Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201527099 nr. 22

27 099 Gelijke beloning

29 544 Arbeidsmarktbeleid

Nr. 22 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 17 november 2014

In mijn brief aan uw Kamer van 16 mei 20141 over het actieplan arbeidsmarktdiscriminatie heb ik aangegeven dat aan het CBS de opdracht wordt verleend voor een update van het onderzoek Gelijk loon voor gelijk werk?(2010). Bijgaand treft u desbetreffend onderzoek over beloningsverschillen tussen mannen en vrouwen bij de overheid en in het bedrijfsleven in 2012 aan2.

De belangrijkste uitkomst van dit onderzoek is de gestage afname van de zogenaamde loonkloof bij de overheid. Bedroeg het ongecorrigeerde beloningsverschil bij de overheid in 2008 nog 16 procent, in 2012 is dat afgenomen tot 11 procent. Als rekening wordt gehouden met bepaalde achtergrondkenmerken zoals leeftijd, arbeidsduur en opleidingsniveau dan nam het (gecorrigeerde) beloningsverschil bij de overheid af van 7 procent in 2008 naar 4 procent in 2012.

In het bedrijfsleven is het beloningsverschil vrijwel onveranderd gebleven. Het gecorrigeerde beloningsverschil nam af van 9 procent in 2008 naar 8 procent in 2012.

Het gecorrigeerde beloningsverschil kan niet nader worden verklaard. Dit betekent niet dat er sprake is van beloningsdiscriminatie maar dit valt ook niet uit te sluiten.

Een interessante ontwikkeling is dat jonge vrouwen bij de overheid meer verdienen dan hun mannelijke collega’s. Bovendien slaat het loonverschil bij de overheid pas op latere leeftijd om van positief naar negatief; in 2008 lag het omslagpunt bij de leeftijd van 33 jaar, in 2012 verdienen vrouwen bij de overheid pas bij 39 jaar minder dan hun mannelijke leeftijdsgenoten. Ook in het bedrijfsleven is een verandering zichtbaar, maar hier ligt het omslagpunt rond de leeftijd van 25 jaar.

Dat de uurlonen van vrouwen bij de overheid zich in het voordeel van vrouwen ontwikkelen, waardoor de loonkloof pas op latere leeftijd intreedt, geeft een voorzichtige indicatie van het uitsterven van beloningsverschillen tussen mannen en vrouwen. Om hier meer zicht op te krijgen is een langere tijdreeks nodig.

Verder blijkt uit het onderzoek dat als specifiek wordt gekeken naar beloningsverschillen tussen voltijders en deeltijders, een deeltijdbaan gemiddeld genomen per uur minder oplevert dan een voltijdbaan. Gecorrigeerd voor bepaalde achtergrondkenmerken blijft er tussen deeltijders en voltijders in het bedrijfsleven een loonverschil van 4 procent over en bij de overheid van 1 procent. Vier jaar eerder waren deze verschillen iets kleiner. In 2012 werkte 79 procent van de vrouwen in het bedrijfsleven en 71 procent van de vrouwen bij de overheid in deeltijd.

Zoals ik in mijn brief over het actieplan arbeidsmarktdiscriminatie heb aangegeven, is het wegnemen van de nog bestaande loonverschillen tussen mannen en vrouwen voor gelijke arbeid van groot belang. Naast het onderzoek door het CBS naar beloningsverschillen tussen mannen en vrouwen, is het College voor de Rechten van de Mens gestart met soortgelijk onderzoek bij hogescholen en in de verzekeringsbranche. De resultaten van dit onderzoek komen volgend jaar beschikbaar. Ook zal ik overeenkomstig genoemd actieplan, de initiatieven die worden aangehaald in het SER advies «Discriminatie werkt niet!» zoals de Loonwijzer en de Quickscan, nog dit jaar bespreken met sociale partners opdat zij deze mogelijkheden actief onder de aandacht brengen van hun leden.

Het kabinet zal in 2015 aan uw Kamer rapporteren over de voortgang van het actieplan arbeidsmarktdiscriminatie.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher


X Noot
1

Kamerstuk 29 544/25 883, nr. 523

X Noot
2

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl