Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal1999-200027093 nr. 3

27 093
Wijziging van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen in verband met de wijze van financiering van de uitkeringen op grond van de Ziektewet en de Werkloosheidswet voor overheidswerknemers alsmede enkele andere wijzigingen (Aanpassingswet OOW)

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

ALGEMEEN

1. Inleiding

1.1. Wet OOW

Per 1 januari 1998 is de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen (Wet OOW) in werking getreden. In deze wet is geregeld dat de volgende werknemersverzekeringen ook op de overheid van toepassing worden: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), de Werkloosheidswet (WW) en de Ziektewet (ZW) en de daarop berustende bepalingen, alsmede aanverwante wetten. De inwerkingtreding(sdatum) van de werknemersverzekeringen wordt ingevolge artikel 94 van de Wet OOW bij koninklijk besluit vastgesteld. Op 1 januari 1998 is de WAO gaan gelden voor het overheidspersoneel. Bij de totstandkoming van de Wet OOW had het vorige kabinet nog geen besluit genomen of en, zo ja, per wanneer de werknemersverzekeringen WW en ZW van toepassing zouden worden op het overheidspersoneel. Dit hield verband met de door de regering nog te maken keuze inzake het financieringssysteem WW voor de overheid.

1.2. Regeerakkoord

In het regeerakkoord is opgenomen: «de invoering van de OOW uiterlijk in 2001». Aangezien de WAO reeds van toepassing is op het overheidspersoneel, geldt de uitspraak uit het regeerakkoord voor de invoering van de WW en ZW voor overheidspersoneel.

1.3. Beslissing regering over financieringssysteem WW voor de overheid

De regering heeft besloten de overheidswerkgevers en -werknemers onder de WW te brengen met handhaving van het financieringssysteem zoals dat geldt voor de huidige wachtgeldregelingen, dat wil zeggen in beginsel op basis van eigenrisicodragen door de overheidswerkgevers. Deze beslissing ligt ten grondslag aan het voorliggende wetsvoorstel en wordt hierna toegelicht.

2. Invoering WW en ZW voor overheidspersoneel

Conform het regeerakkoord heeft de regering het voornemen het overheidspersoneel onder de werkingssfeer van de werknemersverzekeringen WW en ZW te brengen. De Tweede Kamer is over dit voornemen geïnformeerd bij de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), mede namens de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), d.d. 15 juli 1999 (kamerstukken II 1998/99, 24 706, nr. 24). Die brief is aan de orde geweest in een algemeen overleg van de minister van BZK met de vaste commissie voor binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties van de Tweede Kamer op dinsdag 23 november 1999.

Het koninklijk besluit tot vaststelling van het tijdstip waarop de WW en ZW worden opengesteld voor de overheid, is, zoals aangekondigd in die brief, gepubliceerd in het Staatsblad (Stb. 1999, 354). In dat besluit is 1 januari 2001 als invoeringsdatum vastgelegd. Het treffen van dat besluit met de daarin opgenomen ambitieuze tijdsplanning was bedoeld om een krachtig signaal af te geven aan de bij de operatie betrokken partijen (uitvoeringsorganisatie en sociale partners bij de overheid) opdat zij hun bijdrage aan de voorbereiding van de invoering zouden leveren.

De Wet OOW biedt nadrukkelijk de mogelijkheid om de oude gevallen op een later moment dan de nieuwe gevallen onder de WW/ZW te brengen.

Ten aanzien van de bestaande gevallen constateert het kabinet dat, in ieder geval voor een deel van de populatie, sprake is van in het verleden afgegeven garanties die niet ongedaan gemaakt kunnen worden door de invoering van de WW. Volgens de uitvoeringsorganisatie is het uitvoeringstechnisch zeer complex om die garanties in te passen in de uitvoering van de WW. Voorts is er op dit moment een aanzienlijk aantal overheidswerkgevers dat zelf de wachtgeldregeling uitvoert. De dossiers en gevallen moeten door hen worden overgedragen aan de uitvoeringsinstelling van de WW en ZW en ingepast in de systemen en werkwijzen van die uitvoeringsinstelling. Die uitvoeringsinstelling moet vervolgens de bestaande wachtgelden omzetten naar nieuwe WW-uitkeringen.

Er is hier dan ook sprake van een complexe, omvangrijke omzetting van het bestaande systeem naar een nieuw systeem.

Bij de beantwoording van vragen over de rapportage OOW/USZO tot en met 1998 (kamerstukken II 1999/2000, 24 706, nr. 27, blz. 3–4) is er door de minister van BZK op gewezen dat in het voorbereidingstraject vanuit de uitvoering een aantal knelpunten ten aanzien van het voorgenomen invoeringstempo is geconstateerd. Om de invoeringsrisico's te beperken, dient een gelijktijdige invoering van de WW voor nieuwe werklozen en omzetting van lopende wachtgelduitkeringen te worden voorkomen. Opgemerkt is dat het kabinet om die reden een gefaseerde invoering van de WW overweegt: voor de nieuwe gevallen per 1 januari 2001 en voor de lopende gevallen op een later moment.

Het kabinet heeft inmiddels, gehoord de uitvoeringsorganisatie en de Raad voor het overheidspersoneelbeleid, besloten tot de volgende wijze van invoering van de WW en de ZW:

a. per 1 januari 2001 worden de WW en de ZW voor overheidspersoneel ingevoerd voor de nieuwe gevallen (het personeel in actieve dienst);

b. ten aanzien van de op 31 december 2000 bestaande ziektegevallen wordt de ZW per 1 januari 2001 ingevoerd voor degenen met zwangerschaps- en bevallingsverlof waarvan het verlof eindigt na 31 januari 2001, en (met terugwerkende kracht) voor de langdurige ziektegevallen (uitgezonderd bestaande wachtgelders) die nog ziek zijn op de peildatum 15 februari 2001;

c. ten aanzien van de overige op 31 december 2000 bestaande ziektegevallen (waaronder de bestaande wachtgelders) wordt de ZW per 1 januari 2003 ingevoerd;

d. per 1 januari 2003 wordt de WW ingevoerd voor de personen die op 31 december 2000 wachtgeld hebben (en dat nog hebben op 1 januari 2003).

De Tweede Kamer der Staten-Generaal is over deze besluitvorming op de hoogte gebracht bij de brief van de minister van BZK d.d. 16 maart 2000 met kenmerk AB2000/U60081.

3. Normalisering sociale zekerheid overheidspersoneel

3.1. Betekenis voor de overheidswerknemer

De invoering van de WW en ZW voor het overheidspersoneel vormt het sluitstuk van de bij de OOW-operatie in gang gezette normalisering van de positie van de overheidswerknemer op het terrein van de sociale zekerheid. De invoering van de WW/ZW voor het overheidspersoneel houdt voor de overheidswerknemer in hoofdzaak het volgende in:

a. hetzelfde wettelijke rechten-, verplichtingen-, maatregelen- en sanctieregime voor alle werknemers;

b. toepassing van de IOAW in aansluiting op de WW;

c. toepassing van het ZW-vangnet, met als effect bevordering van de reïntegratiemogelijkheden voor overheidswerknemers met een verhoogd risico op arbeidsongeschiktheid doordat de kosten van de werkgevers van eventuele ziekte van deze werknemers t.l.v. een fonds kunnen worden gebracht;

d. toepassing van de Toeslagenwet;

e. openstelling van het reïntegratie-instrumentarium van de WW en de ZW;

f. een rechtens afdwingbare aanspraak tegenover het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) en de bevoegde uitvoeringsinstelling, onafhankelijk van de relatie die tussen de betrokken werknemer en zijn (ex-) werkgever kan bestaan;

g. toezicht op rechtmatigheid en doelmatigheid door een onafhankelijk orgaan (het College van toezicht sociale verzekeringen, Ctsv);

h. alle werkgevers van overheidspersoneel zijn voor de sociale zekerheid van rechtswege ingedeeld volgens de indeling van het bedrijfs- en beroepsleven, met inbegrip van de daaruit volgende aansluiting bij een uitvoeringsinstelling in de zin van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 (Osv 1997).

3.2. Inhoud van het wetsvoorstel

Het voorliggende voorstel van wet bevat aanpassingen van de Wet OOW en van de WW alsmede enkele andere aanpassingen die noodzakelijk zijn in verband met het onder de werkingssfeer van de WW en de ZW brengen van het overheidspersoneel. Dit betreft:

a. aanpassingen in het in de Wet OOW opgenomen overgangsrecht ten aanzien van de toepassing van de WW en de ZW op personen die een aanspraak krachtens een ambtelijke uitkeringsregeling ontvangen ten tijde van de invoering van de WW en de ZW;

b. het stelsel van financiering van de WW en de ZW (inclusief de uitvoeringskosten) ten aanzien van de overheid;

c. redactionele verbeteringen in de Wet OOW en de Algemene militaire pensioenwet.

4. Financieringssysteem WW overheid

4.1. Inleiding

In de Wet OOW en het regeerakkoord is niet vermeld met welk financieringssysteem de WW voor de overheid moet worden ingevoerd. Wel was het uitgangspunt van de Wet OOW dat voor de overheid en de marktsector hetzelfde financieringssysteem zou gaan gelden. Voortschrijdend inzicht heeft de regering evenwel geleid tot heroverweging van dat uitgangspunt. De regering heeft de beslissing genomen de overheidswerkgevers en overheidswerknemers onder de WW te brengen met handhaving van het financieringssysteem zoals dat geldt voor de huidige wachtgeldregelingen, dat wil zeggen in beginsel op basis van eigenrisicodragen door de overheidswerkgevers. Hierna wordt de afweging van de regering met betrekking tot het financieringssysteem WW voor de overheid toegelicht.

4.2. Keuze van de regering

Een integrale toepassing van de WW op het overheidspersoneel zoals verwoord in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot de Wet OOW heeft geleid, zou betekenen dat de aanspraken, de wijze van uitvoering en het financieringssysteem van die wet zouden gelden voor de overheidssector. Wat de aanspraken en de wijze van uitvoering betreft, past dat volgens de regering in het streven naar normalisering van de positie van de werknemer. De regering komt evenwel tot de conclusie dat het financieringssysteem WW zoals dat voor de marktsector geldt, niet voor de overheid zou moeten gelden.

Voor de regering is daarbij de combinatie van de volgende elementen doorslaggevend.

a. De invoering van de WW leidt tot een normalisering van de positie van de overheidswerknemer, ook bij een keuze voor handhaving van het eigenrisicodragen voor overheidswerkgevers in het kader van de WW. Doordat de zogenoemde pseudo-premie WW gehandhaafd blijft, blijft sprake van een zoveel mogelijk uniform bruto/netto-traject voor overheidswerknemers en werknemers in de marktsector.

b. De overheidswerkgever verschilt van de particuliere werkgever door het over het algemeen ontbreken van het faillissementsrisico (althans wat de overheidswerkgevers met een publiekrechtelijke status betreft) en vanwege het feit dat ontslagbeslissingen in het kader van reorganisaties bij de overheid veelal het gevolg zijn van politieke keuzen omtrent omvang en aard van de overheidstaken.

c. Van het zelf dragen van de werkloosheidslasten gaat een prikkelwerking uit in de richting van de (overheids)werkgever. Deze draagt bij aan volumebeheersing (afgezien van de onder b bedoelde situatie van politieke keuzen die tot ontslagen leiden). Invoering van het premiesysteem WW zou een aanzienlijke vermindering betekenen van financiële prikkels voor de overheidswerkgever om werkloosheid zoveel mogelijk te voorkomen. De werkloosheidslasten WW worden immers grotendeels landelijk verevend.

d. Invoering van het premiesysteem WW zou in verband met het lagere werkloosheidsrisico van de overheid tot extra lasten leiden voor de overheidswerkgevers, maar ook tot lastenverlichting voor de werkgevers in de marktsector en de werknemers bij de overheid en in de marktsector. Deze voor- en nadelen zijn op macroniveau grosso modo even groot. Het is in beginsel mogelijk zodanige lastenverschuivingen tot stand te brengen dat deze operatie (op macroniveau) budgettair, loonkosten- en inkomensneutraal kan geschieden. Dit vergt evenwel een complexe operatie, waarbij inkomensen loonkostenneutraliteit op microniveau niet kan worden gegarandeerd. De operatie is onder andere complex omdat het niet mogelijk is om het terugsluizen te laten geschieden via één systematiek die per overheidswerkgever passende compensatie tot gevolg heeft. Er kan op voorhand dan ook niet worden gegarandeerd dat de financiële effecten van introductie van premiefinanciering WW voor de overheid ongedaan kunnen worden gemaakt op het niveau van de individuele werkgever en werknemer.

De financiering van de WW voor overheidspersoneel via eigenrisicodragerschap betekent dat de huidige wijze van bekostiging van de wachtgelden van overheidspersoneel materieel wordt voortgezet onder de WW, dus inclusief de (mogelijkheid van) eigen arrangementen van de overheidssectoren. Die eigen arrangementen betreffen de nadere bepaling van de instantie die de lasten zal dragen. Vanuit de WW bezien zal de overheidswerkgever formeel aansprakelijk zijn en blijven voor de betaling van de WW-uitkeringen. Dit neemt niet weg dat in de praktijk door middel van sectorale arrangementen kan worden bereikt dat in plaats van de overheidswerkgever een andere instantie voor die werkgever de lasten draagt.

De regering heeft hierbij afgewogen dat er aan de variant van eigenrisicodragen ook bezwaren zijn verbonden. Zo leidt een sterke prikkel tot volumebeheersing tot vacaturevervulling primair vanuit het zittend personeel met relatief weinig instroom van buitenaf. Deze bezwaren zijn voor de regering evenwel niet doorslaggevend.

Een ander bezwaar is dat het privaatrechtelijke deel van de overheid (te weten de privaatrechtelijke rechtspersonen die krachtens aanwijzing van de minister van BZK deelnemen aan de Stichting Pensioenfonds ABP, ook wel genoemd de B 3-lichamen) in theorie niet gevrijwaard is van faillissement, ook al komt een dergelijk faillissement in de praktijk niet of nauwelijks voor. Dit bezwaar kan evenwel worden ondervangen door een voorziening binnen het financieringssysteem WW voor de overheid te treffen om de betaling van de WW-uitkeringen ingeval van een dergelijk faillissement zeker te stellen.

4.3. Vormgeving eigenrisicodragen WW overheid: Uitvoeringsfonds voor de overheid en voeding door middel van declaraties bij de werkgevers

Artikel I, onderdeel AA, van het voorliggende wetsvoorstel bevat de wijzigingen in de WW in verband met de neerslag in de WW van het eigenrisicodragen WW door overheidswerkgevers.

In grote lijnen zal het eigenrisicodragen WW van de overheid er als volgt uit komen te zien.

De lasten op grond van de WW komen voor rekening van de individuele overheidswerkgevers van de betrokken WW-gerechtigden. Dit, doordat deze lasten bij hen op basis van individuele toerekening worden gedeclareerd. De betaling van de uitkeringen geschiedt door de bij of krachtens de WW bevoegde uitvoeringsinstelling.

Bij de keuze om de uitvoeringsinstelling de betaling aan de overheidswerknemer te laten verrichten wordt afgeweken van het systeem van eigenrisicodragen ingevolge de WAO dat uitgaat van betaling van de WAO-uitkering door de eigenrisicodragende werkgever zelf, zonder mogelijkheid van betaling door de uitvoeringsinstelling. De omstandigheden met betrekking tot het eigenrisicodragen WAO en het eigenrisicodragen WW verschillen echter fundamenteel. De werkgever die overweegt eigenrisicodrager WAO te worden, kan in zijn afweging een rol laten spelen dat hij, als hij eigenrisicodrager wordt, de betaling van de WAO-uitkering niet via de uitvoeringsinstelling kan laten geschieden. Bij de WW is sprake van een verplicht eigenrisicodragen door overheidswerkgevers. Zij kunnen derhalve geen afweging maken, in tegenstelling tot bij de WAO, waar dat wel kan.

Bij de keuze voor betaling van de WW-uitkering aan overheidswerknemers door de uitvoeringsinstelling hebben verder de volgende overwegingen een rol gespeeld.

(1) Afgezien van de situatie van eigenrisicodragen WAO, verloopt de betaling van de WAO-uitkering standaard via de uitvoeringsinstelling. Indien de uitbetaling van de WW niet via de uitvoeringsinstelling zou verlopen, ontstaat in samenloopgevallen de situatie dat er twee betaalinstanties zullen zijn met alle complicaties voor de uitkeringsgerechtigde en de uitvoerders van dien.

(2) Als de overheidswerkgever niet betaalt (bijvoorbeeld vanwege een conflict met zijn gewezen werknemer), is de uitvoeringsinstelling gehouden de betaling zelf te doen en dat vervolgens op die werkgever te verhalen. Er moet dus per 1-1-2001 sowieso bij de uitvoeringsinstelling een infrastructuur zijn voor de betaling van de WW. Daarnaast zouden ook de werkgevers hun voorzieningen moeten treffen. Deze dubbele infrastructuur levert een zekere inefficiëntie vanwege meerkosten op.

Uitgaande van betaling van de WW-uitkering aan de overheidswerknemer door de uitvoeringsinstelling, is er in dit voorstel voor gekozen de geldstromen te laten verlopen via het zogenoemde Uitvoeringsfonds voor de overheid. Daarmee wordt voorkomen dat er meerdere geldstromen via aparte rekeningen gaan lopen met betrekking tot de WW. Daarbij is mede afgewogen dat een dergelijk fonds gebruikt kan worden voor de financiering van regelingen die niet voor rekening van de individuele overheidswerkgevers komen. In dat verband komt hierna de financiering van de ZW voor de overheid via het Uitvoeringsfonds voor de overheid aan de orde, alsook de financiering van de lasten van bepaalde andere regelingen. Voor de dekking van die lasten zal een verevende premie door alle overheidswerkgevers zijn verschuldigd. Deze premie zal niet op de overheidswerknemers kunnen worden verhaald.

Uit het Uitvoeringsfonds voor de overheid zullen ook alle uitvoeringskosten worden betaald. De uitvoeringskosten worden dus niet (deels) gedeclareerd bij de individuele overheidswerkgevers. Er is wel een splitsing overwogen tussen de kosten van reguliere uitvoering (die wel voor rekening van de individuele overheidswerkgever zouden komen) en de bijzondere kosten (die uit het Uitvoeringsfonds voor de overheid zouden worden betaald). Bijzondere uitvoering is dan bijvoorbeeld de uitvoeringskosten die betrekking hebben op een door de werkgever ingesteld bezwaar of beroep. In een dergelijke situatie ligt het niet voor de hand dat de werkgever die uitvoeringskosten betaald. Andere situaties liggen niet zo duidelijk. Zo is bijvoorbeeld de vraag of de uitvoeringskosten van een herziening of intrekking van de uitkering indien deze het gevolg is van een eerdere onjuiste vaststelling van de uitkering door de uitvoeringsinstelling als regulier of bijzonder moet worden aangemerkt. Een dergelijke splitsing van de uitvoeringskosten zou niet alleen moeilijk realiseerbaar en uitvoerbaar zijn maar ook een potentiële bron van geschillen tussen de uitvoeringsinstelling en de werkgever. Het feit dat de uitvoeringskosten uit het Uitvoeringsfonds worden betaald komt de transparantie van de uitvoering ten goede en zal dan ook tot lagere kosten leiden dan een kostensplitsing.

Het uitvoeringsfonds is een faciliteit om de betaling te vergemakkelijken alsook om eventuele verrekening met andere uitvoeringsinstellingen te vergemakkelijken. De uitkeringen en de uitvoeringskosten van de uitvoeringsinstelling worden in het voorstel van de regering ten laste gebracht van het Uitvoeringsfonds voor de overheid. De voeding van het Uitvoeringsfonds voor de overheid vindt primair plaats door de lasten van de uitkeringen door te berekenen aan de (ex)overheidswerkgevers. De overheidswerkgever betaalt alsdan de WW-lasten van werknemers die vanuit een dienstbetrekking bij hem recht op WW-uitkering hebben verkregen, inclusief de eventuele herleving of heropening van oude WW-uitkeringen.

Handhaving van het financieringssysteem van de wachtgeldregelingen in het kader van de WW zal inhouden dat de te betalen uitkeringen door de uitvoeringsinstelling per betalingstermijn (vier weken) op voorschotbasis zullen worden gedeclareerd bij de overheidswerkgever. De afrekening van de werkelijke lasten zal dan plaatsvinden bij de declaratie over de daarop volgende betalingstermijn. Voor dit systeem is gekozen omdat overheidswerkgevers in het algemeen reeds gewend zijn om op voorschotbasis te betalen aan de USZO (althans voor zover zij hun wachtgeldregeling door de USZO laten uitvoeren). Daarmee kan worden voorkomen dat er een grote liquiditeitsbuffer in het fonds aanwezig moet zijn. In lagere regelgeving van het Lisv kan dit systeem nader worden ingevuld. Het is echter voorstelbaar dat in de aanvangssituatie (de eerste betalingstermijn van de WW) niet alle declaraties op het gewenste tijdstip tot betaling komen. Ten- einde liquiditeitsproblemen voor de uitvoering van de WW en de ZW in die periode te voorkomen, dient bij de invoering van de WW en de ZW een kleine liquiditeitsbuffer in het Uitvoeringsfonds te worden aangehouden. Deze buffer zal voldoende moeten zijn om één betalingstermijn van WW- en ZW-uitkeringen inclusief uitvoeringskosten (13/52e deel van de last WW/ZW op jaarbasis) te kunnen voldoen voor zover het gaat om de WW- en ZW-uitkeringen die in januari 2001 worden toegekend.

De precieze omvang en de wijze van vulling van die buffer zullen nog nader worden bezien. Een mogelijkheid is wellicht om de buffer te vullen ten laste van het budget voor invoeringsuitgaven WW/ZW voor de overheid dat door middel van het separate wetsvoorstel tot wijziging van artikel 90 van de Wet OOW ter beschikking wordt gesteld.

Het Uitvoeringsfonds voor de overheid wordt mede bestemd voor een voorziening (in de vorm van een buffer) om de betaling van de WW-uitkering veilig te stellen ingeval van betalingsonmacht van een overheidswerkgever (dit risico doet zich uitsluitend voor bij de eerder genoemde B 3-lichamen). Daarmee heeft het Lisv de garantie dat er altijd verhaal van WW-uitkeringen ingeval van faillissement kan plaatsvinden.

Een ander voordeel van het gebruik van het Uitvoeringsfonds voor de overheid is dat een aantal zaken rondom fondsbeheer en middelenbeheer niet apart hoeven te worden geregeld. Zo zal onder andere het geïntegreerd middelenbeheer van toepassing zijn. Het Uitvoeringsfonds voor de overheid wordt beheerd en geadministreerd door het Lisv.

Tot slot kunnen uitvoeringsinstellingen in de marktsector die een WW-uitkering uitvoeren ten aanzien van een werknemer met twee of meer dienstbetrekkingen waaronder één bij de overheid, de aan de overheidsbetrekking toe te rekenen lasten uit het Uitvoeringsfonds voor de overheid halen.

De methodiek van declaraties bij de individuele overheidswerkgevers laat de mogelijkheid onverlet die de sectorwerkgevers bij de overheid hebben om binnen de sector een eigen systeem te maken, b.v. een eigen sectoraal fonds (zoals bijvoorbeeld de eigen financieringsarrangementen in de sector Onderwijs). De lasten komen alsdan voor rekening van dat fonds. De voeding van dat sectorale fonds is een aangelegenheid van de betreffende sectoren zelf. Deze fondsen mogen niet worden beschouwd als wachtgeldfondsen in de zin van de WW. Deze sectorale fondsen krijgen geen grondslag in de WW. Formeel-juridisch is en blijft de individuele werkgever aansprakelijk voor zijn aandeel in de bekostiging van het Uitvoeringsfonds voor de overheid.

Een sectoraal systeem dat zou neerkomen op verevening met (onderdelen van) de marktsector, behoort niet tot de mogelijkheden.

De financiële effecten van het introduceren van een sectoraal financieringssysteem in plaats van het declaratiestelsel komen voor rekening van de betreffende sector zelf.

Verder heeft de regering, naar analogie van artikel 89 van de Wet OOW, gekozen voor het heffen van echte WW-premies over de WW-uitkeringen van (gewezen) overheidswerknemers (in plaats van de zogenaamde inhouding inzake werkloosheid op grond van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP). Deze WW-premies worden gestort in het Uitvoeringsfonds voor de overheid.

De totstandkoming van het Uitvoeringsfonds voor de overheid maakt het verder mogelijk om de WW-premies over WAO-uitkeringen van (gewezen) overheidswerknemers, die op grond van artikel 90, eerste lid, van de Wet OOW nu nog in het Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof) worden gestort alwaar zij tot een korting op de basispremie WAO voor overheidswerkgevers zouden leiden (gelet op artikel 90, derde lid, van de Wet OOW), voortaan eveneens in het Uitvoeringsfonds voor de overheid te storten. Het in dat fonds storten van deze premies vormt voor dat fonds een inkomst, die zal leiden tot een loonsomevenredige verlaging van de door de overheidswerkgevers aan dat fonds af te dragen premie. Dit komt in de plaats van de korting op de basispremie WAO. Destijds was alleen gekozen voor storting in het Aof omdat er voor de overheid tot nu toe geen fonds beschikbaar was in het kader van de WW waarin deze premies gestort zouden kunnen worden. Met het voorgestelde Uitvoeringsfonds voor de overheid kan een op de marktsector gelijkende situatie worden bereikt.

Het heffen van de echte WW-premies over WAO-uitkeringen van overheidswerknemers heeft als voordeel dat in situaties van één WAO-uitkering uit hoofde van dienstbetrekkingen bij de overheid en de marktsector geen gesplitste bruto/netto-trajecten behoeven plaats te vinden. Ingeval de overheidsbetrekking de kleinste betrekking is, worden de WW-premies in totaliteit in het Algemeen werkloosheidsfonds en het betreffende Wachtgeldfonds van de marktsector gestort. Zo nodig kan achteraf verrekening tussen het Uitvoeringsfonds voor de overheid en de WW-fondsen van de marktsector plaatsvinden.

De bijdrage van de verplicht verzekerde overheidswerknemer in actieve dienst blijft via de pseudo-premie WW lopen. Dit, om een zoveel mogelijk uniform bruto/netto-traject voor alle (overheids)-werknemers te laten gelden en in stand te houden. Het zal dan ook niet mogelijk zijn om de werknemersbijdrage op andere wijze te regelen binnen de sectorale financieringsarrangementen WW.

Momenteel worden voorstellen uitgewerkt om de premieheffing en de dagloonvaststelling voor de sociale verzekeringen te vereenvoudigen. In een nieuwe systematiek moeten de administratieve lasten die de huidige systematiek voor zowel werkgever als uitvoeringsinstelling met zich meebrengt zoveel als mogelijk worden beperkt, onder meer door terugdringing van het bestaande berichtenverkeer. Tevens wordt gestreefd naar meer eenduidigheid in de systematiek en naar het wegnemen van bestaande verschillen per wet (ZW, WW en WAO). Voorts zouden premieheffing en dagloonvaststelling op dezelfde grondslag moeten plaatsvinden (equivalentie). Er wordt naar gestreefd deze wijzigingen in deze kabinetsperiode hun beslag te laten krijgen.

In afwachting van de herziening van het SV-premieloon op grond van de Coördinatiewet sociale verzekeringen (CSV) zullen de premies en de pseudo-premie WW ten aanzien van overheidswerknemers (inclusief franchises en maximumgrondslagen) vooralsnog worden vastgesteld door middel van de deeltijdfactor. De daarvoor noodzakelijke regelgeving zal op basis van artikel 9, tiende lid, van de CSV tot stand worden gebracht. De regering wil op deze wijze voorkomen dat de overheidssector kort na elkaar te maken zou krijgen met twee omvangrijke wijzigingen in het stelsel van SV-premieloon.

5. Financieringssysteem ZW overheid

5.1. Voorstel regering

Evenals bij de overheid is de regel in de marktsector dat de werkgever bij ziekte loon doorbetaalt. De marktsector kent de ZW als vangnetvoorziening. De wetgever heeft bepaalde ziekterisico's onder die vangnetvoorziening gebracht. Het gaat daarbij om risico's die voor werkgevers niet beïnvloedbaar zijn en ook niet beïnvloedbaar behoren te zijn.

T.a.v. de overheid zal een dergelijke vangnetvoorziening ZW eveneens moeten gelden. Aangezien de ZW in de marktsector wordt bekostigd via de WW-fondsen maar de overheid niet aan deze fondsen zal deelnemen, dient voor de ZW voor de overheid een aparte financiering te worden geregeld. Een financiering die wat de systematiek betreft overeenkomt met de financiering in de marktsector, derhalve financiering via een fonds dat met omslagpremies wordt gevoed.

5.2. Vormgeving financieringssysteem ZW overheid: Uitvoeringsfonds voor de overheid

Het vorengenoemde Uitvoeringsfonds voor de overheid zal in het voorstel van de regering worden gebruikt om de ZW-lasten ten aanzien van de overheid te bekostigen. De ZW-lasten (inclusief de uitvoeringslasten) worden bekostigd door middel van de premie die de overheidswerkgevers aan het Uitvoeringsfonds voor de overheid verschuldigd zijn. Er is geen mogelijkheid voor de overheidswerkgevers om deze premie op de overheidswerknemers te verhalen.

6. Adviezen en commentaren inzake het wetsvoorstel

6.1. Inleiding

Het wetsvoorstel is voor advies voorgelegd aan de Raad voor het overheidspersoneelsbeleid en de Algemene Rekenkamer en voor commentaar ten aanzien van de uitvoerbaarheid aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen en ten aanzien van de toezichtbaarheid aan het College van toezicht sociale verzekeringen.

6.2. Advies ROP

De ROP is gevraagd te adviseren over de in dit wetsvoorstel opgenomen wetstechnische uitwerking van het eerder al voor advies aan de ROP voorgelegde voornemen van de regering om de WW en de ZW voor de overheid in te voeren met een voor de overheid afwijkend financieringssysteem. De minister van BZK heeft op het toenmalige advies gereageerd in zijn brief aan de Tweede Kamer d.d. 15 juli 1999 (kamerstukken II 1998/99, 24 706, nr. 24, bijlagen 2 en 3). Bij die eerdere gelegenheid had de ROP zich geen tegenstander van het eigenrisicodragen WW voor de overheid betoond. Wel vroeg de ROP expliciet de aandacht van de wetgever voor een aantal zaken. Voor het voorliggende advies is het eerdere advies het kader en het vertrekpunt geweest voor de ROP.

Het voorliggende wetsvoorstel behelst een wetstechnische uitwerking van het regeringsbesluit om de WW in te voeren voor de overheid zonder het WW-financieringssysteem. De ROP kan daarmee leven in het vooruitzicht dat het streven erop gericht is om uiteindelijk te komen tot één financieringssysteem voor markt en overheid.

Dat vooruitzicht kan evenwel niet op deze plaats en dit moment worden geboden. Dit is afhankelijk van door het kabinet nog te nemen besluiten over eventueel invoeren van premiedifferentiatie in de WW. Daarop kan niet worden vooruitgelopen. De uitkomsten daarvan zullen moeten worden afgewogen tegen de argumenten die de regering heeft om overheidswerkgevers eigenrisicodrager voor de WW te laten zijn.

De regering gaat er, in reactie op een waarschuwing van de ROP ter zake, vanuit dat het thans voorgestelde financieringssysteem WW/ZW voor de overheid geen beletsel zal vormen voor een eventueel uniform financieringssysteem in de toekomst.

De ROP kan verder instemmen met het voorgestelde financieringssysteem ZW voor de overheid.

De ROP vraagt om meer inzicht in de kostenposten die gefinancierd worden uit de premie voor het Uitvoeringsfonds voor de overheid. In de financiële paragraaf van de memorie van toelichting wordt hierop nader ingegaan.

In zijn advies vraagt de ROP zich af waarom ervoor gekozen is dat alle overheidsinstellingen zouden moeten bijdragen aan de faillissementsvoorziening via het Uitvoeringsfonds terwijl slechts enkelen daarvan gebruik zullen kunnen maken. De ROP acht sectorale arrangementen voor deze voorziening als alternatief voor de voorziening via het Uitvoeringsfonds ook denkbaar, mits degenen die daarvoor kiezen niet tevens moeten meebetalen aan de voorziening via het Uitvoeringsfonds.

Het door de ROP aangedragen alternatief is voor de regering niet aanvaardbaar. De bezwaren van dat alternatief zijn de volgende:

• het Lisv zou afhankelijk worden van sectorale regelingen die buiten de invloedssfeer van het Lisv en de voor de WW verantwoordelijke bewindspersoon, de minister van SZW, tot stand worden gebracht en die tussentijds kunnen worden gewijzigd zonder dat Lisv en SZW daarop invloed kunnen uitoefenen;

• bij verschil van opvatting tussen het Lisv en de voor de sectorale regeling verantwoordelijke instantie over de vraag of die regeling voldoende zekerheid richting het Lisv biedt, kan niet altijd een instantie worden aangewezen die de knoop dient door te hakken.

In de opvatting van de regering zullen er na de invoering van het Uitvoeringsfonds voor de overheid geen sectorale regelingen voor faillissement meer behoeven te bestaan.

Een eventuele versmalling van het premiedraagvlak tot de B 3-lichamen die daadwerkelijk het faillissementsrisico lopen, acht de regering evenmin aanvaardbaar. Op de eerste plaats is een dergelijk draagvlak te smal. Op de tweede plaats levert een dergelijke aanpak naar verwachting veel discussies op over de vraag of een B 3-lichaam wel of niet tot de doelgroep moet worden gerekend. Dat zou kunnen uitmonden in een niet stabiele doelgroep met de negatieve effecten daarvan op het draagvlak. Op de derde plaats zouden faillissementen die daadwerkelijk optreden het draagvlak verder versmallen. Daardoor zou een vliegwieleffect in de vorm van meer faillissementen en verdere draagvlakversmalling kunnen optreden. Op de vierde plaats zou in de premie voor het Uitvoeringsfonds onderscheid moeten worden gemaakt tussen de werkgevers die een premieopslag voor deze voorziening kennen en de werkgevers die dat niet kennen. Dit leidt tot een verhoging van de uitvoeringslasten. Op de vijfde plaats zal een faillissement van een B 3-lichaam gemiddeld genomen een zeer marginaal effect op de premie voor het Uitvoeringsfonds hebben, zoals geschetst in paragraaf 10 van deze toelichting. Dit weegt niet op tegen de lasten van het apart moeten onderscheiden van deze doelgroep binnen de premie voor het Uitvoeringsfonds.

Deze argumenten overziende, handhaaft de regering zijn voorstel om via het Uitvoeringsfonds voor de overheid een door alle overheidswerkgevers gezamenlijk gedragen voorziening voor faillissement te realiseren.

De regering zou zich overigens kunnen voorstellen dat er argumenten aan te voeren zijn om B 3-lichamen, gelet op het faillissementsrisico dat zij lopen, niet onder te brengen bij de overheid maar bij de marktsector. Dat wil zeggen: onder het premiesysteem WW. Een dergelijke keuze zou tegemoet komen aan de opmerkingen van de ROP. Er zijn evenwel goede redenen waarom een dergelijke keuze op dit moment niet te maken is:

• indeling van B 3-lichamen naar de marktsector betekent indeling bij een andere SV-sector in verband met het wachtgeldfonds; op dit moment zijn de consequenties daarvan niet te overzien;

• het betekent verder dat een andere uitvoeringsinstelling dan de Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor Overheid en onderwijs (USZO) de uitvoerder van de WW zal moeten zijn; de consequenties daarvan zijn evenmin op dit moment bekend.

De regering is voornemens om de consequenties van het onder het premiesysteem WW brengen van B 3-lichamen nader te gaan onderzoeken met het oog op een op een later moment eventueel te nemen besluit over een dergelijke overgang van bedoelde lichamen.

Als de regering tot deze stap zou besluiten, dan zou die zeker niet per 1 januari 2001 kunnen worden geïmplementeerd. Ook dan zou een tijdelijke voorziening via het Uitvoeringsfonds voor de overheid noodzakelijk zijn.

De ROP onderkent de noodzaak van een buffer om tijdelijke liquiditeitsproblemen bij de betaling van de WW-uitkeringen in de aanloopfase van 2001 op te vangen, maar pleit ervoor deze buffer zo laag mogelijk vast te stellen. De suggestie om deze buffer via het geïntegreerd middelenbeheer in te vullen, wordt door de regering inderdaad overwogen (evenals trouwens andere opties). Verwezen wordt naar hetgeen hierover is opgemerkt in subparagraaf 4.3. van deze toelichting.

Omzetting van wachtgeldregelingen in WW-uitkering zal er toe leiden dat in een aantal gevallen na afloop van de WW-uitkering recht bestaat op nawettelijk wachtgeld. Tijdens deze nawettelijke periode is de werknemer niet verzekerd voor de ZW en de WAO. Op grond van de huidige (wachtgeld)regeling is er, gedurende de hele periode waarin recht op wachtgeld bestaat, wel sprake van WAO-verzekering. De ROP ziet dit als een beperking van het aansprakenniveau. De regering kan hierover het volgende opmerken. Tot 1 januari 2003 (het tijdstip van aanvang van fase 3 van OOW) blijft de wachtgelder WAO-verzekerd. Dat geeft de sociale partners de tijd om in de arbeidsvoorwaardelijke sfeer een vergelijkbare regeling voor het nawettelijk traject af te spreken.

De ROP verzoekt de wetgever tevens om handhaving van de ZW-verzekering na einde WW-uitkering. Opgemerkt wordt dat wachtgelders bij de overheid thans niet ZW-verzekerd zijn. Voor hen is dan ook geen sprake van een verslechtering in de rechtspositie als gevolg van de invoering van de WW. Voor invoering van de ZW-verzekering na einde WW-uitkering ziet de regering dan ook geen aanleiding. Dit onderdeel van het verzoek van de ROP om wettelijke regeling wijst de regering dan ook van de hand.

De door de ROP gevraagde verklaring van het verschil tussen enerzijds de hoogte van de uitgaven van het Uitvoeringsfonds en anderzijds de hoogte van de opbrengst van de pseudo-premie WW wordt gegeven in paragraaf 10 van deze toelichting. Kortheidshalve wordt daarnaar verwezen.

In het wetsvoorstel is geregeld dat de WW-uitkering wordt verhaald op de rechtsopvolger van de werkgever. Uitzondering op deze regel is de rechtsopvolger na faillissement. In die situatie wordt de WW-uitkering uit het Uitvoeringsfonds voor de overheid gefinancierd. In de oorspronkelijke bepaling ter zake in het wetsvoorstel was de mogelijkheid opgenomen om bij algemene maatregel van bestuur afwijkende regels te stellen. Die konden erop neerkomen dat bestaande sectorale garantieregelingen zouden voorgaan boven vergoeding uit het Uitvoeringsfonds. De ROP acht deze mogelijkheid ongewenst. Die zou er op neerkomen dat sectoren de kosten van die eigen regeling moeten dragen zonder vermindering van de premie voor het Uitvoeringsfonds. Naar aanleiding van het advies van de ROP is deze mogelijkheid uit het betreffende onderdeel van dit wetsvoorstel geschrapt.

Naar aanleiding van de problemen die de ROP aanvoert ten aanzien van de SV-sectorafbakening tussen marktsector en overheid (met name bij het bijzonder onderwijs), zal nader worden bezien of de Regeling indeling van het bedrijfs- en beroepsleven in sectoren op basis van de Osv 1997 moet worden gewijzigd. Dit betreft een onderwerp van lagere regelgeving en behoeft niet in dit wetsvoorstel te worden opgenomen.

De ROP merkt verder op dat de regering nog steeds geen beslissing heeft genomen over de herziening van het SV-premieloon op grond van de CSV. Op bladzijde 7 van de memorie van toelichting is aangegeven dat de daarvoor noodzakelijke regelgeving tot stand zal worden gebracht op basis van artikel 9, tiende lid, CSV. De ROP verzoekt hem op korte termijn inzicht te verschaffen per wanneer deze regelgeving tegemoet gezien kan worden.

De regelgeving op basis van artikel 9, tiende lid, van de CSV zal in de loop van het jaar 2000 tot stand worden gebracht. Deze regeling is nodig voor het handhaven van de deeltijdfactor. Zoals eerder is aangegeven, wordt er naar gestreefd de herziening van het SV-premieloon nog in deze kabinetsperiode zijn beslag te laten krijgen.

6.3. Advies Algemene Rekenkamer

De Algemene Rekenkamer heeft laten weten dat de invoering van de WW en de ZW voor het overheidspersoneel het volgende betekent voor haar taken en bevoegdheden krachtens de Comptabiliteitswet:

• de Rekenkamer zal bevoegd zijn tot het verrichten van rechtmatigheids- en doelmatigheidsonderzoek naar de uitvoering van en de uitgaven voor de WW en de ZW voor overheidspersoneel; het financieringssysteem WW en ZW voor de overheid levert daarvoor geen problemen op;

• de Rekenkamer zal met ingang van 1 januari 2001 niet meer bevoegd zijn ten aanzien van de bovenwettelijke regelingen op het terrein van WW en ZW van overheidspersoneel; de Rekenkamer dringt niet aan op handhaving van die bevoegdheid.

De conclusie van de Algemene Rekenkamer is dat zij kan instemmen met het wetsvoorstel.

6.4. Commentaar Lisv

Naar aanleiding van het Lisv- (alsook het Ctsv-)commentaar is de regeling met betrekking tot de uitvoeringskosten WW in het wetsvoorstel gewijzigd. In het aan het Lisv voorgelegde voorstel werden de uitvoeringskosten die betrekking hadden op het verstrekken van WW-uitkeringen gedeclareerd bij de individuele werkgever, andere uitvoeringskosten WW (bijvoorbeeld van een door de werkgever ingesteld bezwaar) werden uit het Uitvoeringsfonds betaald. Het Lisv heeft aangegeven dat splitsing van de uitvoeringskosten ingewikkeld zou worden en tot uitvoeringstechnische problemen zou leiden. Dit wordt ondersteund door het Ctsv. In het voorstel is nu opgenomen dat alle uitvoeringskosten WW, evenals die betreffende de ZW, uit het Uitvoeringsfonds voor de overheid worden betaald. De uitvoeringskosten worden opgebracht uit de door de overheidswerkgevers voor het Uitvoeringsfonds verschuldigde premie. Door deze wijziging is het niet nodig om nog in te gaan op de opmerkingen in het advies van de ROP over de uitvoeringskosten.

Het Lisv vraagt verder aandacht voor de risico's van het gelijktijdig onder de WW en de ZW brengen van de nieuwe en de bestaande gevallen. Het Lisv pleit voor een jaar uitstel ten aanzien van de bestaande gevallen.

De invoeringsdatum wordt vastgesteld bij inwerkingtredingsbesluit op basis van artikel 94 van de Wet OOW. Het advies van het Lisv is betrokken bij de in paragraaf 2 van deze toelichting vermelde besluitvorming van het kabinet tot fasering van de invoering. Dat geldt evenzeer voor de opmerkingen die de ROP, mede gelet op de recente uitkomsten van een pilotproject inzake de bestandsoverdracht vanuit de decentrale overheden naar de USZO, in haar advies maakt over de invoeringsdatum.

Het uitgangspunt bij de OOW-operatie is dat het totaal van wettelijke en bovenwettelijke aanspraken op het moment van de overgang gelijk dient te blijven. Dit impliceert dat verminderingen ten opzichte van het huidige niveau als gevolg van de invoering van de WW en de ZW moeten worden opgevangen in het bovenwettelijk deel. Het Lisv merkt op dat dit mogelijk zal leiden tot complexe afstemmingen tussen het bovenwettelijke en het wettelijke deel. De regels over behoud van aanspraken die zijn toegekend onder het wachtgeldstelsel en al dan niet behouden worden in de WW zijn thans globaal geformuleerd en vormen bij de conversie een potentiële bron voor discussie en bezwaar- en beroepszaken. Heldere en eenduidige regelgeving door middel van nadere ministeriële regels kan, volgens het Lisv, gewenst blijken. Hierop kan als volgt worden gereageerd.

In de Wet OOW is geregeld welke aanspraken in het wachtgeld kunnen worden behouden in de WW. In het onderhavige wetsvoorstel is deze regeling aangepast. De reden daarvoor was dat de bestaande regeling voor meer dan een uitleg vatbaar was. In de voorgestelde bepaling (artikel 36 van de Wet OOW) is de omschrijving van de voorwaarden waaronder bepaalde activiteiten en gedragingen onder de WW kunnen worden voortgezet aangescherpt. Naast een wijziging van de omschrijving is tevens een nieuwe bepaling opgenomen waarin een, niet limitatieve, opsomming wordt gegeven van activiteiten of gedragingen die niet de normale uitvoering van de wetten in de weg staan en die derhalve kunnen worden voortgezet. Met deze opsomming zijn de meest voorkomende gedragingen en activiteiten genoemd en wordt derhalve duidelijkheid geboden over de vraag of deze wel of niet met behoud van WW-uitkering kunnen worden voortgezet. Een volledig limitatieve opsomming kan niet worden gegeven. Onder de wachtgeldregelingen staat het werkgevers en werknemers veelal vrij om op individueel niveau afspraken te maken. Deze afspraken kunnen allerlei vormen aannemen. Een volledig overzicht daarvan bestaat niet. Het ligt dan ook niet voor de hand om ministeriële regels te introduceren nu andere afspraken eerst in de uitvoering zichtbaar zullen worden. Het steeds weer aanpassen van ministeriële regels wanneer dit zich voordoet is te inflexibel. Het ligt meer voor de hand dat het Lisv met uitvoeringsbeleid de uitvoering op dit punt reguleert.

Met betrekking tot de soepele overgang naar de OOW voor de «oude gevallen» kan het volgens het Lisv wenselijk zijn dat nadere regels worden gesteld met betrekking tot het moment waarop uiterlijk de rechten worden vastgesteld en de betalingen een aanvang nemen. Daarbij kan het noodzakelijk blijken dat werkgevers nog enige tijd de betalingen voortzetten tot het moment waarop de uitkering wordt gerestitueerd. Gelet op de in beginsel onbeperkte termijn waarbinnen «gevallen» kunnen worden aangemeld, zou in de wet een einddatum kunnen worden opgenomen voor de aanmelding om te voorkomen dat nog gedurende lange tijd «oude gevallen» moeten worden behandeld.

De regering heeft bewust besloten geen einddatum voor aanmelding in de wet op te nemen. De systeemwijziging die met de OOW voor overheidswerkgevers en werknemers wordt ingevoerd heeft onder andere als gevolg dat wachtgeld niet langer wordt aangemerkt als verzekerd loon in de zin van de WAO. Met andere woorden, de overheidswerknemer die recht heeft op wachtgeld is nu WAO-verzekerd uit hoofde van het ontvangen van wachtgeld, na 1 januari 2003 zal dit niet langer het geval zijn. De verzekering voor de WAO en de ZW zijn dan gekoppeld aan het ontvangen van WW-uitkering. Vanuit deze optiek hebben dus zowel werkgever als werknemer belang bij een tijdige aanmelding van de werknemer. In de praktijk zal het wel voorkomen dat een werknemer pas na langere tijd wordt aangemeld. Indien een einddatum in de wet zou worden opgenomen en de aanmelding zou daarna plaatsvinden dan zou een eventuele WW-uitkering niet meer (kunnen) worden vastgesteld en betaald. De werknemer is dan ook die gehele periode niet WAO/ZW-verzekerd, ook niet indien eventuele arbeidsongeschiktheid is ingetreden in een periode waarin de werknemer, bij tijdige aanmelding, wel verzekerd zou zijn geweest. Dit achten wij een te groot risico voor de werknemer.

De gekozen constructie met betrekking tot behoud van toestemming van bepaalde activiteiten en gedragingen voor inwerkingtreding na het van toepassing worden van de (ZW en de) WW is in de opvatting van het Lisv niet ideaal in geval de betrokkene alsnog in werk gaat hervatten en vervolgens de reguliere WW-regels van toepassing worden bij een volgende werkloosheid. Voor het alsdan nieuw ontstane WW-recht gelden de normale WW-verplichtingen wel. Dit kan onder andere een belemmerende factor zijn bij werkhervatting.

Nu het bij de overgang van wachtgeld naar WW om een systeemwijziging handelt waarbij bepaalde afspraken uit de wachtgeldperiode, die in de WW niet in die vorm of bij die werknemer zouden voorkomen, moeten worden gerespecteerd, is het onvermijdelijk dat, met name in de eerste periode na de overgang, enige spanning kan bestaan tussen die afspraken en de WW-uitvoering. Nu echter bij WW-uitkeringen toegekend na de overgang de normale WW-regels van toepassing zullen zijn, is dit een tijdelijk probleem.

De wet biedt geen duidelijkheid over het voortduren van de in artikel 91 van de OOW geregelde overgangsperiode waarin de werkzaamheden voor overheidswerkgevers door twee verschillende uitvoeringsinstellingen worden verzorgd. Het Lisv acht het wenselijk dat hierover tijdig inzicht wordt verschaft.

Bij de invoering van artikel 91 van de OOW is over de mogelijke einddatum van de overgangsperiode reeds aangegeven dat een datum gelegen na invoering van de WW voor overheidswerknemers voor de hand ligt aangezien toepassing van het overgangsrecht OOW dan kan plaatsvinden door de uitvoeringsinstelling van de overheidssector. Nu het kabinet heeft besloten tot gefaseerde invoering van de WW zal dit een datum zijn gelegen na 1 januari 2003, de datum waarop de bestaande wachtgelders onder de WW worden gebracht.

Daarnaast is van belang dat in afwachting van de herziening van het SV-premieloon de premies en de pseudo-premie WW ten aanzien van overheidswerknemers vooralsnog zullen worden vastgesteld door middel van de deeltijdfactor. Het ligt niet in de rede dat het USZO, voor de bij overheidswerkgevers werkzame (markt)werknemers, premie zou moeten gaan heffen volgens het marktsysteem, nu dit zou betekenen dat USZO een nieuw premiesysteem zou moeten ontwikkelen voor (mogelijk) een relatief korte periode. Er wordt naar gestreefd de herziening van het SV-premieloon nog deze kabinetsperiode gestalte te geven.

Verder hebben nog een aantal technische opmerkingen van het Lisv tot aanpassingen in het wetsvoorstel geleid.

6.5. Commentaar Ctsv

Het Ctsv voorziet geen problemen bij het toezicht als dit wetsvoorstel tot wet wordt verheven en in werking treedt. Het Ctsv geeft wel aan dat het feit dat in gevallen waarin sprake is van samenloop van een betrekking als overheidswerknemer met een betrekking in de marktsector, alle uitvoeringsinstellingen te maken kunnen krijgen met het Uitvoeringsfonds voor de overheid (inclusief declaraties bij de overheidswerkgevers) en het USZO te maken kan krijgen met het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf) en de wachtgeldfondsen, zekere risico's voor een juiste fondsbelasting meebrengt. Het Ctsv acht dit wel toezichtbaar. Het zal een aandachtspunt bij het toezicht worden.

Verder spreekt ook het Ctsv zorg uit over de splitsing van de uitvoeringskosten. Zoals al aangegeven in reactie op het Lisv-commentaar is de betreffende regeling in het wetsvoorstel daarop aangepast.

Het Ctsv pleit ervoor bij de anticumulatie van inkomsten op de uitkering bij samenloop van uitkeringsrechten de voorwaarde dat tenminste één uitkeringsrecht uit een overheidsdienstbetrekking moet zijn ontstaan te laten vervallen zodat de nieuwe bepaling kan worden toegepast in alle gevallen van samenloop van uitkeringsrechten.

Op grond van de voorgestelde regeling dienen de uitvoeringsinstellingen in elk geval van samenloop van uitkeringen uit de markt en de overheid nader onderzoek te verrichten om te bepalen welke volgorde wordt aangehouden bij anticumulatie van inkomsten. Dit is voor de uitvoering arbeidsintensief en zal kostenverhogend werken. Dit zou nog (veel) sterker het geval zijn indien in alle gevallen van samenloop een volgorde voor vermindering zou moeten worden vastgesteld.

De extra belasting voor de uitvoering is te rechtvaardigen bij samenloop met uitkeringen uit de overheid in verband met het voor de overheidssectoren gekozen financieringsregime.

De overheidswerkgever heeft er als eigen risicodrager een direct financieel belang bij dat inkomsten die sterk samenhangen met de door hem betaalde uitkering ook in mindering worden gebracht op die uitkering. Dit is bijvoorbeeld het geval indien de werknemer voor minder dan vijf uur hervat bij de werkgever die de lasten van één van de WW-uitkeringen draagt.

Bij samenloop van marktuitkeringen is er geen direct financieel belang voor individuele werkgevers. De uitkeringen worden gedurende de eerste zes maanden betaald uit de wachtgeldfondsen en voor het overige uit het AWf. Bij samenloop van uitkeringen in de markt is er dus alleen enig financieel belang in de toerekening naar de fondsen. Bij samenloop van marktuitkeringen is gebruikelijk dat, voor de fondsbelasting, de inkomsten naar evenredigheid op de verschillende uitkeringen in mindering worden gebracht. Ieder fonds zal daarbij zowel voordeel als nadeel ondervinden.

Naar aanleiding van het Ctsv-commentaar zijn nog enige technische en redactionele wijzigingen aangebracht.

7. Verantwoordelijkheid en opdrachtgeverschap invoering WW/ZW voor overheidspersoneel

7.1. Inleiding

Bij het onder de WW en de ZW brengen van het overheidspersoneel zijn meerdere partijen betrokken, met ieder hun eigen verantwoordelijkheid, inhoudelijk of procedureel. In deze paragraaf wordt een overzicht daarvan gegeven.

7.2. Verantwoordelijkheid BZK voor invoering WW/ZW

De minister van BZK is als coördinerend bewindspersoon primair verantwoordelijk voor de regeringsbeleid van normalisering van de arbeidsvoorwaarden van het overheidspersoneel. De minister van BZK is verantwoordelijk voor de totstandkoming van het koninklijk besluit, houdende de vaststelling van de inwerkingtredingsdatum van de WW en ZW voor overheidspersoneel, en voor de wijzigingen daarvan.

Daarnaast is deze minister verantwoordelijk voor het invoeringsrecht bij of krachtens de Wet OOW met betrekking tot de toepassing van de WW en de ZW ten aanzien van de bestaande uitkeringsgerechtigden in de overheidssectoren in verband met ziekte en werkloosheid.

7.3. Verantwoordelijkheid SZW en Lisv voor uitvoering WW/ZW

Staatssecretaris Hoogervorst van SZW heeft het Lisv bij brief van 12 mei 1999 gevraagd het opdrachtgeverschap voor de voorbereiding van de uitvoering van de WW en ZW voor het overheidspersoneel op zich te nemen en de voorbereiding van de uitvoering van de WW/ZW op te dragen aan een uitvoeringsinstelling. De opdracht tot voorbereiding van de invoering van de WW en ZW voor overheidspersoneel is begin juni 1999 door het Lisv verleend aan de USZO. De USZO voert momenteel de WAO uit voor de overheidswerknemers.

Ingevolge de Osv 1997 is het Lisv wat zijn taakvervulling betreft verantwoording verschuldigd aan de minister van SZW en valt het onder het toezicht van het Ctsv. Dat geldt ook voor de onderhavige taak. De genoemde verantwoordelijkheid van het Lisv betekent dat de eindverantwoordelijkheid voor de voorbereiding op de uitvoering van de WW en ZW voor overheidspersoneel in handen is van de minister van SZW. Ook is de minister van SZW verantwoordelijk voor eventuele ondersteunende regelgeving in de sfeer van de werknemersverzekeringen.

7.4. Verantwoordelijkheid inzake de bovenwettelijke regelingen

De huidige aanspraken bij werkloosheid van het overheidspersoneel gaan wat hoogte of duur betreft veelal uit boven de WW-aanspraken. De OOW-operatie is ingezet onder de garantie dat het totale niveau van de aanspraken op het moment van de overgang als gevolg van de invoering van OOW niet zou verslechteren. Dit, met instandlating van de bevoegdheid van de sociale partners om hun eigen afspraken te maken over dat niveau.

De sociale partners in de sectoren zijn zelf verantwoordelijk voor de tijdige totstandkoming van bovenwettelijke regelingen. De sectorwerkgevers zijn verder zelf verantwoordelijk voor een tijdige voorbereiding van de uitvoering van die bovenwettelijke regelingen. Tevens zijn zij verantwoordelijk voor de uitvoerbaarheid van de bovenwettelijke regelingen in combinatie met de WW en ZW. Ook de afstemming op tussentijdse wijzigingen van de bestaande regelingen is een onderwerp waarvoor zij zelf verantwoordelijk zijn.

Verantwoordelijk voor de coördinatie van het bovenwettelijke traject is de minister van BZK. Dit betreft een procedurele verantwoordelijkheid (bewaking van de voortgang) en niet een inhoudelijke verantwoordelijkheid.

7.5. Coördinatie wettelijk-bovenwettelijk via Regiegroep

Een ambtelijke Regiegroep stuurt het proces van voorbereiding, zowel met betrekking tot de wettelijke als de bovenwettelijke regelingen. De Regiegroep staat onder voorzitterschap van SZW. Het Lisv, het Ctsv, het ministerie van BZK en een vertegenwoordiging van de sectorwerkgevers en de centrales van overheidspersoneel maken deel uit van de Regiegroep.

8. Financiering voorbereiding WW/ZW

8.1. Inleiding

Deze paragraaf handelt over de met de invoering van de OOW-operatie verband houdende kosten. Daarbij wordt, vanwege de gefaseerde invoering van de OOW, onderscheid gemaakt tussen de voorbereiding en invoering van de WAO (tot en met 1998) en de voorbereiding en invoering van de WW en de ZW (vanaf 1999).

8.2. Financiering tot en met 1998

De voorbereiding en invoering van de WAO zijn ingaande 1 januari 1998 afgerond. Zoals gemeld in de brief aan de Tweede Kamer van 12 mei 1998 (Kamerstukken II 1997/98, 24 706, nr. 23) is dit in de ogen van de regering een goed moment om de eerste fase van de begroting van de invoeringsuitgaven OOW/USZO en de realisatie daarvan af te sluiten. Naar aanleiding daarvan is in de brief aan de Tweede Kamer van 22 november 1999 (Kamerstukken II 1999/2000, 24 706, nr. 25) inzage gegeven in de besteding van die uitgaven. Kortheidshalve wordt op deze plaats naar die brief verwezen.

8.3. Financiering vanaf 1999

Ter zake van de wijze van financiering van de invoeringsuitgaven WW/ZW in de periode 1999 – 2001 (zowel met betrekking tot de wettelijke als de bovenwettelijke regelingen) heeft de regering besloten op de volgende wijze de invoeringsuitgaven WW/ZW voor de overheid te financieren.

Sinds 1 januari 1998 houdt de USZO op grond van artikel 90 van de Wet OOW WW-premies (zowel werkgevers- als werknemersdeel) in op de WAO-uitkeringen van (gewezen) overheidswerknemers. Dat gebeurt om het bruto/netto-traject van uitkeringsgerechtigden te uniformeren met dat van werknemers.

Aangezien de overheid niet deelneemt in het premiesysteem WW, worden deze WW-premies wel ingehouden maar niet afgedragen aan de fondsen van de WW. Genoemde premies worden gestort in het Aof en via een verrekening met de basispremie WAO ten gunste van de overheidswerkgevers gebracht. Voor deze aanpak is destijds gekozen om enerzijds voor alle WAO-ers een gelijk bruto/netto-traject te scheppen en anderzijds de opbrengsten van de WW-premies ten gunste te laten komen van degenen die de werkloosheidslasten dragen. In geval van de overheid is dat niet het AWf, maar zijn dat de overheidswerkgevers.

De regering heeft besloten de opbrengst van deze WW-premies over WAO-uitkeringen van (gewezen) overheidswerknemers tijdelijk te gebruiken om de invoeringsuitgaven WW/ZW voor de overheid te financieren.

De bestemming van de opbrengst van deze WW-premieheffing (in artikel 90 van de Wet OOW) moet dan wel tijdelijk voor dit doel worden gewijzigd. Dit, tijdelijk voor zolang nodig, in verband met de financiering van deze invoeringsuitgaven. De bestemmingswijziging vergt wijziging van artikel 90 van de Wet OOW. Een daartoe strekkend wetsvoorstel is 28 maart 2000 bij de Tweede Kamer aanhangig gemaakt (kamerstukken II 1999/2000, 27 056).

9. Invoeringsdatum in relatie tot uitvoeringsaspecten

Het koninklijk besluit tot vaststelling van de datum waarop de WW en de ZW voor de overheid van kracht worden (in concreto de datum van 1 januari 2001), is op voordracht van de minister van BZK door de Koningin getekend en gepubliceerd in het Staatsblad 1999, 354. Het nu reeds treffen van dat besluit was bedoeld om een signaal richting de uitvoeringsorganisatie af te geven. Zoals vermeld in paragraaf 2 van deze toelichting, heeft het kabinet inmiddels besloten tot een gefaseerde invoering van de WW en de ZW voor de overheid. Het inwerkingtredingsbesluit van de Wet OOW zal dienovereenkomstig worden gewijzigd.

De procedurele afstemming en bewaking van de voorbereidingsactiviteiten van de bij de wettelijke en de bovenwettelijke regelingen betrokken partijen geschiedt via de Regiegroep. De Regiegroep rapporteert aan de minister van BZK, die verantwoordelijk is voor de beslissing om de invoering uiteindelijk wel of niet door te laten gaan op het geplande tijdstip.

Uiteraard zal invoering alleen kunnen plaatsvinden als dat uitvoeringstechnisch verantwoord is. De regering heeft hiermee rekening gehouden door verschillende momenten te scheppen waarop een formeel besluit over de invoering kan worden genomen:

– nu een koninklijk besluit om de invoeringsdatum vast te leggen t.b.v. de uitvoeringsorganisatie;

– op een later moment de mogelijkheid om, voorzover noodzakelijk, de invoeringsdatum in het eerdere koninklijk besluit bij koninklijk besluit aan te passen; in dit verband is de eerder genoemde fasering van nieuwe en oude gevallen aan de orde.

10. Financiële gevolgen

10.1. Inleiding

Uitgangspunt bij de OOW is dat de invoering van de ZW en WW voor het overheidspersoneel in totaliteit beoordeeld op het moment van overgang wat aanspraken betreft neutraal zal verlopen. Eind 1998 ging er op macroniveau naar schatting circa 2,2 mld gulden om in de werkloosheids- en ontslaguitkeringsregelingen van het overheidspersoneel. Een ruwe schatting is dat circa 2/3e deel daarvan overeenkomt met de WW-lasten (in 1998 derhalve naar schatting circa 1,4 mld). Uitgaande van een in totaliteit neutrale omzetting naar de WW en bovenwettelijke regelingen wordt verondersteld dat het onderhavige voorstel op zichzelf niet zal leiden tot hogere of lagere uitkeringslasten.

Wel brengt de invoering van de ZW en WW voor overheidspersoneel een verschuiving van financieringsstromen met zich mee. Deze hangen samen met het feit dat de overheid eigenrisicodrager voor de WW wordt alsook met de oprichting van het Uitvoeringsfonds voor de overheid.

De schatting van de diverse financiële gegevens in deze paragraaf is op sommige punten nog met de nodige onzekerheid omgeven omdat er voor nieuwe regelingen nog weinig ervaringsgegevens beschikbaar zijn of omdat de gegevens tot nu toe bij de overheid niet centraal geregistreerd worden. In dat geval (zoals bij de ZW) zijn de schattingen gebaseerd op ervaringsgegevens uit de marktsector. De definitieve bedragen zullen worden vastgesteld bij de vaststelling van de begroting en de premie voor het Uitvoeringsfonds voor de overheid voor het jaar 2001.

10.2. De geraamde uitgaven uit het Uitvoeringsfonds

Vangnetlasten ZW

De vangnetlasten ZW waarvoor iedere overheidswerkgever nu eigenrisicodrager is, zullen voortaan uit het Uitvoeringsfonds voor de overheid betaald worden en via een premie gefinancierd worden. De premiegrondslag van de overheid in totaliteit bedraagt ongeveer 61 mld gulden (raming voor 2001).

Uit het Uitvoeringsfonds voor de overheid zullen ten laste van de premie de vangnetlasten ZW voor overheid worden gefinancierd, te weten:

• uitkeringen i.v.m. zwangerschap en bevallingsverlof; voorlopig geraamde omvang voor 2001: 246,5 mln gulden;

• ziektewetuitkeringen aan ex werknemers met WW uitkering; voorlopig geraamde omvang voor 2001: 92 mln gulden;

• overig (orgaandonoren, nawerking; voorlopig geraamde omvang) voor 2001: 7,5 mln gulden;

• sociale lasten; voorlopig geraamde omvang voor 2001: 38 mln;

• de uitvoeringskosten van de vangnet ZW; voorlopig geraamde omvang voor 2001: 27 mln gulden.

De voorlopig geraamde totale vangnetlasten ZW voor 2001 bedragen daarmee inclusief uitvoeringskosten naar schatting 411 mln gulden. Dit betreft lasten waarvoor de overheidswerkgevers thans eigenrisicodrager zijn.

De uitvoeringskosten van de ZW zijn vergelijkbaar met de kosten die nu door de uitvoeringsinstellingen in het kader van de uitvoering van de werknemersverzekeringen worden gemaakt. Het betreft kosten voor premieinning, claimafhandeling, handhaving, registratie en arbeidstoeleiding. Uitgaande van de huidige kostenverhouding bij de werknemersverzekeringen zouden de uitvoeringskosten circa 8% bedragen van de verwachte uitkeringslasten (de geraamde 27 mln gulden).

Regelingen die uit het Uitvoeringsfonds worden betaald ten laste van de premie

Daarnaast zal een aantal regelingen die in de marktsector uit het AWf worden gefinancierd, via het Uitvoeringsfonds worden gefinancierd ten laste van de premie. Deze lasten zullen via een opslag op de premie worden gefinancierd:

• De uitvoeringskosten van de WW volgens de door het Lisv vastgestelde referentieprijzen en -produkten, met een geschatte omvang van circa 150 mln gulden vanaf 2003;

• een bijdrage aan het Reïntegratiefonds (REA-fonds) ter grootte van naar schatting 76 mln gulden.

Voor de raming van de uitvoeringskosten WW is gekeken naar de gemiddelde uitvoeringslast per WW-uitkering in de marktsector.

De uitvoeringskosten WW voor de overheidswerknemers zijn weliswaar niet geheel vergelijkbaar met de kosten die nu door de uitvoeringsinstellingen worden gemaakt bij de uitvoering van de werknemersverzekeringen, omdat er geen sprake zal zijn van wachtgeldfondsvorming, en uitkeringen via declaraties aan werkgevers worden gefinancierd. Het eerste element zal kostenverlagend uitpakken, het tweede element kostenverhogend. Per saldo wordt ingeschat dat het verschil in financieringsstelsel geen overwegende invloed zal hebben op de uitvoeringslasten.

Op basis van de gemiddelde uitvoeringslasten per geval in de marktsector worden de kosten van de uitvoering van de WW voor de overheid vooralsnog geraamd op circa 150 mln gulden vanaf 2003. Vanwege de gefaseerde invoering van de WW (in 2001 en 2002 vooralsnog uitsluitend de nieuwe gevallen), is in 2001 en 2002 sprake van een ingroeitraject waarbij pas vanaf 2003 het genoemde niveau van lasten zal worden bereikt. De uitvoeringskosten in 2001 worden aldus geraamd op 12 mln en in 2002 op 36 mln.

Het REA-fonds wordt vanuit de markt zowel gefinancierd via bijdragen uit de arbeidsongeschiktheidsregelingen (met uitzondering van de Wajong want die regeling kent geen fonds) als uit het AWf (WW-deel). De overheid draagt thans alleen bij via de arbeidsongeschiktheidsfondsen (het Aof) , maar niet via het AWf. De reïntegratie-instrumenten die voortvloeien uit de WW en de ZW zijn dan ook op dit moment niet beschikbaar voor overheidswerknemers en overheidswerkgevers. Doordat de overheidswerknemers ingevolge het voorliggende voorstel onder de ZW en WW gebracht worden, komen daarmee ook reïntegratie-instrumenten die voortvloeien uit de WW en de ZW, zoals ZW-uitkeringen aan gereïntegreerde en wegens ziekte wederom uitgevallen arbeidsgehandicapten (op grond van artikel 29b van de ZW) en de (WW-uitkering vervangende) reïntegratie-uitkering bij proefplaatsing of scholing, beschikbaar voor overheidswerknemers en overheidswerkgevers. Omdat de overheid niet bijdraagt via het AWf is er voor gekozen de bijdrage te laten lopen via het Uitvoeringsfonds. De bijdrage vanuit ieder fonds is volgens de geldende verdeelsleutel op basis van de REA gerelateerd aan de omvang van de uitgaven uit het fonds. De bijdrage van het Uitvoeringsfonds komt volgens die verdeelsleutel op 76 mln gulden.

Faillissementsuitkeringen en niet-verhaalbare WW-uitkeringen

Uit het Uitvoeringsfonds zullen verder ten laste van de premie de uitgaven in verband met faillissementsuitkeringen krachtens hoofdstuk IV van de WW worden bekostigd, alsook de lasten van de WW-uitkeringen die niet op een overheidswerkgever of diens rechtsopvolger kunnen worden verhaald (i.v.m. betalingsonmacht). Het faillissementsrisico wordt zodanig laag ingeschat dat het effect op de premie verwaarloosbaar is. Het gaat om (op dit moment) 558 B 3-lichamen, waarbij gemiddeld 140 werknemers in dienst zijn. Indien een in omvang gemiddeld B 3-lichaam failliet zou gaan, zou dit leiden dit tot ruim 4 mln gulden extra WW-lasten. Dit zou een effect op de premie voor het Uitvoeringsfonds hebben van 0,007 procentpunt.

Regelingen die uit het Uitvoeringsfonds worden betaald anders dan ten laste van de premie

Daarnaast is er een aantal regelingen dat via het Uitvoeringsfonds zal worden gefinancierd, doch niet ten laste van de premie:

• de verhaalbare WW-uitkeringen;

• de kosten in verband met sluitende aanpak WW;

• de kosten van de Wet financiering loopbaanonderbreking (Finlo).

Zoals opgemerkt in paragraaf 4.3., worden de WW-uitkeringen, hoewel de overheid eigenrisicodrager zal zijn, betaald via het Uitvoeringsfonds. Van het totaal bedrag aan wachtgelden van 2,2 miljard (schatting voor 1999) heeft naar schatting 1,4 mld gulden betrekking op het wettelijke deel. De rest (circa 0,8 mld gulden) is aldus bezien bovenwettelijk. Gelet op volumedalingen, wordt de programmalast ter zake van werkloosheid voor de overheid voor het jaar 2003 geschat op circa 2 mld gulden, waarvan (uitgaande van een ongewijzigde verdeelsleutel wettelijk – bovenwettelijk) circa 1,3 mld het wettelijk deel (WW) zou betreffen. Vanwege de gefaseerde invoering van de WW, wordt de programmalast WW in 2001 voorlopig geraamd op circa 120 mln (uitgaande van circa 3 200 WW-uitkeringen bij de overheid in dat jaar) en in 2002 op circa 360 mln (uitgaande van circa 10 000 WW-uitkeringen bij de overheid). De kosten van het wettelijk deel worden direct (maandelijks) gedeclareerd bij de overheidswerkgever.

De financiering van de kosten van de sluitende aanpak voor overheidswerknemers verschuift alleen. Nu is een budget, gefinancierd door een rijksbijdrage beschikbaar via Arbeidsvoorziening. Na de invoering van de WW voor overheidswerknemers komt de verantwoordelijkheid voor de sluitende aanpak WW t.a.v. overheidswerknemers bij het Lisv te liggen. De bekostiging verloopt via het Uitvoeringsfonds. De lasten van de sluitende aanpak worden ook bekostigd via een rijksbijdrage aan het Uitvoeringsfonds.

Ten aanzien van de Finlo wordt het volgende opgemerkt. De bestaande rijksbijdrage voor de financiering daarvan wordt voortgezet voor de op 31 december 2000 bestaande gevallen van de Finlo bij de overheid. De op of na 1 januari 2001 intredende gevallen zullen worden gedeclareerd bij de betreffende (ex-) overheidswerkgever. Daarvoor is gekozen omdat die werkgever voordeel heeft van de besparing op de WW-uitkering als gevolg van de Finlo.

Totaal uitgaven via het Uitvoeringsfonds

Het totaal aan uitgaven via het Uitvoeringsfonds (inclusief de voor eigenrisico komende WW-uitkeringen) wordt voorlopig geraamd op circa2 mld gulden. Vanwege de gefaseerde invoering van de WW zal dat niveau pas vanaf 2003 worden bereikt.

Aansluiting op sectorale financieringsarrangementen

Met het oog op de aansluiting op de sectorale financieringsarrangementen, zal nader worden bezien of en, zo ja, in hoeverre het mogelijk is om de verschillende kostenposten waaruit deze uitgaven zijn opgebouwd, in de cijfermatige opstellingen (zoals de begroting en de jaarrekening) te onderscheiden. Dit is een zaak voor de fondsbeheerder, het Lisv.

10.3. De inkomsten van het Uitvoeringsfonds

De inkomsten van het fonds vallen uiteen in drie categorieën.

Premiebaten

Een deel van de lasten wordt premiegefinancierd. De premie wordt betaald door de overheidswerkgever zonder mogelijkheid van verhaal op de overheidswerknemer.

De premiegefinancierde lasten bedragen in 2001 naar schatting circa 640 mln gulden.

Tevens zullen de WW-premies over arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in het Uitvoeringsfonds worden gestort.

Overheidswerkgevers dragen WW-premies af over arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Aangezien de overheidswerkgevers de WW niet financieren via het AWf, werden deze premiebaten in de arbeidsongeschiktheidsfondsen gestort. Nu zullen deze premiebaten gestort worden in het Uitvoeringsfonds, waardoor deze baten via een verlaging (werkgevers)premie voor het uitvoeringsfonds ten gunste van de overheidswerkgevers zullen komen.

Uitgaande van een premieplichtig inkomen van 61 mld gulden resulteert dat in een premie van naar schatting 0,87% van de premiegrondslag. Als premiegrondslag zal het WAO-premieloon worden gehanteerd.

Declaraties

De WW-uitkeringen worden rechtstreeks gedeclareerd bij de werkgever. Het totaal aan WW-uitkeringen en daarmee aan declaraties dat per jaar via het fonds loopt wordt geraamd op 1,3 mld gulden vanaf 2003.

Het Uitvoeringsfonds staat garant voor de uitbetaling van de uitkeringen. Om te voorzien in de liquiditeitsbehoefte van het fonds zal de premie-inning en declaratieritme nauwkeurig moeten worden afgestemd met het betalingsritme van de uitkering. In paragraaf 4.3. van deze toelichting is reeds ingegaan op de liquiditeitsbehoefte van het fonds bij de aanvangssituatie.

Rijksbijdragen

Het Uitvoeringsfonds ontvangt een rijksbijdrage voor de kosten i.v.m. sluitende aanpak.

10.4. Overige financiële effecten

Inhouding inzake werkloosheid op loon actieven

Tegenover het voor eigenrisico nemen van de WW-lasten en de voor eigen rekening komende bovenwettelijke uitkeringen (tezamen naar schatting 2,2 mld gulden volgens berekeningen uit 1999), staat dat de werkgever op het loon van de verplicht verzekerde overheidswerknemer in actieve dienst de zogenaamde pseudo-premie WW mag blijven inhouden (met een totale omvang van naar schatting (uit 1999) van 1,8 mld gulden). Deze inhouding blijft wat hoogte betreft gelijk aan de werknemerspremie AWf in de marktsector. De pseudo-premie WW is en blijft een inhouding die bedoeld is om het bruto/netto-traject van de overheidswerknemers zoveel mogelijk gelijk te maken aan dat van werknemers in de marktsector. De pseudo-premie WW heeft dan ook geen directe relatie met de daadwerkelijke omvang van de werkloosheidslasten van de overheid.

Premieheffing over uitkeringen

Het Uitvoeringsfonds ontvangt tevens WW-premies over WW- en ZW-uitkeringen aan (gewezen) overheidswerknemers. De premiehoogte is gelijk aan de werknemerspremie AWf.

De WW-premies over ZW- en WW-uitkeringen vormen voor het Uitvoeringsfonds zowel inkomsten als uitgaven. Deze premieheffing leidt dus niet tot geldstromen uit of in het Uitvoeringsfonds.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel I. Wijziging Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen

Onderdelen A en E

In de afdelingen 1 en 2 van paragraaf 2 wordt het overgangsrecht met betrekking tot de ZW geregeld voor overheidswerknemers, met uitzondering van beroepsmilitairen, respectievelijk voor beroepsmilitairen. Aangezien beide afdelingen inhoudelijk niet van elkaar verschillen en afdeling 1 zonder meer toepasbaar is op beroepsmilitairen en gewezen beroepsmilitairen indien artikel 2 vervalt, kan afdeling 2 van paragraaf 2 vervallen onder het gelijktijdig vervallen van artikel 2, zoals dat thans luidt. Met het aldus integreren van het overgangsrecht voor overheidswerknemers en beroepsmilitairen is er geen reden om artikel 10 van de Wet OOW nog in een aparte afdeling opgenomen te laten zijn.

Onderdeel B

Bij de toepassing van artikel 3, eerste lid, van de Wet OOW is van belang de datum waarop de ZW van toepassing wordt op de overheidswerknemer of de gewezen overheidswerknemer, bedoeld in dat lid. Het tijdstip van het van toepassing worden van de ZW voor de overheidswerknemers, die op het tijdstip van aanvang van fase 2, bedoeld in artikel 48 van de Wet OOW, een arbeidsverhouding hebben, volgt uit het Faseringsbesluit overheidswerknemers onder de Ziektewet en de Werkloosheidswet (hierna: het Faseringsbesluit). Voor degenen die op dat tijdstip gewezen overheidswerknemer zijn is dat van toepassing worden van de ZW thans nog niet geregeld. In dit onderdeel wordt dat – uiteraard voorzover het overgangsrecht van belang kan zijn voor de betrokken groepen gewezen overheidswerknemers – alsnog geregeld in artikel 2 van de Wet OOW. De huidige tekst van dat artikel kan immers vervallen (zie de toelichting op de onderdelen A en E). De groepen opgesomd in het voorgestelde artikel 2 zijn overgenomen uit artikel 4, eerste lid, van de Wet OOW, dat op grond hiervan redactioneel kan worden aangepast (zie onderdeel D).

Onderdeel C, onder 1

Per het tijdstip van aanvang van fase 2, bedoeld in artikel 48 van de Wet OOW, zal, op grond van het Faseringsbesluit, de arbeidsverhouding van de overheidswerknemer niet langer zijn uitgezonderd van het begrip dienstbetrekking in de zin van de ZW. Dit met uitzondering van de overheidswerknemers die op dat tijdstip recht heeft op bezoldiging of uitkering wegens ziekte. Diens arbeidsverhouding wordt – op grond van het Faseringsbesluit – per het tijdstip waarop de bezoldiging of uitkering wegens ziekte eindigt, doch in ieder geval per het tijdstip van aanvang van fase 3, bedoeld in artikel 49 van de Wet OOW – niet langer uitgezonderd van het begrip dienstbetrekking in de zin van de ZW. Aangezien het Faseringsbesluit gebaseerd is op artikel 8b van de ZW en artikel 7 van de WW – en niet op de Wet OOW – is in die situatie geen sprake van het voldoen aan het in artikel 3, eerste lid, van de Wet OOW opgenomen van toepassing worden van de ZW «ingevolge deze wet». Omdat artikel 3, eerste lid, evenwel ook van toepassing dient te zijn in de situatie dat de ZW van toepassing wordt op grond van het Faseringsbesluit wordt dat artikel hierbij aangepast.

Onderdeel C, onder 2

Voor de gewezen overheidswerknemers die onder het vierde lid van het hierbij voorgestelde artikel 2 van de Wet OOW vallen – de zogeheten situaties van nawerking – wordt in het hierbij voorgestelde nieuwe tweede en derde lid van artikel 3 van de Wet OOW geregeld dat de verplichte verzekering, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, geacht wordt te hebben geduurd tot de datum waarop het dienstverband is geëindigd respectievelijk de datum waarop het recht op wachtgeld is geëindigd. Daarmee wordt aangesloten bij de systematiek van de ZW.

Onderdeel C, onder 3

In dit subonderdeel wordt de tekst van het nieuwe vierde lid van artikel 3 aangepast aan het tussenvoegen van het nieuwe tweede en derde lid.

Onderdeel D

Het hier voorgestelde onderdeel betreft een technische aanpassing van artikel 4, eerste lid, van de Wet OOW. Met de opsomming in artikel 2 van de Wet OOW van de verschillende groepen waarop de ZW op grond van het overgangsrecht Wet OOW van toepassing wordt, hoeven deze groepen niet wederom in artikel 4, eerste lid, van die wet te worden opgesomd. Met ingang van de datum waarop de ZW op hen van toepassing wordt, hebben de gewezen overheidswerknemers, bedoeld in artikel 2, eerste tot en met derde lid, van de Wet OOW recht op ziekengeld op grond van de ZW (artikel 4, eerste lid, onderdeel a). De duur van dat ziekengeld wordt bepaald in artikel 4, tweede tot en met vierde lid, van de Wet OOW.

Voor de gewezen overheidswerknemers, bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Wet OOW geldt dat, op het moment dat – op grond van dat artikellid – de ZW van toepassing wordt, artikel 46 van de ZW het ontstaan van het recht op ziekengeld regelt. Dat hoeft dus niet in artikel 4, eerste lid, te worden geregeld. Ook worden de duur van de uitkering en de hoogte daarvan vastgesteld aan de hand van de ZW en de daarop gebaseerde regels (bijvoorbeeld de dagloonregels).

Met betrekking tot degenen op wie de ZW met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 2, bedoeld in artikel 48 van de Wet OOW, van toepassing wordt, geldt, dat als zij op of na dat tijdstip ziek worden, de ZW op hen van toepassing is. Het ontstaan van het recht op ziekengeld hoeft voor hen derhalve niet in artikel 4 van de Wet OOW te worden geregeld.

Wel wordt een regeling getroffen voor de situatie dat de overheidswerknemer (met een arbeidsverhouding) op het tijdstip van aanvang van fase 2, bedoeld in artikel 48 van de Wet OOW, recht heeft op bezoldiging of uitkering in geval van ziekte in verband met zwangerschap of bevalling. Diens arbeidsverhouding wordt – op grond van het Faseringsbesluit – per het tijdstip waarop de bezoldiging of uitkering wegens ziekte eindigt, doch in ieder geval per het tijdstip van aanvang van fase 3, bedoeld in artikel 49 van de Wet OOW – niet langer uitgezonderd van het begrip dienstbetrekking in de zin van de ZW. Indien het laatstbedoelde tijdstip van aanvang van fase 3 gelegen is voor het tijdstip waarop de bezoldiging of uitkering wegens ziekte zou eindigen, ontstaat recht op ziekengeld in de situatie waar dat ook het geval is voor de werknemer met een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht (het voorgestelde artikel 4, eerste lid, onderdeel b). De duur van dat ziekengeld wordt bepaald in artikel 4, tweede tot en met vierde lid, van de Wet OOW.

Onderdeel F

Artikel 10 wordt hierbij redactioneel aangepast aan de overige wijzigingen in paragraaf 2 van de Wet OOW.

Onderdeel G

Met dit onderdeel wordt een onjuiste verwijzing in artikel 15, tweede lid, van de Wet OOW gecorrigeerd.

Onderdeel H

Dit onderdeel betreft een redactionele wijziging van artikel 22, eerste lid, onderdelen c en d, van de Wet OOW.

Onderdeel I

In hoofdstuk 1 van de Wet OOW wordt de term ZW gehanteerd voor de Ziektewet (zie ook artikel 1, onderdeel x, van de Wet OOW). Met het onderhavige onderdeel wordt artikel 23 daarop aangepast.

Onderdeel J

Artikel 25, eerste lid, wordt hierbij redactioneel aangepast aan de wijzigingen die met onderdeel E worden aangebracht.

Onderdeel K

In artikel 26, tweede lid, van de Wet OOW wordt met de term «datum» verwezen naar de – in dat lid opgenomen – term «tijdstip van aanvang van fase 1 van die wet». Met dit onderdeel wordt de term «datum» in dat artikellid vervangen door de term «tijdstip» teneinde de verwijzing zo helder mogelijk te maken.

Onderdeel L

Hetgeen in de toelichting op onderdeel C, onder 1, is opgemerkt met betrekking tot de wijziging van artikel 3, eerste lid, geldt mutatis mutandis voor de wijziging van artikel 30, eerste lid.

Onderdeel M

In artikel 31, eerste lid, is geregeld dat de gewezen overheidswerknemer die op de dag voorafgaande aan het tijdstip waarop de WW op hem van toepassing wordt in het genot is van wachtgeld, vanaf dat tijdstip recht heeft op WW-uitkering indien het recht op WW-uitkering zou voortduren na dat tijdstip. Voor de gewezen overheidswerknemer die in het genot is van wachtgeld, maar op wie op het tijdstip waarop de WW op hem van toepassing wordt een omstandigheid als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de WW van toepassing is, die zou leiden tot een gehele beëindiging van een op grond van dat lid te ontstaan recht op WW-uitkering, wordt niet voldaan aan de voorwaarde dat het recht op WW-uitkering zou voortduren. In die situatie ontstaat derhalve geen recht op WW-uitkering. Het ligt alsdan wel in de rede dat dat recht op WW-uitkering kan ontstaan overeenkomstig hetgeen reeds geregeld is voor de situatie dat op de dag voorafgaande aan het tijdstip waarop de WW van toepassing wordt geen wachtgeld wordt genoten in verband met een omstandigheid als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onderdeel a, b, c of d, van de WW. Het onderhavige onderdeel voorziet daarin.

Onderdeel N

De term «ten minste» in artikel 32, tweede lid, van de Wet OOW heeft geen functie en kan vervallen. De periode bedoeld in artikel 17, onderdeel b, onder 1o, van de WW bedraagt vijf kalenderjaren. Het aantal kalenderjaren waarin de overheidswerknemer over 52 of meer dagen loon heeft ontvangen kan in die periode dus niet meer dan vijf bedragen.

Onderdeel O

Paragraaf 4 van de Wet OOW bevat thans geen bepaling omtrent de vaststelling van de omvang van het arbeidsurenverlies. Dat betekent dat in overgangssituaties waarin op grond van artikel 31 van de Wet OOW recht ontstaat op WW-uitkering, onderzoek zou moeten plaatsvinden naar het feitelijke arbeidspatroon van de overheidswerknemer in het (soms verre) verleden. Aan de hand van dat patroon zou volgens de complexe en gedetailleerde regelgeving van de WW de omvang van het arbeidsurenverlies moeten worden vastgesteld. Waar in het kader van de werkloosheidsregelingen van de overheid de omvang van het arbeidsurenverlies in veel gevallen geen rol speelt, zal de noodzakelijke informatie om de omvang van het arbeidsurenverlies exact vast te stellen vaak niet aanwezig zijn. Een dergelijk onderzoek zal in de meeste gevallen dan ook veel uitvoeringskosten met zich meebrengen zonder een deugdelijk resultaat op te leveren.

Het ligt dan ook in de rede om in de gevallen waarin op grond van artikel 31 van de Wet OOW recht op WW-uitkering ontstaat, voor de omvang van het arbeidsurenverlies uit te gaan van een redelijk betrouwbare indicatie van die omvang, namelijk het aantal uren waarvoor de overheidswerknemer laatstelijk was aangesteld of in dienst genomen in het dienstverband waarop het ontstane WW-recht betrekking heeft. Met de term «laatstelijk» wordt mede bereikt dat, als in het dienstverband waarop het ontstane WW-recht betrekking heeft het aantal arbeidsuren is teruggebracht (bijvoorbeeld van 38 naar 36 uren per week), het aantal arbeidsuren per kalenderweek wordt bepaald op de meest recente omvang van de aanstelling (in het voorbeeld: 36 uren). Dit is neergelegd in het hier voorgestelde eerste lid, van artikel 32a van de Wet OOW.

Een uitzondering op de hiervoor geschetste wijze van vaststelling van het aantal arbeidsuren per kalenderweek, kan worden gemaakt voor de situatie dat betrokkene recht heeft of heeft gehad op een uitkering op grond van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, het Werkloosheidsbesluit beroepsmilitairen bepaalde tijd, het Werkloosheidsbesluit defensiepersoneel en met die besluiten vergelijkbare regelingen (voor zover die zouden bestaan). Dat zijn WW-conforme regelingen, zodat de omvang van het arbeidsurenverlies voor het recht op WW-uitkering gesteld kan worden op de in het kader van die regelingen vastgestelde omvang van het arbeidsurenverlies (het voorgestelde artikel 32a, tweede en derde lid, van de Wet OOW). Indien dat recht evenwel niet is ontstaan is die omvang van het arbeidsurenverlies niet vastgesteld. Als betrokkene dan recht krijgt op een WW-uitkering op grond van artikel 31, tweede lid, van de Wet OOW, zal die omvang moeten worden vastgesteld op basis van de hoofdregel, neergelegd in artikel 32a, eerste lid, van de Wet OOW.

Onderdeel P

Artikel 33, eerste en tweede lid, geeft aan hoe het dagloon moet worden vastgesteld indien het recht op WW-uitkering ontstaat op grond van artikel 31, eerste, tweede of vierde lid. In de situatie dat reeds op een WW-conforme wijze een dagloon is vastgesteld ligt het echter voor de hand dat dagloon als dagloon voor de WW-uitkering te hanteren. Het thans voorgestelde derde en vierde lid van artikel 33 voorziet daarin. Hierbij dient nog wel te worden opgemerkt dat de, in het kader van de in dat lid genoemde regelingen vastgestelde, daglonen ongemaximeerd zijn. Op grond van het elfde lid van het voorgestelde artikel 33 dient de maximering van artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering alsnog plaats te vinden.

Het huidige artikel 33, derde tot en met vijfde lid, van de Wet OOW geeft de dagloonberekening voor de WW van de werknemer die op het moment van de aanvang van het wachtgeld tevens recht heeft op een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%. Deze artikelleden zijn gebaseerd op artikel 14 van de Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (Dagloonregels IWS). Uitgangspunt bij de berekening is het dagloon dat aan de WAO-uitkering ten grondslag ligt.

In het huidige vierde lid van artikel 33 van de Wet OOW is geregeld dat het WW-dagloon van de werknemer die een vervolguitkering WAO ontvangt afgeleid wordt van het WAO-vervolgdagloon. De Centrale Raad van Beroep heeft in een uitspraak van 15 januari 1998 (96/10178 WW) de – overeenkomstige – regeling van artikel 14, tweede lid, van de Dagloonregels IWS onverbindend verklaard. Naar aanleiding van deze uitspraak is artikel 14, tweede lid, van de Dagloonregels IWS vervallen, zodat ook voor de werknemer die recht heeft op een WAO-vervolguitkering, het WW-dagloon wordt afgeleid van het (veelal hogere) WAO-dagloon. Met het onderhavige onderdeel wordt artikel 33 van de Wet OOW overeenkomstig aangepast.

Met het thans voorgestelde vijfde lid van artikel 33 vervalt de zinsnede «gedurende de loondervingsfase» in artikel 33, derde lid, (oud) van de Wet OOW. Aldus is artikel 33, vijfde lid, (nieuw) mede van toepassing in de situatie waar voorheen artikel 33, vierde lid,(oud) op zag. Voorts is met de tussenvoeging van de zinsnede «dan wel daarna» geregeld dat artikel 33, vijfde lid, (nieuw) ook van toepassing is indien de werknemer arbeidsongeschikt is geworden tijdens het ontvangen van het wachtgeld, bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel b, onder 3o, of arbeidsongeschikt wordt tijdens het ontvangen van de WW-uitkering, waarop recht is ontstaan op grond van artikel 31, eerste, tweede of vierde lid.

In het voorgestelde zesde lid wordt het vijfde lid (oud) van artikel 33 van de Wet OOW redactioneel aangepast aan het vervallen van het oude vierde lid.

In het (nieuwe) zevende lid van artikel 33 van de Wet OOW wordt geregeld dat het dagloon, dat aan de WW-uitkering ten grondslag ligt, wordt aangepast indien de WAO-uitkering van de werknemer onder toepassing van artikel 44 van de WAO slechts gedeeltelijk wordt uitbetaald. Indien de werknemer inkomsten uit arbeid geniet waarbij artikel 44 van de WAO wordt toegepast, wordt de WAO-uitkering niet ingetrokken of herzien maar uitbetaald alsof de uitkering wel is ingetrokken of herzien. Indien niet artikel 44 van de WAO zou zijn toegepast, maar de WAO-uitkering zou zijn herzien, zou op grond van het zesde lid (nieuw) van artikel 33 van de Wet OOW (voorheen het vijfde lid) het dagloon zijn aangepast. Het ligt in de rede het dagloon op dezelfde wijze te herzien bij toepassing van artikel 44 van de WAO. Deze wijziging komt overeen met een gelijksoortige wijziging van artikel 14 van de Dagloonregels IWS.

In het (nieuwe) achtste lid van artikel 33 van de Wet OOW is een regeling opgenomen voor de situatie dat de WAO-uitkering van een overheidswerknemer, op wie het vijfde lid (nieuw) van dat artikel van toepassing is, wordt ingetrokken dan wel niet meer wordt uitbetaald onder toepassing van artikel 44 van de WAO. Het aan de WW-uitkering ten grondslag liggende dagloon is in dat geval het dagloon dat aan de WAO-uitkering ten grondslag lag. Deze wijziging komt overeen met een gelijksoortige wijziging van artikel 14 van de Dagloonregels IWS.

In het (nieuwe) negende lid van artikel 33 van de Wet OOW wordt – overeenkomstig artikel 14, vijfde lid, van de Dagloonregels IWS – geregeld dat artikel 33, vijfde tot en met achtste lid, (nieuw) van de Wet OOW niet van toepassing is indien en zolang de gewezen overheidswerknemer in staat kan worden geacht arbeid, die hij na het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid heeft verricht, duurzaam te verrichten. Er moet daarbij sprake zijn van werkzaamheden die aanleiding hebben gegeven tot toekenning of herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Indien ten aanzien van de werkzaamheden artikel 44 van de WAO wordt toegepast of de werknemer met de werkzaamheden minder verdient dan evenredig aan zijn bestaande verdiencapaciteit is artikel 33 wel van toepassing.

In het zesde lid (oud) van artikel 33 van de Wet OOW is sprake van «de uitkering op grond van de WW, bedoeld in het eerste tot en met vijfde lid,». In het tweede tot en met vijfde lid (oud) van artikel 33 wordt evenwel geen uitkering op grond van de WW geduid, maar wordt de wijze van dagloonberekening aangegeven voor de uitkering op grond van de WW, ontstaan op grond van artikel 31, eerste, tweede of vierde lid, van de Wet OOW, zoals die in bepaalde situaties moet worden toegepast. Het is dan ook juister in het – overigens met het oude zesde lid overeenkomende – tiende lid (nieuw) van artikel 33 van de Wet OOW te verwijzen naar de uitkering op grond van artikel 31, eerste, tweede of vierde lid.

Onderdelen Q, R, onder 1 tot en met 3, T, onder 2, U, onder 1, en W

Met deze (sub)onderdelen worden de artikelen 35, 36, 41, 43 en 45 redactioneel aangepast aan de wijzigingen in paragraaf 2 van de Wet OOW. Voorts vervalt in artikel 35, tweede lid, onder 3o, van de Wet OOW de verwijzing naar «artikel 30». In artikel 30 van de Wet OOW wordt de beroepsmilitair of gewezen beroepsmilitair immers niet afzonderlijk vermeld, zodat deze onder het toepassingsbereik van artikel 35, tweede lid, onder 1o, valt.

Daarnaast kan artikel 43, derde lid, van de Wet OOW vervallen gelet op aanpassing van artikel 36, vijfde lid, van die wet en de toevoeging van een nieuw zesde lid aan dat artikel. Daarmee zijn immers ook de gedragingen die thans onder artikel 43, derde lid, van de Wet OOW vallen onder de werking van artikel 36, vijfde lid, van die wet gebracht (zie ook de toelichting op artikel I, onderdeel R, onder 4 en 5).

Onderdeel R, onder 4 tot en met 6

Met dit subonderdeel wordt ter verduidelijking de tekst van artikel 36, derde en vijfde lid, aangepast en een zesde lid aan dat artikel toegevoegd. In de eerste plaats wordt in de eerste zin van het vijfde lid en in het derde lid de term «activiteit» vervangen door «activiteit of gedraging». Immers ook gedragingen waarvoor de betrokkene toestemming heeft gekregen die geen activiteit betreffen, zoals toestemming aan de wachtgelder om niet te solliciteren, dienen in beginsel niet tot een beëindiging of verlaging, al dan niet door toepassing van een sanctie, van de WW-, ZW- of WAO-uitkering te leiden. In de tweede plaats wordt de term «voorwaarden» vervangen door «regels». In de systematiek van de WW, ZW en WAO is er veelal niet zozeer sprake van dat een betrokkene onder voorwaarden toestemming krijgt voor een activiteit of gedraging, maar dat het de betrokkene vrijstaat een activiteit of gedraging te verrichten (of na te laten) en dat (het doen of nalaten van) die activiteit of gedraging – getoetst aan de regels van die wetten – al dan niet tot een verlaging of beëindiging van de uitkering leidt. Tenslotte vervalt in de tweede zin van artikel 36, vijfde lid, de zinsnede «voortzetting van de betreffende activiteit». Het gaat er immers niet om dat de activiteit of gedraging afwijkend is van de systematiek van de WW, ZW of WAO, maar of voortzetting van het regime waaronder die toestemming is gegeven een normale uitvoering van die wetten in de weg zou staan. Zo is er bijvoorbeeld in de situatie dat onder de wachtgeldregeling toestemming is gegeven om niet-traditioneel vrijwilligerswerk te verrichten met behoud van het volledige wachtgeld of toestemming is gegeven om niet te solliciteren geen sprake van dat een voortzetting daarvan de normale uitvoering van de WW in de weg zou staan. Er kan immers gewoon tot volledige betaling van de WW-uitkering worden overgegaan. Dat is anders waar het de situatie betreft dat een wachtgelder toestemming heeft om als zelfstandige te gaan werken, waarbij de inkomsten als zelfstandige in mindering worden gebracht op het wachtgeld voorzover zij samen met het wachtgeld meer dan de grondslag voor dat wachtgeld bedragen. Het anticumuleren van inkomsten als zelfstandige is wezensvreemd aan de WW en past dan ook niet binnen de normale uitvoering van die wet. In deze situatie dient het recht op WW-uitkering dan ook te worden beëindigd met het aantal uren dat de betrokkene als zelfstandige werkzaamheden verricht. Ook verblijf in het buitenland dan wel het niet wonen in Nederland past niet binnen de normale uitvoering van de WW respectievelijk de ZW en de WAO (dit laatste met uitzondering van bijvoorbeeld landen waarmee een verdrag inzake sociale zekerheid is gesloten). Dit neemt niet weg dat de Wet OOW het recht op wachtgeld of uitkering in verband met ziekte niet eindigt en dat de gemaakte afspraak binnen het «bovenwettelijke» wachtgeldregime kan worden voortgezet.

In het zesde lid worden een – niet limitatieve – opsomming gegeven van activiteiten en gedragingen die de normale uitvoering van de WAO, ZW of WW niet in de weg staan.

Onderdeel S

Op basis van artikel 46 van de Wet OOW zijn bij het Besluit van 7 september 1998, Stb. 1998, 558, regels gesteld in afwijking van artikel 40, tweede lid, van de Wet OOW met betrekking tot de uitbetaling van de WAO-uitkering aan onderwijswerknemers die twee of meer dienstbetrekkingen binnen de sector Onderwijs en Wetenschappen hebben. In dit onderdeel worden deze afwijkende regels, gelet op artikel 46 van de Wet OOW, overgezet naar artikel 40 van de Wet OOW. De afwijkende regels krijgen aldus een basis in de Wet OOW zelf. Het vorengenoemde Besluit kan derhalve worden ingetrokken bij de inwerkingtreding van de onderhavige wetswijziging. Dat is opgenomen in artikel IV van het voorliggende wetsvoorstel.

Onderdeel T, onder 1

In hoofdstuk 1 van de Wet OOW wordt de term Osv 1997 gehanteerd voor de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 (zie ook artikel 1, onderdeel j, van de Wet OOW). Met het onderhavige onderdeel wordt artikel 41, eerste lid, daarop aangepast. Voorts wordt aan de term «Onze Minister van Binnenlandse Zaken» toegevoegd «en Koninkrijksrelaties».

Onderdelen U, onder 2, en V

De onderhavige (sub)onderdelen betreffen redactionele verbeteringen.

Onderdeel X

Na het onder de werking van de WW brengen van de overheidswerknemers zullen op de overheidswerkgever financiële tegemoetkomingen op grond van de Wet financiering loopbaanonderbreking worden verhaald (zie het in de WW op te nemen artikel 97b, eerste lid, onderdeel c). Het gaat hier om de situatie dat een tegemoetkoming in het kader van de Wet financiering loopbaanonderbreking wordt verstrekt, waarbij de vervanger van degene die zijn loopbaan onderbreekt een persoon is met een WW-uitkering uit hoofde van een dienstbetrekking als overheidswerknemer (zie het met artikel I, onderdeel EE, van deze wet in de Wet OOW op te nemen artikel 67b). De (gewezen) overheidswerkgever van de vervanger heeft in dat geval het financiële voordeel van het feit dat de uitkeringsgerechtigde aan het werk gaat. Met betrekking tot reeds aangevangen tegemoetkomingen, die ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds komen (dat daartoe een rijksbijdrage ontvangt) is het uitvoeringstechnisch eenvoudiger om die ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds te blijven brengen. Dit onderdeel voorziet daarin.

Onderdeel Y

Zoals aangegeven in paragraaf 5 van het algemeen deel van de toelichting zullen de uitkeringen op grond van de ZW voor het overheidspersoneel worden bekostigd uit het Uitvoeringsfonds voor de overheid. Onderdeel A van het nieuwe artikel 48 van de Wet OOW voorziet daarin. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat in het voorgestelde artikel 61 van de ZW met de zinsnede «een uitkering uit hoofde van een dienstbetrekking als overheidswerknemer» – evenals dat in de WW het geval is – tevens wordt bedoeld een uitkering uit hoofde van een voormalige dienstbetrekking als overheidswerknemer.

Met betrekking tot de onderdelen B en C van het hier voorgestelde artikel 48 van de Wet OOW merken wij het volgende op.

Door middel van het besluit van 22 januari 1998, houdende wijziging van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden werknemersverzekeringen 1990 (Stb. 47) zijn bepaalde groepen overheidswerknemers die in het buitenland werken onder de verplichte verzekering op grond van de WAO gebracht. Bij dat besluit is tevens geregeld dat deze groepen overheidswerknemers per de datum van ingang van fase 2, bedoeld in de artikelen 48 en 53 van de Wet OOW, onder de verplichte verzekering op grond van de ZW en de WW worden gebracht.

Een aantal groepen buiten Nederland werkzame overheidswerknemers zijn buiten de verplichte verzekering voor de WAO gebleven, en zullen ook buiten de verplichte verzekering voor de ZW en de WW blijven. Voor deze groepen zal, net als dit voor de WAO is gebeurd, de mogelijkheid van vrijwillige verzekering voor de ZW en de WW worden geopend. Het gaat hierbij om Nederlandse overheidswerknemers die werkzaam zijn in het buitenland, daartoe uitgezonden door de Nederlandse overheid, waaronder begrepen onderwijspersoneel dat wordt uitgezonden door een privaatrechtelijke rechtspersoon, tenzij op een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon de verplichting rust het loon te betalen. De achterliggende gedachte is dat deze overheidswerknemers die werkzaamheden verrichten in het algemeen belang. In de voorgestelde artikelen 64, tweede lid, onderdeel e, van de ZW en 53, tweede lid, onder e, van de WW is dit verwoord door de bepaling dat het moet gaan om werkzaamheden die worden bekostigd door het Rijk en die tevens in opdracht van het Rijk worden verricht in het kader van een wettelijke taakomschrijving of ter uitvoering van een internationaal verdrag dan wel een daarmee gelijk te stellen overeenkomst tussen bewindspersonen of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie. Met de term «in opdracht van het Rijk» wordt overigens niet louter beoogd dat het Rijk de opdracht rechtstreeks geeft aan de betrokken werknemer.

Voorts wordt de mogelijkheid geopend tot het afsluiten van een vrijwillige verzekering voor de Nederlander die is uitgezonden om in Nederland werkzaamheden te verrichten voor een volkenrechtelijke organisatie, waarvan Nederland lid is dan wel waarvan de werkzaamheden door Nederland worden ondersteund. Ook dit is in overeenstemming met de wijzigingen in de vrijwillige verzekering voor de WAO.

Met betrekking tot de financiering van de vrijwillige verzekering ZW en WW van deze groepen is aangesloten bij de financiering van de vrijwillige verzekering in de markt. Aansluiting bij het financieringssysteem voor de overheidssector ligt bij de vrijwillige verzekering niet voor de hand. Het staat een werknemer vrij om zich al dan niet vrijwillig te verzekeren. Deze vrijwillige keuze van de werknemer verdraagt zich niet met een (verplicht) eigenrisicodragerschap van de werkgever. Ook hoort bij het eigenrisicodragerschap dat er geen werkgeversdelen WW-premie verschuldigd zijn (immers de werkgever betaalt de uitkering). Dit zou voor de vrijwillig verzekerde overheidswerknemer een voordeel betekenen ten opzichte van de vrijwillige verzekerde werknemer in de marktsector. Bij de vrijwillige verzekering is de werknemer immers de gehele premie (zowel werkgevers- als werknemersdelen) verschuldigd.

Aansluiting bij de marktsystematiek betekent derhalve dat de vrijwillig verzekerde overheidswerknemer premie betaald aan het Algemeen werkloosheidsfonds en dat de uitkering ook uit dit fonds wordt betaald. De vrijwillig verzekerde overheidswerknemer heeft daarmee hetzelfde bruto-netto traject als de vrijwillig verzekerde werknemer in de markt. Hiermee wordt recht gedaan aan het uitgangspunt van de OOW-operatie, namelijk normalisering van de positie van de overheidswerknemer op het terrein van de sociale zekerheid.

Onderdeel Z

Nu op grond van onderdeel Y niet langer sprake zal zijn van een algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 60a van de ZW kunnen, met het vervallen van artikel 8b van de ZW per het tijdstip van aanvang van fase 3, bedoeld in artikel 49 van de Wet OOW, ook de artikelen 90 en 91 van de ZW per dat tijdstip vervallen. Met dit onderdeel wordt dat bewerkstelligd.

Onderdeel AA

Zoals al aangegeven in paragraaf 4.3. en paragraaf 5 van het algemeen deel van de memorie van toelichting wordt thans voorgesteld de WW- en ZW-uitkeringen aan (gewezen) overheidswerknemers, alsmede de daarop betrekking hebbende uitvoeringskosten, uit het Uitvoeringsfonds voor de overheid te betalen. Dat betekent dat die uitkeringen en uitvoeringskosten niet ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds en de wachtgeldfondsen worden gebracht. Het ligt dan ook niet in de rede dat overheidswerkgevers en -werknemers premie verschuldigd zijn voor het Algemeen Werkloosheidsfonds en de wachtgeldfondsen. Gelet hierop dient het huidige hoofdstuk VII van de WW niet van toepassing te zijn op overheidswerkgevers, voorzover zij werkgever zijn van overheidswerknemers, en overheidswerknemers alsmede op degenen die krachtens de verplichte verzekering op grond van de WW, de ZW of de WAO uitkering ontvangen uit hoofde van een (gewezen) dienstbetrekking als overheidswerknemer. Ook overigens dienen er op een aantal plaatsen in de WW wijzigingen te worden aangebracht vanwege deze gescheiden financiering. Om deze reden wordt in onderdeel AA voorgesteld artikel 53 van de Wet OOW, waarbij de WW met ingang van het tijdstip van aanvang van fase 2 van de Wet OOW wordt aangepast, te herzien.

In het herziene artikel 53 van de Wet OOW wordt voorgesteld hoofdstuk VII van de WW te splitsen. Het huidige hoofdstuk VII wordt opgenomen in paragraaf 1 van dat hoofdstuk (handelend over het Algemeen Werkloosheidsfonds en de wachtgeldfondsen), welke paragraaf niet van toepassing is op werkgevers, voorzover zij overheidswerknemers in dienst hebben, en overheidswerknemers – tenzij vrijwillig verzekerd – alsmede op degenen die krachtens de verplichte verzekering op grond van de WW, de ZW of de WAO uitkering ontvangen uit hoofde van een (gewezen) dienstbetrekking als overheidswerknemer (zie artikel 53, onderdeel G, van de Wet OOW). Voorts wordt in hoofdstuk VII van de WW een paragraaf 2 opgenomen (handelend over het Uitvoeringsfonds voor de overheid) (zie artikel 53, onderdeel K, van de Wet OOW) welke paragraaf van toepassing is op degenen op wie paragraaf 1 niet van toepassing is. In deze paragraaf wordt weergegeven wat ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid wordt gebracht (zie de in de WW op te nemen artikelen 97f, 97g en 97h). Dit komt overeen met hetgeen in de marktsector, op grond van de artikelen 90, 93, 93b en 95 van de WW, ten laste van de wachtgeldfondsen en het Algemeen Werkloosheidsfondsen komt. Voor de sectoren waarbij alleen overheidswerkgevers zijn aangesloten hoeven dan ook geen wachtgeldfondsen te worden ingesteld (zie artikel 53, onderdeel L, van de Wet OOW).

Een WW-uitkering die uit het Uitvoeringsfonds voor de overheid wordt betaald wordt verhaald op de (gewezen) overheidswerkgever van de uitkeringsgerechtigde, alsmede de over de uitkering verschuldigde werkgeversdelen premies sociale verzekeringen (zie het in de WW op te nemen artikel 97b, eerste lid, onderdelen a en b). Dit laatste met uitzondering van het werkgeversdeel WW-premie. Ook het werknemersdeel WW-premie wordt niet op de overheidswerkgever verhaald. Voor beide elementen geldt immers dat zij ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid komen doch daar weer in terugvloeien, zodat er per saldo geen lasten voor het fonds zijn. Heffing van de WW-premie over WW-uitkering voor overheidswerknemers kan echter niet achterwege blijven omdat dan het bruto-netto traject in situaties van samenloop anders zou kunnen verlopen dan in de marktsector. In het in de WW op te nemen artikel 97d, tweede lid, is dan ook bepaald dat zowel over ZW- en WAO-uitkeringen en toeslagen op grond van de Toeslagenwet als over WW-uitkeringen aan (gewezen) overheidswerknemers WW-premie wordt geheven.

In artikel 89 van de Wet OOW is er voor gekozen om, tot het tijdstip van aanvang van fase 2, bedoeld in artikel 53 van de Wet OOW, de WW-premie over een WAO-uitkering niet naar de wachtgeldfondsen en het Algemeen Werkloosheidsfonds te laten vloeien indien USZO de werkzaamheden met betrekking tot die uitkering verricht. Dit is ook het geval indien de WAO-uitkering mede betrekking heeft op een dienstbetrekking in de marktsector. Er is afgezien van een afzondering van premiedelen WW op het niveau van de individuele uitkeringsgerechtigde, omdat dat uitvoeringstechnisch gecompliceerd is en ook hoge uitvoeringskosten oplevert. Gelet op het thans voorgestelde gescheiden financieringsregime wordt voorgesteld een en ander ook na laatstgenoemd tijdstip voort te zetten. Dat wordt geregeld via het tweede lid van het in de WW op te nemen artikel 78a van de WW (zie artikel 53, onderdeel G, van de Wet OOW). Indien op grond van dat lid sprake is van een WAO-uitkering uit hoofde van een dienstbetrekking als overheidswerknemer is paragraaf 2 van hoofdstuk VII van de WW van toepassing en daarmee de artikelen 97d, tweede lid, en 97e, onderdeel c, van de WW. De WW-premie komt in dat geval ten goede van het Uitvoeringsfonds voor de overheid. Indien op grond van artikel 78a, tweede lid, van de WW geen sprake is van een WAO-uitkering uit hoofde van een dienstbetrekking als overheidswerknemer is paragraaf 1 van hoofdstuk VII van de WW van toepassing en daarmee de artikelen 85, derde en vijfde lid, 86, 89, eerste lid onderdeel a, en 92, onderdelen a en b, van de WW. De WW-premie komt in dat geval ten goede van de wachtgeldfondsen en het Algemeen Werkloosheidsfonds. Om een eventuele verrekening tussen de verschillende fondsen mogelijk te maken, indien ofwel het Uitvoeringsfonds voor de overheid ofwel het Algemeen Werkloosheidsfonds en de wachtgeldfondsen in het bijzonder zou profiteren van deze regeling, wordt artikel 97i van de WW voorgesteld.

In de WW is, anders dan bij de WAO, geen sprake van samenloop in die zin dat één recht op uitkering kan voortvloeien uit meerdere dienstbetrekkingen. Dat betekent dat werkloosheid uit een overheidsdienstbetrekking altijd leidt tot een apart recht (als aan alle voorwaarden voor het ontstaan van een recht is voldaan). De daaruit voortvloeiende uitkering kan dus apart bij de overheidswerkgever in rekening worden gebracht en de WW-premie over die uitkering kan zonder meer ten gunste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid komen.

Zoals al aangegeven in paragraaf 4.3. van het algemeen deel van de toelichting wordt op het loon van de overheidswerknemer een bedrag ingehouden (ook wel genoemd pseudo-premie) die de overheidswerkgever niet afdraagt. Deze inhouding komt overeen met hetgeen de werknemer aan premie verschuldigd zou zijn als paragraaf 1 van hoofdstuk VII van de WW op hem van toepassing zou zijn (zie het in de WW op te nemen artikel 97d, eerste lid).

Tevens worden op de overheidswerkgever verhaald financiële tegemoetkomingen op grond van de Wet financiering loopbaanonderbreking (zie het in de WW op te nemen artikel 97b, eerste lid, onderdeel c). Het gaat hier om de situatie dat een tegemoetkoming in het kader van de Wet financiering loopbaanonderbreking wordt verstrekt, waarbij de vervanger van degene die zijn loopbaan onderbreekt een persoon is met een WW-uitkering uit hoofde van een dienstbetrekking als overheidswerknemer (zie ook het in onderdeel EE voorgestelde artikel 11 van de Wet financiering loopbaanonderbreking). De (gewezen) overheidswerkgever van de vervanger heeft in dat geval het financiële voordeel van het feit dat de uitkeringsgerechtigde aan het werk gaat.

Een en ander geldt mutatis mutandis voor de vergoedingen aan het Rijk op grond van het in de WW op te nemen artikel 97h.

Omdat, gelet op het vorenstaande, het fonds waaruit de financiële tegemoetkoming in het kader van de Wet financiering loopbaanonderbreking wordt betaald niet wordt bepaald door het al dan niet (gewezen) overheidswerknemer zijn van de verlofganger is, in het derde lid van het voorgestelde artikel 78a van de WW, geregeld dat het niet op de overheidswerknemer en -werkgever van toepassing zijn van paragraaf 1 van hoofdstuk VII(handelend over het Algemeen Werkloosheidsfonds en de wachtgeldfondsen) niet geldt met betrekking tot de financiële tegemoetkoming in het kader van de Wet financiering loopbaanonderbreking en de bedragen die het Landelijk instituut sociale verzekeringen ontvangt door de toepassing van de artikelen 6, derde lid, en 7 van die wet. In de voorgestelde artikelen 92, onderdeel h, 93, onderdeel i, 97e, onderdeel j, en 97f, onderdeel i, van de WW, in combinatie met het voorgestelde artikel 11 van de Wet financiering loopbaanonderbreking is vervolgens geregeld wat in dit kader ten gunste en ten laste komt van het Algemeen Werkloosheidsfonds respectievelijk het Uitvoeringsfonds voor de overheid.

Indien in het tijdvak, waarover bedragen op de overheidswerkgever worden verhaald, door het Lisv bedragen worden ontvangen op grond van terugvordering van ten onrechte betaalde WW-uitkering, tegemoetkoming op grond van de Wet financiering loopbaanonderbreking of vergoeding voor de remigratiebijdrage, die bij diezelfde overheidswerkgever zijn verhaald, dan worden deze ontvangen bedragen in mindering gebracht op hetgeen op hem wordt verhaald (zie het in de WW op te nemen artikel 97b, tweede lid). Indien het door het Lisv ontvangen bedrag het te verhalen bedrag overtreft wordt door het Lisv aan de overheidswerkgever betaald het bedrag waarmee het ontvangen bedrag het te verhalen bedrag overtreft (zie het in de WW op te nemen artikel 97b, derde lid).

Indien de overheidswerkgever niet meer bestaat vindt verhaal plaats op zijn rechtsopvolger. Hiervan is uitgezonderd de rechtsopvolger na faillissement (zie het in de WW op te nemen artikel 97b, vierde lid).

In het voorgestelde artikel 97b zijn voorts nog een aantal bepalingen opgenomen met betrekking tot de uitvoering van het besluit waarbij de uitkering, de premies en de tegemoetkomingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d, van dat artikel worden verhaald (vergelijk artikel 27g van de WW). Daarbij worden de artikelen 13 en 16 van de CSV – die betrekking hebben op premieheffing – van overeenkomstige toepassing verklaard.

Niet al hetgeen ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid komt wordt verhaald op de overheidswerkgevers. Dat is bijvoorbeeld niet het geval met de ZW-uitkeringen (zie paragraaf 5. van het algemeen deel van de memorie van toelichting) en de bijdrage aan het Reïntegratiefonds. Het is derhalve ook noodzakelijk om in de middelen tot dekking van de uitgaven van dat fonds te voorzien door middel van het heffen van premie. Die premie is verschuldigd door de overheidswerkgevers naar een voor alle overheidswerkgevers gelijk vastgesteld percentage (zie het in de WW op te nemen artikel 97c).

Indien de overheidswerkgever niet meer bestaat wordt de uitkering verhaald op zijn rechtsopvolger. Uitzondering hierop vormt de rechtsopvolger na faillissement (artikel 97b, vierde lid, van de WW).

Gelet op het gescheiden financieringsregime is het noodzakelijk om, voor situaties van samenloop van uitkeringen, een volgorde aan te geven voor de toepassing van de artikelen 34, 35 en 35a van de WW (de anticumulatiebepalingen). In artikel 53, onderdeel D, van de Wet OOW wordt hiertoe een nieuw artikel 35b van de WW voorgesteld. Daarbij wordt het huidige artikel 35b vernummerd in artikel 35c, omdat dat artikel in volgorde van toepassing na het hierbij voorgestelde artikel 35b dient te komen.

De overheidswerkgever heeft als eigenrisicodrager een rechtstreeks belang bij een uitkeringsbeschikking op grond van de WW. Dit betekent dat de werkgever ook bezwaar en beroep tegen een dergelijke beschikking kan instellen. Indien een werkgever in zijn bezwaar of beroep succesvol is dan zal dit – zonder aanvullende regeling – voor de werknemer als consequentie kunnen hebben dat hij zijn uitkering geheel of gedeeltelijk met terugwerkende kracht verliest. Een dergelijke consequentie heeft de regering eerder, bij de regeling van het eigenrisicodragen in de WAO, onaanvaardbaar geacht. Er is geen aanleiding om voor de WW hier anders over te oordelen. Gelet op de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep ter zake, wordt in de WAO een uitlooptermijn van 6 weken gehanteerd. Gezien de systematiek van de WW (het van rechtswege ontstaan en eindigen van het recht) en de jurisprudentie hieromtrent is in de WW geen aanleiding een uitlooptermijn te hanteren. In het voorgestelde onderdeel C van artikel 53 wordt dan ook bepaald dat de intrekking of verlaging van een uitkering, die voortvloeit uit het door de werkgever ingestelde bezwaar of beroep, niet eerder plaats vindt dan de dag volgend op de beslissing op bezwaar of beroep. Een uitzondering op deze regeling wordt gemaakt voor de situatie dat het ten onrechte of te hoog verlenen van uitkering aan de werknemer kan worden verweten, bijvoorbeeld omdat hij onjuiste inlichtingen heeft verstrekt.

De eigenrisicodrager dient ook niet de dupe te worden van wat uiteindelijk een onjuiste beslissing met betrekking tot de uitkering was. Voorgesteld wordt dan ook dat op verzoek van de werkgever de schade die hij lijdt door toepassing van het voorgestelde onderdeel C van artikel 53, ten laste van het Uitvoeringsfonds, wordt vergoed. Onder schade moet in dit verband worden verstaan het bedrag aan uitkeringslasten dat de werkgever meer heeft betaald dan het bedrag dat hij had moeten betalen indien direct de juiste beslissing was genomen, vermeerderd met rente conform de regels die de Centrale Raad van Beroep hierover heeft ontwikkeld.

Ook bij de uitvoering van de WW kan sprake zijn van medische besluiten in de zin van artikel 88 van de WAO. Hiervan is bijvoorbeeld sprake indien een werknemer zich op het standpunt stelt dat bepaalde arbeid voor hem niet passend is op medische gronden. Het besluit dat naar aanleiding hiervan wordt genomen is een medisch besluit. Indien de eigenrisicodrager belanghebbende is bij een dergelijk besluit moet de medische besluitenregeling van de WAO van overeenkomstige toepassing zijn. Dit is geregeld in het voorgestelde subonderdeel P van artikel I, onderdeel AA.

In het voorgestelde artikel 53, onderdeel B, komt de zinsnede «of een overeenkomstige bepaling van een soortgelijke regeling» voor. Het gaat in concreto om bepalingen inzake een opzegtermijn bij ontslag. Het grote aantal rechtspositieregelingen voor overheidspersoneel en de grote onderlinge differentiatie daarvan maakt het moeilijk, zo niet onmogelijk, om in de wettekst of in de toelichting een uitputtende opsomming te geven van de desbetreffende bepalingen en regelingen. Daarom is ervoor gekozen om hier een opsomming te geven van de relevante bepalingen van de rechtspositieregelingen van de belangrijkste sectoren bij de overheid:

• de artikelen 87 tot en met 91 van het Besluit algemene rechtspositie politie;

• de artikelen II-D5 tot en met II-D7 van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel;

• de artikelen 8:1:1, 8:4:1 en 8:16:1 van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling van de sector Gemeenten;

• de artikelen 113 tot en met 116 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie;

• artikel 47 van het Algemeen militair ambtenarenreglement.

Met betrekking tot de hier voorgestelde onderdelen E en F van artikel 53 van de Wet OOW, inzake de vrijwillige verzekering, verwijzen wij naar de toelichting op artikel I, onderdeel Y.

Onderdeel BB

In artikel 10 van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (IWS) is opgenomen dat tot het tijdstip, aangewezen op grond van artikel 7, eerste lid, van de WW bij algemene maatregel van bestuur voorschriften kunnen worden gegeven omtrent aanspraken bij werkloosheid voor bepaalde groepen overheidswerknemers. Aangezien bedoeld tijdstip is vastgesteld op het tijdstip van aanvang van fase 2, bedoeld in artikel 53 van de Wet OOW, vervalt de grondslag voor de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 10 van de IWS – en daarmee de werking daarvan – op het tijdstip van aanvang van fase 2, bedoeld in artikel 53 van de Wet OOW. Artikel 56 van de Wet OOW, zoals dat thans luidt, is daarmee een dode letter. Gelet evenwel op het vervallen van de werking van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 10 van de IWS per het tijdstip van aanvang van fase 2, dient thans geregeld te worden dat de op dat moment bestaande uitkeringen tot het tijdstip van aanvang van fase 3 verstrekt kunnen blijven worden. Het onderhavige onderdeel voorziet daarin.

Onderdeel CC

De Osv 1997 dient onverkort van toepassing te zijn op het Uitvoeringsfonds voor de overheid. Dit onderdeel voorziet daarin. Daarbij wordt met het voorgestelde onderdeel C van artikel 61 van de OOW de mogelijkheid geopend dat, indien een werkgever ophoudt overheidswerkgever te zijn respectievelijk een werkgever in de marktsector overheidswerkgever wordt, vermogensovergang tussen het Uitvoeringsfonds voor de overheid en een wachtgeldfonds plaatsvindt. In het voorgestelde onderdeel D van artikel 61 van de OOW wordt geregeld dat het Lisv de sectorraden voor de overheidssectoren in de gelegenheid stelt advies uit te brengen over het besluit tot vaststelling van het premiepercentage ten behoeve van het Uitvoeringsfonds voor de overheid.

Onderdeel DD

In artikel 2, derde lid, van de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria, zoals deze op grond van de artikelen 64, onderdeel D, en 65, onderdeel B, onder 2, van de Wet OOW komt te luiden per het tijdstip van aanvang van fase 2, bedoeld in artikel 53 van die wet, respectievelijk het tijdstip van aanvang van fase 3, bedoeld in artikel 54 van die wet, ontbreekt ten onrechte de Algemene militaire pensioenwet in de opsomming van wetten op grond waarvan op 31 juli 1993 recht op uitkering moet hebben bestaan om tot de doelgroep te behoren. Met dit onderdeel worden de artikelen 64, onderdeel D, en 65, onderdeel B, onder 2, van de Wet OOW op dit punt verbeterd.

Onderdeel EE

Artikel 67b

Zoals al aangegeven in de toelichting op artikel I, onderdeel H, zal in de situatie dat een tegemoetkoming in het kader van de Wet financiering loopbaanonderbreking wordt verstrekt, waarbij de vervanger van degene die zijn loopbaan onderbreekt een persoon is met een WW-uitkering uit hoofde van een dienstbetrekking als overheidswerknemer, op de overheidswerkgever de financiële tegemoetkomingen op grond van de Wet financiering loopbaanonderbreking worden verhaald. Gelet op de gekozen financieringssystematiek voor de WW zullen deze kosten in eerste instantie ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid worden gebracht. Het onderhavige onderdeel voorziet daarin, in combinatie met het in de WW op te nemen artikel 97f, onderdeel i.

Onderdeel FF

Dit onderdeel betreft de redactionele verbetering van een tweetal artikelen.

Onderdeel GG

De artikelen 8b van de ZW en 7 van de WW vervallen op het tijdstip van aanvang van fase 3 van de Wet OOW (zie de artikelen 49 en 54 van de Wet OOW). Daarmee vervalt ook de grondslag van het Faseringsbesluit overheidswerknemers onder de Ziektewet en de Werkloosheidswet (het Faseringsbesluit). Teneinde de mogelijkheid te behouden om het onder de ZW en WW brengen van (groepen van) overheidswerknemers ook na het tijdstip van aanvang van fase 3 gefaseerd te laten verlopen wordt met dit onderdeel in artikel 83 van de Wet OOW een nieuwe grondslag voor het Faseringsbesluit opgenomen.

Onderdeel HH

In de hoofdstukken 2, 3 en 4 van de Wet OOW worden de termen «Ziektewet» en «Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering» voluit gehanteerd. Met het onderhavige onderdeel wordt artikel 85, eerste lid, van de Wet OOW daarop aangepast.

Onderdeel II

Artikel 88, derde lid, van de Wet OOW betreft de vergoeding van kosten in verband met een opzegging van de administratie-overeenkomst ingeval het Lisv een dergelijke overeenkomst sluit met de USZO. Deze bepaling is opgenomen in de Wet OOW omdat de regels die ingevolge artikel 70 van de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 zijn gesteld met het oog op de gevolgen van beëindiging van administratie-overeenkomsten met de uitvoeringsinstellingen in de marktsector niet van toepassing zijn op de USZO. De tekst van artikel 88, derde lid, van de Wet OOW wordt in dit onderdeel redactioneel aangepast aan de keuze van de regering voor een afwijkend financieringssysteem WW en ZW voor de overheid. Gelet op dat afwijkende financieringssysteem, ligt het voor de hand om de opzeggingskosten, bedoeld in artikel 88, derde lid, van de Wet OOW in rekening te brengen bij het Uitvoeringsfonds voor de overheid.

Onderdeel JJ, onder 1

Dit betreft een redactionele aanpassing.

Onderdeel JJ, onder 2

Met de Veegwet SZW 1998 is artikel 44 van de Wet OOW aangepast. Het oorspronkelijke zesde lid van dat artikel is daarbij vernummerd tot negende lid. Met het onderhavige onderdeel worden de verwijzingen in artikel 90, derde en vierde lid, van de Wet OOW hieraan aangepast.

Onderdeel JJ, onder 3

De WW-premie over de WAO-uitkering komt vanaf het tijdstip van aanvang van fase 2, bedoeld in artikel 53 van de Wet OOW, ten gunste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid (zie de voorgestelde artikelen 97d, tweede lid, en 97e, onderdeel c, van de WW) en daarmee – indirect – ten gunste van de overheidswerkgevers. Vanaf dat tijdstip hoeft die premie dan ook niet langer via de vermindering van de basispremie WAO, zoals neergelegd in artikel 90, eerste lid, van de Wet OOW, ten gunste van de overheidswerkgevers te komen. Met het onderhavige onderdeel wordt dit laatste bewerkstelligd.

Onderdeel KK

Waar in de artikelen die, om andere redenen, al aanpassing behoeven «Onze Minister van Binnenlandse Zaken» wordt vervangen door «Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties» (zie bijvoorbeeld het aangepaste artikel 10 van de Wet OOW in artikel I, onderdeel F, van dit wetsvoorstel) ligt het in de rede deze redactionele aanpassing ook in de overige artikelen van de Wet OOW te plegen.

Artikel II. Wijziging Werkloosheidswet

In artikel 89, tweede lid, van de WW is geregeld dat van de overheidswerkgever ontvangen bedragen op grond van de artikelen 46 en 71a, tweede en derde lid, van de WAO, tot het tijdstip van aanvang van fase 2, bedoeld in artikel 53 van de Wet OOW, niet ten gunste komen van de wachtgeldfondsen. Met betrekking tot die overheidswerkgevers bestaan immers geen wachtgeldfondsen. Deze zouden worden ingesteld voorafgaande aan laatstgenoemd tijdstip. Thans beheert en administreert het Lisv de hier bedoelde middelen in de vorm van een afzonderlijke rekening per sector, waarbij het die middelen uiterlijk op bedoeld tijdstip ten gunste van het wachtgeldfonds zou brengen (artikel 102, derde lid, van de WW). Gelet op het thans voorgestelde financieringsregime voor de overheid, zullen geen wachtgeldfondsen voor sectoren, waaronder de overheidswerkgevers vallen, worden ingesteld, maar wel een fonds voor alle overheidswerkgevers samen: het Uitvoeringsfonds voor de overheid. Het ligt in de rede om de hier bedoelde middelen, nu deze niet langer zullen kunnen worden ondergebracht in wachtgeldfondsen, uiterlijk op het tijdstip van aanvang van fase 2, bedoeld in artikel 53 van de Wet OOW, onder te brengen in het Uitvoeringsfonds voor de overheid. Dat wordt bereikt via de hierbij voorgestelde aanpassing. In het licht van dit voorstel is het thans beheren van die middelen door middel van een afzonderlijke rekening per sector niet langer noodzakelijk. Volstaan kan worden met een rekening voor alle overheidswerkgevers samen.

Artikel III. Wijziging Algemene militaire pensioenwet

Onderdeel A

Dit betreft een technische aanpassing. In artikel E 9a van de Algemene militaire pensioenwet (Amp-wet) is het per 1 januari 1998 ingevoerde verruimde smartengeld (bijzondere invaliditeitsverhoging) neergelegd. Dit dient eveneens in de hierbij te wijzigen definitiebepaling te worden neergelegd.

Onderdeel B

In het onderhandelingsakkoord gesloten in het sectoroverleg defensie betreffende de bovenwettelijke aanspraken bij ziekte, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid defensiepersoneel van 19 januari 1995 is overeengekomen, dat wanneer op het moment van overlijden aanspraak bestaat op een bovenwettelijke uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid (al of niet met dienstverband) een bedrag als uitkering bij overlijden beschikbaar zal zijn gelijk aan tweemaal het laatstelijk vastgestelde brutobedrag per maand. Op het moment dat genoemd onderhandelingsaccoord werd afgesloten kende de WAO een overlijdensuitkering van twee maanden. Daarnaast was in artikel K 3 van de Amp-wet een overlijdensuitkering neergelegd voor o.a. een arbeidsongeschiktheids-/invaliditeitspensioen genietende militair, ter hoogte van een zesde deel van het jaarpensioen. De hiervoor genoemde afspraak inzake de overlijdensuitkering zou als resultaat dienen te hebben, dat er eigenlijk geen verschil in aanspraak zou bestaan voor en na het onder de WAO brengen van beroepsmilitairen. Met ingang van 1 januari 1997 is de aanspraak op een overlijdensuitkering op grond van de WAO teruggebracht tot een uitkering ter hoogte van één maand WAO-uitkering. Artikel K 3 van de Amp-wet is bij de Wet OOW daarop niet aangepast. Met de toevoeging van een nieuw zevende lid aan dat artikel wordt deze omissie rechtgezet.

Onderdeel C

Op grond van artikel 73, onderdeel U, van de Wet OOW zijn de laatste twee zinnen van artikel F 7, derde lid, van de Amp-wet geschrapt. Het daarin gestelde dient evenwel van toepassing te blijven op de beroepsmilitair die, ondanks zijn ongeschiktheid uit hoofde van ziekte of gebreken waarvoor verband met de uitoefening van de militaire dienst is aangenomen, als militair wordt gehandhaafd zoals bedoeld in artikel K 2 van de Amp-wet. Om die reden worden beide zinnen weer toegevoegd.

Onderdeel D

Artikel X 5 van de Amp-wet wordt door middel van deze wijziging aanzienlijk vereenvoudigd. De reden daarvan is dat basisvoorzieningen, waarop ook de gehandicapte (gewezen) militair recht heeft, rechtstreeks volgen uit de per 1 juli 1998 in werking getreden Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten en uit de Wet voorzieningen gehandicapten. Het nu voorgestelde artikel X 5 biedt de basis om nadere regels te stellen met betrekking tot de inhoud van het voorzieningenpakket als aanvulling op de voorliggende voorzieningen, zoals dat reeds jaren bestaat voor de (gewezen) militair die in en door de uitoefening van de militaire dienst gehandicapt is geworden.

Onderdeel E

Aangezien op grond van de Wet OOW de WAO rechtstreeks van toepassing is geworden op militairen is artikel X 6 van de Amp-wet overbodig geworden.

Artikel IV. Intrekking van het besluit van 7 september 1998 (Stb. 558)

Zie voor een toelichting op het intrekken van het hier bedoelde besluit de toelichting op artikel I, onderdeel S.

Artikel V. Inwerkingtreding

Bij de Wet OOW is in verband met de scheiding van «wettelijke» en «bovenwettelijke» aanspraken bij arbeidsongeschiktheid voor militairen de Amp-wet gewijzigd. Sedert de inwerkingtreding per 1 januari 1998 van die wijzigingen in de Amp-wet zijn bij de uitvoering van die wet enkele onvolkomenheden aan het licht gekomen die het gevolg waren van die wijziging. Aangezien het in een tweetal situaties uitkeringen betreft in het voordeel van betrokkenen die in voorkomend geval ook nu al tot uitbetaling komen, dienen de onderdelen B en C van artikel III terug te werken tot en met 1 januari 1998.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

K. G. de Vries

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J. F. Hoogervorst

De Staatssecretaris van Defensie,

H. A. L. van Hoof