Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal1999-200027091 nr. 3

27 091
Wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 (Technische verbeteringen en aanpassingen)

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

ALGEMEEN

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het zonder meer instemmend luidt/uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat (atikel 25a, vierde lid, onderdeel b, van de Wet op de Raad van State).

De in dit wetsvoorstel vervatte wijzigingen van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 (Stb. 1999, 184) en enkele andere wetten, vallen uiteen in drie delen.

In de eerste plaats gaat het om het aanbrengen van tekstuele verduidelijkingen en een aantal technische aanpassingen.

In de tweede plaats wordt een beperkt aantal inhoudelijke onvolkomenheden gerepareerd, die naar voren zijn gekomen bij de verdere uitwerking van het handhavingsbeleid van de Arbeidsinspectie na aanvaarding van het wetsvoorstel Arbeidsomstandighedenwet 1998 door de Tweede Kamer, en bij de uitvoering van het handhavingsbeleid na inwerkingtreding van de wet. Het betreft de sanctionering van het niet nakomen van een bevel tot stillegging van de Arbeidsinspectie (onderdeel P), de termijn waarbinnen een bestuurlijke boete moet zijn opgelegd ingeval sprake is van ernstig ongeval (onderdeel S) en het gelijkstellen van onder andere de maatschap met een rechtspersoon (onderdeel R), zodat bij een boeteprocedure niet alle maten afzonderlijk behoeven te worden aangesproken.

In de derde plaats wordt de Arbeidsomstandighedenwet 1998 aangepast om tegemoet te komen aan wensen van de Europese Commissie. In mijn brief van 10 mei 1999 (kamerstukken II 1998/99, 25 879, nr. 47) over de «Nederlandse inzet gericht op modernisering van Europese regelgeving op het terrein van arbeidsomstandigheden», is aangegeven dat de Commissie in het kader van een inbreukprocedure een met redenen omkleed advies heeft uitgebracht over de Nederlandse tenuitvoerlegging van de Kaderrichtlijn van 12 juni 1989, betreffende de veiligheid en gezondheid van de werknemers op het werk (PbEG L 183, hierna genoemd: de kaderrichtlijn).

De bijlage bij die brief bevatte een schrijven (d.d. 29 maart 1999) van de Nederlands Permanente Vertegenwoordiging aan de Commissie, waarin werd toegezegd dat de Nederlandse regelgeving op twee punten zal worden aangepast om aan kritiek van de Commissie tegemoet te komen over de Nederlandse tenuitvoerlegging van de kaderrichtlijn. Dit wetsvoorstel voorziet daarin (Artikel I, onderdelen C, G en H). De Commissie heeft inmiddels tot uitstel van de inbreukprocedure op deze punten besloten.

Financiële gevolgen voor het bedrijfsleven en de collectieve sector

De financiële effecten van dit wetsvoorstel voor het bedrijfsleven en de collectieve sector zijn uiterst miniem.

Er zijn drie voorstellen die voor bedrijven en instellingen in administratieve zin betekenis kunnen hebben, waarvan er twee voortvloeien uit door de Europese Commissie in het kader van de voornoemde inbreukprocedure gestelde eisen.

Dat is in de eerste plaats onderdeel C, onder 4. Kern daarvan is dat expliciet wordt gemaakt dat bij de registratie van ongevallen in de ongevallenlijst (als onderdeel van de risico-inventarisatie en -evaluatie) de aard van het ongeval en de datum ervan moet worden vermeld. Of dit daadwerkelijk een administratieve lastenverzwaring met zich brengt valt overigens te betwijfelen. De registratieverplichting bestond al en zal in de praktijk logischerwijs veelal reeds conform het voorstel worden ingevuld.

In de tweede plaats gaat het om onderdeel G, onder 2. Daarin wordt aangegeven dat de werkgever aan de bedrijfshulpverleners alsmede aan de ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging of bij afwezigheid daarvan de belanghebbende werknemers, mededeling doet van het feit dat de melding aan de Arbeidsinspectie van een ernstig ongeval als bedoeld in artikel 9, heeft plaatsgevonden. Ook dit vloeit voort uit de door de Europese Commissie gestelde eisen. Het aantal ongevallen dat aan de Arbeidsinspectie gemeld moet worden – en dus ook binnen de onderneming aan de bedrijfshulpverleners en de ondernemingsraad – wordt geschat op 3500 tot 4000 per jaar. De administratieve last die voortvloeit uit onderdeel G, onder 2, is daarmee uiterst beperkt.

Tenslotte is onderdeel C, onder 7 van belang. Hierin wordt voorgesteld dat een werkgever die arbeid doet verrichten door een werknemer die hem ter beschikking wordt gesteld (de inlenende werkgever), niet de gehele risico-inventarisatie enevaluatie aan degene die de werknemer ter beschikking stelt (de uitlenende werkgever) behoeft te verstrekken, doch slechts een onderdeel hiervan, namelijk de beschrijving van de gevaren en risicobeperkende maatregelen en van de risico's voor de werknemer op de in te nemen arbeidsplaats. Hiermee worden de administratieve lasten voor de inlenende werkgever verlicht, terwijl de werknemer toch de voor hem relevante informatie ontvangt.

Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

Met het wetsvoorstel wordt door diverse tekstuele en technische aanpassingen de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 verbeterd. Te noemen zijn onderdeel I, onder 3, waarin de bedoeling van de wetgever duidelijker worden verwoord teneinde tegemoet te komen aan in de praktijk gebleken interpretatieproblemen, en de onderdelen R en S, waarmee lering wordt getrokken uit de ervaringen van de Arbeidsinspectie bij de handhaving van de wet.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel I. Wijziging Arbeidsomstandighedenwet 1998

Onderdeel A

In artikel 1, onderdeel i, is het begrip «ongeval» gedefinieerd. Deze term wordt vervangen door de term «arbeidsongeval». Tevens wordt de definitie aangepast. De formulering «en ertoe heeft geleid, dat de werknemer tijdens de werktijd de arbeid heeft gestaakt en niet meer heeft hervat dan wel met de arbeid geen aanvang heeft gemaakt» wordt vervangen door «en heeft geleid tot ziekteverzuim». Ziekteverzuim houdt tevens in het niet verrichten dan wel staken van arbeid. De gewijzigde begripsomschrijving is duidelijker: verzuim wegens ziekte geeft expliciet het gevolg van de plotselinge gebeurtenis aan. Daarnaast sluit het beter aan bij de terminologie van artikel 9 eerste lid, onderdeel c, van de kaderrichtlijn: arbeidsongevallen welke voor de werknemer hebben geleid tot een arbeidsongeschiktheid van meer dan drie werkdagen. Overigens vallen ongevallen in het woon–werkverkeer buiten de definitie van arbeidsongeval.

Onderdeel C

In artikel 5 van de wet wordt afwisselend de term «risico-inventarisatie en -evaluatie» en de term «inventarisatie en evaluatie» gebruikt. De vastlegging in een inventarisatie en evaluatie van de risico's die arbeid voor de werknemers met zich meebrengt, wordt het duidelijkst omschreven met eerstgenoemde term, die ook in de praktijk gangbaar is. Deze wordt derhalve thans consequent gebruikt.

Daarnaast wordt artikel 5 aangepast naar aanleiding van kritiek vanuit de Europese Commissie. Ingevolge artikel 10, derde lid, onderdeel b, van de kaderrichtlijn dienen werknemersvertegenwoordigers met specifieke taken op het gebied van veiligheid en gezondheid of werknemers met dergelijke specifieke taken, toegang te hebben tot de ongevallenlijst, alsmede tot de ongevalsrapporten die de werkgever aan de Arbeidsinspectie zendt. Artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de kaderrichtlijn geeft aan wat op de lijst dient te staan, namelijk: arbeidsongevallen welke voor de werknemer hebben geleid tot een arbeidsongeschiktheid van meer dan drie werkdagen. In de Arbeidsomstandighedenwet 1998 was de verplichting ex artikel 10, derde lid, onderdeel b, van de kaderrichtlijn niet expliciet geregeld. Om te voldoen aan deze verplichting worden in dit wetsvoorstel aanpassingen van artikel 5 en artikel 9 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 voorgesteld.

In artikel 5, tweede en vijfde lid, wordt meer expliciet gemaakt dat de risico-inventarisatie en -evaluatie mede de lijst van arbeidsongevallen omvat en dat alle werknemers tot die lijst toegang hebben. In de lijst dient te worden geregistreerd wanneer het arbeidsongeval heeft plaatsgevonden en wat de aard is van het arbeidsongeval. Het betreft hier alle arbeidsongevallen, zoals gedefinieerd in artikel 1, derde lid, onderdeel i.

Het vernummerd artikel 5, zesde lid, wordt zodanig gewijzigd dat een inlenende werkgever niet de gehele risico-inventarisatie -evaluatie aan een uitlenende werkgever behoeft te verstrekken, doch een onderdeel hiervan, namelijk de beschrijving van de gevaren en risicobeperkende maatregelen en van de risico's voor de werknemer op de in te nemen arbeidsplaats. De uitlenende werkgever, bij wie de betrokken werknemer in dienst is, dient deze beschrijving aan de werknemer door te geven. De bedoeling van deze beperking is om te komen tot meer maatwerk en om de administratieve lasten voor de inlenende werkgever te verlichten, terwijl de werknemer toch de voor hem relevante informatie ontvangt (zie ook bij artikel III van deze toelichting).

Onderdeel D

Het overtreden van bepalingen, waarvoor civielrechtelijke afdoening of het opleggen van een bestuurlijke boete vanwege de ernst van de daaraan verbonden risico's niet aan de orde is, wordt in de Arbeidsomstandighedenwet 1998 aangemerkt als strafbaar feit. Strafbaarstelling vindt plaats door middel van de Wet op de economische delicten (WED). Bij de in Arbeidsomstandighedenwet 1998 doorgevoerde wijziging op de WED is bepaald dat het overtreden van voorschriften gesteld bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet 1998 onder artikel 1, onder 3°, van de WED valt. Artikel 2 van de WED stelt: «de economische delicten, bedoeld in artikel 1, onder 3°, zijn misdrijven of overtredingen, al naar gelang zij in de desbetreffende voorschriften als misdrijf dan wel als overtreding zijn gekenmerkt». Voorheen viel het niet naleven van strafrechtelijk gesanctioneerde bepalingen uit de Arbeidsomstandighedenwet onder artikel 1, onder 4°, van de WED, en was dit altijd een overtreding. Thans dient in het voorschrift zelf aangegeven te worden of het niet naleven van het betreffende voorschrift een misdrijf of overtreding is.

In artikel 6, eerste lid, laatste volzin, is opgenomen dat er bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld met betrekking tot de daar onder a tot en met f genoemde punten. In dit wetsvoorstel is conform de systematiek van de wet toegevoegd dat bij het niet naleven van genoemde regels, waarbij is bepaald dat het niet naleven daarvan een strafbaar feit is, dit een overtreding is. Deze toevoeging houdt in dat de mogelijkheid bestaat dat slechts het niet naleven van bepaalde regels als strafbaar feit is aangewezen. Er dient bij of krachtens algemene maatregel van bestuur uitdrukkelijk bepaald te worden dat het overtreden van de regels een strafbaar feit oplevert. Zou een dergelijke bepaling ontbreken, dan zou overtreding van de regels bijvoorbeeld onder het bestuurlijke boeteregime kunnen vallen. De algemene maatregel van bestuur, waar de in artikel 6, eerste lid, genoemde regels zijn opgenomen, is het Besluit risico's zware ongevallen 1999 (BRZO 99), dat overigens onder meer mede gebaseerd is op de Wet milieubeheer en de Brandweerwet. Bepaald is dat het niet naleven van deze regels in alle gevallen een strafbaar feit is. Van de mogelijkheid die de voorgestelde formulering biedt om het overtreden van bepaalde regels ex artikel 6 van de wet niet strafrechtelijk doch bijvoorbeeld met een bestuurlijke boete af te doen wordt thans nog geen gebruik gemaakt. Dit zou echter in de toekomst kunnen wijzigen, bijvoorbeeld bij wijzigingen in de milieuwetgeving.

Onderdeel F

De wijziging in onderdeel F, sub 1, wordt toegelicht in de toelichting op onderdeel H.

Bij de behandeling van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 in de Tweede Kamer (Kamerstuk 1998–1999 25 879, nr. 10) is aan artikel 8 van de wet inzake voorlichting en onderricht aan werknemers een vijfde lid toegevoegd, dat ertoe strekt om bij de uitvoering van deze verplichtingen in het bijzonder rekening te houden met eigenschappen van jeugdige werknemers, zoals beperkte werkervaring en onvoltooide lichamelijke en geestelijke ontwikkeling. Daarbij is het begrip jeugdige werknemer niet nader gedefinieerd. In het Arbeidsomstandighedenbesluit is bepaald dat onder jeugdige werknemers wordt verstaan: werknemers jonger dan 18 jaar. Deze leeftijdsgrens is nu ook expliciet in de wet opgenomen, in het vijfde lid van artikel 8.

Onderdeel G

In artikel 9, eerste lid, is de meldingsplicht van ernstige arbeidsongevallen van de werkgever aan de Arbeidsinspectie opgenomen. In verband met de wijziging in de definities van het begrip «ongeval» in «arbeidsongeval» is dit artikellid geherformuleerd. Tevens is door de toevoeging «en rapporteert hierover schriftelijk» duidelijk gemaakt dat het onverwijld melden van het arbeidsongeval en het schriftelijk rapporteren, twee aparte handelingen zijn. Dit om aan te geven dat het niet de bedoeling is dat de werkgever een zwaar arbeidsongeval alleen bij brief rapporteert, zodat de Arbeidsinspectie deze rapportage op zijn vroegst de volgende dag ontvangt en dan pas actie kan ondernemen. Het is van groot belang dat de ambtenaar van de Arbeidsinspectie zo nodig direct, dezelfde dag, de situatie kan bekijken. Derhalve dient de werkgever onmiddellijk, per telefoon, per fax of per e-mail het zware arbeidsongeval te melden, en dit vervolgens zo spoedig mogelijk schriftelijk te bevestigen. Poliklinische behandeling in een ziekenhuis wordt overigens niet beschouwd als opname in een ziekenhuis als bedoeld in artikel 9.

Artikel 9, tweede lid, is, evenals artikel 5 (zie onderdeel B van deze toelichting), aangepast om te voldoen aan de verplichting welke voortvloeit uit artikel 10, derde lid, onderdeel b, van de kaderrichtlijn: de werknemersvertegenwoordigers met specifieke taken op het gebied van veiligheid en gezondheid of werknemers met dergelijke specifieke taken, moeten toegang hebben tot de ongevallenlijst alsmede tot de ongevalsrapporten die de werkgever naar de Arbeidsinspectie zendt. De Europese Commissie heeft onder meer aangegeven dat de werknemersvertegenwoordigers en de bedrijfshulpverleners direct kennis moeten kunnen nemen van een ernstig arbeidsongeval. Aan artikel 9 wordt een nieuw tweede lid toegevoegd op grond waarvan de werkgever aan de bedrijfshulpverleners, alsmede aan de ondernemingsraad, de personeelsvertegenwoordiging, of bij het ontbreken daarvan, de belanghebbende werknemers, onverwijld mededeling dient te doen dat een ongevalsmelding aan de Arbeids-inspectie heeft plaatsgevonden. De ondernemingsraad en in kleine ondernemingen de personeelsvertegenwoordiging – die op grond van de Wet op de ondernemingsraden en de Arbeidsomstandighedenwet 1998 diverse taken hebben op het gebied van arbeidsomstandigheden – hebben vervolgens op grond van de Wet op de ondernemingsraden het recht om die melding in te zien.

Het arbeidsongeval moet ook, met vermelding van tijdstip en aard van het arbeidsongeval, op de arbeidsongevallenlijst worden vermeld. Deze is onderdeel van de risico-inventarisatie en -evaluatie, waartoe alle werknemers – en dus ook de bedrijfshulpverleners – toegang hebben.

Evenals de handhaving van de overleg en informatieverplichtingen die in de Wet op de ondernemingsraden zijn opgenomen en in artikel 12 van deze wet, zal afdwinging van de regelgeving ex artikel 9, tweede lid, aan het civielrechtelijk domein worden overgelaten.

Onderdeel H

Artikel 11, tweede lid, onderdeel c, van de kaderrichtlijn stelt dat een evenwichtige deelname moet zijn geregeld in de vorm van overleg of raadpleging van werknemersvertegenwoordigers met specifieke taken op het gebied van veiligheid en gezondheid, of werknemers met dergelijke specifieke taken, met betrekking tot de ongevallenlijst, de ongevalsrapporten die de werkgever aan de Arbeidsinspectie zendt en met betrekking tot de bedrijfshulpverlening, dat wil zeggen het aantal werknemers dat is belast met eerste hulp, brandbestrijding en evacuatie, en over hun opleiding en uitrusting.

Om dit te realiseren wordt artikel 12, eerste lid, aangepast. In het overleg dat de werkgever met de ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging, of bij het ontbreken daarvan de belanghebbende werknemers, over het arbeidsomstandighedenbeleid moet voeren, wordt in ieder geval de bedrijfshulpverlening, bedoeld in artikel 15, aan de orde gesteld. Dit is ruimer dan in de huidige formulering, waarin het slechts gaat over de inschakeling van de bedrijfshulpverleners. In het voorstel strekt het overleg zich uit over de volle breedte van de bedrijfshulpverlening, dus inclusief aspecten als deskundigheid en uitrusting. In dit kader is ook van belang dat de werkgever de werknemers doeltreffend moet informeren over de opzet van de bedrijfshulpverlening (artikel I, onderdeel F).

Voor wat betreft het overleg over de ongevallenlijst en de ongevalsmeldingen bestaan op grond van de Wet op de ondernemingsraden voorts diverse waarborgen voor betrokkenheid van werknemersvertegenwoordigers (zoals het instemmingsrecht over de risico-inventarisatie en -evaluatie en overlegrecht over arbeidsomstandigheden).

Onderdeel I

De toepassing van hetgeen thans onder artikel 14, zevende lid, is opgenomen, heeft in de praktijk tot misverstanden geleid. In dit onderdeel wordt verduidelijkt dat de arbodienst zelf aan de ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging een afschrift van zijn advies (als bedoeld in artikel 14, derde lid, onderdeel a) aan de werkgever over de risico-inventarisatie en -evaluatie moet zenden, zoals bij de behandeling van het wetsvoorstel Arbeidsomstandighedenwet 1998 in de Tweede Kamer ook werd beoogd. Tevens wordt verduidelijkt dat adviezen gericht op het arbeidsomstandighedenbeleid (als bedoeld in artikel 14, derde lid, onderdeel e) van de deskundigen aan de ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging of de belanghebbende werknemers, door die deskundigen in afschrift aan de werkgever worden gezonden.

Onderdeel J

Dit onderdeel vloeit voort uit de wijziging van artikel 1, derde lid, onderdeel i, (onderdeel A) waarbij het begrip «ongeval» is vervangen door het begrip «arbeidsongeval».

Onderdeel K

Bij inwerkingtreding van de Penitentiaire beginselenwet per 1 januari 1999 is de Beginselenwet Gevangeniswezen ingetrokken. In de Wet op de jeugdhulpverlening wordt niet meer gesproken over rijksinrichtingen voor de kinderbescherming, doch over rijksinrichtingen. Met dit onderdeel wordt artikel 16 aangepast aan deze wijzigingen.

Tevens wordt een volzin toegevoegd, die de grondslag vormt voor het bepaalde in artikel 1.13 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Ingevolge artikel 1.13, tweede lid, van het Arbeids-omstandighedenbesluit geldt afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht, betreffende de voorbereiding van besluiten, met name het horen, niet ten aanzien van leerlingen respectievelijk studenten in onderwijsinrichtingen.

Onderdeel L

Op grond van aanwijzing 53 van de Aanwijzingen voor de regelgeving worden voorschriften (tenzij dit onvermijdelijk is) niet met behulp van het werkwoord «moeten» geformuleerd. Met het onderhavige onderdeel wordt artikel 19 aangepast aan deze aanwijzing.

Onderdeel M

De in artikel 21, tweede lid, opgenomen passage «krachtens het tweede lid verrichte werkzaamheden» heeft taalkundig gezien betrekking op het tweede lid van artikel 21. Beoogd is te verwijzen naar de in het tweede lid van artikel 20 genoemde werkzaamheden. Genoemde passage dient derhalve vervangen te worden door: «in artikel 20, tweede lid, genoemde werkzaamheden».

Onderdeel N

Voor een goede taakvervulling is het voor de toezichthouders, bedoeld in artikel 24, veelal noodzakelijk het sociaal-fiscaal nummer (sofi-nummer) te gebruiken. Met dit nummer is immers de werknemer in de administratie van de werkgever geïdentificeerd. Uit artikel 6a van de Wet persoonsregistraties (WPR) volgt dat voor het rechtmatig gebruik van identificerende persoonsnummers, als het sofi-nummer, in beginsel een wettelijke basis aanwezig moet zijn. In het Besluit gebruik sofi-nummer is vastgelegd in welke gevallen het gebruik van het sofi-nummer kan worden toegelaten. Artikel 2, vijfde lid, van genoemd besluit stelt dat het sofi-nummer in een persoonsregistratie of bij het verstrekken van gegevens daaruit kan worden gebruikt door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid met het oog op het toezicht en de opsporing, bedoeld in, onder andere, de Arbeidsomstandighedenwet. In artikel 24, zesde lid, is de wettelijke basis opgenomen voor het gebruik van het sofi-nummer door de in artikel 24 bedoelde ambtenaren bij de uitoefening van hun taak met betrekking tot de arbeidsomstandigheden. Overigens zal dit vooral gaan om afgeleid gebruik, namelijk het kennis nemen van bescheiden met daarin het sofi-nummer, waarmee de toezichthouder bij zijn inspectietaak in contact komt.

Onderdeel O

In artikel 27, eerste lid, wordt naar heel artikel 24 verwezen, dus zowel naar de onder Onze Minister ressorterende ambtenaren (artikel 24, eerste lid) als naar de andere ambtenaren (artikel 24, tweede lid). De zinsnede «of een andere door Onze Minister aangewezen ambtenaar» is overbodig en kan vervallen.

Onderdeel P

Naast het verzegelen van arbeidsmiddelen, kan het noodzakelijk zijn arbeidsplaatsen te verzegelen, bijvoorbeeld een plaats waar asbest is geconstateerd. Het vijfde lid van artikel 28 is hierop aangepast.

In artikel 1 van de Wet op de economische delicten (WED) is opgenomen welke bepalingen van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 onder het strafrecht vallen. Bij artikel 46 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 is artikel 1 van de WED zodanig gewijzigd dat de strafrechtelijk gesanctioneerde bepalingen van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 (de artikelen 6, 10, 16, 28, 32 en 33) in de Arbeidsomstandighedenwet 1998 zelf aangemerkt dienen te worden als misdrijf dan wel overtreding (voorheen was dit een overtreding). In eerste instantie is in de Arbeidsomstandighedenwet 1998 slechts het niet naleven van artikel 32 als misdrijf aangemerkt (zie ook de toelichting bij onderdeel D). Het opzettelijk niet opvolgen van een bevel, waarbij een toezichthoudende ambtenaar aangeeft dat personen niet mogen blijven in door hem aangewezen plaatsen, of dat door hem aangewezen werkzaamheden dienen te worden gestaakt dan wel niet mogen worden aangevangen (artikel 28, eerste lid) en het opzettelijk niet opvolgen van een met betrekking tot een bevel gegeven aanwijzing (artikel 28, vijfde lid), moet worden beschouwd als een misdrijf. De toezichthoudende ambtenaar hanteert een bevel tot stillegging immers uitsluitend als er sprake is van direct ernstig gevaar voor de veiligheid of de gezondheid van personen. De werkgever aan wie een dergelijk bevel is gegeven, weet wanneer hij toch die handelingen laat plegen die door middel van de stillegging zijn verboden, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer van zijn werknemers ontstaat of te verwachten is. In artikel 32 is dit laatste aangemerkt als misdrijf. Daarnaast wordt het niet voldoen aan een bevel, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een hiertoe bevoegde ambtenaar, in artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht aangemerkt als misdrijf. Het verbreken van een zegel wordt in artikel 199 van het Wetboek van Strafrecht als misdrijf aangemerkt. De sanctionering van artikel 28 is met artikel 32 van de wet en de artikelen 184 en 199 van het Wetboek van Strafrecht hierbij in overeenstemming gebracht.

Onderdeel Q

Bij de behandeling van het wetsvoorstel Arbeidsomstandighedenwet 1998 is in artikel 5, tweede lid, ingevoegd dat de werkgever over de jaarlijkse voortgangsrapportage op het plan van aanpak overleg voert met de ondernemingsraad, de personeelsvertegenwoordiging, of bij het ontbreken daarvan, met de belanghebbende werknemers, waarbij in ieder geval aan de orde komt het al dan niet meer actueel zijn van de risico-inventarisatie en -evaluatie.

Het onderhavige onderdeel strekt ertoe om het niet voldoen aan dit overleg langs civielrechtelijke weg af te dwingen, conform de hoofdlijn van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 waarin bepalingen omtrent overleg tussen werkgever en werknemers(vertegenwoordiging) een civielrechtelijk sanctiestelsel kent.

Onderdeel R

Bij het opleggen van de bestuurlijke boete ondervindt de Arbeidsinspectie hinder van het feit dat in het bestuursrecht nog niet is geregeld dat de ondernemingen die geen rechtspersoonlijkheid bezitten, als bijvoorbeeld de vennootschap onder firma en de maatschap, gelijkgesteld zijn met een rechtspersoon. In het strafrecht is dit wel geregeld (artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht). Bij de Arbeidsinspectie staat in het automatiseringssysteem de naam van de onderneming of instelling geregistreerd, en niet de afzonderlijke vennoten of maten. Daarnaast is de identiteit van de aan te spreken personen, bijvoorbeeld bij een maatschap, niet altijd bekend. In het voorontwerp van de vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht wordt dit ondervangen door in artikel 5.0.1, tweede lid, op te nemen dat onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt. Uit het woord «degene» volgt dat bestuurlijke sancties kunnen worden opgelegd aan zowel natuurlijke als rechtspersonen, en ook aan de in artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht afzonderlijk genoemde entiteiten die geen rechtspersoon in civielrechtelijke zin zijn, zoals onder meer de maatschap en de vennootschap onder firma. Artikel 34, eerste lid, wordt in die lijn aangepast.

Onderdeel S

Op grond van artikel 9 moeten ernstige arbeidsongevallen aan de Arbeidsinspectie gemeld worden. In 1998 vonden circa 3700 meldingen plaats. Indien aan het ongeval een beboetbaar feit ten grondslag ligt voldoet de standaardtermijn van 8 weken niet. In de praktijk neemt een dergelijk onderzoek – in verband met de daarbij te betrachten zorgvuldigheid – in de meeste gevallen enige maanden in beslag. Deze tijd is nodig in verband met het onderzoek ter plekke, het laten uitvoeren van beproevingen, metingen, laboratoriumonderzoek, e.d. het horen van getuigen, werkgever en slachtoffer. Tevens vindt een analyse van de achterliggende oorzaken van het ongeval plaats. De termijn van 8 weken wordt ingeval sprake is van ongevalsonderzoek derhalve vrijwel altijd overschreden. Indien er voor zou worden gekozen hier evenals in de Algemene wet bestuursrecht te regelen, dat bij overschrijding van de termijn de belanghebbende daarvan in kennis wordt gesteld met het noemen van een redelijke termijn waarbinnen de beschikking kan worden tegemoet gezien, zouden belanghebbenden daarvan in geval van ongevallen wegens de hiervoor beschreven werkwijze bijna steeds op de hoogte moeten worden gesteld. Een dergelijke procedure bevordert de voortgang van de boete-oplegging niet. Daarom wordt in dit onderdeel deze termijn, ingeval sprake is van een meldingsplichtig arbeidsongeval, verlengd tot maximaal 16 weken, te rekenen vanaf het tijdstip van de melding. Het getuigt van behoorlijk bestuur om in de wet reeds op voorhand de juiste termijn te vermelden.

Er is voor gekozen de start van de termijn van 16 weken te koppelen aan het tijdstip van de melding vaan de Arbeidsinspectie en niet aan het tijdstip van de vaststelling van het beboetbaar feit. Immers, niet altijd is van het begin af aan duidelijk om welk beboetbaar feit het gaat. Het ongevalsonderzoek kan er mede op gericht zijn om juist duidelijk te maken om welk beboetbaar feit het gaat, dan wel er kan uit blijken dat het om een strafbaar feit gaat in plaats van om een beboetbaar feit. Als de ambtenaar van de Arbeidsinspectie op enig moment vaststelt dat een ongeval ten onrechte niet is gemeld, spreekt hij de werkgever daarop aan. De termijn van 16 weken, die geldt voor de boetebeschikking ten aanzien van een beboetbaar feit dat en grondslag ligt aan het ongeval, begint dan te lopen op het moment dat de ambtenaar kennis heeft genomen van het ongeval Aan de maximale standaardtermijn van 16 weken zal in veruit de meeste gevallen worden voldaan. Het beleid blijft er uiteraard op gericht dat arbeidsongevallen met hoge prioriteit en zo zorgvuldig mogelijk worden onderzocht. Het lik op stuk karakter wordt met de verlengde termijn – gegeven de huidige praktijk – niet aangetast. Onder het strafrechtelijke regime van de vorige Arbeidsomstandighedenwet besloeg de tijd tussen een arbeidsongeval en een transactie of een veroordeling gemiddeld tussen de één en anderhalf jaar.

Onderdeel T

Met de term «constateren» van artikel 41, eerste lid, wordt hetzelfde bedoeld als met de term «vaststellen» van artikel 36, eerste lid, en 37, eerste lid. Voor de duidelijkheid wordt de term van artikel 41, eerste lid, aangepast aan de term uit de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid.

Onderdeel U

Met «doeltreffendheid en doelmatigheid» in artikel 47 wordt hetzelfde bedoeld als met «rechtmatigheid en doeltreffendheid», genoemd in artikel 21 tweede lid. Met deze wijziging wordt de terminologie gelijkgetrokken. De hier bedoelde evaluatie heeft alleen betrekking op het functioneren van certificerende instellingen.

Onderdeel V

Bij artikel 48 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 is de Arbeidsomstandighedenwet en daarmee ook de wettelijke grondslag voor het Besluit risico's zware ongevallen 1999 (het BRZO 99) ingetrokken. Daarbij is verzuimd om voor het BRZO 99 een vervangende wettelijke grondslag te creëren, zoals wel is gebeurd ten aanzien van het Arbeidsomstandig-hedenbesluit en de Arbeidsomstandighedenregeling. Bij deze wordt deze omissie met terugwerkende kracht (zie artikel IX) hersteld om over de betekenis van het BRZO 1999 vanuit de invalshoek van de arbeidsomstandigheden in het algemeen geen onduidelijkheid te creëren. Zoals in toelichting bij onderdeel D omtrent het BRZO is gemeld, bevat dit besluit een bepaling op grond waarvan overtreding van de bepalingen betreffende het veiligheidsrapport aangewezen zijn als strafbaar feit (een economisch delict). Het veiligheidsrapport is een geïntegreerd document, dat naast het belang van de werknemers ook de milieubescherming en brandveiligheid dient. Met het met terugwerkende kracht wijzigen van de één van de grondslagen van het BRZO 1999 wordt niet de werking van het besluit inclusief de strafbaarstelling met terugwerkende kracht gewijzigd. Dit neemt niet weg, dat strafvervolging wegens overtreding van het BRZO, voor zover die strekt tot uitvoering van de Arbowet 1998, niet mogelijk is voordat deze wijzigingswet in werking is getreden.

Onderdeel W

Voor de toepassing van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 worden vrijstellingen, ontheffingen en besluiten, genomen op grond van het bij of krachtens de (oude) Arbeidsomstandighedenwet bepaalde, en die op het tijdstip van het in werking treden van deze wet nog van kracht zijn, geacht te zijn verleend c.q. genomen krachtens deze wet.

Ten onrechte wordt in artikel 51 verwezen naar artikel 49, in plaats van naar artikel 48 (intrekking van de Arbeidsomstandighedenwet). Bij deze wordt dit met terugwerkende kracht hersteld.

Onderdeel X

Artikel 54 verwijst naar het wetsvoorstel ter implementatie van de Seveso-II richtlijn. De artikelen 6 en 7 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 zijn ontleend aan de wetgeving ter implementatie van de Seveso-II richtlijn, en konden derhalve pas na de implementatie van de Seveso-II richtlijn in werking treden. Op het moment dat de tekst van deze wet tot stand kwam, was het niet duidelijk of deze wet dan wel de wet ter implementatie van de Seveso-II richtlijn als eerste in werking zou treden. Voor het geval de Arbeidsomstandighedenwet 1998 als eerste in werking zou treden, is in artikel 54 opgenomen dat in dat geval de artikelen 6 en 7 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 vervangen worden door het in artikel 54 opgenomen artikel 6, dat analoog is aan artikel 5 van de (oude) Arbeidsomstandighedenwet. In het wetsvoorstel ter implementatie van de Seveso-II richtlijn zijn de nieuwe artikelen 6 en 7 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 opgenomen.

Aangezien de wet ter implementatie van de Seveso-II richtlijn vóór inwerkingtreding van deze wet (met ingang van 19 juli 1999) in werking is getreden, heeft artikel 54 heeft geen betekenis meer en kan derhalve vervallen.

Artikel II. Wijziging Binnenschepenwet

De terminologie wordt aangepast aan de terminologie uit de Arbeidsomstandighedenwet 1998. In plaats van over de veiligheid, gezondheid en het welzijn, wordt de term arbeidsomstandigheden gebruikt.

Artikel III. Wijziging Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs

In artikel 11 van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs wordt nog verwezen naar artikel 4, vijfde lid, van de (oude) Arbeidsomstandighedenwet. Met het onderhavige onderdeel wordt die verwijzing vervangen door een verwijzing naar het overeenkomstige artikel in de Arbeidsomstandighedenwet 1998, ingevolgde dit wetsvoorstel vernummerd tot artikel 5, zesde lid. Daarin is gespecificeerd welke informatie de werkgever die arbeid doet verrichten door een werknemer die hem ter beschikking wordt gesteld, aan de uitlener moet verstrekken, opdat de uitlener die informatie ter kennis brengt van de betrokken werknemer. Dit artikellid beoogt er in te voorzien, dat de uitgezonden werknemer tijdig wordt geïnformeerd over veiligheidsaspecten van het werk. De uitlenende werkgever blijft er voor verantwoordelijk dat de betrokken werknemer adequaat wordt geïnformeerd over de veiligheid van de werkplek.

Artikel IV. Wijziging Wet Medezeggenschap Onderwijs 1992

Onderdeel A

Conform de terminologie die in de Arbeidsomstandighedenwet 1998 wordt gebruikt, wordt in artikel 6, onderdeel f, «de veiligheid, de gezondheid en het welzijn», vervangen door de term arbeidsomstandigheden.

Onderdeel B

Artikel 15, zesde lid, wordt gewijzigd. De daar geformuleerde opsomming van bevoegdheden is niet meer actueel. Het verzoek om wetstoepassing (zesde lid, onderdeel b) stond in artikel 40 van de oude Arbeidsomstandighedenwet, doch is niet opgenomen in de Arbeidsomstandighedenwet 1998. De reden hiervoor is deels dat deze mogelijkheid overbodig wordt geacht omdat bij een geschil een klacht kan worden ingediend bij de Arbeidsinspectie die deze altijd onderzoekt, en deels omdat het niet past in het beoogde stelsel dat het bestuursorgaan als arbiter optreedt inzake dergelijke geschillen tussen partijen. Om dezelfde redenen is het verzoek om wetstoepassing thans uit de Wet Medezeggenschap Onderwijs 1992 geschrapt.

Het recht een bezwaarschrift in te dienen (zesde lid onderdeel c) vloeit niet voort uit de Arbeidsomstandighedenwet 1998 of algemene maatregel van bestuur, doch uit de Algemene wet bestuursrecht.

De algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 16 van de Arbeidsomstandighedenwet, waar het zesde lid van artikel 15 naar verwijst, is het Arbeidsomstandighedenbesluit. In artikel 1.11 van het Arbeidsomstandighedenbesluit komen de rechten en bevoegdheden, welke in plaats van aan de ondernemingsraad aan de medezeggenschapsraad zijn toegekend, aan de orde. De bevoegdheden van de medezeggenschapsraad, bedoeld in artikel 15, derde lid, onderdeel c, zijn neergelegd in artikel 1.11 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Thans volstaat derhalve te verwijzen naar de bevoegdheden die krachtens de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en het Arbeidsomstandighedenbesluit aan de medezeggenschapsraad zijn toegekend.

Artikel V. Wijziging Wet op de economische delicten

Door de bij de Arbeidsomstandighedenwet 1998 doorgevoerde wijziging in de Wet op de economische delicten is het niet naleven van strafrechtelijk gesanctioneerde voorschriften uit de Arbeidsomstandighedenwet 1998 een misdrijf of een overtreding, al naar gelang het in het desbetreffende voorschrift als misdrijf dan wel als overtreding is gekenmerkt. Artikel 6 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 verwijst naar regels welke bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden gesteld. In het betreffende voorschrift wordt aangegeven of er sprake is van een strafbaar feit. Bij het niet naleven van de voorschriften ex artikel 6, wordt derhalve slechts een strafrechtelijke sanctie opgelegd indien dat in de betreffende algemene maatregel van bestuur is opgenomen. In dit verband zij ook gewezen naar de toelichting, onderdeel D.

Artikel VI. Wijziging Wet op de ondernemingsraden

Onderdeel A

De in artikel 28, eerste lid, Wet op de ondernemingsraden genoemde bevoegdheid van de ondernemingsraad om de naleving van de voor de onderneming geldende voorschriften op het gebied van de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid te bevorderen, doelt onder meer op bevordering van het arbeidsomstandighedenbeleid, bedoeld in artikel 3 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998. De tekst van artikel 28, eerste lid, WOR is hierop aangepast.

Onderdeel B

De zinsnede «een aanwijzing is gegeven» in artikel 36, zesde lid, verwijst nog naar de inmiddels vervallen aanwijzing van artikel 35 van de (oude) Arbeidsomstandighedenwet en dient derhalve ook te vervallen. De verwijzing naar de (oude) Arbeidsomstandighedenwet wordt vervangen door een verwijzing naar de Arbeidsomstandighedenwet 1998.

Artikel VII. Wijziging Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten

Onderdeel A

Aangezien het begrip arbodienst thans in de Arbeidsomstandighedenwet 1998 wordt gedefinieerd, wordt voor de uniformiteit volstaan met een verwijzing naar die definitie.

Onderdeel B

In artikel 9 wordt, onder meer, verwezen naar het niet bestaande zevende lid van artikel 27 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998. Bedoeld wordt het zesde lid van artikel 27. Met het onderhavige onderdeel wordt dit gecorrigeerd.

Artikel VIII. Wijziging Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

De terminologie wordt aangepast aan de terminologie uit de Arbeidsomstandighedenwet 1998. In plaats van over de veiligheid, gezondheid en het welzijn, wordt de term arbeidsomstandigheden gebruikt.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J. F. Hoogervorst