nr. 98
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 21 september 2000
De vaste commissie voor Defensie heeft op 6 juni jl. overleg gevoerd met
de minister van Defensie over de Jaarrekening en aanverwante stukken (TK 27 127
nr 64). Tijdens dit overleg heeft de minister toegezegd dat de Kamer een overzicht
zal krijgen van het aantal militairen dat in 1999 vaker dan de uitzendnorm
is uitgezonden.
Als norm geldt dat een periode van uitzending (meestal zes maanden) wordt
gevolgd door een tweemaal zo lange periode van niet-uitzending.
Zoals ook is aangegeven in de brief «Personeelszorg rond vredesoperaties»
(TK 26 933 nr. 1) van 26 november 1999 is de tijd tussen twee uitzendingen
bij het overgrote deel van de militairen langer dan een jaar. In een beperkt
aantal gevallen kunnen de krijgsmachtdelen er niet aan ontkomen om militairen
binnen een jaar wederom uit te zenden. Het betreft dan in de meeste gevallen
militairen met een specifieke deskundigheid, of er is sprake van overschrijding
van de uitzendnorm op verzoek van de militair zelf.
In de periode van 1 januari 1999 t/m 31 december 1999 zijn in totaal 6856
militairen uitgezonden. Bij 177 militairen (≈ 2,6%) was de tijdsspanne
tussen vertrek van de uitzending en tijdstip terugkeer van de vorige uitzending
minder dan 12 maanden.
Bij een afwijking van de norm wordt nauwkeurig bezien in hoeverre die
uitzending vanuit de organisatie dringend noodzakelijk of vanuit de militair
dringend gewenst is. Vrijwillige aanmelding van de militair leidt in die gevallen
niet altijd tot een aanwijzing voor uitzending.
De Defensienota streeft grosso modo nadrukkelijk naar een versoepeling
van de uitzendnorm. Dit is mogelijk bij realisatie van een aantal aangekondigde maatregelen t.w. uitbreiding van het aantal parate functies,
aanpassing van de personeelsstructuur (verhouding bot/bbt) en verlenging van
de bbt-contracten.
De Staatssecretaris van Defensie,
H. A. L. van Hoof