A
ADVIES RAAD VAN STATE VAN HET KONINKRIJK EN REACTIE VAN DE INDIENERS
Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State d.d. 19-6-2000
(No.W04.00.0158/I) en de reactie van de indieners d.d. 13-12-2000, aangeboden
aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Het advies van
de Raad van State is cursief afgedrukt.
Bij brief van de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van
13 april 2000, heeft de Tweede Kamer bij de Raad van State ter overweging
aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting van de
leden Van Wijmen en Ross-van Dorp tot wijziging van de Wet op de adeldom in
verband met het wegnemen van onevenwichtigheden in het overheidsbeleid ten
aanzien van adellijke ouders en hun kinderen (overerving adeldom in de vrouwelijke
lijn).
Het initiatiefwetsvoorstel beoogt de Wet op de adeldom op een tweetal
punten te wijzigen. Voorgesteld wordt een einde te maken aan de ongelijke
behandeling van kinderen die voor 1 augustus 1994 buiten het huwelijk
zijn geboren, alsmede het mogelijk te maken dat adeldom ook via de vrouwelijke
lijn overgaat. Het voorstel geeft de Raad van State aanleiding tot de volgende
opmerkingen.
1. De Raad merkt op dat het mogelijk maken van vererving van de adeldom
via de vrouwelijke lijn gevolgen heeft voor de regeling van het naamrecht
in het Burgerlijk Wetboek (BW). In artikel 1:5, tiende lid, BW, is bepaald
dat indien een kind, wiens vader van adel is, niet zijn geslachtsnaam verkrijgt,
de adeldom niet overgaat op het kind. Dit artikellid is overbodig als het
voorgestelde artikel 3 van het initiatiefwetsvoorstel in werking treedt. Artikel
1:5, tiende lid, BW, zou dan ook moeten vervallen.
1. De indieners delen de mening van de Raad van State en nemen het voorstel
van de Raad op in het Voorstel van wet.
2. Ingevolge het geldende artikel 3 van de Wet op de adeldom gaat adeldom
ook over op buiten het huwelijk geboren kinderen. Dit artikel heeft slechts
consequenties voor kinderen die geboren zijn of worden na de inwerkingtreding
van de genoemde wetswijziging uit 1994. Zoals in de memorie van toelichting
wordt opgemerkt, heeft dit tot gevolg dat kinderen binnen hetzelfde gezin
met dezelfde ouders en dezelfde geslachtsnaam ongelijk worden behandeld. De
oudste kinderen worden adelsrechtelijk als bastaarden uitgesloten, terwijl
de jongsten van adel zijn.1 Het wetsvoorstel strekt
er mede toe om deze ongelijkheid weg te nemen. Om dit te bewerkstelligen wordt
in het voorgestelde nieuwe artikel 3 van de Wet op de adeldom
bepaald dat adeldom overgaat op «alle kinderen die in familierechtelijke
betrekking staan tot de adellijke ouder». Deze formulering roept de
vraag op of een kind dat voor 1 augustus 1994 buitenechtelijk is geboren
uit een adellijke vader en een niet adellijke moeder van adel wordt indien
de vader voor de inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel is overleden.
In het geval dat een kind voor 1 augustus 1994 buitenechtelijk is geboren
uit een adellijke vader en een niet adellijke moeder, en het kind voor de
inwerkingtreding van het wetsvoorstel is overleden, rijst dezelfde vraag ten
aanzien van de eventuele kinderen van dit overleden kind. Onduidelijk is immers
of in deze gevallen nog sprake is van «familierechtelijke betrekkingen».
Uit artikel 4:879, eerste lid, BW, waarin is bepaald dat tot de erfenis worden
geroepen «zij die tot de overledene in familierechtelijke betrekking
stonden», zou kunnen worden afgeleid dat dit niet het geval is. De Raad
acht het wenselijk dat de indieners van het wetsvoorstel in de memorie van
toelichting op deze problematiek ingaan.
2. De indieners constateren dat de Raad van State van mening is dat het
begrip «familierechtelijke betrekkingen» onvoldoende duidelijkheid
biedt of deze betrekkingen alleen van toepassing zijn op hedendaagse, bestaande,
situaties of dat ze ook betrekking kunnen hebben op situaties die in het verleden
hebben bestaan. Wanneer het laatste in juridische zin het geval is, zou dit
het effect met zich mee kunnen brengen dat niet alleen ongelijke behandeling
van kinderen in heden bestaande gezinnen zal worden weggenomen. Ook wordt
dan namelijk mogelijk dat adellijke titels worden geclaimd op grond van afstamming
van reeds (lang) overleden personen die, op grond van de bepalingen van het
onderhavige Voorstel van wet, tot de adel zouden hebben behoord, hadden zij
nog geleefd. Dit is nadrukkelijk niet de bedoeling van de initiatiefnemers.
Het is de bedoeling van de initiatiefnemers om de ongelijke behandeling van
adellijke mannen en vrouwen voor de wet teniet te doen, evenals de ongelijke
behandeling van kinderen die, volgens de huidige wetgeving, in heden bestaande
gezinssituaties kan ontstaan, of reeds is opgetreden. Daarom wensen de initiatiefnemers
de wetgeving inzake de overerving van adeldom aan hedendaagse opvattingen
aan te passen, echter niet om deze hedendaagse opvattingen, met terugwerkende
kracht, op situaties in het verleden van toepassing te laten zijn (dus geen
«Hineininterpretierung» van hedendaagse normen in de adelsgeschiedenis).
Deze overwegingen hebben de initiatiefnemers er toe gebracht om het Voorstel
van wet aan te passen.
3. Voor een redactionele kanttekening verwijst het college naar de bij
het advies behorende bijlage.
De Vice-President van de Raad van State,
H.D. Tjeenk Willink
3. De redactionele opmerkingen van de Raad zijn verwerkt. Voorts zij opgemerkt
dat inschrijving in het filiatieregister als constitutief element uit het
wetsvoorstel is geschrapt omdat deze eis ook in de bestaande verervingsregels
niet wordt gesteld.
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 19 juni 2000, no. W04.00.0158/I,
met een redactionele kanttekening die de Raad in overweging geeft.
– Het woord «sexeneutrale» en de zinsnede «op
gelijke wijze zowel in mannelijke als in vrouwelijke lijn» in het voorgestelde
artikel 3 van het wetsvoorstel zijn overbodig; artikel 3 zou daarom als volgt
kunnen worden vereenvoudigd: «Erfelijk verleende adeldom gaat, na inschrijving
in het filiatieregister, volgens de bestaande verervingsregelingen over op
alle kinderen die in familierechtelijke betrekking staan tot de adellijke
ouder en die tevens diens geslachtsnaam dragen».