advies van de Raad van State, alsmede het nader rapport is op 11 november 1999 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer gezonden (kamerstukken II,1999/2000, 25 294, nr. 10). De minister van Justitie heeft de Tweede Kamer daarbij geïnformeerd over het door het kabinet ingenomen standpunt ter zake van strafrechtelijke aansprakelijkheid van de Staat. Dit standpunt is voorts onder meer toegelicht in de brief van 22 september 2000 (kamerstukken II, 2000/2001, 25 294, nr. 12) en in die van 25 januari 2001. Tijdens het algemeen overleg op 13 februari jl. is opnieuw met de Tweede Kamer van gedachten gewisseld over het onderwerp. Tijdens dit overleg heeft de minister van Justitie toegezegd aan de ministerraad te zullen voorleggen dat de Tweede Kamer uitgaande van het gelijkheidsbeginsel wil komen tot verwerkelijking van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de Staat. Over de uitkomsten van de bespreking van dit punt in de ministerraad zal de Tweede Kamer binnenkort nader worden geïnformeerd.
Op welke termijn komt het kabinet met een wetsvoorstel tot oprichting van één onafhankelijke onderzoeksraad voor rampen en zware ongevallen?
Het kabinet zal na de zomer 2001 een Hoofdlijnennotitie toezenden aan de Tweede Kamer om vervolgens een voorstel van Wet in januari 2002 voor advies te kunnen voorleggen aan de Raad van State.
Wil het kabinet met spoed de werkwijze van de Commissie onderzoek vuurwerkramp evalueren, zodat de Kamer daarmee haar winst kan doen in het debat over het kabinetsstandpunt op het rapport van deze commissie?
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft inmiddels opdracht gegeven om de werkwijze van de Commissie te evalueren, zodat de ervaringen die hiermee zijn opgedaan, kunnen worden verwerkt bij de voorbereiding op de oprichting van de onafhankelijke onderzoeksraad voor rampen en zware ongevallen. Het kabinet streeft ernaar de evaluatie op korte termijn af te ronden. De rapportage wordt nog voor het plenaire debat aan de Tweede Kamer aangeboden.
Is het mogelijk dat de regering de Kamer voorafgaand aan het plenaire debat informeert over de laatste stand van zaken van het strafrechtelijke onderzoek?
Ja, de minister van Justitie zal zich vóór het plenaire debat door het College van procureurs-generaal laten informeren en op basis van deze informatie de Tweede Kamer berichten.
Op welk niveau vindt de democratische controle op de centrale taskforce plaats?
Rijk, provincies en gemeenten hebben in het mede-overheden overleg besloten een gezamenlijke taskforce in te stellen. Deze taskforce die bestaat uit ambtelijke vertegenwoordigers van betrokken departementen, VNG en IPO maakt nog voor de zomer een plan van aanpak voor de uitvoering van de aanbevelingen die een samenhangende aanpak van de betrokken overheden vereisen. Vervolgens zal de taskforce een voorstel doen voor de manier waarop de complexiteit van de regelgeving kan worden verminderd en tegenstrijdigheden kunnen worden weggenomen. Voorshands zijn hierbij door het mede-overhedenoverleg geen beperkingen aan de taskforce opgelegd wat betreft de reikwijdte van de regelgeving die onder de loep wordt genomen. Deze voorstellen worden – nadat ze geaccordeerd zijn door de leden van het mede-overhedenoverleg – bij de eerste voortgangsrapportage over de actiepunten uit het kabinetsstandpunt toegezonden aan de Tweede Kamer. De taskforce rapporteert over de voortgang van de werkzaamheden aan het mede-overhedenoverleg, dat bestaat uit vertegenwoordigers/delegaties van het kabinet en uit de dagelijkse besturen van het IPO en de VNG. Het mede-overhedenoverleg besluit over de werkzaamheden van de taskforce. De resultaten hiervan worden geagendeerd in het Ministerieel beleidsteam vuurwerkramp en betrokken bij de voortgangsrapportage over de actiepunten. De taskforce zal in ieder geval blijven voortbestaan totdat de actiepunten die voortkomen uit het kabinetsstandpunt zijn afgerond. In het werk van de hierboven beschreven taskforce zullen nadrukkelijk de bevindingen van de commissie Alders worden meegenomen.
Onder wiens verantwoordelijkheid valt de gezamenlijke taskforce? Welke vrijheid heeft deze taskforce? Op welke termijn valt het plan van aanpak te verwachten?
Zie antwoord op vraag 16 (27 157-20).
Gemeld wordt dat de Taskforce een voorstel zal doen voor de manier waarop de complexiteit van regelgeving kan worden verminderd en tegenstrijdigheden kunnen worden weggenomen. Is het kabinet bereid dit voorstel aan de Kamer te doen toekomen? Wanneer kan de Kamer dit voorstel tegemoetzien?
Zie antwoord op vraag 16 (27 157-20).
Kan de gezamenlijke taskforce die voorstellen doet over het verminderen van de complexiteit van de regelgeving en het wegnemen van de geconstateerde tegenstrijdigheden worden toegelicht?
Zie antwoord op vraag 16 (27 157-20).
Hoe is de taak van de taskforce afgebakend? Beperkt de taskforce zich tot veiligheidsvraagstukken die bij de Enschedese ramp aan de orde waren? Welke termijn is gesteld voor het werk van deze taskforce?
Zie antwoord op vraag 16 (27 157-20).
Is de instelling van een ministerieel beleidsteam voldoende waarborg voor de zo node vereiste coördinatie tussen de ministeries?
Het kabinet heeft besloten het ministerieel beleidsteam vuurwerkramp te laten voortbestaan om de daadwerkelijke uitvoering van de actiepunten, maar ook de aanpak van andere zaken die nog kunnen voortkomen uit de vuurwerkramp, gecoördineerd te behandelen. Dit betekent dat ook het in hoofdstuk 1 van het kabinetsstandpunt genoemde projectteam vuurwerkramp zal blijven voortbestaan.
De halfjaarlijkse voortgangsrapportages worden door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, als coördinerend bewindspersoon voor de afwikkeling van de vuurwerkramp, aan de Tweede Kamer gezonden.
Het kabinet zal de werkwijze die is gehanteerd sinds 15 mei 2000 blijven hanteren zolang er sprake is van rapportages over de voortgang van de actiepunten. Hiermee is een adequate bewaking van de voortgang van de actiepunten en eventuele andere uit de vuurwerkramp voortkomende activiteiten verzekerd. Het kabinet zal twee keer per jaar rapporteren over de voortgang van de actiepunten.
Onder verantwoordelijkheid van welk ministerie zullen de halfjaarlijkse voortgangsrapportages vallen?
Zie antwoord op vraag 21 (27 157-20).
Hoe wil het kabinet voorkomen dat deze voortgangsrapportages verzanden in een routinematig proces? Is het kabinet bereid om de eerste twee jaar per kwartaal te rapporteren over de voortgang uitvoering lessen vuurwerkramp? Is het kabinet tevens bereid de rapportages een aparte status te geven, zodat voorkomen kan worden dat het onderwerp de komende jaren weer langzaam uit de publieke aandacht verdwijnt?
Zie antwoord op vraag 21 (27 157-20).
Kan de rapportage van Ernst en Young tijdig worden afgerond en voor het plenaire debat naar de Kamer gezonden?
De rapportage van Ernst en Young zal voor het plenaire debat naar de Tweede Kamer worden gezonden.
Op 16 augustus 2000 heeft de minister van BZK al de betrokken overheden en instellingen geïnformeerd over de onjuiste classificatie van vuurwerk. Waarom is dit niet veel eerder gebeurd, gelet op de kennis van Culemborg en blijkt hieruit de primaire verantwoordelijkheid op dit punt van de minister van BZK?
Het is niet de exclusieve verantwoordelijkheid van de minister van BZK om mede-overheden te informeren. De brief van de minister van BZK is geschreven vanuit zijn systeemverantwoordelijkheid voor de rampenbestrijding. De brief berichtte over het gegeven dat onjuiste classificatie van vuurwerk bij een zwaar ongeval kan leiden tot een ander effect dan waar de rampbestrijdingsorganisaties op voorbereid zijn. Het tijdstip van verzending van de brief is het gevolg van de na de vuurwerkramp te Enschede vergaarde kennis door de Inspectie Milieuhygiëne (IMH) en het Openbaar Ministerie over het in de praktijk regelmatig onjuist classificeren van professioneel vuurwerk. Voor een nadere verklaring waarom de minister van BZK al de betrokken overheden en instellingen niet eerder heeft geïnformeerd, gelet op de kennis van Culemborg, wordt verwezen naar het antwoord op vraag 83 (27 157-18).
Welke maatregelen heeft de minister van Defensie heeft genomen in augustus 2000 ten aanzien van het bureau Adviseur Milieuvergunningen (AMV), welke taken zijn versterkt en zijn de geconstateerde gebreken werkelijk opgeheven? Waarom zijn er in augustus 2000 maatregelen genomen ten opzichte van dit bureau en is in oktober van hetzelfde jaar een onafhankelijk onderzoek naar hetzelfde bureau ingesteld? Met andere woorden waarom is dat onderzoek niet eerder gedaan en waren de eerder genomen maatregelen dan onvoldoende om de problemen op te lossen?
Zie het antwoord op vraag 13 (27 157-14) en het antwoord op vraag 11 (27 157-16).
Het kabinet wijst, evenals de Commissie, geen schuldigen, maar alleen verantwoordelijken aan. Het gaat bij de discussie over de consequenties die de ramp moet hebben echter niet om louter feitelijke verantwoordelijkheid, maar om verantwoordelijkheid voor laakbare tekortkomingen. Dat blijkt uit de conclusie van de Commissie dat het Rijk tekortgeschoten is als adviseur, vergunningverlener en toezichthouder (bladzijde 78 Eindrapport). Zijn schuld en verantwoordelijkheid in dezen wel te scheiden?
Bij het afleggen van verantwoording voor advisering, vergunningverlening of toezicht betreft het per definitie de politiek-bestuurlijke verantwoordelijkheid voor tekortkomingen. Schuld en politieke verantwoordelijkheid dienen niet met elkaar te worden verward.
In de follow-up van Culemborg is de aandacht van de directie Brandweer meer gericht geweest op preventiemaatregelen. Dit wordt verklaard door de aard van de deskundigheid waarover de directie in die periode beschikte. Wat wordt hiermee bedoeld? Bezat/bezit de brandweer niet die kennis die nodig was/is om reële ernstige risico's te onderkennen?
Bedoeld wordt in deze passage dat de aandacht meer gericht was op maatregelen om de feitelijke risico's te verminderen dan op de beleidsmatige consequenties zoals de gevolgen voor het curriculum van de brandweeropleidingen. De brandweer heeft in het algemeen voldoende kennis om reële ernstige risico's te onderkennen. Wel staat vast, dat ook bij de brandweer de kennis over de risico's van vuurwerk onderbelicht is geweest.
Kunt u inzicht geven in de wijze waarop het bureau AMV momenteel zijn taken vervult, in het bijzonder ten aanzien van vuurwerk?
Zie het antwoord op vraag 13 (27 157-14).
Waarom maakte het ministerie van Defensie destijds geen deel uit van de Commissie Preventie van Rampen door gevaarlijke stoffen?
Bij de toenmalige instelling van de CPR is er van uitgegaan dat deze zich zou richten op de risico's die op de arbeidsplaats of voor mens en milieu verbonden kunnen zijn aan het vervaardigen, het gebruiken, het verwerken, het opslaan, het overslaan, het vervoeren, het laden of het lossen dan wel aan andere verrichtingen met betrekking tot gevaarlijk stoffen. De ministeries die voor wat betreft deze onderwerpen de wetten in portefeuille hebben zijn: SZW voor wat betreft de arbeidsbescherming, VROM voor wat betreft het milieu, BZK voor wat betreft de rampenbestrijding en VenW voor wat betreft het vervoer. Defensie kent geen eigen verantwoordelijkheid voor wetgeving op genoemde terreinen en is om die reden ook geen lid van de CPR.
De geconstateerde onderbezetting bij het bureau AMV is ook ontstaan door het toegenomen werkaanbod. Om welk werk gaat het dan en had AMV zonder die werktoename wel zijn taak op een adequate wijze kunnen uitvoeren?
Zie het antwoord op vraag 13 (27 157-14) en het antwoord op vraag 1 (27 157-16).
Waarom hebben de problemen bij het bureau AMV geen aandacht gekregen in de discussie tussen de leiding van AMV en de leiding van de directie Materieel van de Koninklijke Landmacht (DMKL)? Zijn de problemen überhaupt wel als problemen onderkend?
Er is op dit punt geen discussie geweest tussen de Directie materieel en bureau AMV. De specifieke problemen van het bureau AMV zijn in onvoldoende mate en te laat voor het voetlicht gekomen. Uit het rapport van de heer Booij van 27 juni 2000 bleek dat er in november 1999 door een adviseur van bureau AMV een nota was geschreven waarin hij inging op de capaciteitsproblemen. Uit nader onderzoek dat is opgedragen door de bewindslieden is gebleken dat deze nota in de eerste helft van december 1999 is aangeboden bij de secretaresse van de Directeur Materieel. De toenmalige Directeur Materieel heeft zijn functie op 1 december 1999 formeel neergelegd. Hij heeft zijn taken overgedragen aan een van de andere leden van het directieteam van de DMKL. Op 13 december 1999 is de huidige Directeur formeel aangetreden.
Pas na de vuurwerkramp heeft de huidige directeur voor het eerst van het bestaan van deze nota kennisgenomen.
De advies- en toezichtstaken van de minister van Defensie zijn geschrapt. Hoe verhoudt zich dit tot de personele versterking en functiescheiding, zoals in de brief van 11 september 2000 is weergegeven? Op welke wijze garandeert het kabinet adequate en deskundige uitvoering van deze advies- en toezichtstaken?
Zie het antwoord op vraag 13 (27 157-14).
Waarom was het bureau AMV onvoldoende doordrongen van het feit dat hij actie moest ondernemen? Zag hij door kennisgebrek de gevaren niet?
Zie het antwoord op de vraag 41 (27 157-18).
Bezit het bureau AMV in de praktijk nu ook de kennis en de mogelijkheden om adequaat en slagvaardig te kunnen optreden?
Zie het antwoord op de vraag 13 (27 157-14) en het antwoord op vraag 37 Eindrapport Commissie onderzoek vuurwerkramp (27 157-18).
Welke taken zijn nu precies bij het bureau AMV verdwenen en wie voert deze taken nu uit? Wanneer gaat de nieuwe situatie in voor AMV? Wordt de opgebouwde kennis over vuurwerk overgedragen van Defensie naar anderen die de taken advies en toezicht op vuurwerk zullen uitoefenen? Waarom wordt het bureau versterkt en uitgebreid in plaats van opgeheven, gezien de geconstateerde structurele tekortkomingen? Welke taken gaat het bureau in de toekomst uitvoeren, nu het vuurwerkbesluit gewijzigd wordt?
Zoals aangekondigd zullen met het inwerking treden van het nieuwe Vuurwerkbesluit in de loop van 2001 de advies -en toezichttaken van het bureau AMV komen te vervallen. Op dit moment zijn er nog geen taken verdwenen bij het bureau AMV. De in het antwoord op vraag 13 Centraal rapport rijksinspecties (27 157, nr. 14) geschetste verbetermaatregelen moeten zeker stellen dat het bureau AMV tot de inwerkingtreding van het Vuurwerkbesluit haar taken naar behoren kan uitvoeren.
Het kabinet is van mening dat het bevoegd gezag voor vergunningverlening en toezicht ook moet zorgen dat de voor die taken benodigde expertise voorhanden is. In het bestuurlijk overleg dat de minister van VROM heeft gevoerd met IPO en VNG is afgesproken dat een plan wordt opgesteld voor de implementatie van het Vuurwerkbesluit waarin op de vereiste expertise nader wordt ingegaan.
Expertise over opslag van explosieve stoffen en munitie zal evenwel binnen Defensie nodig blijven voor de opslag van munitie. Alle taken van Defensie ter zake van vuurwerk verdwijnen bij het inwerkingtreden van het Vuurwerkbesluit.
Welke taken blijven over voor het bureau Adviseur Milieuvergunningen van Defensie na het schrappen van de advies- en toezichttaken?
Zie het antwoord op vraag 36 (27 157-20).
De regering stelt dat de bemoeienis van het ministerie van Justitie bij de totstandkoming van een erkenningsregeling in de vuurwerkbranche adequaat is geweest, dit in reactie op de Commissie die vindt dat de bemoeienis niet adequaat was. Welke argumenten heeft de regering voor dit standpunt?
Zie het antwoord op vraag 42 (27 157-20).
Welke maatregelen zijn genomen om de geconstateerde fouten in de toekomst te voorkomen bij Justitie?
Zie het antwoord op vraag 42 (27 157-20).
De procureur-generaal bij het gerechtshof in Amsterdam en de hoofdofficier van justitie hebben het ambtsbericht over de veiligheid naar aanleiding van Culemborg doorgezonden naar de minister van Justitie. Was het, gelet op het feit dat zij wel de ernst van het signaal hebben onderkend, niet hun verantwoordelijkheid om zich er van te verzekeren dat er iets met het bericht gebeurde en of het bericht de minister wel had bereikt? Waarom is van die zijde de actie niet herhaald?
Zie het antwoord op vraag 27 (27 157-18).
Hoe denkt het kabinet te voorkomen dat berichtgeving van het Openbaar Ministerie, zoals de berichtgeving over de vuurwerkexplosie in Culemborg, op het ministerie van Justitie in de la verdwijnt en ten onrechte niet aan de minister van Justitie wordt voorgelegd?
Zie het antwoord op vraag 42 (27 157-20).
Het ministerie van Justitie heeft de rapportage van het OM over Culemborg wel gearchiveerd, maar er verder geen aandacht aan besteed. Het kabinet erkent dat Justitie hierin niet juist heeft gehandeld. Welke consequenties verbindt hij daaraan? Hoe kunnen dergelijke fouten in de toekomst voorkomen worden?
De brief van de procureur-generaal bij het gerechtshof te Amsterdam, waarin wordt gevraagd om in samenspraak met de betrokken ministeries maatregelen te doen treffen om hiaten zowel in de afstemming tussen als in de controle en het toezicht door verschillende overheidsinstanties in de toekomst zoveel mogelijk te vermijden, is in 1991 gearchiveerd door een ambtenaar van het ministerie van Justitie. Volgens de aantekeningen op de brief, is deze telefonisch afgedaan en voor archivering aangeboden aan de afdeling registratie. De ambtenaar die destijds de brief heeft behandeld, kan zich de brief en de afdoening daarvan niet meer herinneren. Daarmee is niet meer na te gaan waarom deze brief de minister destijds niet persoonlijk heeft bereikt. Deze brief had naar het oordeel van het kabinet – zeker achteraf bezien – schriftelijk door of namens de minister van Justitie afgehandeld moeten worden. De minister van Justitie heeft bij de beantwoording van Kamervragen van de leden Mosterd en Van de Camp reeds aangegeven dat het niet gebruikelijk was en is bij het ministerie van Justitie dat dit soort zaken op een dergelijke wijze worden afgedaan (kamerstukken II, Aanhangsel van de Handelingen, 2000–2001, nr. 523). Het is betreurenswaardig dat het door de procureur-generaal in 1991 afgegeven signaal – in ieder geval niet schriftelijk – onder de aandacht is gebracht van de betrokken ministers door of namens de toenmalige minister van Justitie.
De minister van Justitie heeft recentelijk reeds in een brief aan de Tweede Kamer (kamerstukken II, 2000/2001, 27 204, nr. 9) aangegeven dat binnen het programma van kwaliteitszorg aandacht wordt besteed aan een systematische en integrale verbetering en ontwikkeling van het gehele ministerie van Justitie ten aanzien van communicatie en samenwerking. De minister van Justitie heeft aangegeven dat het de vraag is hoe medewerkers gevoeligheid ontwikkelen om nu juist die informatie door te geven die voor anderen (ketenpartners of bewindslieden) relevant kan zijn. Het ontwikkelen van die gevoeligheid vraagt de voortdurende aandacht van leidinggevenden. Aangezien het hier gaat om verandering van gedrag, is de rol van de leidinggevende bepalend. In de bestaande opleidingstrajecten voor leidinggevenden van het ministerie van Justitie zal dan ook plaats worden gemaakt voor een programma waarin beleidssensitiviteit centraal staat.
Gezien de omvang van de Justitie-organisatie (ruim 35 000 medewerkers) en de complexe en gevoelige omgeving waarin deze organisatie opereert kan geen garantie worden gegeven dat in de toekomst een dergelijke gebeurtenis niet meer zal plaatsvinden. De eerder genoemde maatregelen dragen er naar de overtuiging van de regering aan bij dat de kans dat in de toekomst nogmaals een dergelijke ongewenste afhandeling plaats vindt aanzienlijk wordt verkleind.
Waarom is de controlepraktijk van de Arbeidsinspectie voor gevaarlijke stoffenopslag, die niet valt onder het Besluit risico's zware ongevallen (BRZO), onvoldoende toegesneden op het garanderen van voldoende arbeidsveiligheid?
De controlepraktijk van de Arbeidsinspectie is gericht op een zo goed mogelijk handhaven van wet- en regelgeving met betrekking tot onder andere gevaarlijke stoffen. Inspectieprogramma's vinden onvermijdelijk steekproefsgewijs plaats. Dat is de reden dat nooit 100% dekkende garanties zijn te geven. Daar komt bij dat primair werkgevers (en niet de Arbeidsinspectie) degenen zijn die de wet- en regelgeving dienen na te leven; daarbij dient de werkgever zich te laten ondersteunen door een Arbodienst.
Overigens worden de inspectiemethoden van de Arbeidsinspectie wel continue geoptimaliseerd. Voor wat betreft gevaarlijke stoffen o.a. door uitbreiding van de specialistische deskundigheid, zie in dit verband ook de vragen 33 (27 157-18) en 44 (27 157-20).
In welke zin zullen het Arbobesluit en het BRZO aangepast worden, zodat de kwaliteit van de inspecties erdoor toeneemt?
In het BRZO (besluit risico's zware ongevallen 1999) zullen de drempelwaarden explosieve stoffen voor aanwijzing worden aangepast. De mate waarin en hoe is mede onderwerp van discussie binnen de Europese Unie, waarbij goedkeuring binnen de EU op voorhand geen voorwaarde is.
Inrichtingen die onder het BRZO'99 vallen, moeten een Preventiebeleid Zware Ongevallen (PBZO) hebben (vastgelegd in een PBZO document), ter uitvoering daarvan een Veiligheidsbeheerssysteem (VBS) en de hoogste risico categorie bedrijven moeten een Veiligheidsrapport (VR) en een intern noodplan hebben. De informatie is mede bestemd voor instanties die het bevoegd gezag vormen (Arbeidsinspectie, Vergunningverlener ex Wet milieubeheer en Brandweer). Met deze informatie is een inspectie/audit goed te structureren en naast op technische zaken mede te richten op organisatorische aspecten. Tevens ligt een samenwerking tussen de Arbeidsinspectie, de vergunningverlener ex Wet milieubeheer en de Brandweer tot op een bepaald niveau in het BRZO'99 vast.
Tot slot ligt in het BRZO'99 de verplichting bij de bevoegde autoriteiten om gezamenlijk een inspectieplan op te stellen om daarmee te controleren of het bedrijf passende maatregelen heeft genomen om zware ongevallen te voorkomen, of het de voorzieningen heeft om de gevolgen van zware ongevallen te beperken en of de verstrekte gegevens (Veiligheidsrapport) kloppen met de werkelijkheid. Ook moeten de burgers over de voor hen relevante zaken worden geïnformeerd.
In het Arbobesluit zal de grenswaarde voor explosieve stoffen op basis waarvan installaties voor bewerking of voor opslag worden aangewezen voor het opstellen van een Arbeidsveiligheidsrapport worden geëvalueerd en herzien. Tevens zal de Arbeidsveiligheidsrapportage worden omgebouwd tot een aanvullende specificatie risico inventarisatie en evaluatie (ARIE) in combinatie met een verscherpt toezicht door de Arbeidsinspectie. Deze ARIE is meer dan het vroegere Arbeidsveiligheidsrapport gericht op organisatorische aspecten zoals het hebben van een preventiebeleid zware ongevallen en een veiligheidsbeheerssysteem.
Door middel van een Aangepaste Risico Inventarisatie en Evaluatie wordt door het betreffende bedrijf voor de gevaarlijke onderdelen onder andere aan de Arbeidsinspectie aangegeven hoe met het gevaar en de erbij horende risico's wordt omgegaan. Daarbij worden zowel organisatorische zaken als technische zaken beschouwd. Dit geeft de Arbeidsinspectie de mogelijkheid om gericht op het managementsysteem, dat de basis is voor risicobeheersing, te inspecteren.
Met welke reden, op wiens voorstel en onder wiens bevoegdheid is dit onderwerp van de agenda van de Commissie Preventie van rampen door gevaarlijke stoffen (CPR) afgevoerd?
Het onderwerp is op voorstel van de toenmalige voorzitter van de CPR, met instemming van de leden, van de agenda afgevoerd.
Wat zijn tussen 1994 en 2000 de «wapenfeiten» geweest van de CPR?
Zie bijlage 1.
Op welke wijze heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de CPR aangestuurd?
De CPR is een afstemmingsoverleg van de betrokken ministeries over de technische uitwerking van het beleid van die ministeries. Binnen de CPR stond het bereiken van consensus voorop. Alle betrokken ministeries speelden een rol bij de voortgang van het proces vanuit hun eigen beleidsverantwoordelijkheid. Dit was voor de minister van SZW niet anders. Het ministerie van SZW bekleedde bovendien het voorzitterschap, dat vooral in procedurele zin werd ingevuld.
Hoe wordt de interdepartementale, beleidsmatige afstemming verzorgd, als de CPR wordt vervangen door de onafhankelijk Technische Adviesraad voor Gevaarlijke stoffen?
Er zal worden voorzien in een interdepartementaal overleg dat voor de betrokken ministers adviesaanvragen en standpunten zal voorbereiden t.a.v. adviezen van de Adviesraad. Hierbij zijn betrokken de departementen van VROM, BZK, SZW, VenW en VWS. VROM zal dit overleg voorzitten.
Gaat de onafhankelijke Technische Adviesraad voor Gevaarlijke Stoffen gevraagd en ongevraagd adviseren? Welk(e) ministerie(s) kan/kunnen advies inwinnen?
Ja, de Adviesraad zal gevraagd en ongevraagd adviseren aan het kabinet.
Het bestaan van een ambtelijke commissie zoals de CPR is geen garantie voor een effectieve opvolging van lessen die geleerd kunnen worden uit rampen en ongevallen. Is de regering van oordeel dat dit een legitieme reden is? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het is van het grootste belang dat een zodanige structuur wordt gekozen dat zoveel mogelijk wordt zekergesteld dat lessen ook een effectieve opvolging krijgen. Zoals elders in de beantwoording is weergegeven, was de CPR-structuur daartoe niet optimaal. Het kabinet meent met de nieuwe Technische Adviesraad een betere structuur te hebben gevonden.
Valt er nog meer te zeggen over het functioneren van de CPR of is het falen rondom Culemborg het enige argument om de CPR te vervangen door een onafhankelijke Technische Adviesraad voor Gevaarlijke Stoffen? Is het taakveld van de Technische Adviesraad niet veel smaller dan dat van de CPR of houdt de nieuwe raad zich ook bezig met rampen in het algemeen? Preventie van rampen betreft toch meer dan vraagstukken rondom gevaarlijke stoffen? Garandeert een Technische Adviesraad wel dat lessen geleerd worden uit een ramp?
In het antwoord op vraag 50 (27 157-20), wordt ingegaan op het eerste en het laatste deel van de vraag. Voor het overige kan worden gewezen op de reeds lopende evaluatie van de CPR (zie het antwoord op vraag 21 (27 157-18A)). Het voorstel om de CPR te vervangen door een onafhankelijke Technische Adviesraad voor gevaarlijke stoffen vloeit voort uit zowel de genoemde evaluatie als de recente bevindingen rond de vuurwerkexplosie in Culemborg. Het taakveld van deze Raad is niet smaller dan dat van de CPR; het veilig omgaan met vervoeren van en bewerken en toepassen van gevaarlijke stoffen. Voor (preventie van) rampen met gevaarlijke stoffen en rampen van andere aard, ligt er een relatie met het taakveld van de op te richten onafhankelijke onderzoeksraad voor rampen en zware ongevallen, waarover het kabinet na de zomer voorstellen naar de Kamer zal zenden.
Welke redenen zijn er voor het ontbreken van de voortvarendheid bij de overdracht van het dossier van het ministerie van VenW naar VROM?
Het heeft tot lang na het verschijnen van de nota gevaarlijke stoffen (1979), waarin het opstellen van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (WVGS) werd aangekondigd, ontbroken aan een duidelijk besluit over de wijze waarop dit geregeld moest gaan worden. Vanaf 1988 werd het duidelijk dat het bezigen van vuurwerk in het bestaande Vuurwerkbesluit op basis van de Wet milieugevaarlijke stoffen geïntegreerd zou worden met het consumentenvuurwerk. Daarmee was het besluit genomen dat dit beleidsterrein onder het ministerie van VROM zou komen te vallen. Op dat moment zag het er echter niet naar uit dat de WVGS spoedig in werking zou treden, waardoor de werkzaamheden voor het Vuurwerkbesluit geen hoge prioriteit hadden. Zowel voor als na de totstandkoming van de WVGS (augustus 1996) heeft er een lange periode van ambtelijk overleg plaatsgevonden, waar bij tijd en wijle ook de vuurwerkbranche betrokken was. Dit overleg heeft veel tijd gekost. Er is een briefwisseling geweest tussen de (ambtelijke) top van de beide departementen tussen 1989 en 2000. Echter het verschil van inzicht tussen de betrokken departementen over hoe het bezigen geregeld moest gaan worden in het nieuwe Vuurwerkbesluit, heeft ook voor vertraging gezorgd.
Heeft het kabinet al eens uitgezocht of problemen bij overdracht ook bij andere dossiers spelen waar veilgheid in het geding is? Is er tussen het aantreden van het kabinet (augustus 98) en de vuurwerkramp bestuurlijk overleg geweest tussen de ministers van VROM en VenW of de top van beide ministeries over de overdracht van het vuurwerkdossier?
Het is het kabinet niet bekend dat er diepgaand soortgelijke problemen zijn onderzocht. Op 3 augustus 1999 werden door de bewindslieden van VenW en VROM in een gezamenlijke brief aan de vuurwerkbranche beleidsregels aangekondigd waarin criteria zijn opgenomen voor de vergunningverlening voor het bezigen van vuurwerk.
Wat voor meldingen hadden de inspecteurs in 97, 98 en 99 over incidenten met vuurwerk dat besloten is tot thema-acties? Wat voor thema-acties waren dit precies? Hoe beoordeelt het kabinet het gegeven dat de Rijksverkeersinspectie (RVI) (en/of het ministerie van VenW) enige conclusies uit haar eindrapportage heeft gehaald die ingingen op de verantwoordelijkheid van de RVI?
Mede naar aanleiding van meldingen (schriftelijk en mondeling) van inspecteurs en besprekingen in werkoverleg zijn meerdere thema-acties uitgevoerd waarbij op basis van beschikbare informatie een selectie wordt gemaakt van inspectie-items.
Het gaat hier om een verdieping van reguliere controles, resulterend in een rapportage, welke conclusies en aanbevelingen bevat. Deze wordt na totstandkoming aan de beleidsafdeling aangeboden en mondeling toegelicht. Met deze acties wordt een goed beeld verkregen omtrent het nalevingsgedrag en eventuele knelpunten. De volgende thema-acties zijn uitgevoerd:
In 1997: TNO-onderzoek naar vuurwerkdozen.
In 1998: Op de terminals in Europoort, alsmede bij vuurwerkimporteurs
In 1999: Op het bezigen van vuurwerk tijdens evenementen ofwel professioneel vuurwerk.
Zie verder het antwoord op vraag 212 (27 157-20).
Waaruit is sinds de ramp in Enschede gebleken dat de politieke aandacht voor het handhavingsbeleid bij het ministerie van VenW is toegenomen bijvoorbeeld bij het vervoer van gevaarlijk stoffen?
Reeds in 1999 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat besloten tot het onderbrengen van de inspectiediensten in één Inspectoraat-Generaal van Verkeer en Waterstaat. Binnen de RVI is eind vorig jaar besloten om een nieuwe handhavingsstrategie voor vuurwerk te ontwikkelen. Hierbij is o.a. terdege rekening gehouden met de bevindingen van de Commissie. Speciale aandacht krijgt o.a. de de problematiek rond classificatie van vuurwerk.
Wat is de reden dat het ministerie van Verkeer en Waterstaat te weinig aandacht aan de vuurwerkexplosie Culemborg heeft besteed? Zij werkten immers met classificaties die onjuist bleken te zijn?
Het onderzoek van TNO naar aanleiding van het ongeval te Culemborg was niet bij VenW bekend. Er is in de CPR wel over het ongeval gesproken naar aanleiding van een notitie van BZK, maar die notitie ging niet over classificatieproblemen al dan niet in relatie met vervoer. Het ongeval te Culemborg werd beleefd als een (arbeids)ongeval in een vuurwerkfabriek. VenW heeft gelet op de informatie die bekend is gemaakt naar aanleiding van het onderzoek geen relatie gelegd met vervoer van vuurwerk en/of classificatieproblemen. De slechte communicatie over het onderzoek is voor de periode van enkele maanden na het onderzoek nog te verklaren door de vertrouwelijkheid van dit in opdracht van het Openbare Ministerie te Utrecht uitgevoerde onderzoek. Daarna heeft er ook echter ook geen informatie uitwisseling plaatsgevonden. Ook niet via TNO PML die in opdracht van VenW aan het internationale overleg voor het vervoer van ontplofbare stoffen deelneemt. Voor een meer gedetailleerde beschrijving van de communicatie lijnen en het ontbreken daarvan wordt verwezen naar het specifiek voor het Culemborg ongeval opgestelde inspectierapport van 19 februari 2001.
De kennis uit het onderzoek van Culemborg stelt het gevaar van onjuiste classificatie in een ander daglicht. Vooral ook juist bij de opslag van vuurwerk. Hierbij moet worden aangetekend dat binnen zo'n inrichting het vuurwerk niet alleen wordt afgeleverd maar dat er ook wat mee wordt gedaan. Een drietal problemen speelt daarbij een rol die elk afzonderlijk geen ramp kunnen veroorzaken maar wel in combinatie.
1: Foutieve classificatie van vuurwerk: (mogelijk per doos, en het gaat om vele dozen per container en ca duizend containers per jaar);
2: Uit de originele verpakking halen van vuurwerk (waardoor eveneens de voor vervoer bedoelde classificatie kan afwijken van het etiket op de doos);
3: Het feit dat een partij vuurwerk bij brand of schok kan reageren als zijnde één partij massa explosief vuurwerk zodra een kleine hoeveelheid al dan niet bekend massa explosief vuurwerk in die partij aanwezig is. Het gevaar bestaat daardoor dat de vergunningverlener van een inrichting onterecht uitgaat van het idee dat door het strikt hanteren van de vervoersclassificatie risico's zijn uitgesloten.
Een belangrijk leermoment voor de vergunningverlening bij opslag is om in het vervolg niet alleen de maximale hoeveelheid professioneel vuurwerk te limiteren en de importeur van vuurwerk verantwoordelijk te stellen voor juiste classificatie, maar ook om geen gebruik meer te maken van de verscheidenheid in vervoersklassen en die daarvoor niet zijn bedoeld. Als na bijv. twee jaar blijkt dat de problemen met classificatie opgelost zijn, zal het Vuurwerkbesluit kunnen worden aangepast. Voor meer toelichting wordt verwezen naar het ontwerp-Vuurwerkbesluit.
De inzichten naar aanleiding van Culemborg hebben ook mogelijke gevolgen voor de inschatting van risico's voor het vervoer waarvoor VenW verantwoordelijk is. Het is nu duidelijk dat een verkeerde classificatie van een doos vuurwerk gevolgen kan hebben voor de risico's van een hele container vuurwerk. De juiste classificatie neemt dan ook voor het vervoer in betekenis toe. Een aantal nationale maatregelen zal worden doorgevoerd en er is reeds internationaal aandacht gevraagd voor deze problematiek. Voorts is de controle door de RVI inmiddels geïntensiveerd en het streven is te komen tot lijsten waar artikelsgewijs de classificatie van vuurwerk op wordt aangegeven.
Hoe denkt het ministerie van VenW in de toekomst de fout te voorkomen dat geen verband is gelegd tussen de vuurwerkexplosie en de problemen met classificatie van vuurwerk?
Het ministerie van VenW zal indien mogelijk voortaan ook nagaan of er consequenties getrokken moeten worden voor het vervoer en de vervoersregelgeving bij een ongeval binnen een inrichting.
Hierbij kan de Raad voor Transportveiligheid een rol spelen.
Kan het kabinet de Kamer informeren over de wijze waarop hij in VN-verband de classificatie van vuurwerk op de agenda zal zetten?
Een plan van aanpak met betrekking tot transportclassificatie is thans in voorbereiding en zal als voorstel samen met China worden ingediend voor bespreking in de juli vergadering van de VN. Er wordt voorgesteld een VN werkgroep te installeren, die de zaak in detail kan uitwerken. Deze werkgroep is in de tweede helft van dit jaar voorzien. Dat de werkgroep niet eerder kan beginnen heeft te maken met de vergadercyclus van de VN. Definitieve teksten kunnen dan in december 2002 worden opgenomen in de VN-Aanbevelingen. Eerdere wijziging is niet mogelijk omdat wijzigingen aan het eind van een 2-jaarlijkse cyclus (december 2002) worden aangenomen. Hierna duurt het in principe nog twee jaar voordat deze in de internationale verdragen zijn opgenomen. Daarna volgt nationale wetgeving. Kernpunt van de voor te stellen oplossing is het hanteren van een lijst van typen vuurwerk, met daarbij aangegeven de transport classificatie, zoals deze uit testen blijkt (default lijst). Voor handhaving is deze lijst direct toepasbaar.
In beginsel is het mogelijk om samen met Europese landen afspraken te maken met China. Het meest effectief is echter om dit in het kader van alle vervoersgremia voor te stellen, omdat dan ook niet EU landen betrokken zijn.
Op welke termijn is dit plan van aanpak te verwachten? En op welke termijn zal het effect van zo'n plan van aanpak merkbaar zijn? Welke mogelijkheden zijn er om in EU-verband alvast afspraken te maken met China over de classificering? Welke rol kunnen erkende instellingen in ontvangende landen hebben dan wel krijgen als toezicht op de gehanteerde classificatie?
Zie het antwoord op vraag 58 (27 157-20).
Wat is de reden dat bij VROM de totstandkoming van regelgeving met betrekking tot professioneel vuurwerk weinig prioriteit heeft gekregen?
De Commissie constateert in haar rapportage terecht dat VROM zich naar aanleiding van de CPR-notitie nader op de hoogte had moeten stellen van de onderzoeken naar de vuurwerkexplosie in Culemborg, omdat dit ministerie verantwoordelijk was voor regelgeving op grond van de toenmalige Hinderwet en een eigen verantwoordelijkheid had voor het externe veiligheidsbeleid voor inrichtingen, waaronder ook vuurwerkbedrijven.
Vanaf het begin van de jaren negentig lag binnen het ministerie de prioriteit bij de ontwikkeling van het algemene externe veiligheidsbeleid m.b.t. de ontwikkeling van geautomatiseerde risicoanalytische methodieken. De meeste aandacht ging daarbij uit naar de sectoren die het meest risicovol werden geacht, zoals LPG-installaties, opslagen van chemicaliën en pesticiden en Seveso-bedrijven. Vanaf oktober 1992 kwam daar bij de ontwikkeling van het externe veiligheidsbeleid voor luchthavens. Vanwege de inschatting destijds van de risico's van vuurwerkbedrijven vielen deze buiten deze prioriteitsstelling.
Op welke gronden heeft het kabinet besloten het expertisecentrum externe veiligheid en vuurwerk onder te brengen bij het RIVM? Tot welke organisatorische aanpassingen binnen het RIVM leidt dit? Stelt het kabinet ten behoeve van dit expertisecentrum extra middelen ter beschikking en zo ja, hoeveel? Waarom wordt vuurwerk hier apart genoemd en hoort dit expertisecentrum niet dichter bij de brandweer, dus bij BZK?
Het kabinet is van mening dat het RIVM gezien de wetenschappelijke standaard die men hanteert en gezien de onafhankelijke positie bij uitstek de organisatie is om een dergelijk nationaal expertisecentrum onder te brengen. Voorts beschikt het RIVM reeds over een kleine eenheid die zich met externe veiligheid bezig houdt. Uitbouw en positionering van deze eenheid als expertisecentrum is een efficiënte mogelijkheid. Voor expertisecentrum en adviesraad samen wordt een bedrag van structureel 5 miljoen gulden per jaar uitgetrokken.
De minister van BZK beziet of er een voorziening moet komen die de gemeenten helpt bij het integrale veiligheidsplan. Is deze voorziening niet beter aan te haken bij de regionale brandweer?
Zie het antwoord op vraag 67 (27 157-20).
Wie moeten de audits van het veiligheidsbeleid van overheden uitvoeren? Onder wiens verantwoordelijkheid worden deze audits uitgevoerd? Wie betaalt ze?
De gemeentebesturen zijn verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de rampenbestrijding in hun gemeente, het rijk is verantwoordelijk voor het scheppen van voorwaarden daartoe. Dit betekent dat de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de ontwikkeling van een samenhangend stelsel van kwaliteitscriteria voor de rampenbestrijding zal bevorderen. Zoals elders in deze beantwoording is aangegeven, vindt toezicht op diverse niveaus plaats. De audits vormen instrumenten ten behoeve van de uitoefening van het toezicht. Door wie de audits kunnen worden uitgevoerd en onder wiens verantwoordelijkheid is onderwerp van het te voeren overleg met IPO en VNG. Uiteraard mag een audit geen doublure zijn van een inspectie door de Inspectie Brandweerzorg en Rampenbestrijding, noch andersom.
Wie gaat de benchmarking tussen overheden doen? Onder wiens verantwoordelijkheid?
De benchmarking tussen overheden op het gebied van het lokale veiligheidsbeleid kan door de desbetreffende overheden zelf worden georganiseerd. Eventueel kunnen de inspecties daar een ondersteunende rol in spelen. Het kabinet wijst erop dat de Commissie Alders naar aanleiding van de cafébrand te Volendam is gevraagd een voorstel te doen voor een onderzoek naar de wijze waarop gemeentebesturen uitvoering geven aan een vergunningenstelsel met het oog op brandveiligheid en hun beleid terzake, alsmede de bestuurlijke handhaving daarvan. Daarnaast zal de stuurgroep Handhaven op niveau (Commissie Welschen) om advies worden gevraagd over de wijze waarop benchmarking tussen overheden op het gebied van het lokale veiligheidsbeleid op structurele wijze vorm kan krijgen.
Heeft het kabinet het voornemen om, naast de verplichte registratie, het algemene risicobeleid aan te passen? Zo ja, in welke richting? Wanneer kan de Kamer een uitgebreide notitie over (de toekomst van) het risicobeleid van het kabinet verwachten?
Zie het antwoord op vraag 6 (27 157-20).
Welke reikwijdte kennen de inspectieonderzoeken naar «activiteiten van alle betrokken overheden»? Vindt het kabinet dat deze inspectieonderzoeken zich niet alleen moeten richten op vergunningverlening en handhaving, maar ook op de uitvoerbaarheid en de handhaafbaarheid van regelgeving terzake?
De reikwijdte van de inspectieonderzoeken naar activiteiten van alle betrokken overheden is verstrekkend. Ten eerste richt zij zich tot alle aspecten van de veiligheidsketen. Niet alleen de repressie en de voorbereiding daarop, maar ook pro-actie en preventie van brand, rampen en zware ongevallen zijn onderwerp van onderzoek. De inspectie verricht haar onderzoek op de feitelijke situatie op het gebied van de (kwaliteit van de) openbare veiligheid door het verrichten van systematisch onderzoek. Dat kan zij doen ten aanzien van een bepaald aspect, bijvoorbeeld de geoefendheid en het opleidingsniveau van het personeel, maar zij kan ook een aantal bestuursorganen algemeen doorlichten. Daarmee wordt op systematische wijze in kaart gebracht hoe de situatie ten aanzien van de brandweerzorg en de rampenbestrijding in bijvoorbeeld gemeenten er voor staat. Voor zover daarbij aan het licht komt dat de regelgeving moeilijk uitvoerbaar of handhaafbaar is, behoort de inspectie dit te signaleren en daar over aanbevelingen te formuleren.
Hoe zal de voorziening die mogelijk wordt ingesteld ten behoeve van de ondersteuning van gemeenten bij het integrale veiligheidsbeleid worden vorm gegeven? Wordt daarbij gedacht aan een lokale, regionale of centrale voorziening?
De primaire verantwoordelijkheid voor het bevorderen van veiligheid ligt op lokaal niveau, waar lokale partners – veelal onder de regie van de gemeente – het veiligheidsbeleid vormgeven. De gemeente moet in dit verband zorg dragen voor een lokaal integraal veiligheidsbeleid. Het kabinet heeft aangegeven belang te hechten aan het feit dat er op korte termijn in alle gemeenten een lokaal integraal veiligheidsbeleid wordt ontwikkeld. Het accent bij dit beleid ligt op het vaststellen van gemeentelijke veiligheidsplannen met bijdragen van andere partners, het stimuleren van de gemeentelijke regierol, het stimuleren dat gemeenten «veiligheid» integreren in wijk- en buurtbeheer en het ontwikkelen van instrumenten voor het meten van de effecten van het veiligheidsbeleid en het toepassen van deze instrumenten.
Zoals het kabinet in het Integraal Veiligheidsprogramma heeft aangegeven ondersteunt het Rijk de gemeenten bij het ontwikkelen van lokaal integraal veiligheidsbeleid. Bij deze ondersteuning moet onder meer gedacht worden aan het beter organiseren en aanbieden van kennis en expertise op het terrein van de aanpak van veiligheidsvraagstukken. Zo kunnen gemeenten worden geadviseerd bij de ontwikkeling van een veiligheidsplan en bij het realiseren en monitoren van hun veiligheidsbeleid. Ook zouden de «best practices» gecommuniceerd kunnen worden en de samenwerking tussen gemeenten op dit gebied gestimuleerd. Tenslotte is het denkbaar dat bepaalde instrumenten aan de gemeenten ter beschikking worden gesteld. In overleg met de betrokken partijen wordt momenteel bezien op welke manier het beste inhoud kan worden gegeven aan deze ideeën.
Is het kabinet er op dit moment nog niet van overtuigd dat deze voorziening nodig is? Aan welk type voorziening denkt het kabinet? Op welke termijn neemt hij hierover een standpunt in?
Zie het antwoord bij vraag 67 (27 157-20).
Waardoor is een bestuurscultuur van afzien van handhaven ontstaan? Speelt hierbij niet mee dat de rijksoverheid ook na Culemborg onvoldoende het nut van de handhaving heeft gecommuniceerd?
Het kabinet heeft in zijn reactie op het rapport van de Commissie de aanduiding «een bestuurscultuur van afzien van handhaven» voor rekening van de Commissie gelaten. Het rapport van de Commissie bevat verschillende aanknopingspunten voor deze aanduiding.
Met de kabinetsreacties op rapporten van de commissies Korthals Altes en Michiels, met ook een voortdurende aandacht voor de handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid van regelgeving onder meer in de nota «Zicht op wetgeving» en de MDW-operatie heeft het kabinet zich ingezet om handhaving een passende plaats op de bestuurlijke agenda toe te kennen. Meer specifiek op het gebied van de milieurechtshandhaving brengt het kabinet de reactie op het rapport «Handhaven met effect» en de brief van de ministers van VROM, VenW en Justitie van augustus 1997 in herinnering. De wijze waarop in deze brief de beoogde rol voor de provincies bij de milieurechtshandhaving is beschreven, vormt uitdrukking van de wens van het kabinet serieus werk te maken van de handhaving. Daarbij onderkent het kabinet dat het toekennen van een passende plaats aan handhaving op de bestuurlijke agenda tot een forse inspanning noopt.
Is het juist dat het kabinet de oplossing voor de beperkte handhavingscapaciteit ziet in het vereenvoudigen van het vergunningenstelsel en stroomlijning in de uitvoering daarvan? Moet de oplossing niet gezocht worden in de richting van uitbreiding van het aantal gemeentelijke handhavers en vergroting van hun deskundigheid?
Het kabinet realiseert zich dat handhavingscapaciteit per definitie beperkt is. Het kabinet meent dat het zelf een bijdrage dient te leveren aan een verbetering van de handhaving via stroomlijning van regelgeving en vergunningenstelsels. Daarnaast kunnen gemeentebesturen in het kader van het handhavingsbeleid eigen prioriteiten stellen, waarbij de kwaliteit en de kwantiteit van de handhavers aandachtspunten kunnen vormen.
Is het kabinet het eens met de stelling van de Commissie-Oosting dat er momenteel gesproken kan worden van een «bestuurscultuur van afzien van handhaven»? Wordt deze cultuur op het terrein van veiligheid alleen incidenteel aangetroffen of breder? Komt deze cultuur alleen tot uiting in verkeerde prioriteitstelling door overheden of ook op andere wijzen? Is het kabinet van mening dat de laakbare cultuur die het signaleert, ook te maken heeft met de ethiek van ambtenaren? Het rapport van de Commissie toont immers duidelijk aan dat ambtenaren, zowel op het terrein van vergunningverlening als op het terrein van toezicht en handhaving, regels en voorschriften niet serieus namen of niet uitvoerden?
Het kabinet signaleert in het kabinetsstandpunt dat de regelgeving gedurende de twintigste eeuw, qua omvang en complexiteit is toegenomen, maar dat de handhaving van die regelgeving daarmee niet altijd gelijke tred heeft gehouden. Voor zover structurele factoren, bijvoorbeeld onvoldoende afgestemde regelgeving, ten grondslag liggen aan het afzien van handhaven op het terrein van veiligheid is het aannemelijk dat dit niet slechts incidenteel plaatsvindt. Afzien van handhaving kan ook samenhangen met prioriteitsstelling door overheden, waarbij de mogelijkheid bestaat dat o.a. bestuurlijke en ambtelijke ethiek hierin een rol kunnen spelen.
Hoe moeten gemeenten prioriteiten aanbrengen in het handhavingsbeleid? Welke actoren worden betrokken in het maken van risicoschattingen en het op basis daarvan opstellen van prioriteiten in het lokale handhavingsbeleid?
Op basis van risico-analyses dienen gemeentebesturen prioriteiten aan te brengen in het handhavingsbeleid waar het de veiligheid van mensen betreft. Onder meer politie, openbaar ministerie en brandweer, maar ook bijvoorbeeld inspecties kunnen worden betrokken bij het maken van risico-inschattingen en het op basis daarvan opstellen van prioriteiten in het lokale handhavingsbeleid.
Kan het kabinet bevestigen dat op het terrein van veiligheid weliswaar een ramp nooit geheel valt uit te sluiten, maar desniettemin toch ook nooit sprake zal kunnen zijn van expliciet gedogen van de zijde van de overheid? Wat is in dit verband zijn opvatting over de twee benaderingen die de Commissie schetst als het over veiligheid gaat (risicobenadering en effectbeperkingsbenadering, bladzijde 97 Eindrapport)?
Inderdaad is een ramp nooit uit te sluiten. Het veiligheidsbeleid van gemeenten, provincies en het rijk gaat uit van een actief toezicht door de betreffende bestuurslagen. Een onderdeel van dit veiligheidsbeleid kan zijn het gedogen van een tijdelijke situatie of omstandigheid. Terecht noemt de rapportage van de Commissie dat wat met het bedrijf SE Fireworks is gebeurd, geen gedogen. Immers, gedogen berust op een bewuste en expliciete beslissing van tijdelijke aard. Met de initiatieven die na de vuurwerkramp in Enschede bij alle bestuurslagen genomen zijn, is het risicobewustzijn toegenomen. Middels een sterkere rol van de gemeenteraad, zelfaudits van bestuurslagen en een betere risicocommunicatie naar de burger, is de verwachting dat dit grotere risicobewustzijn blijvend zal zijn, waardoor aandacht voor de uitvoering van het veiligheidsbeleid versterkt is.
Ten aanzien van de twee benaderingen over veiligheid kan worden opgemerkt dat deze benaderingen geen tegengestelde benaderingen zijn, maar accentverschillen in de benadering van veiligheidsvraagstukken. Het risicobeleid van de rijksoverheid moet een handvat bieden om het belang van de veiligheid ten gevolge van risicovolle activiteiten (bijvoorbeeld, vervoer per spoor van gevaarlijke stoffen) af te wegen tegen andere belangen zoals economische ontwikkeling. Daarbij zijn beide benaderingen relevant.
Wat is in de praktijk de vertaling van «Op basis van risico-analyse prioriteiten bij handhaving jaarlijks in een concreet handhavingsplan vastleggen»?
In de praktijk dient het gemeentebestuur een handhavingsplan op te stellen. Voor zover het om de veiligheid gaat geeft het bestuur daarin aan waarin de grootste veiligheidsrisico's schuilen. Dikwijls zullen die veiligheidsrisico's samenhangen met gebouwen of bedrijfscomplexen, vaak ook zal het gerelateerd zijn aan het gebruik daarvan, waarbij menselijk gedragingen van invloed zijn op de risico's. Gebaseerd op zo'n risicoanalyse geeft het bestuur in het handhavingsplan ook aan waar de prioriteiten bij de handhaving zullen liggen. Dit handhavingsplan dient uiteindelijk te worden goedgekeurd door de gemeenteraad. Vervolgens dient achteraf aan de gemeenteraad verantwoording te worden afgelegd op basis van een handhavingsverslag.
Kan het kabinet beknopt weergeven wat de conclusies zijn van het onderzoek dat de minister van VROM heeft laten uitvoeren naar de vraag hoe sterk de burger staat die via rechtsbescherming handhaving van het milieurecht wil afdwingen? Welk gevolg heeft het kabinet aan die conclusies gegeven?
De onderzoekers stellen dat noch de huidige regeling noch de regeling in de vierde tranche van de Awb voldoende recht doet aan de belangen van derden die nadeel ondervinden van een overtreding. Het rapport concludeert dat een geheel sluitende oplossing voor de verbetering van de positie van derden niet ìs maar wellicht ook niet kàn worden gevonden. Wel is het mogelijk die positie te verbeteren. Hiertoe worden een invorderingsbeschikking (met betrekking tot verbeurde dwangsommen) en een effectueringsbeschikking (met betrekking tot het daadwerkelijk toepassen van bestuursdwang) voorgesteld.
Het onderzoek als zodanig had betrekking op de handhaving van het milieurecht. Het rapport biedt echter tevens belangrijke aanknopingspunten voor de nadere beschouwing van de positie van de derden-belanghebbende bij de handhaving op andere bestuursrechtelijke terreinen. In dit verband is van belang dat het kabinet in zijn standpunt Handhaven op Niveau (TK 1999–2000, 26 800 VI, nr. 67) aankondigde een standpunt over versterking van de rechtspositie van derden bij sanctiebesluiten te zullen bepalen in het kader van de voorbereiding van het regeringsvoorstel voor een vierde tranche van de Awb.
De burger kan via rechtsbescherming handhaving van het milieurecht afdwingen. Wordt op deze wijze de prioritering bij handhaving op basis van risico-analyse doorbroken?
Het kabinet acht van belang dat normen op het gebied van veiligheid en het milieu worden gehandhaafd. Om die reden heeft de minister van VROM nader onderzoek laten uitvoeren naar de mogelijkheid van burgers handhaving van het milieurecht af te dwingen; zie het antwoord op vraag 75 (27 157-20). Deze mogelijkheid kan bijdragen aan de ontwikkeling van een evenwichtig handhavingsbeleid in de bestuurlijke praktijk.
Welke toezichtsarrangementen op rijksniveau zal de overheid doorlichten en op welke termijn?
In het dit voorjaar te verschijnen kabinetsstandpunt Toezicht zal het kabinet de Tweede Kamer hierover nader informeren.
Verwerkt de stuurgroep onder leiding van dr. Welschen ook de conclusies en aanbevelingen van de Commissie-Oosting en het kabinetsstandpunt daarover in haar handreikingen? Wat wordt bedoeld met «de diverse terreinen»?
Met de diverse terreinen wordt bedoeld de beleidsterreinen die de stuurgroep «Handhaven op niveau» (Commissie Welschen) in haar actieprogramma heeft opgenomen ten behoeve waarvan bij voorrang aan de ontwikkeling van «best practices» wordt gewerkt. De stuurgroep Handhaven op Niveau (Commissie Welschen) zal zeker de aanbevelingen van de Commisie onderzoek vuurwerkramp in haar werkzaamheden een plaats geven.
Waarom wordt eerst in de discussienota over de toekomst van de milieuwetgeving voorgesteld om de mogelijkheden voor de toepassing van ICT in kaart te brengen, gezien het feit dat de Kamer al in 1996 de motie-Klein Molekamp heeft aangenomen? Heeft deze motie het kabinet niet op het idee gebracht om te bezien in hoeverre ICT een hulpmiddel kan zijn bij de (uitvoering van) de milieuwetgeving?
Mede in het licht van de motie Klein Molekamp zal het kabinet bij de discussie over de toekomst van de Wet milieubeheer betrekken in hoeverre ICT een verder hulpmiddel kan zijn bij de uitvoering van de milieuwetgeving.
Welke vereenvoudigingen en stroomlijningen, naast inzet van ICT-toepassingen, stelt de regering voor op het gebied van vergunningverlening voor openbare inrichtingen?
In zijn standpunt in reactie op het MDW-rapport Openbare inichtingen (kamerstukken II, 2000/2001, 24 036, nr. 207) heeft het kabinet de analyse van de MDW-werkgroep onderschreven. Tevens kondigde het kabinet aan de vereenvoudiging van het vergunningsstelsel en stroomlijningen van de uitvoering langs verschillende wegen te willen verwerkelijken. Zo zal het kabinet indien dit mogelijk blijkt de vergunningverlening voor wat betreft de bedrijfsvoering bij één bestuursorgaan concentreren en worden de verschillende definities van de toepasselijke regelgeving zo veel mogelijk geharmoniseerd. Verder zal het kabinet met de VNG nagaan hoe het aantal benodigde vergunningen per inrichting kan worden beperkt. Ook in het MDW-project «servicegerichte overheid» zal een en ander uitdrukkelijk aan de orde worden gesteld. De preventieve afspraken op gemeentelijk niveau met de betrokken sector en geïntegreerde controleacties zullen bijdragen aan stroomlijning van de uitvoering.
Is de taak van het bezigen van professioneel vuurwerk in 1996 ook al werkelijk door VROM overgenomen, of zal dit pas bij het nieuwe Vuurwerkbesluit officieel worden gerealiseerd?
De bevoegdheid ten aanzien van de vergunning voor het bezigen van professioneel vuurwerk is in 1996 op basis van overgangsregels bij de minister van VenW gebleven. In het nieuwe Vuurwerkbesluit wordt deze bevoegdheid toegedeeld aan gedeputeerde staten en, voor zover het buitenlandse bedrijven betreft, de minister van VROM.
Wie zijn de opstellers van het Vuurwerkbesluit? Heeft de verificatie door externe deskundigen plaatsgevonden? Zo ja, door wie? Zo neen, waarom niet? Indien ja, hebben deze externe deskundigen ingestemd met het besluit?
Het ontwerp-Vuurwerkbesluit is voorbereid door het ministerie van VROM, waarbij gebruik is gemaakt van de kennis van specialisten.
In augustus 1999 was een publiekrechtelijke erkenningsregeling met de vuurwerkbranche niet mogelijk omdat er te weinig aangrijpingspunten voor handhaving waren. Kan de regering dit uitleggen?
Bij de interdepartementale toetsing van het in juni 1999 voorliggende concept-eindrapport inzake de erkenningsregeling stonden twee vragen centraal:
Voldoet de erkenningsregeling aan de eisen van uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid?
Bestaat er voldoende vertrouwen en draagvlak bij de departementen om het ontwikkelde ontwerp Vuurwerkbesluit Wms, waarin de erkenningsregeling een publiekrechtelijk grondslag zou krijgen, gereed te maken voor spoedige behandeling in de Ministerraad?
Het interdepartementale overleg leidde tot een eensgezind negatief advies aan de betrokken ministers over de erkenningsregeling. De motivering voor dit ambtelijk advies was:
De opzet van de erkenningsregeling staat een zodanig grote beleidsvrijheid toe aan het bestuur van de erkenningverlenende stichting dat de rijksoverheid een publiekrechtelijke (wettelijke) grondslag en dus de formele verantwoordelijkheid voor een dergelijke erkenningsregeling niet wil en kan verantwoorden.
De mate van concreetheid en de inhoud van de normstelling in de erkenningsregeling zijn onvoldoende om het belang van de bescherming van mens en milieu te waarborgen.
De handhaafbaarheid van de erkenningsregeling wordt onvoldoende geacht.
De toelaatbaarheid van de erkenningsregeling wordt uit het oogpunt van Europese regels op het gebied van de marktwerking als handelsbelemmerend beschouwd.
De voorgestelde opzet van de erkenningsregeling en het daarmee samenhangende concept Vuurwerkbesluit Wms leiden ertoe, dat de erkenningverlenende instantie is aan te merken als zelfstandig bestuursorgaan (ZBO) in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, als gevolg waarvan de rijksoverheid zowel in financieel opzicht als materieel verantwoordelijk wordt voor de erkenningverlening. Een dergelijke constructie werd door de departementen niet opportuun geacht.
De genoemde redenen van beleidsmatige en juridische aard zijn toegelicht in een brief van de minister van VROM aan de Voorzitter van de vaste commissie voor VROM van de Tweede Kamer van 25 mei 2000 (DGM/SVS/20000063381).
Deze redenen zijn in 1999 mondeling en schriftelijk aan de branche medegedeeld waarbij de sector tevens werd geadviseerd de erkenningsregeling zelfstandig als privaatrechtelijke regeling tot stand te brengen en aldus een kwaliteitsverbetering binnen de sector te verwezenlijken. Dat advies heeft de branche verworpen.
Is het juist dat onder invloed van de vuurwerkbranche uiteindelijk is afgezien van een erkenningsregeling?
Nee. De minister van VROM heeft hier van afgezien. Verwezen wordt naar de brief van de minister van VROM aan de Tweede Kamer van 25 mei 2000 (DGM/SVS/20000063381).
Kan, op basis van het feit dat er sinds 1996 sprake is van een overgangsperiode voor de overheveling van de verantwoordelijkheid voor voorschriften voor de verlening van bezigingsvergunningen van het ministerie van Verkeer en Waterstaat naar het ministerie van VROM, worden verondersteld dat, als de vuurwerkramp in Enschede niet had plaatsgevonden, de overdracht van deze taak vermoedelijk nog geruime tijd op zich had laten wachten?
Getuige de brief van de directeur generaal Milieubeheer van VROM van 17 april 2000 was het de bedoeling om binnen een jaar met een nieuw Vuurwerkbesluit te komen (dus in de eerste helft van 2001).
Zou het voor de bevordering van de volledigheid, overzichtelijkheid, duidelijkheid en transparantie van de regelgeving met betrekking tot vuurwerk niet beter zijn om wat betreft de externe veiligheid ook regels voor de tijdelijke opslag in havens en de veiligheidsaspecten van het vervoer van vuurwerk expliciet op te nemen in het nieuwe Vuurwerkbesluit?
Het kabinet heeft er voor gekozen het vervoer van vuurwerk (buiten inrichtingen) buiten de regeling te houden, aangezien hiervoor reeds toereikende internationale voorschriften gelden.
Waarom wordt de bevoegdheid tot het verlenen van een vergunning voor het afsteken van professioneel vuurwerk overgeheveld van het ministerie van Verkeer en Waterstaat naar het college van gedeputeerde staten?
Bij de inwerkingtreding van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen was voorzien dat de regels met betrekking tot het bezigen van professioneel vuurwerk, die tot dan toe waren gesteld krachtens de Wet gevaarlijke stoffen, zouden worden overgebracht naar een wettelijke regeling op grond van de Wet milieugevaarlijke stoffen. In het ontwerp-Vuurwerkbesluit is de bevoegdheid inzake de vergunning voor het afsteken van professioneel vuurwerk toebedeeld aan Gedeputeerde Staten.
De achterliggende gedachte bij de overheveling van de bevoegdheid voor het afsteken van professioneel vuurwerk is dat daardoor de bevoegdheid voor de milieuvergunning en de afsteekvergunning in één hand komen waardoor ook de handhaving effectiever zal kunnen verlopen. De provincie is vanwege haar bekendheid met het bedrijf in kwestie in het kader van de uitvoering van de Wet milieubeheer tevens het aangewezen bestuursorgaan voor de handhaving van de regels inzake het afsteken van professioneel vuurwerk. In de opzet van het Vuurwerkbesluit krijgen provincies een spilfunctie waardoor versnippering van bevoegdheden inzake het treffen van bestuursrechtelijke sancties wordt voorkomen.
Op basis van welke argumenten is het kabinet tot het voorstel gekomen de bevoegdheid tot het verlenen van een vergunning voor het opslaan en/of bewerken van professioneel vuurwerk en voor het opslaan van meer dan 10 000 kg consumentenvuurwerk over te hevelen van het college van burgemeester en wethouders naar het college van gedeputeerde staten?
Heeft het kabinet met het Inter Provinciaal Overleg (IPO) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) gesproken over deze overheveling van bevoegdheden? Zo ja, welke resultaten heeft dit gesprek opgeleverd? Staan het IPO en de VNG positief tegenover deze overheveling?
Welke consequentie heeft dat bijvoorbeeld voor de betrokkenheid van de provinciale overheid bij lokale vuurwerkshows?
De reden voor deze overheveling is gelegen in het feit dat de provincie thans al voor de meer complexe inrichtingen, waaronder de meer ingewikkelde Seveso-inrichtingen, het bevoegd gezag is. De betrokken provincies beschikken om die reden al over de nodige deskundigheid. Het IPO en de VNG zijn betrokken geweest bij de voorbereiding van het Vuurwerkbesluit. De bevoegdheidsoverdracht wordt gesteund door het IPO en de VNG. Het IPO heeft bij brief aangegeven dat de provincies zich voor hun taak berekend achten en dat zij voor de ontwikkeling van deskundigheid, waar deze aanvulling behoeft, rekent op ondersteuning door de rijksoverheid.
Heeft de brandweer op het terrein van advisering bij de vergunning voor opslag en bewerking van professioneel vuurwerk maar ook op het bredere terrein van veiligheid niet reeds vele mogelijkheden die onderbelicht zijn gebleven?
De formele mogelijkheden van de (gemeentelijke) brandweer tot rechtstreekse beïnvloeding van de veiligheid door middel van pro-actie en preventie, onder meer door middel van advisering bij vergunningverlening, komen grotendeels voort uit het door gemeenten zelf vormgegeven veiligheidsbeleid. De exacte invulling van deze mogelijkheden kan dan ook zeer divers zijn.
In de regelgeving voor vergunningverlening voor risicobedrijven is de adviesrol van de regionale brandweer wel formeel verankerd, dit door middel van de verplichte beoordeling van het veiligheidsrapport van bedrijven die vallen onder het Besluit risico's zware ongevallen 1999. Ook in de aangekondigde Amvb Kwaliteitseisen externe veiligheid inrichtingen is voor risicovolle activiteiten een verplichte adviestaak voor de regionale brandweer opgenomen.
Het kabinet zal in overleg met IPO en VNG de samenhang in het gemeentelijk veiligheidsbeleid versterken, o.m. met als doel dat de brandweer een intensievere rol krijgt bij de advisering over besluiten en vergunningen van gemeenten op het terrein van milieuwetgeving, de brandveiligheid en de ruimtelijke ordening. Daartoe wordt door de betrokken bestuurslagen de capaciteit van de regionale brandweer voor pro-actie en preventie uitgebreid en dient ook de specifieke kennis van de brandweer op deze terreinen te worden vergroot.
De commissie-Oosting toont aan (deel A, bladzijde183) dat de Wet milieubeheer nauwelijks materiële normen bevat voor de opslag van gevaarlijke stoffen waaronder vuurwerk. Toch wordt een vergelijkend onderzoek verricht en gerapporteerd waarin de praktijk van milieuvergunningen (verlening/handhaving) van andere gemeenten met die van Enschede wordt vergeleken zonder de «toereikendheid» van deze voorschriften te beoordelen (deelA/p.288). Hoe beoordeelt het kabinet deze onderzoeksmethode en de waarde van de daarmee verkregen resultaten?
Zie het antwoord op vraag 8 (27 157-14D).
De commissie Oosting constateert dat geen gebruiksvergunning is afgegeven terwijl deze nodig is (deelA/bladzijde 87). De gebruiksvergunning geeft de (gemeentelijke) overheid de macht om de «zorg» voor het voorkomen, beperken en bestrijden van brand met (vooral materiele) maatregelen te verantwoorden. Kan het kabinet verklaren waarom de commissie-Oosting de relatie tussen de Brandweerwet, de brandbeveiligingsverordening en (sinds 1992) de bouwverordening niet (expliciet) heeft gebruikt?
Nee, het is het kabinet is niet bekend wat de redenen zijn van de Commissie om de relatie tussen deze wet en verordeningen niet te gebruiken.
Kan het kabinet verklaren waarom in het vergelijkend onderzoek van de commissie en in het vergelijkend onderzoek van de Inspectie Brandweerzorg en Rampenbestrijding (januari 2001) de hiervoor beschreven relatie niet als referentiekader voor onderzoek is gehanteerd?
In het vergelijkend onderzoek van de Inspectie Brandweerzorg en Rampenbestrijding is getracht in beeld te brengen hoe en in welke mate pro-actie en preventie door de brandweer in een aantal gemeenten met een grote vuurwerkopslag plaatsvindt. In dat onderzoek is de gebruiksvergunning op grond van de bouwverordening wel aan de orde geweest.
De brandbeveiligingsverordening is sedert de wijziging van de bouwregelgeving in 1992 niet meer van toepassing op bedrijven waar vuurwerk wordt opgeslagen. Daarvoor in de plaats is hoofdstuk 6 van de bouwverordening gekomen, op grond waarvan bedrijven, waar vuurwerkopslag plaatsvindt verplicht zijn een gebruiksvergunning bij het gemeentebestuur aan te vragen. Een op basis van de oude regelgeving afgegeven gebruiksvergunning blijft in principe onder de nieuwe regelgeving van kracht. De huidige brandbeveiligingsverordening geldt niet voor bouwwerken, zoals vuurwerkopslagbedrijven. Daarom is in het vergelijkend onderzoek geen aandacht besteed aan de brandbeveiligingsverordening en de wet, waarop deze verordening gestoeld is, namelijk de Brandweerwet.
Welke aanvullende feiten en/of andere inzichten, beoordelingen en conclusies kan het kabinet geven als de gerapporteerde feiten worden getoetst aan dit in de wet verankerde referentiekader?
Zie het antwoord op vraag 92 (27 157-20).
Kan het kabinet resultaten overleggen waaruit blijkt dat de minister van BZK volgens de in de Brandweerwet toegewezen taak, heeft getoetst of de splitsing van de «zorg» (gebruiksvergunning voor gebouwen verplaatst van brandbeveiligingsverordening naar bouwverordening, 1992) de kwaliteit van de maatregelen ter voorkoming, beperking en bestrijding van brand niet zou aantasten?
Nee. Er is geen onderzoek verricht naar mogelijke gevolgen van de overheveling van het instrument van de gebruiksvergunning van de brandbeveiligingsverordening naar bouwverordening.
Kan het kabinet toetsingsresultaten overleggen van diezelfde maatregelen die volgens de brandbeveiligingsverordening moeten worden genomen bij inrichtingen?
Nee. De huidige brandbeveiligingsverordening geldt niet voor inrichtingen, zoals vuurwerkopslagplaatsen. Deze verordening is een zgn. leemteverordening, op grond waarvan brandveiligheidsmaatregelen kunnen worden genomen in situaties waarop de Woningwet (Bouwbesluit en Bouwverordening) niet van toepassing is. Hierbij kan gedacht worden aan tijdelijke bouwsels als tentoonstellingstenten.
De Inspectie voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding, contateert bij diverse gemeenten (Onderzoek vuurwerkramp Enschede, januari 2001, bladzijde 15) «dat er voor vuurwerkbedrijven nauwelijks gebruiksvergunningen op grond van de gemeentelijke Bouwverordening door de brandweer worden opgesteld. Hierbij komt naar voren, dat de brandweer de bedrijven niet stimuleert tot het aanvragen van dergelijke vergunningen, omdat de meerwaarde van de gebruiksvergunning niet wordt ingezien bij de aanwezigheid van een (goede) milieuvergunning. Ook wordt opgemerkt dat de prioriteit van de brandweer voor het opstellen veelal ligt bij objecten waar veel personen aanwezig kunnen zijn». Deze mening van ondervraagde brandweermedewerkers geeft aan dat er bij hen een overschatting bestaat van de materiele mogelijkheden van de milieuwet- en regelgeving ten opzichte van de beoordeling door de commissie-Oosting. Hoe beoordeelt het kabinet het geconstateerde«gebruik»; dat wetten en verordeningen op uitvoerend niveau, zonder toestemming/kennisneming van het bevoegd gezag, op onnavolgbare wijze worden geinterpreteerd en van een «prioriteit» worden voorzien?
Het kabinet is van mening dat de keuzes die gemaakt worden ten aanzien van de prioritering nooit alleen op uitvoerend niveau mogen worden genomen. Prioriteitsstelling zal altijd via een door het bestuur vast te stellen programma moeten worden verantwoord en gelegitimeerd.
Hoe kan er sprake zijn van «prioriteit» bij een gemeentelijke brandweer als de brandbeveiligingsverordening al sinds het begin van de zeventiger jaren brandveiligheidseisen aan de gebruiker van gebouw of inrichting stelt?
Het stellen van brandveiligheidseisen ten aanzien van het gebruik van een gebouw of inrichting via een gebruiksvergunning, heeft pas na de overheveling naar de bouwverordening in 1992 meer aandacht gekregen van de brandweer. Door de beperkte capaciteit bij de brandweer voor preventieactiviteiten is in de achterliggende jaren de meeste tijd besteed aan bouwvergunningen en slechts beperkt aan gebruiksvergunningen. Een en ander blijkt ook uit het onderzoek dat in 1994 in opdracht van BZK door het onderzoeksbureau SGBO van de VNG onder gemeenten is uitgevoerd. Dit onderzoek is 27 juni 1994 door SGBO aan alle colleges van Burgemeesters en Wethouders toegezonden. Vandaar dat er sprake is van prioriteitsstelling ten aanzien van gebruiksvergunningen. In het Project Versterking Brandweer is de behoefte aan meer capaciteit voor preventie onderkend en naar aanleiding daarvan wordt gewerkt aan versterking van deze capaciteit. Daarnaast is het kabinet voornemens extra capaciteit beschikbaar te stellen voor de versterking van proactie en preventie. Hiermee kan onder meer de achterstand op het gebied van gebruiksvergunningen worden weggewerkt.
Betekent dit dat er meer dan 25 jaar geen toetsing heeft plaatsgevonden van de toereikendheid en effectiviteit van (brandweer)wet- en regelgeving?
In verband met het opstellen van de Brandweerwet 1985 heeft voor dat jaartal o.a. i.v.m. de opheffing van de BB een zeer uitgebreide integrale toetsing van de bestaande wet- en regelgeving op het bovenbedoelde terrein plaatsgevonden.
Sinds 1985 is de Brandweerwet diverse malen gewijzigd. Zo is de Brandweerwet 1985 onder meer gewijzigd bij Wet van 11 november 1993 in verband met de invoering van het Nederlands bureau brandweerexamens, bij Wet van 10 juli 1995 in verband met de wijziging van de opzet van de inspectie en bij Wet van 6 december 1995 in verband met de instelling van het instituut voor brandweer en rampenbestrijding. De Wet rampen en zware ongevallen is onder meer gewijzigd bij Wet van 25 februari 1999 in verband met de uitvoering van de Seveso-richtlijn (II), bij Wet van 13 maart 1997 in verband met de uitbreiding van de reikwijdte van die wet en bij Wet van 16 september 1993 in verband met informatieverplichtingen. Ook de op genoemde wetten gebaseerde regelgeving is diverse malen gewijzigd. Deze wijzigingen zijn uiteraard het resultaat geweest van toetsing van de toereikendheid en de effectiviteit.
Hoe serieus neemt het kabinet de verbodsbepalingen in de (model) brandbeveiligingsverordening en de bouwverordening?
Het kabinet is van oordeel dat wet- en regelgeving te allen tijde serieus dient te worden genomen. Regels – ook lokale waarvan hier sprake is – zijn er om te worden nageleefd. Het is niet zonder reden dat de verantwoordelijkheid voor handhaving doorgaans berust bij het bestuur dat deel uitmaakt van het orgaan dat de regels vast stelt. Het gegeven dat het hier regels van een gedecentraliseerd bestuursorgaan betreft, vormt onvoldoende reden af te wijken van het uitgangspunt dat tot het treffen van een regeling niet wordt besloten dan nadat is nagegaan of in voldoende mate handhaving te realiseren valt.
Hoe beoordeelt het kabinet de bevindingen van de Inspectie? (De Inspectie komt tot conclusies zonder de Brandweerwet en de brandbeveiligingsverordening als referentiekader, zij zijn daardoor nauwelijks bruikbaar.)
De zorg voor de brandveiligheid is een gemeentelijke verantwoordelijkheid, conform de Brandweerwet van 1985.
Gezien de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor de brandweerzorg en rampenbestrijding zal de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties er bij de VNG op aandringen dat gemeenten zorgdragen voor de ontwikkeling van een samenhangend kwaliteitssysteem met criteria voor de brandweerzorg (kamerstuk 27 157-20, actiepunt 45).
Was deze «Quick Scan» van de Inspectie voldoende representatief voor de rest van ons land? Zo neen, was dit aanleiding voor de minister van BZK om deze bevindingen te toetsen? Zo ja, betekent dit dat de afwezigheid van (materiële) brandveiligheidsmaatregelen bij S.E. Fireworks exemplarisch is voor de vele gebruiksvergunningplichtige bedrijven die het uitvoerend brandweerpersoneel niet heeft «gestimuleerd» of «prioriteit» heeft gegeven?
De Quick Scan is uitsluitend een indicatie om de plaatselijke situatie te kunnen vergelijken met een landelijk beeld van gemeenten met dezelfde problematiek. Onbekend is in hoeverre de afwezigheid van (materiële) brandveiligheidsmaatregelen bij S.E. Fireworks exemplarisch is voor de vele gebruiksvergunningplichtige bedrijven. De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zal in overleg met de VNG en de branche bevorderen dat gemeenten zorgdragen voor een samenhangend kwaliteitssysteem met criteria voor de brandweerzorg (kamerstuk 27 157-20, actiepunt 45).
Het door de Inspectie Milieuhygiëne uitgevoerde «Quick-scan» onderzoek dat op 27 juli 2000 aan de Tweede kamer is aangeboden kan representatief geacht worden voor de situatie bij de grotere vuurwerkopslagbedrijven in Nederland. Onder grotere vuurwerkbedrijven worden bedrijven verstaan die meer dan 10 000 kg vuurwerk in opslag hebben. Het «Quick-scan» onderzoek was niet gericht op kleinere vuurwerkopslagbedrijven waardoor de onderzoeksresultaten niet representatief mogen worden geacht voor de kleine opslagen van consumentenvuurwerk.
Kan het kabinet bevestigen dat het OM de vele overtredingen die blijken te worden begaan door de gebruikers van een gebouw of inrichting waarin brandgevaarlijke of bij brand gevaar opleverende stoffen aanwezig zijn zonder gebruiksvergunning, gelet op het gevaar voor de bevolking, met prioriteit gaat vervolgen?
In de Aanwijzing handhaving milieurecht (1999A026) d.d. 8 juni 1999 van het College van procureurs-generaal zijn milieuvoorschriften die met het oog op de externe veiligheid zijn gesteld met betrekking tot de opslag van gevaarlijke stoffen, en milieuvoorschriften ter voorkoming van calamiteiten als een kernbepaling aangemerkt. Dit betekent dat, ingevolge genoemde Aanwijzing, tegen overtredingen van kernbepalingen in de milieuwetgeving onmiddellijk strafrechtelijk opgetreden dient te worden, tenzij naar het oordeel van de officier van justitie op basis van de onderzoeksbevindingen moet worden aangenomen dat de overtreding niet doelbewust is begaan èn een kennelijk incident betreft èn gering van omvang is.
Deze kernbepalingen zijn het resultaat van overleg in de voorafgaande jaren tussen het bestuur enerzijds en het Openbaar Ministerie en de politie anderzijds en vormen de prioriteitsstelling bij de strafrechtelijke handhaving van de milieuwetgeving. De handhaving van de gebruiksvergunning behoort niet tot eerder genoemde kernbepalingen. De handhaving van de gebruiksvergunningen ligt in de eerste plaats bij het bestuur. Het Openbaar Ministerie kan en zal in aanvulling op de bestuurlijke handhaving optreden wanneer blijkt dat de bestuurlijke inspanningen bij de betrokkene niet het gewenste gevolg hebben.
Blijkt niet uit de Brandweerwet en de verordeningen dat de handhaving van de regels relatief eenvoudig is, onder meer wegens het afschrikkingseffect van de bij de overtreding behorende straf van een jaar hechtenis en een geldboete van derde categorie?
In het verleden is reeds gebleken dat een strafbaarstelling van een gedraging niet vanzelfsprekend met zich brengt dat men zich daarna niet meer schuldig maakt aan dergelijke overtredingen. Het is van belang steeds een passende «mix» te vinden van instrumenten die de kans op een grote mate van naleving verhogen.
Waarom heeft naar de mening van het kabinet de commissie-Oosting geen gebruik gemaakt van het gegeven volgens de modelinstructie waarin staat dat de commandant van de brandweer moet verschijnen voor bij het beoordelen van de bestrijding van de brand? (Tijdens de eerste uren van de bestrijding van de branden in Enschede kwam de commandant van de brandweer, noch zijn plaatsvervanger ter plaatse).
Het is niet bekend waarom de Commissie geen gebruik heeft gemaakt van deze referentie.
Hoe beoordeelt het kabinet de afwezigheid van een «commandant» op het rampterrein?
Gedurende de eerste uren na de fatale explosie is door de brandweer niet adequaat voorzien in multidisciplinaire coördinatie. Dit is niet conform de landelijke richtlijnen en regionale procedures.
Zijn er door de kabinet verklaringen te geven voor de afwezigheid van aanvalsplannen voor onder meer vuurwerkbedrijven?
Het al dan niet beoordelen of er voor een vuurwerkbedrijf in een gemeente wel of niet een aanvalsplan wordt gemaakt is een gemeentelijke verantwoordelijkheid. In meerdere provincies, onder meer in Overijssel, zijn in samenwerking met de regionale brandweren en de gemeenten risicovolle bedrijven geïnventariseerd en geëvalueerd. Op basis van deze rapportages kan het gemeentebestuur besluiten of plannen al dan niet noodzakelijk zijn.
Acht het kabinet de argumenten voor de ontbrekende aanvalsplannen van de brandweer(commandant) in de rapportage van de commissie-Oosting: geen prioriteit en capaciteitsgebrek op de afdeling, 18 jaar na het verschijnen van een Handleiding die zich expliciet richtte op «bedrijven die een duidelijk groter brandrisico hebben dan andere objecten» (blz. 170), op enigerlei wijze overtuigend?
Het betreft een gemeentelijke verantwoordelijkheid om al dan niet plannen op te stellen. Deze verantwoordelijkheid is opgenomen aan de Brandweerwet van 1985. De brandweer van de gemeente Enschede beschikte over ruim 200 zogenoemde bevelvoerderskaarten (eenvoudige aanvalsplannen) van objecten waarin veelal veel personen kunnen verblijven, zoals zorgcentra. Van S.E. Fireworks was nog geen bevelvoerderskaart opgesteld. Daarnaast kan vermeld worden dat S.E. Fireworks geen BRZO plichtig bedrijf was. Voor het opstellen van een rampenbestrijdingsplan bestond geen wettelijke verplichting. De minister van VROM zal het BRZO aanpassen (kamerstuk 27 157-20, actiepunt 12).
Heeft het kabinet toetsingsresultaten waaruit de toestand op dit terrein in de rest van Nederland blijkt, met andere woorden, werd/wordt het effect van ministeriele richtlijnen/instructies getoetst?
In algemene zin kan hierover worden vermeld dat de Inspectie Brandweerzorg en Rampenbestrijding aspectonderzoek kan verrichten op grond van de Brandweerwet artikel 19. Een voorbeeld betreft het inspectieonderzoek aangaande risico's van gevaarlijke stoffen bij brandweeroptreden uit 1999 en de kwaliteit van het brandweerpersoneel uit 1997. Deze aspectenonderzoeken hebben het karakter van een beleidsevaluatie.
Het kabinet zijn geen toetsingsresultaten op dit terrein bekend anders dan de Quickscan uitgevoerd door Inspectie Brandweerzorg en Rampenbestrijding. De branche heeft in 2000 een richtlijn opgesteld voor het opstellen van aanvalsplannen.
Het kabinet stelt op bladzijde 36 dat: «vanwege de voor vergunningverlening en handhaving noodzakelijke professionaliteit en deskundigheid kan dit ook voor andere dan vuurwerkinrichtingen leiden tot voorstellen tot herziening van de huidige bevoegdhedenverdeling». Welke andere inrichtingen staat het kabinet voor ogen? Aan welke wijzigingen in de huidige bevoegdhedenverdeling wordt door het kabinet gedacht?
In de discussienota «Met recht verantwoordelijk» over de toekomst van de Wet milieubeheer, die begin april 2001 aan de voorzitter van de Tweede Kamer is aangeboden, wordt tegen de achtergrond van o.a. de vuurwerkramp in Enschede ingegaan op het aspect noodzakelijke professionaliteit in relatie tot de huidige bevoegdhedenverdeling ten aanzien van vergunningverlening en handhaving met betrekking tot inrichtingen in het kader van de Wet milieubeheer.
Zal de vereiste expertise voor het bevoegd gezag door de overheid centraal extern verworven worden?
Het aantrekken van de benodigde expertise voor vergunningverlening en toezicht blijft een verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag. Zoals reeds aangegeven in het kabinetsstandpunt is tussen het ministerie van VROM en het IPO afgesproken, dat een plan zal worden opgesteld voor de implementatie van het Vuurwerkbesluit. In dit plan zal op de vereiste expertise nader worden ingegaan.
Betekent de effectgerichte benadering dat het kabinet de consequenties van een drastische sanering van het aantal vuurwerkbedrijven wegens veiligheid accepteert?
Ja.
Hoeveel handhavingscapaciteit en deskundigheid is er bij de provincies nodig voor voldoende toezicht en handhaving? Hoe verhoudt dit zich tot de huidige toezicht- en handhavingscapaciteit en deskundigheid bij de gemeenten? Worden er toezichthouders en/of handhavers van gemeenten overgeplaatst naar de provincies? Zo ja, hoeveel? Wordt het totale aantal toezichthouders en handhavers op lokaal en/of provinciaal niveau uitgebreid? Worden er door het kabinet extra middelen uitgetrokken voor uitbreiding van het aantal gemeentelijke en provinciale toezichthouders en handhavers?
Zie het antwoord op vraag 7 (27 157-20).
Als gemeenten niet in staat zijn om voldoende te controleren en handhaven, waarom zullen de provincies dat dan wel zijn?
Gelet op de taken die de provincie heeft ten aanzien van Seveso-bedrijven, d.w.z. bedrijven met substantiële risico's voor mens en milieu, en de uitbreiding van de capaciteit bij provincies die het gevolg is van de implementatie van de Europese richtlijn op dit gebied (Seveso II richtlijn) door middel van het Besluit risico's zware ongevallen 1999, mag er van worden uitgegaan dat provincies in staat zijn deze taak goed te vervullen.
Waarom gaat het kabinet een principiële discussie uit de weg over de vraag of alle typen en klassen vuurwerk tot ons land toegelaten moeten worden of niet? De Commissie stelt op bladzijde 97 van het Eindrapport: «Een standpunt ten aanzien van professioneel vuurwerk roept vragen op van wijdere strekking omtrent de waardering van activiteiten als maatschappelijke kernactiviteiten». Zij spreekt zelfs over «activiteiten die in/voor de samenleving van zodanig gering belang worden geacht dat elke kans op een negatief effect van deze activiteiten, in de vorm van ernstige schade of aantasting van de externe veiligheid op voorhand moet worden uitgesloten» en beveelt in dat verband een effectbeperkingsbenadering voor professioneel vuurwerk aan. Waarom neemt het kabinet hiervan principieel afstand? Wat zijn daarvoor de argumenten?
Met het ontwerp-Vuurwerkbesluit reageert het kabinet ook op de aanbeveling van de Commissie om een uitspraak te doen over de vraag of alle klassen en/of alle typen vuurwerk moeten worden toeglaten tot Nederland en tot gebruik in ons land. Er is gekozen voor de beleidslijn om vuurwerk alleen toe te laten binnen strikte randvoorwaarden. Het ontwerp-Vuurwerkbesluit voorziet ook in een verplichte melding bij het binnen het grondgebied van Nederland brengen van alle categorieën vuurwerk. Een bedrijf mag voorts alleen professioneel vuurwerk opslaan als het aan strikte afstands- en andere eisen voldoet, waarbij wordt uitgegaan van massa-explosiviteit, ongeacht de classificering van het professionele vuurwerk. Er is gekozen voor een effectgerichte benadering waarbij de kans op letsel buiten de aan te houden afstand uiterst gering is.
De classificatie 1.1G geldt ook als de fabrikant of exporteur vuurwerk voor vervoer heeft ingedeeld in een andere klasse. Hoe kan die situatie optreden? Hoe kunnen zulke situaties onderkend worden?
Om een aantal redenen kan de gevaarszetting van vuurwerk worden onderschat:
1: Foutieve classificatie van vuurwerk: (mogelijk per doos, en het gaat om vele dozen per container en ca duizend containers per jaar);
2: Uit de originele verpakking halen van vuurwerk (waardoor eveneens de voor vervoer bedoelde classificatie kan afwijken van het etiket op de doos);
3: Het feit dat een partij vuurwerk bij brand of schok kan reageren als zijnde één partij massa explosief vuurwerk zodra een kleine hoeveelheid al dan niet bekend massa explosief vuurwerk in die partij aanwezig is. Het gevaar bestaat daardoor dat de vergunningverlener van een inrichting onterecht uitgaat van het idee dat door het strikt hanteren van de vervoersclassificatie risico's zijn uitgesloten.
Bij vervoer wordt, overigens om andere praktische redenen, de container met vuurwerk zonder meer beschouwd als van een classificatie die gelijk is aan het zwaarst geclassificeerd vuurwerk in de container.
De opslag vindt plaats conform de vergunning, waar tot nu toe aard en hoeveelheid vuurwerk werd gelimiteerd en gekoppeld aan veiligheidsvoorschriften. In het thans voorgelegde ontwerp-Vuurwerkbesluit wordt voortaan altijd uitgegaan van de veilige veronderstelling dat het bij de opslag van professioneel vuurwerk gaat om vuurwerk van de zwaarste subklasse 1.1. Vanuit de overheid is er op de verschillende plaatsen in de vuurwerkketen het middel van controle.
Er zijn vanuit Nederland zowel binnen de Europa als in de VN (waar de vervoersclassificatie zijn vorm krijgt) reeds initiatieven ondernomen om te komen tot een verbeterd gebruik en harmonisatie van de classificatie.
Kan het kabinet door middel van een berekening aantonen dat de middelen beschikbaar voor de sanering van een aantal vuurwerkbedrijven toereikend zullen zijn?
Voor de berekening van de geschatte voor sanering benodigde middelen wordt verwezen naar de Nota van toelichting van het ontwerp-Vuurwerkbesluit.
Voor hoeveel vuurwerkbedrijven leidt het ontwerp-Vuurwerkbesluit tot sanering?
Verwezen wordt naar de Nota van toelichting van het ontwerp-Vuurwerkbesluit.
Wil het kabinet naast acties in VN-verband tevens bij de EU aandringen op harmonisatie van classificatie, veiligheidsvoorschriften en controle en toeichtsvereisten ten aanzien van gevaarlijke stoffen? Op welke termijn gata het kabinet hiermee aan de slag en wat wordt haar inzet?
Transportverdragen gelden op Pan-Europees niveau. Dit betekent dat ook landen buiten de EU zich conformeren. Op dit moment wordt er actie ondernomen om voorstellen in te dienen bij de diverse vergaderingen van de Pan-Europese verdragen betreffende het vervoer van gevaarlijke stoffen. Voornaamste inzet daarbij is zorg te dragen voor een classificatiesysteem dat leidt tot een verhoging van de effectiviteit van handhaving en uitvoering. Verder wordt er actie ondernomen om de diverse transportinspecties binnen Europa op één lijn te krijgen om te komen tot een éénduidige handhaving. Ook met de beleidsdirecties in andere landen wordt afstemming gezocht om te voorkomen dat vuurwerk via andere buitengrenzen dan Nederland wordt ingevoerd en vervolgens via illegale weg Nederland weer binnenkomt. Vandaar dat VenW hecht aan een zeer goede samenwerking binnen de EU, zowel beleidsmatig als tussen de inspectiediensten.
Wat is de reactie van het kabinet op de aanbeveling van de Commissie (bladzijde 96 Eindrapport) om ook in EU-verband afspraken te maken over classificatie van vuurwerk en toereikende controle aan de buitengrenzen van de Unie?
Zie het antwoord op vraag 118 (27 157-20).
Is de indruk juist dat op het niveau van de VN wel een juiste classificatie bestaat, maar dat er nog geen goede internationale regeling is voor de praktische handhaving en het toezicht op de naleving van die classificatie? Of hoeft er op het niveau van de VN niets meer geregeld te worden en kan men gewoon aan de slag gaan met effectieve controles op naleving, zoals aanbeveling E op bladzijde 96 van het Eindrapport suggereert?
De classificatiecriteria voor het transport zijn vooralsnog voldoende betrouwbaar. De praktische handhaving en het toezicht op de naleving van classificatie is gebaseerd op internationale overeenkomsten. Momenteel wordt gewerkt aan een verhoging van de effectiviteit. Inzet daarbij is in VN verband een systeem door te voeren, dat in de praktijk beter handhaafbaar en uitvoerbaar is. Dit sluit niet uit dat Nederland vooruitlopend op internationale regelgeving voor het binnenlands vervoer maatregelen zal nemen voor een intensivering van controle. Op basis van direct opvraagbare informatie van vuurwerk artikelen en de bijbehorende classificatie (een zogenaamde defaultlijst), die thans in voorbereiding zijn, kan de controle sneller en doelmatiger plaatsvinden.
De Rijksverkeersinspectie zal een bureaucontrole doen op basis waarvan besloten kan worden tot fysieke controle en monstername. Kan het kabinet uitleggen of dit systeem een voldoende garantie is voor veiligheid bij transport?
Jaarlijks worden 800–1000 containers die vuurwerk bevatten aangevoerd met zeeschepen. Door de kapitein dient te worden gemeld welke produkten en met welke classificatie zich in het schip bevinden. Om de controles zo efficiënt en effectief mogelijk te kunnen uitvoeren worden lijsten aangelegd waarop de inspecteurs kunnen zien welke classificatie behoort bij een vuurwerkprodukt. Indien uit de lijsten zou blijken dat er sprake is van een onjuiste classificatie, kan de RVI de importeur verplichten deze onjuiste situatie op te heffen, bijv. door het laten ompakken van het vuurwerk. Deze lijsten worden thans ontwikkeld in samenwerking met TNO. Ze zullen in de beleidsregels voor de controle worden vastgelegd.
Daarnaast ontwikkelt de RVI inmiddels een handhavingsstrategie betreffende vuurwerk. Uitgangspunten bij deze strategie vormen diepgang en frequentie van controles en de samenwerking met andere handhavingsdiensten.
De diepgang en frequentie van de controles richten zich met name op:
– de classificatie van vuurwerk;
– het controleren van vuurwerkcontainers De RVI controleert inmiddels op containerterminals één op de drie vuurwerkcontainers die bestemd zijn voor Nederlandse ontvangers en één op de tien containers met vuurwerk die bestemd zijn voor de doorvoer.
Bij gerede twijfel bij de classificatie van vuurwerk, neemt de RVI hiervan monsters en laat deze monsters vervolgens testen door TNO PML. Bij deze controles zullen ook afspraken worden gemaakt met DCMR waarbij het scannen van containers door de douane een adequaat hulpmiddel kan zijn;
– het bezigen en het transport van professioneel vuurwerk, waarbij 6 à 8 evenementen per maand worden gecontroleerd door de RVI;
– het voortdurend actualiseren van de (gespecialiseerde) kwaliteit van de inspecteurs op het terrein van vuurwerk.
De hiervoor vermelde activiteiten gekoppeld aan de in internationaal verband ontwikkelde initiatieven moeten er toe leiden dat in ieder geval het classificatiesysteem voor vuurwerk op de juiste wijze wordt toegepast, zodanig dat de gegeven classificatie overeenkomt met de daadwerkelijke gevaarzetting en daardoor een veilig vervoer mogelijk is.
Waarom stelt het kabinet alleen maatregelen voor ter verbetering van de kwaliteit van de RVI-controles, maar niet met betrekking tot de frequentie van de controles? Waarom is het verplichte toezicht op laden en lossen vanaf 1992 afgeschaft?
Dit is niet juist. Bij de controles van de RVI wordt aan beide aspecten (kwaliteit en frequentie) aandacht besteed. Zie verder het antwoord op vraag 14 (27 157-18A).
Kan het kabinet een indicatie geven van de wijze waarop het een koppeling wil aanbrengen tussen milieuvoorschriften, bestemmingsplan en bouwvoorschriften?
De les die uit het rapport van de Commissie moet worden getrokken is dat de wetgeving ten aanzien van ruimtelijke ordening, milieu- en bouwvergunningen zodanig moet zijn ingericht en zijn afgestemd dat de met het oog op de gezondheid en veiligheid noodzakelijke afstand tussen milieubelastende bestemmingen (bijvoorbeeld bedrijfsterreinen) en milieugevoelige bestemmingen (bijvoorbeeld woon- en verblijfsgebieden) gerealiseerd kan worden.
Ten aanzien van vuurwerkinrichtingen kan op dit punt worden verwezen naar de reeds voorgepubliceerde en volgens de planning nog dit jaar in werking tredende algemene maatregel van bestuur. Ten aanzien van het vraagstuk van afstemming tussen milieuvergunning en wettelijk vastgelegde ruimtelijke eisen met betrekking tot het afstand houden betreffende risicovolle inrichtingen, kan voorts verwezen worden naar de in het kabinetsstandpunt aangekondigde AMvB Kwaliteitseisen externe veiligheid inrichtingen, waarbij ook eisen gesteld zullen worden ten aanzien van de doorwerking van die kwaliteitseisen in milieuvergunningen en bestemmingsplannen (en daarmee ook ten aanzien van de doorwerking in de verlening van bouwvergunningen).
In het thans in voorbereiding zijnde wetsvoorstel voor de fundamentele herziening van de WRO, dat nog dit jaar in procedure zal worden gebracht, zal meer in het algemeen, daar waar sprake is van risico's voor de leefomgeving, een sluitende afstemming tussen milieukwaliteitseisen en bestemmingsplan tot stand worden gebracht. Beoogd wordt de nieuwe ruimtelijke-ordeningswetgeving zodanig in te richten dat de eisen op het terrein van geluid, bodem, stank en andere lokaal beïnvloedbare luchtkwaliteit, en externe veiligheid, die onder meer met het oog op de gezondheid en veiligheid van mensen een ruimtelijke vertaling behoeven, een plaats kunnen krijgen in het bestemmingsplan.
In de discussienota over de toekomst van de milieuwetgeving wordt in aansluiting hierop voorts voorgesteld om de Wet milieubeheer zodanig aan te passen dat wordt bepaald dat milieubelastende activiteiten in het kader van de vergunningverlening op grond van de Wet milieubeheer mede getoetst kunnen worden op de consequenties daarvan voor de kwaliteit van de ruimtelijke leefomgeving (onder meer toetsing aan het bestemmingsplan). Bij die aanpassing zal ook de aanbeveling van de Commissie inzake de afstemmingsregeling van de milieuvergunning en de bouwvergunning zoals neergelegd in artikel 20.8 van de Wet milieubeheer, worden betrokken. In de discussienota over de toekomst van de milieuwetgeving is aangegeven dat dit een van de voorstellen is waarmee op korte termijn een aanvang zal worden gemaakt. Het precieze tijdstraject vormt onderdeel van de besluitvorming over de voorstellen van de discussienota.
Waarom is het voor een betere coördinatie van toezichthoudende taken op het terrein van vergunningverlening op rijksniveau niet gewenst om de inspectieverantwoordelijkheden voor alle aspecten van veiligheid bij het rijk onder één dak te brengen? Heeft de eindverantwoordelijkheid van één ministerie voor alle aspecten van veiligheid niet tot voordeel dat voorschriften, regels en verantwoordelijkheden met betrekking tot veiligheid beter op elkaar afgestemd kunnen worden en dat hiermee wordt voorkomen dat er door de ministeries en inspecties langs elkaar heen wordt gewerkt?
Veiligheid kent zeer veel aspecten. Brandveiligheid, veiligheid van werken met gevaarlijke stoffen, stralingsveiligheid, explosieveiligheid, veiligheid met betrekking tot bouwconstructies, veiligheid van de voedselketen, veiligheid voor werknemers, voor omwonenden en voor milieu. Deze zaken liggen op het beleidsterrein van bijna alle ministeries. Een goede afstemming is daarbij onontbeerlijk en één van de lessen van de vuurwerkramp is dan ook dat ministeries en hun inspecties beter moeten samenwerken en afstemmen.
Het kabinet zegt dat afstemming tussen bouw- en milieuvergunningen en bestemmingsplannen meegenomen zal worden in een fundamentele herziening van milieu- en ruimtelijke regelgeving. Welk tijdschema hoort hierbij? Welke lessen trekt het kabinet op het punt van afstemming uit de ramp in Enschede en hoe worden die betrokken in het herzieningsproject?
Zie het antwoord op vraag 123 (27 157-20).
Welke overwegingen liggen ten grondslag aan de opmerking dat zal worden nagegaan of de wettelijk voorgeschreven taak van het bevoegd gezag om milieuvergunningen voor advies aan de Inspectie Milieuhygiëne voor te leggen, in stand moet blijven?
In de huidige situatie heeft de Inspectie Milieuhygiëne een wettelijke adviesrol in het kader van de Wet milieubeheer. Dit betekent dat het bevoegd gezag de Inspectie in de gelegenheid moet stellen om te adviseren over een aanvraag voor een vergunning Wet milieubeheer.
De overweging dat zal worden nagegaan of de wettelijke adviesrol van de IMH in stand moet blijven, moet gezien worden in het licht van de vraag in hoeverre een adviserende taak het onafhankelijk functioneren als (tweedelijns) toezichthouder beïnvloedt.
Waaruit bestaat het verschil tussen de taak van het bureau AMV met betrekking tot advisering en toezicht in het kader van milieuvergunningverlening door gemeenten en de algemene adviesrol van de Inspectie Milieuhygiëne bij vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer?
De DMKL is in het Inrichtingen- en vergunningenbesluit Milieubeheer aangewezen als adviseur van het bevoegd gezag ten aanzien van de gevolgen voor de externe veiligheid die een (vuurwerk) inrichting kan veroorzaken.
Bureau AMV is op basis van het Besluit aanwijzing toezichthoudende ambtenaren milieuwetgeving door VROM mede belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de Wet milieubeheer bepaalde ten aanzien van inrichtingen waaronder die voor de opslag van vuurwerk.
Het tweedelijnstoezicht van de Inspectie Milieuhygiëne van VROM richt zich primair op het handelen van overheden. In dit kader wordt jaarlijks vastgesteld welke categorieën van bedrijven worden gecontroleerd. Tot mei 2000 ging het om gevaarlijke bedrijven met risico's voor veiligheid en gezondheid, zoals Seveso-inrichtingen, echter niet om vuurwerkbedrijven. Zie ook het antwoord op vraag 17 (27 157-14).
Waarom moet de wetgeving voor invoering van een registratieplicht voor risicosituaties met betrekking tot gevaarlijke stoffen zo lang op zich laten wachten (begin 2003)?
De termijn voor het van kracht laten worden van de regelgeving wordt niet bepaald door de regeling zelf, maar door het voor de regeling noodzakelijke uitvoerings-instrumentarium. Dat instrumentarium bestaat uit een aantal onderdelen. Enerzijds is van belang de informatie- en communicatietechniek die nodig is om alle gegevens permanent actueel te houden in een register, zonder dat daarvoor een kostbare administratieve overhead behoeft te worden ingezet. Tot de techniek hoort tevens het instrument om op afstand (via Internet) gebiedsgebonden overzichten van risicosituaties te krijgen. Naast deze IC techniek is het nodig om een nul-inventarisatie uit te voeren van alle risicosituaties en deze in het register op te nemen. Op dit moment is nog geen compleet overzicht van risicovolle bedrijven beschikbaar.
Deze overzichten moeten (deels) nog aangevuld worden met risico-informatie van de bedrijven zelf (welke stoffen zijn daar, hoeveel, hoe liggen de risico-contouren, etc.) Ook voor risicovolle transportroutes zal nog moeten worden nagegaan hoe de risico-informatie kan worden gecompleteerd.
Deze gegevens dienen aan het register te worden toegevoegd, waarna het register operationeel kan worden gemaakt en getoetst op betrouwbare werking.
Voor dit alles is een termijn van 18 maanden gepland vanaf medio 2001, als is vastgesteld welke organisatie als beheersorgaan voor het register zal optreden. Dat houdt in dat realisering van het uitvoeringsinstrument per eind 2002 wordt voorzien. Direct daarna zal de regeling in werking treden, d.w.z. begin 2003. Voor de informatievoorziening ten behoeve van de hulpverleningsdiensten wordt verwezen naar het antwoord op vraag 175 (27 157-20).
Hoe verhoudt zich het uitgangspunt dat eerst het risico bij de bron zoveel mogelijk wordt gereduceerd tot recente maatregelen van het kabinet, bijvoorbeeld rondom de chloortransporten en de afstandseis van 20 meter voor verkooppunten van consumentenvuurwerk? Hoe beoordeelt het kabinet de mening van de VNG dat bouwkundige en technische eisen voor dergelijke verkooppunten toereikend zijn?
Zie het antwoord op vraag 6 (27 157-20).
Waarop baseert het kabinet de uitspraak dat ten aanzien van veiligheid de bestaande verantwoordelijkheidsverdeling tussen ministeries helder is en dat er ten aanzien van de verantwoordelijkheidsverdeling geen sprake is van lacunes? Heeft de commissie-Oosting juist niet aangetoond dat dit niet helder is en er wel lacunes zijn?
De Commissie heeft naar de mening van het kabinet geconstateerd dat de rijksoverheid op het gebied van vuurwerkregelgeving is tekortgeschoten. Het kabinet onderschrijft de conclusies van de Commissie op dit punt. Met het ontwerp-Vuurwerkbesluit worden deze lacunes naar de mening van het kabinet opgelost.
In het kabinetsstandpunt Vuurwerkramp is voorts uiteengezet hoe de verdeling van verantwoordelijkheden is t.a.v. het externe veiligheidsbeleid m.b.t. gevaarlijke stoffen.
Het kabinet is van oordeel dat daarin thans geen lacunes zijn. Het heeft destijds ontbroken aan een goede coördinatie en afstemming. Om die reden heeft het kabinet besloten om de minister van VROM de verantwoordelijkheid toe te kennen voor de coördinatie van het totale externe veiligheidsbeleid ten aanzien van gevaarlijke stoffen.
De basis voor het veiligheidsbeleid is het generieke externe veiligheidsbeleid uit de nota Omgaan met risico's (1989), en op onderdelen een effectbenadering. Is het kabinet voornemens de effectbenadering verder uit te bouwen dan wel te besluiten het algemene risicobeleid te herzien? Op welke termijn verwacht het kabinet hierover een beslissing te nemen?
Zie het antwoord op vraag 6 (27 157-20).
Welk ministerie wordt het aanspreekpunt voor de Technische Adviesraad voor Gevaarlijke stoffen?
Het ministerie van VROM wordt aanspreekpunt.
Waarom blijft de coördinatie van het extern veiligheidsbeleid niet bij het ministerie van BZK en de uitvoering bij VROM? De brandweer valt immers met al zijn taken onder BZK en dient voor de transparantie een eindverantwoordelijke te zijn?
De minister van VROM is verantwoordelijk voor het externe veiligheidsbeleid t.a.v. inrichtingen; de minister van VenW is verantwoordelijk voor het externe veiligheidsbeleid t.a.v. transport van gevaarlijke stoffen. De minister van BZK is systeemverantwoordelijk voor de brandweerzorg en voor de rampenbestrijding. Het kabinet heeft besloten om de verantwoordelijkheid voor de coördinatie van het totale externe veiligheidsbeleid te aanzien van gevaarlijke stoffen toe te kennen aan de minister van VROM. De minister van VROM zal nog dit jaar een voorstel indienen bij het kabinet m.b.t. de nadere uitwerking van zijn coördinerende rol.
Het kabinet zal de coördinerende rol van de inspectie brandweerzorg en rampenbestrijding uitbreiden. Is dit in overeenstemming met het leggen van een coördinerende rol bij VROM?
De coördinerende rol van VROM heeft betrekking op de coördinatie met betrekking tot het externe veiligheidsbeleid ten aanzien van gevaarlijke stoffen. De coördinerende rol van de Inspectie Brandweerzorg en Rampenbestrijding betreft de coördinatie van het onderzoek naar de rampenbestrijding. Het gaat hierbij zowel om onderzoek naar de voorbereiding op de rampenbestrijding als om incidentonderzoek.
De geschiedenis heeft geleerd dat veel technische rapporten of adviezen van onafhankelijke instellingen het politiek niveau moeilijk bereiken of als niet relevant terzijde worden gelegd (bijvoorbeeld het TNO-rapport over Culemborg). Moet dit ook voor de adviezen van de voorgestelde onafhankelijke technische adviesraad voor gevaarlijke stoffen worden gevreesd? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het kabinet kiest met het oprichten van de Technische Adviesraad voor Gevaarlijke Stoffen voor een onafhankelijk adviesorgaan dat zowel gevraagd als ongevraagd zal adviseren. De Raad zal beschikken over een eigen secretariaat, een structureel budget en de adviezen zullen openbaar zijn. Daarnaast wordt door de betrokken departementen onder leiding van het ministerie van VROM een begeleidend overleg gestart t.b.v. het voorbereiden van adviesaanvragen en het voorbereiden van standpunten t.a.v. de gegeven adviezen. Hiermee wordt naar de mening van het kabinet gewaarborgd dat adviezen voldoende worden gebruikt.
De commissie-Oosting bepleit dat het expertisecentrum tevens optreedt als wettelijk adviseur bij de vergunningverlening. Waarom neemt het kabinet die aanbeveling niet over, temeer daar de positie van anderen waaronder TNO thans de constante voeding van de decentrale overheden in de weg staat?
Het kabinet is van mening dat elk bevoegd gezag zelf primair verantwoordelijk is voor het voorhanden hebben en aanwenden van de voor zijn taken benodigde expertise. Zeker als het gaat om zeer specifieke kennis, zoals bij vuurwerk, zou de situatie kunnen ontstaan dat het bevoegde gezag niet zelf de voor zijn taken benodigde kennis ontwikkelt, maar blind vaart op de adviezen van de wettelijk adviseur. Om de eigen verantwoordelijkheid van bevoegde gezagen te benadrukken, heeft het kabinet besloten het expertisecentrum geen wettelijke adviestaak te geven. Dit is een les die is geleerd uit het rapport van de Commissie. Het expertisecentrum kan uiteraard wel een belangrijk servicecentrum zijn voor de bevoegde gezagen en toezichthouders in eerste en tweede lijn.
Zijn de ministers verplicht om de onafhankelijke adviezen van de Technische Adviesraad voor Gevaarlijke Stoffen op te volgen? Hoe kan het kabinet garanderen dat de instelling van de Technische Adviesraad voor Gevaarlijke Stoffen bijdraagt aan een verbetering van de maatregelen ter voorkoming van ongevallen en rampen en ter beperking van de gevolgen van die ongevallen en rampen?
Het gaat om openbare adviezen van de Adviesraad aan de ministers. De ministers zijn niet verplicht deze te volgen. Elk advies dient op zijn merites te worden bezien. De ministers zijn uiteraard verantwoordelijk voor de toets van het advies op maatschappelijke en politieke aspecten, alsmede voor de besluitvorming – naar aanleiding van zo'n toets – over het niet, gedeeltelijk of geheel (of bijvoorbeeld gefaseerd) opvolgen van het advies. Uitgangspunt is dat voor zover adviezen worden gevolgd zij tevens worden geëcht in regelgeving, waarop ook wordt gehandhaafd. De transparantie in advisering maakt dat het werk van de Raad beter toetsbaar zal zijn in verhouding tot de huidige CPR en dat ook een slagvaardiger vertaling naar het beleid kan plaatsvinden.
Waarom krijgt het voorgestelde expertisecentrum externe veiligheid en vuurwerk geen wettelijke adviesrol? De voorgestelde optioneel serviceverlenende taak aan het bevoegd gezag wat betreft de vergunningverlening over vuurwerk verhoudt zich toch geenszins met het doel van het expertisecentrum? En hoe kan dan veilig worden gesteld dat betrokken overheden goed worden geadviseerd?
Zie het antwoord op vraag 136 (27 157-20).
Wat worden precies de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van het nieuwe Experticecentrum? Wat is de verhouding met de Technische Adviesraad voor Gevaarlijke stoffen?
Het expertisecentrum wordt belast met kennisontwikkeling op het gebied van externe veiligheid, inclusief vuurwerk. Het expertisecentrum zal ook worden ingezet voor voorbereiding en ondersteuning van de Nederlandse inbreng in de internationale beleidsvorming. Daarnaast zal het expertisecentrum desgevraagd zijn diensten verlenen aan bevoegde gezagen inzake vergunningverlening en het eerste en tweedelijns toezicht.
Het onderzoeksprogramma van het expertisecentrum wordt opgenomen in de meerjarenactiviteitenprogramma's van het RIVM, die goedkeuring behoeven van de betrokken ministers.
De Technische Adviesraad voor Gevaarlijks Stoffen is onafhankelijk en zal gevraagd en ongevraagd adviseren over technische en technisch-organisatorische maatregelen ter voorkoming van ongevallen en rampen veroorzaakt door het gebruik, de opslag, de productie en het vervoer van gevaarlijke stoffen. richtlijnen en risicomodellen. De adviesraad zal worden gemodelleerd naar het model van de Gezondheidsraad; de leden zullen afkomstig zijn uit de wetenschap en uit voor het werkterrein relevante maatschappelijke organisaties. Er wordt geen organisatorische band voorzien met het expertisecentrum bij het RIVM. Wel zou de adviesraad gebruik kunnen maken van de wetenschappelijke diensten van het expertisecentrum.
Waarom moet het expertisecentrum zich beperken tot enkel vuurwerk en niet andere gevaarlijke stoffen?
Het expertisecentrum zal zich bezig houden met externe veiligheid m.b.t. het omgaan met gevaarlijke stoffen, waaronder vuurwerk.
Wat vindt het kabinet van het idee om het expertisecentrum onder te brengen bij de nog op te richten Onafhankelijke Onderzoeksraad of de Technische Adviesraad voor Gevaarlijke Stoffen?
Het kabinet ziet het expertisecentrum als het nationale kenniscentrum bij uitstek op het gebied van externe veiligheid en vuurwerk. De nadruk ligt daarbij op dienstverlening aan de bevoegde gezagen en aan toezichthouders. Het kabinet heeft om deze en voornoemde andere redenen gekozen voor het RIVM als basis voor het expertisecentrum. Bij de Technische Adviesraad voor Gevaarlijke Stoffen ligt het accent op gevraagde en ongevraagde (openbare) advisering over het treffen van technische en technisch-organisatorische maatregelen in de sfeer van preventie. Hierbij gaat het niet om zuiver wetenschappelijke adviezen, maar komen ook consequenties voor de «gebruikers» van de adviezen in de praktijk aan de orde. Om die reden zal de adviesraad mede bestaan uit leden die afkomstig zijn uit betrokken maatschappelijke organisaties (b.v. andere overheden, brandweerorganisatie, gezondheidszorg).
De primaire taak van de Onafhankelijke Onderzoeksraad is het onderzoeken van rampen teneinde daaruit lering te trekken. De raad kan niet als kenniscentrum voor derden fungeren in verband met haar neutrale positie. Bij de voorbereiding van de Technische adviesraad zal bezien worden of onderbrenging van een expertisecentrum gewenst is.
De brandweer heeft een wettelijke taak op het gebied van voorkomen van branden en rampen. Daar hoort dus de meeste deskundigheid van de overheid op dit terrein te zitten. Waarom wordt dan zo'n landelijk expertisecentrum aangehaakt bij VROM en niet bij BZK?
Het kabinet heeft besloten een expertisecentrum voor externe veiligheid en vuurwerk op te richten en dat onder te brengen bij het RIVM. Vanwege de uitgebreide expertise die op met name het terrein van externe veiligheid reeds bij het RIVM aanwezig is, ligt het voor de hand om het expertisecentrum daar onder te brengen. Het expertisecentrum zal geen wettelijke adviesrol krijgen. Het zal niet rechtsstreeks onder de verantwoordelijkheid van de minister van VROM vallen (Kabinetsstandpunt VWR, TK 2000–2001, 27 157-20, hoofdstuk 3).
Het RIVM zal vanzelfsprekend wat betreft kennis op het gebied van brandweerzorg en rampenbestrijding gebruik (kunnen) maken van de expertise van het Nederlands instituut voor brandweer en rampenbestrijding (Nibra) en van de landelijk op pro-actie, preventie en preparatie gerichte faciliteit waar actuele kennis over en ervaring met de diverse aspecten van fysieke veiligheid en de rampenbestrijding wordt gebundeld (Kabinetsstandpunt, TK 2000–2001, 27 157-20, hoofdstuk 4).
Waarom leidt een wettelijke adviesrol van een nationaal expertisecentrum externe veiligheid en vuurwerk tot onduidelijkheid over de verdeling van verantwoordelijkheden?
Zie het antwoord op vraag 136 (27 157-20).
Schuilt in het voorstel om de provincies zelf verantwoordelijk te stellen voor het voorhanden hebben en aanwenden van de voor vergunningverlening en toezicht benodigde expertise niet het risico dat dit onvoldoende gebeurt, waardoor een vergelijkbare situatie als bij de vergunningverlening door de gemeente Enschede zou kunnen ontstaan?
Nee. Het kabinet benadrukt dat elk bevoegd gezag zelf primair verantwoordelijk is voor het voorhanden hebben en aanwenden van de voor zijn taken benodigde expertise. De reden voor deze overheveling is gelegen in het feit dat de provincie thans al voor de meer complexe inrichtingen, waaronder de meer ingewikkelde Seveso-inrichtingen, het bevoegd gezag is. De betrokken provincies beschikken om die reden al over de nodige deskundigheid.
Hoe verhoudt zich het werk van het op te richten expertisecentrum externe veiligheid en vuurwerk bij het RIVM tot dat van de op te richten Technische Adviesraad voor gevaarlijke stoffen?
Zie het antwoord op vraag 141 (27 157-20).
Hoe oordeelt de regering over het functioneren van RTV-Oost als rampenzender en vallen uit dit functioneren lessen te trekken?
Het beleid van het kabinet is erop gericht om gemeenten te adviseren om gebruik te maken van een regionale zender als rampenzender.
Uit de conclusies van de Commissie is op te maken dat het maken van afspraken met een regionale zender als rampenzender nut heeft.
Het is gemeenten aan te bevelen om een regionale zender die dienst doet als rampenzender een voorkeursbehandeling te geven ten opzichte van andere media, met de bijbehorende faciliteiten.
Was het in het licht van het rapport-Oosting alsmede de discussie over de rol van de brandweer bij de bestrijding van de brand op het terrein van SE Fireworks niet beter geweest als er bij de rijksoverheid meer en eerder prioriteit was gegeven aan de uitvoering van het Project Versterking Brandweer?
Het Project Versterking Brandweer (PVB) was een gezamenlijk initiatief van Rijk en gemeenten. Dit project was vooral gericht op een bestuurlijke, organisatorische en operationele versterking van de regionale brandweer in het kader van de rampenbestrijding en niet op het verbeteren van het functioneren van de brandweerorganisaties in de gemeenten.
Hoewel uitgangspunt van het PVB was dat de versterking van de rampenbestrijdingstaken van de brandweer staat of valt met adequaat toegeruste gemeentelijke brandweren, is het realiseren van de noodzakelijke kwaliteitsverbetering van de gemeentelijke brandweren voornamelijk als een verantwoordelijkheid van gemeenten beschouwd.
Derhalve moet betwijfeld worden of het meer en eerder prioriteren van het PVB door het Rijk rechtstreeks zou hebben bijgedragen tot een beter functioneren van de brandweer bij het bestrijden van de brand op het terrein van SE Fireworks.
Hoe zullen de aanloopkosten voor de congruente gebiedsindeling worden gefinancierd?
Het proces om te komen tot een territoriaal congruente gebiedsindeling kent zowel kosten als baten voor de betrokken regio's. Eén van de positieve elementen wordt gevormd door het te behalen schaalvoordeel. De negatieve financiële gevolgen kunnen worden onderverdeeld in enerzijds tijdelijke proceskosten zoals het inhuren van onderzoeksbureaus en anderzijds zogenaamde «frictiekosten» die optreden bij de fusietrajecten. Het kabinet heeft vorig jaar een bijdrage geleverd in het kader van de door sommige regio's gemaakte proceskosten. Van frictiekosten wordt gesproken bij onder andere in- en uittredingskosten, kosten i.v.m. aanpassing technische infrastructuur (verbindingen / meldkamers) en operationele kosten (organisatie). Het kabinet is bereid een bijdrage te leveren als regio's worden geconfronteerd met onevenredige frictiekosten. Er zal met de provinciale en regionale besturen in overleg worden getreden om een inventarisatie te maken van de te verwachten kosten alsmede de mogelijke bijdrage van het kabinet.
Waarom wordt pas nu de aanbeveling uit het rapport inzake de Vliegramp Bijlmermeer om de Commissaris der Koningin een toetsende rol te geven in het oefenbeleid, gestalte gegeven?
De aanbeveling om de commissaris van de Koningin een toetsende rol te geven in het oefenbeleid is reeds opgenomen in de Beleidsnota rampenbestrijding 2000–2004. Momenteel wordt dit beleidsvoornemen uitgewerkt in een projectplan. Vooruitlopend daarop is reeds een aantal malen door de commissarissen van de Koningin gerapporteerd met betrekking tot het oefenen in het kader van de Seveso-bedrijven, de vliegvelden en het Nationaal Plan voor de Kernongevallenbestrijding.
Hoe verhoudt de voorgenomen rol van de Inspectie Brandweerzorg en Rampenbestrijding bij de periodieke doorlichting van de kwaliteit van de voorbereiding op de rampenbestrijding zich tot de (voorgenomen) bevoegdheden van de Commissaris der Koningin op dit terrein?
De rol van de commissaris van de Koningin bij de voorbereiding van de rampenbestrijding is een andere dan die van de IBR. De commissaris van de Koningin heeft een bemiddelende, arbitrerende en controlerende en rol en kan interveniëren, indien hij dat nodig acht. Zo zal hij het regionale bestuur straks onder andere kunnen uitnodigen het beheersplan met betrekking tot de voorbereiding van de organisatie van de rampenbestrijding binnen de regio te wijzigen. Hij houdt daarmee toezicht op de wijze waarop de regio's de voorbereiding van de rampenbestrijding ter hand nemen en op de afstemming daarvan tussen de onderscheiden regio's binnen zijn provincie.
De inspectie heeft een signalerende rol en vervult deze rol ten behoeve van de invulling van de verantwoordelijkheid van de minister van BZK voor de algemene brandweerzorg en rampenbestrijding.
De bevindingen van de inspectie kunnen voor de minister van BZK aanleiding zijn om bestuurlijk overleg te voeren met de desbetreffende gemeente en de betrokken provincie. Verwacht mag worden dat de aanbevelingen uit een periodieke doorlichting in onderling overleg worden opgevolgd. De commissaris van de Koningin kan deze bevindingen ook betrekken bij de uitoefening van zijn bevoegdheden De intensivering van de taak van de IBR bestaat eruit dat, meer dan dat tot nog toe is gebeurd, de inspectie volgt hoe de betrokken instanties de aanbevelingen in hun organisaties hebben geïmplementeerd.
Zo is de minister van BZK voornemens om een onderzoek te laten verrichten naar de wijze waarop de aanbevelingen van de IBR in de afgelopen jaren hun beslag hebben gekregen in de brandweerzorg en de rampenbestrijding. Het kabinet ziet niet in hoe, gelet op bovenbeschreven gang van zaken voortvloeiend uit de onderscheiden verantwoordelijkheden van gemeente, provincie en rijk, de IBR met de voorgenomen intensivering van haar taak het risico loopt om haar eigen werk te controleren.
Via de unaniem aangenomen motie-Wagenaar heeft de Kamer het kabinet gevraagd 145 miljoen aan de gemeenten beschikbaar te stellen in het kader van het Project Versterking Brandweer en GHOR omdat de gemeenten hun aandeel in deze reeds geleverd hadden. Wordt die motie nu volledig uitgevoerd?
In de motie Wagenaar vraagt de Tweede Kamer het kabinet om «in overleg met andere betrokken overheden mogelijkheden te scheppen om de nog ontbrekende financiële middelen beschikbaar te krijgen». De voor de versterking van de rampenbestrijding benodigde 145 miljoen was opgebouwd uit 50 miljoen versterking regionale brandweer, 35 miljoen versterking GHOR en 60 miljoen versterking gemeentelijke brandweerzorg. Het is niet zo dat het gehele bedrag van 145 miljoen aan het kabinet is gevraagd als een rijksbijdrage.
Het kabinet heeft in de miljoenennota 2000 voorzien in de structurele financiering van de versterking van de regionale brandweer en van de GHOR, met een bedrag van 85 miljoen. In de miljoenennota 2001 is het budget structureel verhoogd met 5 miljoen en ook incidenteel zijn in deze kabinetsperiode financiële impulsen gegeven.
Uit eerder verricht onderzoek blijkt dat de stijging van uitgaven voor brandweerzorg en rampenbestrijding door gemeenten de 60 miljoen inmiddels overstijgt. Bij gemeentelijke autonomie hoort ook een financiële verantwoordelijkheid die de gemeenten moeten waarmaken.
De facto is er een structurele stijging van 145 miljoen door de betrokken partijen gerealiseerd en daarmee is beantwoord aan de strekking van de motie Wagenaar.
Het kabinet zal dit jaar 21 million (oplopend tot 61 miljoen in 2004) extra ter beschikking stellen voor de versterking van de rampenbestrijding in ruime zin om uitvoering te geven aan de voornemens genoemd in het kabinetsstandpunt over de vuurwerkramp.
Tenslotte zal de tussentijdse evaluatie, zoals aangekondigd in de Beleidsnota rampenbestrijding 2000-2004, nader antwoord moeten geven op de vraag in hoeverre de huidige inspanning van rijk en gemeenten afdoende is om een adequate organisatie van de rampenbestrijding te realiseren en in stand te houden. Hierbij worden de extra beschikbaar gestelde middelen mede in ogenschouw genomen. De uitkomsten van de evaluatie kunnen mede de basis vormen voor toekomstig beleid.
Taak van het Landelijk Beraad Rampenbestrijding is kwaliteitsnormen voor rampenbestrijding te ontwikkelen. Hebben de regio's de «mogelijkheid» om deze normen toe te passen, of zijn zij hiertoe gehouden?
Het Landelijk Beraad Rampenbestrijding zal een samenhangend stelsel van kwaliteitsnormen in de vorm van referentiekaders (doen) actualiseren en opstellen. Voor de brandweer en de politie bestaan reeds referentiekaders t.b.v. de crisis- en rampenbestrijdingsorganisatie; deze zullen worden geactualiseerd. Ten behoeve van de GHOR zullen dit jaar referentiekaders worden ontwikkeld. De referentiekaders geven de lokale autoriteiten de mogelijkheid om het gewenste zorgniveau vast te stellen.
Heeft het kabinet aanwijzingen dat er in de verdeling van rijksmiddelen over de hulpverleningsregio's meer differentiatie nodig is?
De verdeling van rijksmiddelen is grotendeels gebaseerd op objectieve verdeelmaatstaven zoals die ook voor de verdeling van de middelen van het gemeentefonds gelden. Met name structuurkenmerken spelen een rol bij de bepaling van de hoogte van het toe te kennen bedrag per regio zoals aantal woningen, aantal inwoners, aantal kernen, adressendichtheid, etc. De tussentijdse evaluatie als bedoeld in de Beleidsnota rampenbestrijding 2000–2004 heeft mede ten doel om te bezien of de verdeelsystematiek van het Interim-besluit doeluitkering bestrijding van rampen en zware ongevallen voldoende aansluit op de in het kader van de leidraad Maatramp gemaakte risicoanalyses. In het op 1 januari 2003 in werking tredende definitieve bijdragebesluit zullen eventuele nieuwe inzichten worden verwerkt.
Is het kabinet ervan overtuigd dat gemeenten de juiste risico-inventarisaties kunnen uitvoeren en de risico's ook onderling de juiste prioritering kunnen/zullen geven?
De feiten samenhangend met de vuurwerkramp, hoe ernstig ook, zijn voor het kabinet geen aanleiding geweest de huidige bestuurlijke verhoudingen te wijzigen. De gemeente is de bestuurslaag waar het uitvoeren van risico-inventarisaties en de onderlinge prioritering van risico's thuishoort, binnen de door het Rijk geschapen kaders. Bij de voorbereiding op de rampenbestrijding, waaronder de keuze voor welke objecten een rampbestrijdingsplan wordt gemaakt, zal de rol van de gemeenteraad worden versterkt.
Het kabinet is daarnaast voornemens eisen te stellen met betrekking tot het uitvoeren van risico-inventarisaties ten behoeve van de rampenbestrijding en ten behoeve van het informeren van het publiek.
De risicokaart is een visualisering van de risicoinventarisatie.
Zou er in de financieringssystematiek voor de brandweer geen prikkel moeten worden opgenomen voor het regelmatig houden van oefeningen op zowel operationeel als bestuurlijk niveau?
De regionale samenwerkingsverbanden voor brandweer en voor geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen ontvangen van het rijk een jaarlijkse bijdrage op grond van het Interim-besluit doeluitkering bestrijding van rampen en zware ongevallen (Staatsblad 2001, 113). De financieringssystematiek die daarin is opgenomen is gebaseerd op het principe van «lump sum» financiering. Op basis van objectieve verdeelmaatstaven krijgt iedere brandweer- en geneeskundige regio een bijdrage voor zijn taken die verder niet geoormerkt is. Het is de keuze en de verantwoordelijkheid van het regionale bestuur waar en hoe die middelen worden ingezet. Dit model van financiële sturing is passend bij de systeemverantwoordelijkheid zoals deze is beschreven in het kabinetsstandpunt. In deze financieringssystematiek past het dus niet dat van rijkswege door geoormerkte financiering en prikkels in de verantwoordelijkheid van het regionaal bestuur wordt getreden.
Naast deze bekostiging, die het overgrote deel van het budget betreft, ontvangen de regio's ook in beperkte mate gelden die wel op een specifieke taak betrekking hebben, al dan niet tijdelijk ter stimulering. Zo is met ingang van 2001 het budget ten behoeve van de rampenbestrijding structureel opgehoogd met f 5 miljoen. Dit bedrag is bestemd voor opleidings- en oefenactiviteiten zoals daar zijn een tijdelijke stimulans van het houden van oefeningen op luchtvaartterreinen, poolvorming, het ontwikkelen van kwaliteitscriteria en oefencentra. Meer informatie over deze activiteiten is opgenomen in de brief van de staatssecretaris van BZK van 28 september 2000, kamerstukken II, 2000/2001, 26 956, nr. 5.
Is het de bedoeling dat de taakuitbreiding van de Inspectie Brandweerzorg en Rampenbestrijding (IBR) naar de provincies, gemeenten en andere openbare organen leidt tot het geven van aanbevelingen aan deze organen?
Zie het antwoord op vraag 150 (27 157-20).
Indien de IBR aanbevelingen gaat geven aan provincies, gemeenten en andere openbare lichamen, loopt zij dan niet het risico haar eigen werk te controleren?
Zie het antwoord op vraag 150 (27 157-20).
Wat voegt de vierjaarlijkse rapportage extra toe aan de halfjaarlijkse rapportages met betrekking tot veiligheid die naar aanleiding van de commissie-Oosting zijn toegezegd?
De vierjaarlijkse rapportage geeft een totaalbeeld van de stand van zaken op rampbestrijdingsgebied.
De halfjaarlijkse rapportage heeft betrekking op de voortgang van de actiepunten uit het kabinetsstandpunt Vuurwerkramp.
Acht het kabinet het niet wenselijk wegens het door betere voorzorg verbeteren van de centrale rol van de overheid bij het bevorderen van veiligheid, dat de Kamer frequenter dan eens in de vier jaar wordt geïnformeerd over de stand van zaken van de voorbereiding op de bestrijding van rampen en zware ongevallen in Nederland, bijvoorbeeld jaarlijks?
Nee. De frequentie van eens in de vier jaar sluit aan bij de voorgestane beleidscyclus op regionaal niveau, waarin eens per vier jaar het regionaal beheersplan wordt vastgesteld. Het kabinet zal aan de Tweede Kamer rapporteren welke resultaten landelijk op basis van de uitvoering van de regionale beheersplannen zijn bereikt.
Op welke termijn en in welke mate zal de capaciteit van de Inspectie Brandweerzorg en Rampenbestrijding en van de Inspectie voor de Politie versterkt worden?
De Inspectie Brandweerzorg en Rampenbestrijding en de Inspectie voor de Politie beschikken thans elk over 10 formatieplaatsen. Voorzien is een stapsgewijze verdubbeling van het aantal formatieplaatsen voor beide inspecties die in 2003 gerealiseerd moet zijn.
Gesproken wordt over een capaciteitsuitbreiding met betrekking tot de ondersteuning van gemeenten en provincies bij de uitvoering van het pro-actie en preventiebeleid. Waar moet deze ondersteuning terecht komen? Om hoeveel mensen gaat het voor welk bedrag? Wanneer kan deze capaciteitsuitbreiding tegemoet worden gezien?
Het kabinet is voornemens de capaciteitsuitbreiding plaats te laten vinden bij de regionale brandweer. Dit jaar wordt begonnen met de uitvoering en het streven is erop gericht om reeds in 2002 de volledige capaciteitsuitbreiding te hebben bereikt. Het kabinet wil deze versterking niet alléén financieren, maar gezamenlijk met alle betrokken bestuurslagen. De uitkomsten van het overleg met de medeoverheden over het versterken van de samenhang in het gemeentelijk veiligheidsbeleid zal het kabinet betrekken bij de vormgeving van de capaciteitsuitbreiding. Daar kunnen derhalve thans nog geen definitieve uitspraken over worden gedaan.
In welke mate (financieel en qua sterkte) wordt de capaciteit van de regionale brandweren voor het uitvoeren van taken op het gebied van pro-actie en preventie verder uitgebreid?
Zie het antwoord op vraag 161 (27 157-20).
Waar wordt vastgelegd dat de brandweer een intensievere rol krijgt bij de advisering over besluiten en vergunningen van gemeenten op het terrein van milieuwetgeving, de brandveiligheid en de ruimtelijke ordening?
De intensievere rol van de brandweer kan in beginsel in verschillende wetten en besluiten worden vastgelegd. Hierbij kan worden gedacht aan (besluiten op grond van) de Wet milieubeheer, de Brandweerwet 1985, de Wet rampen en zware ongevallen en de Wet op de ruimtelijke ordening.
Wordt er een standaard opgesteld voor de inhoud en vorm van de risico-inventarisaties? Wie gaat dit controleren?
In hoofdstuk 3 van het kabinetsstandpunt vuurwerkramp is vermeld dat het kabinet voornemens is aanvullende eisen te stellen aan de risico-inventarisaties ten behoeve van de rampenbestrijding, aanvullend op die van de Leidraad Maatramp die gericht is op de operationele prestaties van de rampbestrijdingsorganisaties. De gedetailleerdheid van deze aanvullende eisen moet nog nader worden bezien in overleg met de gemeenten en provincies.
De controle op de uitvoering van deze risico-inventarisaties is in eerste plaats een zaak van het betreffende lokale bestuur. Versterking van de rol van de gemeenteraad hierbij zal worden gerealiseerd, op een wijze die past bij de uitkomsten van de discussie over de dualisering van het lokaal bestuur.
In tweede en derde instantie hebben de provincie en de Inspectie Brandweer en Rampenbestrijding een toezichthoudende rol ten aanzien van deze risico-inventarisaties.
Wat is de relatie tussen de dualisering van het lokaal bestuur en de betrokkenheid van de gemeenteraad bij de voorbereiding van het lokale rampenbestrijdingsplan? Bestaat de intensivering van de rol van de gemeenteraad bij de voorbereiding alleen in een periodieke informatieplicht over de voorbereiding op de rampenbestrijding?
Bij de doorvoering van de dualisering van het lokaal bestuur zal de controlerende taak van de gemeenteraad worden geïntensiveerd. Daartoe krijgt hij meer bevoegdheden. Ook zal de informatieplicht van de burgemeester en het college worden aangescherpt, in die zin dat de burgemeester en het college de gemeenteraad ongevraagd alle informatie moet geven die de raad voor zijn functioneren nodig heeft. Het spreekt voor zich dat het totale veiligheidsbeleid van de gemeente onderwerp is van deze controlerende taak. Daartoe behoort ook het beleid met betrekking tot de objecten waarvoor een rampbestrijdingsplan dient te worden opgesteld en de uitvoering daarvan. In de Beleidsnota rampenbestrijding 2000–2004 is de ontwikkeling van een bestuurlijke rapportage aangekondigd. Deze rapportage kan straks ook dienen om de gemeenteraad te informeren over het veiligheidsbeleid van de gemeente en de uitvoering daarvan. Het voornemen is om de bestuurlijke rapportage periodiek voor te schrijven. Gelet op de actieve informatieplicht van het lokale bestuur ligt het in de rede dat deze rapportage ook periodiek in de gemeenteraad aan de orde zal worden gesteld. Uiteraard is het de verantwoordelijkheid van de gemeenteraad om zijn controlerende taak uit te voeren.
Gesproken wordt over een periodieke informatieplicht van gemeenteraden over de voorbereiding op de rampenbestrijding. Is dit niet een verantwoordelijkheid van de gemeenteraden zelf?
Zie het antwoord op vraag 165 (27 157-20).
In hoeverre is het gebruik van een risicoinventarisatie/risicokaart voor gemeenten verplicht?
Zie het antwoord op vraag 154 (27 157-20).
Wat is de mogelijkheid voor burgers om aan een dergelijke risicokaart te komen van hun gemeente indien bij de niet-verplichtstelling van risico-inventarisaties de gemeente geen risicokaart heeft?
Op grond van het Besluit informatie inzake rampen en zware ongevallen heeft elke gemeente in Nederland sinds begin jaren '90 de plicht haar burgers te informeren over mogelijke rampen en zware ongevallen. Middels het traject VORAMP (Voorlichting bij Rampen) wordt dit vanuit het ministerie van BZK ondersteund. Recht op informatie hebben burgers wel degelijk, alleen de vorm waarin deze informatie de burgers bereikt, is vooralsnog vrij. In hoofdstuk 3 van het kabinetsstandpunt is aangegeven dat het kabinet voornemens is in overleg met de gemeenten en provincies risicokaarten te ontwikkelen en te komen tot meer vernieuwende voorlichtingsmogelijkheden. Dit wordt nog nader uitgewerkt.
Acht het kabinet de ten aanzien van de brandweer ingezette kwaliteitsslag op het gebied van pro-actie, preventie en professionalisering haalbaar gezien het te verwachten tekort aan vrijwilligers bij de brandweer?
Uit het in 1998 verrichtte onderzoek brandweer en vrijwilligers is gebleken dat er geen indicaties zijn dat er op korte termijn een tekort zal ontstaan aan vrijwilligers bij de brandweer, met uitzondering van de categorie vrijwillige brandweerofficieren. Uit onderzoek blijkt dat deze categorie vrijwilligers in toenemende mate wordt vervangen door brandweerofficieren in beroepsdienst. Brandweervrijwilligers zijn met name actief in het repressieve deel van de veiligheidsketen. Om de gewenste kwaliteitsverbetering op het gebied van pro-actie, preventie en professionalisering te realiseren wordt bevorderd dat er beroepsondersteuning komt voor deze genoemde taken.
Acht het kabinet het feit dat brandweerkorpsen voor een belangrijk deel op vrijwilligers draaien ook voor de toekomst (2010, 2020) nog steeds een werkbare optie?
Ja. De vrijwilligheid bij de brandweer is een institutie in Nederland met een langdurige traditie, die met name voor het repressieve deel van de veiligheidsketen een kwalitatief goede en betaalbare brandweerzorg levert. De vorm waarin de vrijwilligheid bij de brandweer zich nu manifesteert kan wel veranderen. Het aantal beroepskrachten zal toenemen en de eisen die aan vrijwilligers worden gesteld zullen hoger worden. Het is te verwachten dat de brandweervrijwilliger in de toekomst meer overeenkomsten zal gaan vertonen met een deeltijdwerker. Naar aanleiding van het onderzoek vrijwilligers in de openbare veiligheid is een werkgroep van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Nederlandse vereniging van brandweerkorpsen bezig om de rechtspositie van vrijwilligers te moderniseren.
Hoeveel multidisciplinaire oefencentra zijn er voorzien? Van welke bestaande oefencentra zal er gebruik worden gemaakt? Is er nu een capaciteitsgebrek? Zal er ook gebruik worden gemaakt van oefenterreinen van het ministerie van Defensie zoals die in Woensdrecht?
Op verzoek van de staatssecretaris van BZK hebben het College van Commandanten van Regionale Brandweren (CCRB) en de Nederlandse Vereniging van Brandweerkorpsen (NVBK), onderzoek verricht naar het gebruik van de 18 oefencentra (waaronder Woensdrecht) door de brandweer en naar de bruikbaarheid daarvan voor multidisciplinaire – operationele – oefeningen. Voor oefeningen van beleidsteams (bestuurlijke oefeningen) en het operationeel team (tactische aansturing van de operationele diensten) heeft het oefenen binnen de eigen (gemeentelijke, regionale en provinciale) coördinatiecentra de voorkeur. Er bestaan geen oefencentra die specifiek gericht zijn op multidisciplinaire oefeningen, maar voor kleinschalige operationele multidisciplinaire oefeningen kan gebruik worden gemaakt van de bestaande oefencentra. Uit onderzoek blijkt dat er sprake is van een capaciteitsgebrek bij de bestaande oefencentra (de vraag is groter dan het aanbod). De onderzoekers adviseren om 8 oefencentra voor de brandweer optimaal geschikt te maken (deels verbouw, deels nieuwbouw) voor het beoefenen van basis brandweerhandelingen. Thans vindt overleg plaats met de NVBK om te bezien of en op welke wijze e.e.a. dient te worden gerealiseerd.
De vertaling van de risico-analyses naar operationele prestaties moet eind 2001 klaar zijn. Is dit praktisch ook haalbaar en waarop baseert het kabinet die haalbaarheid? Hoe ver is men thans reeds?
De leidraad Operationele Prestaties wordt medio mei 2001 opgeleverd en wordt direct daarna geïntroduceerd bij de regio's. Volgens planning zijn rond die tijd ook de resultaten bekend van de regionale toepassing van de leidraad Maatramp en kan vervolgens direct de leidraad Operationele Prestaties worden toegepast. De haalbaarheid van deze planning zal niet zo zeer worden bepaald door de technische toepassing van de leidraad doch vooral door de tijd die nodig zal zijn voor de bestuurlijke besluitvorming. Er wordt van uitgegaan dat voor eind november 2001 in elke regio een voorlopig standpunt is ingenomen ten aanzien van het «zorgniveau» dat m.b.t. de rampenbestrijding wordt voorgestaan. Tot 2003 wordt vervolgens gewerkt aan de realisatie daarvan. De ervaring hiermee zal moeten leiden tot actualisering en verbetering van de leidraden Maatramp en Operationele Prestaties. In de periode daarna zal om de 4 jaar moeten worden bezien of de juiste keuze is gemaakt en of het nagestreefde kwaliteitsniveau op regionaal en landelijk niveau is bereikt en op dat niveau moet worden gehandhaafd.
Wordt bij herijking van de opleidingsprogramma's de kennis ook extern, via onder andere internationale gegevens verworven? Kan het kabinet garanderen dat de vereiste kennis ook op het uitvoeringsniveau terecht komt?
Het Nederlands instituut voor brandweer en rampenbestrijding (Nibra) zal de opleidingprogramma's herijken. Het gebruikt daarvoor, indien noodzakelijk, internationale gegevens. Op basis hiervan zal de bestaande les- en leerstof worden aangepast. De brandweermensen die de opleiding al gedeeltelijk of helemaal hebben afgerond, worden door middel van bijscholing, congressen, symposia en vakliteratuur op de hoogte gehouden van de nieuwe informatie.
Hoeveel bedraagt de eenmalige financiële bijdrage voor de ontwikkeling van multidisciplinaire oefencentra? Hoeveel van deze oefencentra zijn er op dit moment? Met hoeveel moet dit aantal minimaal worden uitgebreid?
Het kabinet wil organisaties die een muldisciplinair oefencentrum tot stand willen brengen, een eenmalige financiële bijdrage geven. Op basis van nog in te dienen voorstellen voor de aanpassingen van deze oefencentra, wordt de hoogte van de toe te kennen eenmalige financiële bijdrage bepaald.
Zie voorts het antwoord op vraag 171 (27 157-20).
Waarom worden actuele gegevens over de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in een inrichting niet opgenomen in de beoogde landelijke database van risicosituaties door gevaarlijke stoffen van het ministerie van VROM? Is dit niet van belang voor de directe informatieverstrekking over de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen aan hulpverleningsdiensten van buiten de regio, die mogelijk worden ingezet bij een ramp of zwaar ongeval?
Het register van risico-situaties is een register waarin wel de risico's van bedrijven en transportroutes opgenomen zijn, maar waarin geen stofgegevens actueel gehouden worden. De stofgegevens worden immers verschaft door de bedrijven waar deze stoffen aanwezig zijn, terwijl risico-informatie in het register van risicosituaties de verantwoordelijkheid is van het bevoegd gezag. Het doel van dit centraal register is om een beperkt aantal gegevens (met name vooral risico's en effect-afstanden) ten aanzien van inrichtingen met gevaarlijke stoffen en het vervoer van gevaarlijke stoffen in de vorm van gebiedsgebonden overzichten te kunnen tonen, zodanig dat dit toegankelijk is voor de diverse overheden en toezichthoudende diensten, de hulpdiensten en voor burgers. Voor het effectief kunnen optreden van de hulpdiensten zijn daarnaast nog andere gegevens nodig die door de regionale brandweren eenduidig bepaald dienen te worden. Thans bestaat er geen landelijke database met actuele informatie over inrichtingen met gevaarlijke stoffen. Dit betekent niet dat de regionale brandweer geen actuele informatie heeft over de soorten gevaarlijke stoffen, de aanwezige hoeveelheden, locatie(s) en wijze van opslag. Echter deze informatie is lokaal beschikbaar, al dan niet in electronische vorm. Voor hulpdiensten moet de meeste recente stoffen informatie met hoge zekerheid en betrouwbaarheid beschikbaar zijn. Om die reden zijn lokale afspraken tussen de bedrijven en de hulpdiensten over actuele stofgegevens te prefereren boven een landelijke database met hulpverleningsinformatie.
Waarom kan het kabinet de Kamer niet sneller informeren over de stand van zaken wat betreft multidisciplinair oefenen? Is het kabinet van mening dat de regionale brandweren, los van de eenmalige financiele bijdrage die ze zullen ontvangen voor het opzetten van een oefencentrum, voldoende middelen hebben om voldoende multidisciplinair te oefenen?
De staatssecretaris BZK heeft de commissarissen van de Koningin verzocht voor 15 juli 2001 te rapporteren over de stand van zaken van de voorbereiding op de rampenbestrijding (waaronder het multidiscipliniar oefenen) op luchtvaartterreinen, NPK-objecten en Seveso-inrichtingen. De rapportages worden door de staatssecretaris vervolgens aan de Kamer aangeboden. Daarnaast worden de resultaten van het project kwaliteitscriteria voor multidisciplinair oefenen, een project wat in nauwe samenwerking met betrokkenen uit het land tot stand moet worden gebracht, niet eerder dan eind 2001 verwacht.
De middelen die op dit moment en in de toekomst ter beschikking gesteld worden aan de regio's bieden naar de mening van het Kabinet voldoende ondersteuning om het multidisciplinair oefenen zowel kwantitatief als kwalitatief op een hoger peil te brengen. Het gaat hierbij om het project kwaliteitscriteria en de overige in gang gezette activiteiten ter bevordering van de kwaliteit van oefenen van brandweer en rampenbestrijdings-organisatie (zie brief van 28 september 2000, kamerstukken II, 2000/2001, 26 956, nr. 5), de eenmalige subsidie voor verbouw of nieuwbouw van oefencentra en de jaarlijkse bijdrage ten behoeve van het opleiden en oefenen aan regionale brandweren in het kader van de Brede Doel Uitkering Rampenbestrijding (BDUR).
Zoals genoemd in het kabinetsstandpunt hoofdstuk 4.4 zullen de besturen van de regionale brandweren, nadat in 2003 in iedere regio het beheersplan rampenbestrijding is vastgesteld, periodiek rapporteren aan de gemeentebesturen en aan de commissarissen van de Koningin over de uitvoering van het regionaal beheersplan. Deze bestuurlijke rapportage zal betrekking hebben op de kwaliteit van de voorbereiding van de rampenbestrijding, waaronder het multidisciplinair oefenen, en de voortgang aan eventuele activiteiten ter verbetering, zoals de implementatie van de activiteiten ter bevordering van de kwaliteit van oefenen van brandweer en rampenbestrijdingsorganisatie. De commissarissen van de Koningin zullen vervolgens hun bevindingen rapporteren aan de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Op basis van deze rapportages zal het Kabinet aangeven of aanvullende maatregelen in dit kader noodzakelijk zijn.
Bestaan er op het niveau van de regionale brandweer ook databases met actuele informatie over inrichtingen met gevaarlijke stoffen? Wat is het precieze doel van de beoogde landelijke database?
Thans bestaan er op het niveau van de regionale brandweer geen databases met actuele informatie over inrichtingen met gevaarlijke stoffen. Dit betekent niet dat de regionale brandweer geen actuele informatie heeft over de soorten gevaarlijke stoffen, de aanwezige hoeveelheden, locatie(s) en wijze van opslag. Echter deze informatie is lokaal beschikbaar, al dan niet in elektronische vorm.
Het precieze doel van de landelijke database is om een aantal minimum gegevens (onder andere risico's en effecten) ten aanzien van inrichtingen met gevaarlijke stoffen en het vervoer van gevaarlijke stoffen landelijk beschikbaar te hebben, zodanig dat dit toegankelijk is voor de diverse toezichthoudende diensten, de hulpdiensten en voor burgers. Voor het effectief kunnen optreden van de hulpdiensten zijn daarnaast nog andere gegevens nodig die door de regionale brandweren eenduidig bepaald dienen te worden.
Is er een termijn waarbinnen in overleg zal worden getreden met betrokken organisaties om te bezien hoe de informatievoorziening ten behoeve van de hulpverleningsdiensten organisatorisch en juridisch kan worden uitgewerkt? Wat is de doelstelling van dit overleg?
Het overleg met betrokken organisaties om te bezien hoe de informatievoorziening ten behoeve van de hulpverleningsdiensten organisatorisch en juridisch kan worden uitgewerkt zal medio dit jaar starten en eind dit jaar worden afgerond.
Het overleg heeft tot doel om te zorgen dat hulpverleningsdiensten bij een calamiteit in een inrichting waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, direct over actuele gegevens over de aanwezigheid van die stoffen kan beschikken.
Waarom zorgt het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties niet zelf voor de ontwikkeling van een samenhangend kwaliteitssysteem met criteria voor de brandweerzorg? Is dit kwaliteitssysteem bedoeld als landelijk model dan wel als richtlijn voor de verschillende overheden?
Waarom worden er geen landelijke criteria ontwikkeld voor de basisbrandweerzorg? Zijn landelijke criteria geen betere garantie voor een integrale benadering van de brandweerzorg, zoals de Commissie Onderzoek Vuurwerkramp aanbeveelt?
De zorg voor de brandveiligheid is een gemeentelijke taak, vastgelegd in de Brandweerwet van 1985. De verantwoordelijkheid van het gemeentebestuur komt tot uitdrukking in artikel 1, lid 4: «Burgemeester en wethouders hebben de zorg voor:
a. het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar, het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en al hetgeen daarmee verband houdt;
b. het beperken en bestrijden van gevaar voor mensen en dieren bij ongevallen anders dan bij brand. In artikel 1 lid 1 van de Brandweerwet staat: «Er is in elke gemeente een gemeentelijke brandweer, behoudens indien ingevolge samenwerking met andere gemeenten een regeling ter zake tot stand gekomen is». Lid 2 vervolgt met». De gemeenteraad regelt de organisatie, het beheer en de taak van de gemeentelijke brandweer bij verordening». Hiervoor heeft de VNG een modelverordening opgesteld en voor het formuleren van beleid en de uitvoering van de taken betreffende de brandweerzorg kunnen de gemeenten beschikken over vele richtlijnen, leidraden, publicaties e.d., deze zijn verstrekt door onder meer het ministerie van BZK. In lid 3 van artikel 1 is vermeld dat: «De regels inzake de organisatie betreffen in elk geval de personeels- en materieelsterkte. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen over de minimumsterkte voorschriften worden gegeven». Van deze bevoegdheid heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties nog geen gebruik gemaakt. Wel is een deskundigen advies verwoord in een richtlijn «De handleiding brandweerzorg». Deze richtlijn kan door de gemeenten worden gebruikt.
In artikelen 14, 16 en 18 heeft de wetgever middels Algemene maatregelen van bestuur regels gesteld aan de kwaliteit van het brandweerpersoneel, de opleidingen en examinering. Voor al deze onderwerpen lopen momenteel projecten om te bezien in hoeverre een actualisatie gewenst is.
Om te stimuleren dat alle gemeenten op een uniforme wijze uitvoering geven aan een minimale zorgplicht zal de staatssecretaris van BZK in overleg treden met de VNG en de branche om te bevorderen dat gemeenten zorgdragen voor een samenhangend kwaliteitssysteem met criteria voor de brandweerzorg (kamerstuk 27 157-20, actiepunt 45).
Waarom moet ook de politie betrokken zijn bij juist het opstellen van de risico-analyses? Duidelijk is wel dat de politie bij uitvoerende prestaties op basis van deze risico-analyses moet worden betrokken, maar waarom bij het opstellen?
Van de politie wordt niet verwacht dat zij zelf daadwerkelijk de risico-analyses opstelt. Wel dient de politie meer betrokken te zijn bij het proces van het opstellen van risico-analyses door de brandweer, opdat de politie zicht krijgt in de bestaande risico's in de regio en daarmee kan anticiperen op de eventuele maatregelen die ten aanzien van die risico's moeten worden getroffen.
Hoe verhoudt zich de taak van het Landelijk Beraad Rampenbestrijding om kwaliteitsnormen te ontwikkelen tot het initiatief van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken om de VNG te verzoeken de gemeenten te stimuleren tot het ontwikkelen van kwaliteitsnormen voor de basisbrandweerzorg? Zijn deze beide sporen op elkaar afgestemd?
Het Landelijk Beraad Rampenbestrijding zal een samenhangend stelsel van kwaliteitsnormen in de vorm van referentiekaders (doen) actualiseren en opstellen. Voor de brandweer en politie organisatie bestaan reeds referentiekaders t.b.v. de crisis- en rampenbestrijdingsorganisatie, deze zullen worden geactualiseerd. Het initiatief van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken heeft uitsluitend betrekking op de basisbrandweerzorg. Beide ontwikkelingen sluiten derhalve op elkaar aan. Immers een goede brandweerzorg is de basis voor een adequate rampenbestrijding. Voor beide onderwerpen geldt dat nog gestart moet worden met het ontwikkelen van kwaliteitscriteria, waarbij aandacht zal worden besteed aan een adequate afstemming.
Zal de politie oefenen met de naar aanleiding van de ramp Enschede hernieuwde versie van het Referentiekader Conflict- en Crisisbeheersing Politie? Wordt ook geoefend met samenwerking tussen kleine en middelgrote politieregio's met het oog op langdurige en grootschalige inzet bij rampen?
Het Expertisecentrum Conflict- en Crisisbeheersing Politie (ECCB) werkt op dit moment in overleg met de politieregio's en het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan een nieuwe versie van het Referentiekader Conflict- en Crisisbeheersing Politie. Die herziening was al voorzien bij het uitkomen van de eerste versie van het Referentiekader in 1999.
In het Referentiekader worden minimumvereisten en normeringen geformuleerd voor maatregelen en activiteiten met betrekking tot de inzet van de politie bij onder andere rampen. In het Referentiekader wordt onder meer bepaald dat korpsen plannen moeten opstellen met betrekking tot het regelmatig oefenen onder realistische omstandigheden.
Naar aanleiding van de aanbeveling voor met name kleine en middelgrote politieregio's om samenwerkingsverbanden aan de gaan met omliggende regio's om de uitwisselbaarheid van functionarissen zo groot mogelijk te maken, zal de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het Korpsbeheerdersberaad en de Raad van Hoofdcommissarissen verzoeken actie te ondernemen.
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zal er bij het Korpsbeheerdersberaad en de Raad van Hoofdcommissarissen op aandringen om naar aanleiding van de bevindingen en aanbevelingen van de Commissie en de Inspectie voor de Politie concrete stappen te ondernemen, onder andere ten aanzien van het multidisciplinair oefenen.
Wat is het tijdschema voor de ontwikkeling van de opleidingen voor leidinggevenden en coördinerende functies in de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen? Wie gaat zorgdragen voor deze ontwikkeling? Wie betaalt dit?
Eind 2000 zijn in een afsluitende expertmeeting (van één van de deelprojecten van het project GHOR) de eindtermen voor een dertigtal functies in de GHOR-structuur vastgesteld. Na uitwerking hiervan zijn de daarvoor in aanmerking komende opleidingsinstituten uitgenodigd voor een bijeenkomst in mei 2001, waar vastgesteld zal worden hoe de opleidingen kunnen worden vormgegeven. De eerste opleidingen zullen dan eind dit jaar kunnen starten. De opleidingsinstituten zullen zorgdragen voor de ontwikkeling van de opleidingen, waaraan de ministeries van BZK en VWS voorzover nodig zullen bijdragen.
De kosten van ontwikkeling komen in principe voor rekening van de opleidingsinstituten. De opleidingsinstituten brengen hiervoor een kostendekkend tarief in rekening bij de cursisten. Voor het financieren van deze kosten kan door de GHOR regio's gebruik worden gemaakt van de beschikbare financiering door de bevoegde besturen en de bijdragen die vanuit het rijk worden verstrekt in het kader van het Interim besluit doeluitkering bestrijding van rampen en zware ongevallen.
Hoe verhoudt zich het Rererentiekader Conflict- en Crisisbeheersing Politie tot het draaiboek Rampen Identificatieteam dat door het KLPD opgesteld en aan korpsen, gemeenten en hulpverlenende instanties verstrekt wordt?
Het Referentiekader Conflict- en Crisisbeheersing Politie heeft betrekking op de organisatie, de organisatiestructuur – en alles wat daarbij komt kijken – bij allerlei vormen van voorzienbaar en onvoorzienbaar grootschalig politieoptreden, variërend van een demonstratie tot een ramp.
Het draaiboek van het Rampen Identificatieteam van het KLPD is een beschrijving van de werkwijze van het Rampen Identificatieteam met betrekking tot met name de aanpak van de berging en identificatie van slachtoffers bij rampen.
Het Rampen Identificatieteam van het KLPD kan ten tijde van een ramp bijstand verlenen aan de regio. De mogelijkheid van inzet van het Rampen Identificatieteam maakt expliciet onderdeel uit van het Referentiekader.
Wat is de reactie van het kabinet op de conclusies en aanbevelingen uit het rapport van prof. J. De Boer, «De Geneeskundige Hulpverlening bij de Enschederamp»?
Het kabinet heeft kennisgenomen van het onderzoeksrapport van em. prof. De Boer.
Met hem is destijds gesproken over een onderzoek naar inzet van hulpverlening en hulpverleners in relatie tot de door hem ontwikkelde rekenkundige modellen. Inbedding in een door het Medisch Spectrum Twente / Universiteit Twente voorgesteld onderzoek werd noodzakelijk geacht. Om hem moverende redenen heeft em. Prof. De Boer daar van afgezien en ongevraagd zijn rapport «De Geneeskundige Hulpverlening bij de Enschederamp» uitgebracht. Daarbij is ten onrechte de indruk gewekt dat dit rapport in opdracht van VWS is uitgebracht.
Ten aanzien van de conclusies en aanbevelingen van em. prof. De Boer het volgende.
Op het punt van opleiding en oefenen, evenals een modelmatige benadering van capaciteiten, heeft het kabinet zich reeds in hoofdstuk 4 van het kabinetsstandpunt Vuurwerkramp uitgesproken. Modellen of enige andere vorm van leidraad wordt door het kabinet ter voorbereiding op rampen gestimuleerd.
De discussie over schaarste en beddenreductie is ingegeven vanuit de problematiek van de dagelijkse geneeskundige zorg. Onder rampomstandigheden, of in de voorbereiding hierop, spelen andere verantwoordelijkheden en financieringsstructuren een rol. Deze twee punten (MBC en schaarste) zijn dan ook niet op deze wijze te vergelijken. Het betoog van em. prof. De Boer om de GHOR bij VWS onder te brengen wordt door het kabinet dan ook niet gedeeld. Het openbaar bestuur dient samen met zorginstellingen vorm en inhoud te geven aan de GHOR. VWS draagt zorg voor adequate randvoorwaarden ter invulling van de reguliere zorg (de SMH) als basis voor een inzet bij rampen en zware ongevallen.
De noodzaak voor het instellen van een leerstoel rampengeneeskunde onderschrijft het kabinet. Er was op dit punt reeds in 1999 overeenstemming met de geneeskundige faculteit van de universiteit Utrecht. Zeer recent (eind februari 2001) werd van de voorzitter van het College van Bestuur van de Universiteit Utrecht de schriftelijke mededeling ontvangen dat het hun uiteindelijke niet mogelijk is gebleken de leerstoel te installeren. Het kabinet zal zich nu oriënteren op een andere universiteit.
Wie wordt bedoeld met de ambulancesector? Zitten hier ook openbare bestuurders bij?
Met de ambulancesector wordt bedoeld het geheel van ambulancediensten en Centrale Posten Ambulancevervoer, vertegenwoordigd door de Landelijke Federatie Ambulancezorg (LFAZ). In de ambulancesector zitten ook openbare bestuurders. Het gaat dan om de besturen van de Centrale Posten Ambulancevervoer (gemeenschappelijke regelingen van gemeenten op basis van de vigerende Wet ambulancevervoer) en om besturen van ambulancediensten die onder gemeentelijke cq. regionale verantwoordelijkheid vallen.
Wiens verantwoordelijkheid is het om de landelijk beschikbare documentatie ter ondersteuning van de voorbereiding en de uitvoering van de rampenbestrijding bij te houden? Is dit niet de Inspectie Brandweerzorg en Rampenbestrijding?
De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is er voor verantwoordelijk dat de landelijk beschikbare documentatie ter ondersteuning van de voorbereiding en de uitvoering van de rampenbestrijding wordt bijgehouden.
Waarom vraagt de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om advies over de status van de documentatie? Werkt dit niet vertragend?
De insteek van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is dat de gemeenten en regio's zich aan de documentatie committeren zodat zij de rampenbestrijding organiseren conform de structuur zoals deze in de documentatie wordt beschreven.
Aangezien het Landelijk Beraad Rampenbestrijding ook betrokken zal zijn bij de herziening van de documentatie, werkt dit niet vertragend.
Waar wordt de nog op te richten Landelijke Ondersteuningsfaciliteit Rampenbestrijding ondergebracht? Waarom wordt het niet ondergebracht in het op te richten landelijk expertisecentrum?
Voordat besluiten worden genomen over de organisatorisch opzet en ophanging van de Landelijke Ondersteuningsfaciliteit Rampenbestrijding zal eerst een studie worden uitgevoerd naar mogelijkheden, betrokkenen, varianten is opzet en bestuurlijke en operationale ophanging, enz. Daarbij zullen ook de bestaande expertisecentra worden betrokken. Het ligt overigens niet voor de hand de landelijke ondersteuningsdienst rampenbestrijding onder te brengen bij het op te richten expertisecentrum gevaarlijke stoffen van VROM.
Kan het kabinet ook zeggen welke andere ondersteunende faciliteiten er zijn voor rampenbestrijding dan de landelijke ondersteuningsfaciliteit rampenbestrijding en of daar geen overlapping inzit?
Het kabinet zal op korte termijn een studie laten verrichten naar de precieze taakopdracht, de organisatorische, financiële en de bestuurlijke inbedding van de landelijke ondersteuningsfaciliteit rampenbestrijding. Bij het formuleren van de precieze taakopdracht zal worden gestreefd naar complementariteit aan reeds bestaande faciliteiten.
Waarom moet een Landelijke Ondersteuningsfaciliteit Rampenbestrijding opgericht worden als er al een Landelijk Beraad Rampenbestrijding bestaat waarin veel bestuurlijke expertise en kennis gebundeld wordt en omgezet wordt in kwaliteitsnormen en coordinatie en afstemming van beleid?
De Landelijke ondersteuningsfaciliteit is bedoeld om in concrete situaties bij rampen en zware ongevallen ondersteuning te leveren, het LBRB zal dit in algemene zin beleidsmatig doen.
Kan het kabinet verzekeren dat het opzetten en opleiden van landelijke bijstandsteams voor complexe en grootschalige rampen niet ten koste gaat van het oefenen en de vaardigheid van het «gewone» personeel van brandweer en ambulancediensten voor hulpverlening vij dergelijke rampen? Staat inschakeling van deze teams los van de mogelijkheid om bij grote rampen de hulp van belendende regio's in te schakelen?
De Vuurwerkramp heeft aangetoond dat bij de uitvoering van complexe grootschalige rampbestrijdingstaken behoefte bestaat aan gespecialiseerde ondersteuning.
De leden van de landelijke bijstandsteams zijn niet in dienst bij de landelijke ondersteuningsfaciliteit rampenbestrijding, maar zijn deskundigen die onder normale omstandigheden elders werkzaam zijn.
De inzet van de gespecialiseerde bijstandsteams is een kwalitatieve aanvulling op de inzet van het eigen personeel van de gemeente/regio en de bijstand uit de buurregio's bij complexe grootschalige rampbestrijdingstaken. Zonodig kunnen de bijstandsteams ter aflossing worden ingezet. Aangezien de bijstandsteams worden ingezet als kwalitatieve aanvulling of ter aflossing, dient het eigen personeel van de gemeente/regio adequaat te zijn voorbereid (opgeleid en geoefend) voor inzet bij een ramp.
Kunnen de 25 meldkamers, gelet op financiële- en praktische mogelijkheden, op korte termijn worden gerealiseerd?
Het streven van het kabinet is gericht op het op korte termijn samenvoegen van de meldkamers waarbij als richtdatum 1 januari 2004 wordt aangehouden. Het instandhouden van de meldkamers is een verantwoordelijkheid van de regionale besturen van de brandweer, de politie en de Centrale Posten Ambulancevervoer. Het kabinet zal in overleg treden met de besturen om gezamenlijk te bepalen op welke wijze het samenvoegen van meldkamers binnen deze termijn kan worden gerealiseerd.
Acht het kabinet het gezien de problematische voorgeschiedenis van het project 2000 nu plotseling haalbaar dat de verdere uitrol zonder enig hiaat zal verlopen? Zo ja, kan het kabinet garanderen dat de in het verleden voorgekomen problemen bij bijvoorbeeld toeleveranciers niet meer zullen voorkomen?
Bij een innovatief en complex project als C2000, waarbij een groot aantal partijen meespeelt, dient altijd rekening gehouden te worden met onzekere factoren die van invloed kunnen zijn op de planning. Door de recente kabinetsbesluiten om extra financiën beschikbaar te stellen en nu een go-tenzij-beslissing te nemen teneinde de landelijke uitrol van het C2000-netwerk te realiseren, is duidelijkheid ontstaan over de beoogde voortgang. Zie hiervoor ook de brief van de staatssecretaris van BZK aan de Tweede Kamer (kamerstuk II 25 124 nr. 19). Om de planning van de uitrol tijdig te kunnen realiseren is de optimale inzet en medewerking van alle partijen vereist. Het kabinet zal daarom over de uitrol van C2000 overleggen met de regio's.
In de komende jaren wordt satelliet communicatie ten behoeve van rampenbestrijding verder uitgewerkt. Worden er in dit geval onderdelen van C2000 overbodig?
Satellietcommunicatie wordt specifiek ingezet voor de uitbreiding van de telefonieverbindingen op het rampterrein. Het betreft hier een voorziening in de verbindingscommando voertuigen waardoor het telefoonverkeer tussen het rampterrein en de meldkamer dan wel het Operationeel Centrum wordt veiliggesteld. Het vervangt daarmee geen onderdelen van C2000 maar functioneert als aanvulling op C2000.
Het kabinet wil de rol van de medisch milieukundige versterken. Wat worden de de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden? Wat is de relatie met het nieuwe Experticecentrum?
Binnen de rampenbestrijding zal de medisch milieukundige met gezag over de risico's voor de gezondheid en de te treffen maatregelen moeten adviseren, zowel bij de planvorming, als bij de rampenbestrijding zelf. Er is geen directe relatie met het nieuwe expertise centrum. Wel kan in zijn taak uitoefening de medisch milieukundige gebruik maken van de kennis, die door het expertisecentrum wordt ontwikkeld op het gebied van externe veiligheid, inclusief vuurwerk.
Is er inmiddels voldoende nazorg geregeld voor slachtoffers afkomstig uit minderheidsgroeperingen? Is deze nazorg inmiddels ook in voldoende mate in de eigen taal beschikbaar? Is het tekort aan hulpverleners in het algemeen bij het IAC in Enschede gelenigd door maatschappelijk werkers in vaste in plaats van in tijdelijke dienst aan te stellen en daarvoor vanuit VWS een facilitaire opstelling te kiezen? Zijn er inmiddels maatregelen genomen om de werkdruk bij huisartsen in Enschede te verminderen? Zijn er inmiddels voldoende maatschappelijke werkers beschikbaar voor scholen en schoolgaande kinderen?
Het tekort aan maatschappelijk werkers in algemene zin was het voornaamste probleem (het tekort aan maatschappelijk werkers bij het IAC speelde veel minder). Inmiddels zijn deze tekorten aan maatschappelijk werkers opgelost. Ook zijn er voldoende maatschappelijk werkers beschikbaar voor scholen en schoolgaande kinderen. Het beroep op het schoolmaatschappelijk werk is voor 80% van de populatie afkomstig van allochtonen. Het beroep op het gewone maatschappelijk werk is voor 25% van de populatie afkomstig van allochtonen. Mede daarom heeft men inmiddels 4 Turkssprekende en 1 Arabische sprekende maatschappelijk werker extra ingezet.
De werkdruk bij de huisartsen is inmiddels verminderd. De huisartsen hebben laten weten tevreden te zijn met mogelijkheden die zij tot hun beschikking hebben. Zij kunnen op grond van de belasting naar aantal getroffenen per praktijk de gewenste ondersteuning verkrijgen. Het betreft zowel administratieve ondersteuning als ondersteuning door de inzet van extra huisartsen.
Onderkent het kabinet de waarneming van de commissie dat er bij rampen met name voor allochtonen, ouderen en hulpverleners meer structurele psychosociale opvang en nazorg moet komen? Wat doet het kabinet extra om dit mogelijk te maken?
Bij de uitvoering van de integrale psychosociale (en medische) nazorg vuurwerkramp Enschede door de Stichting Consense (bestaande uit alle bij de psychosociale en medische nazorg betrokken instellingen) onder verantwoordelijkheid van de gemeente Enschede en met financiering vanuit de rijksoverheid, is er volop aandacht voor allochtonen, ouderen en hulpverleners (en kinderen en jongeren). Allochtonen, ouderen, kinderen/jongeren en hulpverleners zijn groepen die binnen de psychosociale en medische nazorg bij een ramp aandacht moeten krijgen. Echter: iedere ramp is anders. Daarom dient er altijd «maatwerk» door de verantwoordelijke instellingen geleverd te worden, afhankelijk van de samenstelling (o.a. leeftijd) en aard van de problemen van de direct en indirect getroffenen. Bij de cafébrand in Volendam bijvoorbeeld waren autochtone jongeren de grootste groep direct getroffenen.
Daarnaast moeten instellingen, los van een ramp, in hun reguliere zorgverlening in principe in staat worden geacht om bijvoorbeeld allochtonen en ouderen adequate en passende hulp te verlenen.
Kan de Kamer nog voor het plenaire debat beschikken over het onderzoek dat de ministeries van SZW en VWS verrichten naar de kwaliteit van de nazorg voor hulpverleners? Wat is de reactie van het kabinet op aanbeveling drie, eerste twee onderdelen, over nazorg op bladzijde 160 van het Eindrapport? Het kabinet stelt dat de nazorg voor vrijwillige hulpverleners een regionale verantwoordelijkheid is. Wat is niettemin zijn visie op dit vraagstuk?
De resultaten van de onderzoeken van de Arbeidsinspectie naar de kwaliteit van de geboden nazorg aan de hulpverleners is opgenomen in het deelrapport 14 van de gezamenlijke inspectiediensten, dat op 9 januari aan de Tweede Kamer is verstrekt. Met name sectie 5 van dit rapport beschrijft dit onderwerp.
Het kabinet is van oordeel dat de nazorg aan de hulpverleners na een ramp dient plaats te vinden overeenkomstig de reeds bestaande en wettelijk geborgde systematiek, waarbij de werkgever zelf de gewenste acties initieert, desgewenst ondersteund door deskundigen van zijn Arbodienst of uit andere organisaties.
Met betrekking tot de aanbeveling van de Commissie betreffende het verwerken van de geïntegreerde nazorg in richtlijnen ten aanzien van de rampenbestrijding (aanbeveling 1, onder 3, bladzijde 160, eindrapport Commissie) heeft het kabinet besloten om zich enerzijds te richten op de belangrijkste knelpunten die de Commissie signaleert. Het gaat dan met name om de aandacht voor de positie van de vrijwilligers (zie actie 84: aandacht vragen bij medeoverheden, kabinetsstandpunt), de verantwoordelijkheden van de werkgever in de zorg voor haar medewerkers die getroffen zijn door een ramp (zie actie 83, kabinetstandpunt), de positie van etnische minderheden en de richtlijnen voor het gezondheidszorgonderzoek (actie 85). Anderzijds zal het kabinet ook de opgedane ervaringen op het gebied van de nazorg borgen in relevante documenten zoals het Handboek Rampenbestrijding en het Nationaal Handboek Crisisbesluitvorming (zie actie 79, kabinetsstandpunt).
Zal bij het vaststellen van de criteria op basis van waarvan tot gezondheidsonderzoek en- monitoring kan worden besloten, het medisch nut ervan bepalend zijn? Wie of wat stelt in een concrete situatie vast of er sprake is van medisch nut? Wat zijn in dit verband de ervaringen bij het instellen van een gezondheidsonderzoek naar aanleiding van de Bijlmerramp?
Inderdaad zal het medisch nut leidend zijn bij de vast te stellen criteria. Medisch nut kent echter meerdere dimensies. Enerzijds betreft het zowel lichamelijke als psychische problematiek. Anderzijds is er sprake van zowel een nut voor de individuele getroffenen als voor groepen getroffenen. Het gezondheidsonderzoek direct na de ramp richt zich op de vraag of er inderdaad sprake is van lichamelijke en/of psychische problematiek als gevolg van de ramp en zo ja in welke mate en bij welke groepen van getroffen. De gezondheidsmonitoring is gericht op het volgen van de ontwikkelingen van de gezondheid van individuele getroffenen, op het moment dat zijn enige vorm van hulpverlening na de ramp ontvangen.
Deze complexiteit is voor het eerst onderkend bij de opzet van het medisch onderzoek voor de getroffenen van de Bijlmermeerramp. Ook in dat onderzoek wordt onderzoek gedaan naar zowel lichamelijke als psychische problematiek, en is sprake van een individueel onderzoek en een (epidemiologisch) onderzoek op groepsniveau. Belangrijke lessen van de Bijlmerramp is dat een gezondheidsonderzoek zo snel mogelijk na de ramp dient plaats te vinden én dat gezondheidsonderzoek en -monitoring over een langere periode dient plaats te vinden. Beide lessen zijn verwerkt in de aanpak in Enschede.
Welke rol krijgt de minister van VWS bij het instellen van een gezondheidsonderzoek en/of monitoring na rampen?
Zie het antwoord op vraag 74 (27 157-18).
Kan het kabinet een actueel financieel overzicht verstrekken van de materiële schade van particulieren en ondernemers en in hoeverre aan hen tegemoet gekomen is door de diverse getroffen regelingen?
In het overzicht in bijlage 2 is de stand van de uitvoering per 29 maart 2001 van de diverse regelingen voor on- en onderverzekerde schade weergegeven. De verzekerde schade beloopt volgens opgave van het verbond van verzekeraars de orde van grootte van f 600 mln.
Wanneer zal de studie naar de toereikendheid van de huidige financiële regelingen zijn afgerond? Worden in de tussentijd eventuele tijdelijke tegemoetkomingen verstrekt aan knelgevallen? Hoe staat het met een oplossing voor de groep van slachtoffers die door dubbele financiële lasten (hypotheek op verwoest huis of bedrijfspand en hypotheek of huurlasten voor de nieuwe woning of bedrijfspand) in de knel is gekomen?
Overeenkomstig de aanbevelingen van de Commissie voert het kabinet overleg met de gemeente Enschede over de opzet van het onderzoek naar de toereikendheid van de getroffen regelingen. De Kamer zal nader worden geïnformeerd over de opzet van dit onderzoek en het tijdpad ervan. Het kabinet heeft in het kabinetsstandpunt aangegeven geen rol te zien voor de overheid in het bevorderen van tegemoetkomingen in andere dan materiele schade. De motie van de gemeenteraad van Enschede van 19 maart 2001 dient dan ook in dat perspectief te worden bezien. Voor acute probleemgevallen bestaat reeds de mogelijkheid om een beroep te doen op de hardheidsclausules van de diverse door het college van B&W van Enschede vastgestelde regelingen, danwel op de reguliere regelingen, zoals de bijstand. Bij de probleemgevallen kan een onderscheid worden gemaakt tussen probleemgevallen bij particulieren en bedrijven. De bedrijven vallen alle binnen de werkingssfeer van de ondernemersregeling. Er zijn bij de gemeente Enschede circa 25 probleemgevallen bij particulieren bekend. Dit betreft met name particuliere woningeigenaren met herstelbare schade aan de woning waarvan de hypotheeklasten doorlopen tijdens de periode waarin vervangende woonruimte wordt gehuurd, wat huurlasten met zich brengt. Dit punt zal onderwerp zijn van de genoemde studie. Ook over de oplossingen voor de acute probleemgevallen zal de Kamer worden geïnformeerd.
Kan het kabinet inzicht geven in de wijze waarop verzekeraars momenteel slachtoffers van de ramp bejegenen? Wordt daarbij door verzekeraars aandacht gegeven aan de afhandeling van het een en ander omdat dit geen doorsnee calamiteit betreft?
Door de verzekeraars is gemeld dat bij de afhandeling van de verzekerde schadegevallen, gezien de aard van de calamiteit, de nodige ruimhartigheid is betracht.
Zijn de eigenaren van woningen met de vergoedingsmaatregelen en de koopvouchers van 10 000 gulden in voldoende mate geholpen?
Ja. De eigenaarbewoners zijn hiermee in een vergelijkbare positie gebracht als de huurders.
Het kabinet zal een studie laten verrichten naar de toereikendheid van de door de commissie financiële afwikkeling vuurwerkramp geadviseerde en de door het college van BenW vastgestelde regelingen. Betekent dit de uitvoering van de motie, aangenomen door de gemeenteraad van Enschede op 19 maart 2001, over de knelpunten die zijn blijven bestaan voor particulieren en bedrijven? Zo nee, voor welke onderdelen niet?
Zie het antwoord op vraag 203 (27 157-20).
Kan het kabinet uitleggen of de scheiding tussen materieel en immaterieel in dit verband duidelijk is te trekken? Geldt de uitspraak van minister president Kok nog steeds dat niemand in Enschede slechter van de ramp zal worden? (De Europese regelgeving staat vergoedingen voor bedrijven tot 100 000 euro toe. Nu blijkt dat er problemen door de Europese wetgeving blijven bestaan waardoor er zelfs minder uitgekeerd kan worden dan door de regering via EZ is toegezegd). Kan en zal het kabinet op grond van een andere EU regeling proberen deze problemen voor bedrijven op te lossen? Zal het kabinet dit in Brussel gaan bepleiten?
Door het kabinet is ruimhartige steun toegezegd aan de gedupeerden. Slachtoffers van de vuurwerkramp komen niet in de kou te staan. Het kabinet heeft zich – ook volgens de Commissie – aan deze toezegging gehouden.
De uitgangspunten van de regeling zoals voorgesteld door de Commissie Van Lidth de Jeude voor ondernemers zijn neergelegd in een brief aan de Tweede Kamer (TK, 27 157 nummer 12, 15-11-2000). De normen van deze regeling zijn helder ten aanzien van de tegemoetkomingen in de materiële en bedrijfsschaden. In de regeling is ook aangegeven dat overheidssteun aan individuele bedrijven niet hoger mag zijn dan 100 000 euro per 3 jaar. Tot nu toe zijn geen gevallen bekend waarbij de Europese regelgeving uitbetaling volgens de normen van de regeling belemmert. Welk bedrag uiteindelijk op grond van de regeling zal worden uitgekeerd is op dit moment niet te overzien.
Wat is de motivatie bij het standpunt van het kabinet dat bij voorbaat alle vergoeding van immateriële schade, op welke manier ook, wordt uitgesloten?
Voor gevallen van niet verzekerde schade is nog maar enkele jaren geleden een wettelijk kader, namelijk de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen, in het leven geroepen. Het gaat hierbij kort gezegd om vergoeding van materiele schade die niet op een aansprakelijke partij kan worden verhaald en niet verzekerbaar is. Bij dat laatste is het uitgangspunt dat de volledige schade door de aansprakelijke partij dient te worden vergoed inclusief eventuele immateriële schade (smartegeld). Het kabinet acht het niet wenselijk van deze recente wetgeving af te wijken en evenmin om in dit verband een extra wettelijke voorziening te creëren.
Wil het kabinet de CFA verzoeken alsnog een nader onderzoek te doen naar lichamelijk en psychische schade die thans niet vergoed is of wordt en tevens de mogelijkheden te doen verkennen om alsnog tot schadevergoeding dan wel uitkeringen over te gaan?
Zie het antwoord op vraag 208.
De getroffenen van de vuurwerkramp in Enschede komen niet in aanmerking voor de regeling voor niet-verzekerbare schade als gevolg van rampen die is geregeld in de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen. Waarom is het kabinet niet bereid om een basisontwerp voor financiële regelingen na rampen op te stellen of de bestaande regeling voor niet-verzekerbare schade bij rampen en zware ongevallen aan te passen zodat aanvullende regelingen na een ramp of zwaar ongeval niet meer nodig zijn? (Aanvullende regelingen hebben immers als nadeel dat de uitvoering ervan langer op zich laat wachten, hetgeen leidt tot grote onzekerheid over vergoeding van de schade bij de getroffenen).
Zie het antwoord op vraag 208.
Hoe is de verhouding van de onafhankeljike onderzoeksraad bij rampen tot de mogelijkheden en taken van de rijksinspecties bij onderzoek? Zijn er beleidslijnen op komst wanneer het een dan wel het ander zal worden ingezet?
Het kabinet zal alvorens een voorstel van wet over de nieuwe onafhankelijke raad voor te leggen aan de Tweede Kamer, eerst een hoofdlijnennotitie presenteren, waarin onder meer de verhouding tussen de Onafhankelijke Raad en de inspecties, de taakstelling en de omvang zullen worden beschreven. Uitgangspunt voor het kabinet is dat de onafhankelijke raad een gezaghebbende en daarmee vertrouwenwekkende positie krijgt, ook in verband met de maatschappelijke verontrusting die een ramp met zich mee kan brengen.
Hoe beziet het kabinet in het licht van de door de Commissie benoemde kanttekeningen bij sommige onderzoeken van rijksinspecties dat een rapport van de Rijksverkeersinspectie een halfjaar voor de Commissie is achtergehouden? (onder andere AD van 05-03-2001)? Hoe verklaart het kabinet de verschillen tussen het bedoelde conceptrapport en het eindrapport van de RVI?
De Rijksverkeersinspectie (RVI) heeft op 9 januari 2001 een Eindrapportage («Rapport Rijksverkeersinspectie naar aanleiding van de vuurwerkramp te Enschede») opgesteld waarin zij een kritische analyse heeft gemaakt van haar handelen. Er zijn daarin geen feiten achtergehouden. Ter toelichting op de verschillende RVI-rapportages het volgende. Zoals gebruikelijk vindt de weg naar een eindrapportage plaats via conceptrapportages. In de loop van zo'n proces worden feiten aangedragen, feiten worden geverifieerd en kunnen inzichten en formuleringen wijzigen. In dit proces zijn twee conceptrapportages en een eindrapportage door de Commissie onderscheiden.
1. In juli 2000 is een intern rapport samengesteld. Het betrof het conceptrapport van de afdeling havens, Binnenvaart en Spoor (HBS) van de sector Handhaving van de RVI. De inhoud is vervolgens deels verwerkt in de feitenreconstructie (in samenwerking met BZK en de andere 7 inspecties) die in oktober 2000 door de RVI is gepubliceerd en deels verwerkt in het eindrapport van de RVI, dat op 9 januari jl. werd gepubliceerd.
2. In november 2000 werd, zoals afgesproken tussen de Inspectie Brandweerzorg en Rampenbestrijding (IBR) en de Commissie, van alle inspecties de tussenstand via een concept-rapportage aan de Commissie ter hand gesteld. 3. In januari 2001 werd de definitieve rapportage van de RVI aan de Commissie gezonden. In het rapport van de Commissie wordt gesteld, dat het rapport van de genoemde afdeling HBS ingaat op de rol die de RVI heeft gespeeld bij de vergunningverlening aan en het toezicht op SE Fireworks, maar dat dit niet terugkeert in de eindrapportage. De reden dat dit niet terugkeert in de eindrapportage is dat het administratief onderzoek naar de vervoershandelingen en vergunningen uit het rapport in een ander format is opgenomen in de IBR-rapportage over de feitenreconstructie die in oktober 2000 in de openbaarheid werd gebracht.
Voorts stelt de Commissie, dat dit rapport er al in juli 2000 was en dat de Commissie het pas in januari jl. onder ogen kreeg. Het rapport van de afdeling HBS was een bouwsteen voor de reconstructie en de analyse van de RVI. Dit concept is terecht gekomen bij het programma Reporter van de KRO. Eind 2000 vroeg de Commissie bij de RVI de documenten op, die een rol hadden gespeeld in Reporter. Toen is haar onder meer het HBS-rapport toegezonden. De Commissie stelt verder, dat in het concept-eindrapport van november 2000 bepaalde zinnen staan, die niet meer zijn terug te vinden in het uiteindelijke eindrapport.
Bij de bespreking van de achtereenvolgende concepten zijn uiteraard formuleringen veranderd en verduidelijkt. Feitelijke discrepanties zijn naar de mening van het kabinet niet opgetreden.
Eindrapport Commissie onderzoek vuurwerkramp (27 157-18)
Welke aanbevelingen van de Commissie-Oosting zal het kabinet niet uitvoeren? Waarom niet?
In het kabinetsstandpunt is in hoofdstuk 1 aangegeven: «Daar waar het kabinet afwijkt van aanbevelingen van de Commissie of de rijksinspecties zal dat expliciet worden aangegeven».
In Bijlage 3 van het kabinetsstandpunt «Overzicht aanbevelingen Commissie in relatie tot kabinetsstandpunt en actiepunten, genoemd in bijlage 2 van het kabinetsstandpunt» is per aanbeveling van de Commissie aangegeven in welke paragraaf van het kabinetsstandpunt deze is behandeld en welk actiepunt aan deze aanbeveling gekoppeld is.
Kan per aanbeveling een overzicht (tijdpad, soort maatregelen, wie verantwoordelijk, enz.) worden gegeven van de wijze waarop deze zal worden uitgevoerd?
Aan het kabinetsstandpunt (27 157-20) is als bijlage 2 toegevoegd een overzicht van actiepunten, tijdpad, wie doet wat. Dit overzicht biedt het gevraagde inzicht.
Kan worden aangegeven welke wettelijke taken een regionaal coördinatie-centrum bij rampen moet vervullen in geval een ramp de gemeentegrens geografisch niet overschrijdt?
Op grond van artikel 3, tweede lid, onderdeel e, van de Brandweerwet heeft de regionale brandweer tot taak de coördinatie bij de bestrijding van rampen en zware ongevallen voor te bereiden. Het is aan het samenwerkingsverband hoe die voorbereiding wordt geregeld en welke taken het regionaal coördinatiecentrum (RCC) heeft. Het is dus afhankelijk van hetgeen het samenwerkingsverband in dat kader in zijn regeling heeft opgenomen of het RCC een taak heeft bij niet grensoverschrijdende calamiteiten en zo ja, welke, taken het RCC dan heeft.
De verbindingen zijn een achilleshiel gebleken. Is dit een constatering die specifiek voor deze ramp geldt of zijn daarvoor structurele oorzaken aan te wijzen die ook bij andere rampen tot soortgelijke problemen zullen leiden?
De verbindingen als achilleshiel is niet specifiek voor deze ramp. De structurele oorzaak is gelegen in het gegeven dat in de eerste uren van een ramp de behoefte aan communicatie in de vorm van onder andere meldingen van burgers vele malen groter is dan in redelijkheid door de meldkamer kan worden afgehandeld. De rol en functie van de meldkamer alsmede de daaraan te stellen kwaliteitseisen worden daarom in kaart gebracht en maatregelen gericht op het samenvoegen van meldkamers uitgewerkt. Hierdoor ontstaan mogelijkheden voor een betere samenwerking en taakverdeling tussen en in de meldkamers waardoor de overbelasting gedeeltelijk kan worden opgevangen. De mogelijkheden om de overbelasting in de eerste uren van de ramp te kunnen opvangen zijn echter beperkt. De communicatie op en om het rampterrein is zowel afhankelijk van de capaciteit en de mogelijkheden van het radionetwerk alsook de etherdiscipline van de hulpverleners. De huidige regionale analoge netwerken zijn op dit punt beperkt en verouderd. Door de introductie van C2000 wordt de capaciteit van het radionetwerk vergroot en zijn er technische mogelijkheden om de communicatie op en om het rampterrein beter te laten verlopen.
Hoe beoordeelt het kabinet de verhouding tussen de conclusie van de Commissie-Oosting dat de alarmering naar behoren is verlopen (p.115) en de conclusie in het centraal rapport vuurwerkramp Enschede (p. 28) van de rijksinspectie waar wordt gesteld dat de communicatie tussen de alarmcentrale en de brandweer sterk te wensen heeft overgelaten en de alarmcentrale een aantal routinevereisten achterwege heeft gelaten?
De Commissie geeft op p. 115 aan: «alarmering van de brandweereenheden verloopt naar behoren», d.w.z. het oproepen van de brandweereenheden(voertuigen) vanuit een rust- of kazernesituatie. De commissie heeft beoordeeld dat dit naar behoren is verlopen. De Inspectie Brandweerzorg en Rampenbestrijding geeft aan dat de communicatie tussen de centralisten van de regionale alarmcentrale enerzijds en de bevelvoerders en de officier van dienst anderzijds sterk te wensen overlaat. Zo bevat het eerste alarmeringsbericht niet alle relevante informatie die dan op de regionale alarmcentrale beschikbaar is. Voorts geven de bevelvoerders geen nader bericht door aan de alarmcentrale. Met het achterwege laten van routinevereisten door de centralisten wordt o.a. bedoeld het niet doorvragen naar aard van het incident en het adres bij melders (zie deelrapporten 5 en 6).
De conclusie van de Commissie dat de alarmering naar behoren is verlopen betreft de alarmering ( het oproepen) van eenheden. Een alarmering van eenheden volgt na een of meerdere alarmmeldingen. Hierbij moet worden bedacht dat in dit stadium er nog geen verbale communicatie is. De alarmering is een routinematige actie op basis van protocollen.
De conclusies van de rijksinspectie betreffen de verbale communicatie tussen de gealarmeerde eenheden en de alarmcentrale tijdens de inzet. Doordat veel eenheden tegelijkertijd berichten moeten en willen doorgeven raakt een alarmcentrale in huidige configuratie al snel overbelast. Hierdoor is het voorstelbaar dat ook routinematige handelingen achterwege blijven zoals plotten en voldoende doorvragen.
Er is geen vraag 6 aangeleverd door de Tweede Kamer.
Welke maatregelen zal het kabinet nemen, tot het moment dat C2000 wordt ingevoerd, om te voorkomen dat bij calamiteiten als gevolg van het toegenomen telefoonverkeer hulpdiensten onbereikbaar blijven c.q. ontoereikende communicatie kunnen onderhouden?
De regio's houden tot de invoering van C2000 de bestaande netwerken in bedrijf. Het Interim Landelijk Mobilofoonnetwerk (ILM) is speciaal voor deze overgangsperiode ingericht om het mobilofoonverkeer landelijk te kunnen blijven voeren. Tot het moment van de operationalisering eind 2003 van C2000 komen alle exploitatiekosten voor C2000 voor rekening van het Rijk. Hierdoor worden dubbele lasten voor de regio's voor het instandhouden van de radionetwerken voorkomen. Voor communicatie op en met het rampterrein wordt een aantal verbindingscommando voertuigen van de brandweer uitgerust met satelliet telefoon apparatuur, die onafhankelijk van de openbare netten functioneert. Daarnaast beschikken de hulpdiensten over het Nationaal Noodnet, een veilig en specifiek voor calamiteiten en uitval van de openbare netwerken ingerichte voorziening.
Welke lessen trekt het kabinet als systeemverantwoordelijke voor de rampenbestrijding, voor het functioneren van de rampenstaf en voor het optreden van de verschillende hulpverleningsdiensten naar aanleiding van de bevindingen van de Commissie-Oosting resp. die van de rijksinspecties?
Zie het antwoord op vraag 26 (27 157-18)
Wat is de opvatting van het kabinet over de aanbeveling van de Commissie-Oosting dat bij dergelijk onafhankelijk onderzoek een voorziening moet worden getroffen met het openbaar ministerie en de politie wanneer gelijktijdig een justitieel onderzoek plaatsvond?
Bij de voorbereidingen van de Hoofdlijnennotitie over de vormgeving van de nieuwe onafhankelijke onderzoeksraad voor rampen en zware ongevallen zal het kabinet rekening houden met deze aanbeveling. Ook thans zijn er met betrekking tot de Raad voor Transportveiligheid afspraken tussen de raad en het OM.
Is het classificatiesysteem bij juist gebruik voldoende onderscheidend en betrouwbaar? Sluit dit classificatiesysteem voldoende aan bij bijv. het Amerikaanse classificatiesysteem en andere internationale systemen?
Het classificatiesysteem, zoals dit door de VN is ontwikkeld, voor het vervoer, is vooralsnog voldoende onderscheidend en betrouwbaar. Ten aanzien van het fenomeen opsluiting bij opslag (mogelijk ook in een container) zijn thans (internationaal) twijfels of de huidige criteria voor het vervoer dit aspect voldoende afdekken. Nederland, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk onderzoeken gezamenlijk of een aanvraag voor een EU onderzoeksvoorstel gewenst is. De Amerikaanse transportregels volgen in beginsel het VN systeem. Daarnaast stellen de Amerikanen, dat vuurwerk aan de Amerikaanse norm met betrekking tot het gebruik moet voldoen. Consumentenvuurwerk is per definitie 1.4 en professioneel vuurwerk 1.3. Zaken, die buiten de norm vallen, bijvoorbeeld doordat er meer kruit in het artikel zit dan aangegeven in de norm worden apart beoordeeld.
Zijn er aanwijzingen dat de zwaarte van het geïmporteerde vuurwerk de laatste jaren is toegenomen? Zo nee, is daar wel op gecontroleerd?
Daartoe zijn geen concrete aanwijzingen geweest. Wel is een trend waarneembaar geweest tot gebruik van spectaculairder (sier)vuurwerk. Er is overigens na de vuurwerkramp een onderzoek naar de opslag van vuurwerk uitgevoerd door de inspectie Milieuhygiene. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in het rapport: Onderzoek classificatie van evenementenvuurwerk «. Kamernummer VROM 000 216. Bij dat onderzoek is ook documentatie uit archieven die beschikbaar was bij de vergunninghouder bestudeerd. Uit die gegevens bleek dat er in de loop van de tijd steeds zwaarder vuurwerk gebruikt werd.
Indien geen vergunning is vereist voor het vervoer van professioneel vuurwerk hoe kan de RVI dan doelmatig controleren of het vervoer aan de gestelde eisen voldoet?
Bij het transport van professioneel vuurwerk is geen vergunning vereist.
De volgende mogelijkheden zijn aanwezig om de doelmatigheid van de gestelde eisen van het vervoer van vuurwerk te controleren:
– Op basis van produktinformatie kan de inspecteur beoordelen of produkten op de juiste wijze zijn verpakt;
– Direct opvragen van informatie m.b.t. de classificatie van een vuurwerkprodukt;
– Monsterneming bij de controles en het testen van het vuurwerk is een effectief middel om de classificatie van het vuurwerk vast te stellen.
Waarom wordt in Duitsland bij invoer van professioneel vuurwerk de veiligheidsclassificatie wel gecontroleerd en in Nederland niet?
In Duitsland wordt de vervoersclassificatie van professioneel vuurwerk steekproefsgewijs gecontroleerd. Wel wordt na transport aan de hand van lijsten bij de opslag in inrichtingen de classificatie aangepast. Nederland volgt de internationale verdragen en die zijn uitgangspunt voor de classificatie.
Er is een scheiding tussen vervoersreglementering en opslagreglementering, terwijl de insteek in Duitsland ook gericht is op de opslag. Zie ook het antwoord op vraag 32 (27 157-18).
Professioneel vuurwerk wordt bij invoer in Nederland niet gecontroleerd. Welke overheidsinstantie had de plicht om wel die controle uit te voeren. Welke overheidsinstantie had de taak deze gevaarlijke tekortkoming in de controle te signaleren en daarvoor zelfstandig voorzieningen te treffen en initiatieven te ontplooien. Heeft de inspectie voor het brandweerwezen hierin op grond van de brandweerwet een wettelijke taak en zo ja, hoe is die ingevuld?
Nee, de Inspectie Brandweerzorg en Rampenbestrijding heeft geen controlerende functie, maar heeft tot taak het toetsen van de wijze waarop bestuursorganen van provincie, een gemeente, een lichaam dat bij gemeenschappelijke regeling is ingesteld dan wel een ander openbaar lichaam hun taken uitvoeren met betrekking tot het voorkomen van, het voorbereiden op en het bestrijden van een brand, ongeval of ramp. Tevens verricht de Inspectie Brandweerzorg en Rampenbestrijding onderzoek naar aanleiding van een brand, ongeval of ramp.
VenW is als mede-wet- en regelgever en controlerende instantie (RVI) verantwoordelijk voor de controle op professioneel vuurwerk tijdens het vervoer door Nederland. Deze controles vormen een onderdeel van de controles binnen het brede pakket van gevaarlijke stoffen, zoals die per schip en over de weg worden vervoerd. Aangezien zich tijdens het vervoer van vuurwerk geen noemenswaardige incidenten hebben voorgedaan is er wat dit betreft geen sprake van een gevaarlijke tekortkoming.
Is het toezicht door de RVI op de naleving van de wettelijke regeling voor het vervoer de laatste jaren minder intensief geworden en zo ja, wat is daarvan de reden?
Nee. De controles zijn na 1997, mede naar aanleiding van incidentele meldingen van inspecteurs en in het zicht van de naderende millenniumovergang geïntensiveerd.
Is het beleid van de R.V.I. de laatste jaren gewijzigd met betrekking tot de afgifte en controle op de afleveringsvergunningen op grond van art. 33 van het Reglement Gevaarlijke Stoffen.
Met betrekking tot artikel 33 en artikel 41 Reglement Gevaarlijke Stoffen is het beleid van de RVI niet gewijzigd.
Is er een openbaar register waarin geregistreerd wordt wie er in het bezit is van bezigingsvergunning voor professioneel vuurwerk? Zo nee, op welke wijze vindt registratie plaats?
Er is geen openbaar register. Wel houdt de RVI een lijst bij waarop de bedrijven staan vermeld die in het bezit zijn van een bezigingsvergunning. Op verzoek van de vuurwerkbranche en gemeenten wordt informatie uit die lijst toegezonden.
Is het beleid van de R.V.I. de laatste jaren gewijzigd met betrekking tot de bezigingsvergunning op grond van art 41 van het Reglement Gevaarlijke stoffen? Zo ja, in welke zin en hoe is dit dan gecommuniceerd?
Zie het antwoord op vraag 16 (27 157 18).
Is naar het oordeel van het kabinet onderzoek nodig naar de kwaliteit van vergunningverlening en handhaving in andere gemeenten, zoals ook de gemeente Enschede aangegeven heeft?
In het rapport «Handhaven op niveau» heeft de Commissie Privaatrechtelijke en Bestuursrechtelijke Handhaving (Commissie Michiels) betrekkelijk recent relevant onderzoek terzake gedaan en de oorzaken van handhavingstekort geanalyseerd. In zijn kabinetsstandpunt «Handhaven op niveau» (Kamerstukken II, vergaderjaar 1999–2000, 26 800 VI, nr. 67) van 18 april 2000 heeft het kabinet aangegeven de verschillende door de Commissie Michiels onderkende oorzaken te herkennen. Het rapport van de Commissie onderzoek vuurwerkramp onderstreept de noodzaak om de in het kabinetstandpunt aangekondigde initiatieven tot verdere professionalisering en versterking van de samenwerking bij de handhaving voort te zetten.
Hoe luidde het advies dat de Directie Materieel van de Koninklijke Landmacht (DMKL) op 5 oktober 1994 en op 10 februari 1997 heeft uitgebracht aan de gemeente Enschede?
Zie bijlage 3.
De gemeente Enschede heeft niet onderkend dat het bedrijf zich door de jaren heen meer en meer had toegelegd op de handel in professioneel vuurwerk. Dit was wel bekend bij verscheidene rijksinspecties en adviseurs. Welke rijksinspectie(s) had de plicht de gemeente hierop te wijzen gelet op het gevaar dat hiervan uitging? Waarom is dit onvoldoende gebeurd? Welke inhoud hadden de adviezen van de inspecties? Waren die adviezen op schrift gesteld en welke instantie heeft ze uitgebracht?
In het rapport van de Commissie is aangegeven welke taak de rijksinspecties hadden en welke rol zij vervuld hebben met betrekking tot de advisering aan de gemeente. Naar de mening van het kabinet is dit een volledig overzicht.
Is het bericht uit Trouw van 16 mei 2000 juist dat in 1996 de brandweer ternauwernood kon voorkomen dat SE Fireworks naar een woonwijk in Dordrecht zou verhuizen? Had de Koninklijke Landmacht als adviseur daar al groen licht voor gegeven?
Hiervoor is in het dossier betreffende SE Fireworks dat aanwezig is bij AMV geen enkele aanwijzing teruggevonden. Er waren plannen voor een verhuizing van SE Fireworks naar een andere locatie in Enschede. Uit Dordrecht zijn geen vergunningaanvragen van SE Fireworks bekend.
Welke informatie heeft het kabinet over de wijze waarop de VNG zich in 1999 tot het kabinet heeft gewend naar aanleiding van de klachten die de VNG bereikten over het functioneren van het bureau Milan?
Volgens de VNG heeft de VNG in de periode augustus-september 1999 klachten van gemeenten over bureau AMV geïnventariseerd. Vervolgens heeft in oktober 1999 overleg plaatsgevonden door een medewerker van de VNG met een medewerker van de IMH van het ministerie van VROM. Hem is gevraagd actie te ondernemen naar aanleiding van de klachten. Naar aanleiding van dit gesprek is de VNG benaderd door de Koninklijke Marechaussee (Kmar), die was gestart met een onderzoek naar het bureau AMV. De VNG heeft hierop de Kmar geïnformeerd over de klachten van de gemeenten.
Mede op basis van de resultaten van het onderzoek van de Kmar is een nader corruptie-onderzoek door de Rijksrecherche gestart. In het kader van dit onderzoek heeft in januari 2001 huiszoeking plaatsgevonden in de woningen en kantoren van twee medewerkers van bureau AMV. Op basis daarvan vindt thans nader onderzoek plaats.
Tot welke functionaris van DMKL heeft de gemeente Enschede zich gewend met betrekking tot klachten over het functioneren van het bureau Milan? Wat is er met die klachten gebeurd?
De klachten van de gemeente Enschede zijn bij brief van 22 juni 1999 gericht aan de Directeur Materieel KL. De brief is beantwoord namens de Directeur Materieel door het toenmalig hoofd van Bureau AMV op 6 juli 1999. In de brief van bureau AMV is onder meer aangegeven dat besprekingen met bedrijven in het vervolg uitsluitend via de gemeente en in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van de gemeente zullen worden gepland.
Waarop berustte de vrees voor te grote invloed van de vuurwerkbranche toen werd geprobeerd een op de Wet Milieugevaarlijke stoffen te baseren besluit voor professioneel vuurwerk te maken?
Algemeen uitgangspunt bij het maken van nieuwe regels is dat bij het bepalen van de keuze voor een mogelijkheid tot overheidsinterventie om een doelstelling te bereiken zoveel mogelijk wordt aangesloten bij het zelfregulerend vermogen in de betrokken sector of sectoren. Direct overheidsingrijpen is slechts op zijn plaats, indien van het zelfregulerend vermogen van een sector niet voldoende resultaten te verwachten zijn. Gelet op de grote risico's die vuurwerk met zich mee kan brengen, is vanuit het ministerie van Justitie het louter of grotendeels aan de betrokken sector overlaten van het stellen van de normen een stap te ver gevonden. Bovendien werd – en de Commissie bevestigt dit – binnen het ministerie van Justitie gevreesd dat de branche de erkenningsregeling zag als middel tot versterking van de bestaande marktpositie. Justitie zag het werken aan de Erkenningsregeling als een mogelijkheid voor de branche tot professionalisering, die overigens op dat moment niet of nog niet in de plaats zou kunnen komen van een wettelijke regeling met een vergunningsstelsel.
Hoe beoordeelt het kabinet de uitspraak van de Commissie-Oosting dat het ministerie van VROM niet door de IMH op de hoogte is gesteld van de vuurwerkexplosie in Culemborg? Als elke Nederlander die de krant leest van de explosie op de hoogte is zou de Commissie-Oosting dan mogen veronderstellen dat VROM dat niet zou weten?
De vuurwerkexplosie te Culemborg is door de IMH Gelderland beoordeeld als een arbeidsongeval met voor milieu alleen de asbestverontreiniging als van belang. Dit was niet terecht, maar verklaarbaar omdat het TNO-rapport, dat als onderdeel van het strafrechtelijk onderzoek op dat moment vertrouwelijk was, niet aan de IMH ter beschikking is gesteld.
Daarom is deze zaak niet, zoals gebruikelijk bij bijzondere gebeurtenissen, besproken met de betrokken beleidsonderdelen.
Hoe beoordeelt het kabinet het feit dat de procureur-generaal bij het Gerechtshof te Amsterdam, nadat hij een brief over de kansen op herhaling van de ramp bij Culemborg naar het ministerie van Justitie heeft gestuurt, niet verder reageert wanneer er geen antwoord van de minister komt? Welke is de gebruikelijke behandeling die brieven van het Openbaar Ministerie aan de minister van Justitie ten deel vallen?
Naar het oordeel van de Commissie heeft het openbaar ministerie in 1991, gelet op zijn taakopdracht, adequaat gehandeld met het bericht aan de minister van Justitie over de gesignaleerde hiaten in de vergunningverlening en in het toezicht. Het behoort evenwel niet tot de taak en verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie om toe te zien op de behandeling en voortgangsbewaking van haar brieven binnen het ministerie van Justitie. In dit geval was ook niet om een reactie gevraagd, maar beoogde het openbaar ministerie met de brief de bevindingen onder de aandacht van de toenmalige minister van Justitie te brengen met het advies hierover in contact te treden met zijn betrokken ambtgenoten.
Wat is de reden dat de inspectie milieuhygiëne en het ministerie van VROM zo weinig alert gereageerd hebben op het TNO-rapport over Culemborg? Was bij VROM voldoende kennis aanwezig om de reikwijdte van de onderzoeksrapporten over Culemborg te doorzien?
Zie het antwoord op vraag 26 (27 157-18).
Welke concrete aanbevelingen en voorstellen heeft de Commissie Preventie van Rampen met Gevaarlijke Stoffen (CPR) vanaf 1991 gedaan ? Hoe heeft het kabinet daarop gereageerd?
Zie het antwoord op vraag 46 (27 157-20).
Is het kabinet van mening dat de primaire verantwoordelijkheid voor het voorkomen van, het beperken van en het beschermen tegen brand en rampen op grond van de Brandweerwet op rijksniveau ligt bij de minister van BZK?
De primaire verantwoordelijkheid voor het voorkomen van, beperken van en beschermen tegen brand en rampen ligt op gemeentelijk niveau. Het rijk is systeemverantwoordelijk voor de rampenbestrijding en schept de noodzakelijke randvoorwaarden opdat alle verantwoordelijke besturen en diensten in samenhang hun taken kunnen uitoefenen. Deze verantwoordelijkheid is op rijksniveau toebedeeld aan de minister van BZK als ondertekenaar van de Brandweerwet 1985 en de Wet rampen en zware ongevallen. In beide wetten heeft deze minister een aantal specifieke bevoegdheden ter ondersteuning van zijn systeemverantwoordelijkheid.
Had de Directie Brandweer van het ministerie van BZK niet wettelijk de plicht om naar aanleiding van de ramp in Culemborg en de daarover uitgebrachte TNO rapporten zelf nadere adviezen en richtlijnen aan de gemeenten te geven met betrekking tot vuurwerk? Zo ja, waarom is dat niet gebeurd? Was en is er binnen het ministerie van BZK daartoe voldoende kennis aanwezig? Indien de wettelijke plicht daartoe voor de Directie Brandweer niet bestond wie had die plicht dan wel?
Het geven van adviezen aan en het ondersteunen van gemeenten is niet een exclusieve taak van het ministerie. Hier is ook een rol voor de regionale brandweren weggelegd en verder staat het de gemeenten vrij om gezamenlijk kennispotentieel op te bouwen, bijvoorbeeld door tussenkomst van de VNG.
Bij het ministerie van BZK is kennis aanwezig, maar de capaciteit is beperkt. Na de discussies in het begin van de jaren negentig (kerntaken, grote efficiency-operatie) is een deel van deze taken overgeheveld naar decentrale overheden, daarbij is constant de afweging gemaakt hoe een dergelijke overheveling op een verantwoorde wijze gestalte kon krijgen. Een concreet voorbeeld hiervan vormt het netwerk van Officieren Gevaarlijke Stoffen, waarbij het ministerie een faciliterende rol vervult. Het ministerie zelf richt zich primair op beleidstaken.
Zijn de veiligheidsrichtlijnen voor vuurwerk in Nederland de laatste jaren ook in internationaal verband getoetst. Zo ja, hoe kwamen de Nederlandse richtlijnen uit die toetsing te voorschijn? Zo neen waarom heeft die toetsing niet plaatsgevonden?
De veiligheidsnormen voor vervoer zijn in overeenstemming met de internationale richtlijnen. Er zijn geen internationale richtlijnen voor opslag.
Is er binnen de Arbeidsinspectie voldoende deskundigheid aanwezig om zinvolle controles van vuurwerkopslag mogelijk te maken? Zo ja, waarom heeft de Arbeidsinspectie dan geen alarm geslagen na bezoeken aan bijv. SE Fireworks?
Ja, de Arbeidsinspectie kent het systeem van algemene inspecteurs met een basisdeskundigheid op het terrein van de arbeidsomstandigheden in brede zin en een aantal groepen van specialisten met elk een specifieke deskundigheid. Op het terrein van de gevaarlijke stoffen zijn drie vormen van specialismen bij de Arbeidsinspectie aanwezig: arbeidshygiëne, chemische veiligheid en major hazard control. De algemeen inspecteurs doen in projectmatige zin het eerstelijns inspectiewerk en vragen in de tweede lijn zo nodig ondersteuning van de specialist. Indien klachten worden ingediend bij de Arbeidsinspectie of ongevallen gebeuren, hangt het van de aard af of al dan niet direct een specialist wordt ingezet voor nader onderzoek.
Tijdens de inspectie bij SE Fireworks in 1997 zag de algemeen inspecteur gezien de op dat moment aangetroffen situatie geen aanleiding om een specialist in te schakelen voor een tweedelijns inspectie.
Overigens is inmiddels vastgelegd dat, ingeval een algemeen inspecteur de opslag van of het werken met vuurwerk aantreft, deze altijd een specialist dient in te schakelen.
Onderschrijft het kabinet het verwijt van de Commissie-Oosting dat DMKL geen initiatief heeft genomen tot een groot landelijk onderzoek bij vuurwerkbedrijven naar aanleiding van de vuurwerkramp in Culemborg? Zo ja, welke gronden heeft ziet het kabinet voor dit verwijt ? Had DMLK in dezen bevoegdheid en hoe verhield die bevoegdheid zich tot de beveogdheid van het ministerie van VROM dat toch de eerste verantwoordelijke voor vuurwerk is?
De vuurwerkexplosie in Culemborg is – zoals in het antwoord op vraag 24 (27 157-Q) is aangegeven – destijds beschouwd als een bedrijfsongeval. Achteraf is dit te betreuren. De bevoegdheidsverdeling voor het houden van een landelijk onderzoek was indertijd niet scherp afgebakend.
Hoe beoordeelt het kabinet de juistheid en volledigheid van de informatie die de R.V.I. vanaf aanvang naar de Commissie-Oosting heeft gestuurd?
Zie het antwoord op vraag 212 (27 157-20).
Zijn door veranderingen bij de R.V.I. de controles op vuurwerk de laatste jaren verminderd en is er voldoende deskundigheid binnen de R.V.I. aanwezig om zeer gevaarlijk vuurwerk te kunnen onderkennen?
Voor wat betreft het eerste deel van de vraag wordt verwezen naar vraag 15 (27 157-18). De deskundigheid bij de inspecteurs is de laatste jaren – middels scholing – verder uitgebouwd.
Is bij bezuinigingen bij het ministerie van Defensie voldoende rekening gehouden met de taak die DMKL buiten Defensie heeft met betrekking tot vuurwerk? Zijn er bij Defensie richtlijnen voor de minimale bezetting en deskundigheid van de DMKL organisatie? Is de praktijk in overeenstemming met die minimale eisen?
Zie het antwoord op 1 (27 157-16). Er waren geen richtlijnen bij Defensie m.b.t. de minimale bezetting m.b.t. vuurwerk bij de DMKL organisatie. Er bestaan wel opleidingseisen voor de diverse functies bij bureau AMV. De taken van het bureau AMV met betrekking tot vuurwerk vereisen kennis die niet organiek bij Defensie aanwezig is. Dit betekent dat aanvullende opleidingen dienen te worden gevolgd. Zittende functionarissen volgen nog opleidingen om aan de gestelde eisen te kunnen voldoen. Gedurende het opleidingstraject van de functionarissen worden zij onder begeleiding ingezet voor advies- en toezichtwerkzaamheden waarbij zij de noodzakelijke ervaring opdoen. Naar het oordeel van het kabinet is het nodig advisering en toezicht te laten doorgaan gedurende de periode dat het opleidingstraject wordt doorlopen. Er dient steeds een goede balans te worden gevonden tussen het op peil brengen van de noodzakelijke deskundigheid en het verzekeren van de voortgang van de werkzaamheden. Alle mogelijke maatregelen zijn genomen om gedurende dit opleidingstraject de uitvoering van de taken zo verantwoord mogelijk plaats te laten vinden.
Welke actie heeft de minister van VROM ondernomen vanaf 1991, nadat het rapport over Culemborg beschikbaar was gekomen?
Zie het antwoord op vraag 60 (27 157-20) en het antwoord op vraag 26 (27 157-18).
Welke actie heeft de Inspectie Milieuhygiëne ondernomen vanaf 1991, nadat het rapport over Culemborg beschikbaar was gekomen?
Zie het antwoord op vraag 26 (27 157-18)
Hoe en op basis van welke overwegingen beoordeelt het kabinet de conclusie dat vooral de DMKL en de RVI te kort zijn geschoten in hun rol van adviseur en toezichthouder? Hoe beoordelt het kabinet het feit dat in de conclusie het ministerie van VROM en de Inspectie Milieuhygiëne ontbreken?
De Commissie heeft in het eindrapport aandacht besteed aan de tekortkomingen in het handelen van de rijksoverheid. De Commissie heeft daarbij aandacht besteed aan alle betrokken onderdelen van de overheid. Het is de keuze van de Commissie geweest om in de eindconclusie twee onderdelen met name te noemen.
Het kabinet heeft in de kabinetsreactie zijn reactie gegeven op de conclusies van de Commissie en is daarbij ingegaan op de rol van de betrokken departementen en de daaronder ressorterende diensten. Het kabinet heeft in dit kader de zienswijze van de Commissie onderschreven dat er geen zwaartepunt in verantwoordelijkheden kan worden aangegeven.
Had DMKL de wettelijke plicht de gesignaleerde gevaren van uit de verpakking gehaald vuurwerk classificatie 1.1, door te geven aan het bevoegd gezag of aan een andere overheidsinstantie zodat passende maatregelen genomen hadden kunnen worden? Indien ja, waarom is dit niet gebeurd?
Nee, hoogstens in het kader van het toezicht op de naleving van de vergunning voorzover dit strijdig met de vergunningvoorwaarden was.
De transportclassificatie van explosieve stoffen is een onderwerp uit de vervoerswetgeving en geen taak van AMV. Bureau AMV is op basis van het Besluit aanwijzing toezichthoudende ambtenaren milieuwetgeving door VROM mede belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de Wet milieubeheer bepaalde ten aanzien van inrichtingen waaronder die voor de opslag van vuurwerk. Er zijn geen nadere externe richtlijnen gegeven voor de wijze waarop dit toezicht moet worden uitgeoefend. Evenmin is in de regelgeving omschreven op welke aspecten het toezicht zich specifiek dient te richten.
Nu de controle op de juistheid van de transport classificatie geen verantwoordelijkheid was van bureau AMV, controleerden de medewerkers van het bureau dan ook niet de inhoud van de dozen. AMV controleerde of de aanwezige hoeveelheid vuurwerk (het aantal dozen) van een bepaalde gevarenklasse toegestaan was op basis van de vergunningvoor de inrichting.
In het geval van SE Fireworks is door een adviseur van AMV in 1998 geconstateerd dat een aantal losse mortierbommen doordat deze uit de verpakking waren gehaald in klasse 1.1. ingedeeld moesten worden. Dit is ook schriftelijk doorgegeven aan het bevoegd gezag, in dit geval aan de gemeente Enschede.
Had DMKL, bij bezoek aan SE Fireworks, op grond van hun expertise moeten kunnen waarnemen dat er in strijd met de vergunning te zwaar vuurwerk lag opgeslagen en hadden genoemde instanties ook de plicht deze bedrijfsbezoeken uit te voeren?
Behoudens een aantal evidente zaken is het niet mogelijk om visueel te constateren dat er te zwaar vuurwerk lag of dat vuurwerk onjuist geclassificeerd is. Hier zijn uitgebreide en kostbare classificatie testen voor nodig waarbij meerdere complete transportverpakkingen destructief worden beproefd. Zie ook het antwoord op vraag 41 (27 157-18).
Deelt het kabinet de conclusie van de Commissie-Oosting dat wellicht erger was voorkomen indien VROM het actiepunt naar aanleiding van de ramp in Culemborg had uitgevoerd?
Ja.
Had de brandweer Enschede op grond van de brandbeveiligingsverordening en de Brandweerwet de wettelijke plicht om het vuurwerk dat op 13 mei 2000 bij SE Fireworks lag opgeslagen te controleren op classificatie en hoeveelheid. Was de brandweer daartoe in staat geweest? Welke andere instanties dan de brandweer hadden een wettelijke controleplicht op de hoeveelheid vuurwerk en de classificatie en bezaten die instanties daarvoor voldoende deskundigheid?
De Brandweer heeft tot taak de feitelijke uitvoering van werkzaamheden met betrekking tot het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar, het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en al wat daarmee samenhangt. Tevens dient zij op te treden ter zake het beperken en bestrijden van een ramp of zwaar ongeval in de zin van de Wet rampen en zware ongevallen (artikel 1, zesde lid, i.s.m. het vierde lid, van de Brandweerwet 1985). De brandweercommandant heeft, voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van bovenvermelde taak nodig is, vrij toegang tot alle plaatsen en kan alle benodigde uitrustingsstukken en hulpmiddelen meenemen en daarvan gebruik maken (artikel 20 Brandweerwet 1985). De brandweer heeft dus geen wettelijke bevoegdheid om de naleving van vergunningsvoorwaarden te controleren. Zij voert slechts werkzaamheden uit in opdracht van de burgemeester en wethouders.
Het bevoegd gezag, veelal de gemeente, alsmede het IMH in haar rol van tweedelijns toezicht, controleren op naleving van de vergunningsvoorwaarden waaronder eisen t.a.v. toegelaten vuurwerk. Verder controleert de Arbeidsinspectie de arbeidsveiligheid.
Het bureau AMV ressorterende onder de directie Materieel Koninklijke Landmacht heeft op basis van het Besluit aanwijzingen toezichthoudende ambtenaren milieuwetgeving, eveneens tot taak om toezicht te houden op de naleving van het bij of krachtens de Wet milieubeheer bepaalde ten aanzien van onder meer inrichtingen waar vuurwerk wordt opgeslagen. Er zijn verder geen externe richtlijnen gegeven voor de invulling van deze taak. Wat betreft de classificatie ging men er van uit bij AMV dat dit geen taak was van AMV. Behoudens een aantal evidente zaken is het niet mogelijk om visueel te constateren dat er zwaar vuurwerk lag of dat er vuurwerk onjuist geclassificeerd is. Hier zijn uitgebreide en kostbare classificatietesten voor nodig waarbij meerdere complete transportverpakkingen destructief worden beproefd.
De RVI heeft een controlerende taak bij het vervoer en haar toetsing is dus uitsluitend gebaseerd op de vervoersregelgeving. Controle op de classificatie bij het vervoer maakt hier onderdeel van uit. De controletaak van de RVI strekt zich niet uit tot de opslag en ziet dus niet op de hoeveelheid vuurwerk die binnen de inrichting lag opgeslagen toe.
Voor wat betreft de vraag welke inspectie deskundigheid over classificatie bezat, kan gesteld worden dat de RVI de taak en deskundigheid heeft voor de controle van de classificatie van vuurwerk. Inmiddels heeft de IMH een grote controle uitgevoerd.
Sluit de classificatie gevarenklasse 1.4 voor consumentenvuurwerk aan bij de internationale afspraken over classificatie? Hoe is deze afstemming van classificatie en afspraken voor professioneel vuurwerk?
Nee. De classificatie in sub klasse 1.4 komt overeen met de transportclassificatie. Het onderscheid tussen consumentenvuurwerk en professioneel vuurwerk is gebaseerd op consumentenwetgeving en niet op de transportclassificatie.
Welke opvatting heeft het kabinet over de respectieve rollen van de overheid en van burgers en ondernemers bij het uitsluiten of beperken van risico's?
De burger/ondernemer heeft, naast de gemeenten, provincies en het Rijk, een eigen verantwoordelijkheid voor veiligheid. Tot deze verantwoordelijkheid behoort ook het in beeld brengen én beperken van de veiligheidsrisco's. In het Integraal Veiligheidsprogramma heeft het kabinet aangegeven dat het bevorderen van integrale veiligheid een kerntaak is van de overheid, máár dat de overheid niet alleen de samenleving veiliger kan maken. Ook bedrijven en burgers moeten zich bewust zijn van veiligheid en risico's en daarin hun eigen verantwoordelijkheden onderkennen.
Echter ook bij een maximale inzet om risico's zo veel mogelijk terug te brengen, blijven er risico's over. Een succesvol veiligheidsbeleid betekent niet dat alle risico's in onze samenleving kunnen worden uitgesloten.
De rol van de overheid is die van het scheppen van kaders waarmee bepaald wordt welke risico's aanvaardbaar zijn en welke niet. Voor externe veiligheid zijn door de overheid normen ontwikkeld die in acht moeten worden genomen bij zowel de vergunningverlening als bij de besluitvorming in het kader van de ruimtelijke ordening. Het bevoegd gezag neemt in de vergunning voorschriften op om de risico's te beperken en ziet toe op naleving daarvan.
Hoe ver gaat volgens het kabinet de aansprakelijkheid van burgers en ondernemers in geval van rampen zoals de Vuurwerkramp Enschede?
Het uitgangspunt in het privaatrecht is dat de burger/ondernemer die civielrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden op basis van onrechtmatige daad of een risicoaansprakelijkheid, verplicht is de gehele door hem veroorzaakte schade te vergoeden. Bovendien geldt dat de gelaedeerde zich op het gehele vermogen van de aansprakelijke partij kan verhalen. In het algemeen plegen particulieren en ondernemingen zich tegen de financiele gevolgen van een dergelijke aansprakelijkheid te verzekeren, zodat er voor de gelaedeerden ook daadwerkelijk voldoende verhaalsmogelijkheden zullen zijn.
Welke overheidsinstantie is bij een risicoanalyse en effectbeperkings-benadering primair verantwoordelijk voor het leveren van de gegevens? Bezit die instantie daarvoor de nodige expertise?
Degene die de gevaarzettende activiteit verricht is te allen tijde verantwoordelijk voor het aanleveren van de juiste gegevens betreffende de activiteit, in het kader van een vergunningaanvraag en het daarbij behorende veiligheidsrapport of de in dat kader door het bevoegd gezag verzochte risico-analyse, dan wel in het kader van de indiening van een periodiek veiligheidsrapport ter voldoening aan de verplichtingen terzake op grond van het Besluit risico's zware ongevallen 1999 (Seveso-inrichtingen). Voor de beoordeling van die gegevens heeft het bevoegd gezag doorgaans voldoende expertise. Als vangnet kan het bevoegd gezag voor de beoordeling van de gegevens een beroep doen op het RIVM of een in risico-analyses gespecialiseerd technisch adviesbureau.
Wat is het standpunt van het kabinet met betrekking tot de aanbeveling een keuze te maken tussen een risicobenadering en een effectbeperkingsbenadering?
In het kabinetsstandpunt Vuurwerkramp is aangegeven dat in het kader van de besluitvorming over aangekondigde AMvB's m.b.t. externe veiligheid van inrichtingen en van vervoer zal worden besloten of voor sommige risicobronnen een meer op de effecten bij ongevallen gebaseerde benadering moet worden gekozen. Die besluitvorming heeft nog niet plaats gevonden.
Het gevaar bestaat dat de maatregelen met betrekking tot professioneel vuurwerk een overaccent krijgen. Is er op dit moment voldoende duidelijkheid welke andere externe risico's mensen lopen? Zo nee, op welke wijze worden die risico's op korte termijn in kaart gebracht en hoe worden deze risico's tot aanvaardbaar niveau teruggebracht?
In het externe veiligheidsbeleid dat in Nederland wordt gevoerd worden alle gevaarlijke activiteiten beoordeeld met een passend beleidskader, gebaseerd op een inschatting van de risico's en de mogelijke effecten. Daarbij krijgen kans en gevolg van ongevallen met gevaarlijke stoffen bij vervoer en opslag in inrichtingen gepaste aandacht.
Daarbij worden zowel de (plaatsgebonden) risico's geschat en getoetst, die een willekeurige persoon zou kunnen lopen door een gevaarlijke activiteit, als de risico's van een zwaar ongeval met vele slachtoffers (het zogenaamde groepsrisico).
Voor veel activiteiten met gevaarlijke stoffen zijn in de afgelopen jaren risico's vastgesteld, hetzij categoriaal voor een hele categorie van activiteiten (zoals LPG-tankstations), hetzij individueel voor grote risicovolle inrichtingen zoals de Seveso-inrichtingen («chemische industrie») en spoorwegemplacementen.
Uit die vaststelling is het beeld ontstaan dat in de meeste gevallen de risico's aanvaardbaar zijn op grond van de normstelling die voor de externe veiligheid al vele jaren wordt gehanteerd. Dit betekent overigens niet dat effecten van een ongeval voor de omgeving daarmee uitgesloten zijn, maar wel dat het berekende risico ten opzichte van de normstelling voor externe veiligheid aanvaardbaar is. Daarnaast zijn er situaties, waarbij moeilijk voldaan kan worden aan de externe veiligheidsnormering. Dit zijn bijvoorbeeld een aantal spoorweg-emplacementen die in het PAGE onderzoek naar voren zijn gekomen, een beperkte groep Seveso-inrichtingen, een aantal binnenstedelijke LPG tankstations en het vervoer van chloor. Voor dit soort situaties wordt het nodig geacht om risico's verder omlaag te brengen.
Het is van belang dat risicosituaties niet aan de aandacht ontsnappen. Daartoe zal het register van risicosituaties dat is aangekondigd, een belangrijke rol vervullen. Alle inrichtingen worden thans opnieuw geïnventariseerd en opgenomen in het desbetreffende register. De risico's zullen daarbij opnieuw worden getoetst.
De brandweer heeft een wettelijke taak met betrekking tot de gebruiksvergunning. Leidt een hogere prioriteit voor de gebruiksvergunning, ook in de handhavende en controlerende sfeer voor de risicovolle bedrijven, dan niet automatisch tot de afstemming van Wm-vergunning en bouwvergunning? Immers zonder gebruiksvergunning kan de inrichting niet in gebruik genomen worden.
De brandweer heeft op grond van de Brandweerwet 1985 een wettelijke taak ten aanzien van onder meer preventie. De taak m.b.t. de gebruiksvergunning is niet expliciet wettelijk geregeld, maar volgt wel uit het eerstgenoemde. Gemeenten kunnen wel in hun bouwverordening de rol van de brandweer ten aanzien van de beoordeling van aanvragen voor gebruiksvergunningen regelen.
De aanvraag voor de gebruiksvergunning moet conform de toelichting in de (model)bouwverordening van de VNG zoveel mogelijk worden afgestemd met de aanvraag voor een bouwvergunning. Verder geldt dat een gebruiksvergunning niet eerder kan worden verleend dan een bouwvergunning. De verplichte afstemming tussen de bouwvergunning en milieuvergunning is gebaseerd op coördinatiebepalingen in respectievelijk de Woningwet en de Wet milieubeheer en is primair de verantwoordelijkheid voor de eerstaangewezen gemeentelijke diensten, bouw- en woningtoezicht en milieu. Een en ander zou naar de mening van het kabinet ook zonder andere prioritering voor de gebruiksvergunning moeten leiden tot een optimale afstemming tussen genoemde gemeentelijke diensten en de brandweer over de voorwaarden die worden verbonden aan de drie onderhavige vergunningen.
De Commissie-Oosting beveelt aan om bij een Wm-vergunning voor een inrichting voor professioneel vuurwerk een veiligheidsrapport te verlangen. In welke situaties moet thans al een veiligheidsrapport worden opgemaakt? Hoe is dit vastgelegd? Wie is bevoegd een dergelijk rapport op te maken? Ziet het kabinet hier een primaire rol weggelegd voor de brandweer?
Voor een inrichting voor professioneel vuurwerk moet thans een veiligheidsrapport worden ingediend bij een aanvraag om een Wm-vergunning, indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting waar 200 ton of meer vuurwerk aanwezig is. Dit is vastgelegd in het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, artikelen 5.15 en 5.17, juncto het Besluit risico's zware ongevallen 1999, artikel 8 en bijlage I, deel 2. Indien het een inrichting betreft voor professioneel vuurwerk, wordt voor de vaststelling of de drempelwaarde wordt overschreden uitgegaan van het totale gewicht van het vuurwerk, tenzij de houder van de inrichting aan de hand van schriftelijke gegevens over de samenstelling van de betrokken producten het percentage werkzame (ontplofbare) stof kan aantonen. De verplichting om een dergelijk rapport in te dienen bij het bevoegd gezag rust op degene die de aanvraag doet. Voor het opstellen van het rapport kan de hulp worden ingeroepen van een technisch adviesbureau. Het kabinet ziet ten aanzien van het opstellen van het rapport geen primaire rol voor de brandweer; wel bij het beoordelen van het veiligheidsrapport. Het bevoegd gezag voor de milieuvergunning, de Arbeidsinspectie en de regionale brandweer zijn belast met de beoordeling van het ingediende veiligheidsrapport voor wat betreft de gevolgen van de inrichting voor de externe veiligheid, de interne veiligheid respectievelijk de voorbereiding van de rampenbestrijding.
De Commissie-Oosting beperkt de rol van de brandweer als wettelijk adviseur tot die inzake een vergunning van professioneel vuurwerk. Hoe ziet het kabinet die rol? Zou deze rol als wettelijk adviseur zich niet tot meer terreinen moeten uitstrekken?
Het kabinet onderschrijft het advies van de commissie om de brandweer als wettelijk adviseur te laten optreden inzake vergunning van professioneel vuurwerk. Het kabinet is echter van mening, dat deze adviesrol niet alleen voor professioneel vuurwerk moet gelden, maar voor vuurwerk in het algemeen. In het ontwerp-Vuurwerkbesluit is dit reeds geregeld. Dit is terug te vinden in hoofdstuk 2 van het kabinetsstandpunt vuurwerkramp.
In de regelgeving voor vergunningverlening voor risicobedrijven is de adviesrol van de regionale brandweer ook formeel verankerd, dit doormiddel van de verplichte beoordeling van het veiligheidsrapport van bedrijven die vallen onder het Besluit risico's zware ongevallen 1999. Ook in de aangekondigde Amvb Kwaliteitseisen externe veiligheid inrichtingen is voor risicovolle activiteiten een verplichte adviestaak voor de regionale brandweer opgenomen.
Het kabinet zal in overleg met IPO en VNG de samenhang in het gemeentelijk veiligheidsbeleid versterken, o.m. met als doel dat de brandweer een intensievere rol krijgt bij de advisering over besluiten en vergunningen van gemeenten op het terrein van milieuwetgeving, de brandveiligheid en de ruimtelijke ordening. Daartoe wordt door de betrokken bestuurslagen de capaciteit van de regionale brandweer voor pro-actie en preventie uitgebreid en dient ook de specifieke kennis van de brandweer op deze terreinen te worden vergroot. Dit is terug te vinden in hoofdstuk 3 van het kabinetsstandpunt.
De Commissie-Oosting adviseert een landelijk expertisecentrum voor externe veiligheid en vindt het voor de hand liggend dit centrum onder te brengen bij VROM. Hoe beoordeelt het kabinet dit voorstel in het licht van het feit dat de brandweer onder BZK valt, de brandweer een wettelijke taak heeft bij het voorkomen van rampen en zware ongevallen op grond van de Brandweerwet en juist bij BZK en de brandweer deze expertise aanwezig is of hoort te zijn?
Het kabinet heeft besloten een expertisecentrum voor externe veiligheid en vuurwerk op te richten en dat onder te brengen bij het RIVM. Het gaat hierbij om expertise op het gebied van risicomodellering die wordt gebruikt voor het ontwikkelen van normstelling. In de huidige situatie valt dat onder het milieubeleid van het ministerie van VROM en niet primair in het werkveld van het ministerie van BZK of de de taken van de brandweer. Het expertisecentrum zal niet het exclusieve domein zijn van één ministerie, maar een centrale rol vervullen bij de ontwikkeling van het externe veiligheidsbeleid van de rijksoverheid en bij de adequate uitvoering daarvan door andere overheden.
Het RIVM zal vanzelfsprekend wat betreft kennis op het gebied van brandweerzorg en rampenbestrijding gebruik maken van de expertise van het Nibra en van de landelijk op pro-actie, preventie en preparatie gerichte faciliteit waar actuele kennis over en ervaring met de diverse aspecten van fysieke veiligheid en de rampenbestrijding wordt gebundeld (Kabinetsstandpunt, TK 2000–2001, 27 157-20, hoofdstuk 4).
Hoe beoordeelt het kabinet de aanbeveling om de interdepartementale coördinatie niet bij BZK maar bij VROM te leggen? Ligt het niet veel meer voor de hand dat ook de brandweer in het expertisecentrum zorgt voor de inbreng van kennis in plaats van het R.I.V.M. Deze kennis kan toch wereldwijd via de internationale literatuur verkregen worden?
Het kabinet heeft aan de minister van VROM de coördinerende verantwoordelijkheid toegekend inzake het externe veiligheidsbeleid ten aanzien van gevaarlijke stoffen. Een belangrijke reden hiervoor is dat de minister van VROM verantwoordelijk is voor het milieubeleid, waarvan het externe veiligheidsbeleid een onderdeel is.
Zoals ook in het antwoord op vraag 54 is uiteengezet, zal het expertisecentrum een centrale rol vervullen inzake de ontwikkeling van het externe veiligheidsbeleid en regelgeving terzake. Het RIVM zal vanzelfsprekend wat betreft kennis op het gebied van brandweerzorg en rampenbestrijding gebruik maken van de expertise van het Nibra en van de landelijk op pro-actie, preventie en preparatie gerichte faciliteit waar actuele kennis over en ervaring met de diverse aspecten van fysieke veiligheid en de rampenbestrijding wordt gebundeld.
Bij de aanbieding van de reconstructie van de gebeurtenissen van de vuurwerkramp heeft de minister van BZK opgemerkt dat door de rijksinspecties niet is gestreefd naar het plaatsen van de feiten en gebeurtenissen in de context van de hectische omstandigheden in de eerste uren van de ramp, waardoor onder meer het telefoonnet overbelast was en de registratie van gebeurtenissen en handelingen in die uren deels gebrekkig is geweest. Is het kabinet van mening dat de Commissie-Oosting aan deze aspecten voldoende aandacht heeft besteed in haar beoordeling van het functioneren van overheid en hulpverleners in deze eerste uren?
De minister van BZK heeft in zijn aanbiedingsbrief van de feitenreconstructie aangegeven dat de reconstructie bestaat uit een opsomming van feiten en gebeurtenissen. Er is in deze reconstructie niet naar gestreefd deze feiten en gebeurtenissen nader te plaatsen in de context van de hectiek, met name in de eerste uren na de ramp. In de analyse en oordeelvorming door de Commissie is deze hectiek naar het oordeel van het kabinet wel zorgvuldig meegewogen.
Voor wat betreft de aangehaalde voorbeelden kan worden opgemerkt dat de inspectierapporten, inclusief de feitenreconstructie, en de bevindingen en aanbevelingen van de Commissie aanleiding zijn geweest voor het kabinet een aantal maatregelen in gang te zetten. Zo zijn in het kabinetsstandpunt maatregelen aangekondigd gericht op het bevorderen van het samengaan van meldkamers, het beschrijven van de rol, de functie en de kwaliteiteisen te stellen aan de meldkamers, het oefenen en opleiden van centralisten alsmede het met kracht voortzetten van het beleid gericht op een snelle introductie van het C2000 systeem.
Hoe beoordeelt het kabinet het feit dat het adviesbureau AVIV in 1998 bij een studie naar externe veiligheidsrisico's van objecten in Overijssel, gelet op Culemborg en Muiden, de verwachting uitspreekt dat het aantal gewonden onder de omwonenden nihil zal zijn? Dit mede in het licht van de aanwezigheid van 100 kg 1.1 vuurwerk.
De AVIV-rapportage is gebaseerd op bureauonderzoek, waarbij een inventarisatie van de gemeentelijke vergunningdossiers heeft plaats gevonden. AVIV heeft de betrokken bedrijven t.b.v. van de rapportage in 1998 niet zelf bezocht.
Mede vanwege dit feit is AVIV uitgegaan van een scenario, waarbij er overwegend klasse 1.4 opgeslagen lag. AVIV heeft in de studie in 1998 geen rekening gehouden met de aanwezigheid van klasse 1.1, dit ondanks het feit, dat er wel voor maximaal 100 kg klasse 1.1 vergund was.
T.a.v. de effecten van klasse 1.4 is AVIV uitgegaan van het destijds bekende maximum effect zijnde een felle brand. Uitgaande van dit effect heeft AVIV geconcludeerd dat er een invloedsgebied rond SE Fireworks lag waarbinnen een gering aantal personen aanwezig zou zijn, waardoor de kans op gewonden bij omwonende klein zou zijn.
Is er een (globaal) overzicht van het aantal en de kwaliteit van multidisciplinaire oefeningen in Nederland? Zo nee, kan een dergelijk overzicht worden opgesteld?
Ten aanzien van de hoeveelheid multidisciplinaire oefeningen heeft het kabinet de Tweede Kamer in de brief van 5 augustus 2000 over «Stand van zaken van de voorbereiding op de rampenbestrijding op luchtvaartterreinen, NPK-objecten en Seveso-inrichtingen», een overzicht gegeven van de stand van zaken van de voorbereiding op de rampenbestrijding in de periode van 1998 tot en met 2000, bij luchtvaart-terreinen, Nationaal Plan Kernongevallenbestrijding (NPK-)objecten en Seveso-inrichtingen. Deze stand van zaken is gebaseerd op een inventarisatie die begin dit jaar op verzoek van de staatssecretaris BZK, door de Commissarissen van de Koningin is uitgevoerd. De drie genoemde objecten zijn gekozen omdat voor deze objecten specifieke of aanvullende regelgeving voor de (voorbereiding op de) rampenbestrijding geldt of in voorbereiding is. De inventarisatie is met name gericht op de aanwezigheid van rampbestrijdingsplannen en de beoefening ervan. Deze aspecten vormen belangrijke indicatoren voor de (kwaliteit van de) voorbereiding op de rampenbestrijding.
Per brief heeft het kabinet de Commissarissen van de Koningin verzocht om een volgende rapportage voor 19 juli 2001. Deze procedure loopt vooruit op de ontwikkeling van een bredere bestuurlijke rapportage, gekoppeld aan het beheersplan rampenbestrijding over de kwaliteit van de rampenbestrijding, welke in de Beleidsnota rampenbestrijding reeds is aangekondigd.
Het kabinet heeft reeds in 2000 structureel extra financiële middelen ter beschikking gesteld voor activiteiten ter bevordering van de kwaliteit van het monodisciplinair oefenen van de brandweer en het multidisciplinair en bestuurlijk oefenen van de rampenbestrijdingsorganisatie. Deze activiteiten zijn beschreven in de brief van de staatssecretaris van BZK van 28 september 2000 kamerstukken II, 2000/2001, 26 956, nr. 5. Eén van de genoemde activiteiten is het ontwikkelen van kwaliteitscriteria voor multidisciplinair oefenen als onderdeel van het samenhangend stelsel van kwaliteitscriteria voor de rampenbestrijding (zie hoofdstuk 4.4 van het kabinetsstandpunt). In samenwerking met direct betrokkenen uit het veld is inmiddels een projectplan opgesteld om te komen tot criteria voor multidisciplinair oefenbeleid, oefenplannen, oefeningen en kwaliteitszorg m.b.t. het oefenen. Over de projectresultaten wordt de Tweede Kamer eind 2001 geïnformeerd.
Welke landelijke richtlijnen zijn er voor de opzet en uitvoering van provinciale, regionale en lokale inventarisaties van objectrisico's?
De Leidraad Maatramp is een landelijke richtlijn voor (regionale) inventarisaties van risico's, vanuit het oogpunt van de benodigde capaciteit voor de rampbestrijdingsorganisaties. Hier wordt geen totale risico-inventarisatie mee gerealiseerd omdat uitsluitend de grotere risico's in beeld worden gebracht. Het kabinet is voornemens nadere eisen te stellen aan het uitvoeren van risico-inventarisaties ten behoeve van de rampbestrijding en ten behoeve van het informeren van het publiek (zie hoofdstuk 4, kabinetsstandpunt Vuurwerkramp).
Op welke wijze wordt in Nederland vastgesteld of brandweerkorpsen voor hun taak berekend zijn? Op welke wijze worden zij getest? Wie is hiervoor verantwoordelijk?
De basis van de kwaliteit van de brandweermensen in Nederland ligt bij de brandweeropleidingen. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt examenreglementen vast. Hierin zijn de leerdoelen van de modules, per rang, beschreven. Het Nederlands instituut voor brandweer en rampenbestrijding (Nibra) ontwikkelt op basis van deze reglementen de les- en leerstof. Het Nederlands bureau brandweerexamens maakt op basis van de reglementen de examens en neemt de examens af.
Na het opleidingstraject ligt de verantwoordelijkheid voor het bijhouden van de kennis en vaardigheden en het aanleren van nieuwe kennis bij de gemeentelijke korpsen en regionale brandweren. Dit gebeurt tijdens het volgen van bijscholingscursussen e.d. en het oefenen. Het is aan de korpsen zelf hoe zij dit invullen. Oefeningen kunnen worden gebruikt om de inzetbaarheid van de brandweermensen te testen. De Leidraad oefenen is op 27 juni 2000 door de staatssecretaris van BZK aangeboden aan de colleges van B&W en de besturen van de regionale brandweren. Met behulp van deze leidraad kunnen de korpsen meer structuur geven aan het oefenen.
Onderschrijft het kabinet de opvatting van de Commissie-Oosting dat er sprake is van een gebrekkige opleiding van brandweerpersoneel voor gevaarlijke en ontplofbare stoffen, daar waar de Commissie eerder heeft vastgesteld dat 13 van de 24 betrokken brandweerlieden een opleiding voor optreden bij ontplofbare stoffen hebben gehad?
De Commissie wijst erop dat met name de inhoud van de modulen gericht op het omgaan met ontplofbare stoffen op de lagere niveaus (bevelvoerders) tekortkomingen kent.
Tevens wijst de Commissie op het feit dat de resultaten van het onderzoek naar de ramp in Culemborg niet in de brandweeropleidingen verwerkt zijn. De genoemde lacunes worden opgevuld.
Als de eigenaren en een medewerker van SE Fireworks op de hoogte waren van de grote gevaren die door explosies konden ontstaan, is het kabinet dan van mening dat van hen had mogen worden verlangd dat zij het brandweerpersoneelhiervoor hadden moeten waarschuwen, zodat wellicht toekijkend publiek en bewoners van de wijk nog tijdig een veilig heenkomen hadden kunnen zoeken?
Op elke inwoner die kennis draagt van naderend onheil rust de plicht de hulpverlenende instanties te waarschuwen. In hoeverre in casu betrokkenen van SE Fireworks verwijtbaar hebben gehandeld is niet ter beoordeling van het kabinet, maar van de rechter.
Hoe vindt de opleiding van centralisten van alarmcentrales plaats? Zijn de opleidingseisen voor centralisten ondubbelzinnig vastgelegd?
In 1996 is bij politie, brandweer en ambulancehulpverlening een traject gestart om een nieuw model voor de centralistenopleiding te ontwikkelen. De opleiding bestaat uit een gemeenschappelijke, niet-disciplinespecifieke basismodule, die zich richt op de kennis en vaardigheden die elke centralist, onafhankelijk van de discipline nodig heeft, en een voor de drie sectoren verschillende module, die zich richt op de sectorspecifieke kennis en vaardigheden. De basismodule is inmiddels ontwikkeld en opgenomen in de modulaire opleidingsstructuur van de brandweer. In november 2000 heeft de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het Nibra de opdracht gegeven de brandweerspecifieke module te ontwikkelen. Het Nibra zal gevraagd worden de aanbevelingen van de Commissie mee te nemen bij de ontwikkeling van deze module.
Ook de politie en de ambulancehulpverlening zullen de nieuw vormgegeven centralistenopleiding in hun opleidingsprogramma's integreren. Tevens zullen de ministers van BZK en VWS de opleidingsinstituten verzoeken de bestaande opleidingen voor centralisten aan te passen op basis van de ervaringen van Enschede (kamerstuk 27 157-20, actiepunten 68 en 69).
Welke lessen heeft het kabinet getrokken met betrekking tot de opleiding, begeleiding, oefening en kwaliteit van centralisten naar aanleiding van de Herculesramp? Op welke wijze zijn deze in de praktijk gebracht?
De staatssecretaris van BZK heeft tesamen met de staatsecretaris van Defensie op 27 maart 2001 op verzoek van de vaste commissie voor Defensie in een brief de stand van zaken van de aanbevelingen van de parlementaire werkgroep Herculesramp aangegeven. Uit het daarin opgenomen overzicht kan worden afgeleid dat de meeste maatregelen inmiddels zijn uitgevoerd en dat aan een beperkt aantal andere nog wordt gewerkt. De regering hecht onveranderd grote prioriteit aan de verwezenlijking van alle maatregelen.
In het kabinetsstandpunt vuurwerkramp wordt gememoreerd dat de bewindslieden van BZK en VWS aan de opleidinginstituten zullen verzoeken om de bestaande opleidingen voor de centralisten aan te passen op basis van de ervaringen in o.a. Enschede.
Hoe beoordeelt het kabinet de verhouding tussen de constatering van de Commissie-Oosting dat de opschaling goed is verlopen (p.115) en de constatering van de Commissie-Oosting op p.123 waar wordt gesteld: «RAC reageert echter niet adequaat op deze duidelijke verzoeken tot de opschaling. Daardoor komt de alarmering door de RAC laat en aanvankelijk ook ongestructureerd tot stand. De trage en verbrokkelde alarmering heeft tot gevolg dat de brandweereenheden later op het rampterrein arriveren dan nodig was geweest» en de constatering: bij de meldkamers hebben zich ernstige problemen voorgedaan (p. 239).
De Commissie heeft de beoordeling van de opschaling van de brandweer tot aan de fatale explosies en de opschaling na deze explosies afzonderlijk beschreven. Het beeld dat overblijft is dat tot de explosies de opschaling adequaat verloopt en dat daarna sprake is van late en ongestructureerde opschaling. In het kabinetstandpunt vuurwerkramp wordt gemeld dat de bewindslieden van BZK en VWS zullen initiëren dat in overleg met de vertegenwoordigende organisaties van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening (ambulancevoorzieningen) de rol en de functie van de meldkamer bij grootschalige hulpverlening en rampen wordt beschreven en dat er, voor zover niet aanwezig, kwaliteitseisen worden ontwikkeld en vastgelegd in referentiekaders. Het gaat om kwaliteitseisen voor onder andere de procedures voor alarmering van hulpverleningsinstanties en zorginstellingen, de opschaling en de mate van kennis en bekwaamheid van centralisten.
Zijn er duidelijke criteria voor opschaling? Zo ja, zijn die eenduidig vastgelegd en bekend bij de alarmcentrales? Is een protocol opschaling brandweer noodzakelijk? Zo ja, dient dit dan niet beschikbaar te zijn voor alle hulpdiensten?
Thans is geen landelijk uniforme beschrijving van het opschalingsproces beschikbaar.
In het kader van de herziening van de landelijk beschikbare documentatie ter ondersteuning van de voorbereiding en de uitvoering van de rampenbestrijding zal ook het opschalingsproces inclusief het eerste uur worden beschreven. Hierbij wordt bezien op welke wijze het opschalingsproces kan worden verbeterd. De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zal aan het Landelijk Beraad Rampenbestrijding een advies vragen over de status van deze documentatie. De insteek is dat de gemeenten en regio's zich aan de documentatie committeren zodat zij de rampenbestrijding organiseren conform de structuur zoals deze in de documentatie wordt beschreven, met inbegrip van het opschalingsproces.
De beschrijving van het opschalingsproces zal betrekking hebben op zowel de brandweer, de geneeskundige sector als de politie.
Hoe kan een protocol opschaling voor de Nederlandse brandweer problemen bij RAC/CPA en RMC oplossen? Zal het communicatie/verbindingsprobleem daarmee opgelost kunnen worden?
In het kader van de herziening van de landelijk beschikbare documentatie ter ondersteuning van de voorbereiding en de uitvoering van de rampenbestrijding zal ook het opschalingsproces inclusief het eerste uur worden beschreven. Hierbij wordt bezien op welke wijze het opschalingsproces kan worden verbeterd. De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zal aan het Landelijk Beraad Rampenbestrijding een advies vragen over de status van deze documentatie. De insteek is dat de gemeenten en regio's zich aan de documentatie committeren zodat zij de rampenbestrijding organiseren conform de structuur zoals deze in de documentatie wordt beschreven, met inbegrip van het opschalingsproces.
De beschrijving van het opschalingsproces zal betrekking hebben op zowel de brandweer, de geneeskundige sector als de politie. De uniforme beschrijving van het opschalingsproces is een hulpmiddel voor de alarmcentrales/ meldkamers/ CPA om gestructureerd op te kunnen schalen.
Het communicatie/ verbindingsprobleem zal met de beschrijving van het opschalingsproces niet worden opgelost. Hiertoe is de voorbereiding van de implementatie van een landelijk dekkend digitaal radionetwerk (C2000) ingezet. De landelijke uitrol van C2000 zal dit jaar nog starten. Tevens wordt de toepassing van de mogelijkheden van mobiele satellietcommunicatie ten behoeve van de rampenbestrijding verder uitgewerkt.
Ziet het kabinet ook een taak ter verbetering van de procedures rond alarmering en grootschalig werken van de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen?
De bewindslieden van BZK en VWS zullen, zoals wordt gemeld in het kabinetsstandpunt vuurwerkramp, in overleg met de vertegenwoordigende organisaties van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening (ambulancevoorzieningen) initiëren dat de rol en de functie van de meldkamer bij grootschalige incidenten en rampen worden beschreven en dat, voor zover niet aanwezig, kwaliteitseisen op dit punt worden ontwikkeld en vastgelegd in referentiekaders.
Tevens zullen nadere afspraken worden gemaakt ten aanzien van de aanbevelingen over de functies, de taken, de procedures en de bestuurlijke en operationele verantwoordelijkheden met betrekking tot de GHOR.
Bestaan er reeds afspraken in grensregio's aangaande wederzijdse (geneeskundige) hulpverlening bij ongevallen en rampen in het grensgebied? Welke zijn dit?
Er bestaan diverse afspraken tussen grensregio's over wederzijdse (geneeskundige) hulpverlening bij rampen en ongevallen in grensgebieden. Zoals in de nota Internationale aspecten van het beleid inzake brandweer en rampenbestrijding (kamerstukken II, 2000/2001, 27 556, nr. 1) is aangeven, ondersteunt het kabinet dergelijke decentrale initiatieven van harte. Zo hebben de minister van VWS en de staatssecretaris van BZK een modelovereenkomst over grensoverschrijdende inzet van ambulances ten behoeve van de spoedeisende hulpverlening, bij circulaire onder de aandacht gebracht van onder meer de aan België en Duitsland grenzende regio's en provincies. Tussen de regio Achterhoek en Kreis Borken en tussen enerzijds de Alarmerings- en Ambulancedienst Oost en anderzijds de Landkreis Grafschaft Bentheim en het DRK-Kreisverband Grafschaft Bentheim zijn reeds overeenkomsten van deze strekking gesloten. In het kader van de zgn. euregio's, waarin decentrale autoriteiten aan weerszijden van de grens tussen Nederland en België respectievelijk Nederland en Duitsland participeren, kunnen afspraken worden gemaakt op het terrein van de (geneeskundige) hulpverlening bij rampen en ongevallen. Het kabinet beschikt niet over een volledig overzicht van de diverse uiteenlopende decentrale afspraken, die overigens een lokale verantwoordelijkheid betreffen.
Waarom is er door BZK sinds 1999 te weinig voortgang gemaakt met de algemene kwaliteitsverbetering van de OGS-organisatie (Ongevallen met gevaarlijke stoffen) in Nederland?
In opdracht van BZK werd bij het uitkomen van het betreffende inspectierapport reeds door het NIBRA gewerkt aan het tot stand komen van een nieuwe leidraad OGS. Deze leidraad is nu gereed en zal binnenkort worden verspreid. De ontwikkeling heeft vrij lang geduurd omdat er in tussenliggende periode intensief overleg is gevoerd met het CCRB (College van Commandanten Regionale Brandweren) en regionale ogs-deskundigen (CCRB-netwerk OGS) over een duurzaam te realiseren en in stand te houden opzet van die organisatieonderdelen en de personele en operationele eisen die daarbij worden gehanteerd. Samenwerking van regio's om de nodige deskundigheid paraat ter beschikking te hebben en intensievere samenwerking met deskundige instituten als het RIVM en DCMR-milieudienst Rijnmond vormen onderdeel van die discussies. Ook hier geldt wederom dat het vervolgens aan de regionale besturen is om tot realisatie te komen.
Indien bij een ramp een verschil van inzicht is tussen BZK, SZW en VROM, wie beslist dan uiteindelijk? Moet protocolering dit besluitvormingsproces verbeteren?
Het Nationaal Handboek Crisisbesluitvorming is een procesbeschrijving op hoofdlijnen van de te activeren coördinatie- en besluitvormingsstructuren voor de beheersing van crises door de rijksoverheid. Zoals beschreven in hoofdstuk 5 van het Handboek vindt crisisbesluitvorming op politiek-bestuurlijk niveau in beginsel plaats in het Ministerieel Beleidsteam (MBT) dat in de beperkte variant bestaat uit de betrokken bewindslieden en in de uitgebreide variant uit de (nagenoeg) voltallige (Rijks)ministerraad, onder voorzitterschap van de minister-president.
In beide varianten geldt dat er qua besluitvormingsproces geen sprake is van een apart protocol maar dat het reguliere Reglement van Orde voor de ministerraad van toepassing blijft.
Valt de Leider Plaats Delict onder het gezag van de burgemeester?
Alle activiteiten en handelingen van brandweer en politie op het gebied van rampenbestrijding worden uitgevoerd onder de verantwoordelijkheid van de lokale burgemeester. Ook de Leider Plaats Delict valt derhalve onder zijn gezag.
Heeft het kabinet al een oordeel over de rol en positie van wethouders en raadsleden tijdens rampsituaties?
De verantwoordelijkheid voor de rampenbestrijding ligt bij de gemeentebesturen. De betreffende taken zijn vastgelegd in de Brandweerwet 1985 en in de Wet Rampen en Zware Ongevallen (WRZO).
Het gemeentelijke stelsel voor de rampenbestrijding omvat een voorbereiding door het college van burgemeester en wethouders en de raad. Tijdens een ramp geldt het beginsel van éénhoofdigheid, want de bestrijding van een ramp vergt dat beslissingen snel en slagvaardig kunnen worden genomen. Artikel 11 van de WRZO bepaalt dan ook, dat de burgemeester het opperbevel heeft in geval van een ramp of een zwaar ongeval of van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. De controle op het bestuurlijk handelen tijdens de ramp vindt achteraf plaats door de gemeenteraad. Wanneer de tijdsdruk minder wordt, bijvoorbeeld in de nazorgfase, wordt de betrokkenheid van de wethouders groter. Enerzijds omdat de verminderde tijdsdruk collegiale besluitvorming toelaat, anderzijds omdat in de nazorgfase veelal een rol is weggelegd voor diverse gemeentelijke bestuursterreinen, zoals volksgezondheid, huisvesting en sociale zaken.
Het kabinet laat deze systematiek in stand, maar wil de kwaliteit van de gehele keten van de rampenbestrijding verbeteren. De rol van de raad en van de wethouders in de voorbereidingsfase zal in de praktijk meer inhoud moeten krijgen, dan tot op heden vaak het geval is geweest.
Rampenbestrijding zal vaker op de gemeentelijke agenda moeten worden gezet. De Beleidsnota rampenbestrijding 2000–2004 bevat hiertoe aanzetten, bijvoorbeeld de opzet dat de regionale brandweren periodiek zullen rapporteren aan de gemeentebesturen over de uitvoering van het regionaal beheersplan. Verder zal met de verantwoordelijke besturen en de betrokken diensten een samenhangend stelsel van kwaliteitscriteria voor de rampenbestrijding worden ontwikkeld.
Het kabinet heeft de uitwerking van bovenstaande vraag opgenomen als actiepunt 63 in bijlage 2 van het kabinetsstandpunt.
Wie beslist na een ramp of en hoe er gezondheidsmonitoring moet plaats vinden?
Zie het antwoord op vraag 95 (27 157-18).
Het kabinet heeft toegezegd om te komen met richtlijnen voor de vraag of gezondheidsonderzoek en/of -monitoring geïndiceerd is. Mede op basis van uitspraken van de Tweede Kamer in het debat over de nazorg Vliegtuigramp Bijlmermeer acht het kabinet het gewenst om de verantwoordelijkheid voor het besluit of en zo ja op welke manier dit onderzoek plaatsvindt te leggen bij het kabinet. Daarmee is het ook logisch dat het kabinet zorgdraagt voor de financiering van dit onderzoek. De uitvoering daarvan zal in principe in handen komen te liggen van lokale/regionale actoren, zoals nu in Enschede het geval is.
Is er een standaardprocedure voor het doen van gezondheidsonderzoeken onder door calamiteiten getroffen bevolking en hulpverleners? Zo ja, wat houdt deze in? Zo nee, komt deze er?
Nee, deze standaardprocedure is in ontwikkeling, mede op basis van de ervaringen met de vliegramp Bijlmermeer. Op basis van de inschatting van experts die ook bij de Bijlmerramp betrokken zijn geweest, is in het geval van Enschede besloten om een gezondheidsonderzoek te starten. Het doel van dit onderzoek heeft het kabinet reeds uitvoerig toegelicht in het kabinetsstandpunt op cie Oosting. Het kabinet heeft de aanbeveling van de cie Oosting overgenomen om vóór het eind van 2001 dergelijke richtlijnen ontwikkeld te hebben.
Wat vindt het kabinet van de aanbeveling van de Commissie-Oosting om een andere instantie dan de brandweer na de acute fase bij een ramp de activiteiten op het rampterrein te laten coördineren?
Het is aan de burgemeester om te bepalen wie de leiding en coördinatie op de plaats van het ongeval of de ramp voert. In beginsel is dat in de acute fase de commandant brandweer tenzij de burgemeester anders beslist. In de latere fase van de ongevalsafwikkeling kan het inderdaad raadzaam zijn het primaat bij een andere dienst te leggen, bijv. de geneeskundige organisatie als nazorg vooral geneeskundige hulp vraagt of de gemeentelijke milieudienst indien milieuproblemen het nazorgtraject bepalen.
Wat vindt het kabinet van het idee van de Commissie-Oosting om landelijke bijstandteams op te richten die gemeenten kunnen ondersteunen bij de samenstelling van de lijst van slachtoffers en vermisten, bij de pers- en publieksvoorlichting maar ook bij de organisatie van de nazorg?
De beslissing om landelijke expertise- en bijstandsteams te formeren is reeds enige tijd terug genomen. Daarnaast is naar aanleiding van de Vuurwerkramp te Enschede besloten een Landelijke Ondersteuningfaciliteit Rampenbestrijding op te richten. Op korte termijn zal een studie worden verricht naar de precieze taakopdracht, de organisatorische, financiële en bestuurlijke inbedding van deze faciliteit. Het ligt in de rede de landelijke expertise- en bijstandsteams onder te brengen in de Landelijke Ondersteuningfaciliteit Rampenbestrijding.
De landelijke expertise- en bijstandsteams zijn opgeleid en geoefend, en 24 uur per dag inzetbaar ter ondersteuning van de lokale en regionale organisaties bij complexe grootschalige rampbestrijdingstaken. De teams hebben zowel een bestuurlijk als operationeel ondersteunende rol.
Op welke wijze zal een landelijk expertise- en bijstandsteam op het moment van de ramp in de praktijk ondersteuning kunnen geven?
De beslissing om landelijke expertise- en bijstandsteams te formeren is reeds enige tijd terug genomen. Daarnaast is naar aanleiding van de Vuurwerkramp te Enschede besloten een Landelijke Ondersteuningfaciliteit Rampenbestrijding op te richten. Op korte termijn zal een studie worden verricht naar de precieze taakopdracht, de organisatorische, financiële en bestuurlijke inbedding van deze faciliteit. Het ligt in de rede de landelijke expertise- en bijstandsteams onder te brengen in de Landelijke Ondersteuningfaciliteit Rampenbestrijding.
De landelijke expertise- en bijstandsteams zijn opgeleid en geoefend, en 24 uur per dag inzetbaar ter ondersteuning van de lokale en regionale organisaties bij complexe grootschalige rampbestrijdingstaken. De teams hebben zowel een bestuurlijk als operationeel ondersteunende rol.
Hoe beoordeelt het kabinet de aanbeveling van de Commissie-Oosting een model voor een rampennazorgplan te ontwikkelen. Is het kabinet van mening dat een model voor alle typen rampen dus ook voor natuurrampen kan worden gebruikt?
Het kabinet gaat ervan uit dat de commissie een model bedoelt voor alle typen rampen. Overigens is voor de financiële afwikkeling van een aantal typen rampen de wet tegemoetkoming schade (WTS) vastgesteld. Deze wet is o.a ook toegepast bij de financiële afwikkeling van de recente gevallen van extreme regenval in 1998 en 1999.
De Commissie-Oosting merkt op dat de uitvoering van de financiële regelingen niet vlot verloopt. Wat is de reactie van het kabinet op deze constatering?
De inhoud en de aard van de verschillende regelingen brengt een gecompliceerd uitvoeringsproces met zich. De uitvoeringsorganisatie LASER constateert bij de uitvoering van de regelingen verschillen in de gegevens van de gemeente en in de opgaven van de gedupeerden. Hierin dient steeds eerst klaarheid te worden gebracht alvorens tot rechtmatige uitkering kan worden overgegaan.
Was het binnen de algemene opdracht die de brandweer heeft m.b.t. veiligheid bij onderkenning van de risico's van professioneel vuurwerk, niet mogelijk adequaat op te treden tegen dit gevaarlijke vuurwerk?
De officier van dienst (OvD) was opgeleid om in dergelijke gevaarlijke situaties adequaat op te treden. Dat in dit geval niet adequaat is opgetreden heeft, volgens informatie afkomstig van de gemeente Enschede, de volgende redenen.
Ten eerste waren de bunkers aan de buitenkant voorzien van de gevarenidentificatie klasse 1.4 en de algemene opvatting bij de brandweer was, dat brandend vuurwerk van klasse 1.4 zich gedraagt als een zeer felle brand.
Ten tweede heeft de Commissie vastgesteld dat er op 13 mei meer vuurwerk lag opgeslagen dan toegestaan.
Tenslotte hadden de brandweermensen voorafgaand aan de inzet geen inzicht in de aard van het risico-object. Er was geen aanvalsplan of bevelvoerderskaart van SE Fireworks aanwezig en informatie op de alarmcentrale ontbrak.
Wat is het antwoord van het kabinet op de constatering van de Commissie-Oosting dat het ministerie van VROM een bijzondere verantwoordelijkheid heeft voor externe veiligheid maar niet liet blijken een actieve en centrale rol te willen spelen ten aanzien van de materie van het professionele vuurwerk?
De aangehaalde conclusie van de Commissie heeft betrekking op het uitblijven van een reactie van de vertegenwoordiger van het ministerie van VROM in de CPR. In het kabinetsstandpunt is aangegeven dat het kabinet deze conclusie en de conclusies t.a.v. de andere in CPR betrokken ministeries onderschrijft.
Wordt de verstopping van het leervermogen van de overheid n.a.v. Culemborg veroorzaakt door gebrek aan kennis over deze materie? Zo nee, welke andere redenen kunnen dan worden genoemd?
Gebleken is dat de kennis over de gestelde effecten voor de omgeving niet op alle gewenste plekken terecht is gekomen. Culemborg werd voornamelijk beschouwd als een noodlottig arbeidsongeval, waarbij het onderzoek en de follow-up zich voornamelijk heeft gericht op de werknemersbescherming en niet zozeer op de effecten op de omgeving. Hierdoor heeft dit onderwerp niet de aandacht gekregen die achteraf gezien noodzakelijk was.
Wat is de reactie van het kabinet op de conclusie van de Commissie-Oosting Onderzoek Vuurwerkramp dat op het niveau van de rijksoverheid een goede overdracht van aanwezige kennis en het op peil houden van expertise zijn bedreigd door reorganisatie (de opheffing van KCGS), bezuiniging (DMKL) of terugtred (Inspectie Milieuhygiëne)?
Het kabinet onderschrijft deze conclusie.
Is het kabinet nog steeds van mening dat een deel van de verantwoordelijkheid voor de veiligheid ten aanzien van vuurwerk door de vuurwerkbranche kan worden gedragen? Zo ja, waarom? Om welk deel van de verantwoordelijkheid gaat het hier?
In het ontwerp-Vuurwerkbesluit worden de voorschriften ten aanzien van handelingen met vuurwerk en de voor de inrichting geldende veiligheidsafstanden dwingend voorgeschreven. Dit laat onverlet de verantwoordelijkheid van de vuurwerkbranche met betrekking tot de veiligheid van vuurwerk. Deze verantwoordelijkheid dient vooral gestalte te krijgen door een correcte naleving van de wettelijke voorschriften.
Wat wordt bedoeld met «dat niemand snel verantwoordelijkheid zal voelen voor het geheel». Betekent dit dat de uiteindelijke doelen van de regels ook niet gezien worden?
Daarmee bedoelt de commissie, met verwijzing naar de complexiteit van de regelgeving, dat binnen de overheid op het terrein van het vuurwerk sprake is van versnippering van taken en bevoegdheden over tal van actoren. Zo'n situatie houdt het risico in dat het voor betrokkenen moeilijk is een algemeen overzicht te hebben. Zij heeft verder het bezwaar dat een ieder zal staan voor zijn deel, maar dat niemand snel de verantwoordelijkheid voor het geheel aan zich trekt. Dit betekent dat de uiteindelijke doelen van de regels wel degelijk worden gezien door betrokkenen, maar kennelijk onvoldoende in een samenhangend verband.
Versnippering, coördinatie en uitwisseling van informatie vormden een probleem. Houdt dit in dat de regelgeving op zich wel voldoende mogelijkheden biedt om adequaat op te treden tegen gevaarlijke situaties zoals bij SE Fireworks?
Het nieuwe Vuurwerkbesluit voorziet in het tegengaan van versnippering en het verbeteren van de informatie-uitwisseling. Het voorziet o.a. in de toezending van alle relevante gegevens met betrekking tot activiteiten met vuurwerk aan de minister van VROM. Ten behoeve van een gecoördineerde handhaving zal deze informatie worden beheerd op een door de minister van VROM aan te wijzen centraal punt. Voor inrichtingen waar de (lage en hoge) drempelwaarden genoemd in het Besluit risico's zware ongevallen 1999 worden overschreden, worden de relevante gegevens met betrekking tot de activiteiten, hoeveelheden en scenario's voor zware ongevallen informatie namens de minister beheerd door het RIVM.
In het kabinetsstandpunt Vuurwerkramp is voorts uiteengezet hoe de nieuwe verdeling van verantwoordelijkheden is t.a.v. het externe veiligheidsbeleid m.b.t. gevaarlijke stoffen.
Het kabinet is van oordeel dat daarin thans geen lacunes zijn. Het heeft destijds ontbroken aan een goede coördinatie en afstemming. Om die reden heeft het kabinet besloten om de minister van VROM de verantwoordelijkheid toe te kennen voor de coördinatie van het totale externe veiligheidsbeleid ten aanzien van gevaarlijke stoffen. Binnen het departement van VROM zal een nieuwe projectdirectie Externe Veiligheid worden ingesteld.
De Commissie-Oosting constateert na enige tijd een zekere stolling bij bestuurlijk-ambtelijke processen. Is dit vermijdbaar en verwijtbaar te achten?
De Commissie beschrijft met betrekking tot de praktische hulpverlening dat wanneer de spanning van de rampsituatie enigszins is weggeëbd, ook de overheid geleidelijk weer terugkeert naar de orde van de dag. De bestrijding van de gevolgen van de ramp heeft dan een zekere structuur en routine gekregen, en daarnaast vragen ook de «gewone» bestuurlijke vraagstukken van alle dag weer hun aandacht. De normale bestuurlijke en ambtelijke taakverdeling en verhoudingen en de normale procedures keren terug. De Commissie wijst erop dat de ramp besluiten vereist die lang zullen doorwerken, en die, onverminderd de urgentie ervan, ook met de vereiste zorgvuldigheid moeten worden voorbereid. De soepelheid van direct na de ramp vermindert, en er treedt, in de woorden van de Commissie, een zekere stolling op in de bestuurlijk-ambtelijke processen. Wat eerst snel en gemakkelijk kon, gaat dan weer veel moeizamer.
Het kabinet is van mening dat het, door de aanpak die het heeft gekozen bij de afwikkeling van de vuurwerkramp (zie hoofdstuk 1 kabinetsstandpunt), zichtbaar heeft willen maken dat het de directe afwikkeling, maar ook de consequente uitvoering van de actiepunten, daadwerkelijk en zonder vertraging wil realiseren. Hiertoe dient onder meer de in het antwoord op vraag 21 (27 157-20) beschreven aanpak.
De vuurwerkramp; SE Fireworks; De overheid; De ramp (27 157, nr. 18A)
Wat betekenen de aanbevelingen van de Commissie-Oosting voor het risicobeleid (externe veiligheidsbeleid) in het algemeen? Is het kabinet bereid een integrale notitie op te stellen, waarin het huidige risicobeleid is weergegeven en waarin ook eventuele nieuwe inzichten worden aangeduid? Kan daarbij een indicatie worden geven van de ruimtelijke en financiële implicaties van het beleid? Wanneer kan de Kamer een dergelijke notitie tegemoetzien?
Zie het antwoord op vraag 6 (27 157-20).
Waarom heeft de Inspectie Milieuhygiëne (IMH) in de periode 1996–1999 geen inspectie bij vuurwerkbedrijven uitgevoerd?
Zie het antwoord op vraag 17 (27 157-14).
Kan de zinsnede «de facto bestaat het bureau Adviseur Milieuvergunningen niet meer» worden toegelicht? Kan dat zomaar, terwijl de wettelijke taak bleef, of werd die taak de facto ook afgeschaft?
Zie het antwoord op vraag 1 (27 157-16).
Wat moet men afleiden uit de versterking van het bureau Adviseur Milieuvergunningen ná de vuurwerkramp met twee adviseurs en een administratief medewerker? Kwam de directeur Materieel van de Koninklijke Landmacht (DMKL) pas na de ramp tot het inzicht dat de personele bezetting bij het bureau niet afdoende was?
Zie het antwoord op vraag 13 (27 157-14). Pas na het verschijnen van de rapporten van de heer Booij die naar aanleiding van de ramp te Enschede aan de bewindslieden van Defensie zijn uitgebracht, is duidelijk geworden dat de capaciteit van het bureau onvoldoende was.
Op 7 december 1999 is (naar aanleiding van klachten vanuit diverse gemeenten) een intern onderzoek naar de taakuitvoering van enkele medewerkers van het Bureau Milieuvergunningen gestart. Dit onderzoek heeft geleid tot het op non-actief stellen van het bureauhoofd en een berisping voor een andere medewerker van het bureau. Wat waren de redenen? Werden maatregelen getroffen om alsnog aan de adviestaak te voldoen?
De klachten van diverse gemeenten zijn door de VNG kenbaar gemaakt aan de Inspectie Milieu Hygiëne van VROM. Deze inspectie heeft de Kmar ingelicht die een strafrechtelijk onderzoek heeft ingesteld. Bij een naar aanleiding daarvan door de DMKL ingesteld intern onderzoek is vastgesteld dat er sprake was van laakbaar handelen van de betrokkenen. Er is vervolgens gestart met de werving voor de vacature die was ontstaan door het ontheffen van het bureauhoofd uit zijn functie. Aan de medewerkers van het bureau is duidelijk gemaakt dat de advisering uitsluitend ten behoeve van het bevoegd gezag diende te gebeuren.
Wat is de oorzaak van het teruglopen van het aantal adviseurs bij het bureau Adviseur Milieuvergunningen?
Zie het antwoord op vraag 1 (27 157-16).
Waarom heeft het ministerie van Defensie niet gereageerd op de signalen die vanuit het bureau Adviseur Milieuvergunningen over de werkdruk en het capaciteitsgebrek werden afgegeven?
Deze signalen hebben de politieke leiding pas na het verschijnen van de rapporten van de heer Booij in juni 2000 bereikt. Er is op dit punt geen discussie geweest tussen de Directie materieel en bureau AMV. De specifieke problemen van het bureau AMV zijn in onvoldoende mate en te laat voor het voetlicht gekomen.
Wat is de reden dat het bureau Adviseur Milieuvergunningen een grote pot met geld beschikbaar had voor extern onderzoek? Is dit geld ook gebruikt om de werkdruk bij het bureau te verlichten? Zo nee, waarom niet?
De defensieorganisatie besteedt ieder jaar tientallen miljoenen aan wetenschappelijk onderzoek. Dit betreft een algemene begrotingspost. Dit wordt voor een groot deel uitgevoerd door TNO. Het budget dat beschikbaar is voor wetenschappelijk onderzoek staat niet specifiek ter beschikking van een onderdeel van de organisatie zoals bureau AMV. In samenwerking tussen de krijgsmachtdelen en TNO worden voorstellen voor wetenschappelijk onderzoek vastgesteld. Daarnaast kon bureau AMV jaarlijks over een budget beschikken om aanvullend onderzoek op het gebied van vuurwerk te laten uitvoeren. Het bedrag dat hier jaarlijks voor werd uitgegeven varieerde van 1991 tot 1998 globaal tussen de 40 000 en 100 000 gulden.
TNO-PML heeft in opdracht van Defensie vele onderzoeken uitgevoerd waarvan een aantal plaatsvond in internationaal verband. De in dit verband relevante onderzoeken hadden veelal betrekking op het valideren van de normen voor de opslag van explosieve stoffen en munitie. De normen voor vuurwerk zijn hier vaak van afgeleid of er zijn in opdracht bureau AMV specifieke onderzoeken gedaan naar aspecten van vuurwerk.
De aanvragen voor het eigen jaarlijkse budget van bureau AMV moesten in het kader van de algemene bezuinigingen op de Defensiebegroting in de tweede helft van de jaren 90 vooraf nauwkeuriger onderbouwd worden. Gezien de onzekerheid van de onderzoeksbehoefte en de hiervoor benodigde capaciteit was dit niet altijd mogelijk. Vanaf 1998 is hieraan nog eenmalig 25 000 gulden besteed.
Deze begrotingsposten waren niet bestemd om de werkdruk te verlichten bij enig onderdeel van Defensie.
Halverwege de jaren tachtig kan het bureau Hinderwetzaken/OS putten uit allerlei geldstromen. In die periode worden veel opdrachten uitgezet bij TNO om te komen tot normstelling voor de opslag van vuurwerk. Hoe was de onderzoekscapaciteit in de jaren negentig? Kon het bureau Adviseur Milieuvergunningen in de jaren na 1998 beschikken over budgetten voor uitvoeren van extern onderzoek? Zo neen, waarom niet, zo ja, waarvoor werd dat geld gebruikt?
Zie het antwoord op vraag 8 (27 157-A).
Kan een heldere analyse gegeven worden, waarom in 1991 het Korps Controleurs Gevaarlijke Stoffen van het ministerie van Verkeer en Waterstaat is opgeheven?
Is er een relatie te leggen tussen het niet meer bestaan van dit Korps en de, op enkele in het rapport van de Commissie-Oosting beschreven, tekortkomingen in de vergunningverlening aan S.E. Fireworks?
Overwegingen van efficiëncy en effectiviteit vormden uiteindelijk de basis om de RVI en het KCGS in 1992 samen te voegen tot één brede inspectiedienst.Tot de samenvoeging van het Korps Controleurs Gevaarlijke Stoffen (KCGS) met de Rijksverkeersinspectie (RVI) hadden de controleactiviteiten van de RVI betrekking op het vervoer van goederen en personen waarin de component gevaarlijke stoffen niet werd meegenomen. Het KCGS daarentegen was specifiek belast met het toezicht en de controle op het vervoer van gevaarlijke stoffen met als sterk ontwikkelde specialiteit de controle op vuurwerk. De afschaffing van het verplichte toezicht bij het laden en lossen, welke overigens reeds voor de samenvoeging van KCGS en RVI plaatsvond, leidde er mede toe dat de betrokkenheid van de inspectiedienst bij de vuurwerkketen sterk verminderde.
In de periode 1992 – 1996 was het beleid van de RVI er vooral op gericht, mede gelet op de samenvoeging van deze dienst met het KCGS, een verbreding van taken en kennis te laten plaatsvinden waardoor het mogelijk werd controles op het vervoer van personen en goederen met alle modaliteiten integraal uit te voeren. Dit betekent tevens dat in het opleidingsplan zoals dat voor de medewerkers werd ontwikkeld uitgebreid aandacht werd besteed aan het vervoer van gevaarlijke stoffen. De basis onder het opleidingsplan had als uitgangspunt dat elke medewerker alles moest kunnen. In deze periode werden de prioriteiten voor wat betreft controle met name gelegd bij:
– het verrichten van controles op het vervoer van gevaarlijke stoffen door alle modaliteiten;
– het verrichten van integrale controles: bij weg-/watercontroles waar controle wordt uitgeoefend op alle relevante wetgeving;
– de invoering van de Wet goederenvervoer over de weg (1992) en dan in het bijzonder op de naleving van het concurrentievoorwaardenstelsel, waarover indertijd uitgebreid met de kamer is gediscussieerd;
– de naleving van de rijtijdenwetgeving bij zowel het vervoer van goederen als personen.
Waarom kan de Keuringsdienst van Waren (KvW) wel jaarlijks 60 tot 70 monsters nemen bij de importeurs van vuurwerk en 150 tot 170 monsters bij de detailhandel en is er door de Rijksverkeersinspectie (RVI) in de afgelopen jaren slechts eenmaal een monster van vuurwerk genomen?
In de periode 1991 – 2000 zijn de controles op gevaarlijke stoffen in zijn algemeenheid sterk geïntensiveerd (1991: ca. 7000 en in 2000: ruim 14 000). Hierbij hadden controles op vuurwerk echter geen prioriteit. Daarbij speelde mede een rol dat zich bij het vervoer van vuurwerk geen noemenswaardige incidenten hebben voorgedaan. Weliswaar is er enkele malen sprake geweest van door inspecteurs opgemerkte onderclassificatie, maar uit de signalen die de RVI bereikten (o.a. via eigen inspecteurs) is nooit een beeld ontstaan van structureel onjuiste classificatie. De RVI had dus geen reden om veelvuldig testen te laten uitvoeren.
Wat is de afbakening van de taken en verantwoordelijkheden van de KvW, Douane en RVI als het gaat om vuurwerkpartijen bij importeurs en handelaren?
Indien bij de Nederlandse Douane vuurwerk ten invoer wordt aangegeven met als bestemming een Nederlandse importeur, meldt de Douane dit bij de Keuringsdienst voor Waren. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen consumentenvuurwerk en professioneel vuurwerk. De Keuringsdienst voor Waren geeft binnen twee uur na deze melding aan of zij de goederen zal controleren en/of bemonsteren of dat de goederen kunnen worden vrijgegeven.
De Douane heeft met de RVI afspraken gemaakt over de controle op het vervoer van gevaarlijke stoffen. Daaronder valt ook vuurwerk. De controle richt zich op uiterlijk waarneembare vereisten die aan het vervoer zijn gesteld, zoals de aanwezigheid van brandblusapparatuur, vergunningen, keuringsbewijzen van de vervoermiddelen e.d. De controles richten zich niet specifiek op vuurwerk.
De RVI voert haar controles uit in het kader van de vervoerregels en heeft op grond van artikel 34 van de Wvgs en op grond van artikel 23a van de Wet op de economische delicten tevens bevoegdheid tot het openen van verpakkingen. De Douane inspecteert vanuit haar wettelijke taak met betrekking tot de accijnsplicht en heeft met name in het kader van de in-, uit-, en doorvoer van vuurwerk een controlerende taak. De Keuringsdienst voor Waren (KVW) is belast met de uitvoering en handhaving van de regelgeving met betrekking tot consumentenvuurwerk. Op de weg inspecteren met name de RVI, het KLPD, de Douane en de reguliere politiekorpsen. Bij de vuurwerkimporteur inspecteren de RVI en de KVW en op de verkooppunten de reguliere politiekorpsen (v.w.b. de detaillisten die consumentenvuurwerk verkopen) alsook de gemeenteambtenaren.
Waarom is in 1992 de controlefrequentie door de RVI sterk afgenomen?
Zie het antwoord op vraag 10 (27 157-18A).
Waarom is het verplichte toezicht op laden en lossen afgeschaft? Waarom is de controle toen vooral beperkt tot steekproefsgewijze administratieve controles waarbij de verpakking en etikettering wordt vergeleken met de bijbehorende documenten?
Aan het eind van de jaren '80 vond een verschuiving plaats in de wijze waarop vuurwerk werd aangeleverd. In plaats van stukgoed (colli) nam het containervervoer steeds meer toe. De aanlevering van het vuurwerk in containers en de toename ervan, betekende in de praktijk dat het toezicht door het toenmalige KCGS op het laden lossen erg arbeidsinstensief werd en daarenboven weinig effectief was.
Hierdoor werd het bedrijfsleven zelf verantwoordelijk en het laden en lossen van ontploffingsgevaarlijke stoffen en voorwerpen van klasse 1 moesten vanaf dat moment onder toezicht staan van een ter zake deskundige (= iemand uit het bedrijfsleven).
Kan het kabinet een reactie geven op het gestelde op pagina 331 van het rapport Oosting deel A, waarin de RVI een zwaar verwijt wordt gemaakt niet direct openheid van zaken te hebben gegeven na de vuurwerkramp in Enschede over haar controle-activiteiten bij S.E. Fireworks en over eventuele passende maatregelen ten aanzien van controle op vuurwerkbedrijven?
Zie het antwoord op vraag 212 (27 157-20).
De Commissie-Oosting concludeert dat van de RVI adequaat toezicht verwacht had mogen worden ten aanzien van de aflever- en bezigingsvergunningen en op de aanwezigheid van de vergunningen als zodanig. Voorts had de RVI de gemeente op de hoogte moeten stellen van het resultaat van de controles, dit is niet gebeurd. Kan het kabinet aangeven hoe deze nalatigheid heeft kunnen ontstaan en of dit vaker voorkomt. Wat wordt er concreet aan gedaan om dit soort situaties in de toekomst te voorkomen?
In het vierde kwartaal van 1999 heeft de RVI broncontroles geïntensiveerd. Deze opdracht was ingegeven vanuit het feit dat vanuit de vuurwerkbranche berichten waren ontvangen dat tijdens het millennium onvoldoende deskundigen aanwezig zouden zijn om professioneel vuurwerk te ontsteken. Hiervoor is een plan van aanpak opgesteld en is een afloopbericht gebruikt waarop de resultaten van de controle dienden te worden vermeld. Bij de nadere beschouwing van de richtlijn die door de RVI voor de inspecteurs is opgesteld ten behoeve van deze broncontrole, is vastgesteld dat de instructie ten aanzien van de Wmb-vergunning niet helder is. Het onderzoek van de inspecteur was primair gericht op het verkrijgen van antwoord op de twee volgende vragen:
– Welke ondernemer gaat waar vuurwerk bezigen?
– Gebeurt dit bezigen door vergunninghouders met deskundige personen?
Op basis van de handleiding voor de uitvoering van de betreffende inspectie heeft de inspecteur vastgesteld dat een milieuvergunning aanwezig was. Hij heeft deze niet ingezien. Dit was op basis van de vragen die in het kader van deze gerichte controles beantwoord moesten worden ook niet opportuun. Uit de mondeling door de ondernemer verstrekte gegevens en op basis van eigen waarneming is door de inspecteur geen situatie vastgesteld op basis waarvan hij, in het kader van oog- en oorfunctie meende de verantwoordelijke autoriteiten te moeten informeren.
De richtlijn broncontrole is nader aangescherpt, in die zin dat volstrekt helder is dat alleen op vervoersgerelateerde zaken wordt gecontroleerd. Vanzelfsprekend zullen de betreffende autoriteiten door de inspecteurs worden geïnformeerd wanneer zij vanuit hun oog- en oorfunctie onveilige situaties constateren. Hiermee moet eenduidigheid van handelen door inspecteurs zijn verzekerd.
Zijn er door het ministerie van Justitie maatregelen genomen nadat bekend werd dat een ambtsbericht van het openbaar ministerie zonder nadere actie is gearchiveerd? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 42 (27 157-20).
Waarom zijn bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat de conclusies uit de rapportage rondom de vuurwerkramp in Culemborg in 1991 niet geïmplementeerd in het beleid van de RVI? Op welke wijze wordt aangaande dit soort zaken gecommuniceerd tussen de diverse betrokken departementen en Rijksinspecties?
Wat wordt concreet gedaan om deze communicatie te verbeteren?
Zoals bij de beantwoording van vraag 56 (27 157-20) al is aangegeven, was het onderzoek van TNO naar aanleiding van de ramp Culemborg niet bekend bij VenW, dus ook niet bij de RVI. Dit onderzoek is door andere instanties uitgevoerd en niet met alle departementen, waaronder VenW, gecommuniceerd. De RVI is evenmin over de uitkomsten van dit onderzoek geïnformeerd. Zodoende heeft de RVI de conclusies uit de rapportage rondom de vuurwerkramp niet kunnen implementeren in haar beleid.
In het algemeen vindt intern VenW aangaande dit soort zaken regulier overleg plaats en is er sprake van een open communicatie tussen zowel beleid als uitvoering. Zaken die het handhavingsbeleid betreffen, worden via de reguliere contacten ook met het OM en Justitie gecommuniceerd. Communicatie over beleidsmatige zaken vinden plaats via de vakministeries en daar waar nodig informeert de beleidsafdeling van VenW de RVI over dergelijke zaken.
Tot 1997 liepen de contacten over vuurwerk voornamelijk via DMKL en de Keuringsdienst voor Waren. Vanaf 1997 is er een regulier overleg tussen de KLPD, Douane, Koninklijke Marechaussee Korps Militair Controleurs Gevaarlijke Stoffen en de Regiopolitie Amsterdam en Rotterdam. Ook handhavingszaken op het gebied van vuurwerk worden hier besproken. In het kader van de illegale handel in vuurwerk is in het jaar 2000 een samenwerkingsverband in de vorm van een Landelijke werkgroep vuurwerk ingesteld, waarvan het OM de coördinatie heeft. Hieraan wordt deelgenomen door de RVI, de regionale politiekorpsen, KLPD, IMH, KvW, FIOD, Douane, KMAR, Arbeidsinspectie, Provincies en Gemeenten. Daarnaast wordt intensief samengewerkt met andere betrokken handhavingsdiensten, waaronder douane, KLPD en milieu-inspecties.
Waarom is het ministerie van Defensie niet vertegenwoordigd in de Commissie Preventie van Rampen met gevaarlijke stoffen (CPR)?
Zie het antwoord op vraag 30 (27 157-20).
Het ministerie van SZW levert zowel de voorzitter als het secretariaat van de CPR. Betekent dat dat dit ministerie als eerste verantwoordelijk is voor (de bewaking van) de voortgang van het adviesproces van de CPR? Of is dit de verantwoordelijkheid van de vertegenwoordiger van het ministerie die het betreffende verzoek tot advies aan het CPR heeft ingediend?
Zie het antwoord op vraag 10 (27 157-20). SZW had een primaire procesrol. Die rol impliceerde dat de voortgang bewaakt werd, zoals rappelleren waar nodig.
Was de evaluatie van de CPR in 1998 de eerste sinds zijn instelling in de jaren zestig? Wat is er met de resultaten van deze evaluatie(s) gebeurd?
De evaluatie in 1998 en 1999 was de eerste externe evaluatie en heeft aanleiding gegeven tot het herstructureren van de CPR. De discussies rond deze structuur waren in mei 2000 nog in volle gang en hebben geleid tot het model van de Technische Adviesraad voor Gevaarlijke Stoffen, zoals nu is meegenomen als actiepunt in het kabinetsstandpunt.
Iedere deelnemer aan de CPR kan onderwerpen aan de orde stellen. Welke maatstaven gebruikt de CPR om te beslissen of zij een bepaald onderzoek wel of niet start? Wat gebeurt er bij meningsverschillen over de noodzaak tot het starten van een onderzoek?
Hiertoe werden geen uniforme maatstaven gebruikt. De CPR opereerde op basis van consensus tussen de betrokken ministeries. Op basis van deeigen beleidsverantwoordelijkheid kon iedere deelnemer een onderwerp aan de orde stellen. Afhankelijk van de al dan niet gedeelde belangen bij de verdere technische uitwerking van een onderwerp kon de CPR besluiten dit via een sub commissie te laten lopen, dan wel via een uit te voeren onderzoek door derden. De betrokkenheid van de verschillende ministeries hing dan af van de mate van verantwoordelijkheid die zij dragen voor het betreffende beleidsonderwerp en de mate waarin een ministerie bij kan dragen aan de kosten. Bij meningsverschillen nam ieder lid zijn eigen beleidsverantwoordelijkheid. Afhankelijk van het belang dat er door partijen aan werd toegekend, zou diegene die het onderwerp agendeert, afwegen of verder ambtelijk of politiek overleg noodzakelijk is, dan wel dat de kwestie binnen het eigen beleidsterrein verder opgepakt moest worden. In de nieuw op te richten Technische Adviesraad worden openbare onafhankelijke technische advisering aan de politiek verantwoordelijken en uiteindelijke besluitvorming over beleidsontwikkeling apart belegd, waardoor het totale proces een grotere transparantie krijgt en aan kwaliteit en slagvaardigheid zal winnen.
Heeft het kabinet in 1998 kennisgenomen van de conclusie van de evaluatie naar het functioneren van de CPR? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke consequenties heeft het kabinet toen uit deze evaluatie getrokken?
De evaluatie mondde uit in een tussenrapportage eind 1998 en een eindrapportage eind 1999. De rapporten zijn daarna binnen de CPR besproken en vormden de basis voor voorstellen tot herstructurering van de CPR. Ten tijde van de ramp in Enschede waren de voorstellen nog niet zodanig uitgewerkt dat ze al aan het kabinet konden worden, respectievelijk waren voorgelegd.
Waarom wijken de richtlijnen in het concept P-blad (richtlijnen voor arbeidsveiligheid) af van het memorandum Veiligheidsafstanden Groot Vuurwerk van het bureau hinderwetzaken, terwijl beide door dezelfde persoon zijn opgesteld?
Deze weken af omdat er verschil is gemaakt tussen bruto en netto hoeveelheden explosieven. Bruto betekent het gewicht van de explosieve stoffen inclusief de verpakkingsmaterialen en netto betekent alleen het gewicht van de explosieve stoffen. Het concept p-blad was algemeen en gaat over «alle vormen van explosieven»; de gehanteerde afstandstabellen in het concept p-blad gingen uit van NETTO hoeveelheden en betroffen opslag en werkzaamheden ten behoeve van de arbeidsbescherming. Het memorandum Veiligheidsafstanden ging alleen over opslag van groot vuurwerk en betrof alleen bruto hoeveelheden. Derhalve konden dit concept p-blad en het memorandum niet rechtstreeks met elkaar vergeleken worden.
De afdeling OGS van de Directie Brandweer schrijft in 1991 dat de onderzoeken over Culemborg nog onvoldoende hadden aangetoond dat aanpassing van preventieve maatregelen nodig was. Ook een landelijk onderzoek naar vuurwerkbedrijven werd afgeraden. Kon dit in redelijkheid ook daadwerkelijk uit de rapporten worden afgeleid?
Deze reactie was gebaseerd op het interne rapport van de districtsinspectie. Onduidelijk was daarin wat er was misgegaan, welke stoffen aanwezig waren. Slechts de omvang van de schade was duidelijk. Het landelijk schouwen van alle vuurwerkopslagen heeft alleen zin als duidelijk is waar op gelet moest worden. Dat inzicht ontbrak op dat moment. Zelfs ten aanzien van de afstanden die in de omgeving van opslagen moesten worden gehanteerd, waren er twijfels. Toch is besloten, in overleg met de districtsinspectie, om de preventieve aspecten van dit soort van opslagen in juni 1991 al vast onder aandacht van de CPR te brengen.
Waarom heeft de hoofdinspecteur voor het Brandweerwezen, tevens CPR-lid, het rapport van de Directie-inspectie Brandweerwezen niet meegestuurd naar de CPR?
Het betrof een interne, toen nog als vertrouwelijk geclassificeerde, rapportage van de districtsinspectie voor het brandweerwezen. De technische rapportages van de Arbeidsinspectie en TNO waren toen nog niet beschikbaar.
Zie tevens het antwoord op vraag 8 (27 157Q, rapport van de Rijksinspecties met betrekking tot follow-up Culemborg).
Waarom heeft het bureau Adviseur Milieuvergunningen verzuimd de uitkomsten van het PML-TNO onderzoek en de normstelling door te geven aan de betrokken ministeries?
TNO-PML heeft in 1991 onderzoek uitgevoerd naar de explosie van de vuurwerkfabriek te Culemborg in opdracht van de officier van justitie te Utrecht aan wie de uitkomsten zijn gerapporteerd. In dit onderzoeksrapport PML 1991-C35 staat vermeld dat er geen aanwijzingen zijn gevonden betreffende de oorzaak. Bij bureau AMV verkeerde men in de veronderstelling dat er geen problemen waren met betrekking tot de classificatie van vuurwerk zolang het zich in de transportverpakking bevond. Gelet op het voorgaande zag men bij AMV geen aanleiding om actie te nemen richting andere ministeries. Het bureau heeft wel initiatief genomen om een reeds door het bureau AMV gegeven onderzoeksopdracht aan TNO aan te passen in verband met de explosie te Culemborg. De resultaten zijn gebruikt om de normering (veiligheidsafstanden) van bureau AMV voor de opslag van groot vuurwerk aan te passen.
Deze normering (veiligheidsafstanden) werd door bureau AMV vastgelegd in het memorandum «veiligheidsafstanden opslag groot vuurwerk» dat door bureau AMV werd gehanteerd bij de advisering.
Kan inzage worden verleend in de brief van 3 augustus 1999 waarin de minister van Verkeer en Waterstaat (de minister a.i. Pronk) aankondigt dat hij na de zomer met een beleidsregel zal komen waarin de vergunningplicht voor het bezigen en de daarbij gehanteerde criteria op een voor een ieder duidelijke wijze wordt beschreven?
Ja, zie bijlage 4.
Welke maatregelen treft het kabinet om de juistheid van de classificatie van vuurwerk te garanderen? Is het waar dat Nederland derde landen bijstaat of bij zal staan bij hun classificatieactiviteiten? Hoe verhoudt zich dit tot het classificatiesysteem van de Verenigde Naties, waarin de classificatie geschiedt binnen het land van herkomst en waarbij importerende landen verplicht zijn deze classificatie over te nemen?
Het classificatiesysteem van de VN is gebaseerd op een aantal testmethoden, bedoeld voor transport van soortgelijk verpakt vuurwerk. Voorts is er de mogelijkheid om bij gelijk verpakt vuurwerk te verwijzen naar eerdere testrapporten. Logischerwijs vindt het classificeren en dus testen plaats in het land van herkomst. De mogelijkheden in het ontvangende land (in dit geval Nederland) zijn beperkt. Men zou de container vuurwerk bij binnenkomst moeten openen en daadwerkelijk dozen moeten testen. Dit is een kostbare en tijdrovende bezigheid en kan daardoor slechts steeksproefgewijs plaastvinden, bovendien gaat het geteste produkt verloren. Bij de inrichting aangekomen wordt het vuurwerk normaal gesproken voor het eerst uit de container gehaald en zouden ook op dezelfde wijze controles door de vergunningverlenende instantie kunnen plaatsvinden. Het zoeken is naar een systeem om de effectiviteit van uitvoering en handhaving te verbeteren, waarbij verder gekeken wordt dan alleen naar de transportregelgeving. In een aantal landen hanteert men een nationale systeem om vuurwerk al dan niet toe te laten. Dergelijke systemen zijn echter niet gebaseerd op de VN testen. Op dit moment wordt ook in Nederland gewerkt aan zo'n systeem, waarbij gewerkt wordt aan lijsten die wel gebaseerd zijn op VN testen; testen die inmiddels ook zijn uitgevoerd naar aanleiding van het ongeval te Enschede. In eerste instantie kunnen dergelijke lijsten worden gebruikt voor controle. Deze kwestie is nu ook internationaal (Europa en VN) aangekaart om uiteindelijk te bewerkstelligen dat naast testen dergelijke lijsten internationaal een regelgevende betekenis krijgen. Voor de kortere termijn wordt gepoogd om met China, het belangrijkste producerende land, afspraken te maken over het gebruik van zo'n in Nederland opgestelde lijst ten behoeve van een extra check op de classificatie aldaar.
Hoe moet de opmerking worden gelezen dat in bepaalde gevallen het toepassen van een effectbenadering de meest praktische of goedkoopste oplossing kan zijn? Voor welke «bepaalde gevallen» zou dit gelden?
Zie het antwoord op vraag 6 (27 157-20).
Kan het kabinet aangeven welke mate van veiligheidszonering zij afdoende acht? Kan daarvan een uitgebreide wetenschappelijke onderbouwing worden geven?
Nee, op dit moment niet. In het kader van de besluitvorming over de voorgenomen AMvB's inzake externe veiligheid voor inrichtingen en voor transport van gevaarlijke stoffen zal uiteraard een onderbouwing worden gegeven.
Hoe gaat het kabinet om met de aanbeveling om artikel 20.8 van de Wet milieubeheer te verduidelijken? Hoe gaat het kabinet om met de aanbeveling het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Ivb) of het Besluit Risico's Zware Ongevallen (BRZO) aan te passen op het punt van de informatieverstrekking?
Voor het eerste deel van de vraag wordt verwezen naar het antwoord op vraag 123 (27 157-20).
Op grond van de artikelen 5.4 en 5.16 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer moet nu al een risico-analyse of een risicostudie worden overgelegd in het kader van een vergunningaanvraag indien het bevoegd gezag deze gegevens nodig heeft voor de beoordeling van de aanvraag. Zo nodig heeft het bevoegd gezag altijd de mogelijkheid om aanvullende informatie te vragen.
De vuurwerkramp; Rampbestrijding en gezondheidszorg (27 157, nr. 18B)
Klopt het bericht dat de vijfkoppige brandweerploeg die de eerste twintig minuten als enige het vuur bestreed zich op zeker moment geheel terugtrok van het terrein?
In het op 23 maart 2001 in de NRC geplaatste artikel «Oosting zag iets over het hoofd in Enschede» wordt gesteld dat er sterke aanwijzingen zijn, dat de vijfkoppige brandweerploeg, die de eerste twintig minuten als enige het vuur bestreed (de ploeg van de hoofdpost) zich op zeker moment geheel terugtrok van het terrein. Dit bericht is gebaseerd op foto's, die omstreeks 15.22 uur zijn genomen buiten het terrein van S.E. Fireworks. Op deze foto's zijn vier brandweerlieden zichtbaar. Naast brandweerlieden van de Hoofdpost zijn vanaf ongeveer 15.18 uur ook brandweerlieden van de sectie Oost op en bij het terrein van S.E. Fireworks aanwezig. In de reconstructie (bijlage A bij rapport 5) staat echter vermeld, dat de brandweerlieden van de sectie Oost om ongeveer 15.21 uur zijn uitgerukt naar het terrein van Thole. Hieruit trekken de verslaggevers van de NRC de conclusie dat de brandweerlieden op de foto's brandweerlieden van de Hoofdpost zijn en zich dus van het terrein van S.E. Fireworks hebben teruggetrokken. Op de foto's staan echter drie (vrijwillige) brandweerlieden van de sectie Oost en één beroepsbrandweerman van de Hoofdpost. De brandweerlieden zijn door de brandweer Enschede als zodanig geïdentificeerd. Hieruit volgt dat de brandweerlieden van de sectie Oost niet om 15.21 uur naar het terrein van Thole zijn uitgerukt, maar enkele minuten later. Er is dus geen enkele reden om te twijfelen aan de verklaringen van de brandweerlieden van de Hoofdpost. Deze brandweerlieden hebben zich niet vòòr de explosie van container E2 teruggetrokken van het terrein van S.E. Fireworks.
Bestaan er landelijke richtlijnen voor het opschalen van de politie-inzet? Zo ja, hoe hebben die gewerkt in Enschede? Zo nee, waarom niet?
Er bestaan geen landelijke richtlijnen met betrekking tot de vraag wanneer er moet worden opgeschaald. Wel geeft het Referentiekader Conflict- en Crisisbeheersing Politie aanwijzingen hoe kan worden gehandeld, indien opschaling nodig is. Of en wanneer moet worden opgeschaald is sterk afhankelijk van plaatselijke factoren en omstandigheden. De inschatting daarvan is overgelaten aan de politie.
In het kader van de herziening van de landelijk beschikbare documentatie ter ondersteuning van de voorbereiding en de uitvoering van de rampenbestrijding zal ook het opschalingsproces inclusief het eerste uur worden beschreven. Hierbij wordt bezien op welke wijze het opschalingsproces kan worden verbeterd. De insteek is dat – via de weg van het Landelijk Beraad Rampenbestrijding, waarin de politie is vertegenwoordigd door de voorzitters van het Korpsbeheerdersberaad en de Raad van Hoofdcommissarissen – de gemeenten en regio's zich aan de documentatie gaan committeren zodat zij de rampenbestrijding organiseren conform de structuur zoals deze in de documentatie wordt beschreven, met inbegrip van het opschalingsproces. De beschrijving van het opschalingsproces zal betrekking hebben op zowel de brandweer, de geneeskundige sector als de politie.
Het is bekend dat bij rampen de verbindingen een knelpunt zijn. Waarom duurde het dan toch zo lang voordat de Mobiele Communicatie Unit van het Korps landelijke politie diensten (KLPD) werd bemand?
Het KLPD stelt de Mobiele Communicatie Unit inclusief een aantal ondersteunende medewerkers facilitair ter beschikking van het bevoegd gezag op locatie. De snelheid van de invulling van de overige functionaliteiten in de unit wordt bepaald door het lokaal gezag. De Leider Plaats Delict – aangesteld door het lokale gezag – heeft hierin het primaat.
De gehele hulpverlening had te maken met gebrekkige verbindingsmiddelen. Ligt dit mede aan de apparatuur of aan de incongruentie tussen verbindingsmiddelen van brandweer, politie en geneeskundige hulpverlening?
Zie het antwoord op vraag 4 (27 157-18).
Voor welke onderdelen van de registratie en het onderzoek naar vermisten is de Rijksoverheid verantwoordelijk?
De registratie van slachtoffers en het onderzoek naar vermisten zijn gemeentelijke processen en een gemeentelijke verantwoordelijkheid.
De staatssecretaris van BZK zal met de Vereniging Nederlandse Gemeenten in overleg treden om te bevorderen dat de gemeenten een gezamenlijk project opzetten om de gemeentelijke processen bij de rampenbestrijding te versterken.
De staatssecretaris van BZK zal ter ondersteuning van het proces registratie slachtoffers en vermisten in overleg treden met de gemeenten, de politie en de geneeskundige sector om te komen tot een landelijke standaard voor de registratie van slachtoffers en vermisten. Deze standaard moet aansluiten bij de registratiesystemen van de geneeskundige hulpverlening en het Rampen Identificatie Team. In overleg met de gemeenten wordt bekeken of het wenselijk en mogelijk is om op basis van deze standaard een landelijk geautomatiseerd systeem te ontwikkelen. Dit systeem moet in staat zijn de eigen gegevens te vergelijken met gegevens uit onder andere de Gemeentelijke Basis Administratie persoonsgegevens.
Worden de ervaringen van de bij de ramp in Enschede betrokken hulpverleners gebundeld tot een handleiding bij rampenplannen, om te voorkomen dat zij verloren gaan?
Door de uitgebreide onderzoeksrapportages is reeds veel ervaring verzameld en gebundeld. De talrijke aanbevelingen worden overgenomen en leiden tot het beschikbaar komen van instrumentarium ter ondersteuning van de regionale planningsactiviteiten. BZK heeft aan de regio Twente toegezegd dat bezien zal worden of specifieke plaatselijke ervaringen ook landelijk beschikbaar kunnen worden gesteld.
Waarom heeft het nationaal coördinatiecentrum geen contact met de coördinerend minister (BZK) opgenomen om hem te melden dat het rampenplan in werking is gezet?
In de eerste momenten na de ramp heeft het NCC zich geconcentreerd op de eerste noodzakelijke activiteiten die in dat kader moeten worden verricht. Hierbij behoort ook het verifiëren van de binnengekomen berichten, zodat de informatie die vanuit het NCC wordt verspreid ook juist is. De minister van BZK hoorde min of meer gelijktijdig de eerste berichten over de situatie in Enschede. Hij heeft op dat moment terstond contact opgenomen met het NCC.
De vuurwerkramp; Praktische hulpverlening (27 157, nr. 18C)
Wat is de laatste stand van zaken wat betreft de hoogte van de totale financiële schade van getroffen bewoners en ondernemers? Hoeveel daarvan wordt gedekt door verzekeringen?
Zie bijlage 2 met daarin een overzicht van de stand van de uitvoering per 29 maart 2001 van de diverse regelingen voor on- en onderverzekerde schade weergegeven. De verzekerde schade beloopt volgens opgave van het verbond van verzekeraars de orde van grootte van f 600 mln.
Brief van de minister van Defensie (27 157, nr. 16)
Het bureau Adviseur Milieuvergunningen (AMV) heeft geregeld personele aderlatingen ondergaan, zodat een chronische onbalans tussen werkpakket en bezetting kon ontstaan. Waarom werd er personeel bij het bureau weggehaald? Werd tot afstoting van (delen van) de wettelijke adviestaak besloten? Zo ja, werd dit met het politieke niveau gecommuniceerd?
In verband met de bezuinigingen op de Defensiebegroting is de Directie Materieel KL (DMKL) gereorganiseerd en is het personeelsbestand gereduceerd. De DMKL-organisatie is in 1998 teruggegaan van 1400 naar 700 FTE'n. De personele bezetting werd gereduceerd met 350 FTE'n (25%). Daarnaast werden 350 FTE'n met de bijbehorende taken overgedragen aan het Nationaal Commando (NATCO). De nieuwe DMKL-organisatie werd opgehangen aan een functieplafond waarbij voor bureau AMV geen directe relatie werd gelegd tussen taken en middelen. Alle onderdelen van de DMKL hebben evenredig aan de reductie bijgedragen. Voor 1-8-1998 bestond het bureau AMV organisatorisch uit één bureauhoofd (tevens adviseur), drie adviseurs en anderhalve administratieve medewerker. Na de reorganisatie van 1-8-98 was dat drie adviseurs (waarvan één «meewerkend voorman»). De administratieve ondersteuning van anderhalve medewerker moest vanaf dat moment gedeeld worden met het secretariaat Militaire Commissie Gevaarlijke Stoffen (MCGS). Deze reductie komt nagenoeg overeen met een vermindering van 25%. Er is geen afweging gemaakt of tot afstoting van de taken van het bureau moest worden besloten. Achtergrond van de reorganisatie was de keuze van Defensie om een evenredig deel van de afgesproken bezuinigingen te realiseren op het personeelsbestand van de staven waaronder de Directie Materieel, waartoe het bureau AMV behoort.
Eind jaren 90 werd het bureau geconfronteerd met een flinke groei in het aantal aanvragen voor advies met name in verband met de naderende millenniumwisseling.
In 1998 is één van de adviseurs voor 6 maanden uitgezonden naar Bosnië. Dit is tijdelijk gecompenseerd door extern ingehuurde capaciteit. Eind 1999 is het toenmalige hoofd van het bureau AMV uit zijn functie ontheven op basis van de uitkomsten van een uitgevoerd intern-onderzoek naar nevenactiviteiten van de betreffende functionaris. Er is vervolgens gestart met de werving voor de vacature die daardoor was ontstaan.
Over de bezetting van het bureau is noch met de minister noch met de staatssecretaris gecommuniceerd. Er zijn geen taken van het bureau afgestoten.
Het bureau Adviseur Milieuvergunningen gold bij gemeenten als de deskundigheid op het gebied van vergunningverlening voor het opslaan van ontplofbare stoffen. De adviestaak van het bureau Adviseur Milieuvergunningen (en voorlopers daarvan) is wettelijk vastgelegd. Werd ooit gerapporteerd over de uitvoering van deze taak? Werd daar door leidinggevenden nooit om gevraagd?
Er vond na de reorganisatie van de DMKL in 1998 periodiek overleg plaats tussende Plv Souschef Verwerving (namens de DMKL), de cluster verwerving en de secretaris van de Militaire Commissie gevaarlijke Stoffen (MCGS) als «vertegenwoordiger» van bureau AMV In deze vorm vond de functionele aansturing van het bureau en verantwoording door het bureau plaats. De adviseurs van het bureau voerden veelal op locatie in het land hun werkzaamheden uit en waren weinig in Den Haag aanwezig. Door bureau AMV werd niet gerapporteerd over de uitvoering van de adviestaak aan DMKL. Er is door de DMKL leiding geen verantwoording gevraagd aan het bureau over het functioneren.
In één van de bijlagen van de brief van de minister van Defensie staat dat het bureau AMV in ieder geval de laatste jaren eigenstandig heeft kunnen functioneren en zijn werkzaamheden naar eigen inzichten heeft kunnen indelen en uitvoeren. Is daar nooit verantwoording om gevraagd?
Zie het antwoord op vraag 2 (27 157-16).
Welke conclusies trekt het kabinet uit het eigen onderzoek naar de opzet en werkwijze van het bureau AMV?
Zie het antwoord op vraag 13 (27 157-14).
Het kabinet spreekt in algemene zin van verbetermaatregelen en kondigt een functiescheiding aan. Wat wordt hier mee bedoeld, wat wordt er precies gescheiden? Blijven beide functies wel uitgevoerd worden door hetzelfde bureau? Verder wil het kabinet de werkwijze van het AMV «aanpassen en aanscherpen», mag dat wat concreter? Heeft het kabinet nog wel vertrouwen in het handhaven van het bureau en in de beoogde functiescheiding? Waarom zou dat een waarborg betekenen voor het toekomstig functioneren? In hoeverre meent het kabinet dat dit afdoende vertrouwenwekkende maatregelen zijn? Wat zijn de personele consequenties, mede in het licht van het strafrechtelijk onderzoek naar de medewerkers van het bureau in het kader van de ramp in Enschede?
Zie het antwoord op vraag 13 (27 157-14) en zie ook vraag 35 (27 157-20). Zoals aangegeven heeft de minister van Defensie na het verschijnen van de rapporten van de heer Booij en van STUVEX maatregelen genomen om het functioneren in kwantitatieve en kwalitatieve zin te verbeteren.
Eventuele personele consequenties in relatie tot de strafrechtelijke onderzoeken kunnen pas worden getrokken nadat deze onderzoeken zijn afgerond. Daarbij dient te worden opgemerkt dat de functionarissen die als Directeur van de DMKL in relatie kunnen worden gebracht met de geconstateerde tekortkomingen inmiddels niet meer in dienst zijn van het ministerie van Defensie.
Waarom heeft STUVEX het dossier van AMV inzake S.E. Fireworks buiten beschouwing gelaten? Is daar op het ministerie wel onderzoek naar gedaan en zo neen, wil het kabinet dat alsnog doen? Welke tekortkomingen uit dat specifieke dossier heeft het kabinet geconstateerd en/of onderschreven? Welke consequenties trekt het hieruit ten aanzien van de oorzaak en de mogelijke voorkoming van de ramp in Enschede?
Het dossier SE Fireworks was reeds voorwerp van onderzoek door diverse instanties waaronder de Commissie Oosting. In het rapport van de Commissie Oosting worden de tekortkomingen uitvoerig beschreven. Het kabinet heeft in het kabinetsstandpunt dat op 23 maart aan de kamer is gestuurd, aangegeven dat de conclusies van de Commissie Oosting over het bureau AMV worden onderschreven. Zie het antwoord op vraag 13 (27 157-14).
Waarom is de minister van Defensie een eigen onderzoek naar de opzet en werkwijze van het bureau AMV gestart, terwijl het bureau AMV ook aan de orde komt in de onderzoeken van de Inspecties van het ministerie van VROM, het Openbaar Ministerie te Almelo en de Commissie Onderzoek Vuurwerkramp?
De Rijksinspecties, de Commissie onderzoek vuurwerkramp en het Openbaar Ministerie hebben met name onderzoek gedaan naar de vuurwerk ramp te Enschede en de betrokkenheid van bureau AMV als adviseur en toezichthouder m.b.t. de vergunning(verlening) van het bedrijf SE Fireworks. De minister van Defensie wilde vooruitlopend op de uitkomsten van deze onderzoeken een oordeel hebben over het functioneren in algemene zin van het bureau AMV. Hij heeft dit gevraagd om indien nodig zo spoedig mogelijk maatregelen te kunnen nemen met het oog op het adequaat functioneren van het bureau. Zie verder het antwoord op vraag 13 (27 157-14).
Was de minister van Defensie voor de vuurwerkramp in Enschede plaatsvond op de hoogte van de taken en verantwoordelijkheden van het bureau AMV?
Staatsrechtelijk is de vraag of de bewindslieden van Defensie feitelijk op de hoogte waren niet relevant voor de politieke verantwoordelijkheid. Feitelijk is in de ambtsperiode van de huidige bewindslieden het bureau AMV niet onder hun aandacht gebracht, noch bij de staatssecretaris gelet op zijn specifieke verantwoordelijkheid voor DMKL, noch bij de minister gelet op zijn algehele verantwoordelijkheid.
Uit de brief blijkt dat de kwaliteit van het advies door AMV als onvoldoende is beoordeeld. Er staat evenwel niet in waarom dan. Ook blijkt niet uit de brief wat in de STUVEX-onderzoeken de bevindingen zijn. Graag zouden deze leden die uitgebreide toelichting alsnog krijgen. Hoelang hebben de tekortkomingen al dan niet onder zijn verantwoordelijkheid kunnen voortbestaan? Welke oorzaken lagen ten grondslag aan de onderbezetting? Hoe lang heeft die situatie bestaan en (hoelang) is het bureau nu weer in orde?
De bevindingen van STUVEX richten zich voor een deel op het niet adequaat vastgelegd zijn van gegevens. Het is niet altijd in de dossiers terug te vinden op welke gronden adviezen zijn gegeven. Verder constateert STUVEX onder meer dat er geen consistentie is in de uitgebrachte adviezen. Ook constateert STUVEX dat de controlerende taak sterk is verwaarloosd. Zoals de minister van Defensie in zijn brief van 15 januari jl. aan de Kamer heeft gemeld komt STUVEX op basis van de bestudering van de dossiers tot de conclusie dat de kwaliteit van de advisering door het bureau AMV als onvoldoende moet worden beoordeeld zonder dat betekent dat dit automatisch resulteert in gevaarlijke situaties. Een kopie van het rapport van STUVEX «Beoordeling Bureau AMV» is gevoegd bij de brief van de minister van Defensie aan de Kamer van 15 januari 2001.
Zie verder het antwoord op de vraag 13 (27 157-14) en vraag 1 (27 157-16). De sinds medio 2000 in gang gezette verbetermaatregelen moeten zeker stellen dat het bureau AMV tot de inwerking treding van het Vuurwerkbesluit haar taken naar behoren kan uitvoeren.
Waardoor werden de tekortkomingen bij het bureau AMV, zoals personele onderbezetting, verschillen in kwaliteit en verwaarloosde controle, veroorzaakt?
Zie ook het antwoord op vraag 5 (25 157-16) en het antwoord op vraag 1 (27 157-16).
De onderbezetting heeft niet alleen een nauwe relatie met de vermindering van de bezetting, maar ook met het toegenomen werkaanbod vooral in verband met de millenniumwisseling. Als gevolg werden door het bureau AMV prioriteiten gesteld en werd de nadruk gelegd op de advisering boven het toezicht. Dit hield verband met het feit dat de advisering gebonden is aan een externe termijn, terwijl voor de frequentie en invulling van het toezicht externe richtlijnen ontbreken.
De minister wil «uiteraard» controle van dossiers op tekortkomingen van de AMV, en stelt dat inmiddels (bij VROM) een selectie van de 51 grootste risicobedrijven heeft plaatsgevonden, waarbij «een onderzoek» zal aansluiten. Maar wanneer heeft zijn onderzoek aangevangen? Door wie wordt het uitgevoerd en wanneer is het afgerond? Wat stelt het onderzoek inhoudelijk voor? Hoe ziet het kabinet hier op toe? Om welke 51 bedrijven gaat het dan? Welke andere dossiers komen in aanmerking voor controle? Hoeveel zullen er in totaal worden doorgelicht en voor wanneer moet dat klaar zijn? Wanneer rapporteert hij aan de Kamer? Kan dat bij de beantwoording van deze vragen worden meegenomen? Welke consequenties trekt hij uit eventueel nu reeds te constateren tekortkomingen? Waar ligt zijn grens van wat daarin voor hemzelf nog acceptabel is?
STUVEX heeft een bureaustudie verricht en op basis daarvan de advisering beoordeeld. Bij het onderzoek is steekproefsgewijs 10% van de dossiers doorgelicht waarin in de periode maart 1999 tot juli 2000 correspondentie was gevoerd. Daarnaast zijn bij het onderzoek tevens 22 dossiers beoordeeld uit de lijst van 51 vuurwerkbedrijven die medio 2000 door de Inspectie Milieuhygiëne zijn geïnventariseerd en gecontroleerd. Deze lijst bevatte bedrijven met de hoogste potentiële risico's die zijn gecontroleerd door de Inspectie Milieuhygiëne.
De minister van VROM heeft over deze «Quick Scan» controle aan de kamer gerapporteerd bij brief van 27 juli 2000. Bij deze ter plaatse uitgevoerde controle door VROM zijn onder meer de ligging van de inrichting, de toegestane en feitelijke aanwezige hoeveelheden vuurwerk en de inhoud van de vergunning (externe veiligheidsafstanden) aan de orde geweest.
Na de rapportage van STUVEX is door de minister van Defensie besloten dat diende te worden bezien in welke dossiers tekortkomingen zitten, of deze tekortkomingen gevolgen hebben voor de kwaliteit van de geleverde adviezen en bovendien of dit gevolgen heeft voor de externe veiligheid.
Bij het direct aangevangen onderzoek is aansluiting gezocht bij de eerder in 2000 door VROM gemaakte selectie van 51 bedrijven met de grootste potentiële risico's. Een aantal dossiers dat door STUVEX als prioriteit is aangemerkt is als eerste nader bekeken. Over de resultaten hiervan heeft de minister van Defensie gerapporteerd in zijn brief van 15 januari 2001 aan de Kamer. Zie ook het antwoord op vraag 13 (27 157-14).
Om het zekere voor het onzekere te nemen zullen de overige dossiers op de zelfde wijze worden bezien in overleg met VROM. Aangezien de ongeveer 3500 vuurwerkdossiers van bureau AMV eind januari 2001 door deRijksrecherche in beslag werden genomen heeft dit onderzoek geen doorgang kunnen vinden. Op 26 maart jl. zijn de meeste dossiers door de Rijksrecherche geretourneerd. Deze worden op dit moment weer gearchiveerd. Er zijn echter 47 dossiers achtergehouden bij de Rijksrecherche voor nader onderzoek. Hiervan maken er 30 deel uit van de selectie van 51 van VROM. Het onderzoek wordt uitgevoerd in samenwerking met het ministerie van VROM. Het tijdstip van afronding van het onderzoek is afhankelijk van het moment van teruggave van de laatste dossiers en van de aard van de tekortkomingen die worden aangetroffen. Het onderzoek richt zich primair op de 51 bedrijven van de lijst van VROM alsmede andere bedrijven waarbij STUVEX bemerkingen heeft bij het dossier. Afhankelijk van de aard en ernst van de tekortkomingen die bij het onderzoek worden aangetroffen zal worden besloten of meer dossiers aan een nader onderzoek dienen te worden onderworpen.
Zie bijlage 5.
Centraal rapport rijksinspecties (27 157, nr. 14)
Kan het kabinet per inspectie aangegeven op welke wijze het organisatorisch is ingebed en aan wie het op welke wijze verantwoording aflegt voor zijn handelen en nalaten?
De Inspectie Brandweerzorg en Rampenbestrijding en de Inspectie Politie maken als zelfstandig dienstonderdeel deel uit van het directoraat-generaal voor openbare orde en veiligheid van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De inspecties rapporteren door (procedurele)tussenkomst van de Directeur-Generaal aan de bewindslieden. Op dit moment vindt een studie plaats naar de meest wenselijke organisatorisch inbedding van de inspecties binnen het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
De Inspecties voor de Ruimtelijke Ordening (IRO), Volkshuisvesting (IVH), en Milieuhygiëne (IMH) maken onderdeel uit van het ministerie van VROM, De Inspecties leggen verantwoording af aan de minister van VROM. De minister van VROM rapporteert periodiek aan de Kamer over de handhaving van de milieuwetgeving, de ruimtelijke ordening, de woningwet en bouwregelgeving.
De Arbeidsinspectie maakt als Directie onderdeel uit van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Binnen de Algemene Leiding maakt Arbeidsinspectie onderdeel uit van de portefeuille van een Directeur Generaal. Via Ministerstafberichten kan de Arbeidsinspectie wekelijks rechtstreeks over het handelen rapporteren naar de SG en de bewindslieden van SZW.
In het zelfstandige Jaarverslag van de Arbeidsinspectie, dat ieder jaar door de minister van SZW aan de Tweede Kamer wordt aangeboden, wordt verantwoording aan de Tweede Kamer afgelegd over het handelen. In de Jaarverantwoording SZW wordt verantwoording afgelegd aan de Tweede Kamer over de benodigde inzet van middelen bij dat handelen.
De Rijksverkeersinspectie valt organisatorisch onder het Directoraat-Generaal Goederenvervoer van het ministerie van Verkeer en Waterstaat en legt aldus verantwoording af aan de minister van Verkeer en Waterstaat.
Voert het kabinet alle aanbevelingen gedaan door de inspecties uit? Zo ja, op welke wijze (tijdplan, wijze, verantwoordelijkheid) geschiedt dit? Zo neen, welke niet en waarom niet?
Het kabinet zal invulling geven aan alle aanbevelingen van de inspecties in het kader van de uitwerking van de actiepunten zoals die zijn geformuleerd in het kabinetsstandpunt Vuurwerkramp en in het kader van reeds lopende trajecten.
Waarom is de aard van de inrichting, waar explosieven zijn opgeslagen, geen aanleiding geweest tot controle door de inspecties van VROM? Het vuurwerkbesluit en de handhaving daarvan is toch een primaire aangelegenheid van VROM?
De eerstelijns handhaving van zowel de huidige Algemene maatregel van Bestuur inzake kleinschalige opslag van (oudejaars)vuurwerk als van vergunningen op grond van de Wet milieubeheer voor grotere opslag van vuurwerk is een aangelegenheid van de gemeente. Voor het tweedelijnstoezicht door de VROM-inspecties zie het antwoord op vraag 17 (27 157-14).
Betrof het niet uitvoeren van toezicht en het niet controleren van de regelgeving ter zake van vuurwerk door de inspectie van VROM alleen S.E. Fireworks of gold dit ook voor andere inrichtingen waar vuurwerk werd opgeslagen?
Dit gold voor alle inrichtingen waar vuurwerk werd opgeslagen. Zie verder het antwoord op vraag 17 (27 157-14)
Op welke wijze heeft de inspectie voor brandweerzorg en rampenbestrijding de afgelopen jaren de kwaliteit van de gemeentelijke rampenplannen en oefeningen gecontroleerd?
De provincie heeft tot taak de rampenplannen te toetsen op grond van de WRZO. Gedeputeerde Staten van de provincie kunnen de gemeenten aanwijzingen geven hun rampenplan aan te passen indien het plan niet voldoet aan de eisen bij de wet gesteld.
De inspectie Brandweerzorg en Rampenbestrijding (IBR) geeft uitvoering aan haar opgedragen taak door het verrichten van aspectonderzoeken en incidentonderzoeken. Een vorm van algemene doorlichting op regionaal niveau van de rampbestrijdingsorganisaties is in voorbereiding. Er zijn geen specifieke onderzoeken gedaan naar de kwaliteit van de rampenplannen van gemeenten. In de afgelopen jaren zijn de resultaten van een aantal onderzoeken van de IBR gepresenteerd waarin de kwaliteit van de rampenplannen en de geoefendheid aan de orde kwamen. Voorbeelden hiervan zijn «Operationele leiding» (1995), «Kwaliteit van het repressieve brandweerpersoneel» (1997) en «Oefenen, de laatste stap in de voorbereiding op de rampenbestrijding» (1993). Ook bij de rapporten over incidentonderzoeken, zoals naar de vliegtuigramp in Eindhoven, komen deze aspecten aan de orde. Bij de genoemde algemene doorlichting zullen de rampenplannen en de geoefendheid nadrukkelijk worden betrokken.
Kan het kabinet een overzicht geven van de (inhoudelijke) wijzigingen die hebben plaatsgevonden nadat de gemeente Enschede de inspectierapporten heeft kunnen vergelijken?
De procedure hoor en wederhoor kende met betrekking tot de gemeente Enschede twee stappen.Vanaf de periode 27 11 00 tot 05 01 01 zijn de concepten aan een breed samengestelde gemeentelijke leesgroep voorgelegd. Met de betreffende onderzoekers van de verschillende deelrapporten hebben vervolgens besprekingen over de bevindingen plaatsgevonden. Van een aantal van deze suggesties werd door de onderzoekers meteen toegezegd dat ze zouden worden verwerkt. Voor andere was eerst nader onderzoek nodig. Deze procedure heeft geleid tot tientallen, vaak feitelijke, aanpassingen in de inspectierapporten.
Opvallend is de gedegen en gesmeerd verlopende interdisciplinaire samenwerking bij het projectmatig werken van de inspecties. Departementale schotten waren vervangen door collegiale samenwerking en werkbare afspraken. Moet deze aanpak niet het uitgangspunt van de organisatie van de landelijke inspectiediensten worden? Waarom wordt niet voor een interdisciplinaire projectbenadering gekozen, waarbij teams van samenwerkende inspecteurs worden geformeerd op basis van een ontkokerde organisatie?
De samenwerking tussen de inspecties is goed verlopen. Het uitgangspunt daarbij is de bundeling van de expertise die er is bij de verschillende inspecties. Op deze weg zal verder worden gegaan. Ook bij het onderzoek naar de ramp in Volendam is voor een dergelijke benadering gekozen. Bij de algemene doorlichting van de voorbereiding van de rampenbestrijding die door de inspectie Brandweerzorg en Rampenbestrijding wordt voorbereid zal nadrukkelijk ook de deskundigheid van andere inspecties worden betrokken. De bijbehorende bevoegdhedenstructuur zal wettelijk worden vastgelegd. Bij de uitvoering van actiepunt 31 van het kabinetsstandpunt zal worden bezien welke organisatorische mogelijkheden in aanmerking komen om het doel: «een integrale rapportage over de (voorbereiding op) de rampenbestrijding» te bereiken.
Ook op enkele andere gebieden wordt zowel op regionaal niveau als op landelijk niveau in interdisciplinaire projecten samengewerkt. Voorbeelden zijn legionella en asbesthoudende afvalstromen.
Ook in het kader van de uitvoering van het Besluit Risico's Zware Ongevallen van 1999 worden er momenteel afspraken gemaakt en geëffectueerd tussen de Arbeidsinspectie, de Vergunningverlener ex Wet milieubeheer en de Brandweer. Deze afspraken, op landelijk niveau gecoördineerd en voornamelijk op regionaal niveau verder vorm gegeven, betreffen de beoordeling van Veiligheidsrapporten en bedrijfsnoodplannen en het gezamenlijk vaststellen en uitvoeren van inspectieplannen bij bedrijven.
Hoe verhoudt de opmerking op bladzijde 14 van het centraal eindrapport dat er tot het moment van de ramp sprake was van, in strijd met de bestemming, het opslaan van vuurwerk in tenminste elf zeecontainers zich tot de tekst van het eindrapport Commissie-Oosting waar wordt gesproken over het verlenen van een tijdelijke veranderingsvergunning (19 juli 1999) waarin wel toestemming werd gegeven voor de elf zeecontainers (bladzijde 30–32)?
Het verlenen van de milieuvergunning, in casu de tijdelijke veranderingsvergunning, sluit niet uit dat de plaatsing van de containers in strijd is met het bestemmingsplan. De milieuvergunning kan juridisch niet worden getoetst aan het bestemmingsplan. Daarom is in het Inspectierapport de aanbeveling opgenomen over de toetsing van een aanvraag voor een milieuvergunning aan het bestemmingsplan.
Over beide bestemmingsplannen is door de inspectie (als lid PPC) inhoudelijk geadviseerd, onder meer op het punt algemene categorie-indeling bedrijven. Bewijst dit dat ook in 1994 op rijksniveau de gevaren van vuurwerk voor de omgeving nog steeds totaal onderschat werden?
Zie het antwoord op vraag 5 (27 157-14D).
Waarom is het College van B&W van de gemeente Enschede in 1979, 1997 en 1999 bij het verlenen van een vergunning afgeweken van het advies van het DMKL/Bureau Milan?
De redenen waarom het college van B&W is afgeweken van de adviezen van bureau AMV van DMKL zijn niet bekend.
Wat is de reden van het niet handhavend optreden om de feitelijke situatie bij S.E. Fireworks in overeenstemming te brengen met de vigerende vergunning? Was de onderschatting van de risico's door gebrek aan kennis hier de oorzaak?
De gemeente is het bevoegd gezag en moest de vergunning handhaven. Niet handhavend optreden was niet uniek en paste volgens de Commissie Onderzoek Vuurwerkramp bij de bestuurscultuur in die tijd. Redenen waren onder andere het vermijden van procedures bij de Raad van State en angst voor schadeclaims. Bovendien was de gemeente niet bekend met de mogelijke risico's van professioneel vuurwerk zoals die bij Culemborg bleken. Dit omdat het TNO-rapport dat onder verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie over de risico's van professioneel vuurwerk naar aanleiding van de vuurwerkexplosie te Culemborg is gemaakt, niet is openbaar gemaakt.
Enschede had beleidsvrijheid op de wenselijke afstand van S.E. Fireworks ten aanzien van woonwijken en de milieuvergunning. Waarom ontbrak het aan een heldere VROM- en/of Defensie-richtlijn, en hoe wordt dit in de toekomst voorkomen?
De Wet milieubeheer kent een coördinatieregeling voor het verlenen van een milieuvergunning in gevallen waarin voor de betrokken inrichting tevens een bouwvergunning nodig is. Deze afstemmingsconstructie blijft ook in de toekomst in stand. Voor het verlenen van een milieuvergunning ten behoeve van een inrichting waar professioneel vuurwerk of meer dan 1000 kg consumentenvuurwerk wordt opgeslagen waren voorschriften en veiligheidsafstanden ten opzichte van kwetsbare objecten buiten de inrichting opgenomen in het Handboek milieuvergunningen. Dit handboek diende als uitgangspunt voor het bevoegde gezag voor de vergunning en voor Defensie als wettelijke adviseur. Daarnaast hanteerde Defensie interne memoranda in het kader van de uitoefening van zijn adviesbevoegdheid. In de toekomst geldt hetontwerp-Vuurwerkbesluit als eenduidig toetsingskader voor het verlenen van een milieuvergunning (veiligheidsafstanden) en gelden de daarin opgenomen voorschriften met betrekking tot de inrichting als algemene regel die rechtstreeks zijn gericht tot degene die de inrichting drijft. De adviesbevoegdheid van Defensie komt te vervallen.
Bureau MILAN (Defensie) deed concessies ten opzichte van haar eigen beleidskader, haar adviezen inzake de vergunningen kenden een compromiskarakter. MILAN ging akkoord met een feitelijke afwijkende situatie ten opzichte van de beschikkingen. MILAN is in gemeentelijke bevoegdheden getreden. MILAN-medewerkers kenden hun bevoegdheden niet in het kader van de Awb. Wat gaat het kabinet doen om dit in de toekomst te voorkomen?
De ramp in Enschede is voor de minister van Defensie aanleiding geweest om opdracht te geven tot een eigen onderzoek naar de opzet en werkwijze van het bureau AMV. De voormalig Directeur van de Defensie Accountantsdienst , de heer drs J. Booij RA, is op 30 mei 2000 verzocht een beoordeling/advies uit te brengen met betrekking tot de organisatie, taken en het functioneren van het bureau AMV. Op basis daarvan zou de minister indien nodig maatregelen kunnen nemen met het oog op het adequaat functioneren van het bureau. Dit onderzoek had niet als doel om de rol van het bureau met betrekking tot S.E. Fireworks te bezien. Hiernaar werd immers onderzoek uitgevoerd door De Rijksinspecties, de Commissie Oosting en het Openbaar Ministerie. Op basis van de bevindingen in de rapporten van de heer Booij (juni 2000) heeft de minister van Defensie eind juni 2000 opdracht gegeven om een aantal verbetermaatregelen te nemen met betrekking tot het bureau AMV. Het betreft met name de versterking van de personele bezetting van het bureau met twee adviseurs en een administratieve kracht. Tevens is functiescheiding doorgevoerd tussen de verschillende taken (met name advisering en toezicht) van het bureau. In concreto wordt voortaan het toezicht op de naleving van de vergunning uitgevoerd door een andere adviseur dan diegene die het advies rond de vergunningverlening heeft gegeven.
De aansturing van het bureau is door de Directie Materieel Koninklijke Landmacht verbeterd.
In het rapport van de heer Booij is onder meer gewezen op het risico van een mogelijke vermindering van kwaliteit van de door het bureau afgegeven adviezen, met name gedurende de periode waarin sprake was van onderbezetting. Dit is voor de minister van Defensie aanleiding geweest hiernaar onafhankelijk onderzoek te laten doen. Hierover heeft overleg plaatsgevonden met de Inspectie Milieuhygiëne van VROM. In oktober 2000 is hiervoor het «Internationaal Bureau voor explosieveiligheid en risicobeheersing» STUVEX N.V. ingeschakeld. Dit bureau heeft een dossierstudie verricht en heeft op basis daarvan de wijze van advisering beoordeeld. Het dossier SE Fireworks is niet bezien omdat dit al voorwerp van onderzoek was door de eerder genoemd instanties. Het bureau STUVEX heeft op 8 januari 2001 zijn rapport ingediend. Samenvattend komt STUVEX op basis van de bestudering van de dossiers tot de conclusie dat de kwaliteit van de advisering door het bureau als onvoldoende moet worden beoordeeld zonder dat dit betekent dat dit automatisch resulteert in gevaarlijke situaties. De bevindingen van STUVEX hebben de minister van Defensie tot de volgende maatregelen gebracht waarbij over de aanpak overleg is gevoerd met de Inspectie Milieuhygiëne van VROM en het ministerie van BZK.
De werkwijze van bureau AMV bij de advisering is aangepast en aangescherpt. Concreet heeft dit onder meer betrekking op:
– het bezien op volledigheid van de advies aanvraag en daarover bij geconstateerde tekortkomingen rapporteren aan de vergunningverlener.
– het voorzien van het advies aan de vergunningverlener van een uitgebreide motivering. -het rapporteren aan de vergunningverlener van alle tekortkomingen en bevindingen die bij de beoordeling van de vergunningaanvraag worden geconstateerd.
Het intern memorandum van 12 januari 2001 waarin deze maatregelen zijn vastgesteld is als bijlage 6 gevoegd.
Voorts is een nader onderzoek gestart teneinde te bezien welke dossiers tekortkomingen bevatten, of deze tekortkomingen gevolgen hebben voor de kwaliteit van de geleverde adviezen en bovendien of dit gevolgen heeft voor de externe veiligheid.
Een aantal dossiers dat door STUVEX als prioriteit was aangemerkt is direct na het verschijnen van het rapport van STUVEX nader bekeken. In samenwerking met VROM zijn daarbij de bevindingen van de bureaustudie van STUVEX vergeleken met de «technische» controle ter plaatse die VROM eerder in 2000 (na 13 mei) heeft uitgevoerd bij deze bedrijven. Er zijn uit deze eerste vergelijking geen nieuwe elementen met betrekking tot de externe veiligheid naar voren gekomen die niet al eerder in de rapportage van VROM aan de betreffende gemeenten waren medegedeeld. Om het zekere voor het onzekere te nemen is besloten de overige dossiers op de zelfde wijze te onderzoeken. Aangezien in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen een ex-medewerker en een medewerker van het bureau kort daarop (eind januari 2001) door de Rijksrecherche alle ongeveer 3500 vuurwerkdossiers van het bureau in beslag werden genomen, heeft dat onderzoek geen doorgang kunnen vinden. Inmiddels zijn eind maart de meeste dossier weer geretourneerd door de Rijksrecherche. Het onderzoek naar de dossiers kan nu worden voortgezet.
De rapporten van de heer Booij alsmede het STUVEX-rapport zijn als bijlagen bij de brief van de minister van Defensie van 15 januari 2001 (kamerstuk 27 157-16) aan de Kamer gestuurd.
Het strafrechtelijk onderzoek naar de betrokken (ex) medewerkers is nog niet afgerond. Hierover kunnen derhalve geen mededelingen worden gedaan.
Zoals aangekondigd zullen met het inwerking treden van het nieuwe Vuurwerkbesluit van de minister van VROM in de loop van 2001 de adviesen toezichttaken van het bureau AMV komen te vervallen. De geschetste verbetermaatregelen moeten zeker stellen dat het bureau AMV tot de inwerking treding van hetontwerp-Vuurwerkbesluit haar taken naar behoren kan uitvoeren.
Milan heeft schriftelijk verzocht de brandweer te betrekken bij de vergunningverlening. Waarom heeft Enschede dat verzoek van Milan niet opgevolgd? Waarom heeft de brandweer, gelet op haar taak, hier niet zelfstandig actie ondernomen?
Op grond van informatie van de gemeentelijke brandweer van Enschede kan het volgende worden vermeld:
Er zijn afzonderlijke vergunningtrajecten voor bouwvergunningen en milieuvergunningen. Het is een feit dat de brandweer in het kader van de milieuwetgeving met betrekking tot S.E. Fireworks een te beperkte rol heeft gespeeld. Daarnaast is de constatering juist dat er geen structurele borging was voor de inschakeling van de brandweer. Dit is inmiddels gerealiseerd. Toch betekende dat niet dat er geen enkele samenwerking bestond tussen de brandweer en de Bouw en milieudienst. De brandweer was betrokken bij m.n. de beoordeling van brandbeveiligingsinstallaties bij risicovolle bedrijven. Aanleiding was dan veelal een zogenaamde CPR-richtlijn voor de te vergunnen activiteit. De CPR gaf richtlijnen uit over de omgang met gevaarlijke stoffen. Voor vuurwerk bestond geen CPR-richtlijn.
Beschikken Enschede en de door Enschede geraadpleegde deskundigen over onvoldoende deskundigheid gelet op de resultaten van nadere toetsing door SAVE?
Op grond van informatie van de gemeentelijke brandweer van Enschede kan het volgende worden vermeld: Het brandveiligheidsconcept «Beheersbaarheid van brand» is een rekenmodel en om brandveiligheidseisen, ter voorkoming van branduitbreiding, te bepalen voor compartimenteringen > 1000m2. Bij SE Fireworks waren geen compartimenten > 1000m2 aanwezig. Enschede en de door Enschede geraadpleegde deskundigen kunnen beschikken over de benodigde deskundigheid maar in de regel wordt in deze zaken om onafhankelijk advies gevraagd van een adviseursbureau.
Kan de tekst op bladzijde 18, waar wordt aangegeven dat B&W van Enschede geen uitvoering hebben gegeven aan het landelijk geldende gedoogkader, nader worden toegelicht? Wat is dat landelijk geldende gedoogkader?
Over het gedogen van illegale situaties zijn begin jaren negentig strikte spelregels afgesproken tussen Rijk, IPO, VNG en UvW in het «Gezamenlijke beleidskader inzake het terugdringen van het gedogen van milieu-overtredingen» (aangeboden door ministers VenW en VROM op 10-10-1991).
Gedogen kan alleen als er een schriftelijke beschikking is die aangeeft wat onder welke condities en voor welke termijn wordt toegestaan. Een gedoogbeschikking is daarmee een formeel instrument en er kan net als bij een vergunning bezwaar worden aangetekend.
Door B&W van Enschede is niet gewerkt volgens dit beleidskader. B&W doelen mogelijk op uitspraken van de Raad van State dat om redenen van proportionaliteit het niet hebben van een (deel van) een vergunning niet voldoende argument is om de inrichting te sluiten.
Waarom hebben de inspecties van het ministerie van VROM de afgelopen twintig jaar geen (tweedelijns) toezicht uitgeoefend op het vergunningenbeleid inzake vuurwerkinrichting S.E. Fireworks?
De VROM-inspecties verrichten eerstelijnstoezicht en tweedelijnstoezicht. Het eerstelijnstoezicht omvat de taken waarvoor de minister van VROM zelf bevoegd gezag is. Dit betreft onder andere de besluiten van de Wet milieugevaarlijke stoffen (asbest, cadmium, PCB's, CFK's, genetisch gemodificeerde organismen enzovoort), de productregelingen van de Wet milieubeheer (verpakkingen, autobanden, KCA-logo enzovoort), grensoverschrijdende afvaltransporten en de Kernenergiewet. In dit kader controleert de Inspectie Milieuhygiëne vele bedrijven en treedt sinds midden jaren negentig direct straf- of bestuursrechtelijk op tegen overtredingen van kernbepalingen. De prioriteit van bedrijven wordt bepaald aan de hand van risico's voor veiligheid, gezondheid en milieu en het naleefgedrag.
Het tweedelijnstoezicht van de VROM-inspecties richt zich op het handelen van overheden. In het begin van de jaren negentig is dit toezicht meer op afstand geplaatst en werden minder bedrijven gecontroleerd waarvoor andere overheden bevoegd gezag zijn. De capaciteit van de VROM-inspecties is in dit kader midden jaren negentig dan ook verminderd (zie hiervoor ook deel A van het rapport van de Commissie onderzoek vuurwerkramp blz. 208 en verder voor de ontwikkeling van het tweedelijnstoezicht).
Verder wordt in het kader van het tweedelijnstoezicht door de VROM inspecties steekproefgewijs onderzoek gedaan om te bekijken of door gemeenten en bedrijven conform de regelgeving wordt gewerkt.
In de betrokken periode viel noch de gemeente Enschede noch de branche in deze steekproeven. Wel is de gemeente in 1999 gevallen in de steekproef bouwregelgeving van de Inspectie Volkshuisvesting (IVH). Dit heeft alleen betrekking op bouwregelgeving ten aanzien van woningen.
Uitkomst van deze steekproef was dat de vergunningverlening in de gemeente Enschede onvoldoende was gewaarborgd, een oordeel dat overeenkomt met de gemiddelde score van onderzochte gemeenten in Nederland, zoals blijkt uit het Inspectierapport bouwregelgeving 1999.
Inmiddels is het beleid met betrekking tot de lokatiebezoeken aangescherpt. De steekproeven worden uitgebreid, zowel met betrekking tot de aantallen te controleren bedrijven en branches als met betrekking tot de aantallen te controleren gemeenten. Het aantal af te leggen bezoeken neemt eveneens toe. Het kabinet heeft daartoe besloten tot een versterking van het tweedelijnstoezicht met 65 fte met ingang van de begroting 2001.
Bovendien wordt reeds op signalen gereageerd die nog niet als klacht dan wel als «gebleken» probleem zijn geregistreerd.
De samenvoeging van de Inspecties Ruimtelijke Ordening, Milieuhygiëne en Volkshuisvesting draagt, gelet op de samenhang van ruimtelijk beleid met veiligheidsbeleid en bouwregelgeving, krachtig bij aan een betere werkwijze. De nieuwe VROM-inspectie zal per 1 januari 2002 zijn gerealiseerd.
Veiligheid van bedrijven was al vanaf begin jaren negentig een prioriteit. Echter binnen deze prioriteit is tot mei 2000 prioriteit gegeven aan Seveso-bedrijven, LPG-stations, veiligheid van emplacementen, maar niet aan vuurwerkbedrijven. Het mogelijke brandgevaar was bekend, maar het extra explosiegevaar (vertrouwelijk TNO-onderzoek Culemborg) niet.
De VROM-inspecties hebben ter voorkoming van mogelijke andere ongevallen wel alle grote vuurwerkbedrijven vorig jaar gecontroleerd en waar nodig te veel of verkeerd geclassificeerd vuurwerk in beslag laten nemen.
Bevoegdheden van B&W om bestuursrechtelijk op te treden waren niet gemandateerd. Had wel mandatering de situatie in positieve zin beïnvloed?
In geval van mandaat aan een ambtenaar kan deze namens het bestuursorgaan, in casu het college van burgemeesters en wethouders, optreden. De ambtenaar treedt in dat geval op als vertegenwoordiger van het bestuur. Hiertoe is het nodig dat het bestuursorgaan expliciet besluit om deze bevoegdheid te mandateren. In het algemeen betekent dit dat de betrokken ambtenaar in individuele situaties het besluit om op te kunnen treden niet afzonderlijk voor goedkeuring hoeft voor te leggen aan het bestuursorgaan. Dit kan tot gevolg hebben dat sneller en vaker wordt opgetreden. Dit veronderstelt dan wel dat dit optreden past binnen het algemene gemeentelijke beleid en de daarin vastgelegde prioritering en dat er voldoende capaciteit is en middelen zijn om op te treden. Kort gezegd: de bestuurlijke prioriteitsstelling is een wezenlijk uitgangspunt. Het is het kabinet niet bekend in hoeverre in Enschede aan deze voorwaarden is voldaan.
Waarom komen de inspecties van VROM nu met een reeks van voor de hand liggende aanbevelingen terwijl zij de afgelopen jaren niets van zich hebben laten horen?
Evenals de andere rijksinspecties hebben de VROM-inspecties in hun onderzoeksrapport aanbevelingen opgenomen.
Zie verder het antwoord op vraag 17 (27 157-14).
Hoe zou de scheiding van handhaving en vergunningsverlening op bestuurlijk niveau er uit moeten zien?
Op bestuurlijk niveau zou die scheiding gestalte kunnen krijgen door binnen het college van burgemeester en wethouders de verantwoordelijkheden voor vergunningverlening en voor handhaving bij verschillende portefeuillehouders onder te brengen.
Wie bepaalt waar veiligheid, gezondheid en milieu in het geding zijn? Wie kan met deskundigheid en gezag een juiste prioritering doorvoeren?
Zie het antwoord op vraag 17 (27 157-14).
Er moeten landelijke richtlijnen komen voor de te hanteren afstanden ten opzichte van publiek en gebouwen bij het afsteken van vuurwerk. Kan het kabinet nader ingaan op de handhaafbaarheid en de controleerbaarheid, zowel richting de branche als richting het publiek?
In het ontwerp-Vuurwerkbesluit is voor het tot ontbranding brengen van professioneel vuurwerk toestemming vereist van gedeputeerde staten van de betrokken provincie alsmede een verklaring vereist van de burgemeester van de betrokken gemeente dat in verband met de openbare orde en veiligheid geen bezwaar bestaat tegen het verlenen van toestemming. Aan de toestemming kunnen voorschriften worden verbonden in het belang van de bescherming van mens en milieu. De verklaring van de burgemeester zal pas worden afgegeven indien aan de toestemming een voorschrift is verbonden dat de daarbij genoemde, op de specifieke omstandigheden (aard van het vuurwerk, locatie) afgestemde veiligheidsafstanden tot het publiek en gebouwen, in acht moeten worden genomen en het werkplan van het bedrijf dat het evenement verzorgt daarmee in overeenstemming is. Over de in concreto voor te schrijven veiligheidsafstanden zullen de burgemeester en gedeputeerde staten derhalve moeten overleggen. De op te stellen richtlijnen dienen daarbij als uitgangspunt te worden gehanteerd. De provincie, de gemeente (brandweer) alsmede de Arbeidsinspectie zien toe op de naleving van de voorschriften en of wordt gewerkt overeenkomstig het werkplan.
Wat gebeurt er met de aanbevelingen van de VROM-inspecties neergelegd in het rapport op bladzijde 19? Welke worden wel en niet uitgevoerd en waarom?
De scheiding tussen vergunningverlening en handhaving en de intensivering van de handhaving in één hand betreffen verantwoordelijkheden door de bevoegde gezagen op lokaal niveau. In het bestuurlijk overleg met de VNG en het IPO kan deze thematiek evenwel onderwerp van gesprek vormen.
De aanbeveling over de verlaging van de drempel in het Besluit risico's zware ongevallen 1999 wordt uitgevoerd. Dit is terug te vinden in kamerstuk 27 157-20, pg. 31. De aanbeveling over het in beeld brengen van effecten van potentiële calamiteiten is reeds ten dele uitgevoerd middels de Leidraad Maatramp (zie pg. 47 van kamerstuk 27 157-20). Daarnaast zal het kabinet nadere eisen stellen aan het uitvoeren van risico-analyses ten behoeve van de rampenbestrijding en aan het ontwikkelen van risicokaarten (zie pg. 46 van kamerstuk 27 157-20).
Wat waren de precieze afspraken (wanneer, hoe vastgelegd) die gemaakt zijn tussen de RVI en VROM met betrekking tot het overnemen van de controle op het bezigen en afleveren van vuurwerk door VROM?
Omdat het dossier tot nu toe niet is overgedragen zijn er geen harde afspraken gemaakt met betrekking tot het feitelijk overnemen van de controle op het bezigen van vuurwerk. Van de kant van Verkeer en Waterstaat is wel in de ambtelijke briefwisseling met VROM in de zomer van 1999 over de overdracht van het bezigen afgesproken dat de RVI haar controleactiviteiten op het bezigen en afleveren van vuurwerk af zou gaan bouwen, als in het nieuwe Vuurwerkbesluit deze taak bij een andere overheid (eerst de gemeente, later de provincie) zou komen (het betreft de brieven van 13 juli 1999 en 5 augustus 1999 van de directeur-generaal Goederenvervoer aan de plaatsvervangend directeur-generaal Milieubeheer van VROM en de antwoordbrief van laatstgenoemde van 20 juli 1999). In voornoemde briefwisseling was dit voorzien per 1 augustus 2000, doch dit werd later in de brief van de directeur-generaal Milieubeheer van VROM van 17 april 2000 naar de eerste helft van 2001 verschoven.
Wat gebeurt er met de aanbevelingen van de RVI met betrekking tot de uitvoerings- en inspectietaak van de RVI? Welke worden uitgevoerd en welke niet en waarom?
Ten aanzien van scherpere regelgeving voor alle ontploffingsgevaarlijke stoffen kan worden gemeld dat dit onderwerp zal zijn van nader onderzoek. Op dit moment is er wel interimbeleid in voorbereiding, dat met ingang van 1 juli 2001 van kracht moet worden. Dit interimbeleid heeft betrekking op vuurwerk en houdt in dat alle vuurwerk wordt behandeld als zijnde van de zwaarste categorie vuurwerk. Verder is een voorstel voor de VN in voorbereiding waarin wordt voorgesteld om de regelgeving m.b.t. de vuurwerkclassificatie aan te scherpen. Gedacht wordt hierbij aan invoering van defaultlijsten en aanscherping van de testen (beperking vrijblijvendheid bevoegde autoriteiten bij de keuze van testen) voor de classificatie van vuurwerk. Tegelijkertijd wordt gewerkt aan het indienen van voorstellen t.b.v. de Europese verdragen waaronder ADR (wegvervoer gevaarlijke stoffen). De in te dienen wijzigingen worden afgestemd naar aanleiding van een vragenlijst die op zeer korte termijn aan de deelnemende landen van het ADR zal worden toegezonden.
Zoals gesteld wordt er op dit moment gewerkt aan defaultlijsten die vooruitlopend op de beslissingen binnen de VN, in Nederland zullen worden gehanteerd als zijnde wetsinterpreterende beleidsregels. Hierdoor zal de effectiviteit van de handhaving en uitvoering voor de RVI toenemen. Samengevat betekent dit dat er op dit moment diverse acties lopen om de handhaafbaarheid ten aanzien van de vuurwerkclassificatie voor het transport toe te laten nemen.
Door de RVI is een plan van aanpak ontwikkeld voor het intensiveren van handhaving van de regelgeving op het gebied van vuurwerk. Uitbreiding van het aantal inspecteurs dat in staat is tot het nemen van monsters en het intensiveren van het instrument monstername maken daarvan deel uit. De RVI zal in 2001 30 inspecteurs extra opleiden ten behoeve van controles vuurwerk, waaronder het nemen van monsters. In 2001 zal de RVI op containerterminals één op de drie containers met vuurwerk controleren die bestemd zijn voor Nederlandse ontvangers en één op de tien containers met vuurwerk die bestemd zijn voor doorvoer. Bij gerede twijfel bij de classificatie van het vuurwerk, neemt de RVI hiervan monsters en laat deze vervolgens testen door TNO-PML. Daarnaast zullen afspraken met de douane worden gemaakt betreffende het scannen van containers.
Met ingang van 1 februari 2001 is het Besluit politieregisters (Stb. 2001, 54) inmiddels zodanig aangepast dat de politieregisters kunnen worden geraadpleegd door de korpschefs van een regionaal politiekorps en commissarissen van de Koningin, voor zover dit noodzakelijk is voor de advisering inzake het verlenen van een bezigingsvergunning door de RVI ingevolge artikel 41 van het Reglement gevaarlijke stoffen. Hiermee heeft de RVI indirect toegang tot de politieregisters in het kader van deze vergunningverlening.
Ten aanzien van de wens van de RVI om in een breder verband, buiten eerder genoemde mogelijkheid en de mogelijkheid die artikel 14, onder c, van de Wet politieregisters reeds biedt, over informatie uit politieregisters te kunnen beschikken zal nog overleg plaatsvinden tussen vertegenwoordigers van de betrokken ministeries (VenW, BZK en Justitie).
Op welke wijze kan thans tot monsterneming van vuurwerk worden overgegaan? Is er deskundigheid om de monsters te testen? Zo ja, hoe gebeurt dit in de praktijk? Hoe is de aansprakelijkheid en het kostenverhaal geregeld? Welke actie vindt plaats als de classificatie ondeugdelijk blijkt te zijn?
Monsters van vuurwerk worden genomen uit de opslag van vuurwerkbedrijven op basis van de toezichthoudende bevoegdheden in de Algemene wet bestuursrecht. De deskundigheid om vuurwerk te testen is in Nederland aanwezig bij TNO-Prins Maurits Laboratorium (PML). TNO-PML is ingevolge de vervoerswetgeving in Nederland aangewezen als de bevoegde autoriteit om gevaarlijke stoffen waaronder vuurwerk, te classificeren. Dit wordt gedaan door het uitvoeren van testen conform de door de Verenigde Naties vastgestelde testmethodes.
Vanaf medio 2000 zijn door de Inspectie Milieuhygiëne bij verschillende opslagplaatsen 36 verschillende soorten vuurwerk bemonsterd en onderzocht. De kosten van het onderzoek zijn gedragen door de Inspectie Milieuhygiëne. Indien classificatie ter plekke onjuist blijkt te zijn en de juiste classificatie leidt tot een overtreding van de vergunningsvoorschriften van de betreffende opslagplaats, kan vuurwerk in beslag worden genomen door het Openbaar Ministerie of kunnen door het bevoegd gezag bestuurlijke maatregelen genomen om het foutief geclassificeerde vuurwerk te verwijderen. In de afgelopen maanden heeft onderzoek van de Inspectie Milieuhygiëne naar de classificatie er toe geleid dat er bij 9 grote opslagplaatsen van professioneel vuurwerk onjuist geclassificeerd vuurwerk (onder dwang) is verwijderd. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in het rapport «onderzoek classificatie evenementenvuurwerk»van de Inspectie Milieuhygiëne dat op 26 februari 2001 is toegezonden (Kamernummer VROM 000216).
Wie beoordeelt op basis van welke normen de kwaliteit van de rampenplannen? Wie beoordeelt de kwaliteit van de rampenplanoefening?
In de Wet rampen en zware ongevallen worden in artikel 4.1 een aantal onderdelen genoemd die in het gemeentelijk rampenplan moeten zijn opgenomen. Verdere vorm en inhoud zijn een verantwoordelijkheid van de gemeenteraad die het rampenplan vaststelt. Na vaststelling wordt het gemeentelijk rampenplan voorgelegd ter toetsing aan gedeputeerde staten voorgelegd. De provincies toetsen de rampenplannen op de afstemming tussen gemeenten en aan het provinciaal Coördinatieplan. Rampbestrijdingsplannen worden aan de de commissaris van de Koningin voorgelegd. De inhoudelijke toetsingscriteria die daarbij worden gehanteerd kunnen per provincie verschillen. In interprovinciaal overleg wordt momenteel, op instigatie van de staatssecretaris van BZK, een afgestemd toetsingskader ontwikkeld.
Voor rampenoefeningen zijn eveneens geen algemeen geaccepteerde kwaliteitscriteria beschikbaar. In een binnenkort op te starten project ter intensivering van het oefenbeleid is uitdrukkelijk een projectdeel gericht op het ontwikkelen van praktisch hanteerbare criteria voor het oefenen.
Welke aanbevelingen van IBR en NIBRA worden uitgevoerd en welke niet en waarom?
Zie het antwoord op vraag 2 (27 157-14).
Waarom wordt op rijksniveau geen modelrampenplannen opgesteld? Op welk beleidsdocument was het modelrampenplan van de regionale brandweer Twente gebaseerd (bladzijde 23)? Waarom wordt geadviseerd per regio een modelrampenplan op te stellen (bladzijde 25)? Hoe verhoudt zich dit tot de opmerkingen op p.46 (punt 10.5a) dat ten onrechte de bestuursstructuur als basis dient voor de rampenbestrijding en niet de aard van de werkzaamheden?
Er is indertijd door de BZK bewust gekozen om geen landelijk model rampenplan op te stellen omdat uitgangspunt is dat de lokale/ regionale planvorming een resultaat moet zijn van lokale en regionale samenwerkingsafspraken. Er zijn wel vorm-modellen aangereikt via onder meer het NIBRA en door BZK georganiseerde workshops begin jaren negentig. In de PVB-referentiekaders (mei 1996) is het advies opgenomen om regionale model rampenplannen vast te stellen die als basis dienen voor de gemeentelijk rampenplannen. De inspectie heeft dit als aanbeveling opgenomen. Argument daarvoor is dat rampen vrij snel gemeentegrens overschrijdend zullen zijn en dus afgestemde planvorming en samenwerking tussen de gemeenten noodzakelijk is. Twente zal daarbij gebruik hebben gemaakt van reeds beschikbare voorbeelden uit eigen gemeenten, eigen ideeën en voorbeelden van andere regio's.
Basis voor de rampenbestrijding is de bestuursstructuur omdat daaraan de bestuurlijke verantwoordelijkheidstoedeling is opgehangen. Rampen storen zich niet aan gemeente of regiogrenzen en daarom dient in de planvorming voldoende rekening te worden gehouden met samenwerking over die grenzen heen.
Aanbeveling 2 op bladzijde 24 spreekt van risico-inventarisaties en daarop gebaseerde prioritering. Zit dit niet reeds in het project versterking brandweer en met name in het vereiste regionale plan?
Dit is inderdaad onderdeel van het versterkingsprogramma dat momenteel in uitvoering is binnen de regio's (Beleidsnota rampenbestrijding 2000–2004, de veiligheidsketen gesmeed).
Wat is de reden dat op BZK het rapport Bestrijding ongevallen waarbij ontplofbare stoffen zijn betrokken en dat vanaf 1985 een goede basis bood voor proactie en preparatie inzake vuurwerkopslag zo weinig aandacht heeft gekregen? BZK had toch de taak om te kijken wat gemeenten daarmee deden (centraal rapport inspecties, eerste versie, grijze kaft)?
Het genoemde rapport is primair ontwikkeld als hulpmiddel voor gemeenten ten behoeve van de preparatie en ongevalsbestrijding van ongevallen waarbij ontplofbare stoffen zijn betrokken en heeft ook betrekking op vuurwerkopslagplaatsen. Het rapport is destijds via een circulaire verspreid aan alle gemeenten. Daarnaast wordt het rapport sinds die tijd gebruikt als lesmateriaal in onder meer de cursus regionaal officier gevaarlijke stoffen (ROGS) die onderdeel uitmaakt van de reguliere officiersopleiding die door het Nibra wordt verzorgd. Verder biedt het boekje inderdaad ook inzichten die de brandweer in het kader van proactie bij het geven van adviezen over ruimtelijke ordening kan gebruiken.
BZK had ten tijde dat deze publicatie is verschenen een meer stimulerende en adviserende rol ten aanzien van de operationele voorbereiding door gemeenten op ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het volgen van wat er met publicaties door gemeenten werd gedaan, had destijds weinig aandacht. Dit is de laatste jaren verbeterd. Er wordt door BZK nu meer aandacht besteed aan de wijze waarop publicaties worden gebruikt, onder meer in de vorm van evaluaties.
Verder kan de Inspectie Brandweerzorg en Rampenbestrijding naar aanleiding van een specifiek ongeval, bij een aspectonderzoek op het gebied van gevaarlijke stoffen of bij een periodieke doorlichting van de kwaliteit van de rampenbestrijding aandacht besteden aan de wijze waarop deze publicaties worden gebruikt.
Bij de brandweer ging het behoorlijk fout, zo blijkt uit het onderzoek naar het brandweeroptreden tot en met de fatale explosie.
Welke conclusies trekt het kabinet uit deze treurige gang van zaken? Welke minimumeisen stelt het voor de toekomst?
Het is van belang dat onderscheid gemaakt wordt tussen de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor de brandweerzorg (zie de Brandweerwet 1985) met name betreffende de uitvoering enerzijds en de rijksverantwoordelijkheid voor de brandweerzorg in het algemeen m.n. m.b.t. wet- en regelgeving anderzijds. Geconstateerd kan worden dat zaken fout zijn gegaan in het overheidsbeleid, bijvoorbeeld ten aanzien van het gebruik maken van de lessen van Culemborg middels een vertaling naar wet- en regelgeving. Dit heeft bij de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en koninkrijksrelaties geleid tot het voornemen om de brandweer te versterken ten aanzien van pro-actie en preventie en gezien de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor brandweerzorg zal hij er bij de VNG op aandringen dat gemeenten zorgdragen voor de ontwikkeling van een samenhangend kwaliteitssysteem met criteria voor de basis brandweerzorg (kabinetsstandpunt Vuurwerkramp, actiepunten 34 en 45).
Er ontbreekt een landelijk stelsel van procedures op basis waarvan een bevelvoerder snel en duidelijk geïnformeerd kan worden over de gevaren van een bepaald object of de te hanteren inzet techniek. Wat betekent dit en wat zijn de gevolgen? Dient zo'n stelsel centraal ontworpen te worden?
Op dit moment is voor het repressief optreden belangrijke informatie nog niet opgenomen in landelijke procedures en databases. De gevolgen zijn dat er dan minder adequaat opgetreden kan worden. De staatssecretaris van Binnenlandse en Koninkrijksrelaties in overleg met de betrokken organisaties zal bezien hoe deze informatievoorziening ten behoeve van de hulpverleningsdiensten organisatorisch en juridisch kan worden uitgewerkt (kabinetsstandpunt Vuurwerkramp, actiepunten 44).
Ten aanzien van de coördinatie rampbestrijding worden verschillende conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan.
Welke neemt het kabinet over en welke niet en waarom?
Zie het antwoord op vraag 2 (27 157-14).
Bij de brandbestrijding worden verschillende conclusies getrokken.
Wat gaat het kabinetten aanzien van deze conclusies verbeteren? Hoe en wanneer?
Zowel in de Handleiding rampenbestrijding, de leidraad Brandweercompagnie en in de PVB-referentiekaders (mei 1996) is een duidelijke coördinatiestructuur opgenomen. In het kader van de herziening van de landelijk beschikbare documentatie ter ondersteuning van de voorbereiding en de uitvoering van de rampenbestrijding zal ook het opschalingsproces worden beschreven. Het ministerie van BZK zal hierover afspraken maken met het LBRB.
Ten aanzien van het oefenen is onlangs de Leidraad oefenen uitgebracht waarin het monodisciplinair oefenen van de brandweer is uitgewerkt. Het is nu aan de regio's en gemeenten om hiermee aan de slag te gaan. Dit onderwerp vormt een belangrijk onderdeel van de beheersplannen die de regio's met ingang van 2003 zullen indienen.
Zoals in het regeringsstandpunt is opgenomen wordt in de loop van 2002 een bijstandseenheid voor search and rescue geformeerd die zowel in het binnenland als in het buitenland inzetbaar is.
Zie tevens het antwoord op vraag 78 (27 157-18).
Wat gaat het kabinet doen met de conclusies met betrekking tot het GHOR?
In de komende jaren moet meer energie worden gestoken in de multidisciplinaire elementen van de rampenbestrijdingsorganisatie. Het gaat dan vooral om het bundelen van schaars aanwezige kennis en vaardigheden. Het versterken van het functioneren van de geneeskundige kolom binnen het gehele systeem van de rampenbestrijding vormt een bijzondere prioriteit.
Hiertoe zullen de bewindslieden van BZK en VWS afspraken maken met de Raad van RGF-en en de GHOR-burgemeesters.
Mede in het licht van de ontwikkeling in de afgelopen jaren zullen de beschreven, vooral operationeel gerichte, conclusies uit de inspectierapporten hierbij worden betrokken.
Wat wordt bedoeld met de «formele status van met name de Leidraad operationele prestaties zal in dit verband bepalend zijn voor de uiteindelijke richting»? Wordt met formele status dwang bedoeld en tegen wie?
De leidraad operationele prestaties zal onderdeel zijn van de landelijk beschikbare documentatie ter ondersteuning van de voorbereiding en de uitvoering van de rampenbestrijding (handleidingen, leidraden en referentiekaders). Zoals aangekondigd in het kabinetsstandpunt Vuurwerkramp zal de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan het Landelijk Beraad Rampenbestrijding een advies vragen over de status van deze documentatie. De insteek is dat de gemeenten en regio's zich aan de documentatie committeren zodat zij de rampenbestrijding organiseren conform de structuur zoals deze in de documentatie wordt beschreven.
Over het Ambulancevervoer en de Nazorg worden verschillende conclusies getrokken. Welke conclusies trekt het kabinet uit deze bevindingen? Hoe worden deze problemen toekomstig voorkomen? Wanneer neemt het kabinet maatregelen?
• Het vaststellen van de mate van paraatheid van de diverse functies in de rampenbestrijding, waaronder die in de GHOR, is een verantwoordelijkheid van het regionale cq. lokale openbare bestuur. In de Leidraad Geneeskundige Combinatie is voor het personeel dat is ingedeeld bij de Geneeskundige Combinatie (ambulanceteam cq. SIGMA), 30 minuten aangegeven als norm voor de opkomsttijd (dit is de tijd tussen alarmering en aankomst bij het opkomstpunt). Tevens is aangegeven dat de daadwerkelijke aankomsttijd op de plaats van het incident niet meer dient te bedragen dan 60 minuten na alarmering.
• Het trainen van personeel voor het mobilofoongebruik is een verantwoordelijkheid van de desbetreffende organisaties (CPA, ambulancedienst, Rode Kruis etc.).
• De RGF (Regionaal Geneeskundig Functionaris) heeft de verantwoordelijkheid om er voor te zorgen dat de afstemming tussen de ketenpartners in geval van een ramp of zwaar ongeval goed verloopt. Dit is aangegeven in de taakomschrijving van de RGF (circulaire EB 1999/70 913 d.d. 1 juli 1999 van de staatssecretaris van BZK en de minister van VWS). Dit geldt ook ten aanzien van de psychosociale hulpverlening bij rampen en zware ongevallen (samenwerking tussen GGD en GGZ-instellingen, protocol voor het houden van oefeningen etc.). Dit alles dient te gebeuren in het kader van het GHOR-organisatieplan.
• Het kabinet zal dit nogmaals onder de aandacht brengen van de RGF van de regio Twente. Met betrekking tot de aanbeveling om aan de Gezondheidsraad een advies over psychosociale nazorg te vragen, het volgende. Op 25 januari 2001 heeft het kabinet de Landelijke Commissie Psychosociale Nazorg bij Rampen geïnstalleerd. De minister van VWS wil eerst het rapport van deze commissie afwachten (naar verwachting in mei 2001), alvorens het besluit te nemen advies over psychosociale nazorg aan de Gezondheidsraad te vragen.
Over de Milieubelasting en gezondheidsrisico's worden verschillende conclusies getrokken. Welke maatregelen neemt het kabinet naar aanleiding van deze conclusies?
Taken en verantwoordelijkheden/informatieuitwisseling
De medisch milieukundige van de GGD was onvoldoende op de hoogte van de onderzoeksresultaten. De infobrief aan de burgers (hoe om te gaan met asbest) is pas na twee dagen verschenen.
Het kabinet is voornemens de rol van de medisch milieukundige structureel in te bedden in de GHOR-structuur. Hierdoor zal besluitvorming en communicatie ten aanzien van (de bescherming tegen) gezondheidsrisico's na een ramp eenduidig geregeld kunnen worden, omdat voorzien wordt in een heldere taakafbakening en samenwerking tussen deskundigen op het gebied van gezondheidsrisico's en communicatie binnen GHOR-structuur. Het kabinet verwacht dat hierdoor een betere informatieuitwisseling kan plaatsvinden tussen de medisch milieukundige en de overige betrokkenen (o.a. regionaal geneeskundig functionaris, GGD en voorlichters) en dat de voorlichting aan de bevolking sneller op gang kan komen.
Hiermee is ook aandacht besteed aan het in één team samenvoegen van milieu- en gezondheidsdeskundigen en voorlichters.
Belasting geestelijke gezondheid
Er is reeds kort na de vuurwerkramp een aantal maatregelen genomen ten bate van de geestelijke gezondheid van de direct en indirect getroffenen.
Ten eerste is direct na de vuurwerkramp door alle betrokken instellingen psychosociale nazorg verleend aan de direct en indirect getroffenen. De integrale psychosociale nazorg zal onder verantwoordelijkheid van de gemeente gedurende ten minste 5 jaar uitgevoerd worden door de Stichting Consense, waarin alle betrokken instellingen zijn verenigd (zoals Mediant, GGD, maatschappelijk werk, de huisartsen). De uitvoering van deze integrale psychosociale nazorg wordt gefinancierd door de rijksoverheid.
Ten tweede heeft er twee weken na de vuurwerkramp een gezondheidsonderzoek plaatsgevonden. Er volgt de komende jaren nog tweemaal een follow-up van het gezondheidsonderzoek . Daarnaast wordt de gezondheidstoestand van de direct en indirect getroffenen gedurende meerdere jaren op gemonitord door de instellingen in Enschede. De coördinatie van de monitoring ligt bij de GGD.
Het belang van vastlegging van feiten en besluiten zal onder de aandacht van de verantwoordelijken worden gebracht.
Opschaling is een kernbegrip bij rampenbestrijding. Deze heeft gehaperd met betrekking tot het bevoegd gezag en de brandweer. Kunnen verbeteringen tot stand worden gebracht met handhaving van de huidige opschalingsmethodiek?
Zoals aangekondigd in paragraaf 4.6 van het kabinetsstandpunt Vuurwerkramp zal de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met het Landelijk Beraad Rampenbestrijding afspraken maken over de herziening van de landelijk beschikbare documentatie ter ondersteuning van de voorbereiding en de uitvoering van de rampenbestrijding.
In het kader van deze herziening zal ook het opschalingsproces worden beschreven. Hierbij wordt bezien op welke wijze het opschalingsproces kan worden verbeterd. De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zal tevens aan het Landelijk Beraad Rampenbestrijding een advies vragen over de status van deze documentatie. De insteek is dat de gemeenten en regio's zich aan de documentatie committeren zodat zij de rampenbestrijding organiseren conform de structuur zoals deze in de documentatie wordt beschreven, met inbegrip van het opschalingsproces.
Ten aanzien van de politie zijn verschillende conclusies en aanbevelingen van toepassing. Welke conclusies en aanbevelingen worden overgenomen en tot welke maatregelen leiden zij? Wat wordt er bedoeld met de opmerking dat mogelijkheden uit de Wet op de Politieregisters een «geschikt middel vormen voor het realiseren van kwaliteit en eenduidigheid van informatie»? Welke mogelijkheden zijn dat en hoe werken zij?
Op het gebied van de politie worden alle aanbevelingen van de Inspectie voor de Politie die betrekking hebben op het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties of op het landelijke beleid, overgenomen. Veel van de door de Inspectie gedane aanbevelingen kunnen worden opgenomen in het Referentiekader Conflict- en Crisisbeheersing Politie. Aan de herziening van dit Referentiekader wordt door het Expertisecentrum Conflict- en Crisisbeheersing Politie (ECCB) reeds gewerkt. In oktober van dit jaar zal het nieuwe Referentiekader beschikbaar komen. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zal de Inspectie voor de Politie vragen een onderzoek te verrichten naar de stand van zaken met betrekking tot de implementatie van de herziene versie van het Referentiekader Conflict – en Crisisbeheersing door de politieregio's en het Korps landelijke politiediensten. Het onderzoek zal medio 2003 van start gaan en naar verwachting begin 2004 zijn afgerond.
Ook de modernisering van het draaiboek Rampen Identificatieteam is reeds aangevangen. De nieuwe versie van het draaiboek zal naar verwachting medio 2001gereed zijn. De documentatie wordt door het Korps landelijke politiediensten aangeboden aan alle politieregio's, gemeenten, regionale brandweren en organisaties betrokken bij de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen.
Tevens zullen de aanbevelingen worden verwerkt in de opleidingen voor politiefunctionarissen.
Met betrekking tot de uitvoering van de aanbevelingen zal de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties op zeer korte termijn een brief zenden aan het Korpsbeheerdersberaad, de Raad van hoofdcommissarissen in afschrift aan de individuele korpsbeheerders en korpschefs. In de brief wordt hen verzocht de aanbevelingen in hun organisatie en werkwijze te implementeren. Met name wordt ook aandacht gevraagd voor het multidisciplinair oefenen. Over de wijze waarop en de termijn waarbinnen het implementeren van de aanbevelingen geschiedt zal vanuit het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op korte termijn met de korpsbeheerders en korpschefs worden gesproken.
Op korte termijn zullen door het kabinet maatregelen worden voorbereid gericht op het samenvoegen van de meldkamers van politie, brandweer en ambulancezorg, met inachtneming van de daarbij bestaande verantwoordelijkheden en kwaliteitsnormen. Uitgangspunt is maximaal 25 meldkamers, dat wil zeggen één per (hulpverlenings-)regio. Op deze wijze wordt het financiële en organisatorische draagvlak van de meldkamers versterkt, kan gezamenlijk gebruik worden gemaakt van de infrastructurele voorzieningen en worden de mogelijkheden tot samenwerking en informatie-uitwisseling onder rampomstandigheden vereenvoudigd.
Kort na de ramp heeft de regiopolitie Twente bij de Registratiekamer een tweetal tijdelijke politieregisters aangemeld voor politie-informatie rondom de gebeurtenissen van de ramp. Hierdoor viel deze informatie onder het regime van de Wet politieregisters. Deze wet biedt bescherming door de beperkte toegankelijkheid van de informatie voor derden. Hierdoor werd de mogelijkheid gecreëerd om in alle rust informatie te verzamelen en te veredelen, zonder dat druk van buitenaf dit zou kunnen belemmeren. De gedachte hierachter was dat daardoor op termijn geen onvolledige of onjuiste informatie over de ramp zou worden gebruikt.
Over de Registratie slachtoffers CRIB wordt een aantal conclusies getrokken. Tot welke maatregelen leiden deze conclusies? Welk worden wel en niet overgenomen en waarom?
De registratie van slachtoffers CRIB is een gemeentelijk proces, en de gemeenten zijn verantwoordelijk voor de organisatie van dit proces. De staatssecretaris van BZK zal met de Vereniging Nederlandse Gemeenten in overleg treden om te bevorderen dat de gemeenten een gezamenlijk project opzetten om de gemeentelijke processen bij de rampenbestrijding te versterken.
De staatssecretaris van BZK zal ter ondersteuning van het proces registratie slachtoffers en vermisten in overleg treden met de gemeenten, de politie en de geneeskundige sector om te komen tot een landelijke standaard voor de registratie van slachtoffers en vermisten. Deze standaard moet aansluiten bij de registratiesystemen van de geneeskundige hulpverlening en het Rampen Identificatie Team. In overleg met de gemeenten wordt bekeken of het wenselijk en mogelijk is om op basis van deze standaard een landelijk geautomatiseerd systeem te ontwikkelen. Dit systeem moet in staat zijn de eigen gegevens te vergelijken met gegevens uit onder andere de Gemeentelijke Basis Administratie persoonsgegevens.
Ten aanzien van het aanwezig zijn van een liaison van VWS binnen het CRIB is reeds thans in de procedure opgenomen dat zodra er sprake is van het faciliteren van een gemeente voor verwanteninformatie er terstond een liaison naar de betrokken gemeente zal worden gezonden.
Ten aanzien van Voorlichting en Communicatie worden enkele opmerkingen gemaakt. Welke conclusies deelt het kabinet en welke maatregelen neemt het kabinet om dit in de toekomst te verbeteren?
Het kabinet deelt de conclusies ten aanzien van Voorlichting en Communicatie. Voorlichting en communicatie maken onderdeel uit van de gemeentelijke processen. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor de organisatie van deze processen.
Zoals aangekondigd in het kabinetsstandpunt Vuurwerkramp zal de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten in overleg treden om te bevorderen dat de gemeenten een gezamenlijk project opzetten om de gemeentelijke processen bij de rampenbestrijding, waaronder voorlichting en communicatie, te versterken.
Tevens heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft het Nationaal Voorlichtingscentrum (NVC) versterkt, aangezien gemeenten zijn niet altijd voldoende in staat zijn de vele publieksvragen en de enorme mediabelangstelling bij rampen en calamiteiten het hoofd te bieden. Het vernieuwde Nationaal Voorlichtingscentrum bestaat uit een afdeling persvoorlichting en een afdeling publieksvoorlichting. Daarnaast is er een pool van voorlichters van verschillende ministeries, die opgeleid zijn tot crisiscommunicatiespecialisten waaruit voorlichters kunnen worden uitgeleend aan mede-overheden. Deze voorlichters werken dan onder verantwoordelijkheid van de betreffende lokale overheid. De nieuwe structuur en werkwijze van het Nationaal Voorlichtingscentrum wordt nog dit jaar vastgelegd in het Nationaal Handboek Crisisbesluitvorming. Tijdens de vuurwerkramp in Enschede en de cafébrand in Volendam zijn er al voorlichters van het Nationaal Voorlichtingscentrum aan deze gemeenten uitgeleend.
Tenslotte zal in het kader van de uitwerking van actiepunt 89, het bezien op welke wijze invulling kan worden gegeven aan de uitvoering van de aanbevelingen van de Commissie aan de gemeentelijke rampenplannen aan te passen, dan wel aan te vullen, ook aandacht besteed worden aan de aspecten voorlichting en communicatie.
Het onderdeel Arbeidsinspectie leidt tot verschillende aanbevelingen.
Neemt het kabinet deze over en op welke wijze worden deze omgezet in beleidsmaatregelen?
Het kabinet is van oordeel dat versterkende maatregelen ten behoeve van de organisatie van de rampenbestrijding noodzakelijk zijn:
Het beleid voor de komende jaren is vastgelegd in de beleidsnota rampenbestrijding 2000–2004 «De veiligheidsketen gesmeed» (kamerstukken II, 1999/2000, 26 956, nr. 2). De beleidsnota sluit aan bij het Project Versterking Brandweer en het Project Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen en is gericht op het verder invoeren van de beleidsvoornemens zoals die zijn geformuleerd in het kader van beide projecten.
Aan de voorkant van de veiligheidsketen kan door pro-actie en preventie winst worden geboekt op het terrein van fysieke veiligheid. In het Project Versterking Brandweer zijn hiervoor referentiekaders opgesteld en aanvullende initiatieven ontwikkeld. Daarnaast neemt als gevolg van de Seveso-II-richtlijn van de Europese Unie het takenpakket van de brandweer met betrekking tot pro-actie en preventie toe. In het kader van de beleidsnota rampenbestrijding 2000–2004 is daarom voorzien in een bijdrage aan de financiering van extra capaciteit en deskundigheid voor de uitvoering van deze richtlijn. Het kabinet wil de capaciteit en deskundigheid bij de regionale brandweren voor het uitvoeren van taken op het gebied van pro-actie en preventie nog verder uitbreiden. Het gaat om een aanvulling op de capaciteit die reeds is toegezegd in de beleidsnota rampenbestrijding 2000–2004.
Om te komen tot een eenduidige organisatie van de rampenbestrijding streeft het kabinet er naar om uiterlijk in 2003 een congruente gebiedsindeling van de regionale samenwerkingsverbanden van de brandweer en de organisatie voor geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen in de wet vastgelegd te hebben. De schaal van de politieregio's is hierbij richtinggevend.
Voor zowel de brandweer als voor de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen worden de organisatie, de taken en de verantwoordelijkheden door het regionaal bestuur vastgesteld in een organisatieplan. Het organisatieplan als instrument zal wettelijk verankerd worden. Om daarnaast de samenwerking binnen regio's te bevorderen zal het regionaal beheersplan rampenbestrijding eveneens een wettelijke basis krijgen. In het regionaal beheersplan rampenbestrijding worden de afspraken vastgelegd tussen de betrokken besturen van de brandweer, de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen, de politie, de waterschappen en de overige gemeentelijke diensten over het functioneren van deze diensten als één samenhangende organisatie bij rampen en zware ongevallen.
In de eerste plaats wordt ingezet op het versterken van de samenhang in het gemeentelijk veiligheidsbeleid. Dit betreft onder andere de samenhang tussen bouw- en milieuvergunningen, de gemeentelijke activiteiten in het kader van de ruimtelijke ordening en de taken van de brandweer op het gebied van pro-actie en preventie. De vormgeving hiervan is gemeentelijk beleid. Het onderwerp zal daarom ingebracht worden in het Overhedenoverleg met het Interprovinciaal Overleg en Vereniging Nederlandse Gemeenten. De uitkomsten van het overleg zullen bij voorkeur worden vastgelegd in een Bestuursakkoord Nieuwe Stijl.
Leidraad Maatramp/Leidraad Operationele situaties
De brandweerregio's inventariseren de aanwezige risico's, bepalen op welke rampen zij zich voorbereiden en welke operationele prestaties van de diverse (parate) diensten en de overige betrokkenen daarbij worden verwacht. Deze prestaties vormen de basis voor de operationele voorbereiding (qua organisatie, werkwijze, personeel en materieel) van de afzonderlijke disciplines. Om dit proces te ondersteunen is in opdracht van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de Leidraad Maatramp ontwikkeld. Deze is in september 2000 (kenmerk EB2000/89 825) aangeboden aan de regionaal commandanten van de brandweer, de korpschefs van de politie en de regionaal geneeskundig functionarissen. In opdracht van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt nu de Leidraad Operationele prestaties ontwikkeld, die voorziet in de vertaling van de risico-analyse naar de operationele prestaties. De regio's moeten volgens de planning eind 2001 de risico-analyses hebben afgerond en de regionale maatscenario's en operationele prestaties hebben vastgesteld. Het beschikbare onderzoekmateriaal over de vuurwerkramp is reden tot een herijking van de maatscenario's. Dit past in de systematiek van de Leidraad Maatramp waarin een periodieke herijking is voorzien.
Het kabinet onderschrijft dat er vaker en beter bestuurlijk en multidisciplinair dient te worden geoefend. De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft in zijn brief van 28 september 2000 (kamerstukken II, 2000/2001, 26 956, nr. 5) zijn beleidsvoornemens ten aanzien van het bevorderen van het oefenen door de brandweer en de rampenbestrijdingsorganisatie uiteengezet. Eind 2001 zal de Tweede Kamer geïnformeerd worden over de stand van zaken.
Optreden hulpverleningsdiensten in verband met classificatie vuurwerk
De minister van BZK heeft op 16 augustus 2000 een brief gestuurd aan de gemeenten en de regionale brandweren over het gegeven dat onjuiste classificatie van vuurwerk bij een zwaar ongeval kan leiden tot een ander effect dan waar de rampbestrijdingsorganisaties op voorbereid zijn.
Vrom-inspecties (27 157, nr. 14)
Heeft de breed gedragen wens tot versterking van de handhaving geleid tot grotere aandacht bij de Inspectie Milieuhygiëne voor handhaving van milieuwetten waarvoor het rijk het bevoegd gezag is, terwijl dit ten koste is gegaan van het toezicht op de vergunningverlenings- en handhavingsactiviteiten van mede-overheden? Hoe moet de passage in het jaarverslag over 1999 van de Inspectie Milieuhygiëne op dit punt worden gelezen? Is dit mede aanleiding geweest voor de versterking van personele bezetting, zoals genoemd in de brief van de minister van VROM van 11 oktober 2000?
Ja. De reorganisatie van de IMH medio jaren 90 stond in het teken van «meer eerstelijnstoezicht en anders (lees: afstandelijker en daardoor met minder mensen) tweedelijnstoezicht». De recente uitbreiding beoogt het tweedelijnstoezicht weer op het oorspronkelijke peil te brengen.
Zie verder het antwoord op vraag 17 (27 157-14).
Hoe beoordeelt het kabinet het feit dat de Inspectie Milieuhygiëne (IMH) de uitvoering van de milieuvergunningverlening en -handhaving in Enschede jaarlijks als positief beoordeelde, terwijl de feitelijke situatie daar geen aanleiding toe gaf?
Naar de criteria die in de bijdrageregeling voor uitvoering van het gemeentelijk milieubeleid golden, dus op het niveau van aantallen personeelsleden, aantallen vergunningen en handhavingsacties, werd de uitvoeringsorganisatie als adequaat beoordeeld. Met de kennis van nu moet opgemerkt worden dat de kwaliteit van de vergunningen en de handhaving te wensen overlieten. Daaruit is de conclusie getrokken dat tweedelijnstoezicht zich tevens moet richten op die kwaliteit van de resultaten.
Had het onder het overgangsrecht plaatsen van S.E. Fireworks bij de vaststelling van twee bestemmingsplannen de jure consequenties voor de eisen met betrekking tot de opslag van vuurwerk?
Door de gemeente is niet handhavend opgetreden ten aanzien van de MAVO-boxen en de containers. Bij wijziging van het bestemmingsplan is de strijd met het bestemmingsplan niet gewraakt. Het daardoor van toepassing zijnde overgangsrecht gaf de beperking dat vergroting van het strijdig gebruik niet was toegestaan.
Hoe verhoudt het interdepartementaal overleg over een aanscherping van voorschriften voor de opslag van vuurwerk naar aanleiding van de ramp bij Culemborg (vanaf 1991) zich tot het feit dat het bureau MILAN bij de advisering inzake de vergunningaanvragen van 1997 en 1999 juist concessies deed ten opzichte van haar eigen beleidskader? Wat moet worden verstaan onder «advieskader»? (wellicht het door MILAN gehanteerde Memorandum?)
In 1991 werd door de Directie Brandweer van het ministerie van BZK naar aanleiding van de ramp te Culemborg bij de CPR aandacht gevraagd voor de aanscherping van regelgeving omtrent constructie-eisen van vuurwerkopslagen en de afstanden van vuurwerkopslagen tot woonbebouwing. De bij de CPR neergelegde vraag heeft niet geleid tot verdere actie van de commissie.
Het ministerie van Defensie maakte geen deel uit van de CPR. Er is dan ook geen relatie tussen het overleg over aanscherping in de CPR en de concessies bij de advisering door het bureau AMV inzake de vergunningaanvragen in 1997 en 1999 van SE Fireworks.
Bureau AMV hanteerde voor de advisering inzake de vergunningaanvragen in 1997 en 1999 als beleidskader het Memorandum «veiligheidsafstanden opslag groot vuurwerk», waarin onder andere de onderlinge afstanden tussen vuurwerkopslagen werden geregeld.
Wat was, beknopt, de inhoud van het advies van de VROM-inspecties (als lid van de Provinciale Planologische Commissie (PPC)) over de twee bestemmingsplannen? Welk vervolg is aan dit advies gegeven?
De Provinciale Planologische Commissie heeft op 23 december 1985 geadviseerd over het vastgestelde bestemmingsplan Tollensstraat 20. Het advies was in het algemeen positief; op één punt stelde de PPC aan GS voor om goedkeuring te onthouden en dat was aan het deel van de voorschriften dat het mogelijk maakte dat via een vrijstelling bedrijven mogelijk zijn die 2 categorieën hoger zijn dan de bedrijfsvormen die bij recht zijn toegestaan. Dit advies is niet overgenomen door GS. Op 14 september 1994 heeft de PPC advies uitgebracht over het vastgestelde bestemmingsplan Enschede Noord. De PPC adviseert om aan enkele (in dit verband niet relevante) onderdelen goedkeuring te onthouden. Dit advies is door GS overgenomen.
Hoe beoordeelt het kabinet de passage in de officiële reactie van het College van B&W van Enschede op het eindrapport van de Commissie-Oosting waarin wordt gesteld dat legalisatie algemeen geaccepteerd was en dat dit feitelijk een onvermijdbaar gemeentelijk beleid was? Hoe staat het kabinet ten opzichte van een dergelijk legalisatiebeleid? Welke rol vervult de IMH daarin?
In de Nederlandse uitvoeringspraktijk van de Wet milieubeheer is het achteraf legaliseren, zoals door het college van B&W van de gemeente Enschede is gedaan m.b.t. het bedrijf S.E.Fireworks, niet uniek. Het is echter zeker niet zo dat dit in de jaren negentig, zoals door het college van B&W van Enschede verwoord, algemeen geaccepteerd beleid was. Dit moge blijken uit het feit dat over het gedogen van illegale situaties begin jaren negentig strikte spelregels zijn afgesproken tussen het Rijk en IPO, VNG en Unie van Waterschappen in het «Gezamenlijke beleidskader inzake het terugdringen van het gedogen van milieu-overtredingen» (aangeboden aan de 2e kamer door de Ministers van VROM en VenW d.d. 10/10/1991).
De verklaring voor het legalisatiebeleid van de gemeente in deze acht het kabinet dan ook niet gerechtvaardigd. Tegen overtredingen van de Wet milieubeheer diende handhavend te worden opgetreden.
De Inspectie vervult in zijn algemeenheid de rol van toezichthouder op de uitvoering van de milieutaken van de andere overheden. Bij constatering van overtredingen is de werkwijze van de Inspectie dat het bevoegd gezag verzocht wordt om handhavend op te treden. De Inspectie bewaakt de voortgang van het handhavend optreden door het bevoegd gezag en stelt beroep in als het verzoek terzijde wordt gelegd.
Hoe beoordeelt het kabinet de opmerking van B&W van Enschede dat het bestuur op afstand was komen te staan ten aanzien van de vergunningverlening? Is het niet de IMH die moet toezien op de vergunningverlenings- en handhavingspraktijken van gemeenten en een dergelijke situatie derhalve had moeten signaleren? Hoe beoordeelt het kabinet het toezicht van de IMH op dit punt, zowel voor wat betreft de Enschedese situatie als in het algemeen?
De IMH hield toezicht of er vergunning werd verleend, of deze tijdig werd verleend of er voldoende toezichthouders waren etcetera. De inhoud van de vergunning werd alleen beoordeeld voor bedrijven waaraan prioriteit werd gegeven en tot mei 2000 was er wel prioriteit voor bedrijven met veiligheidsrisico's, maar binnen deze groep niet voor vuurwerkbedrijven.
Waarom is de eis van een minimale afstand van 100 meter tussen de inrichting en woonwijken wél uitdrukkelijk aan de orde geweest bij het bestemmingsplan maar niet geëffectueerd? Welke middelen stonden de VROM-inspecties ter beschikking om effectuering daarvan af te dwingen?
Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan is uitdrukkelijk de aard van de vuurwerkopslag aan de orde geweest (is het een fabriek, een opslag of een opslag met bewerking?) en welke afstanden daarbij aangehouden zouden moeten worden. Er waren geen dwingende eisen die in een bestemmingsplan moeten worden verwerkt. Wel was er het Handboek Milieuvergunningen met uitgebreide richtlijnen en afstandstabellen en het Groene Boekje van de VNG. De gemeente Enschede had haar eigen daarvan enigszins afwijkende systematiek, zoals meer gemeenten. Op basis van al die verschillende richtlijnen was een vergelijkend onderzoek wel degelijk mogelijk.
Indien de VROM-inspecties het bestemmingsplan hadden willen doen aanpassen hadden zij de normale route van zienswijze bij de gemeenteraad en bedenkingen, bezwaar en beroep moeten bewandelen; de Inspectie Ruimtelijke Ordening zou tenslotte de minister hebben kunnen voorstellen de provincie een aanwijzing te geven het bestemmingsplan niet goed te keuren.
Is het kabinet van mening dat de Inspectie Ruimtelijke Ordening voldoende alert is geweest ten aanzien van de handhaving van het bestemmingsplan door de gemeente Enschede?
Zie het antwoord op vraag 17 (27 157-14).
Wat is de reden dat MILAN concessies heeft gedaan ten opzichte van het eigen advieskader als het gaat om constructie-eisen en afstandseisen? Hoe beoordeelt het kabinet dit «meedenken» door MILAN?
Het valt niet uit te sluiten dat bureau AMV concessies heeft gedaan aan haar eigen advieskader omdat er sprake zou zijn van een tijdelijke situatie. Er waren reeds gesprekken gaande over een verhuizing.
Dit «meedenken» is als ongewenst te beoordelen. De adviseur dient zich strikt aan zijn eigen advieskader te houden.
Wat is de reden van het feit dat de IMH alleen in 1979 gebruik heeft gemaakt van haar wettelijke adviesbevoegdheid?
Zie het antwoord op vraag 17 (27 157-14).
Gesteld wordt dat de bouw niet conform de bij de bouwaanvraag behorende situatietekening is uitgevoerd. Welke middelen staan de VROM-inspecties ter beschikking om dergelijke afwijkingen teniet te doen? Is daarvan gebruik gemaakt? Zo nee, waarom niet?
De gemeente moet toezien dat de bouw conform de vergunning plaatsvindt. Handhaving daarvan is dus ook een zaak van de gemeente. Indien de VROM inspecties, achteraf, bij een steekproef constateren dat in strijd met een vergunning is gebouwd, dan zal de Inspectie de gemeente vragen handhavend op te treden en zal, indien de gemeente dat weigert, daartegen in beroep gaan. Indien de gemeente dat weigert kan de inspectie daartegen in beroep gaan.
Is het kabinet van mening dat het niet-afleggen van controlebezoeken door de Inspecties heeft bijgedragen aan het voortbestaan van een onwenselijke en onwettige situatie? Deelt het kabinet de mening dat daadwerkelijke feitelijke controles, naast administratieve controles, een onmisbaar handhavingsinstrument vormt?
Op beide vragen is het antwoord: ja. Het tweedelijnstoezicht van de VROM-inspecties is om die reden – sinds het aantreden van dit kabinet, dus al voor de vuurwerkramp – in deze zin gewijzigd.
Acht het kabinet het niet opmerkelijk dat de aanbeveling, om blijvend een hoge prioriteit toe te kennen aan bedrijven waar veiligheid, gezondheid en milieu in het geding zijn, juist door de VROM-inspecties wordt gedaan, terwijl dit vanzelfsprekend zou moeten zijn gelet op hun wettelijke taken?
Het «blijvend» in de aanbeveling is bedoeld om aan te geven dat er geen misverstand mag bestaan dat de Inspecties dat reeds doen en blijven doen, ook na de samenvoeging tot één geïntegreerde VROM inspectie.
Hoe gaat het kabinet om met de aanbeveling om op bestuurlijk niveau een scheiding aan te brengen tussen vergunningverlening en handhaving? Ervaart het kabinet dit als een steun in de rug voor het beleid terzake en zal het leiden tot versnelling, gelet op het feit dat de wens tot scheiding ook op eerdere momenten naar voren is gebracht?
Op bestuurlijk niveau zou die scheiding gestalte kunnen krijgen door binnen het college van burgemeester en wethouders de verantwoordelijkheden voor vergunningverlening en voor handhaving bij verschillende portefeuillehouders onder te brengen. Onder meer via het periodieke bestuurlijk overleg met VNG en IPO zal dit bestuurlijk aspect aan de orde komen. De aanbeveling betekent een steun in de rug voorzover het kabinet reeds eerder het belang daarvan heeft onderstreept.
Hoe verhoudt het door bureau MILAN bij de advisering gehanteerde Memorandum zich tot de NAVO-richtlijnen voor de opslag van grote hoeveelheden vuurwerk? Moeten ook stappen worden ondernomen om te komen tot een aanpassing van de genoemde NAVO-richtlijnen naar aanleiding van rampen bij Culemborg en Enschede?
Het door bureau AMV en daarvoor de sectie MILAN gebruikte memorandum is voor een deel afgeleid van de NAVO richtlijn voor de opslag van explosieve stoffen en munitie. Deze NAVO-richtlijn heeft betrekking op explosieve stoffen in het algemeen en niet specifiek op vuurwerk. Het gebruikte memorandum is geschreven met gebruikmaking van onder meer gegevens van diverse in opdracht van Defensie door TNO uitgevoerde experimenten. De NAVO richtlijn is op zich zelf juist. De problemen bij vuurwerk ontstaan met name door onjuiste classificatie, het niet juist hanteren van richtlijnen en het niet handhaven van gestelde eisen. Er is dan ook geen reden om de NAVO richtlijn aan te passen.
Volgens het rapport Onderzoek naar het proces van vergunningverlening, toezicht en handhaving met betrekking tot VROM-regelgeving heeft de minister van VROM het Hoofd bureau MILAN rechtstreeks de bevoegdheid gegeven om toezicht te houden op verleende vergunningen. Bovendien was geen sprake van een inhoudelijke rapportage vanuit het bureau MILAN naar hogere geledingen van het ministerie van Defensie. Wat betekenen deze vaststellingen voor de politieke verantwoordelijkheden met betrekking tot het bureau MILAN? Werd wèl inhoudelijk gerapporteerd naar het ministerie van VROM?
Zie het antwoord op vraag 34 (27 157-18).
Is er in de voorbije jaren afstemming geweest tussen het ministerie van VROM en het ministerie van Defensie over de personele bezetting van het bureau MILAN?
Van afstemming tussen Defensie en VROM over de personele bezetting bij het bureau MILAN (AMV) is in de afgelopen jaren geen sprake geweest. Wel is in 1997/1998 tussen de Inspectie Milieuhygiëne en het bureau AMV de geringe personele capaciteit van AMV voor het toezicht op munitie-opslagplaatsen binnen Defensie aan de orde geweest. Dit is in 1998 voor de Inspectie Milieuhygiëne aanleiding geweest om bij haar toezicht op Defensie-inrichtingen het toezicht op munitie-opslagen meer prioriteit te geven binnen haar eigen handhavingstaken.
Hoe kon het DMKL oordelen over de personele bezetting van het bureau MILAN wanneer het niet op de hoogte was van het werk dat daar werd uitgevoerd? Welke stappen heeft het hoofd van het bureau MILAN ondernomen om zorg te dragen voor een adequate personele bezetting van het bureau? Heeft het hoofd van het bureau MILAN eventuele problemen met de personele bezetting van het bureau aangekaart bij het ministerie van VROM?
De DMKL heeft in onvoldoende mate kunnen oordelen over de personele bezetting van het bureau. Het hoofd van het bureau heeft geen stappen ondernomen om de problemen kenbaar te maken aan de Directeur Materieel KL. Zie ook het antwoord op vraag 32 (27 157-20).
Rijksverkeersinspectie (27 157, nr. 14)
In het rapport van de Rijksverkeersinspectie (RVI) staat dat regelgeving zou worden overgedragen van Verkeer en Waterstaat naar VROM. Dit duurde echter zo lang dat de minister van Verkeer en Waterstaat na overleg nieuwe regels heeft gesteld. Kan aangegeven worden om welke regels het hier gaat en kunnen deze aan de Kamer overlegd worden. Waarom duurde dit proces zo lang?
Het gaat hier om de Beleidsregels vergunning professioneel vuurwerk en de Regeling professioneel vuurwerk RGS. Beiden zijn gepubliceerd in Staatscourant 146 van 1 augustus 2000. Voor de beantwoording van het tweede deel van deze vraag kan verwezen worden naar het antwoord op vraag 52 en 53 (27 157-20).
De Rijksverkeersinspectie, zo blijkt uit de rapporten, houdt zich terecht bezig met de vervoersgerelateerde vergunningen. Waarom is de RVI ook bevoegd op het terrein van de bezigingsvergunningen?
In het Reglement Gevaarlijk Stoffen (art 41) is aangegeven dat de minister (= de minister van Verkeer en Waterstaat) verantwoordelijk is voor de afgifte bezigingsvergunningen. Namens de minister verstrekt de RVI deze vergunningen. Omdat de RVI zich bezig houdt met vervoer en daaraan gerelateerde handelingen wordt al een aantal jaren gesproken om deze vergunningverlening onder te brengen bij VROM.
Klopt het bericht dat de RVI, voordat het inspectierapport aan de Commissie werd geleverd, belangrijke passages heeft geschrapt?
Zie het antwoord op vraag 212 (27 157-20).
In 1985 is VenW begonnen met besprekingen met VROM over de formele overdracht van de verantwoordelijkheid van handelingen die betrekkingen hebben op niet vervoerhandelingen met betrekking tot ontploffingsgevaarlijke stoffen. Was toen duidelijk dat het hier ook ging om de formele overdracht van de verantwoordelijkheid met betrekking tot professioneel vuurwerk? Waarom stokte die overdracht in de volgende tien jaar?
Zie het antwoord op vraag 53 (27 157-20).
Zijn er in de periode van 1993 (Wet Milieugevaarlijke Stoffen) tot en met 1996 (inwerkingtreding Wet vervoer gevaarlijke stoffen) signalen (brieven, toezeggingen) naar het kabinet gegaan die signaleerden dat een nieuw vuurwerkbesluit niet tijdig zou afkomen? Idem voor de Kamer?
Nee. In 1995 zijn de betrokken bewindslieden geïnformeerd over het belang van spoedige besluitvorming over de te volgen koers met betrekking tot het toen voorliggende ontwerp-Vuurwerkbesluit op grond van de Wet milieugevaarlijke stoffen. In dat ontwerpbesluit werden – naast de al bestaande regels voor handelingen met consumentenvuurwerk, niet zijnde opslag – alleen die elementen geregeld die bij de inwerkingtreding van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen zouden komen te vervallen, derhalve het bezigen en afleveren van professioneel vuurwerk. Het opslaan daarvan viel daarbuiten aangezien dat onderwerp werd gereguleerd op grond van de Wet milieubeheer. De Kamer is hierover dan ook niet afzonderlijk geïnformeerd. De reden daarvan is dat bij de inwerkingtreding van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen op verzoek van VROM in afwachting van de inwerkingtreding van het nieuwe Vuurwerkbesluit er voor is gekozen om de bestaande regels voor het bezigen en afleveren van professioneel vuurwerk tijdelijk in stand te laten, maar nu op basis van een overgangsbepaling in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.
Kunnen de «redenen van beleidsmatige en juridische aard» die ertoe hebben geleid dat de departementen er niet mee konden instemmen om de voorgestelde erkenningsregeling een publiekrechterlijke grond te geven in een nieuw Vuurwerkbesluit worden toegelicht?
Zie het antwoord op vraag 83 (27 157-20).
Kan inzicht worden gegeven in de brief van 13 juli 1999 van VenW aan VROM over problemen aangaande de overname van taken met betrekking tot niet-vervoerhandelingen van onder andere vuurwerk?
Ja, zie bijlage 7.
Waarom neemt VenW en niet VROM het initiatief om nieuwe beleidsregels te ontwikkelen?
VenW heeft het initiatief voor de beleidsregels genomen omdat deze gebaseerd moesten worden op het bestaande Reglement gevaarlijke stoffen dat via een overgangsbepaling in de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen onder laatstgenoemde wet viel.
Welk effect hebben de «onduidelijke beleidsregels» op de controle van afleveren en aanwezig houden van vuurwerk gehad? Was (goede) controle überhaupt mogelijk? Is dit in het overleg tussen VenW en VROM aan de orde geweest?
De regels waar naar wordt verwezen zijn geen beleidsregels, maar regels die voortkomen uit de oude Wet Gevaarlijke stoffen en het Reglement Gevaarlijke Stoffen. Deze zijn middels de overgangsbepaling van artikel 52 van de Wvgs van kracht gebleven. Doordat de vergunningverlening voor het afleveren dan wel ter aflevering aanwezig houden (ook bezigen) van professioneel vuurwerk, gebaseerd was op oude wet- en regelgeving ontstond een juridisch onduidelijke situatie. Controle was wel mogelijk maar zoals later bleek, was de strafbaarstelling bij het afleveren (ook bezigen) juridisch niet afgedekt. Dit is in 1999 (voor het millennium) opgelost middels een spoedregeling Wms (Stcrt. nr. 238, 1999 en nr. 237, 2000). In 1999 is voornoemde situatie uitvoerig aan de orde geweest in het overleg tussen Ven W en VROM en heeft geleid tot het opstellen van een nieuwe regeling en beleidsregels. Deze beleidsregels, waarin o.a. de criteria van de vergunningverlening duidelijk worden beschreven, zijn in augustus 2000 van kracht geworden en gelden tot aan de inwerkingtreding van het nieuwe Vuurwerkbesluit (Stcrt. 2000, 146).
Waarom zijn particuliere initiatieven tot zelfregulering van de hand gewezen terwijl de RVI niet met iets beters is gekomen?
Op 2 juni 1999 hebben de departementen (VROM, Justitie, VenW, SZW en VWS) unaniem vastgesteld dat de erkenningsregeling tekort schiet. Doordat de branche een minimale overheidsbemoeienis wilde, voldeed de regeling niet aan de in eerder departementaal overleg geformuleerde criteria, met name met het oog op de handhaafbaarheid. De departementen stelden vast dat de ontwerp-regeling teveel vrijheid voor het bestuur van de erkennende stichting bevat, en dat de concreetheid en inhoud van de normstelling onvoldoende zijn. De regeling was naar het oordeel van de departementen daarmee onvoldoende handhaafbaar. Gezien de stand van zaken van hetontwerp-Vuurwerkbesluit lag het niet voor de hand dat VenW in casu de RVI met een alternatief zou komen. Het ministerie van VenW is wel spoedig hierna begonnen met het formuleren van overgangsbeleid in de vorm van de beleidsregels vergunning professioneel vuurwerk en de Regeling professioneel vuurwerk RGS. Dit is aangekondigd in de brief van de ministers van VenW en VROM van 3 augustus 1999.
Wie houdt er toezicht op de kwaliteit van rampenbestrijding van gemeenten?
Onder toezicht verstaat het kabinet in navolging van de Algemene Rekenkamer en de Ambtelijke Commissie Toezicht (ATC) het verzamelen van informatie over de vraag of een handeling of een zaak voldoet aan de daaraan gestelde eisen, het zich daarna vormen van een oordeel daarover en het eventueel naar aanleiding daarvan interveniëren. Deze drie elementen hoeven niet per definitie door hetzelfde orgaan te worden uitgeoefend. De gemeente is primair verantwoordelijk voor de (voorbereiding op de) rampenbestrijding. In het toezichtarrangement in het kader van de rampenbestrijding is de provincie het bestuursorgaan, dat, thans op onderdelen en straks over het geheel van de voorbereiding van de rampenbestrijding toezicht uitoefent op de wijze waarop de gemeente haar taken in dat kader uitvoert. Thans door middel van de toetsing van de rampenplannen en rampbestrijdingsplannen, straks wordt dit uitgebreid met de toetsing van de beheersplannen.
Op rijksniveau wordt geen toezicht in de zin van bovenstaande definitie uitgeoefend. Wel verzamelt de inspectie voor brandweerzorg en rampenbestrijding informatie over de wijze waarop de onderscheiden bestuursorganen hun taken in het kader van de rampenbestrijding vervullen. De staatssecretaris van BZK kan de informatie die de inspectie heeft verzamelt aan de betrokken provincie(s) doen toekomen, Ook op basis van deze informatie kan de provincie haar toezicht uitoefenen.
Wat vindt het kabinet van het idee van landelijke kwaliteitseisen (outputnormen) van rampen(bestrijdings)plannen? Wie zou deze kwaliteitseisen dan moeten controleren?
De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit (outputnormen) van de rampenbestrijding (incl. de gemeentelijke rampenplannen en rampbestrijdingsplannen) ligt primair bij de gemeenten. In hoofdstuk 4 van het kabinetsstandpunt Vuurwerkramp is aangegeven dat het kabinet de toedeling van verantwoordelijkheden zal handhaven en welke maatregelen genomen worden ter verbetering van de invulling. De provincies hebben toezichthoudende bevoegdheden ten aanzien van de totstandkoming van gemeentelijke rampenplannen en rampbestrijdingsplannen. Een éénduidig provinciaal toetsingscriteria / kader voor rampbestrijdingsplannen wordt momenteel gezamenlijk door de provincie (ICOV) ontwikkeld. De verwachting is dat dit toetsingskader medio 2001 wordt vastgesteld door de commissarissen van de Koningin.
Na vaststelling van het provinciale toetsingskader voor rampbestrijdingsplannen zal het Rijk bezien of de inhoud van het rampenbestrijdingsplan wettelijk verankerd dient te worden zoals voor het gemeentelijk rampenplan is geregeld in artikel 4.1 van de Wrzo.
In hoofdstuk 4 van het kabinetstandpunt is aangegeven dat het Rijk het Landelijk Beraad Rampenbestrijding heeft verzocht om een stelsel van kwaliteitscriteria te ontwikkelen voor de totale rampenbestrijding. Op basis van dit stelsel van kwaliteitscriteria zullen de gemeenten, regio's en provincies in staat zijn om de kwaliteit van de voorbereiding op de rampenbestrijding te toetsen. Daarnaast heeft de Inspectie Brandweerzorg en Rampenbestrijding een onafhankelijke rol als het gaat om de toetsing van de kwaliteit van de rampenbestrijding (deze toetsing kan zich ook uitstrekken tot de planvorming, zoals de gemeentelijke rampenplannen en rampbestrijdingsplannen).
Is er een landelijke standaard waaraan multidisciplinaire oefeningen aan moeten voldoen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat houdt deze standaard globaal in? Wie zou zo'n eventuele standaard voor multidisciplinaire oefeningen moeten controleren?
Er bestaan landelijke referentiekaders inzake de noodzaak van multidisciplinair oefenen voor politie en brandweer en deze worden in 2001 ontwikkeld voor de geneeskundige sector. Deze referentiekaders worden ingebed in regionale beheersplannen (zie hoofdstuk 4.4 van het kabinetsstandpunt). Het kabinet heeft reeds in 2000 structureel extra financiële middelen ter beschikking gesteld voor activiteiten ter bevordering van de kwaliteit van oefenen van de brandweer en de rampenbestrijdingsorganisatie. Deze activiteiten zijn beschreven in de brief van 28 september 2000 kamerstukken II, 2000/2001, 26 956, nr. 5. Eén van de genoemde activiteiten is het ontwikkelen van kwaliteitscriteria voor multidisciplinair oefenen als onderdeel van het samenhangend stelsel van kwaliteitscriteria voor de rampenbestrijding (zie hoofdstuk 4.4 van het kabinetsstandpunt). In samenwerking met direct betrokkenen uit het veld is inmiddels een projectplan opgesteld om te komen tot criteria voor multidisciplinair oefenbeleid, oefenplannen, oefeningen en kwaliteitszorg m.b.t. het oefenen. Over de projectresultaten wordt de Tweede Kamer eind 2001 geïnformeerd.
Er zal, zoals vermeld in hoofdstuk 4.4 van het kabinetsstandpunt, sprake zijn van periodieke rapportage door de besturen van de regionale brandweren aan de Commissaris van de Koningin over de regionale beheersplannen, een versterking van de toezichthoudende rol van de Commissaris van de Koningin in de voorbereiding op de rampenbestrijding, een verplichte rapportage van deze aan de staatssecretaris van BZK, onafhankelijke audits in overleg met IPO en VNG ten aanzien van het totale kwaliteitsstelsel voor de rampenbestrijding en een uitgebreidere rol van de Inspectie Brandweerzorg en Rampenbestrijding en de Inspectie Politie.
Inspectie Brandweerzorg en Rampenbestrijding (27 157, nr. 14)
Handelde de Enschedese brandweer rechtmatig door geld te vragen voor het geven van adviezen inzake milieuvergunningen? Is dit in andere gemeenten ook gebruikelijk?
Het gaat hier om een intern gemeentelijke begrotingsaangelegenheid, waarbij de brandweer meer budget verlangt als zij meer adviezen geeft. Het kabinet is van mening dat deze kwestie een bestuurlijke oplossing binnen de gemeente Enschede had verdiend. Immers, de brandweerzorg is een gemeentelijke aangelegenheid. Het is het kabinet niet bekend of dit in andere gemeenten ook speelt.
Inspectie voor de Gezondheidszorg (27 157, nr. 14)
Was de keuze voor het reguliere telefoonnetwerk in plaats van het nationale noodnet een juiste afweging? En zo ja, wanneer dient gebruik gemaakt te worden van het nationale noodnet?
De afweging om zolang mogelijk gebruik te maken van het openbare telefoonnetwerk is juist. Via dit netwerk zijn de mogelijkheden van communicatie veel groter. Indien er in het openbare net congesties of storingen optreden kan (beperkt) gebruik worden gemaakt van het Nationaal Noodnet. Overigens hebben alleen vitale instellingen in de gezondheidszorg een aansluiting op dit net.
Bestaan er afschalingsrichtlijnen?
Er zijn geen universele afschalings richtlijnen beschikbaar. Er zijn zo veel varianten bedenkbaar dat dit weinig zinvol lijkt. Bovendien is in die fase van de ongevalsafwikkeling meestal mer tijd beschikbaar voor wel overwogen besluiten over afschaling. Dat die besluiten door het lokale gezag bewust dienen te worden genomen staat buiten kijf.
Hoe zal de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) controleren of uitvoering wordt gegeven aan de beleidsmatige aanbevelingen voor de diverse actoren en instellingen in de zorgketen die betrokken waren bij de geneeskundige hulpverlening van de vuurwerkramp in Enschede?
De Inspectie voor de Gezondheidszorg zal bij het follow up onderzoek bij de diverse actoren en instellingen in de zorgketen die betrokken waren bij de geneeskundige hulpverlening controleren of uitvoering is gegeven aan de beleidsmatige aanbevelingen door de inspectie voor de Gezondheidszorg gedaan in haar rapportage. Dit follow up onderzoek zal over ongeveer 6 maanden plaatsvinden. Ook bij het reguliere algemene toezichtsbezoek zal aandacht besteed worden aan genoemde aanbevelingen.
Wordt ervoor zorggedragen dat de bevindingen en aanbevelingen van de IGZ worden gecommuniceerd aan soortgelijke actoren en instellingen in zorgketens elders in het land, die betrokken zijn bij geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen? Zal de IGZ controleren of ook elders in het land de aanbevelingen worden opgevolgd?
De belangrijkste actoren en instellingen elders in het land binnen de gezondheidszorg hebben de rapportage van de Inspectie voor de Gezondheidszorg inzake de vuurwerkramp ontvangen en aldus kennis kunnen nemen van de aanbevelingen welke door de IGZ hierin zijn gedaan. Bij het reguliere algemene toezicht zal door de IGZ gecontroleerd worden of bovengenoemde aanbevelingen binnen deze organisaties geïmplementeerd zijn.
Er zijn tijdens de ramp ook hulpverleners uit Duitsland ingezet. Deze blijven echter in de rapportage buiten beschouwing. Wat is hiervoor de reden?
De bevoegdheid van de IGZ inzake toezicht op de gezondheidszorg strekt zich niet uit over de landsgrenzen. Wel zijn enkele geneeskundige sleutelfunctionarissen van Duitse zijde gehoord inzake hun bevindingen en samenwerking met Nederlandse collegae. Deze hebben zij als uitstekend ervaren.
De inzet van het aantal geneeskundige hulpverleners valt te rechtvaardigen door onder andere de berekening aan de hand van wetenschappelijke modellen. Op hoeveel slachtoffers had men volgens deze modellen gerekend? Hoe verhoudt zich dit tot hetgeen Prof. dr. J. de Boer aangeeft over de rekenmodellen in zijn rapport De Geneeskundige Hulpverlening bij de Enschede ramp, februari 2001?
Er is binnen Nederland een tendens om de rampenbestrijding en de GHOR steeds meer in maat en getal (kengetallen) te vatten en dit vervolgens te vertalen in allerlei protocollen. Het kabinet steunt deze ontwikkeling. Het kabinet denkt hierbij aan de «Leidraad maatramp», de diverse referentiekaders, maar ook de Leidraad Operationele Prestaties die momenteel onder de regie van het ministerie van BZK in ontwikkeling is. Em. prof. De Boer refereert in zijn rapport ook aan kengetallen. Het systeem van em. prof. De Boer heeft echter in het veld nog geen algemene ingang gevonden en wordt in de praktijk als niet volledig toepasbaar gezien.
Er zijn voor zover het kabinet bekend is in Nederland bij rampenbestrijdingsorganisaties dan ook (nog) geen modellen in omloop die de verbinding leggen tussen de aard van een ramp, het mogelijke aantal slachtoffers en dan vervolgens calculeren hoeveel hulpverleners nodig zijn.
Het was dus ook niet mogelijk om op basis van een theoretisch model ten tijde van de Vuurwerkramp een voorspelling te doen over het verwachte aantal slachtoffers, laat staan over de inzet van het aantal hulpverleners.
Noot: Het kabinet heeft het bedoelde onderzoeksrapport van em. prof. De Boer ontvangen. Met hem is destijds gesproken over een onderzoek naar inzet van hulpverlening en hulpverleners in relatie tot de door hem ontwikkelde rekenkundige modellen. Inbedding in een door het Medisch Spectrum Twente /Universiteit Twente voorgesteld onderzoek werd noodzakelijk geacht. Om hem moverende redenen heeft em. Prof. De Boer daar van afgezien en ongevraagd zijn rapport «De Geneeskundige Hulpverlening bij de Enschederamp» uitgebracht. Daarbij is ten onrechte de indruk gewekt dat dit rapport in opdracht van VWS is uitgebracht.
Hoe zal de IGZ controleren of de aanbevelingen ten aanzien van de Geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen (GHOR) worden uitgevoerd?
Zie het antwoord op vraag 3 en 4 (27 157-14).
Inspectie Milieuhygiëne (27 157, nr. 14)
Lag er een draaiboek ten grondslag aan het overheidsoptreden dat was gericht op het voorkomen van risico's voor volksgezondheid en milieu? Zo ja, welk draaiboek was dat? Tot welke aanpassingen in het draaiboek leiden de ervaringen van de vuurwerkramp? Zo nee, is het kabinet voornemens om dergelijke draaiboeken te (laten) ontwikkelen?
Voor het optreden van de (rijks)overheid bij incidenten is enkele jaren geleden het project Overheidsoptreden bij Bijzondere milieuomstandigheden gestart. Ter nadere vaststelling en beperking van de gevolgen van een incident is een samenwerkingsverband, het Beleids Ondersteunend Team Milieu-incidenten(BOT-mi) van de rijksonderzoeksinstituten in 1999 opgericht. Het BOT-mi functioneert onder voorzitterschap van Crisismanagement VROM. Voor het BOT-mi is inmiddels een handboek geschreven.
Betekenen de conclusies dat er, anders dan bij bijvoorbeeld de Bijlmerramp, geen of weinig discussie te verwachten is over de lichamelijke gezondheidseffecten van de ramp, ook op langere termijn?
Vooralsnog gaat het kabinet er inderdaad vanuit dat er geen specifieke gezondheidsproblemen zullen ontstaan als gevolg van de blootstelling aan gevaarlijke stoffen. Dit oordeel is ook gebaseerd op de eerste rapportage van het RIVM over de resultaten van het gezondheidsonderzoek (juli 2000). Dat neemt niet weg dat er lichamelijke klachten kunnen ontstaan bij de getroffenen als gevolg van psychische problematiek. Indien in de toekomst nieuwe vragen over mogelijke blootstelling opkomen, dan kan dit, afhankelijk van de concrete vraag, via de bij het gezondheidsonderzoek verzamelde bloed- en urinemonsters alsnog onderzocht worden.
Welk gevolg is gegeven aan de aanbevelingen van het Nederlands Instituut voor brandweer en rampenbestrijding (NIBRA), die voortvloeiden uit een oefening in 1999? Kan het kabinet dit uitwerken voor de aanbevelingen betreffende de communicatie en de taakverdeling tussen het Regionaal coördinatieteam (RCC) en de gemeentelijke rampenstaf?
Uit informatie van het Nibra blijkt dat in 1999 in de regio Twente geoefend is in het kader van het millennium. Daar stond de uitvoeringstaak van het Regionaal Coördinatie Centrum (RCC) en de communicatie naar de bevolking centraal. Het RCC heeft conform de aanbevelingen van het Nibra gedurende de vuurwerkramp ondersteuning geboden aan de gemeente Enschede op de wijze zoals geoefend is voor het millennium.
Arbeidsinspectie (27 157, nr. 14)
Waarom heerste er zoveel onduidelijkheid over het wel of niet vrijkomen van asbest en het wel of niet beschermd zijn? Hoe kan het dat er pas op 17 mei een brief uitging waarin stond dat iedereen die actief in het puin zocht het asbestregime van de arbeidsinspectie moest volgen? Waarom heeft de arbeidsinspectie niet actiever opgetreden bij de asbestproblematiek door bijvoorbeeld contact te zoeken met de burgemeester?
Het rapport van de Arbeidsinspectie, deel 14 van de gezamenlijke inspecties gaat uitgebreid in op de wijze waarop door de hulpverleningsorganisaties is omgegaan met de asbestproblematiek, en op de rol die de Arbeidsinspectie daarin vervulde. De onduidelijkheid in de eerste dagen van de ramp met betrekking tot het al dan niet aanwezig zijn van asbest is terug te voeren op de veelheid aan problemen waar de hulpverleningsdiensten zich mee zag geconfronteerd, en het niet optimaal op elkaar afgestemd zijn van de informatievoorzieningen van de diverse betrokken partijen. Zo werden zowel visuele inspecties verricht door de regionale brandweer en gekwalificeerde asbestdeskundigen, als metingen naar het voorkomen van asbestvezels in de lucht. Deze laatste metingen waren met name bedoeld ter vaststelling van eventuele asbestblootstelling voor de omwonenden. Nadere informatie over de meetresultaten is terug te vinden in het rapport van de Inspectie Milieuhygiëne, deel 9 van de rapportage van de gezamenlijke inspecties.
Uit de visuele inspecties volgde dat er zeker in de eerste ring, aanzienlijke hoeveelheden asbest aanwezig waren. De metingen wezen vervolgens uit dat het blootstellingsniveau van de omwonenden onder het Maximaal Toelaatbaar Risico bleven.
Aan de hulpverleners is vervolgens onvoldoende duidelijk gemaakt dat niet de gemeten asbestvezelconcentraties in de lucht bepalend waren voor de persoonlijke beschermingsmaatregelen tijdens de werkzaamheden in het asbesthoudend puin, maar het zogenaamde «asbestsloopregime» volgens de Arbeidsomstandighedenwet, dat van toepassing is bij werkzaamheden waarbij asbest wordt gesloopt en/of verwijderd.
Met betrekking tot de handelswijze van de Arbeidsinspectie is – samengevat – te stellen:
de Arbeidsinspectie was vanaf 15 mei op het terrein aanwezig. Zij heeft zich daarbij – zoals gebruikelijk in haar aanpak – in eerste aanleg een oordeel gevormd over de omvang van de problematiek. Daarbij heeft zij vrijwel vanaf dat eerste moment aan partijen in het veld kenbaar gemaakt dat het beschermingsniveau niet overeenstemde met hetgeen in asbestbesmette situaties overeenkomstig de arbeidsomstandighedenwet vereist is.
De omvang en complexiteit, in combinatie met de enorme tijdsdruk om zo snel als mogelijk slachtoffers te vinden, maakte dat de Arbeidsinspectie zich niet direct bij het hoofd van de rampbestrijdingsorganisatie heeft gemeld, doch via deskundigenoverleg enerzijds – onder meer middels de kortstondig bestaande commissie gevaarlijke stoffen – en overleg met de betreffende werkgevers anderzijds is ingestoken. Ter completering van haar aanpak heeft de Arbeidsinspectie op dinsdag 16 mei een gesprek met de burgemeester gevoerd, en aansluitend haar bevindingen diezelfde avond schriftelijk (per brief en per fax) aan de relevante betrokken partijen doen toekomen (en dus niet op 17 mei zoals aangegeven in de vraag). Aansluitend heeft de Arbeidsinspectie moeten constateren dat, hoewel aan haar door de betreffende werkgevers – KLPD en regiopolitie – werd toegezegd dat de gewenste maatregelen getroffen zouden worden, dit in de uitvoeringspraktijk om een aantal redenen niet gerealiseerd werd.
Voor het kabinet heeft een en ander geleid tot de actiepunten 74 t/m 78 in het kabinetsstandpunt.
Rijksinspecties met betrekking tot follow-up Culemborg (BZK0100189)
Waarom heeft het kabinet opdracht gegeven aan de rijksinspecties om een onderzoek te doen naar het uitblijven van acties naar aanleiding van de explosie in de vuurwerkfabriek in Culemborg? Deze inspecties waren toch mede de oorzaak van het uitblijven van acties? Waarom is niet door een onafhankelijke instantie het onderzoek uitgevoerd?
De rijksinspecties hebben – elk op grond van haar specifieke wettelijke taakopdracht – onderzoek verricht naar de vuurwerkramp. In het kabinetsstandpunt is in hoofdstuk 1 de werkwijze van de rijksinspecties beschreven. De rijksinspecties bepalen onafhankelijk van het kabinet het object van onderzoek. Dit betekent dat het kabinet geen aanwijzingen heeft gegeven wat betreft de inhoud van de onderzoeken die naar de gebeurtenissen voor, tijdens of na de vuurwerkramp door de rijksinspecties zijn onderzocht. Daarnaast heeft de Commissie – onafhankelijk van de rijksinspecties – onderzoek verricht naar de follow-up van de vuurwerkexplosie in Culemborg. In dit onderzoek is ook de rol van de betrokken (rijks-) inspecties aan de orde gekomen.
Welke actie heeft de afdeling chemische veiligheid van het Directoraat Generaal van de Arbeid van SZW genomen, nadat het aangepaste Publicatieblad van de Arbeidsinspectie (P-blad) betreffende explosieve stoffen en arbeidsveiligheid op 22 februari 1994 werd aangeboden?
De aanbevelingen van TNO PML zijn opgenomen in een concept p-blad, zoals gebruikelijk was in de beleidssystematiek destijds. Het voornemen bestond om het concept als p-blad uit te brengen. Dit is evenwel niet geëffectueerd omdat het systeem van p-bladen is afgeschaft. Zie ook het antwoord op vraag 11 (27 157Q).
Hoe verklaart het kabinet dat het ministerie van VROM dat verantwoordelijk is voor de regelgeving met betrekking tot vuurwerkopslag geen enkele actie heeft ondernomen naar aanleiding van de explosie in de vuurwerkfabriek in Culemborg?
Zie het antwoord op vraag 26 (27 157-18).
Is er naar aanleiding van de ramp bij Culemborg ook overwogen om het Memorandum van het bureau MILAN te wijzigen?
TNO-PML heeft in 1991 onderzoek uitgevoerd naar de explosie van de vuurwerkfabriek te Culemborg in opdracht van de officier van justitie te Utrecht waaraan de uitkomsten zijn gerapporteerd. Uit het onderzoek van TNO-PML is de oorzaak van de explosie in Culemborg niet komen vast te staan. Bij bureau AMV verkeerde men in de veronderstelling dat er geen problemen waren met betrekking tot de classificatie van vuurwerk zolang het zich in de transportverpakking bevond. Het bureau heeft wel initiatief genomen om een reeds door het bureau AMV gegeven onderzoeksopdracht aan TNO aan te passen in verband met de vuurwerkexplosie te Culemborg. De resultaten zijn gebruikt om de normering (veiligheidsafstanden) van bureau AMV voor de opslag van groot vuurwerk aan te passen.
Deze normering (veiligheidsafstanden) werd door bureau AMV vastgelegd in het memorandum «veiligheidsafstanden opslag groot vuurwerk» dat door bureau AMV werd gehanteerd bij de advisering.
Waarom werd professioneel vuurwerk bij invoer in Nederland niet gecontroleerd op de juistheid van de gevarenclassificatie? Zag men daar de noodzaak niet van in of mocht dit niet op basis van internationale afspraken?
Het land van herkomst heeft volgens internationale verdragen de taak juist te classificeren. Uitgangspunt bij vervoer van gevaarlijke stoffen is dat de afzender (doorgaans de producent) in beginsel zorgdraagt voor juiste classificatie.
Kan meer duidelijkheid worden verschaft waarom het ministerie van VROM niet is ingegaan op het verzoek van de CPR om een nadere duiding van de uitkomsten uit het onderzoek naar de ontploffing in Culemborg?
Zie het antwoord op vraag 60 (27 157-20).
Op welke wijze heeft de inspectie voor het brandweerwezen haar toetsende rol waarop bestuursorganen en andere openbare lichamen hun taken uitvoeren met betrekking tot het voorkomen van, het voorbereiden op en het bestrijden van een brand, ongeval of ramp in voldoende mate waargemaakt?
De Inspectie Brandweerzorg en Rampenbestrijding heeft tot taak om voor zover dit uit oogpunt van algemeen brandweerzorg en rampenbestrijding noodzakelijk is onderzoek te doen naar de wijze waarop bestuursorganen van provincies, gemeenten en andere openbare lichamen invulling geven aan de brandweerzorg en de voorbereiding op rampenbestrijding. Het is gewenst om in voorkomende geval ook onderzoek te kunnen doen naar de wijze waarop door een bepaald bestuursorgaan de taken worden uitgevoerd. De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zal bezien of daartoe de Brandweerwet 1985 dient te worden aangepast.De Inspectie Brandweerzorg en Rampenbestrijding verricht haar onderzoek in opdracht van de minister van BZK; zij rapporteert dan ook aan de minister van BZK. Als deze bewindspersoon oordeelt dat actie moet worden ondernomen in de richting van het bestuur, dan zal deze daartoe het initiatief nemen.
Waarom heeft BZK richting de CPR geen aanvullende informatie verstrekt? Wat is de reden dat de actie van VROM nooit is uitgevoerd? Waarom heeft BZK niet verzocht om een reactie op de notitie?
Indertijd is er voor gekozen de CPR een brief te sturen naar aanleiding van de interne, toen nog als vertrouwelijk geclassificeerde, rapportage van de districtsinspectie voor het Brandweerwezen, nog voordat de technische rapportages van de Arbeidsinspectie en TNO beschikbaar waren. Bij het ministerie van VROM heeft de totstandkoming van regelgeving terzake van professioneel vuurwerk te weinig prioriteit gekregen. Het ministerie van BZK heeft niet om verdere actie gevraagd omdat aan andere CPR-activiteiten meer prioriteit is gegeven. Deze overwegingen dienen gezien te worden in het licht van kerntakendiscussies bij alle departementen. Zo is in 1992 bij het ministerie BZK de interne expertise omtrent risico's gevaarlijke stoffen sterk gereduceerd en een adviestaak richting operationeel brandweerveld vanaf 1993 helemaal beëindigd. De taken op het gebied van de ongevalsbestrijding gevaarlijke stoffen zijn ondergebracht bij de regionale brandweren.
Het rapport van de Districtsinspecteur voor het brandweerwezen over de ramp in Culemborg bevat onder punt 2 en 6 dermate verontrustende mededelingen over vuurwerk in met name een woonomgeving dat het onvoorstelbaar is dat via BZK (brandweer) zo weinig doortastendheid is betoond om soortgelijke rampen in de toekomst te voorkomen. Kan het kabinet verklaren wat de reden is waarom vanuit BZK naar andere ministeries en naar gemeenten geen effectieve stappen zijn gezet?
Conclusie 2 van de districtsinspectie beschrijft de ernst van de schade van de explosie en conclusie 6 gaat over de zeer beperkte mogelijkheden van preventieve voorzieningen. Deze signalen waren inderdaad verontrustend. Omdat de onderliggende onderzoeksrapportages van o.a. TNO nog niet beschikbaar waren en er nog onduidelijkheid was over de aard en hoeveelheid van de aanwezige kruitsoorten, is voorgesteld deze eerst af te wachten. Na overleg met de districtsinspectie is vervolgens toch in juni 1991 reeds een brief met aanbeveling van (brand)preventieve aard aan de CPR te richten. Bedacht moet worden dat de juiste oorzaak van het ongeval in Culemborg en de exacte gegevens over aanwezige stoffen niet konden worden vastgesteld en daarom voorzichtig werd omgegaan met de conclusies uit de rapportage van de districtsinspectie. Tevens werd dit soort van rapportages in die tijd gezien als een interne rapportage aan de Hoofdinspecteur. Er werd altijd op deze wijze gerapporteerd over grote branden of zware ongevallen. De Inspectie Brandweerwezen had zeker niet die inspecterende en onderzoekende functie die momenteel aan de Inspectie Brandweerzorg en Rampenbestrijding zijn toebedeeld. Geconcludeerd moet worden dat de analyse van de aanbevelingen van het districtinspectie zijn vertaald naar nadere preventieve eisen en dat geen aanleiding is gezien om bijvoorbeeld les- en leerstof te herzien.
Uit de onderzoeksrapporten naar aanleiding van de ramp in Culemborg komt naar voren dat, ook al houdt een bedrijf zich aan de regelgeving van de hinderwetvergunning, vuurwerkmassa explosief kan reageren en classificaties geen zekerheid geven met betrekking tot veiligheid. Hoe is het mogelijk dat dan niemand binnen de overheid de verantwoordelijkheid neemt om aan die onveilige situatie een eind te maken? Wie had wettelijk gezien de plicht daartoe?
Zie het antwoord op vraag 56 (27 157-20).
Waarom heeft SZW geen actie ondernomen op de aanbevelingen van PML TNO en de AI?
Zie het antwoord op vraag 2 (27 157Q).
Waarom hebben de inspectiediensten geen initiatief genomen, toen zij informatie kregen over het ongeval in Culemborg? Waarom is de regionale IMH niet betrokken geweest, noch geïnformeerd over de oorzaken en gevolgen van het ongeval in Culemborg?
Het onderzoek van de districtsinspectie betrof een interne opdracht van de Hoofdinspecteur Brandweerwezen om nadere gegevens over ongeval en ongevalsafwikkeling te verzamelen. De districtsinspectie heeft daarbij samenwerking gezocht met andere onderzoekers (de Arbeidsinspectie en het OM). De taakstelling van de Inspectie Brandweerwezen was indertijd anders dan die van de huidige Inspectie brandweerzorg en Rampenbestrijding. Hoewel het achteraf gezien wellicht in de rede lag, is de IMH niet bij dit ongevalsonderzoek betrokken. Of hier expliciet een reden voor was, is thans niet meer te achterhalen.
Waarom wordt in het rapport «folllow up Culemborg» als mogelijke reden voor het niet optreden van de IMH genoemd, dat de effecten van externe veiligheid gelet op de plaatselijke situatie relatief beperkt waren? Er waren toch doden en gewonden te betreuren? Daarnaast gaat het er toch om welke lessen te trekken zijn voor het rijksbeleid met betrekking tot regelgeving voor vuurwerkinrichtingen?
Zie het antwoord op vraag 26 (27 157-18).
Welk interdepartementaal overleg is er geweest om te komen tot een verruiming van het budget voor de controle en handhaving met betrekking tot de voorschriften voor opslagplaatsen voor vuurwerk? Indien sprake is geweest van dergelijk overleg, wat heeft het dan opgeleverd?
Verwezen wordt naar de Nota van Toelichting van het ontwerp-Vuurwerkbesluit.
Hielden de bezwaren van TNO PML tegen CPR-7 in dat CPR-7 nog verder moest worden aangescherpt?
CPR-7 moest niet alleen worden aangescherpt maar ook fundamenteel worden herzien. TNO-PML gaf aan dat de gehanteerde uitgangspunten in de CPR-7 niet overeen kwamen met de gehanteerde NATO richtlijnen voor wat betreft het schade criterium alsmede de gehanteerde hoeveelheden (CPR-7: tot 100 kg, NATO: meer dan 500 kg). Daarenboven zou de gehanteerde klassering verouderd zijn en bestond er onduidelijkheid over de toepassing van andersoortige bouwmaterialen dan beschreven in CPR-7. Om één en ander nader te onderzoeken werd door TNO voorgesteld nader onderzoek te verrichten met een totale doorlooptijd van minimaal 3 jaar.
Waarom heeft het ongeveer 3 jaar geduurd voordat het besluit om de P-bladen te vervallen, en de concrete normen om te zetten in beleidsregels, is geëffectueerd bij het nieuwe Arbobesluit?
De ontwikkelingen rond p-bladen en beleidsregels enerzijds, en die rondom het Arbobesluit anderzijds, kenden elk een eigen motivatie en waren aanvankelijk gescheiden trajecten.
De afschaffing van de p-bladen was gemotiveerd vanuit de wens dat de Arbeidsinspectie minder een voorlichtende rol en meer een handhavende rol moest hebben. Vanuit de Algemene Wet Bestuursrecht werd voorts de opstelling van beleidsregels voor de handhaving vereist; de p-bladen bevatten zowel normen, beleidsregels als voorlichting.
Het Arbobesluit uit 1997 bracht de regels uit de vele Algemene Maatregelen van Bestuur samen en had als oogmerk vereenvoudiging en een betere toegankelijkheid.
Er was dus sprake van twee grote, gecompliceerde en tijdrovende operaties, gecompliceerd bijvoorbeeld omdat in het veld weerstand bestond tegen afschaffing van de voorlichtingsfunctie van de AI, wat leidde tot het aanvankelijk niet voorziene opzetten van AI-bladen.
Om redenen van efficiency en duidelijkheid naar de maatschappij toe is besloten de resultaten van deze operaties op hetzelfde tijdstip te laten ingaan. Overigens bleven bestaande p-bladen tot die tijd van kracht.
Waarin ligt de oorzaak van het feit dat de CPR taken binnen VROM moesten concurreren met andere taken?
Zie het antwoord op vraag 60 (27 157-20).
Waarom heeft het OM belangrijke conclusies uit het TNO rapport niet in hun persbericht opgenomen? Was men verplicht volledige informatie te verstrekken?
Het openbaar ministerie heeft zich, zoals ook de Commissie heeft aangegeven, in het persbericht vanuit de strafrechtelijke taakstelling en verantwoordelijkheid gericht op mogelijke overtredingen van wet- en regelgeving en de beslissing om niet tot strafvervolging over te gaan. Voor de vraag of er een verplichting bestond volledige informatie te verstrekken is artikel 8, eerste lid van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) van belang. Dit artikel bepaalt dat het bestuursorgaan dat het rechtstreeks aangaat, uit eigen beweging informatie verschaft over het beleid, de voorbereiding en uitvoering daaronder begrepen, zodra dat in het belang is van een goede en democratische bestuursvoering. In dat licht bezien heeft het openbaar ministerie middels het persbericht informatie verschaft voor zover dat op het terrein lag, dat het openbaar ministerie rechtstreeks aangaat, namelijk de opsporing en vervolging van strafbare feiten.
Is het vaker voorgekomen dat informatie, die duidelijk bedoeld is voor de minister van Justitie, wel bij het ministerie van Justitie is ingeboekt maar de minister nooit heeft bereikt? Is dit ook op andere ministeries voorgekomen? Is het kabinet, indien nodig, bereid hier nader onderzoek naar te verrichten?
Het kabinet acht het niet uit te sluiten dat informatie, gezien de grote hoeveelheid post die dagelijks op het ministerie van Justitie en de andere ministeries wordt bezorgd, de respectieve bewindspersonen niet altijd persoonlijk bereikt, terwijl de verzender dit juist wel had beoogd. Op zichzelf bezien hoeft dit niet tot complicaties te leiden aangezien ingekomen poststukken in de regel op de ministeries worden geregistreerd en vervolgens worden afgehandeld. In veel gevallen kan ingevolge een mandaatbesluit namens de desbetreffende bewindspersoon de brief c.q. informatie op ambtelijk niveau worden afgehandeld. Gezien het voorgaande ziet het kabinet geen aanleiding tot nader onderzoek.
Welke functionaris op het ministerie van Justitie heeft in 1991 besloten dat de brief van de PG Amsterdam gericht aan de minister van Justitie over de vuurwerkexplosie Culemborg niet ter kennis aan de minister behoefde te worden gebracht? Om welke reden is dit niet gebeurd?
Zie het antwoord op vraag 42 (27 157-20).
Waarom is de VROM-vertegenwoordiging in de CPR zelfs niet zover gekomen dat zij beschikt over de kennis binnen VROM over vuurwerk en springstoffen?
Zie het antwoord op vraag 60 (27 157-20).
Hoe wordt de communicatie tussen en binnen departementen en tussen de inspectiediensten verbeterd?
In de eerste plaats is de mate van samenwerking tussen de verschillende inspectiediensten sinds de vuurwerkramp Enschede sterk verbeterd en worden de afspraken aangaande die samenwerking zoveel mogelijk vastgelegd. Daarnaast zal de Technische Adviesraad Gevaarlijke Stoffen de communicatie tussen de departementen moeten verbeteren.
Waarom is het rapport met alle belangrijke conclusies en aanbevelingen nooit verspreid vanuit BZK?
Dit soort van rapportages werden in die tijd binnen de inspectie gezien als interne rapportages van de districtsinspectie aan de hoofdinspecteur. Meestal werd zo'n rapportage niet extern verspreid. Van de explosie/brand DSM (1975) is bijvoorbeeld alleen een intern rapport opgesteld. Van de brand in Hotel Polen (1978) in Amsterdam is wel een externe publicatie gemaakt. Over de brand in pension Vogel (begin 1990) in Den Haag is alleen intern gerapporteerd. Van de Bijlmerramp is geen externe inspectierapportage gemaakt. Ook het doorsturen van achterliggende rapportages van andere diensten zoals TNO of de arbeidsinspectie was niet gebruikelijk. De rapportages werden gebruikt voor interne lering en vertaling naar beleid indien dit relevant werd geacht. In het geval van Culemborg ten aanzien van preventieve maatregelen.
Is er geen enkele bewindspersoon door zijn/haar ministerie daadwerkelijk geïnformeerd over de gevaren van vuurwerk naar aanleiding van het TNO rapport over Culemborg?
Voor zover kon worden nagegaan uit persberichten uit die tijd was de vuurwerkexplosie in Culemborg géén politiek relevant item. Binnen BZK is aan de bewindspersonen geen informatie doorgegeven over de onderzoeksrapportages over de vuurwerkexplosie in Culemborg. Het ongeval is beschouwd als een bedrijfsongeval met dodelijke afloop voor 2 personeelsleden en met verder alleen lokale gevolgen.
De minister van SZW is op 18-02-1991 dus kort na de ramp die op 14-02-1991 plaatsvond over de gang van zaken betreffende de explosie geïnformeerd. Onder andere werd er melding gemaakt van het niet Arbeidsveiligheidsrapport-plichtig zijn van de installaties van het vuurwerkbedrijf te Culemborg en hoe het ongevalsonderzoek formeel was geregeld.
Noch de minister noch de staatssecretaris van SZW zijn naar aanleiding van de rapportage van TNO betreffende de vuurwerkramp te Culemborg geïnformeerd over de expliciete risico's van het gezamenlijk opslaan van verschillende klassen vuurwerk.
Binnen VenW en binnen VROM was het TNO onderzoek bij de met dit werk belaste en verantwoordelijke ambtenaren niet bekend. Daardoor was deze kennis noch bij de departementsleiding van deze departementen noch bij de ministers van VenW en VROM bekend.
Deze kennis was evenmin bekend bij de departementsleiding en de bewindslieden van Defensie.
Voor een gedetailleerde beschrijving van waar (bij welk ministerie en wie) het bedoelde onderzoek bekend was, wordt verwezen naar het specifiek voor deze vraag opgestelde rapport van de inspecties dat op 19 februari 2001 naar de Tweede Kamer is verstuurd.
Door de CPR worden technische richtlijnen en rapporten gepubliceerd gebaseerd op werk wat verricht wordt in subcommissies van deskundigen dan wel onderzoek wat door derden wordt verricht in opdracht van de CPR. Sinds 1991 zijn de volgende richtlijnen dan wel rapporten verschenen:
| CPR 1 | Nitraathoudende Meststoffen; Vervoer en opslag. Vierde druk 1992. |
| CPR 3 | Organische peroxiden; Opslag. Tweede druk 1997. |
| CPR 3E | Storage of organic peroxides. Second ed. 1997. |
| CPR 8–1 | Autogas (LPG) Vierde druk 1994. |
| CPR 8–1S | Autogas (LPG) |
| Suppl. | Supplement 1994. |
| CPR 8–3 | Distributiedepots voor LPG (Butaan, Propaan en hun mengsels). Eerste druk 1991. |
| CPR 8–3E | LPG Distribution depots. First ed. 1991 |
| CPR 9–1 | Vloeibare aardolieprodukten; Ondergrondse opslag in stalen tanks en afleverinstallaties voor motorbrandstof. Opslag in grondwaterbeschermingsgebieden. Vijfde druk 1993. |
| CPR 9–5 | Vloeibare aardolieprodukten; ondergrondse opslag van vloeibare aardolieprodukten in kunststof tanks. Eerste druk 1993. |
| CPR 9–6 | Vloeibare aardolieprodukten; buiten-opslag tot 150 m3 van brandbare vloeistoffen met een vlampunt van 55 tot 100°C in bovengrondse tanks. Tweede druk 1999. |
| CPR 11–5 | Propaan; Vulstations van butaan- en propaanflessen. Eerste druk 1994. |
| CPR 11–6 | Propaan; Vulstations voor spuitbussen met propaan, butaan en dimethyl-ether als drijfgas Eerste druk 1998 |
| CPR 12E | Methods for determining and processing probabilities. Second ed. 1997. |
| CPR 13–1 | Ammoniak; opslag en verlading. Derde druk 1999. |
| CPR 13–2 | Ammoniak; toepassing als koudemiddel in koelinstallaties en warmtepompen. Derde druk 1999. |
| CPR 14E | Methods for the calculation of physical effects Third edition 1997. |
| CPR 15–1E | Storage of packaged hazardous materials; Storage of liquids and solids (0–10 tons). (First ed. 1992) |
| CPR 15–2 | Opslag gevaarlijke stoffen, chemische afvalstoffen en bestrijdingsmiddelen in emballage. Opslag van grote hoeveelheden. Eerste druk 1991. |
| CPR 15–2E | Storage of packaged hazardous materials, chemical waste and pesticides (storage of large quantities) (First ed.'91). |
| CPR 15–3E | Storage of packaged pesticides; Storage of pesticides in distribution and related enterprises (in excess of 400 kg). Eerste druk 1992. |
| CPR 15 | Handboek brandbestrijdingssystemen. |
| Suppl. | Eerste druk 1993 |
| CPR 16E | Methods for the determination of possible damage to people and objects resulting from releases of hazardous materials. First edition 1992. |
| CPR 17–1 | Gecomprimeerd aardgas (CNG); Aardgasafleverstations voor motorvoertuigen. Eerste druk 1998. |
| CPR 17–2 | Gecomprimeerd aardgas (CNG); Veilig stallen en repareren van motorvoertuigen. Eerste druk 1998. |
| CPR 17–3 | Gecomprimeerd aardgas (CNG) Installaties voor het inpandig afleveren van gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen. Eerste druk 1999. |
| CPR 18E | Guideline for quantitative risk assessment First edition 1999. |
| CPR 19 | Stoffendatabase SERIDA Eerste druk 1999 N.B. op internetsite van RIVM |
| CPR 20 | Richtlijnen Informatievoorziening BRZO '99 Eerste druk 1999 |
Deze rapporten en richtlijnen zijn, afhankelijk van het wettelijk kader dat door de betrokken overheid wordt gehanteerd bedoeld als richtinggevende norm, dan wel als beleidsregel of voorlichting.
In onderstaand overzicht is de stand van de uitvoering per 29 maart 2001 van de diverse regelingen voor on- en onderverzekerde schade weergegeven. De verzekerde schade beloopt volgens opgave van het verbond van verzekeraars de orde van grootte van f 600 mln.
| Casco: | |||
| Ingediend | 591 | ||
| Goedgekeurd | 550 | ||
| Afgewezen | 36 | ||
| Verzoek bij BCE / elders om informatie taxatie te leveren | 1 | ||
| Nog in behandeling LASER | 4 | (0,6%) | |
| Totaal uitgekeerd 1,4 M (budget 2,0 M) | |||
| Inboedel | |||
| Ingediend | 564 | ||
| Verzonden vooraankondigingen | 318 | ||
| Waarvan goedgekeurd | 132 | ||
| Waarvan afgewezen | 19 | ||
| Nog te beoordelen | 246 | ||
| Verzoek bij BCE om informatie / taxatie te leveren | 224 | ||
| Nog in behandeling bij LASER | 22 | (4,0%) | |
| Overeenkomstig gemaakte afspraken met de belangenvereniging wordt voor definitieve besluitvorming aanvrager geïnformeerd over de vastgestelde schade met een vooraankondiging. De aanvragen waarvoor vooraankondigingen zijn verzonden zijn dus al wel inhoudelijk beoordeeld. Na verstrijking van de twee weken termijn wordt voor 167 aanvragen de beoordeling definitief gemaakt. | |||
| Totaal uitgekeerd incl. te verwachten uitkeringen 2,01 (budget 5,0 M) Dit bedrag is excl. de bedragen in de vooraankondigingen. De waarde van de vooraankondigingen wordt niet afzonderlijk geregistreerd. | |||
| OBO | |||
| Ingediend | 553 | ||
| Goedgekeurd | 404 | ||
| Afgewezen | 31 | ||
| Aanvragen waarvoor een voornemen tot terugvordering is verzonden (aanvragers hebben voorschot ontvangen dat hoger is dan het recht op OBO) | 83 | ||
| Verzoek bij IAC/DMO/BCE om informatie/taxatie te leveren | 19 | ||
| Nog in behandeling | 16 (2,9%) | ||
| Van de 83 aanvragen waarop een voornemen tot terugvordering is verzonden, loopt na veertien dagen de termijn voor reactie af. Voor wat betreft de terugvorderingen heeft de Stichting verzocht om kopieën van deze dossiers aan DMO te zenden voor nadere advisering. 81 dossiers zijn op 21 maart aangeboden, 2 dossiers zijn later nagezonden. | |||
| De afhandeling van de 19 aanvragen waarvoor nader onderzoek loopt, vindt plaats direct na retourontvangst van de onderzoeken. | |||
| Totaal uitgekeerd en nog te verwachten uitkeringen op grond van OBO (incl. voorschotten december 2000) 4,42 M (budget 20,5 M). NB. Budget is inclusief verrekening met gemeente Enschede ter zake uitgekeerde gelden volgens Regeling I en II. | |||
| Kampeerwagens | |||
| Ingediend | 94 | ||
| Goedgekeurd | 55 | ||
| Afgewezen | 1 | ||
| Verzoek bij BCE om taxatie te leveren | 34 | ||
| Nog in behandeling | 4 | (4%) | |
| Van bovenstaande 34 dossiers, is voor 17 dossiers het verzoek om de taxatie aan te leveren 14 dagen geleden gedaan. | |||
| Bovenstaande goedkeuringen leiden tot een totaal uit te keren bedrag van f 259 000,00 (budget 0,5 M). | |||
| Opruiming | |||
| In het kader van de opruimingsregeling zijn 10 aanvragen ingediend, waarvan 7 aanvragen afkomstig van particulieren en 3 afkomstig van opruimingsbedrijven. Na registratie bij LASER worden deze aanvragen aan BCE aangeboden met het verzoek de facturen te controleren. | |||
| Ondernemersregeling | |||
| Er zijn inmiddels twee verzoeken om een voorschot ontvangen. De gevraagde voorschotten ter grootte van f 220 000,– zijn reeds betaald. De hierbij behorende aanvragen zijn retour gezonden naar BCE ter verdere completering. Na completering kan de aanvraag definitief door LASER worden afgehandeld. | |||
| Daarnaast heeft LASER van BCE de eerste 19 aanvragen ontvangen ter verdere afhandeling. | |||
Het advies van 5 oktober 1994 luidde letterlijk:
Onderwerp: Advies aanvraag milieuvergunning perceel Tollenstraat 46–50
Ref:1. Uw schrijven d.d. 12 augustus 1994 kenmerk 94M007671 TMH
2. Gesprek/bezoek d.d. 4 oktober 1994
Naar aanleiding van refertes bericht en bevestig ik u het volgende.
Indien er een «brandmuur» tussen de op lijn geplaatste boxen wordt aangebracht kunnen deze boxen alsnog voor opslag worden aangemerkt (à 2000 kg vuurwerk 1.4S en 1.4G)
Eisen brandmuur:
– 1/2 steensmetselwerk;
– 0,5 m uitstekend t.o.v. voorzijde boxen;
– 0,5 m uitstekend t.o.v. bovenzijde toegangsdeuren
Een hoeveelheid tot maximaal 500 kg, per bunker, van de gevarenklasse 1.3G heeft mijn instemming. Indien in een bunker geen vuurwerk van de gevarenklasse 1.3G wordt opgeslagen is 5 t. vuurwerk van de gevarenklasse 1.4S/G toegestaan.
De gegevens zoals in referte l zijn aangegeven hebben mijn instemming.
4. Uitbreiding met 3 containers
Een uitbreiding zoals afgesproken heeft mijn instemming indien:
• de containers brandwerend worden gemaakt (brandwerendheid tussen de bewaarplaatsen ten minste 120 min. bedraagt);
• de containers van een houten deur met een brandwerendheid van ten minste 30 minuten wordt geconstrueerd
• per container maximaal 2000 kg vuurwerk van de gevarenklasse 1.4S/G in ongeopende verpakking wordt opgelegd.
• deuren niet worden gericht/opengesteld direkt in de richting van overige bewaarplaatsen.
Mocht een en ander verder nog vragen oproepen dan ben ik gaarne bereid die te beantwoorden.
De Direkteur materieel KL voor
deze:
Het Hoofd Bureau Adviseur Milieuvergunningen
Het advies van 10 februari 1997 luidde letterlijk:
Onderwerp: Advies behorende bij vergunningaanvraag S.E. Fireworks b.v. d.d.4/11/96
Referte:uw gegevens van 23 januari 1997
Naar aanleiding van referte, en voorzover de aktiviteiten tot mijn werkgebied behoren, bericht ik u het volgende:
1. Op grond van de normering vallen de aangegeven hoeveelheden binnen de noodzakelijke veiligheidsafstanden.
2. De voorgestelde betonnen afscheidingen van de vuurwerkbewaarplaatsen moeten voorzien zijn van een betonwapeningsnet van minimaal 5 mm en een maaswijdte van tenminste 50 mm.
3. De betonnen vloeren moeten zijn afgedekt met een materiaal dat geen vonkvorming ken veroorzaken.
4. Voor het overige moet de konstruktie voldoen aan het Handboek milieuvergunningen, hoofdstuk III.2, Opslag en verkoop van vuurwerk.
Voor de goede orde deel ik u mede dat op grond van de Wet milieubeheer, artikel 8.7 de adviseur advies moet uitbrengen op basis van de ontwerpbeschikking. Mijn huidig kommentaar kan zonder de ontwerpbeschikking niet beschouwd worden als advies zoals bedoeld in bovengenoemde wet. Daarom verzoek ik u den ook de ontwerpbeschikking na opmaak formeel voor advies aan mij aan te bieden.
De Directeur Materieel
Koninklijke Landmacht
voor deze
Het hoofd van het bureau
adviseur milieuvergunningen
Geachte mevrouw, mijnheer,
Mede namens mijn ambtgenoot van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer deel ik u het volgende mee.
Zoals bekend mag worden verondersteld, is voor het bezigen van het zogenaamde professioneel vuurwerk een vergunning nodig op basis van het Reglement Gevaarlijke Stoffen van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. (Dit is bepaald bij ministeriële regeling van 20 december 1990, Staatscourant 251).
Het verlenen van dergelijke vergunningen op basis van deze regelgeving vormt een overgangssituatie in afwachting van nieuw beleid en regelgeving, welke in samenwerking tussen de ministeries van VROM, Verkeer & Waterstaat, Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en Volksgezondheid, Welzijn en Sport worden voorbereid op basis van de Wet milieugevaarlijke stoffen (Wms). Het feit dat er sprake is van een overgangsregeling maakte dat het niet doelmatig was nog veel energie te steken in de aanpassing van de bestaande regelgeving.
Ik betreur het dat de genoemde overgangssituatie tot dusver nog niet is beëindigd. Voorstellen voor een definitieve oplossing zijn op dit moment nog steeds in voorbereiding. Voor vuurwerkbedrijven heeft het bestaan van deze overgangssituatie in zoverre geen gevolgen dat de genoemde vergunningsplicht op grond van de thans geldende regelgeving terzake onverkort van kracht blijft.
Teneinde in deze situatie van overgangsrecht helderheid te verschaffen, heb ik besloten na de zomer een beleidsregel voor mijn ambtelijke diensten op te stellen, waarin de vergunningsplicht en de daarvoor gehanteerde c.q. te hanteren criteria op voor iedereen kenbare wijze worden beschreven. Daardoor kan geen misverstand meer bestaan over de interpretatie van de regelgeving, noch over de criteria die voor vergunningsverlening worden gehanteerd. Voor wat betreft de vakbekwaamheid van bezigers van professioneel vuurwerk zullen er door de beide ministeries onafhankelijke en heldere eindtermen worden geformuleerd die ook worden voorgelegd aan de vuurwerkbranche.
De op 2 september 1998 met de branche besproken mogelijkheid om tijdens de millenniumovergang via een verkorte opleiding een beperkte vrijstelling van de vakbekwaamheidseisen te verlenen aan personen die een nader te bepalen beperkt assortiment vuurwerk zouden mogen bezigen, heb ik aanvankelijk in welwillende overweging genomen.
Ik heb inmiddels echter moeten vaststellen dat zich sinds genoemde datum meerdere ongevallen met vuurwerk hebben voorgedaan, waarbij mensen uit het publiek ernstig gewond zijn geraakt. Ik verwijs onder andere naar de vuurwerkevenementen op Koninginnedag 1999.
Ik ben dan ook tot de conclusie gekomen dat ik – gelet op het aantal te verwachten evenementen dat tijdens de eeuwwisseling zal plaatsvinden – het risico van onvoldoende vakbekwaamheid voor de veiligheid van het publiek te groot acht om vrijstellingen van de thans geldende vakbekwaamheidseisen te verlenen, zelfs indien dit voor een beperkt vuurwerkassortiment zou gelden.
Ik acht bovendien het beperkte vakbekwaamheidsniveau dat voor het bezigen van een beperkt vuurwerkassortiment wordt gehanteerd (onder andere in de zogenaamde «millenniumcursus») onvoldoende om dergelijke vrijstellingen te verlenen.
Hierbij laat ik ook meewegen dat er in afwachting van de op te stellen eindtermen voor het bezigen van vuurwerk in het algemeen, nog geen zekerheid bestaat over het vereiste vakbekwaamheidsniveau.
Overigens is mij uit het aantal aanvragen – er heeft mij één verzoek bereikt vanuit de Vereniging Evenementenvuurwerk Nederland (VEN), die slechts ongeveer een derde van de vuurwerkbedrijven vertegenwoordigt –, niet gebleken dat de branche de capaciteitsproblemen niet in onderling overleg kan oplossen door bezigingsbevoegde werknemers aan elkaar ter beschikking te stellen.
Ik heb de Rijksverkeersinspectie (RVI) opdracht gegeven het toezicht op de naleving van de voorschriften inzake bezigen te intensiveren en zo nodig handhavend op te treden. Controle door de brancheorganisatie VEN zelf juich ik toe, maar onafhankelijk toezicht door de overheid blijft nodig.
Tenslotte wil ik toezeggen dat mijn ambtgenoot van VROM en ik ons maximaal zullen inspannen om binnen afzienbare tijd nieuw beleid en nieuwe regelgeving te realiseren waardoor de huidige overgangssituatie zo kort mogelijk zal voortduren.
Hoogachtend,
De Minister van Verkeer en Waterstaat a.i.,
J. P. Pronk
Lijst van 51 bedrijven
| Naam bedrijf | Plaats |
|---|---|
| Beko BV | Tilburg |
| Broekhoff Vuurwerk Int. BV, nr. 60, 62, 90 | Dronten |
| Haarman vuurwerk | Enschede |
| Jaco Vuurwerk Evenementen | Ede |
| JNS Pyrotechniek | Leeuwarden |
| KAT Vuurwerk BV | Leiden |
| Koster de Pyrotechnische evenementen | Dronten |
| Precision Theatrical | Hulsberg |
| Magic Effects | Liempde |
| Mercurius BV | Lijnden |
| Nat vd BV | Steenwijk |
| Rohan BV | Landgraaf |
| Universal Fireworks | Zeist |
| Vierde Dimensie de VOF | Amsterdam |
| Wagenvoort Vuurwerk VOF | Wapenveld |
| Sahtoe Ahisma | Den Bosch |
| Pyrobest BV | Best |
| Breeschoten Bobinestraat | Veenendaal |
| Breeschoten Smalle Zijde | Veenendaal |
| Superstar BV | Oosterhout |
| Franerex | Bergen op Zoom |
| Caferata Vuurwerk BV | Nistelrode |
| Domeinen Roerende Zaken | Rijen |
| Hamels BV | Gilze |
| Breeschoten de Kruiterij BV | Veenendaal |
| Lesli Vuurwerk | Lichtenvoorde |
| Westen vuurwerk | Voorst |
| Wolff Vuurwerk | Twello |
| Wolff Vuurwerk | Wilp |
| Horst vd Theaterbureau | Breda |
| Verbeek-Classen VOF | Den Haag |
| Amman | Woensel |
| Hoek Vrije Tijde VOF | Bovenkarspel |
| Bleker den | Ter Aar |
| Hutuin BV | Zoetermeer |
| Regelink Schroothandel (Harry's vuurwerk) | Kampen |
| Rubro BV (VD Broeke) | Almelo |
| Mikx Handelsonderneming BV | Groningen |
| Vuurwerk Evenementen Europe Inc. | Haulerwijk |
| Brunsting BV | Beilen |
| Veneboer | Hoogeveen |
| Tuin Handelsonderneming | Hoogeveen |
| Poelman Camping Totaal | Klazienaveen |
| Jan Mouw Tweewielers VOF | Nunspeet |
| Kruidenier | Haaksbergen |
| Busscher | Hengelo |
| Wida | Rijssen |
| Schuurmans 1e Ned. Kunstvuurwerkfabriek | Leeuwarden |
| Turbo Fashion | Dordrecht |
| Tuincentrum de Carlton | 's-Gravezande |
| Wytec | Tilburg |
1. Naar aanleiding van de vuurwerkramp in Enschede en het daarop volgende dossieronderzoek van STUVEX N.V. is gebleken dat de werkwijze van het bureau AMV bij de advisering aangepast en aangescherpt dient te worden. Dit IM geeft de minimale veranderingen aan die ik noodzakelijk acht.
2. Alvorens een advies wordt uitgebracht dient de aanvraag bezien te worden op volledigheid. Dit houdt onder meer in dat alle informatie die nodig is om een gefundeerd advies uit te kunnen brengen (waaronder de hoeveelheden en klasse vuurwerk, onderlinge afstanden, afstanden tot de erfgrens, afstanden tot «derden», enz), bekend moet zijn. Indien dit niet het geval is, dient de aanvrager c.q. vergunningverlener hiervan op de hoogte te worden gebracht en dient er geen dan wel een negatief advies uitgebracht worden.
3. Het advies aan de vergunningverlener dient uitgebreid te worden met een duidelijke motivatie m.b.t. dit advies. Hierbij dient onder meer aandacht geschonken te worden aan de effectafstanden en de eventuele overschrijding hiervan over de erfgrens.
4. Alle geconstateerde tekortkomingen of bemerkingen, ook op gebieden waar formeel geen advies over uitgebracht kan of mag worden, dienen vermeld te worden in het dossier en als aandachtpunten bij het advies c.q. de rapportage aan de vergunningverlener.
5. Verslagen van bezoeken dienen duidelijk in het dossier vastgelegd te worden. De bevindingen van een bezoek aan een inrichting (t.b.v. advisering of toezicht) dienen in alle gevallen aan de vergunningverlener bekend gesteld te worden.
6. Conform eerdere afspraken breng ik nogmaals onder de aandacht dat de ambtenaar die het toezicht uitvoert niet dezelfde mag zijn als degene die het advies heeft uitgebracht.
7. Ter ondersteuning van de organisatie van deze verbeteringen kunt u een beroep doen op mijn Hoofd Officier Toegevoegd.
Geachte heer Zoeteman,
Graag vraag ik uw aandacht voor het volgende.
Al sinds 1989 zijn onze beide departementen in overleg om te komen tot de juridische overdracht van de handelingen met professioneel vuurwerk van V & W naar VROM. Deze materie moet worden overgeheveld van het Reglement Gevaarlijke Stoffen (RGS, gebaseerd op de Wet vervoer gevaarlijke stoffen) naar een hernieuwd vast te stellen Vuurwerkbesluit gebaseerd op de Wet milieugevaarlijke stoffen (Wms) (zie bijgevoegde afschriften van de relevante correspondentie).
Nadat het Ministerie van Justitie in 1995 de in de Rijksmilieuhygiënische Commissie voorgestelde regeling om hiervoor algemene regels te stellen in plaats van een vergunningplicht, blokkeerde, is er gewerkt aan een ander Vuurwerkbesluit Wms. Hierbij is er gestreefd naar een systeem van erkenningen van bedrijven die professioneel vuurwerk hanteren.
Zoals u bekend zal zijn is deze door een extern adviesbureau voorbereide regeling op 2 juni jl. met de betrokken departementen (VROM, Justitie, SZW, VWS en V & W) besproken. De departementen konden om redenen van beleidsmatige en juridische aard er niet mee instemmen om de voorgestelde erkenningsregeling een publiekrechtelijke grondslag te geven in een nieuw Vuurwerkbesluit.
Het moge duidelijk zijn dat dit resultaat voor het ministerie van V & W zeer teleurstellend is. Vooral omdat na zoveel jaren van besprekingen en door VROM gedane toezeggingen de situatie weer terug bij af is en er vooralsnog geen uitzicht is op een oplossing die er op korte termijn toe leidt dat deze handelingen met vuurwerk onder de Wms gaan vallen.
Om uit deze impasse te geraken heeft er op verzoek van V & W ambtelijk overleg plaatsgevonden tussen onze beide ministeries.
In dit overleg heeft VROM aangegeven dat haar Minister zich naar aanleiding van een interne nota inmiddels heeft uitgesproken voor het overhevelen van de vergunningverlenende taak inzake het bezigen van professioneel vuurwerk van V & W naar de plaatselijke colleges van B en W.
Wat er zij van de haalbaarheid van deze aanpak op welke termijn ook, ik wil benadrukken dat V & W ernaar streeft dat uiterlijk binnen een jaar alsnog de reeds lang geleden afgesproken oplossing is bereikt.
Met het oog hierop zijn er tijdens voornoemd overleg afspraken gemaakt die die mogelijkheid bieden en ik wil deze daarom thans vastleggen.
1. De regeling van de minister van V & W van 20 december 1990 voor het afleveren, ter aflevering aanwezig houden en bezigen van vuurwerk zal worden gewijzigd als ministeriële regeling onder het Vuurwerkbesluit in het licht van de inmiddels gewijzigde aanpalende regelgeving. Tevens zullen de voorwaarden onder welke de Rijksverkeersinspectie (RVI) op dit moment vergunningen verleent voor het bezigen van vuurwerk, worden geherformuleerd en opgenomen in deze regeling.
2. Eén van de vergunningvoorwaarden betreft het voldoende vakbekwaam zijn voor het bezigen van vuurwerk. Dit betekent dat er personen gecertificeerd moeten worden aan de hand van eindtermen die onder verantwoordelijkheid van de overheid worden opgesteld. Deze opleiding zal, anders dan de bestaande opleiding die in sterke mate aan de brancheorganisatie (VEN) verbonden is, voor een ieder toegankelijk zijn. Voor het opstellen van deze eindtermen is deskundigheid vereist die voorhanden is bij een aantal inspectiediensten (de Arbeidsinspectie, de inspectiedienst van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de RVI). Daarnaast is er bij de branche deskundigheid voorhanden. Het opstellen van de eindtermen zal in gezamenlijk overleg tussen deze deskundigen plaatsvinden. Tevens zal daarbij externe begeleiding moeten worden ingehuurd. De kosten die dit met zich meebrengt zijn door mijn departement uiteraard niet voorzien en begroot, gelet op het onvoorziene karakter daarvan. Daarom zal als dekking hiervoor het bedrag van f25 000 gebruikt worden dat oorspronkelijk door V & W was bestemd als deelname in de kosten van het opstellen van de erkenningsrichtlijn. Gelet op het uiteindelijk magere resultaat van dit laatste project lijkt mij dit een juiste aanwending.
3. VROM verbindt zich ertoe het Vuurwerkbesluit Wms zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk vòòr 1 augustus 2000, zodanig aan te passen dat deze het RGS kan vervangen als wettelijke basis voor de ministeriële regeling als genoemd onder 1.
4. De nu nog bestaande bepalingen van het RGS zullen door V & W worden ingetrokken per 1 augustus 2000.
5. Tot dit moment zullen bij de vergunningverlening en toezicht, naast de RVI ook de inspectiediensten onder 2 genoemd worden betrokken. Dit met als doel de nodige operationale kennis op te bouwen. Na 1 augustus 2000 zal de taak van de RVI op het gebied van vergunningverlening beëindigd worden.
Ik vertrouw erop dat met deze afspraken een heldere lijn is uitgezet om op afzienbare termijn tot afronding van de betrokkenheid van V & W bij deze materie te komen.
Hoogachtend,
De Directeur-Generaal van het goederenvervoer,
B. Westerduin
Samenstelling: Leden: Te Veldhuis (VVD), ondervoorzitter, De Cloe (PvdA), voorzitter, Van den Berg (SGP), Van de Camp (CDA), Scheltema-de Nie (D66), Van der Hoeven (CDA), Van Heemst (PvdA), Noorman-den Uyl (PvdA), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Hoekema (D66), Rijpstra (VVD), O.P.G. Vos (VVD), Rehwinkel (PvdA), Wagenaar (PvdA), Luchtenveld (VVD), De Boer (GroenLinks), Duijkers (PvdA), Verburg (CDA), Rietkerk (CDA), Halsema (GroenLinks), Kant (SP), Balemans (VVD), De Swart (VVD), De Pater-van der Meer (CDA), Slob (Christen-Unie).
Plv. leden: Van Beek (VVD), Zijlstra (PvdA), Ravestein (D66), Van Wijmen (CDA), Bakker (D66), Balkenende (CDA), Barth (PvdA), Gortzak (PvdA), Rabbae (GroenLinks), Dittrich (D66), Cherribi (VVD), Van den Doel (VVD), Van Oven (PvdA), Apostolou (PvdA), Cornielje (VVD), Kuijper (PvdA), Belinfante (PvdA), Mosterd (CDA), T.H.A.M. Meijer (CDA), Van Gent (GroenLinks), Poppe (SP), Van Splunter (VVD), Nicolaï (VVD), Wijn (CDA), Rouvoet (ChristenUnie).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-27157-21.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.