27 074
Voorstel van wet van de leden Van Wijmen en Ross-van Dorp tot wijziging van de Wet op de adeldom in verband met het wegnemen van onevenwichtigheden in het overheidsbeleid ten aanzien van adellijke ouders en hun kinderen (overerving adeldom in de vrouwelijke lijn)

nr. 7
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 5 juli 2001

Inleiding

Wij danken de vaste commissie van Binnenlandse Zaken voor het uitbrengen van het verslag. De in het verslag opgenomen vragen en opmerkingen geven ons aanleiding tot de volgende reactie. Wij hebben in de beantwoording dezelfde volgorde aangehouden als in het verslag, met dien verstande dat wij overeenkomstige vragen en kanttekeningen van verschillende fracties zo veel mogelijk gezamenlijk hebben beantwoord.

Alvorens op de verschillende vragen en opmerkingen in te gaan willen wij nogmaals, kort, de aanloop tot het onderhavige wetsvoorstel uiteenzetten. In de jaren negentig is in de Tweede Kamer uitgebreid gesproken over de invulling van de Wet op de adeldom en de wijze waarop de overerving van adeldom behoort te geschieden. In de Memorie van Toelichting is uitputtend aan deze discussie gerefereerd. Wat de overerving van de adeldom in de vrouwelijke lijn betreft, hadden de beraadslagingen in de Tweede Kamer der Staten-Generaal in 1996 tot resultaat dat er twee moties werden ingediend waarin de Kamer met een zeer ruime meerderheid van stemmen de mening heeft uitgesproken dat de adellijke titel ook van de moeder op de kinderen overerfbaar behoort te zijn.

Allereerst roepen wij hierbij de motie Dittrich c.s.1 in herinnering. Niet alleen werd in deze motie door de Kamer uitgesproken:«dat het wenselijk is dat de adellijke titel ook van de moeder op de kinderen overerfbaar is». In de overweging van de motie werd namelijk tevens meegenomen dat een systeem waarbij de adellijke titel alleen van de vader op kinderen overerfbaar is en niet van de moeder op kinderen op gespannen voet staat met artikel 1 van de Grondwet, de Algemene wet gelijke behandeling en diverse internationale verdragen, waaronder het BUPO-verdrag en het Vrouwenverdrag2. Deze motie is met de steun van de fracties van PvdA, CDA, VVD, D66, Groen Links, Groep Nijpels en de fractie Hendriks door de Kamer aangenomen3. In de aanloop tot deze motie, tijdens de plenaire behandeling van de wijziging van de artikelen 5 en 9 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, werd door de woordvoerder van de D66-fractie gezegd dat hij het niet in overeenstemming met de gelijkwaardigheid van man en vrouw achtte dat adeldom alleen maar via de patriarchale lijn erfbaar is. Hij verklaarde dit zelfs strijdig te vinden met de Grondwet, de Algemene wet gelijke behandeling alsmede verdragen, zoals het BUPO-verdrag en het Vrouwenverdrag1. De woordvoerder van de CDA-fractie benadrukte dat:«Bij de behandeling van de Wet op de adeldom is gesteld dat de adellijke titel in wezen deel uitmaakt van de naam en daarom mee zou moeten kunnen overgaan». Voorts wees zij erop dat het Verenigd Koninkrijk bij de ratificering van het Vrouwenverdrag een voorbehoud had gemaakt voor zijn adel en dat, aangezien Nederland dit niet heeft gedaan, de oproep in dit Verdrag om mannen en vrouwen gelijk te behandelen dus ook op de Nederlandse adel van toepassing is2. Ook de woordvoerder van de PvdA-fractie wees op het ontbreken van een Nederlands voorbehoud in het Vrouwenverdrag ten aanzien van de behandeling van de adel. Tevens vestigde zij de aandacht op de, volgens de PvdA-fractie, sekseneutraal geformuleerde overervingsregels in het KB uit 1815. Ook sprak zij de vrees uit dat het niet kunnen overerven van de titel van de vrouw, gekoppeld aan haar naam strijdig is met internationale verdragen3. In dit debat verklaarde de woordvoerder van de VVD-fractie dat haar fractie niet de conserverende redenatie van het kabinet inzake de adeldom als historisch instituut steunt: «De VVD-fractie vindt niet dat die redenering het moet winnen van het principe van gelijke behandeling en het internationale verdragsrecht»4.

De tweede motie die ten grondslag ligt aan dit wetsvoorstel is de motie Scheltema-de Nie c.s.5. In deze motie, gesteund door de fracties van PvdA, CDA, VVD, D66, Groen Links, Groep Nijpels, AOV en de fractie Hendriks6, werd de regering opgeroepen om: «vóór 1 juli 1997 een voorstel van wet op de adeldom voor te bereiden opdat adeldom op gelijke wijze overgaat via de mannelijke en de vrouwelijke lijn»7. Voorafgaand aan de indiening van deze motie heeft de vaste commissie van Binnenlandse Zaken op 11 december 1996 met de Minister van Binnenlandse Zaken een algemeen overleg gevoerd over de overerfbaarheid van adellijke titels. Tijdens dit overleg werd door de woordvoerders van de fracties van D66, PvdA, CDA, VVD en de Groep-Nijpels duidelijk te kennen gegeven dat zij van mening waren dat adellijke titels ook via de vrouwelijk lijn overerfbaar behoorden te zijn8. Nog duidelijker brachten zij dit op 18 december 1996 voor het voetlicht tijdens het plenaire debat naar aanleiding van het algemeen overleg van 11 december 1996. De toenmalige woordvoerder van D66 diende toen de hiervoor genoemde motie in en motiveerde deze als volgt: «Het vorige kabinet ging bij de indiening van het voorstel nog uit van pure monumentenzorg, van verankering van een historisch instituut. Die benadering heeft in de loop van het wetgevingsproces geen stand gehouden. De gelijke behandeling van kinderen werd door de Kamer in de wet geamendeerd. Een gedeeltelijke modernisering van het adelsrecht was hiermee een feit. De discussie over gelijke behandeling van vrouwen werd doorverwezen naar het naamrecht. In het nieuwe naamrecht krijgt de gelijke behandeling van mannen en vrouwen, ook wat betreft adellijke namen, haar beslag. Waarom dan niet in het adelsrecht, zo vraag ik de minister. De minister heeft geen overtuigende argumenten meer in handen om het niet te doen. Een modernisering heeft al plaatsgevonden door de gelijke behandeling van kinderen. De gelijke behandeling van mannen en vrouwen in het naamrecht is er nu ook. Een toename van adellijke titels kan toch geen rechtvaardiging zijn voor het instandhouden van een ongelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de adeldom?»9 De woordvoerder van de CDA-fractie gaf aan dat ook zijn fractie van mening was dat in de adeldom het principe van gelijke behandeling recht moet worden gedaan. Een verdere modernisering van het adelsrecht achtte de CDA-fractie op dit punt gewenst en verantwoord, temeer daar dit in de afgelopen periode op twee punten was geschied, namelijk met de mogelijkheid van adelsvererving bij onwettige kinderen en bij adoptiefkinderen10. De woordvoerder van de VVD-fractie verklaarde dat het inzicht binnen de VVD-fractie niet was veranderd:«Wij praten hier over gelijke behandeling. Waar wij voor gewone burgers de keuzemogelijkheid hebben geboden, is voor de VVD-fractie niet helder waarom dat bij adellijke vererving niet het geval zou mogen zijn. Dat is de reden waarom de VVD-fractie de motie heeft medeondertekend»1. Zoals gezegd, heeft ook de PvdA-fractie de motie meeondertekend. In haar motivatie benadrukte de PvdA-woordvoerder de verbondenheid die haar fractie zag tussen de adellijke naam en de adellijke titel en stond zij tevens stil bij het gebrek aan logica dat haar fractie in het beleid van de regering constateerde. Zij zei toen: «Aangezien de adel, en met name de Hoge Raad van Adel, de verbondenheid tussen naam, titel en geslacht van wezenlijk belang acht, kan het toch niet zo zijn dat deze combinatie niets meer voorstelt als deze via de vrouwelijke lijn overgaat? Waar blijft nu toch het inhoudelijk-principiële aspect in de standpuntbepaling van het kabinet, zo vraag ik de minister (...) De fractie van de Partij van de Arbeid vindt het dan ook niet meer dan logisch om de door het kabinet zelf in gang gezette lijn van overdracht van geslachtsnaam bij de adellijke families via de vrouwelijke lijn principieel door te trekken. Wie A zegt, moet ook B zeggen. Dat vindt de Partij van de Arbeid en dat is ook de reden waarom de fractie van de Partij van de Arbeid de motie van mevrouw Scheltema van harte heeft gesteund»2.

Het proces om tot daadwerkelijke verandering van de Wet op de adeldom in de door de Kamer aangegeven richting te komen, werd echter door het eerste Kabinet Kok gestuit door de weigering van dit Kabinet om gevolg te geven aan de hierboven genoemde motie Scheltema-de Nie3. Door deze weigering van de regering was de Kamer opnieuw aan zet. In de Memorie van toelichting (pag. 3) is reeds gerefereerd aan het initiatiefwetsvoorstel van het lid Meyer dat op 8 mei 1998 werd ingediend, maar dat enige tijd later is ingetrokken omdat de heer Meyer na de verkiezingen niet meer in de Kamer terugkeerde.

Wij waren echter van mening dat een twee maal door zo'n grote meerderheid van de Kamer tot uitdrukking gebrachte wens niet zomaar door de regering terzijde kon worden gelegd. Zeker niet wanneer de Kamer heeft verklaard dat de inhoud en uitvoering van de huidige Wet op de adeldom op gespannen voet staat met artikel 1 van de Grondwet, de Algemene wet gelijke behandeling en diverse internationale verdragen. Ook vonden wij dat de Kamer door het aannemen van de gememoreerde moties bij betrokken burgers zekere verwachtingen heeft gewekt. Daar volgens ons het betrekken van standpunten tijdens openbare vergaderingen in de Kamer en het aannemen van moties geen vrijblijvende handelingen zijn, hebben wij, niet lang na onze installatie als Kamerlid, het besluit genomen het onderhavig initiatiefwetsvoorstel voor te bereiden.

Aangezien de overheersende toon in het verslag, naar onze mening, nogal contrasteert met de opstelling van de Kamer in het recente verleden, willen wij nader toelichten waarom wij van mening zijn dat onderhavig wetsvoorstel in overeenstemming is met het algemene gelijkheidsbeginsel zoals verwoord in, bijvoorbeeld, artikel 1 van de Grondwet en dat door de aanvaarding van ons initiatiefwetsvoorstel niet het idee van een «standenmaatschappij» in onze moderne gedemocratiseerde samenleving in stand wordt gehouden of zelfs geïntroduceerd. In dit verband willen wij in de eerste plaats verwijzen naar de opvatting van wijlen Minister Dales van Binnenlandse Zaken toen zij in maart 1992 in haar Memorie van antwoord aan de Kamer stelde dat weliswaar: «In algemene zin moet worden vastgesteld dat er een natuurlijke spanning bestaat tussen de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie (...) en de adeldom als stelsel van erfelijke onderscheidingen», maar: «Dit betekent evenwel niet dat er bij adeldom als zodanig sprake is van ongelijke behandeling of van ongeoorloofde discriminatie. Er zijn immers geen gevolgen van staatsrechtelijke aard meer verbonden aan de adeldom zoals dat voor 1848 nog het geval was. Ook in het burgerlijk recht bestaan geen privileges meer voor de adel. Adeldom geeft wel de bevoegdheid een titel of predikaat te dragen»1. Zoals de Minister al aangaf zijn bij de huidige Nederlandse adel de juridische voorrechten dus beperkt tot het verlof een adellijke titel te voeren. Met de leden van de toenmalige D66-fractie delen wij de mening dat de wetgever, in het licht van deze stellingname, voor globaal drie opties van beleid kon kiezen, te weten: afschaffing van de adeldom, het slechts handhaven van de adel in de bestaande vorm en handhaving van de adeldom, maar aangepast aan de eisen van deze tijd2. Aangezien de Kamer in september 1993 de Wet op de adeldom met algemene stemmen heeft aangenomen3 en deze wet, na behandeling in de Eerste Kamer, in 1994 ook daadwerkelijk van kracht is geworden, trekken wij de conclusie dat de volksvertegenwoordiging, ondanks de door Minister Dales reeds aangeduide «natuurlijke spanning» tussen onderscheide beginselen, niet heeft gekozen voor een beleid dat tot afschaffing van de adeldom leidt. Voorts constateerden wij reeds in onze Memorie van toelichting dat met de aanneming van het amendement van het lid V.A.M. van der Burg4, waardoor in tegenspraak met de dan toe geldende overervingsregelsadeldom eveneens over kan gaan op buiten het huwelijk geboren kinderen5, ook de optie is verlaten om de adeldom slechts te handhaven in de vorm zoals die vóór de totstandkoming van de Wet op de adeldom bestond. Door aanneming van de Wet op de adeldom heeft de volksvertegenwoordiging er voor gekozen het instituut adeldom te laten voortbestaan en door aanneming van het amendement-V.A.M. van der Burg heeft zij een eerste stap gezet tot een wezenlijke modernisering hiervan. Het gaat, volgens ons, dan ook niet aan om halverwege met deze modernisering halt te houden en de ongelijke behandeling van mannen en vrouwen binnen een instituut, waarvan het bestaan door de wet is gesanctioneerd, te handhaven.

In de Memorie van toelichting hebben wij al aangegeven waarom wij, samen met een meerderheid in de Kamer, geen vrede konden hebben met de uitleg van de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken, de heer Dijkstal, dat vererving van de adellijke titel langs de vrouwelijke lijn niet past bij de historische legitimatie van het instituut adel6. Deze redenering van de Minister gaat namelijk in principiële zin niet op omdat de huidige Wet op de adeldom immers, zoals gezegd, toelaat dat ook natuurlijke, pleeg- en adoptiefkinderen adeldom kunnen overerven. Het adelsrecht is hiermee wezenlijk door de wetgever gemoderniseerd en er is een precedent geschapen op grond waarvan de stelling dat de overerving van adeldom alleen via «historische» regels en bepalingen behoort te verlopen in onze ogen niet meer houdbaar is. Voorts bestrijden wij de opvatting van de Minister dat overerving van adeldom in de strikt mannelijke lijn de enig juiste uitleg is van wat er in het verleden zoal met betrekking tot de overerving van de adeldom heeft plaatsgevonden. In het algemeen overleg van de vaste commissie van Binnenlandse Zaken met de Minister de van Binnenlandse Zaken op 11 december 1996 is door de woordvoerders van de fracties van D66, PvdA, VVD en de Groep Nijpels reeds nadrukkelijk aan de orde gesteld dat vóór 1815 de overerving van adellijke titels via de vrouwelijke lijn wel degelijk mogelijk was7. Verderop in deze nota zullen wij nader ingaan op de overerving van adellijke titels via de vrouwelijke lijn in de periode die aan het jaar 1815 vooraf ging. Overigens zij hier opgemerkt dat wij reeds in de Memorie van toelichting (pag. 3) hebben aangegeven dat het historisch karakter van een instituut nimmer een argument kan zijn om ongelijkheid tussen mannen en vrouwen binnen dit instituut in stand te houden. Kortom, de wijze waarop de regering de geschiedenis wil gebruiken als argument om overerving van adeldom via de vrouwelijke lijn te stuiten, is volgens ons niet consequent.

Wij gaan hieronder verder in op de door de leden van de diverse fracties gestelde vragen en opmerkingen.

1. Inhoud van het voorstel

De leden van de PvdA-fractie zeggen niet overtuigd te zijn van de noodzaak en wenselijkheid van onderhavig wetsvoorstel en de leden van de D66-fractie geven aan dat voor hen de ongelijkheid tussen mensen die niet van adel zijn en mensen die wel van adel zijn, zwaarder telt dan de ongelijkheid binnen een «archaïsch» instituut als de adel. Bij de leden van de PvdA-, VVD- en GroenLinks-fractie leven overigens ook dergelijke bedenkingen tegen het onderhavig wetsvoorstel. Voorts menen de leden van de D66-fractie dat de beantwoording van toenmalig Minister Dijkstal van Binnenlandse Zaken voor de Kamer reden is geweest om niet verder op het mogelijk maken van de overerfbaarheid van adeldom via de vrouwelijke lijn aan te dringen. De leden van de VVD-fractie geven aan dat zij vinden dat het wetsvoorstel nog onvoldoende kracht van overtuiging heeft. De leden van de GroenLinks fractie zijn weliswaar zeer ingenomen met het onderhavig wetsvoorstel, maar geven aan dat voor hen de afschaffing van de Wet op de adeldom de voorkeur verdient boven het wegnemen van ongelijkheden binnen deze wet. Zij vinden de adel een achterhaald instituut. De leden van de CDA-fractie geven daarentegen aan met vreugde kennis te hebben genomen van ons wetsvoorstel en ook de leden van RPF/GPV-fractie spreken hun waardering uit, terwijl de leden van de SGP-fractie aangeven zich te kunnen voorstellen dat wij «enkele niet zonder meer begrijpelijke incongruenties in het adelsrecht hebben willen rechtzetten».

Zoals wij in onze Memorie van toelichting en onze inleiding van deze Nota naar aanleiding van het verslag uitvoerig hebben betoogd, komt ons initiatiefwetsvoorstel bepaald niet uit de lucht vallen. Onderhavig wetsvoorstel kan immers niet anders worden opgevat dan het logisch gevolg van de discussie en de reeds door de Kamer ingenomen standpunten in de jaren negentig inzake het naamrecht en de Wet op de adeldom. Het geeft invulling aan een toen door een ruime meerderheid van de Kamer geuite wens. De reactie van de leden van een aantal fracties wekt bij ons dan ook enige verwondering. Uit de beraadslagingen van de Kamer blijkt immers niet dat de leden van deze fracties intussen van mening zijn veranderd. Noch kan worden gezegd dat er zich tijdens deze kabinetsperiode met betrekking tot de adeldom bijzondere ontwikkelingen hebben voorgedaan zodat de discussie in een geheel ander daglicht zou kunnen worden geplaatst dan in de vorige kabinetsperiode. De huidige tekst van de Wet op de adeldom stamt uit 1994, dus van ruim vóór de indiening van de gememoreerde moties Dittrich c.s. en Scheltema-de Nie c.s. en de discussie en standpuntbepaling met betrekking tot deze moties. Wij delen niet de mening van de leden van de D66-fractie dat de beantwoording van toenmalig Minister Dijkstal voor «alle» fracties reden is geweest om geen verdere actie meer te ondernemen. Het toenmalig lid Meyer van de Groep-Nijpels heeft immers op 8 mei 1998 een initiatiefwetsvoorstel inzake de overerfbaarheid van adellijke titels via de vrouwelijke lijn bij de Kamer ingediend, waarover de Kamer zich door het vertrek van de heer Meyer niet heeft kunnen uitspreken. Bovendien zijn wij van mening dat een zich tijdelijk, node, neerleggen bij het machtswoord van de regering, wanneer deze weigert om een door de Kamer aangenomen motie uit te voeren, niet mag worden verward met een verandering van opvatting van de Kamer op basis van kracht van argumenten. Wij bouwen voort op de door de CDA-fractie uitgedragen visie en hebben daarom onderhavig wetsvoorstel, in overeenstemming met de door de Kamer geuite wensen, voorbereid.

In onze inleiding hebben wij reeds de motie Dittrich c.s. in herinnering geroepen. De Kamer heeft juist door de aanneming van deze motie uitgesproken dat het niet mogelijk maken van de overerfbaarheid van de adellijke titel via de moeder op gespannen voet staat met artikel 1 van de Grondwet, de Wet gelijke behandeling en diverse internationale verdragen. Het non-discriminatie beginsel telt zwaar voor ons. Wij menen hiermee de wenselijkheid en noodzaak van het onderhavige initiatiefwetsvoorstel te hebben aangetoond.

Wij zijn, in antwoord op de vragen van de leden van de PvdA-fractie, van mening dat de overervingsregels van de adeldom niet zondermeer kunnen worden losgekoppeld van de geslachtsnaam. De dwingende relatie tussen de geslachtsnaam en de adellijke titel blijkt in de eerste plaats uit het gegeven dat de adellijke titel alleen in combinatie met de geslachtsnaam mag worden gevoerd. Neemt een adellijk persoon een andere geslachtsnaam aan, dan mag hij zijn oorspronkelijke adellijke titel niet meer voeren. In onze inleiding hebben wij er al op gewezen dat juist de verbondenheid tussen naam, titel en geslacht voor de toenmalige PvdA-fractie een belangrijk argument was om de door het kabinet zelf in gang gezette lijn van overdracht van de geslachtsnaam bij de adellijke families via de vrouwelijke lijn principieel door te willen trekken en derhalve de motie Scheltema-de Nie van harte te steunen.

De leden van de PvdA- en D66-fractie vragen ons een reactie op hun vraag in hoeverre het een overheidstaak is om de regels van adeldom vast te stellen.

In 1983 heeft een Grondwetsherziening plaatsgevonden. In de toen tot stand gekomen Grondwet was een artikel opgenomen – te weten additioneel artikel XXV – dat bepaalde dat, totdat ter zake bij wet een voorziening was getroffen, artikel 74, eerste lid, van de Grondwet naar de tekst van 1972 (De Koning verleent adeldom) van kracht bleef1. Zoals de toenmalige leden van de PvdA-fractie in hun verslag al opmerkten, kon het niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest om deze situatie onbeperkt te laten voortduren en was een wetsvoorstel om de adeldom bij wet te gaan regelen noodzakelijk geworden2. Als gevolg hiervan is in 1994, na uitgebreide beraadslaging in de Staten-Generaal, de Wet op de adeldom van kracht geworden en, net als bij iedere andere wet, draagt de overheid de verantwoordelijkheid voor de inhoud en de handhaving van die wet.

De leden van de VVD-fractie missen in de Memorie van toelichting op ons initiatiefwetsvoorstel een visie op de adel als zodanig. Aangezien het initiatiefwetsvoorstel, zoals wij hiervoor reeds hebben betoogd, voortbouwt op een discussie die in de Kamer over een reeks van jaren is gevoerd, hebben wij gemeend met ons initiatiefwetsvoorstel te kunnen beginnen bij het punt waar de discussie aan het eind van de jaren negentig in de Kamer is geëindigd, namelijk met de uitgesproken wens van de Kamer dat er een wetsvoorstel zou komen die de overerving van adeldom via de vrouwelijke lijn mogelijk zou maken. Er is in de voorgaande jaren immers al uitgebreid gesproken over de betekenis van het fenomeen adel in deze tijd. Het op een zakelijke wijze willen wegnemen van enkele onevenwichtigheden in de bestaande overervingsregels in de Wet op de adeldom, zoals wij met ons initiatiefwetsvoorstel beogen, behoeft, dunkt ons, slechts te worden gemotiveerd met de aanduiding van die onevenwichtigheden en met een motivering van de door ons voorgestelde oplossingen. Kortom, wij hebben het niet nodig gevonden het hele begrip «adel» te bespreken teneinde enkele evidente, door de Kamer reeds onderkende, onevenwichtigheden in de overervingsregels weg te nemen.

Voorts delen wij niet de opvatting van de leden van de VVD- en de D66-fractie dat de adel slechts als een historisch gegroeid instituut moet worden behandeld. In onze inleiding hebben wij er al op gewezen dat de VVD-fractie nog in 1996 afstand heeft genomen van deze benadering, toen haar woordvoerder verklaarde de conserverende redenering van het kabinet inzake de adeldom als historisch instituut niet te willen volgen. De D66-fractie deed dit eveneens bij de motivering van de door haar ingediende motie Scheltema-De Nie. Ook wij wijzen een benadering van de adel als fossiel principieel af. Naar onze mening is de adel gewoon een identificeerbare groep van mensen die een levend bestanddeel van onze samenleving uitmaakt.

Anders dan de leden van de VVD-fractie zijn wij niet van mening dat het bestaan van mensen met een adellijke titel ongelijkheid zou bevestigen. Wij verwijzen hier naar de antwoorden die wij hebben gegeven op vragen die ons door de leden van de PvdA-fractie zijn gesteld.

Wij nemen vervolgens met kracht afstand van de bewering van de leden van de VVD-fractie als zouden adellijke families hun adellijke titels gebruiken om zich tot ver in de toekomst te willen onderscheiden van mensen zonder adellijke titel. Wij begrijpen niet waarop de leden van de VVD-fractie een dergelijke bewering baseren. Ons heeft in ieder geval geen enkele reactie vanuit adellijke kring bereikt waaruit blijkt dat dit het oogmerk van adellijke families zou zijn. Wij vinden deze opmerking van de leden van de VVD-fractie dan ook ongelukkig.

De leden van de VVD-fractie vragen ons vervolgens hoe de moderne gedachten over gelijkwaardigheid van man en vrouw zich verhouden tot het instituut adel. In onze inleiding hebben wij uitvoerig stilgestaan bij de wijze waarop de huidige Wet op de adeldom tot stand is gekomen en welke keuzes de volksvertegenwoordiging hierbij heeft gemaakt. Door de aanneming van het amendement-V.A.M. van der Burg zijn, zoals gezegd, de overervingsregels reeds aanzienlijk gemoderniseerd. Het gaat dus niet aan, nu eenmaal het pad van de modernisering is ingezet, om halverwege halt te houden. Wij vinden de halfslachtige modernisering, zoals die in de huidige wet is vastgelegd, principieel niet verdedigbaar en vinden derhalve dat de overervingsregels in hun geheel en consequent bij de tijd moeten worden gebracht.

De leden van de VVD-fractie, en ook de leden van de CDA-, D66RPF/GPV- en de SGP-fractie, vragen ons wat de kwantitatieve effecten van ons wetsvoorstel zullen zijn en of het aantal edelen door ons voorstel niet substantieel zal groeien. Allereerst willen wij hier opmerken dat wij van mening zijn dat een toe- of afname van het aantal edelen als gevolg van ons wetsvoorstel voor ons, principieel beschouwd, geen rechtvaardiging kan zijn voor het instandhouden van een ongelijke behandeling van adellijke mannen en vrouwen of een ongelijke behandeling van kinderen van dezelfde adellijke ouders. Wij onderschrijven in deze dus het betoog dat de toenmalig woordvoerder van de D66-fractie, mevrouw Scheltma-De Nie, op 18 december 1996 bij het indienen van haar gememoreerde motie heeft gehouden en waaraan wij reeds in onze inleiding hebben gerefereerd. Niettemin hebben wij het Ministerie van Binnenlandse Zaken op 7 maart jl. per brief gevraagd om de demografische effecten van ons wetsvoorstel nader te onderzoeken1. Op 17 april jl. hebben wij van de Minister van Binnenlandse Zaken een antwoord op onze brief mogen ontvangen1. Kort samengevat komt het antwoord van de Minister erop neer dat niet exact valt te zeggen wat de demografische effecten van ons wetsvoorstel zullen zijn. Wel bevat de brief van de Minister een belangrijk gegeven. De Hoge Raad van Adel schat het totaal aantal levende adellijke personen op zo'n 11 000. Dit terwijl Nederland in totaal ruim 16 000 000 inwoners heeft.

Vervolgens staan de leden van de VVD- en CDA-fractie stil bij het verband dat er zou bestaan tussen ons wetsvoorstel en het filiatieregister. In onze reactie op het advies van de Raad van State hebben wij aangegeven dat inschrijving in het filiatieregister als constitutief element uit het wetsvoorstel is geschrapt omdat deze eis in de bestaande verervingsregels niet wordt gesteld2. Het onderhavige wetsvoorstel laat het filiatieregister dus geheel buiten beschouwing.

Anders dan de leden van de VVD-fractie veronderstellen, is ons wetsvoorstel niet ingegeven door een behoefte om mensen met behulp van adellijke titels in staat te stellen hun maatschappelijk aanzien te bevorderen. Ons initiatiefwetsvoorstel vindt zijn rechtvaardiging in de behoefte om recht te doen aan adellijke vrouwen die momenteel achter worden gesteld bij adellijke mannen, de behoefte om recht te doen aan alle kinderen van dezelfde adellijke ouder en de behoefte om invulling te geven aan een door de Kamer bij motie geuite wens.

De leden van de VVD-fractie vragen ons wat wij zouden vinden van een eventuele privatisering van de adel. In Duitsland, Frankrijk en Oostenrijk handhaaft de adel zich immers door middel van eigen regels en gebruiken. Wij zouden hierop tegen zijn omdat een privatisering van de adel zich verzet tegen de geest van artikel 74, eerste lid, van de Grondwet naar de tekst van 1972 (De Koning verleent adeldom).

Vervolgens vragen de leden van de VVD-fractie of wij Europese landen kennen waarin de vererving van adellijke titels via de vrouwelijke lijn mogelijk is. In het Verenigd Koninkrijk bestaat er een aantal «peerages» die ook in de vrouwelijke lijn vererven. Daarnaast kent Spanje een systeem van overgang van titels bij eerstgeboorterecht die ook in de vrouwelijke lijn – bij ontstentenis van zoons – kunnen vererven1.

De leden van de VVD-fractie vragen voorts of wij om advies hebben gevraagd bij de Hoge Raad van Adel. In antwoord op deze leden willen wij hen wijzen op de bevoegdheid van de Hoge Raad van Adel. De wettelijke taak van de Raad omvat niet het uitbrengen van advies over een initiatiefwetsvoorstel.

De leden van de VVD-fractie geven aan zich te verbazen over onze betrokkenheid ten aanzien van de buitenechtelijke kinderen die voor 1 augustus 1994 zijn geboren. Deze leden vragen ons om hoeveel kinderen het gaat en in hoeverre de wens bij deze kinderen leeft om de adellijke titel van hun adellijke verwekker te mogen dragen. Zoals wij in onze Memorie van toelichting en onze inleiding hebben aangegeven, is het door het amendement van onze oud-fractiegenoot, de heer Van der Burg, mogelijk geworden dat adeldom ook kan vererven op kinderen die buiten het huwelijk zijn geboren. Onze betrokkenheid is dus niet zo vreemd. Wij zijn het niet eens met de beperkte uitleg die toenmalig Minister Van Thijn aan dit amendement heeft gegeven. Hierdoor kan het voorkomen dat een kind, dat bijvoorbeeld in 1993 is geboren, niet van adel is, terwijl ander een kind, dat bijvoorbeeld in 1995 is geboren, wel een adellijke titel mag voeren. Ons wetsvoorstel wil het mogelijk maken dat dit soort verschillen in bestaande gezinssituaties kunnen worden weggenomen, wanneer men zulks zou wensen. Het is dus voor ons een principekwestie die los staat van het aantal betrokken personen of individuele wensen.

De leden van de VVD-fractie vragen ons om onze bewering te objectiveren dat er sinds 1814 247 van de 577 Nederlandse adellijke geslachten in de mannelijke lijn zijn uitgestorven en dat er 40 geslachten op uitsterven staan. Voorts vragen deze leden of het hier uitsluitend Nederlandse geslachten betreft. Wij verwijzen de leden van de VVD-fractie in deze naar de antwoorden die toenmalig minister Dijkstal van Binnenlandse Zaken op schriftelijke vragen van het lid Meyer heeft gegeven. Zoals de minister in zijn antwoord van 6 april 1998 aangaf, gaat het inderdaad om Noord-Nederlandse geslachten2. Wat betreft de veertig adellijke geslachten die op het van uitsterven staan, verwijzen wij deze leden naar het artikel van Jhr. T. von Bönninghausen dat vorig jaar in De Nederlandsche Leeuw is verschenen3. De leden van de VVD-fractie vragen vervolgens of in geval van de uitgestorven families er alleen sprake is van het verloren gaan van de adellijke titel of ook van de naam van de familie. Tot in de jaren negentig kreeg ieder kind in principe de geslachtsnaam van de vader. Pas zeer recent, met de verandering van het naamrecht, kunnen echtparen er ook voor kiezen de kinderen de geslachtsnaam van de moeder te geven. Wanneer een adellijke familie is uitgestorven, kan men er dus van uitgaan dat ook de naam is verdwenen. Wel is het mogelijk dat er niet-adellijke familietakken zijn ontstaan door buitenechtelijke relaties (bijvoorbeeld een adellijke moeder die een kind kreeg waarvan de vader onbekend bleef). Tot de aanneming van het reeds gememoreerde amendement-V.A.M. van der Burg kregen buitenechtelijke kinderen geen adellijke titel. Door de aanneming van het amendement-V.A.M. van der Burg is het voor deze kinderen zeer beperkt mogelijk geworden om wel de titel van de adellijke vader te verkrijgen. Ons wetsvoorstel beoogt deze mogelijkheid voor buiten het huwelijk geboren kinderen enigszins te verruimen. Echter, de strenge overgangsbepaling die wij in ons wetsvoorstel hebben opgenomen draagt er zorg voor dat de adellijke titel alleen kan worden verkregen wanneer het kind en degene aan wie het kind de adeldom ontleent beide in leven zijn. Voor die families die wel een geslachtsnaam voeren die een adellijke oorsprong heeft, maar de adellijke titel reeds lang hebben verloren, zal het op grond van ons wetsvoorstel dus niet gelukken om de adellijke titel te doen herleven. Het is immers, zoals wij in onze Memorie van toelichting al hebben aangegeven, niet onze bedoeling om de adelsgeschiedenis te gaan herschrijven.

De leden van de VVD-fractie vragen ons of de wetgever zich eigenlijk wel zorgen moet maken over het al of niet uitsterven van adellijke titels en of het uitsterven van die titels ook maatschappelijke gevolgen heeft. Zeer algemeen willen wij hierop antwoorden dat er kennelijk onder burgers een behoefte leeft om de geslachtsnaam aan volgende generaties over te willen dragen en dat het opstellen van de regels op welke voorwaarden dit kan geschieden volgens de wet een overheidstaak is.

De leden van de VVD- en SGP-fractie vragen ons waarom wij teruggrijpen op de Middeleeuwse overervingsregels van de adeldom. De leden van de VVD-fractie vragen in welk deel van Nederland de overerving via de vrouwelijke lijn toen mogelijk was en of wij ook bekend zijn met specifieke Middeleeuwse statuten. De leden van de SGP-fractie vragen ons of de overerving van adellijke titels via de vrouwelijke lijn in de Middeleeuwen niet een zeldzaam verschijnsel was en of daarom wel met recht kan worden getwijfeld aan de historiciteit van de overerving van adellijke titels in de strikt mannelijke lijn. De reden, waarom wij in onze Memorie van toelichting hebben gerefereerd aan de overervingsregels in de Middeleeuwen, is om de onjuistheid van de bewering aan te tonen dat alleen de overerving van adellijke titels via de mannelijke lijn vanuit historisch perspectief verantwoord is. In onze inleiding zijn wij hierop al deels ingegaan en hebben wij reeds vastgesteld dat ook de toenmalig woordvoerder van VVD-fractie heeft betoogd dat de overerving van adellijke titels via de vrouwelijke lijn vóór 1815 voorkwam. Voorts baseren wij onze bewering, onder andere, op het proefschrift van Jkvr. Johanna Maria van Winter, emeritus hoogleraar Middeleeuwse Geschiedenis aan de Universiteit Utrecht. In de samenvatting van haar dissertatie zegt zij: «Aus der Regel, dass die Kinder den Stand der Mutter bekamen, auch wenn sie einem anderen Stand als der Vater angehörte, erwuchs eine Wahl der Ehepartner, die uns jetzt fremd anmutet: Männer heirateten wiederholt über ihrem Stand (...) Edelfrauen konnten ohne gesellschaftlichen Prestigeverlust unter ihrem Stand heiraten, weil ihre Kinder doch den besseren Stand bekamen. Die Kinder folgten hier nicht der ärgeren Hand, sondern immer der Mutter. (...) Der Stand war erblich in weiblicher, die Klasse aber in männlicher Filiation»1. In het Middeleeuwse Gelderland werd dus volgens Van Winter de stand (en dus ook de adellijke stand) primair via de moeder aan het nageslacht doorgegeven. Voor eventuele«specifieke Middeleeuwse statuten» verwijzen wij naar de uitgebreide bronvermelding in het proefschrift.

Wij constateren vervolgens dat de leden van de VVD-fractie in twijfel trekken dat de verervingingsregels uit 1815 sekseneutraal zijn geformuleerd. Deze leden hebben de indruk dat wij mogelijk de regels voor het vorstenhuis verwarren met die voor de adel. In het KB van 18 december 1815 zegt de koning dat: «Wij welgemelden thans (...) geadmitteerde Jonkheer en zijne wettige reeds geborene en toekomende kinderen, zoo mannelijke als vrouwelijke, mitsgaders alle volgende afstammelingen van zijn geslacht, naam en wapen erkennen te behooren tot den adelstand de Nederlanden»1. Een ander KB, dat van 13 februari 1815, zegt: «Dat tot den Adelstand in de onderscheidene Provinciën gerekend zullen worden te behooren, zoo wel de genen die door Ons in de ridderschappen of edelen dier Provinciën respectivelijk benoemd en geädmitteerd zijn of verder (...) benoemd en geädmitteerd worden zullen, benevens hunne wettige afstammelingen, als alle die genen welk bij vervolg door Ons in den Adelstand zullen worden erkend, ingelijfd of verheven, insgelijks met hunnen wettige afstammelingen»2. Volgens ons zijn de geciteerde overervingsregelingen in beide KB's sekseneutraal geformuleerd. Bovendien wordt er in de gememoreerde KB's alleen over de adel gesproken en niet over het koninklijk huis, zodat van een verwarring zoals die door de leden van de VVD-fractie wordt gevreesd, geen sprake kan zijn.

Tot slot vragen de leden van de VVD-fractie waarom wij refereren aan de Salische wet en wat de betekenis van deze wet is. De Salische wet is een van oorsprong Frankische wet die in bepaalde delen van Europa (Frankrijk, België) is gebruikt om te verhinderen dat vrouwen de troon konden bestijgen. In die landen moest de soeverein dus steeds een man zijn3. In het gebied dat thans Nederland is, gold dit Salische principe niet. Wij zien hierin een extra aanmoediging om niet strak vast te houden aan de exclusief patriarchale overerving van adellijke titels.

De leden van de CDA-fractie vragen ons nader toe te lichten op basis van welke gegevens de toenmalig minister van Binnenlandse Zaken, Van Thijn, zijn afweging heeft gemaakt om het hiervoor gememoreerde amendement-V.A.M. van der Burg zodanig te interpreteren dat het slechts betrekking heeft op kinderen die na 1 augustus 1994 buiten het huwelijk zijn geboren. Uit het debat dat deze minister op 12 april 1994 met de Eerste Kamer heeft gevoerd, blijkt dat de minister zich voornamelijk heeft laten leiden door drie motieven: juridische eenvoud (het rechtsfeit van de geboorte is het meest eenduidige rechtsfeit in vergelijking met eventuele andere rechtsfeiten), het streven naar uitvoeringstechnisch gemak en de wens om de kwantitatieve effecten van het amendement-V.A.M. van der Burg zo beperkt mogelijk te houden. De minister verwees toen in zijn betoog naar een artikel dat op 28 januari 1994 in het Nederlands Juristenblad is verschenen4. In dit artikel werd de minister gewaarschuwd voor de mogelijkheid dat er veel tijdrovende en dure juridische procedures zouden worden aangespannen wanneer de minister de overgangsrechtelijke dimensie van het amendement-V.A.M. van der Burg ten aanzien van nog levende natuurlijke kinderen niet nader zou toelichten5. De minister liet zich dus voornamelijk leiden door vermoedens en niet zozeer door feitelijke gegevens. In dit verband vinden wij het tevens van belang om op te merken dat de door de regering geuite vrees, dat de overgang van adeldom via zowel de vader als de moeder leidt tot een aanzienlijke toename van de adel, ook is gebaseerd veronderstellingen en niet op berekeningen. De opvolger van de heer Van Thijn, de heer Dijkstal, heeft dit openlijk toegegeven in zijn antwoord op vragen die door het lid Meyer op 11 november 1997 zijn ingediend6. De overgangsrechtelijke dimensie van ons wetsvoorstel is overigens door middel van een overgangsbepaling helder geformuleerd.

De leden van de CDA-fractie vragen ons vervolgens om onze bewering te verduidelijken aangaande het minder snel afnemen van het aantal adellijke geslachten, wanneer ons initiatiefwetsvoorstel eenmaal wet wordt. Dat het aantal adellijke geslachten door ons initiatiefwetsvoorstel zeker niet zal toenemen, houdt verband met het feit dat in ons initiatiefwetsvoorstel geen herintroductie van adelsverheffing wordt voorgesteld. Slechts de mogelijkheden om adeldom in stand te houden worden uitgebreid doordat de instandhouding niet slechts via de mannelijke, maar ook via de vrouwelijke lijn kan verlopen. Men mag echter, desalniettemin, verwachten dat er zich situaties zullen gaan voordoen waarbij noch mannelijk, noch vrouwelijk nageslacht voorhanden is. In dat geval sterft zo'n adellijke familie uit; ook onder de bepalingen van de door ons voorgestelde wet.

De leden van de CDA-fractie vragen voorts wat de gevolgen voor de adelstand zullen zijn wanneer de huidige wet op de adeldom niet wordt veranderd en wat de gevolgen zullen zijn wanneer ons voorstel wordt aangenomen. In antwoord op vragen van de VVD-fractie hebben wij reeds gewezen op de brief die de minister van Binnenlandse Zaken ons heeft gezonden inzake de demografische effecten van ons voorstel. Uit deze brief bleek dat die niet eenduidig zijn vast te stellen. Hiervoor hebben wij reeds aangetoond dat ons wetsvoorstel weliswaar niet kan verhinderen dat adellijke geslachten uitsterven, maar wel de frequentie waarmee dit gebeurt kan verminderen. Wij achten de kwantitatieve effecten echter van ondergeschikt belang; dit wetsvoorstel is vooral een kwestie van principes en niet van getallen.

Met welk tempo adellijke geslachten zullen uitsterven wanneer de wet niet verandert, is blijkens de beantwoording van een aantal schriftelijke vragen van het lid Meyer door toenmalig minister Dijkstal een kwestie van speculatie1.

De leden van de CDA-fractie staan vervolgens stil bij de totaal verschillende interpretaties en uitspraken die er bestaan aangaande het al dan niet handhaven van het onderscheid tussen afstamming via adellijke mannen en vrouwen en zij vragen ons of deze elkaar tegensprekende interpretaties geen nadelige effecten zullen hebben voor ons wetsvoorstel. In antwoord op deze leden merken wij op dat juist door aanneming van ons wetsvoorstel een einde zal worden gemaakt aan de door deze leden gememoreerde discussie. Daar waar de gang naar de (bestuurs)rechter geen maatschappelijk bevredigend resultaat oplevert, behoort de wetgever duidelijkheid te geven.

Vervolgens vragen de leden van de CDA-fractie wat de situatie zal zijn wanneer de vader, van wie een kind de adelstand erft, komt te overlijden vooraleer het kind is geboren. In antwoord op deze leden verwijzen wij naar het Burgerlijk Wetboek, Boek 1, Titel 1, artikel 2 waarin staat dat het kind waarvan een vrouw zwanger is als reeds geboren wordt aangemerkt, zo dikwijls zijn belang dit vordert. In dergelijke gevallen gaat de adeldom van de overleden vader dus gewoon over op het kind.

De leden van de CDA-fractie vragen tot slot welke kosten er met de invoering van deze wet zijn gemoeid. Dit zijn allereerst de kosten die gepaard gaan met de invoering van ieder willekeurig wetsvoorstel. Voorts bepaalt artikel 5 van de Wet op de adeldom dat adeldom wordt vermeld op officiële documenten waar dit is vereist. Mogelijk zullen er dus wat administratieve kosten met de invoering van ons wetsvoorstel zijn gemoeid. Hoe hoog die zullen uitvallen, valt op dit moment niet te zeggen omdat wij de demografische effecten van ons wetsvoorstel niet precies kennen.

De leden van de D66-fractie herinneren ons aan het gegeven dat de Commissie gelijke behandeling in haar rapport niet tot een oordeel over ons wetsvoorstel heeft kunnen komen en vragen ons om een reactie hierop. Wij wijzen de leden van de D66-fractie op pagina 2 van het rapport van genoemde Commissie. De Commissie gelijke behandeling schrijft hier: «Het is de opvatting van de Commissie dat, afgezien van de problematiek inzake de reikwijdte van de AWGB en de vraag of die wet van toepassing kan worden geacht op de overgang/verlening van een adellijke titel, het buiten twijfel is dat de huidige regel niet te verenigen is met de in de AWGB neergelegde normen. Er is in de Wet op de Adeldom sprake van direct onderscheid; van de limitatief opgesomde uitzonderingen op het verbod van direct onderscheid lijkt er in casu geen van toepassing te zijn. In die zin past het in de systematiek zoals die van de AWGB om in de Wet op de Adeldom het gewraakte onderscheid uit te bannen. Uiteraard is het mogelijk om in een wet expressis verbis af te wijken van de AWGB, ook in ten opzichte van de AWGB posterieure formele wetten, maar het komt niet als erg fraai over voor een specifiek deelterrein een afwijkende regeling te treffen. De strekking van het voorgestelde amendement brengt in ieder geval de Wet op de Adeldom in lijn met de algemene structuur en strekking van de gelijkheidsnorm zoals die is uitgewerkt in de AWGB waar het onderscheid op grond van geslacht betreft. De opzet van de AWGB is gekozen in navolging van het Europees Recht op het stuk van onderscheid op grond van geslacht. Algemene regel die ook in dat verband geldt is dat onderscheidingen op grond van geslacht slechts in uitzonderingsgevallen geoorloofd zijn. Ook daarmee is in lijn een afschaffing van het onderscheid op grond van geslacht in de Wet op de Adeldom». Wij vinden dat de Commissie gelijke behandeling hier duidelijke taal spreekt; hoewel zij geen formeel oordeel geeft over ons wetsvoorstel, heeft zij hierover wel een heldere opvatting. Een opvatting zeer in het voordeel van ons initiatiefwetsvoorstel. Wij onderschrijven dan ook niet de opvatting van de leden van de D66-fractie dat ons wetsvoorstel onvoldoende juridische basis zou hebben.

De leden van de D66-fractie zeggen het bestaan van de adeldom ten opzichte van de overige Nederlanders als een vorm van ongelijkheid te beschouwen en dat door de opheffing van de ongelijke behandeling van adellijke mannen en vrouwen binnen de Wet op de adeldom de ongelijkheid in de samenleving wordt versterkt. Wij delen die mening niet. De Kamer heeft door de aanneming van de Wet op de adeldom aangegeven het voortbestaan van de adel niet in strijd te achten met artikel 1 van de Grondwet. Wél heeft de Kamer door de aanneming van de hiervoor gememoreerde motie-Dittrich uitgesproken dat: «een systeem waarbij de adellijke titel alleen van de vader op kinderen overerfbaar is en niet van de moeder op kinderen: «op gespannen voet staat met artikel 1 van de Grondwet, de Wet gelijke Behandeling en diverse internationale verdragen, waaronder het BUPO-verdrag en het Vrouwenverdrag1 ».

De leden van de D66-fractie vragen ons of wij ook van zins zijn om het onderscheid tussen mannen en vrouwen binnen de adeldom weg te willen nemen daar waar het gaat om het verbod voor niet-adellijke echtgenoten om de titels van hun adellijke echtgenotes te mogen voeren. Een dergelijk voorstel valt buiten de reikwijdte van ons initiatiefwetsvoorstel wat alleen het recht van overdracht van adellijke titels van adellijke ouders op hun kinderen behelst. Niettemin zullen wij een eventueel voorstel van de zijde van de D66-fractie met welwillendheid in overweging nemen.

De leden van de GroenLinksfractie vragen ons of wij niet van mening zijn dat de adel een achterhaald instituut is dat maar beter kan worden afgeschaft. Wij roepen bij deze leden in herinnering dat ook de toenmalige GroenLinks-Tweede-Kamerfractie voor de invoering van de Wet op de adeldom heeft gestemd en dat deze fractie in de vorige kabinetsperiode ook de reeds gememoreerde moties Dittrich en Scheltema-De Nie heeft gesteund.

Voorts wijzen wij deze leden op het feit dat wij als initiatiefnemers deel uitmaken van de CDA-fractie, een fractie die aan het begin van de jaren negentig nog heeft gepleit om de adel naar Brits of Belgisch model te democratiseren2. Wij hebben bij de adel dus geen negatieve associaties. En wij hebben die zeker niet sinds de Kamer, door de aanneming van de Wet op de adeldom, heeft aangegeven het voortbestaan van de adel niet in strijd met artikel 1 van de Grondwet te achten. Opheffing van de adeldom is derhalve voor ons inderdaad geen optie.

De leden van de fracties van GPV en RPF vragen ons wat de directe consequenties van ons initiatiefwetsvoorstel zullen zijn. Op de demografische aspecten zijn wij hiervoor reeds ingegaan. Door het wetsvoorstel wordt het voor echtparen mogelijk om de kinderen de adellijke titel van de moeder te geven. Tevens worden buiten het huwelijk geboren kinderen, in zoverre zij de geslachtsnaam van de adellijke ouder hebben en hun adellijke ouder nog in leven is, op een gelijke wijze behandeld, ongeacht de datum van hun geboorte. Kinderen van een niet-adellijke vader en een adellijke moeder kunnen ingevolge artikel 5, lid 2 van het«Besluit regels voor geslachtsnaamswijziging» binnen een termijn van drie jaren nadat zij meerderjarigheid zijn geworden alsnog de geslachtsnaam van hun adellijke moeder aannemen. Wanneer ons wetsvoorstel wordt aangenomen, gaat daarmee ook de adeldom van hun moeder op hen over. Minderjarige kinderen die niet de geslachtsnaam van hun adellijke ouder hebben verkregen, kunnen die geslachtsnaam vóór hun meerderjarigheid verkrijgen wanneer wordt voldaan aan de bepalingen van artikel 3 en 3a van het gememoreerd Besluit.

De leden van de SGP-fractie vragen ons of wij het verschijnsel van de sluimerende adel niet als een onevenwichtigheid ervaren en waarom hieraan in ons voorstel geen aandacht wordt besteed. Bij sluimerende adel gaat het om mensen die een adellijke ouder hebben, maar een andere geslachtsnaam dragen. Wanneer die adellijke ouder de vader is en het kind slaagt erin zijn geslachtsnaam in die van zijn vader te wijzigen, dan gaat volgens de huidige wetgeving ook de adeldom van de vader over op dat kind, mits het kind binnen het huwelijk of na 1 augustus 1994 buiten het huwelijk is geboren. Volgens de huidige wetgeving wordt het kind, in het hier gegeven voorbeeld, echter niet van adel wanneer de adellijke ouder de moeder is, of het kind vóór 1 augustus 1994 buiten het huwelijk is geboren. Het kind kan dan wel de geslachtsnaam van de adellijke ouder aannemen, maar krijgt de adellijke titel niet. Ons voorstel maakt aan dit verschil een einde; de adeldom van de adellijke ouder kan op alle kinderen van die adellijke ouder overgaan. Wij zijn derhalve van mening dat ons wetsvoorstel wel degelijk rekening houdt met de sluimerende adel. In de huidige wetgeving bestaan reeds bepalingen die aangeven onder welke voorwaarden een persoon zijn geslachtsnaam mag wijzigen. Ons initiatiefwetsvoorstel behoeft hierin dus niet meer te voorzien.

2. Internationale verdragen

De leden van de VVD-fractie vragen ons te verduidelijken hoe ons wetsvoorstel zich verhoudt tot het Vrouwenverdrag en het Verdrag inzake de burgerrechten. Is er sprake van een directe of indirecte relatie, zo vragen deze leden. In onze inleiding hebben wij gememoreerd dat de Kamer met de aanneming van de motie Dittrich al heeft uitgesproken dat zij de huidige overervingsregels van de adeldom in strijd vindt met het Vrouwenverdrag en het BUPO-verdrag. Kennelijk heeft de Kamer toen zelf een relatie met genoemde verdragen gelegd. In de verdragsteksten wordt echter niet over de bescherming van adellijke titels gesproken, maar wel over de gelijke behandeling van mannen en vrouwen. In onze inleiding is tevens opgemerkt dat het Verenigd Koninkrijk een voorbehoud voor de strekking van het Vrouwenverdrag voor zijn adel heeft gemaakt en dat Nederland dit niet heeft gedaan. De oproep in het Vrouwenverdrag om mannen en vrouwen gelijk te behandelen, geldt naar onze mening dus ook voor de behandeling van adellijke mannen en vrouwen door de Nederlandse overheid.

De leden van de CDA-fractie vragen ons of ons wetsvoorstel voldoet aan Europese richtlijnen en internationale verdragen. De doelstelling van ons wetsvoorstel is om de Wet op de adeldom hiermee in overeenstemming te brengen. Wij zien geen licht tussen ons wetsvoorstel en, bijvoorbeeld, het BUPO- en het Vrouwenverdrag. De leden van de CDA-fractie vragen ons of er sprake is van enige convergentie inzake de wetgeving van EU-lidstaten ten aanzien van de adeldom. Voor zover ons bekend is daarvan geen sprake. Wat de wet- en regelgeving van andere Europese landen betreft, verwijzen wij graag naar de bijlage: «Hoofdlijnen van het adelsbeleid in andere Europese landen» bij de Memorie van antwoord van 5 maart 1992 over de Regeling inzake de adeldom1.

De leden van de CDA-fractie vragen ons vervolgens of leden van buitenlandse adellijke geslachten op grond van Europese verdragen inlijving in de Nederlandse adel kunnen eisen. Het vraagstuk van de inlijving van buitenlandse edelen is in ons initiatiefwetsvoorstel buiten beschouwing gelaten. Artikel 8 van de Wet op de adeldom bepaalt dat Nederlanders met een buitenlandse adellijke titel tot 1 augustus 1999 een verzoek tot inlijving in de Nederlandse adel konden indienen, wanneer het adelsstatuut van het land van herkomst van de adellijke titel met dat van Nederland vergelijkbaar was. Wanneer deze edelen dit hebben verzuimd, kunnen zij op grond van de huidige Nederlandse wetgeving dus geen verzoek tot inlijving meer indienen. Of de Nederlandse wetgeving in deze op grond van Europese verdragen, zal worden «overruled» valt nog te bezien. Buitenlandse edelen die zich tot Nederlander laten naturaliseren kunnen nog wel een verzoek tot inlijving indienen, mits het adelsstatuut van het land van herkomst vergelijkbaar is met dat van Nederland. De leden van de CDA-fractie vragen of buitenechtelijke kinderen met een vreemde nationaliteit op grond van het voorliggende initiatiefwetsvoorstel adeldom kunnen verkrijgen. Dit is inderdaad onder bepaalde voorwaarden het geval. Ten eerste bepaalt artikel 1 van de (huidige) Wet op de adeldom dat adeldom uitsluitend wordt verleend aan Nederlanders. Bedoelde buitenechtelijke kinderen zullen derhalve tot Nederlander moeten naturaliseren, wanneer zij de adellijke titel van hun adellijke ouder willen verkrijgen. In ons voorstel wordt het Nederlanderschap als voorwaarde gehandhaafd. Ten tweede gaat in de huidige wet adeldom alleen over op buitenechtelijke kinderen die na 1 augustus 1994 zijn geboren. Ons wetsvoorstel maakt het daarentegen mogelijk dat buitenechtelijke kinderen adeldom kunnen verkrijgen, wanneer die kinderen de geslachtsnaam van de adellijke ouder hebben en zij en de adellijke ouder aan wie zij hun adeldom ontlenen, beiden, in leven zijn.

3. Artikelen

Artikel 3

De leden van de SGP-fractie vragen, tenslotte, waarom wij het woord «sexeneutrale» in het door ons voorgestelde artikel 3 hebben opgenomen. In ons voorstel van wet, zoals gewijzigd naar aanleiding van het advies van de Raad van State komt het woord «sekseneutraal» niet meer voor in het door ons voorgestelde artikel 3. Deze luidt namelijk nu: «Erfelijk verleende adeldom gaat volgens de bestaande verervingsregelingen over op alle kinderen die in familierechtelijke betrekking staan tot de adellijke ouder en de geslachtsnaam van die adellijke ouder hebben».

Van Wijmen

Ross-van Dorp


XNoot
1

Kamerstukken II 1995/96, 22 408, nr. 23.

XNoot
2

Kamerstukken II 1995/96, 22 408, nr. 23.

XNoot
3

Handelingen II 1995/96, nr. 031, blz. 5840 en Handelingen II 1995/96, nr. 034, blz. 6249.

XNoot
1

Handelingen II 1995/96, nr. 031, blz. 5819.

XNoot
2

Handelingen II 1995/96, nr. 031, blz. 5823.

XNoot
3

Handelingen II 1995/96, nr. 031, blz. 5826.

XNoot
4

Handelingen II 1995/96, nr. 031, blz. 5830.

XNoot
5

Kamerstukken II 1996/97, 25 039, nr. 2.

XNoot
6

Handelingen II 1996/97, nr. 014, blz. 3277 en 3377.

XNoot
7

Kamerstukken II 1996/97, 25 039, nr. 2.

XNoot
8

Kamerstukken II 1996/97, 25 039, nr. 3.

XNoot
9

Handelingen II 1996/97, nr. 40, blz. 3277.

XNoot
10

Handelingen II 1996/97, nr. 40, blz. 3277.

XNoot
1

Handelingen II 1996/97, nr. 40, blz. 3278.

XNoot
2

Handelingen II 1996/97, nr. 40, blz. 3278.

XNoot
3

Kamerstukken II 1996/97, 25 039, nr. 4.

XNoot
1

Kamerstukken II 1991/92, 21 485, nr. 5, blz. 4.

XNoot
2

Kamerstukken II 1989/90, 21 485, nr. 4, blz. 5.

XNoot
3

Handelingen II 1993/94, nr. 3, blz. 91.

XNoot
4

Kamerstukken II 1992/93, 21 485, nr. 12.

XNoot
5

Handelingen II 1993/94, nr. 3, blz. 91.

XNoot
6

Kamerstukken II 1996/97, 25 039, nr. 4, blz. 2.

XNoot
7

Kamerstukken II 1996/97, 25 039, nr. 3.

XNoot
1

Kamerstukken II 1989/90, 21 485, nr. 3, blz. 1.

XNoot
2

Kamerstukken II 1989/90, 21 485, nr. 4, blz. 2.

XNoot
1

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.

XNoot
2

Kamerstukken II 2001/01, 27 074, A, blz. 2.

XNoot
1

Kamerstukken II 1991/92, 21 485, nr. 5, blz. 14 en 16.

XNoot
2

Aanhangsel Handelingen II 1997/98, nr. 1040, blz. 2133–2134.

XNoot
3

T. von Bönninghausen, «Ruim 290 Nederlandse adellijke geslachten», De Nederlandsche Leeuw 117 (2000), nr. 3–4, 155–162, aldaar 157–158.

XNoot
1

Johanna Maria van Winter, Ministerialiteit en ridderschap in Gelre en Zutphen, (Groningen 1962), 234–235.

XNoot
1

KB 18–12–1815, nr. 46.

XNoot
2

KB 13–2-1815, nr. 60.

XNoot
3

B. van der Boom ed., Prisma van de geschiedenis. 20 eeuwen geschiedenis in 3000 termen, (1e druk; Zwolle 1991) 357.

XNoot
4

Handelingen I 1993/94, nr. 27, blz. 1475.

XNoot
5

Wendelien Elzinga en Gerard-René de Groot, «Over adellijke namen en zo...Opmerkingen over de wetsontwerpen 21 485 en 22 408», Nederlands Juristenblad 4 (1994) 124–127, aldaar 125.

XNoot
6

Aanhangsel Handelingen II 1997/98, nr. 479, blz. 979–980.

XNoot
1

Aanhangsel Handelingen II 1997/98, nr. 1040, blz. 2134.

XNoot
1

Kamerstukken II 1995/96, 22 408, nr. 23.

XNoot
2

Kamerstukken II 1991/92, 21 485, nr. 5, blz. 2.

XNoot
1

Kamerstukken II 1991/92, 21 485, nr. 5, blz. 14–17.

Naar boven