Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2000-2001 | 27074 nr. 6 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2000-2001 | 27074 nr. 6 |
Vastgesteld 8 maart 2001
De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat de regering de gestelde vragen tijdig zal hebben beantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.
De leden van de PvdA-fractie zijn niet overtuigd van de noodzaak en wenselijkheid van onderhavig wetsvoorstel.
Het onderwerp van dit wetsvoorstel roept bij deze leden enkele vragen op.
De leden van de PvdA-fractie zijn in wezen voorstander van elke poging om ongelijk- en onevenwichtigheden in het overheidsbeleid of de wetgeving weg te nemen. Dit geldt natuurlijk ook voor de ongelijkheid tussen vrouwen en mannen. Een vraag die deze leden bij de bespreking van een wetsvoorstel echter nog eerder stellen dan het verschil tussen vrouwen en mannen, is in hoeverre het fenomeen adeldom – in ieder geval in sociaal opzicht – ook niet een ongelijkheid in zich herbergt. Betekent het bestaan van adeldom sowieso niet een verschil tussen personen van adel en personen die niet van adel zijn? Graag vernemen deze leden een reactie van de indieners op deze redenering. Ook ontvangen zij graag een reactie op de vraag in hoeverre het eigenlijk een overheidstaak is om de regels van adeldom vast te stellen.
In het verlengde hiervan hebben deze leden ook een vraag over de verhouding tot het naamrecht en de adeldom. Het naamrecht wordt ingegeven door de gedachte dat er recht is op een naam, omdat het hebben van een geslachtsnaam van wezenlijk belang is in het personen- en familierecht. Verwijzend naar een discussie die in het verleden heeft gespeeld, wordt in het wetsvoorstel voorgesteld om het naamrecht aan adeldom te koppelen. De leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat deze koppeling niet zo dwingend hoeft te worden gezien: naamrecht is toch niet hetzelfde als adeldom? Graag ontvangen zij een reactie hierop.
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende initiatiefwetsvoorstel. Dat voorstel heeft voor deze leden nog onvoldoende kracht van overtuiging. Met waardering voor het werk van de initiatiefnemers als zodanig hechten zij eraan door diverse vragen nadere helderheid van de initiatiefnemers te verwerven.
In eerste instantie missen de leden van de VVD-fractie een visie van de initiatiefnemers op de adel als zodanig. Deze leden zien de adel vooral als een historisch gegroeid instituut, dat deel uitmaakt van het Nederlands cultureel erfgoed. Het vertegenwoordigt traditie en historie. Het bevestigt ongelijkheid. De titel is een blijvend kenmerk aan de hand waarvan de betrokken families zich tot ver in de toekomst willen onderscheiden.
De leden van de VVD-fractie verzoeken de initiatiefnemers uiteen te zetten hoe de moderne gedachten over gelijkwaardigheid van man en vrouw zich verhouden tot het instituut van de adel, zoals beschreven in voornoemde zin.
Hebben de initiatiefnemers berekend wat de kwantitatieve effecten op de adelstand zullen zijn, indien vererving via de vrouwelijke lijn mogelijk wordt? De leden van de VVD-fractie veronderstellen dat via de vrouwelijke lijn het aantal edelen substantieel zal vermeerderen. Hoe staan de initiatiefnemers daar tegenover?
Deze leden vragen overigens of er überhaupt wel sprake is van ongelijke behandeling in dit verband. Het feit dat een individu bijvoorbeeld in voorkomende gevallen niet wordt ingeschreven in het filiatieregister voor de adel heeft niets te maken met het geslacht van betrokkene. Voor de inschrijving in het immers niet relevant of het om een man of vrouw gaat. De niet-inschrijving is een gevolg van het feit dat betrokkene niet afstamt van een adellijke vader. Wat is daarop de reactie van de initiatiefnemers?
De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat voor de beoordeling van de vraag in hoeverre er sprake zou kunnen zijn van een ongelijke behandeling ook gekeken moet worden naar de gevolgen van onderscheid tussen de vererving via de mannelijke en de vrouwelijke lijn. Aan het hebben van een adellijke titel worden geen rechtsgevolgen meer verbonden. Het gaat vooral om onderscheidend maatschappelijk aanzien. Het is voor deze leden niet duidelijk waarom het bevorderen daarvan het opzij zetten dan wel de eventuele aantasting van het historische adellijke instituut zou rechtvaardigen. Deze leden vragen daarop een reactie van de initiatiefnemers. Hoe staan de initiatiefnemers tegenover een eventuele privatisering van de adel. In Duitsland, Frankrijk en Oostenrijk handhaaft de adel zich immers door middel van eigen regels en gebruiken. Zijn de initiatiefnemers bekend met overige Europese landen waarin de vererving via de vrouwelijke lijn kan plaatsvinden?
Hebben de initiatiefnemers voor hun voorstel formeel of informeel advies gevraagd van de Hoge Raad van Adel. Wat is de reactie van de initiatiefnemers op het feit dat deze Raad zich vooralsnog zeer terughoudend heeft opgesteld ten opzichte van vererving van de titel via de vrouwelijke lijn.
De leden van de VVD-fractie hebben niet zonder verbazing kennisgenomen van de betrokkenheid van de initiatiefnemers op buitenechtelijke adellijke kinderen die voor 1 augustus 1994 zijn geboren. Deze leden verzoeken de initiatiefnemers uiteen te zetten om hoeveel kinderen het gaat. In hoeverre leeft bij betrokken kinderen de wens om de titel van hun adellijke verwekker te dragen?
Zijn de initiatiefnemers in staat aan de hand van stukken van bijvoorbeeld de Hoge Raad voor Adel te objectiveren dat er 247 geslachten in de mannelijke lijn zijn uitgestorven en 40 geslachten op uitsterven staan? Gaat het hier om uitsluitend Nederlandse geslachten? Is in gevallen waarin uitsterving heeft plaatsgevonden uitsluitend de adellijke titel vervallen of ook de naam van de familie? Waarom dient de wetgever zich zorgen te maken over het al of niet uitsterven van adellijke titels? Wat zijn de maatschappelijke gevolgen daarvan?
Het verbaast deze leden eveneens waarom de initiatiefnemers teruggrijpen op de adelsvererving uit de Middeleeuwen. In welk deel van Nederland was de ververving via de vrouwelijke lijn van toepassing? Wat is de waarde daarvan anno 2001? Zijn de initiatiefnemers bekend met specifieke Middeleeuwse statuten?
De initiatiefnemers verwijzen naar historische verervingregels uit 1815, die sekse neutraal zouden zijn geformuleerd. De leden van de VVD-fractie ontkomen niet aan de indruk dat de initiatiefnemers mogelijk de regels voor het vorstenhuis verwarren met die voor de adel. Gaarne krijgen zij een reactie van hun kant. Wat beogen zij met hun verwijzing naar de Salische wet. Door wie is die wet voorgesteld? Wat was daarvan de essentie? Welke lering dient daaruit thans te worden getrokken?
De leden van de CDA-fractie hebben met vreugde kennisgenomen van het initiatiefwetsvoorstel. Met dit wetsvoorstel wordt aan enkele onevenwichtigheden in de huidige wet een einde gemaakt. Tevens wordt tegemoet gekomen aan de terechte eisen die de Algemene wet gelijke behandeling stelt ten aanzien van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen.
Wel hebben de hier aan het woord zijnde leden nog een aantal vragen met betrekking tot de effecten van het wetsvoorstel. Bij de behandeling van de Wet op het adeldom (1994) heeft de wetgever, tegen het advies van de regering, de regelingen met betrekking tot adeldom op buiten het huwelijk geboren kinderen aangepast aan het personen – en familierecht. Daardoor werd het historisch adelsrecht ondanks krachtig ontraden door de regering, bij amendement wezenlijk gemoderniseerd.
Deze leden roepen in herinnering de interpretatie van de toenmalige minister Van Thijn in de Eerste Kamer die er toe leidde dat desbetreffend amendement alleen zou zien op na 1 augustus 1994 buiten het huwelijk geboren kinderen, uit vrees voor een toename van de adeldom. De indieners van dit wetsvoorstel stellen in de memorie van toelichting in tegenstelling daarmee, dat aanvaarding van dit voorstel niet zozeer leidt tot toeneming van de adellijke minderheid, doch slechts tot het minder snel afnemen van het aantal adellijke geslachten. De hier aan het woord zijnde leden hebben dan ook de behoefte aan uitgebreidere argumentatie van de ontwikkeling van de adellijke geslachten. Hoe zou de ontwikkeling bij de huidige wetgeving en wat zijn de te verwachten gevolgen zijn voor de ontwikkeling voor de adelstand van het aannemen van het voorliggende wetsvoorstel? Voorts is het deze leden opgevallen dat met betrekking tot het al dan niet handhaven van het onderscheid tussen afstamming via mannen en vrouwen en vrouwen, als het gaat om de adelstand, nogal eens sprake is van verschillende interpretaties en uitspraken. Zo heeft de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State nog in 1995 geoordeeld dat voor het maken van bovenbedoeld onderscheid een «objectieve en redelijke grond bestaat, nu het te dezen gaat om een historisch instituut dat slechts het aan het historische karakter zijn bestaansrecht ontleent en zich daarom niet leent voor aanpassing aan moderne opvattingen over gelijke behandeling».
De initiatiefnemers menen dat deze motivering omkeerbaar is en weten zich in deze opvatting gesteund door een uitspraak van de commissie gelijke behandeling die stelt dat het bestaande onderscheid niet conform artikel 8 jo 14 EVRM, noch artikel 26 IVBPR, noch artikelen 1 en 2 VN Vrouwenverdrag is. De commissie verwijst in haar commentaar naar de strengere eisen die het EHRM stelt aan gelijke behandeling en vraagt zich af of deze aanscherping van beleid binnen het EHRM wel is meegewogen in de uitspraak van de afdeling bestuursrecht van de Raad van State. De hier aan het woord zijnde leden vragen welke gevolgen, uitspraken als hierboven kunnen hebben en welke ongewenste effecten deze kunnen hebben genereren voor het thans voorliggende voorstel.
Vervolgens hebben de leden van de CDA-fractie een vraag die te maken heeft met de reikwijdte van de wet. Kan worden ingegaan op de volgende casus in het licht van het huidige wetsvoorstel? Het voorstel ziet er op dat zowel kind als de ouder waarvan adelstand en naam worden geërfd, beiden in leven zijn. Wat zal de situatie zijn als de vader van wie het kind de adelstand erft, komt te overlijden voordat het kind is geboren?
Kan mede op grond van de beantwoording van bovenstaande vraag worden meegedeeld hoeveel aanvragen voor opname in de adelstand op grond van deze wet verwacht mogen worden? Welke functie heeft het filiatieregister sedert de grondwetsherziening van 1848?
Tenslotte vragen zij welke kosten met de invoering en uitvoering van deze wet gepaard zullen gaan.
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling, maar ook met enige verwondering kennisgenomen van het wetsvoorstel van de leden Van Wijmen en Ross-van Dorp tot wijziging van de Wet op de adeldom in verband met het wegnemen van onevenwichtigheden in het overheidsbeleid ten aanzien van adellijke ouders en hun kinderen (overerving adeldom in de vrouwelijke lijn).
Als deze leden het zich goed herinneren, is over de vraag of een modernisering van de Wet op de adeldom gewenst is, uitvoerig gesproken tijdens de vorige kabinetsperiode. Bij de leden van de D66-fractie, maar ook bij andere fracties, was de ongelijke behandeling van mannen en vrouwen in ons adelsrecht reden om diepgaand met de regering van gedachten te wisselen over de mogelijkheden en gevolgen van wijziging van het stelsel. De beantwoording van toenmalig minister Dijkstal was reden voor alle fracties, waaronder de CDA-fractie, om geen verdere actie te ondernemen. Voor de leden van de D66-fractie weegt zwaar dat adeldom op zichzelf reeds een ongelijkheid betekent tussen mensen die niet van adel zijn en mensen die wel van adel zijn. De indieners hebben niet overtuigend aangetoond waarom deze ongelijkheid minder zwaar moet wegen dan de ongelijkheid binnen een archaïsch instituut als de adeldom.
Eén van de uitgangspunten van de nog niet zo lang geleden door de wetgever goedgekeurde Wet op de adeldom is om de adeldom louter als historisch instituut te handhaven. Er is niet voor gekozen de adeldom wezenlijk te moderniseren of af te schaffen. De leden van de D66-fractie vragen of de modernisering van de adel die de indieners beogen, niet conflicteert met dit uitgangspunt?
In de memorie van toelichting wordt het commentaar aangehaald dat de Nederlandse Commissie gelijke behandeling op het wetsvoorstel heeft geschreven. De indieners schrijven echter niet dat de commissie om twee redenen niet tot een oordeel heeft kunnen komen over de verenigbaarheid van de Wet op de adeldom met de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB). De eerste reden is een bepaling in de AWGB die stelt dat «de wet laat onverlet onderscheid dat gemaakt wordt bij of krachtens enige andere wet, welke voorafgaande aan deze wet in werking is getreden». De tweede reden is dat de AWBG niet van toepassing is op de overgang/verlenging van een adellijke titel. Immers, bij verlening van de adeldom en de inschrijving in het filiatieregister is sprake van eenzijdig publiekrechtelijke besluiten. De leden van de D66-fractie constateren dat in ieder geval iedere juridische basis voor adelovererving langs vrouwelijke lijn ontbreekt. Graag zouden zij hierop van de indieners een reactie ontvangen.
De indieners van het voorstel stellen dat historische argumenten nooit een argument kunnen zijn om een ongelijkheid in stand te houden. De leden van de D66-fractie vragen of dit argument niet vooral pleit tègen een maatregel die het aantal adellijke personen in Nederland (flink) doet toenemen. Immers, door het instellen van vrouwelijke overerving zal de adelstand – een groep personen die louter op grond van overerving een adellijke status heeft – sterk toenemen. De leden van de D66-fractie zouden graag aan de indieners willen vragen met hoeveel personen de adeldom zal toenemen indien het onderhavige wetsvoorstel zou worden aangenomen? Het bestaan van adeldom is ten opzichte van de overige Nederlanders als een vorm van ongelijkheid te beschouwen. De leden van de D66-fractie constateren dat door het opheffen van deze vorm van ongelijkheid in de adeldom een vorm van ongelijkheid in de samenleving wordt versterkt. Zij zouden hierop graag een reactie van de indieners ontvangen.
De leden van de D66-fractie constateren dat uit het voorstel van de regering inzake het verlenen van toestemming voor het huwelijk tussen Prins Constantijn en Petra Laurentien Brinkhorst blijkt dat de echtgenote van de Prins door haar huwelijk geen adeldom verkrijgt. In de memorie van toelichting bij deze Goedkeuringswet wordt nog eens beschreven dat het gebruik inzake de aanduiding van echtgenotes van niet alleen leden van het koninklijk huis, maar ook van leden van adel met zich mee brengt dat zij de titels van haar echtgenoot zullen voeren. Omgekeerd mag een (niet adellijke) echtgenoot van een vrouw van adel niet de titels van zijn echtgenote voeren. De leden van de D66-fractie vragen de initiatiefnemers of zij deze vorm van ongelijkheid tussen mannen en vrouwen binnen de adeldom wel laten bestaan.
De leden van de D66-fractie staan na ampele overwegingen niet positief ten opzichte van dit initiatiefwetsvoorstel. De belangrijkste redenen zijn dat de adeldom op zichzelf ongelijkheid tussen mensen betekent en dat door een uitbreiding van de adeldom in vrouwelijke lijn die ongelijkheid tussen Nederlanders in het algemeen alleen maar zal toenemen. Daarom achten zij het reëler om de adeldom zuiver en alleen te accepteren als historisch instituut. Bij hun overwegingen hebben de leden van de D66-fractie ook betrokken dat de meningen binnen onze adeldom over het al dan niet mogelijk maken van overerving langs de vrouwelijke lijn aanzienlijk verschillen. Ook het geringe maatschappelijk belang van het onderwerp heeft meegespeeld. Zelfs in het Verslag van de Rapportagecommissie Internationaal Verdrag tegen Discriminatie Vrouwen wordt dit onderwerp als «maatschappelijk minder relevant» omschreven (bladzijde 54). De leden van de D66-fractie onderschrijven deze mening en vragen de indieners of het wel de taak van de wetgever is om zich met dergelijke onderwerpen te bemoeien.
De leden van de GroenLinks-fractie zijn zeer ingenomen met het initiatiefwetsvoorstel van de beide indieners en stellen het op prijs dat de indieners hiermee blijk geven van hun overtuiging dat gelijke behandeling van mannen en vrouwen in bestaande wettelijke regelingen van groot belang is en waar mogelijk moet worden nagestreefd. Deze leden kunnen dan ook zeer wel leven met de gedachte dat de ongelijkheden die in wettelijke regelingen nog altijd bestaan, zoveel mogelijk worden opgeheven.
Desondanks zou het de voorkeur van deze leden hebben gehad indien zou zijn gekozen voor opheffing van de achterhaalde Wet op de adeldom. Weliswaar begrijpen deze leden dat er ook bij de regering koudwatervrees bestaat op het terrein van de aantasting van adellijke titels, maar de leden willen de indieners toch de vraag stellen of zij het met hen eens zijn dat de adeldom een volstrekt achterhaald instituut is en dat afschaffing ervan eerder nagestreefd zou moeten worden dan gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij overerving van adeldom. Schijnbaar zijn de indieners van mening dat het historisch karakter weliswaar geen belemmering kan vormen voor het opheffen van de ongelijkheid in de Wet op de adeldom, maar opheffing van de adeldom op zichzelf lijkt voor hen geen optie te zijn. Zien deze leden dit juist?
De leden van de fracties van GPV en RPF hebben met belangstelling kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel. De genoemde fracties hebben waardering voor het feit dat de leden Van Wijmen en Ross-van Dorp met dit initiatief wetsvoorstel zijn gekomen. Het betreft een onderwerp dat de Kamer reeds eerder heeft bezig gehouden.
Zowel het wetsvoorstel als de daarbij behorende memorie van toelichting roept weinig vragen op. Wel hebben de leden van de fracties van GPV en RPF vragen over de directie consequenties die aan dit wetsvoorstel verbonden zijn. Onder meer als het gaat om de toeneming van de adel indien dit wetsvoorstel aanvaard zou worden. In slechts één zin (memorie van toelichting, bladzijde 2) stellen de indieners dat er van een toeneming nauwelijks sprake zal zijn. Genoemde leden vragen op grond waarvan de indieners tot deze conclusie komen.
De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling van het initiatief-wetsvoorstel kennisgenomen. Zij kunnen zich voorstellen dat de intiatiefnemers enkele niet zonder meer begrijpelijke incongruenties in het adelsrecht hebben willen rechtzetten, mede gelet op de parlementaire discussie die daarover heeft plaatsgevonden. Niettemin geeft het wetsvoorstel zowel als de memorie van toelichting hun aanleiding tot het voorleggen van enige vragen.
De initiatiefnemers motiveren hun voorstel om adelsvererving via de moeder mogelijk te maken door er onder andere op te wijzen dat dit geen moderniteit is, omdat dit in de Middeleeuwen voorkwam. Het gebruik van dit argument doet de vraag rijzen of de stelling dat er thans geen sprake is van een moderniteit berust op (hoogst?) incidentele gevallen of op een breed toegepast gebruik of regel.
Eén van de aspecten die bij de kwestie van de overgang van adeldom via de vrouwelijke lijn, in elk geval van regeringszijde, aan de orde is gesteld betreft de vraag of als gevolg van de introductie van deze wijze van adelsvererving een al dan niet aanmerkelijke uitbreiding van het adelsbestand zal optreden. De leden van de SGP-fractie zouden hierover graag een nadere indicatie van de initiatiefnemers ontvangen. Zijn zij overigens niet van mening dat over het bedoelde gevolg slechts iets met een zekere mate van zekerheid valt te zeggen nadat eerst een demografisch onderzoek heeft plaatsgevonden?
De initiatiefnemers melden in de memorie van toelichting dat zij «een aantal onevenwichtigheden in de Wet op de adeldom» ongedaan wensen te maken. De leden van de SGP-fractie stellen de vraag of het verschijnsel van de zogenaamde «sluimerende adel» niet (meer) als een onevenwichtigheid door de initiatiefnemers wordt ervaren. Indien dit wel het geval mocht zijn, wat zijn dan hun overwegingen om aan dit punt in dit wetsvoorstel geen aandacht te besteden?
De leden van de VVD-fractie verzoeken de initiatiefnemers in het verband van ongelijke behandeling ook uitleg te geven over hun verwijzing naar onder meer het Vrouwenverdrag en het Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Strekken deze verdragen volgens de initiatiefnemers direct of indirect tot bescherming van adellijke titels?
Met dit wetsvoorstel wordt ook tegemoetgekomen aan de verplichtingen volgens het internationale «Vrouwenverdrag» ( art. 1 en 2) alsmede het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten ( BUPO) artikel 2 dat handelt over de gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de uitoefening van de rechtsmacht, aldus de leden van de CDA-fractie. Het thans voorliggende voorstel ligt bovendien consequent in het verlengde van de stappen die de Tweede Kamer tot dusver heeft gezet om ongerechtvaardigd onderscheid naar burgerlijke staat en geslacht ook in het adelsrecht te beëindigen.
Met betrekking tot internationale verdragen stellen de leden van de CDA-fractie de vraag of de thans voorliggende voorstellen volstrekt in lijn zijn met zowel Europese richtlijnen en verdragen alsmede andere internationale verdragen. Zo niet, kan dan worden gezegd welke stappen nodig zijn om voor 100% te voldoen aan bedoelde verdragen? Kan tevens worden ingegaan op de vraag of er sprake is van enige convergentie als het gaat om wetgeving inzake het adeldom binnen de lidstaten van de EU? De hier aan het woord zijnde leden stellen deze vraag met het oog op de vraag of in het kader van Europese verdragen een lid of familie van buitenlandse adelstand, in ons land erkenning daarvan kan aanvragen onder de Nederlandse wet.
Een soortgelijke vraag hebben deze leden als het gaat om buitenechtelijke kinderen met een andere nationaliteit, die op grond van het thans voorliggende initiatiefwetsvoorstel menen aan de criteria voor erkenning te voldoen.
Wat betreft de voorgestelde tekst van artikel 3 van de Wet op de adeldom stellen de leden van de SGP-fractie de vraag waarom daarin het woord «sexeneutrale» is opgenomen. Is het wel noodzakelijk, bezien vanuit algemene criteria van wetgevingstechniek, om dit woord in de tekst op te nemen?
Samenstelling: Leden: Schutte (GPV), Te Veldhuis (VVD), ondervoorzitter, De Cloe (PvdA), voorzitter, Van de Camp (CDA), Van den Berg (SGP), Scheltema-de Nie (D66), Van der Hoeven (CDA), Van Heemst (PvdA), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Rijpstra (VVD), Noorman-den Uyl (PvdA), Hoekema (D66), Dankers (CDA), O. P. G. Vos (VVD), Rehwinkel (PvdA), Wagenaar (PvdA), Luchtenveld (VVD), De Boer (PvdA), Verburg (CDA), Rietkerk (CDA), Halsema (GroenLinks), Kant (SP), Duijkers (PvdA), Balemans (VVD), De Swart (VVD).
Plv. leden: Rouvoet (RPF), Van Beek (VVD), Zijlstra (PvdA), Van Wijmen (CDA), Ravestein (D66), Augusteijn-Esser (D66), Balkenende (CDA), Barth (PvdA), Rabbae (GL), Cherribi (VVD), Gortzak (PvdA), Dittrich (D66), Wijn (CDA), Van den Doel (VVD), Van Oven (PvdA), Apostolou (PvdA), Cornielje (VVD), Kuijper (PvdA), Mosterd (CDA), Eurlings (CDA), Van Gent (GroenLinks), Poppe (SP), Belinfante (PvdA), Essers (VVD), Nicolaï (VVD).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-27074-6.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.