Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1999-2000 | 27125 nr. 3 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1999-2000 | 27125 nr. 3 |
Vastgesteld 14 juni 2000
De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer in de vorm van een lijst van vragen verslag uit te brengen. De door de regering gegeven antwoorden zijn hierbij afgedrukt.
Is er een financiële reservering voor de afhandeling van de Vuurwerkramp in Enschede? Is de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen van toepassing op de Vuurwerkramp? (blz. 2)
Voor schade bij rampen worden geen reserveringen gemaakt. De Wet tegemoetkoming schade bij rampen en Zware ongevallen (WTS) voorziet in het verlenen van een financiële tegemoetkoming bij het optreden van onverzekerbare schade. De schade die door de vuurwerkramp is aangericht was verzekerbaar, zodat de WTS niet van toepassing is. Momenteel wordt door de Gemeente Enschede de aangerichte schade in kaart gebracht. Het kabinet onderhoudt daarover nauw contact met het gemeentebestuur. Zodra dit redelijkerwijs mogelijk is zal het kabinet besluiten over de wijze waarop het de gemeente zal bijstaan om de slachtoffers in de geleden schade tegemoet te komen.
Welke insteek is gekozen voor instromers met een arbeidsverleden bij de politie? Hoe staat het met het opleiden van deze zij-instromers? Welke eisen worden aan hen gesteld? (blz. 3)
De doelgroep zij-instromers kent een brede samenstelling. Het gaat om potentiële kandidaten voor de politie die voldoen aan de gestelde opleidingseisen, thans een baan hebben en op zoek zijn naar of geïnteresseerd zijn in een baan bij de politie. Gedurende de opleiding van aspiranten wordt tot de leeftijd van 25 jaar evenwel alleen een maandgeld vergoed. Om de doelgroep zij-instromers te interesseren voor een baan bij de politie dient meer maatwerk te worden geleverd. De eisen die aan deze doelgroep worden gesteld zijn niet afwijkend van die van de reguliere kandidaten.
Wat is de positie van de Algemene Bestuursdienst? Voor wie zijn de opleidingstrajecten bedoeld? (blz. 3)
Het Bureau voor de Algemene Bestuursdienst verzorgt management development voor de topambtenaren in de rijksdienst. De opleidingstrajecten zijn voor deze doelgroep bedoeld.
Wordt met het onderbrengen van het Nationaal Bureau Verbindingsbeveiliging bij BZK/BVD vooruitgelopen op de invoering van de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten? (blz. 4)
Er is geen verband tussen het onderbrengen van het Nationaal Bureau voor Verbindingsbeveiliging bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in casu bij de Binnenlandse Veiligheidsdienst, en de invoering van de nieuwe Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Op basis van op zichzelf staande redenen, in het bijzonder verheldering van de beleidsverantwoordelijkheden, is door het kabinet besloten tot onderbrenging bij de Binnenlandse Veiligheidsdienst.
01.01. Personeel en materieel Algemeen.
Voor de invoering van het project VBTB wordt 3 134 000 miljoen gulden uitgetrokken om met name de informatie infrastructuur aan te passen. Zijn er ook middelen beschikbaar om de cultuurverandering die gepaard gaat bij dit proces te ondersteunen? Wat is de stand van zaken bij de toepassing van de comptabiliteitswet voor wat betreft de organisatie van de beleidsevaluatie binnen het ministerie? (Zie ARK-rapport «organisatie van beleidsevaluatie», waaruit blijkt dat BZK het enige ministerie is dat geen beleidsevaluatiesystematiek conform de comptabiliteitswet heeft.)
Genoemd bedrag van f 3 143 000 betreft nagenoeg geheel het door het ministerie van Financiën voor 2000 beschikbaar gestelde bedrag voor de gevolgen van de invoering van de eerste fase VBTB. Ook voor 2001 is een bedrag van circa f 3,0 mln beschikbaar gesteld. Het betreft hier voornamelijk dekking van kosten voor noodzakelijke aanpassing van informatiesystemen. Tevens zullen hieruit de personele en materiële kosten gedekt worden die het gevolg zijn van de invoering van VBTB. De kosten op langere termijn zijn op dit moment nog niet voldoende inzichtelijk en zullen in de loop van 2001 nader onderbouwd worden.
Bij het ministerie van BZK wordt als sturingsmodel het zogenoemde SG/DG-model in combinatie met integraal management gehanteerd. Dit model betekent dat de bevoegdheden en verantwoordelijkheden voor zowel beleid als beheer in «de lijn» zijn belegd.
Op basis van het sturingsmodel ligt ook de eindverantwoordelijkheid voor de evaluatiefunctie (van nulmeting en ex ante evaluatie, doorlichting en monitoring, tot ex-post evaluatie) bij de integrale managers in casu de directeuren-generaal en de beleidsdirecteuren.
De Algemene Rekenkamer heeft bij haar onderzoek uitsluitend de rol van de directie FEZ onderzocht. Met name voor wat betreft de volgende aspecten: de dekkingsgraad van evaluatieonderzoek, de methodische kwaliteit, de bijsturing op basis van de uitgevoerde evaluaties, alsmede de informatie aan de bewindslieden. Aspecten, welke mijns inziens conform het sturingsmodel inherent zijn aan de taken van de integraal manager respectievelijk behoren tot de DG-verantwoordelijkheid. Door uitsluitend naar de rol van de directie FEZ te kijken, is een zeer groot deel van de relevante inspanningen derhalve onzichtbaar gebleven.
Binnen het ministerie van BZK is veel aandacht voor (een optimale mix van) evaluatie-instrumenten, die ook als zodanig worden ingezet. Voor een overzicht van de uitgevoerde en voorgenomen beleidsevaluatieonderzoeken moge ik u verwijzen naar de desbetreffende bijlage (7) in de begrotingen van de afgelopen jaren en de begroting 2000. Het aantal voorgenomen onderzoeken is 16, er zijn 37 lopende onderzoeken en 20 onderzoeken zijn in 1999 afgerond. Daarnaast is veel aandacht gegeven aan de opzet van monitorsystemen (bijvoorbeeld Mensen&Management, Trendnota, Politiemonitor Bevolking, Integratiemonitor en GSB-monitor). Ook de organisatieonderzoeken zijn regelmatig aan de orde. Voorbeelden hiervan zijn: de overkomst van KabNA en de inrichting van het DGCZK, de reorganisatie van het DGOB in het kader van het GSB-beleid, het bestaffingsonderzoek en de daaruit voortgevloeide reorganisaties van stafdiensten, de doorlichting van de ABD in het kader van de taakuitbreiding, alsmede het lopende onderzoek naar de DZVO.
De samenhang en (her)structurering van de inzet van evaluatie-instrumenten komt nadrukkelijk aan de orde bij het concretiseren en nader invullen van doelen en prestatiegegevens in het kader van VBTB.
01.03 Loonbijstelling
Kan de minister toelichten welke factoren een rol spelen bij de verhoging van het bedrag voor lonen in 2000?
Middels het referentiemodel worden de overheidssectoren in staat gesteld marktconforme arbeidsvoorwaarden af te spreken. Dit betekent dat er arbeidsvoorwaardenruimte beschikbaar wordt gesteld gebaseerd op de contract loonontwikkeling, de mutaties in ADV, ziektekosten, sociale lasten en ww-premies in de markt.
Wanneer kan de Kamer het antwoord op de vragen over de vervreemding aandelen SDU verwachten? (blz. 8)
De kamervragen over de vervreemding SDU zijn deels op 26 mei en deels op 6 juni jl. bij mijn ministerie binnengekomen. Het streven is om binnen drie weken de antwoorden op de totale set vragen aan de Kamer te doen toekomen.
Wat zijn de oorzaken van de vertraging van de betaling van de bijdrage aan de gemeente Lelystad? (blz. 9)
Bij 2e suppletore begrotingswijziging 1999 is een bedrag van f 1.3 mln beschikbaar gesteld als bijdrage van BZK in een totale rijksbijdrage van f 9.6 mln, op basis waarvan Lelystad aanspraak kon maken op een EU-bijdrage van circa f 8.5 mln. In overleg met de betrokken departementen van EZ, V&W en VROM is eind 1999 afgesproken dat de daadwerkelijke betaling in 2000 zou plaatsvinden via de begroting van het ministerie van VROM.
Wat is de stand van zaken van het project Burgemeesters in Beweging? (p. 9)
Het project «Burgemeesters in Beweging» (1996–1997) betrof een grootschalig experiment in het kader waarvan in totaal zestig burgemeesters een individueel begeleidingstraject hebben doorlopen. Het traject maakte de behoefte van een substantieel deel van de beroepsgroep aan mobiliteit (doorstroming binnen dan wel buiten het ambt) en verdere professionalisering voor het eerst goed inzichtelijk.
De uit de pilot verkregen inzichten vormden de basis van het in opdracht van de Minister van BZK door de Stuurgroep Personeelsbeleid Burgemeesters opgestelde advies «Naar een personeelsbeleid voor Burgemeesters» (bij brief van 9-12-1997, kenmerk Bk/U2751 aan de Kamer aangeboden). De door de Stuurgroep geformuleerde aanbevelingen vormen het uitgangspunt voor de wijze waarop het personeelsbeleid voor burgemeesters momenteel wordt ingericht. Over de voortgang in de ontwikkeling van het personeelsbeleid alsmede een aantal concrete resultaten ben ik voornemens de Kamer nog nader te berichten.
Naast de effecten op het te ontwikkelen personeelsbeleid heeft de pilot in een aantal gevallen ook invloed gehad op het verloop van de loopbaan van de deelnemende burgemeesters. Het individueel loopbaanplan dat door de burgemeester in het kader van de pilot diende te worden opgesteld bevatte een of meerdere voorstellen voor een aantal vervolg activiteiten gericht op persoonlijke ontwikkeling en/of de stimulering van mobiliteit. Na een positief advies van de betreffende commissaris van de Koningin werd het merendeel van de voorstellen gehonoreerd.
02.05. Diverse bijdragen aan provincies en gemeenten.
Bij de behandeling van het wetsvoorstel gemeentelijke herindeling West-Overijssel heeft de Kamer de motie Barth/Hoekema aangenomen om te investeren in binnengemeentelijke decentralisatie. De kosten zijn op jaarbasis 10 miljoen gulden. Neemt de minister de benodigde gelden op in de voorjaarsnota 2000?
Bij de behandeling van het wetsvoorstel tot gemeentelijke herindeling in een deel van Utrecht is reeds toegezegd dat in het najaar een notitie over de mogelijkheden tot het bevorderen van binnengemeentelijke decentralisatie wordt uitgebracht. Bij deze notitie wordt gevoegd een overzicht van vormen van binnengemeentelijke decentralisatie die in gemeenten die de afgelopen zes jaar zijn heringedeeld tot stand zijn gekomen. Dit overzicht wordt geboden naar aanleiding van vragen van de leden De Cloe, Barth (beiden PvdA) en Hoekema (D66). Over eventuele kosten en benodigde gelden zijn geen mededelingen en/of toezeggingen gedaan.
02.10 Personeel en materieel Openbaar Bestuur
Wat voor een redenen zijn er geweest voor de vertraging van de vacaturevervulling?
De vertraging in de vacaturevervulling hing enerzijds samen met de reorganisatie bij de directies Informatiebeleid Openbare Sector (IOS) en Grote Stedenbeleid en Interbestuurlijke Betrekkingen (GSIB), anderzijds met de krapte op de arbeidsmarkt met name voor de moeilijk vervulbare functies bij IOS.
02.12 Grotestedenbeleid
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van het plan voor «Digitale trapveldjes»?
Het plan heeft inmiddels definitief vorm gekregen, onder andere middels de publicatie van de «Bijdrageregeling Digitaal Trapveld» (Staatscourant 25 april 2000, nr. 80) waarin de doelstellingen en criteria zijn verwoord.
Voorop staat dat de specifieke invulling van de trapvelden gebeurt in de steden, zodat goed aangesloten kan worden bij de specifieke mogelijkheden en reeds lopende succesvolle initiatieven in de wijken. De gemeenten zullen in samenwerking met de bestaande organisaties in de wijken, bewonersgroepen en het (lokale) bedrijfsleven verdere invulling geven aan de hoofddoelstellingen van het project. De financiering van de trapvelden geschiedt op een fifty-fifty basis, per trapveld zal een stad (gemeente en derden) minstens 500 000,– gulden investeren voor een looptijd van drie jaar. De basisbijdrage vanuit het Rijk bedraagt vervolgens ook eenmalig 500 000,– gulden per stad (voor de G4 geldt overigens een dubbele bijdrage, zodat daar twee trapvelden per stad kunnen worden ingericht). Om de kwaliteit en innovativiteit van de lokale planvorming extra te stimuleren is voor circa acht steden ook nog een stimuleringsbijdrage van maximaal 250 000,– gulden beschikbaar (de totale rijksinvestering bedraagt 20 mln. gulden).
Op 6 april is er een succesvolle en drukbezochte startconferentie geweest, waar delegaties uit de 30 steden informatie hebben verzameld en hebben gewerkt aan de lokale planvorming. De streefdatum voor indiening van de aanvragen uit de steden is 1 juli 2000, de uiterste indieningsdatum is gezet op 1 september 2000.
Verder heeft een twaalftal grote bedrijven zich heeft verenigd in een «coalitie voor het digitaal trapveld». Deze bedrijven hebben de 30 betrokken steden software, hardware en IT-diensten aangeboden tegen gereduceerd tarief of zelfs gratis. De bedoeling is dat de dienstverlenende bedrijven uit de coalitie zich opstellen als «supporter» van een aantal trapvelden in de steden. Het is aan de steden om te besluiten om al dan niet gebruik te maken van het aanbod van de bedrijven.
Momenteel wordt er in de steden hard gewerkt aan de lokale plannen voor het digitaal trapveld. Ter stimulering van dit proces rijdt een cyberbus langs de steden. Tijdens het bezoek van deze bus wordt er door de meeste steden een mini-conferentie georganiseerd ten behoeve van het eigen trapveld.
Tevens vindt er momenteel een inventarisatie van bestaande media-educatie plaats, die ingezet zou kunnen worden in de trapvelden. Met dit overzicht worden de steden gefaciliteerd en kan worden voorkomen dat er zaken dubbel worden gedaan.
03.01. Algemeen integratiebeleid minderheden
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de invulling van het inburgeringsplan op de Antillen en de uitvoering daarvan?
Waarom komt deze inburgering slecht moeizaam van de grond? Gaat het hierbij in eerste instantie om een financieel probleem? Speelt de opvatting van de Antilliaanse regering dat het verplicht stellen van dergelijke inburgeringscurssussen juridisch problematisch is, een rol?
Kan de minister de oorzaken voor de wachtlijsten voor de inburgeringscursussen geven?
Welke inburgeringsprogramma's zijn er op de Antillen? En welke gevolgen heeft dat precies voor de aanpak hier in Nederland?
Op basis van het advies van de gemengde commissie Inburgering Antillianen zijn in de periode september 1999 tot en met maart 2000 op Curaçao twee cursussen (c.q. proefprojecten) «inburgering van Antilliaanse jongeren op de Nederlandse Antillen» gehouden. Deze Pilot Inburgering (pilot) richtte zich op jongeren van 16 tot 25 jaar, die al besloten hadden om naar Nederland te vertrekken.
Resultaten van de pilot:
1. De voorgenomen twee pilots zijn opgezet en inmiddels succesvol afgerond. Zoals in het advies van de gemengde commissie is voorgesteld is het gelukt om twee proefprojecten te organiseren met twee groepen jongeren van 15 à 20 personen.
2. Het blijkt dat het taalniveau van de jongeren is verbeterd.
3. Opvallend is dat de uitval gering is, (ook omdat de deelname aan de pilots op vrijwillige basis is).
4. Uit de evaluatie blijkt dat er voldoende aanknopingspunten zijn om de ontwikkeling van het voortraject inburgering verder uit te bouwen.
Het is niet mijn waarneming dat de uitvoering moeizaam tot stand zou komen of dat er een financieel probleem zou zijn. In tegendeel er is een ruime belangstelling voor deze cursussen.
Van een wachtlijst op de Antillen is mij niets bekend. In overleg met de gemengde commissie Inburgering Antillianen is gekozen om de verworvenheden van de pilot niet verloren te laten gaan en de opgezette infrastructuur in stand te houden. De mogelijkheid is daarbij gecreëerd om medio april, mei en juni met twee cursussen te vervolgen en nog eens drie cursussen in de periode september tot december.
Tijdens de intake zijn de criteria met betrekking tot leeftijd en vooropleiding gehanteerd zoals ook in de vorige cursussen. Verder is gekeken naar beschikbaarheid en logistieke mogelijkheden voor het volgen van de cursus. Voor personen die overdag werken of naar school gaan is een avondcursus opgezet. Alle kandidaten in de doelgroep zijn geplaatst en gestart in totaal drie groepen. De derde groep is een avondgroep. Iedereen die tijdens de intake aan de criteria bleek te voldoen en aan de slag wilde, is dus voor zover ik weet geplaatst.
Het doel van de pilot op de Antillen was om na te gaan wat de effecten zijn van een voorbereiding van jonge Antillianen op de Antillen in de eigen omgeving op inburgeringsprogramma's in Nederland. In dat voortraject wordt met name aan de taal en de maatschappelijke oriëntatie aandacht besteed. Bijzondere doelgroep voor dit programma zijn de jongeren die vielen onder het bereik van de voogdijregeling bij vertrek naar Nederland.
Kan de verhoging van de raming in verband met het project Kansen krijgen, kansen pakken nader worden toegelicht? Gaat het hier om een structurele verhoging? (blz. 12)
Voor de uitvoering van een aantal onderdelen van de Nota Kansen krijgen, kansen pakken zijn aanvullende middelen nodig. Het gaat daarbij om bescheiden bedragen om enige activiteiten op het gebied van de werkloosheid onder etnische minderheden, op antidiscriminatiegebied en op het terrein van de participatie van minderheden aan het maatschappelijk verkeer mogelijk te maken. Ook de communicatie over dit beleidsterrein krijgt aandacht. Gezien het karakter van de nota en een actieplan met een looptijd die overeenkomt met de huidige Kabinetsperiode zijn er, in een aflopende reeks, t/m 2003 middelen geraamd.
03.01.
De begroting wordt bijgesteld voor 2 miljoen voor het monument voor de slavernij. Uit de beantwoording van de schriftelijke vragen aan het lid Belinfante blijkt dat de voorbereidingen gestart zijn voor een virtueel monument voor dit jaar en een fysiek monument dat 1 juli 2001 klaar moet zijn. Van belang is eveneens dat er een instituut voor de slavernij komt. Een instituut waar historisch onderzoek kan plaatsvinden en informatie aan burgers over de slavernij evenals een expositie over dit thema kan worden georganiseerd. Is de minister bereid hiervoor voldoende middelen beschikbaar te stellen?
Nee. De financiering van een dergelijk instituut ligt niet op het terrein van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties/Grote Steden- en Integratiebeleid.
03.05. Remigratiebeleid.
Het beleid van deze regering is vreemdelingen in Nederland die graag terugwillen naar hun land van oorsprong te ondersteunen bij hun remigratie. Kan de minister aangeven waarom er onderuitputting is op dit budget? Wat denkt de minister hieraan te doen?
Het remigratiebeleid bestaat sinds 1985. In juni 1996 is in de Hoofdlijnennotitie remigratiebeleid aangekondigd, dat er een nieuwe wettelijke basis zou komen. De voorbereiding van de Remigratiewet is in 1997 gestart en deze wet is op 1 april 2000 in werking getreden. In deze nieuwe wet zijn verbeteringen van de remigratievoorzieningen opgenomen. In afwachting van deze wet met verbeterde voorzieningen hebben belangstellende remigranten hun aanvrage aangehouden. Sinds 1 april jongstleden – de inwerkingtreding van de Remigratiewet – is een toename van het aantal remigratie-aanvragen merkbaar. Voorlopig wordt de verdere ontwikkeling daarin afgewacht.
05.21. Openbare veiligheid.
Kan de regering een specificatie verstrekken, uitgesplitst in een BZK en een Justitie gedeelte, van de in de voorjaarsnota aangekondigde 0,3 miljard voor veiligheid en leefbaarheid? Wat is het verschil tussen het versneld uitvoeren van in het regeerakkoord voorgestelde beleid en het toekennen van additionele middelen? Wat is het verschil in gevolgen voor het beleid op de langere termijn?
| 2000 | |
|---|---|
| Justitiële Keten (Jus) | 145 |
| Politie/rampenbestrijding (BZK) | 136 |
| Inburgering Antilliaanse jongeren (BZK) | 2 |
| Wijkveiligheid (BZK) | 15 |
| Douane (Fin) | 4 |
| Koninklijke Marechaussee (Def) | 40 |
| Totaal | 342 |
Er is financieel gezien geen verschil, aangezien voor het versneld uitvoeren van beleid ook additionele middelen benodigd zijn.
Als gevolg van het versneld uitvoeren van beleid mag verwacht worden dat dit leidt tot een gunstig effect op de effectiviteit van het beleid op de lange termijn.
05.24. Overige uitgaven regionale politie.
Kan de regering aangeven hoe zich het bedrag van 75 miljoen gulden voor de versnelling van het regeerakkoord voor veiligheid (voorjaarsnota blz. 17) zich verhoudt tot het bedrag van 99 miljoen gulden voor de versnelling van het regeerakkoord (suppletore begroting BZK blz. 1)?
Kan in een aparte overzichtelijke tabel de versnelling van de regeerakkoordafspraken worden uitgesplitst?
De versnelling van het regeerakkoord is gebaseerd op de afspraken uit het convenant politie 1999.
De verdeling kan als volgt schematisch worden weergegeven (bedragen x f 1 mln):
| Versneld oplossen financiële knelpunten regio's, inclusief de voorzienbare gevolgen van de aanbevelingen van de Stuurgroep Implementatie Modernisering Politiezorg; | 47 |
|---|---|
| versnelling ICT; | 12 |
| (vernieuwing) onderwijs; | 40 |
| Totaal | 99 |
05.24. Overige uitgaven regionale politie.
Onder 1. Betreft het hier geplande uitgaven of onvoorziene kosten?
Het betreft hier geplande uitgaven.
Kunnen de additionele middelen, nodig voor de extra maatregelen, in verband met de geconstateerde arbeidsmarktknelpunten, niet worden gedekt uit de beperking van de rijksdienst als geheel (5%), zoals afgesproken in het regeerakkoord? (blz. 17)
De betreffende 5% heeft betrekking op besparingen in de sector Rijk. De additionele middelen hebben betrekking op arbeidsmarktknelpunten voor het personeel in de Sector Politie
Wat is de reden van de overboeking naar Justitie in verband met het BZK-gedeelte van het nog op te richten bureau Bevordering Integer Besluitvorming Openbaar Bestuur (BIBOB), nu nog niet vaststaat, dat dit bureau daadwerkelijk bij Justitie zal worden ondergebracht en de wetgeving ter zake nog slechts in de eerste ronde van schriftelijke behandeling verkeert? Is het niet logischer, een dergelijke post in de begroting van 2001 op te nemen? Waarom is reeds begonnen met het werven van personeel (zie advertenties in opdracht van het ministerie van Justitie in februari)? (blz. 17)
Het ministerie van Justitie treft voorbereidingen voor het BIBOB-buro, onder voorbehoud van de afloop van het wetgevingsproces dat nog gaande is.
In die zin worden er ook geen onomkeerbare beslissingen door Justitie genomen.
In dat verband en met dat voorbehoud heeft het ministerie van BZK alleen het deel van het budget overgeheveld naar de begroting van Justitie dat betrekking heeft op het aandeel van BZK in de voorbereidingskosten in 2000. Voor de jaren daarna zijn – juist in verband met het nog lopende wetgevingstraject – nog geen afspraken over overheveling van het BZK-deel van het budget t.b.v. het BIBOB-buro gemaakt.
Hier kan nog aan toe worden gevoegd dat de inrichting van het bureau BIBOB bij Justitie al in dit stadium plaatsvindt juist vanwege een zorgvuldige voorbereiding van het voorgestelde wettelijke instrumentarium.
Kan worden toegelicht wat wordt bedoeld met «een reallocatie naar artikel 06.01 i.v.m. het uitvoeren van strategisch onderzoek door de BVD»?
Ten behoeve van de strategische beleidsvorming en de algemene beleidsontwikkeling wordt f 150 000,– van het centrale departementale onderzoeksbudget overgeheveld naar het wetenschappelijk onderzoeksbudget bij de Binnenlandse Veiligheidsdienst. Het onderzoeksbudget wordt aangewend voor het uitbesteden van wetenschappelijk onderzoek aan universitaire instituten en onderzoeksbureaus.
07.03. Onderzoek en analyse van de arbeidsmarkt en personeelsmanagement bij de overheid.
De minister verwijst hier naar de Nota «Investeren in Leren». Kan de minister deze nota aan de Kamer doen toekomen?
De beleidsvoornemens met betrekking tot «Investeren in Leren» zijn een nadere uitwerking van de in september 1999 aan de Tweede Kamer aangeboden Nota Management en Personeelsontwikkeling Rijksdienst (Kamerstukken II, 1998/99, 26 806). In de toelichting bij de eerste suppletore begroting wordt abusievelijk gesproken over een Nota «Investeren in Leren». Een schrijven met die titel bestaat echter slechts als interne BZK-notitie. Uiteraard zal ik de Kamer op de hoogte houden van de feitelijke aanzet en invulling van een ontwikkelingstraject op het terrein van opleidingen, via het reguliere begrotingsproces of op andere wijze.
02.03. Diverse ontvangsten.
Bij punt 2. meerontvangsten Melkert-banen kan begrepen worden dat er voor 20 miljoen onderuitputting is bij de besteding van gelden voor Melkert-banen bij of door de gemeenten. Kan de minister aangeven welke instrumenten vanuit rijksniveau worden ingezet om langdurig werklozen via Melkert-banen weer aan de slag te krijgen in betaalde arbeid?
De Regeling Extra werkgelegenheid langdurig werklozen (Ewlw), ook wel genoemd Melkert-banen, is met ingang van 1 januari 1999 vervangen door de Regeling in- en doorstroombanen voor langdurig werklozen (ID-banen).
Gelijktijdig met de inwerkingtreding van de Regeling in- en doorstroombanen is de uitvoering op rijksniveau overgegaan van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties naar het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW).
De minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid blijft verantwoordelijk voor de financiële afwikkeling met de gemeenten tot en met het jaar 1998.
Bij de start van de Regeling Ewlw waren alleen arbeidsplaatsen toegewezen aan de grote gemeenten in het kader van het grotestedenbeleid. Stapsgewijs is het aantal gemeenten dat aan de regeling kon deelnemen uitgebreid. In 1997 namen 79 gemeenten deel aan de regeling Ewlw.
Met ingang van 1998 is de Regeling Ewlw opengesteld voor alle gemeenten.
In 1998 is deelname aan de Regeling Ewlw toegenomen met 445 gemeenten.
Bij een deel van de gemeenten die in 1998 voor het eerst deelnamen aan de Regeling Ewlw bleek de invulling van de toegewezen arbeidsplaatsen meer tijd te vergen dan in eerste instantie werd verwacht. Van gemeenten die minder arbeidsplaatsen hebben gerealiseerd dan eerder toegewezen zijn de te veel betaalde voorschotten teruggevorderd. De definitieve vaststelling van de rijksbijdrage 1998 is gebaseerd op het aantal gerealiseerde arbeidsplaatsen.
07.06. Diverse ontvangsten.
Is het mogelijk aan te geven of en zo ja, hoeveel de minister nog te vorderen heeft van publiekrechtelijke organen, die gebruik maken van USZO/OOW en niet onder een van de overlegsectoren vallen?
Het ministerie heeft geen vorderingen meer op publiekrechtelijke organen die gebruik maken van USZO en niet onder één van de overlegsectoren vallen. Voor een uitgebreide toelichting op de afrekening van de invoeringsuitgaven USZO/OOW tot en met 1998 verwijs ik naar mijn brief aan de Tweede Kamer van 22 november 1999 (Kamerstukken II 1999/2000, 24 706, nr. 25).
Wetsartikel 3. Agentschappen.
Bij dit artikel komt naar voren dat de grote bedragen aan eigen vermogen bij een aantal agentschappen is afgeroomd tot maximaal 5%. Bij de behandeling van het jaarverslag 1998 is reeds aandacht gevraagd voor het financieel beheer en het exploitatietekort bij onder meer de agentschappen van BZK. Kan de minister aangeven welke maatregelen hij daarop heeft ondernomen, om een vergelijkbare discussie over het jaarverslag 99 te voorkomen?
Ter verbetering van de «agentschappen» is vorig jaar een project «Sturingsrelaties met agentschappen en ZBO's» gestart. In de Verantwoording 1999 is toegelicht dat dit project uit drie fasen beslaat en in 2001 wordt afgerond. De eerste fase – het opstellen van een normenkader – is inmiddels gereed. De tweede fase – het vaststellen van een modelinformatiestatuut – zal rond de zomer worden afgerond.
Voorts zullen de agentschappen vanaf 2000 worden gevraagd om een tussentijdse afsluiting van de rekening te maken.
Voorts meld ik u dat alle agentschappen van BZK het jaar 1999 hebben afgesloten met een positief exploitatieresultaat.
Wat is de achterliggende gedachte om de oorspronkelijk geplande opbouw van de voorziening inzake RAET achterwege te laten? Is er een oplossing in zicht? (blz. 39)
Eind 1999 is besloten om de kosten van de rechtszaak Staat–RAET (vice versa) over het jaar 1999 (f 0,277 mln) rechtstreeks ten laste van het resultaat over dat jaar te brengen en tegelijkertijd toch de voorziening op te bouwen met f 0,4 mln. Hierdoor ontstond op 31 december 1999 een voldoende saldo op deze voorziening en was er reden om de oorspronkelijk geplande opbouw van de voorziening inzake de kosten Staat–RAET (vice versa) in het jaar 2000 achterwege te laten.
Samenstelling: Leden: Schutte (GPV), Te Veldhuis (VVD), ondervoorzitter, De Cloe (PvdA), voorzitter, Van de Camp (CDA), Van den Berg (SGP), Scheltema-de Nie (D66), Van der Hoeven (CDA), Van Heemst (PvdA), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Rijpstra (VVD), Noorman-den Uyl (PvdA), Hoekema (D66), Dankers (CDA), Cornielje (VVD), O. P. G. Vos (VVD), Rehwinkel (PvdA), Wagenaar (PvdA), Luchtenveld (VVD), De Boer (PvdA), Verburg (CDA), Rietkerk (CDA), Halsema (GroenLinks), Kant (SP), Duijkers (PvdA), Balemans (VVD).
Plv. leden: Rouvoet (RPF), Van Beek (VVD), Zijlstra (PvdA), Van Wijmen (CDA), Ravestein (D66), Augusteijn-Esser (D66), Balkenende (CDA), Barth (PvdA), Rabbae (GL), Cherribi (VVD), Gortzak (PvdA), Dittrich (D66), Wijn (CDA), Nicolaï (VVD), Van den Doel (VVD), Van Oven (PvdA), Apostolou (PvdA), Vacature VVD, Kuijper (PvdA), Mosterd (CDA), Eurlings (CDA), Van Gent (GroenLinks), Poppe (SP), Belinfante (PvdA), Essers (VVD).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-27125-3.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.