Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1999-2000 | 27066 nr. 2 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1999-2000 | 27066 nr. 2 |
| 1 | Samenvatting | 5 |
| 2 | Opzet en aanleiding onderzoek | 10 |
| 2.1 | Het onderzoek | 10 |
| 2.2 | Aanleiding onderzoek | 10 |
| 2.3 | Opzet onderzoek | 11 |
| 2.4 | Definities | 12 |
| 2.5 | Opzet rapport | 13 |
| 2.6. | Briefwisseling onderzoek kasbeheer | 13 |
| 3 | Omvang van vermogensvorming | 15 |
| 4 | Begrenzing vermogensvorming | 19 |
| 4.1 | Inleiding | 19 |
| 4.2 | Regelgeving en beleid | 19 |
| 4.2.1 | Overzicht | 19 |
| 4.2.2 | Gemaximeerde reserves | 22 |
| 4.3 | Intern beleid instellingen | 25 |
| 4.4 | Conclusies en aanbevelingen | 25 |
| 5 | Inzicht in vermogensvorming | 27 |
| 5.1 | Inleiding | 27 |
| 5.2 | Voorschriften voor jaarrekeningen | 27 |
| 5.3 | Presentatie en toelichting in jaarrekeningen | 29 |
| 5.3.1 | Eigen vermogen | 29 |
| 5.3.2 | Voorzieningen | 30 |
| 5.3.3 | Egalisatierekeningen | 31 |
| 5.3.4 | Overige aspecten jaarrekeningen | 31 |
| 5.3.5 | Accountantsverklaringen | 31 |
| 5.4 | Aspect vermogensvorming in begrotingen | 32 |
| 5.4.1 | Voorschriften voor begrotingen | 32 |
| 5.4.2 | Presentatie en toelichting in begrotingen | 32 |
| 5.5 | Scheiding publiek-privaat | 33 |
| 5.6 | Conclusies en aanbevelingen | 34 |
| 6 | Lenen, beleggen en uitlenen | 36 |
| 6.1 | Inleiding | 36 |
| 6.2 | Lenen | 36 |
| 6.3 | Beleggen | 39 |
| 6.4 | Uitlenen | 42 |
| 6.5 | Conclusies en aanbevelingen | 44 |
| 7 | Slotbeschouwing | 45 |
| 8 | Reacties en nawoord | 47 |
| 8.1 | Inleiding | 47 |
| 8.2 | Positieve toon | 47 |
| 8.3 | Wel of geen algemene wettelijke regels | 47 |
| 8.4 | Begrenzing eigen vermogen | 48 |
| 8.5 | Scheiding publiek-privaat | 49 |
| 8.6 | Lenen, beleggen en uitlenen | 49 |
| 8.7 | Handreiking normeren en begrenzen reserves | 50 |
| Bijlage 1 | Handreiking normeren en begrenzen van reserves | 51 |
| Bijlage 2 | Brief minister van Financiën | 60 |
| Bijlage 3 | Overzicht van conclusies, aanbevelingen, reacties ministers/toezichthouders/instellingen en nawoord Rekenkamer | 65 |
| Bijlage 4 | Regelgeving en beleidsafspraken vermogensvorming | 97 |
| Bijlage 5 | Presentatie en toelichting vermogensvorming in jaarrekeningen | 99 |
| Bijlage 6 | Begrippen toetsingskader | 107 |
| Bijlage 7 | Overzicht solvabiliteitsinstellingen 1997 | 114 |
| Bijlage 8 | Cijfermatig inzicht vermogensvorming 1995–1997 | 116 |
| Bijlage 9 | Cijfers lenen en beleggen 1997 | 132 |
| Bijlage 10 | Gehanteerde afkortingen | 142 |
De Rekenkamer heeft de vermogensvorming onderzocht bij 21 instellingen en 9 clusters van instellingen (in totaal 184 instellingen) die een publieke taak uitvoeren met publiek geld. Vorming van eigen vermogen en voorzieningen is voor deze instellingen op afstand van het rijk noodzakelijk om de continuïteit en doelmatigheid van de taakuitvoering te waarborgen. Er zijn echter goede redenen voor het rijk om regels te stellen voor de vorming en aanwending van deze vermogens. De omvang van het totaal aan eigen vermogen, voorzieningen en egalisatierekeningen van de onderzochte instellingen is aanzienlijk: f 23,9 miljard ultimo 1997. De vermogenspositie verschilt sterk tussen instellingen en binnen clusters van instellingen. Zowel aan omvangrijke als aan geringe eigen vermogens zijn risico’s verbonden. Bij instellingen met omvangrijke reserves is er het risico dat zij zich meer dan door het concept «sturen op afstand» gelegitimeerd is, onttrekken aan politieke verantwoordelijkheid, beïnvloeding en sturing. Bovendien bestaat het risico van ondoelmatig aanwenden of oppotten van publiek geld. Bij instellingen met geringe reserves zijn er risico’s voor de continuïteit van de publieke-taakuitvoering. Wanneer een instelling niet meer de noodzakelijke investeringen kan doen of niet meer kan voldoen aan haar betalingsverplichtingen, kan dit leiden tot een onvoorzien beroep op rijksmiddelen, ongewenste fluctuaties in heffingen en tarieven en eventueel zelfs faillissement van de instelling. Daarnaast speelt, in gevallen waar ook andere (private) activiteiten worden ontplooid, het risico van weglekken van publiek geld naar andere (private) activiteiten van een instelling.
De Rekenkamer heeft onderzocht of de verschillende ministeries een beleid voor vermogensvorming hadden en of de instellingen zich toereikend verantwoorden over de omvang en de samenstelling van hun vermogens. Daarnaast is geïnventariseerd hoe de stand van zaken is op het gebied van lenen, beleggen en uitlenen door instellingen.
Uit het onderzoek bleek dat beleid op het gebied van vermogensvorming in veel gevallen ontbreekt of nog onvoldoende ontwikkeld is. Bij slechts de helft van de onderzochte (clusters van) instellingen bleek er regelgeving of beleidsafspraken te zijn voor de omvang van het eigen vermogen. Aan de wel aangetroffen regelgeving of afspraken ontbraken in het algemeen een toelichting met een onderbouwing van de gemaakte keuzes, bijvoorbeeld voor een bepaald maximumvermogen, en bepalingen over hoe wordt omgegaan met overschrijdingen dan wel onderschrijdingen. Hoewel een groot aantal van de onderzochte instellingen marktactiviteiten naast de wettelijke taak ontplooit, komt scheiding tussen het publieke en private deel van het eigen vermogen nauwelijks voor. Ook is er maar weinig regelgeving voor het aangaan van langlopende leningen en voor het uitlenen en beleggen van liquide middelen.
Uit het onderzoek bleek dat bepalingen of beleidsafspraken voor de omvang van het eigen vermogen in de meeste gevallen een maximumnorm betroffen. Bij zes (clusters van) instellingen (6% (f 915 miljoen) van het totale eigen vermogen van alle onderzochte instellingen) was het totale eigen vermogen begrensd. In vier gevallen waren de maxima beperkt tot slechts een deel van het eigen vermogen (Centraal Orgaan opvang Asielzoekers, TNO, de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en Staatsbosbeheer). In een aantal gevallen waren er geen grenzen aan het eigen vermogen gesteld, maar bestonden er andere bepalingen of afspraken over de omvang van reserves (Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk onderzoek, de uitvoeringsinstellingen sociale zekerheid, de rijksmuseale instellingen en de Informatie Beheer Groep). Bij 14 (clusters van) instellingen ontbreken normen, regels en afspraken over de omvang van het eigen vermogen. Dit is niet altijd een bezwaar: in een aantal gevallen maakt de specifieke situatie dergelijke regelgeving minder zinvol. Dit is bijvoorbeeld het geval bij enkele fondsen en instellingen met een vennootschappelijke rechtsvorm. In het onderzoek kwamen echter ook (clusters van) instellingen voor, waar regelgeving of beleidsafspraken over de omvang van reserves, volgens de Rekenkamer ten onrechte, geheel ontbraken (de politieregio’s, universiteiten, hogescholen, academische ziekenhuizen, het Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie en de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen). Voor een aantal van deze (clusters van) instellingen zijn in het verleden wel onderzoeken uitgevoerd gericht op het vaststellen van grenzen. Deze hebben vooralsnog niet geleid tot vastgesteld beleid.
Onderbouwing begrenzing eigen vermogen
Het bleek dat in de toelichting op de regelgeving en/of afspraken over de omvang van het eigen vermogen meestal niet wordt onderbouwd waarom voor een specifiek maximum wordt gekozen. In een enkel geval worden enige overwegingen gegeven, maar dat vindt de Rekenkamer niet voldoende. Zij acht het van belang dat aan de begrenzing van eigen vermogens een analyse van alle voor de instelling of cluster van instellingen relevante factoren voorafgaat. De overwegingen die hierbij in ieder geval meegenomen moeten worden zijn uitgewerkt in bijlage 1.
Doorslaggevend voor het vaststellen van onder- en/of bovengrenzen is uiteindelijk de bestuurlijke afweging tussen enerzijds het geven van de nodige beleidsvrijheid aan instellingen om reserves en voorzieningen te vormen voor het opvangen van bedrijfsrisico’s en ten behoeve van investeringen en anderzijds de mogelijkheid van het rijk om bij te sturen en het inbouwen van waarborgen dat publiek geld uiteindelijk efficiënt en effectief wordt ingezet voor de doelen waarvoor het ter beschikking is gesteld.
Een beleid op het gebied van vermogensvorming kan niet zonder een goed inzicht in de vermogensvorming bij de instellingen. Uit het onderzoek bleek dat de regelgeving hiervoor in het algemeen aansluit bij algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving. De jaarrekeningen van de onderzochte instellingen bleken in het algemeen te voldoen aan de eisen die in deze grondslagen zijn vastgelegd voor de presentatie en toelichting van eigen vermogen en voorzieningen. Op sommige punten is verbetering mogelijk, bijvoorbeeld waar het gaat om de afbakening tussen bestemmingsreserves en voorzieningen en het voldoende specificeren van de reserves en voorzieningen. Ook is het met het oog op het inzicht in «stille reserves» gewenst dat de actuele waarde van omvangrijke vaste activa, zoals gebouwen, wordt toegelicht. De Rekenkamer beveelt uit oogpunten van transparantie en vergelijkbaarheid aan de verslaggevingsregelgeving voor instellingen uit te breiden en deze regelgeving zoveel mogelijk te uniformeren.
Ook de presentatie en toelichting van prognoses van het eigen vermogen en de voorzieningen in de begrotingen kan op onderdelen verbeterd worden. De regelgeving op dit punt varieert sterk.
Regelgeving voor het aangaan van langlopende leningen en het beleggen of uitlenen van liquide middelen is er nauwelijks, terwijl de instellingen juist steeds meer geld lenen, uitlenen en beleggen. In de periode 1995–1997 namen de langlopende leningen bij de onderzochte instellingen toe van f 5,8 miljard naar f 6,5 miljard en de liquide middelen en beleggingen van f 7,5 miljard tot f 10 miljard. De uitgegeven leningen bedroegen ultimo 1997 f 2,2 miljard. Uit het onderzoek blijkt dat de onderzochte instellingen weliswaar overwegend voorzichtig beleggen, maar dat in 1997 tenminste 9% (f 439 miljoen) van de beleggingen – grotendeels door ziekenfondsen – risicovol is belegd in aandelen. De Rekenkamer vindt dat de ministers maatregelen zouden moeten overwegen om risico’s te beteugelen, bijvoorbeeld door voor te schrijven dat overtollige liquide middelen renderend, maar met een beperkt risico moeten worden belegd. Voor het lenen en beleggen kan overwogen worden de leen- en depositofaciliteit van het Ministerie van Financiën open te stellen voor bepaalde categorieën instellingen op afstand van het rijk. Daarnaast zou het uitlenen aan derden gereguleerd kunnen worden, door bijvoorbeeld voor te schrijven dat deze leningen in principe in het verlengde van de publieke taak dienen te liggen.
Uit het onderzoek blijkt verder dat niet alle instellingen hun jaarrekeningen zodanig specificeren dat inzicht kan worden verkregen in de samenstelling van beleggingen en uitgegeven leningen en de mate van risico die daaraan is verbonden. De Rekenkamer vindt dat ministers regelgeving op dit punt zouden kunnen overwegen en beveelt instellingen aan dit inzicht te verbeteren.
Volgens de Rekenkamer is meer aandacht nodig voor de risico’s van het «weglekken» van publieke middelen naar private activiteiten via de vermogens van instellingen die naast publieke taken ook private activiteiten hebben. Scheiding van publieke taken en private activiteiten en de hiermee samenhangende geldstromen komt in vele variaties voor en is vaak niet volledig. Scheiding tussen het publieke en private deel van het eigen vermogen en voorzieningen komt nauwelijks voor. Volgens de Rekenkamer moeten instellingen voor zover mogelijk duidelijk maken welk deel daarvan is opgebouwd uit publieke gelden en welk uit resultaten van private activiteiten.
In het feit dat een beleid voor vermogensvorming vaak ontbreekt ziet de Rekenkamer een aanwijzing dat er bij de oprichting of verzelfstandiging van de instellingen in het verleden onvoldoende aandacht is geweest voor het aspect vermogensvorming. De Rekenkamer vindt dat dit aspect bij toekomstige verzelfstandigingen meer aandacht moet krijgen.
De Rekenkamer is ook van mening dat de ministeries alsnog een beleid voor vermogensvorming moeten ontwikkelen. Daarin zouden de verantwoordelijke ministers onder meer een standpunt moeten innemen over de grenzen waarbinnen het eigen vermogen van instellingen zich mag ontwikkelen, het omgaan met vermogensoverschotten, de mate waarin en voorwaarden waaronder instellingen vreemd vermogen mogen aantrekken of liquide middelen mogen beleggen of uitlenen, en – voor zover er sprake is van private activiteiten naast de publieke taak – de scheiding tussen het publieke en private deel van het eigen vermogen en voorzieningen.
De Rekenkamer beveelt de ministers van Financiën en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan bij de totstandkoming van een beleid inzake vermogensvorming een coördinerende rol te spelen.
De Rekenkamer legde haar bevindingen in februari 2000 voor aan elf ministers, vijf grote toezichthouders en tien instellingen. Allen reageerden. De minister van Financiën stuurde in maart 2000 mede namens de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en in afstemming met de overige ministers een kabinetsreactie.
De ministers, toezichthouders en instellingen bleken zich in algemene zin in de conclusies en aanbevelingen van de Rekenkamer te kunnen vinden. Gelet op de door de Rekenkamer gesignaleerde stand van zaken bij de beleidsvorming van de departementen, acht het kabinet het zinvol te investeren in verdere beleidsontwikkeling. Het gaat daarbij volgens het kabinet om maatwerk. Diverse bewindspersonen kondigen beleidsinitiatieven aan of melden inmiddels genomen maatregelen. Zo ligt er inmiddels een wetsvoorstel van de Minister van BZK ter wijziging van de Politiewet, dat het mogelijk maakt om regels te stellen voor het vermogen van de politieregio’s. Ook op het terrein van het Ministerie van VWS zijn initiatieven genomen: in de recente wijziging van de Ziekenfondswet is ondermeer opgenomen dat bij ministeriële regeling een maximum aan de reserve ZFW van de ziekenfondsen wordt gesteld. Uit de reacties op de door de Rekenkamer opgestelde «Handreiking normeren en begrenzen van reserves van instellingen op afstand van het rijk» bleek dat alle partijen deze bruikbaar achtten, ofwel voor de verdere vormgeving van sturingsinstrumenten, ofwel voor studie naar of overleg over de gewenste omvang en samenstelling van het vermogen.
Het kabinet is van plan om te bezien of en in welke mate een analyse van de risico’s van het weglekken van publieke middelen naar private activiteiten moet worden uitgevoerd.
Voor lenen, beleggen en uitlenen door instellingen op afstand van het rijk is een rijksbrede beleidslijn, naar analogie van het wetsvoorstel Financiering decentrale overheden, in de maak.
Ondanks de positieve toon van de reacties, zijn er een paar belangrijke punten waarop enkele ministers met de Rekenkamer van mening verschillen. Deze betreffen met name:
• Het opnemen van algemene wettelijke regels over vermogensvorming in de Kaderwet ZBO: het kabinet acht dit niet mogelijk, gezien de grote diversiteit van de instellingen. De Rekenkamer acht het op onderdelen wel mogelijk en gewenst voor vermogensvorming, verslaggeving en de verplichting tot een treasury-statuut waarin aandacht wordt gegeven aan lenen, beleggen en uitlenen. Daarbinnen zal ruimte moeten zijn voor maatwerk.
• De vermogensbegrenzing: uit reacties blijkt dat dit gezien moet worden als maatwerk en dat de slagvaardigheid van de instellingen niet in gevaar mag komen. De minister van OCenW wijst vermogensbegrenzing voor de onderwijssector af: hij acht dit niet verenigbaar met zijn sturingsfilosofie, die gericht is op zoveel mogelijk autonomie van de instellingen en zo weinig mogelijk inperken van de handelingsvrijheid om een slagvaardige bedrijfsvoering niet in de weg te staan.
De zelfstandigheid van instellingen is er volgens de Rekenkamer mee gediend wanneer de minister vooraf duidelijke grenzen stelt waarbinnen instellingen financiële handelingsvrijheid hebben. Het zou kunnen dat het in de specifieke omstandigheden van het onderwijsveld moeilijk is de bevoegdheid van de minister tot het begrenzen van reserves op korte termijn wettelijk te regelen. In dat geval beveelt de Rekenkamer aan dat de minister afhankelijk van de ervaring opgedaan met de monitoring op basis van expliciete normen, in een later stadium eventueel tot nadere wetgeving overgaat.
• Scheiding publiek-privaat: van diverse kanten wordt gewezen op de complexiteit van het scheiden van het publieke en private deel van het eigen vermogen.
De Rekenkamer erkent de complexiteit van het vraagstuk, maar dringt toch aan op het zo mogelijk nemen van maatregelen zodat aan voorwaarden voor het scheiden van vermogensbestanddelen, en derhalve aan de mogelijkheid van het toerekenen van kosten en opbrengsten, wordt voldaan.
2 OPZET EN AANLEIDING ONDERZOEK
De Rekenkamer heeft bij 21 instellingen op afstand van het rijk en 9 clusters van instellingen (in totaal 184 instellingen) de vermogensvorming onderzocht. Het gaat hier om instellingen die een publieke taak uitvoeren met publiek geld1. Deze instellingen hebben in het algemeen de mogelijkheid om eigen vermogen en voorzieningen te vormen.
Dit rapport beoogt in de eerste plaats een rijksbreed beeld te geven van de omvang van de eigen vermogens en voorzieningen en van de wijze waarop de instellingen deze posten in hun jaarrekeningen en begrotingen presenteren en toelichten. Verder is geïnventariseerd wat voor beleid en regelgeving er bij de verschillende ministeries op het punt van vermogensvorming door op afstand van het rijk geplaatste instellingen en voor de verslaggeving daarover is ontwikkeld. Voor een aantal instellingen is onderzocht of zij verslaggevingsregels en regels voor de omvang van het eigen vermogen (voor zover aanwezig) opvolgden.
Ten slotte zijn de nauw met vermogensvorming verband houdende thema’s lenen, beleggen, uitlenen en vermenging publiek-privaat in beeld gebracht.
Vermogensvorming is voor veel instellingen noodzakelijk om de continuïteit en doelmatigheid van de taakuitvoering te waarborgen. Het geeft hun de mogelijkheid om rekening te houden met toekomstige uitgaven vanwege bijvoorbeeld voorziene verplichtingen of investeringen. Het kan werken als een efficiëntieprikkel waarbij recht gedaan wordt aan de zelfstandigheid in het financieel beheer en de uitvoering van taken.
Maar er kleven ook risico’s aan zowel omvangrijke als aan geringe eigen vermogens. Bij instellingen met omvangrijke reserves is er het risico dat zij zich meer dan door het concept «sturen op afstand» gelegitimeerd is, onttrekken aan politieke verantwoordelijkheid, beïnvloeding en sturing. Daarnaast bestaat het risico van ondoelmatig aanwenden of oppotten van publiek geld en kunnen omvangrijke eigen vermogens een signaal zijn van te ruime bekostiging of te hoge premies of tarieven. Bij instellingen met geringe reserves zijn er risico’s voor de continuïteit van de publieke-taakuitvoering. Wanneer een instelling niet meer de noodzakelijke investeringen kan doen of niet meer kan voldoen aan haar betalingsverplichtingen, kan dit leiden tot een onvoorzien beroep op rijksmiddelen, ongewenste fluctuaties in heffingen en tarieven en eventueel zelfs faillissement van de instelling.
In gevallen waar naast de publieke taak ook marktactiviteiten worden ontplooid is er het risico van weglekken van met publiek geld opgebouwde reserves naar private activiteiten.
VOORBEELDEN RISICO’s:
De grote omvang van reserves bij ziekenfondsen in relatie tot de hoogte van premies heeft inmiddels geleid tot een wet die de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport vanaf 1 januari 2001 de bevoegdheid geeft tot het stellen van een maximum aan deze reserves. Enige tijd geleden was het oneigenlijk (privaat) gebruik van reserves door enkele instellingen voor thuiszorg in het nieuws. De Commissie Toezicht Uitvoeringsorganisatie signaleerde in haar jaarverslag 1998 dat niet duidelijk is of instellingen in de gezondheidszorg hun toenemende reserves daadwerkelijk besteden aan zorg, waaronder het terugdringen van wachtlijsten. Recente voorbeelden van risicovol beleggen en uitlenen zijn aan de orde geweest bij respectievelijk de politieregio Amsterdam-Amstelland en de Provincie Zuid-Holland (Ceteco).
De laatste jaren zijn door of in opdracht van diverse ministeries of op afstand geplaatste instellingen onderzoeken gedaan naar de gewenste omvang (niet te laag) en aanvaardbare omvang (niet te hoog) van het eigen vermogen van een instelling. Het betreft bijvoorbeeld omroepverenigingen, academische ziekenhuizen, universiteiten, ziekenfondsen, politieregio’s en het Kadaster. Deze onderzoeken hebben echter in de meeste gevallen nog niet geleid tot beleid of afspraken tussen ministerie en instellingen.
Het onderzoek is uitgevoerd in twee delen. Het eerste deel was een rijksbrede inventarisatie bij elf ministeries en in totaal 184 op afstand geplaatste instellingen. Het gaat hier om negen clusters van instellingen en 21 individuele instellingen.
MINISTERIES EN INSTELLINGEN IN DE RIJKSBREDE INVENTARISATIE:
• Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties: politieregio’s, Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie;
• Buitenlandse Zaken: Nederlandse Financierings-Maatschappij voor Ontwikkelingslanden;
• Onderwijs Cultuur en Wetenschappen: universiteiten, HBO-instellingen, academische ziekenhuizen, rijksmuseale instellingen, omroepverenigingen, Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, TNO, Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk onderzoek;
• Justitie: raden voor de rechtsbijstand, Centraal Orgaan opvang Asielzoeker, Stichting Reclassering Nederlands;
• Sociale Zaken en Werkgelegenheid: uitvoeringsinstellingen sociale zekerheid, Sociale Verzekeringsbank, Arbeidsvoorzieningsorganisatie;
• Volksgezondheid, Welzijn en Sport: ziekenfondsen, Stichting uitvoering Omslagregelingen, College voor Zorgverzekeringen;
• Financiën: Stichting Waarborgfonds Motorverkeer;
• Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu: Kadaster, Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting;
• Verkeer en Waterstaat: RDW Centrum voor voertuigtechniek en informatie, Verenigd Streekvervoer Nederland (sinds 1-1-1998 geen rechtspersoon met wettelijke taak meer);
• Economische Zaken: Stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten, Nederlandse Onderneming voor Energie en Milieu;
• Landbouw, Natuurbeheer en Visserij: Bureau Beheer Landbouwgronden, Staatsbosbeheer.
In het rijksbrede deel zijn de volgende aspecten onderzocht:
• de omvang van de vermogensvorming bij de instellingen;
• de wet- en regelgeving en beleidsafspraken voor de omvang van vermogensvorming;
Onderzocht is of en hoe deze voorzien in begrenzingen en eventuele andere afspraken omtrent de omvang van het eigen vermogen;
• regelgeving voor de presentatie en toelichting van eigen vermogen en voorzieningen in de jaarrekening van de instellingen. Onderzocht is of deze regelgeving aansluit bij algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving en voorziet in voldoende bepalingen voor de presentatie en toelichting van het eigen vermogen en de voorzieningen;
• de daadwerkelijke presentatie en toelichting van eigen vermogen en voorzieningen in de jaarrekeningen 1996 en 1997 van de instellingen;
• de regelgeving omtrent en de mate waarin het eigen vermogen dat is opgebouwd uit publieke gelden gescheiden is van het deel dat is ontstaan uit resultaten van private activiteiten;
• beleid en regelgeving voor het aantrekken van vreemd vermogen (lenen), voor het beleggen van overtollige financiële middelen en voor het uitlenen van gelden aan derden.
Het tweede deel van het onderzoek bestond uit een diepte-onderzoek bij drie departementen en tien instellingen, waarin naast de bovengenoemde punten aan de orde kwamen:
• het interne beleid voor vermogensvorming. Onderzocht is of de tien instellingen een dergelijk beleid hadden en hoe zij dit beleid hadden onderbouwd;
• regelgeving voor de presentatie en toelichting van het eigen vermogen en de voorzieningen in de begrotingen. Onderzocht is of de regelgeving voor de weergave van het aspect vermogensvorming in de begroting ramingen van reserves en voorzieningen, meerjarenplannen en investeringsplannen voorschrijven;
• de daadwerkelijke presentatie en toelichting van het eigen vermogen en voorzieningen in de begrotingen.
MINISTERIES EN INSTELLINGEN IN HET DIEPTE-ONDERZOEK:
• Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties: politieregio’s Amsterdam-Amstelland, Utrecht en Groningen;
• Onderwijs Cultuur en Wetenschappen: Universiteit van Leiden, Universiteit van Utrecht en Technische Universiteit Delft, KNAW, NWO en TNO;
• Sociale Zaken en Werkgelegenheid:Arbeidsvoorzieningsorganisatie.
Het diepte-onderzoek omvatte naast de inventarisatie van wet- en regelgeving en de analyse van de jaarrekeningen over de jaren 1995 tot en met 1997 ook de analyse van begrotingen, accountantsrapportages en beleidsdocumenten en interviews bij de departementen en de instellingen.
De gegevensverzameling van het onderzoek werd in september 1999 afgerond.
Onder «vermogen» wordt in dit rapport verstaan de som van het eigen vermogen, de voorzieningen en – voor zover van toepassingde egalisatie – rekeningen voor ontvangen investeringsbijdragen. De nadruk zal liggen op de componenten eigen vermogen en voorzieningen.
Het eigen vermogen is het saldo van activa minus vreemd vermogen. Bij op afstand geplaatste instellingen bestaat het eigen vermogen voornamelijk uit reserves, die worden gevormd uit het resultaat. Dat kunnen algemene, vrij besteedbare reserves zijn of bestemde reserves die voor een bepaald doel apart zijn gezet (soms aangeduid als fondsen).
Het eigen vermogen kan drie functies vervullen:
• de financieringsfunctie: de hiervoor gevormde reserves dienen ter financiering van bedrijfsgebonden vaste activa, bijvoorbeeld gebouwen en materieel;
• de bufferfunctie: met de hiervoor gevormde reserves worden fluctuaties in de exploitatie en bedrijfsrisico’s opgevangen;
• de bestemmingsfunctie: deze reserves zijn door bestuur of derden (minister, overige subsidiegevers of sponsors e.d.) geoormerkt voor een specifiek doel.
Voorzieningen moeten worden gevormd voor:
• dekking van risico’s, verliezen en verplichtingen waarvan de omvang op de balansdatum onzeker is, maar wel redelijkerwijs is te schatten;
• kosten die in een volgend boekjaar zullen worden gemaakt, mits het maken van die kosten zijn oorsprong mede vindt in het boekjaar of een voorafgaand boekjaar en de voorziening strekt tot gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal boekjaren.
Egalisatierekeningen worden gevormd door van derden ontvangen investeringsbijdragen niet direct geheel in het jaar van ontvangst als opbrengst ten gunste van de resultatenrekening te brengen, maar te passiveren («reserveren») op de balans. In bijlage 6 worden de definities verder toegelicht.
In dit rapport wordt achtereenvolgens ingegaan op de omvang van vermogens (hoofdstuk 3), het beleid ten aanzien van de begrenzing van vermogensvorming (hoofdstuk 4) en het inzicht in vermogensvorming (hoofdstuk 5). Vervolgens worden enkele nauw met vermogensvorming verbonden thema’s lenen, beleggen en uitlenen behandeld (hoofdstuk 6). Het rapport wordt afgesloten met een slotbeschouwing (hoofdstuk 7) en een samenvattende reactie en nawoord (hoofdstuk 8).
De volgende bijlagen zijn bij het rapport gevoegd:
• Handreiking normeren en begrenzen van reserves (bijlage 1);
• Kabinetsreactie op concept-rapport (bijlage 2);
• Overzicht conclusies, aanbevelingen, reacties en nawoord (bijlage 3);
• Regelgeving en beleidsafspraken vermogensvorming (bijlage 4);
• Presentatie en toelichting vermogensvorming in jaarrekeningen (bijlage 5);
• Begrippen en toetsingskader (bijlage 6);
• Overzicht solvabiliteit instellingen 1997 (bijlage 7);
• Cijfermatig overzicht vermogensvorming 1995–1997 (bijlage 8);
• Overzicht beleggen en leningen 1997 (bijlage 9);
• Gehanteerde afkortingen (bijlage 10).
2.6 Briefwisseling onderzoek kasbeheer
In zijn reactie op het rapport ging de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op verzoek van de Rekenkamer, in op een recente briefwisseling tussen hem en de Rekenkamer over onderzoek naar kasbeheer bij instellingen op afstand van het rijk. De minister verzocht de Rekenkamer (brief d.d. 8 januari 2000), mede namens de minister van Financiën, of zij in staat en bereid zou zijn het aspect kasgeldbeheer mede in ogenschouw te nemen bij haar onderzoek bij en naar rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT’s) en of de Rekenkamer op basis van reeds verricht onderzoek van belang zijnde gegevens aan de Staten-Generaal en de regering zou kunnen verstrekken.
De Rekenkamer wijst in haar antwoord (brief d.d. 3 februari 2000) op het nu voorliggende rapport «Vermogensvorming bij instellingen op afstand van het rijk» en het rapport «Financieel beheer politieregio’s» uit 1998. Het belang van het thema kasbeheer alsmede de noodzaak van beleid terzake wordt door het Rekenkameronderzoek bevestigd. De Rekenkamer stelde voorts dat zij voornemens is in toekomstig onderzoek bij RWT’s waar mogelijk en gewenst aandacht te geven aan het aspect kasgeldbeheer. Zij verzocht de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in zijn reactie op het onderzoek «Vermogensvorming bij instellingen op afstand van het rijk» na te gaan welke aanvullende informatie over kasbeheer hij nodig acht en welke aanvullende informatie hij van de Rekenkamer zou willen ontvangen.
In zijn reactie op het rapport (brief Minister van Financiën d.d. 3 maart 2000) stelde de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, dat, gelet op de door de Algemene Rekenkamer gesignaleerde stand van zaken bij de beleidsvorming van de ministeries, het kabinet het zinvol acht eerst te investeren in deze algemene beleidsontwikkeling en regelgeving. Naar het oordeel van de minister bieden de lopende en voorgenomen activiteiten van de Rekenkamer een goede basis om daarnaast een beter zicht te krijgen op het kasbeheer. De minister zou een herkenbare rapportage over dit onderwerp op enig moment op prijs stellen.
De Rekenkamer zal de bestuurlijke reacties op het onderzoek «vermogensvorming» en de suggestie van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om aan de problematiek op enig moment een herkenbare publicatie te wijden, betrekken bij de verdere uitwerking van haar onderzoeksprogramma.
De omvang van de vermogensvorming werd onderzocht door analyse van de jaarrekeningen 1995–1997. Door de grote verschillen tussen de instellingen bleken de gegevens niet zonder meer vergelijkbaar te zijn. Bovendien gaven deze niet altijd een compleet beeld. De volgende overzichten zijn gemaakt op basis van totalen en gemiddelden van 178 instellingen in de jaren 1996 en 1997 en 175 instellingen in het jaar 1995 (zie bijlage 8 voor een overzicht per instelling).

In totaal gaat het ultimo 1997 bij de onderzochte 178 instellingen1 om een bedrag van f 16,6 miljard aan eigen vermogen en f 6,5 miljard aan voorzieningen bij een balanstotaal van f 44,6 miljard. Daarnaast komen egalisatierekeningen voor investeringsbijdragen voor ter hoogte van f 850 miljoen. Het totale vermogen als som van deze drie componenten bedraagt ultimo 1997 dus f 23,9 miljard.
Het eigen vermogen neemt over de onderzochte periode 1995–1997 toe met ruim 9%. Doordat de gemiddelde solvabiliteit2 in de periode 1995–1997 tegelijkertijd daalt van 40% naar 37% kan hieruit niet direct worden geconcludeerd dat de instellingen in deze periode ook hun balanspositie verbeterden. De voorzieningen laten echter een forse stijging zien van circa 22%. De langlopende schulden namen daarnaast toe met circa 8% tot f 6,5 miljard.
Het eigen vermogen is deels in liquide vorm beschikbaar en ligt deels vast in de voor de bedrijfsactiviteiten benodigde vaste activa. De liquide middelen en kort- en langlopende beleggingen stegen van in totaal f 7,5 miljard in 1995 tot f 10 miljard in 1997. De materiële vaste activa stegen in de periode 1995–1997 van f 18,3 miljard naar f 20 miljard. De liquiditeit3 schommelt in deze periode tussen de 1,2 en 1,3. De baten namen toe van f 52 miljard in 1995 tot f 59,3 miljard in 1997. Het aandeel van de publieke middelen (met name rijksbijdragen) bedraagt in 1997 bijna 90% van de totale baten. Het exploitatieresultaat schommelt aanzienlijk tussen de jaren: f 929 miljoen in 1995, f 1 miljard in 1996 en f 345 miljoen in 1997.
De omvang van het eigen vermogen, de voorzieningen en de liquiditeiten per (cluster van) instellingen is in beeld gebracht in de figuren 2 en 3.

In figuur 2 zijn per cluster de instellingen met het laagste en het hoogste bedrag opgenomen alsmede het gemiddelde van de cluster.

Uit deze overzichten blijkt dat er een grote variatie is in vermogenspositie, zowel tussen instellingen in het algemeen als binnen clusters van instellingen en ook per instelling in de tijd. De verschillen in vermogenspositie tussen (clusters van) instellingen kunnen samenhangen met de wijze van bekostiging, het type activiteit, het al dan niet in eigendom hebben van bedrijfsmiddelen, maar ook met verschillen in de wijze van presenteren in de jaarrekening. Daarnaast kunnen verschillen worden verklaard uit het functioneren van een instelling in het verleden: eigen vermogen wordt immers in principe gevormd uit het resultaat van activiteiten. Een deel van de variatie in de tijd wordt veroorzaakt door presentatie- en stelselwijzigingen in jaarrekeningen of wijzigingen in beleid, zoals uitbreiding van taken of overdracht van gebouwen aan instellingen. Het reserveren van gelden en het opnemen van leningen ten behoeve van investeringen kan leiden tot sterke veranderingen in de liquiditeitspositie. Met name binnen clusters met relatief veel bedrijfsmiddelen (universiteiten, politieregio’s) spelen deze factoren een rol.
De gemiddelde solvabiliteit van het totaal van de onderzochte instellingen ligt in de orde van grootte van wat bij commerciële organisaties in het algemeen als wenselijk wordt beschouwd (30 tot 40%). Er van uitgaand dat deze instellingen minder risico’s lopen dan marktorganisaties zou voorzichtig geconcludeerd kunnen worden dat dit gemiddelde aan de hoge kant is. Nadere analyse en bestuurlijke afweging van relevante factoren en risico’s per (cluster van) instelling(en) is echter nodig om te bepalen of dit inderdaad het geval is (zie ook bijlage 7: overzicht solvabiliteit instellingen 1997). De Rekenkamer doet hierover in dit rapport geen uitspraak.
Uitgangspunt van het onderzoek is dat de vorming van vermogens door instellingen die een wettelijke taak verrichten met publiek geld een belangrijk aandachtspunt van beleid dient te zijn. Bij een dreigende discontinuïteit van de taakuitvoering vanwege insolventie van de instelling zal er gewoonlijk een beroep op de overheid worden gedaan, ook indien de overheid geen formele verplichting (meer) heeft om de instelling te hulp te komen. Daarnaast is het uit het oogpunt van publieke taakuitvoering niet wenselijk wanneer instellingen met publieke gelden gevormde exploitatieoverschotten ondoelmatig aanwenden of oppotten. Daarom vindt de Rekenkamer dat de verantwoordelijke minister en/of toezichthouder op zijn minst de vermogensontwikkeling zou moeten monitoren en daarvoor normen en indicatoren zou moeten ontwikkelen. In veel gevallen is het ook gewenst dat het rijk grenzen aangeeft waarbinnen reserves zich mogen ontwikkelen en vaststelt welke maatregelen bij overschrijding van deze grenzen zullen worden genomen. Deze begrenzing dient dan volgens de Rekenkamer betrekking te hebben op het totale eigen vermogen, en eventueel daarnaast nog op specifieke reserves1. De begrenzing zou moeten worden onderbouwd met een analyse van voor de vermogenspositie relevante factoren en risico’s. Dit betreft algemene factoren (zoals de besturingsfilosofie, de bekostigingswijze, de omvang en soorten reserves en voorzieningen bij organisaties met vergelijkbare risico’s), factoren ter bepaling van de financieringsfunctie van het eigen vermogen (zoals waardering, samenstelling en ouderdom van materiële vaste activa, de hiermee samenhangende financieringsbehoefte en de beleidslijn van het ministerie ter zake) en factoren ter bepaling van de bufferfunctie van het eigen vermogen (zoals algemene bedrijfsrisico’s, exploitatieresultaten uit het verleden, flexibiliteit van de kostenstructuur e.d.). Voor een uitwerking wordt verwezen naar de handreiking en het toetsingskader (bijlagen 1 en 6). De door banken bij de beoordeling van commerciële organisaties gehanteerde criteria voor solvabiliteit en liquiditeit zijn hier niet zonder meer van toepassing.
De Rekenkamer heeft op basis van deze uitgangspunten geïnventariseerd welke beleidsafspraken en/of regelgeving er is ten aanzien van de omvang van reserves. Onderzocht is of er grenzen zijn gesteld in de vorm van een maximum en/of minimum, of deze grenzen betrekking hebben op het totale eigen vermogen of onderdelen ervan, of deze grenzen in de praktijk worden overschreden en of is vastgelegd hoe wordt omgegaan met overschrijding van deze grenzen. Daarnaast is voor de tien instellingen in het diepte-onderzoek onderzocht welk intern beleid wordt gevoerd en of dit onderbouwd is door een systematische analyse van relevante factoren en risico’s (zie toetsingskader bijlage 6).
Tabel 1 geeft een overzicht van de regelgeving en beleidsafspraken over de omvang van reserves bij de onderzochte (clusters van) instellingen.
Tabel 1: Regelgeving en beleidsafspraken over de omvang van (een deel van) het eigen vermogen
| Soort regelgeving | Maximumnorm | Minimumnorm | Geen normen, wel regels of afspraken | Geen normen, geen regels of afspraken |
|---|---|---|---|---|
| Instelling | Raden voor Rechtsbijstand COA SRN Omroepverenigingen TNO Arbeidvoorzieningsorganisatie Kadaster RDW Staatsbosbeheer Novem | Ziekenfondsen | FMO IB-Groep NWO Uitvoeringsinstellingen sociale zekerheid rijksmuseale instellingen | Politieregio’s LSOP Universiteiten Hogescholen Academische ziekenhuizen KNAW SVb Suo CvZ WfM CFV COVA BBL VSN |
| Totaal | 10 | 1 | 5 | 14 |
Uit deze tabel blijkt dat bij ruim de helft (16) van de onderzochte (clusters van) instellingen de minister of de onafhankelijke toezichthouder een norm heeft gesteld of afspraken heeft gemaakt over de omvang van het totale eigen vermogen of onderdelen daarvan. In de meeste gevallen (tien van de zestien) ging het om een maximumgrens. In één geval was een minimumgrens gesteld, namelijk voor de ziekenfondsen.
In de overige vijf gevallen ging het om expliciete regels of beleidsafspraken over de vermogensvorming waarbij echter geen duidelijke grenzen zijn gesteld aan de reserves. Dit geldt voor de rijksmuseale instellingen, Informatie Beheer Groep, NWO, uitvoeringsinstellingen sociale zekerheid en FMO. Bij de rijksmusea is vastgesteld dat ten hoogste 10% van de voor vier jaar toegekende subsidie mag worden gereserveerd. Er is echter geen grens gesteld aan het geaccumuleerde eigen vermogen. Voor de Informatie Beheer Groep, de NWO en de uitvoeringsinstellingen sociale zekerheid zijn expliciet vastgelegd dat jaarlijks wordt overlegd over de ontwikkeling van de reserves. Daarbij zijn geen normen voor de omvang van het eigen vermogen vastgesteld. Bij de FMO is in een formule vastgelegd welk gedeelte van de winst jaarlijks aan het eigen vermogen dient te worden toegevoegd, maar er is geen grens aan het geaccumuleerde eigen vermogen gesteld. De solvabiliteitseis van 30% over de gewogen activa die door de FMO intern werd gehanteerd, werd door De Nederlandsche Bank weliswaar voldoende geacht, maar was niet in een voorschrift geformaliseerd.
VOORBEELDEN VAN POGINGEN TOT NORMERING BIJ DE UITVOERINGSINSTELLINGEN SOCIALE ZEKERHEID EN NWO:
Bij de ontvlechting van de uitvoeringsinstellingen sociale zekerheid gold als uitgangspunt dat deze instellingen in staat zouden moeten zijn tegen redelijke voorwaarden privaat vreemd vermogen aan te trekken. Volgens de Technische Werkgroep Ontvlechting (TWO) leerde de ervaring dat hiervoor circa 40% eigen vermogen nodig was, en dit wordt door de diverse uitvoeringsinstellingen als basis voor het eigen vermogen genomen. Er zijn echter geen maxima gesteld aan de verdere ontwikkeling van het vermogen.
Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen heeft, gevolg gevend aan een aanbeveling uit een Rekenkameronderzoek in 1995, geëxperimenteerd met het stellen van absolute (maximum)normen aan de hoogte van het eigen vermogen en de voorzieningen van de NWO (geldend met ingang van 1996). Deze absolute normen gaven volgens het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aanleiding tot optimaliserend gedrag en vruchteloze discussies over mutaties, waarna dit ministerie in 1997 van de normen is afgestapt. Thans worden enige jaren solvabiliteitsen liquiditeitskengetallen gehanteerd, op basis waarvan opnieuw normgrenzen in de vorm van bandbreedtes zullen worden geformuleerd.
Bij veertien (clusters van) instellingen waren geen normen gesteld of andere regels en/of beleidsafspraken vastgelegd over de omvang van reserves.
Bij acht van deze instellingen is sprake van een specifieke situatie waarbij een vaste begrenzing van reserves minder zinvol is. Dit betreft vier (beheerders van) fondsen (Sociale Verzekeringsbank, de Stichting uitvoering omslagregelingen, het College voor Zorgverzekeringen, Waarborgfonds Motorverkeer en het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting), één instelling met een vennootschappelijke rechtsvorm (VSN), één instelling die in feite onderdeel van het ministerie is (Bureau Beheer Landbouwgronden), en het Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten.
INSTELLINGEN WAARBIJ EEN VASTE BEGRENZING VAN HET EIGEN VERMOGEN MINDER ZINVOL IS:
De SocialeVerzekeringsbank, de Suo, het College voor Zorgverzekeringen en het WfM zijn fondsbeheerders zonder, of in geval van CvZ zeer gering, eigen vermogen. De uitvoeringskosten worden ten laste gebracht van de fondsen en materiële vaste activa worden gefinancierd uit leningen uit die fondsen. De omvang van de fondsen zelf – bij Suo en WfM voornamelijk aangehouden als voorzieningen – is uiteraard wel een belangrijk onderwerp van beleid voor de overheid, maar voor de eventuele normering daarvan gelden specifieke beleidsinhoudelijke overwegingen.
Dat laatste geldt ook voor het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting. Dit fonds wordt gevoed door jaarlijkse bijdragen van alle toegelaten instellingen. De minister stelt jaarlijks – op basis van een beoordeling van de omvang van het fonds – de normbedragen vast op grond waarvan de hoogte van de bijdragen wordt bepaald.
De VSN (thans Connexxion) is een vennootschap. Het eigen vermogen en eventuele dividenden staan volledig ter beschikking van de aandeelhouders, in dit geval de Staat. Er kunnen afspraken worden gemaakt over bijvoorbeeld het gedeelte van de winst dat jaarlijks wordt toegevoegd aan het eigen vermogen, maar een vaste begrenzing ligt minder voor de hand.
Bij Bureau Beheer Landbouwgronden bestaat het eigen vermogen voornamelijk uit (tijdelijk) beheerde landbouwgronden. Het BBL wordt qua financieel beheer beschouwd als een departementale organisatie-eenheid van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Het saldo van inkomsten en uitgaven komt ten gunste dan wel ten laste van de rijksbegroting.
Bij het Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten speelt de normering van eigen vermogen niet. De voorraad aardolie wordt geheel uit vreemd vermogen gefinancierd onder garanties van het rijk (langlopende schulden f 650 miljoen). De inkomsten zijn geheel afhankelijk van door het Ministerie van Economische Zaken vastgestelde en door de Belastingdienst geïnde voorraadheffingen.
Bij de zes overige instellingen waar normering dan wel regels of afspraken over de omvang van reserves ontbreken acht de Rekenkamer het in principe wel zinvol, te weten de politieregio’s, het Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie, de universiteiten, de hogescholen, de academische ziekenhuizen en de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. In de door de Rekenkamer onderzochte periode 1995–1997 was bij drie van deze (clusters van) instellingen sprake van een stijgend eigen vermogen (politieregio’s, hogescholen, KNAW). Bij de clusters politieregio’s, academische ziekenhuizen en universiteiten is de laatste jaren wel onderzoek verricht naar de vermogenspositie en de mogelijkheid om deze te normeren. Dit onderzoek heeft echter vooralsnog niet geleid tot regelgeving of beleidsafspraken.
VOORBEELD: RAPPORTAGE UNIVERSITEITEN
Over de vermogensvorming van universiteiten heeft de Commissie Koopmans, ingesteld door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU) gezamenlijk, recent een rapport uitgebracht. De commissie berekent een aanzienlijk tekort aan eigen vermogen bij de universiteiten van f 1,6 miljard. Uitgangspunt daarbij is dat vervangingsinvesteringen volledig uit eigen vermogen gefinancierd worden. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen liet in zijn reactie op het rapport Koopmans aan de instellingen weten eerst het Rekenkamerrapport over vermogensvorming af te willen wachten alvorens zijn definitieve standpunt te bepalen.
In tabel 2 is voor de tien (clusters van) instellingen waarvoor maxima zijn gesteld, aangegeven wat zij inhouden, of ze het totale eigen vermogen of een deel ervan betreffen en in hoeveel gevallen deze maxima werden bereikt, onderschreden of overschreden.
Uit het overzicht blijkt dat de maximering van het eigen vermogen of delen daarvan op diverse manieren is vormgegeven. In sommige gevallen waren reserves in absolute zin gemaximeerd (bijvoorbeeld bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie). Combinaties van maximale jaarlijkse toevoegingen en een absolute grens kwamen evenwel ook voor (raden voor rechtsbijstand). Ook was er bij sommige instellingen sprake van meerdere reserves waarvoor een verschillend maximum gold (omroepverenigingen).
Bij zes van de tien (clusters van) instellingen werd door het stellen van maxima ook de ontwikkeling van het totale eigen vermogen van de betreffende instellingen gemaximeerd. Dit gebeurde deels door het totale eigen vermogen te maximeren, deels door specifieke reserves te maximeren in combinatie met een bepaling dat er geen andere reserves gevormd mochten worden. Het totale eigen vermogen bedroeg ultimo 1997 voor deze (clusters van) instellingen f 915 miljoen. Dit is circa 6% van het totale eigen vermogen van alle onderzochte instellingen.
In vier gevallen was slechts een onderdeel van het eigen vermogen aan een maximum gebonden. Bij TNO1 gold dit voor de reserve bedrijfsrisico’s en was niets bepaald over de maximering van het totale eigen vermogen of de eventuele overige reserves. Bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie gold dit voor de algemene reserve bedrijfsrisico en de bestemmingsreserve investeringen tezamen. Bij het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers was, naast een maximum voor de egalisatiereserve, in de regelgeving vastgelegd dat de minister van Justitie ten aanzien van de toegestane«reserve vervanging inrichting en inventaris» wel een maximum kon bepalen, maar was in de praktijk geen maximum vastgesteld.
Bij Staatsbosbeheer was in een overeenkomst met de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij voor de periode 1999–2003 bepaald dat Staatsbosbeheer, met uitdrukkelijke toestemming van de minister, naast de algemene reserve ook specifieke bestemmingsreserves kon aanhouden, maar was niet expliciet vastgelegd dat de minister deze reserves ook aan een maximum kon binden.
Tabel 2: Aard en stand maximering eigen vermogen/reserves bij gemaximeerde instellingen ultimo 1997
| INSTELLING | Aard maximering | Stand 1997 | EV partieel of geheel |
|---|---|---|---|
| Raden voor Rechtsbijstand (5) | Toevoeging egalisatiereserve beheerskosten maximaal 5% deelsubsidie per jaar; beheerskosten bovendien gemaximeerd tot f 500 000. | • ȯ ooo | Geheel |
| Toevoeging egalisatiereserve programmakosten maximaal 5% deelsubsidie per jaar, hoogte maximaal 10% deelsubsidie. | •• ȯȯ o | ||
| Centraal Orgaan opvang Asielzoekers | Egalisatiereserve (risicoreserve) maximaal 5% jaarlijkse subsidiebedrag van aantal kostengroepen, evenwel niet hoger dan f 25 miljoen. | ȯ | Partieel |
| Stichting Reclassering Nederland | Toevoeging aan risicoreserve maximaal 5% subsidiebedrag per jaar tot maximum van f 10 miljoen. | o | Geheel |
| Omroepverenigingen (7) | Private reserves gemaximeerd op niveau 1993. | ȯȯȯȯȯȯȯ | Geheel |
| Programmareserve sinds 1997 gemaximeerd als 5% van de jaaromzet; het minimumvermogen mag na 2000 evenmin negatief zijn. | •• ooooo | ||
| TNO | «Fonds» bedrijfsrisico’s maximaal f 20 miljoen. | o | Partieel |
| Arbeidsvoorzienings- organisatie | Algemene reserve bedrijfsrisico’s en bestemmingsreserve investeringen tezamen maximaal f 150 miljoen. | o | Partieel |
| Kadaster | Structurele reserve maximaal 1/3 van het structurele balanstotaal. | ȯ | Geheel |
| Conjuncturele reserve maximaal f 75 miljoen. | ȯ | ||
| Reserve marktactiviteiten maximaal 1/3 van het structurele balanstotaal van deze activiteiten | ȯ | ||
| Overschotreserve nihil. | • | ||
| RDW | Eigen vermogen maximaal 20% balanstotaal. | ȯ | Geheel |
| Conjuncturele reserve maximaal f 8 miljoen. | ȯ | ||
| Algemene reserve nihil. | • | ||
| Novem | Dividendbeleid afgestemd op eigen vermogen van maximaal f 25 miljoen. | o | Geheel |
| Staatsbosbeheer | Algemene reserve maximaal 10% totale jaaromzet (1998). | o | Partieel |
• = eigen vermogen hoger dan maximum;
ȯ = eigen vermogen gelijk aan maximum;
o = eigen vermogen lager dan maximum;
In de toelichting op de regelgeving en/of afspraken worden soms wel enige overwegingen gegeven, maar wordt meestal niet onderbouwd waarom voor een specifiek maximum wordt gekozen.
VOORBEELDEN VAN ENIGE OVERWEGINGEN DIE WEL IN DE TOELICHTING WORDEN GEGEVEN:
Bij de verzelfstandiging van het Kadaster werd de keuze voor een maximaal aanwezig eigen vermogen van ⅓ deel van het structurele balanstotaal gemotiveerd met de verwijzing dat deze vermogensverhouding in ondernemingen met een vergelijkbare balansstructuur als gezond werd aangemerkt (Tweede Kamer, vergaderjaar 1992–1993, 23 007 nr. 3, blz. 21).
Bij de Raden voor Rechtsbijstand gold als criterium voor de maximale hoogte van de egalisatiereserve «landelijke automatiseringsactiviteiten» de economische vervangingswaarde van de systemen en de gerealiseerde afschrijvingen daarop (Subsidiebesluit Raden voor Rechtsbijstand, artikel 10).
Een bijzonder geval is de Novem, een NV waarbij het maximum gegeven is door het bedrag dat geldt als wettelijk criterium voor het structuurregime (f 25 miljoen).
Bij de in totaal 371 onderzochte gemaximeerde reserves bleek in zeven gevallen ultimo 1997 sprake van een overschrijding en wel bij drie Raden voor Rechtsbijstand (totaal ruim f 4 miljoen), twee omroepverenigingen (totaal f 38 miljoen), het Kadaster (f 197 miljoen) en de RDW (f 39 miljoen). Bij 14 gemaximeerde reserves was de stand minder dan het maximum en in 16 gevallen was de stand precies gelijk aan het maximum.
De Rekenkamer trof in de regelgeving voor de gemaximeerde instellingen nauwelijks bepalingen aan over de wijze waarop met eventuele vermogensoverschotten diende te worden omgegaan, zoals bepalingen over afromen, bestemming of een maximale afbouwperiode. Bij een directe subsidierelatie op basis van voorschotten, zoals bij de Raden voor de Rechtsbijstand, kunnen overschrijdingen van een gesteld maximum op relatief eenvoudige wijze bij de definitieve subsidievaststelling worden verrekend. Op de instelling rust dan een terugbetalingsverplichting. Het Kadaster en de RDW hebben geen subsidierelatie met het rijk, maar worden bekostigd uit tarieven die door de betreffende ministers moeten worden goedgekeurd. Wanneer geen directe afroming plaatsvindt, zijn vermogensoverschotten alleen via het tariefbeleid en dus op middellange termijn te beïnvloeden. In beide gevallen waren hierover afspraken gemaakt. De twee omroepverenigingen die ultimo 1997 een overschrijding te zien gaven op de gemaximeerde programmareserve, waren tegen de afbouwregeling van het Commissariaat voor de Media in beroep gegaan. De Raad van Bestuur van de NOS, die ingevolge een wetswijziging de bevoegdheid tot maximeren in 1998 van het Commissariaat overnam, heeft inmiddels met een van beide verenigingen afspraken gemaakt over de hoogte en de termijn van afbouw van de reserve. In andere gevallen, zoals bij de verzelfstandiging van Staatsbosbeheer, was uitsluitend overeengekomen dat in het geval van overschrijding van gemaximeerde reserves overleg zou plaatsvinden over de bestemming van het surplus.
ONDERHANDELEN OVER EIGEN VERMOGEN
Uit het onderzoek bleek dat in de gevallen waarin de wenselijke omvang van het eigen vermogen onderwerp was van periodieke onderhandelingen tussen minister of onafhankelijke toezichthouder enerzijds en instelling anderzijds, het resultaat van deze onderhandelingen door de beide partijen verschillend werd geïnterpreteerd. De instellingen beschouwden het onderhandelingsresultaat vaak als het minimaal noodzakelijke eigen vermogen. De inzet van ministerie of toezichthouder was daarentegen te bepalen welk gedeelte van het eigen vermogen als overtollig moest worden beschouwd. Hieruit blijkt dat duidelijke en eenduidige vastlegging van de uitgangspunten voor dit soort onderhandelingen dringend gewenst is.
4.3 Intern beleid instellingen
De Rekenkamer onderzocht bij de tien instellingen betrokken in het diepte-onderzoek het interne beleid ten aanzien van vermogensvorming. De besturen van deze instellingen bleken aandacht aan aspecten van vermogensvorming te besteden, zoals aan de financiering van investeringen, het vormen van voorzieningen, het bestemmen van exploitatie-overschotten, het aangaan van leningen en het beleggen van (tijdelijk overtollige) liquide middelen. Er was echter bij de instellingen geen inzicht in de gewenste omvang van het eigen vermogen, gebaseerd op een systematische analyse van relevante factoren en risico’s (zie verder bijlage 3). Het ontbrak in deze gevallen overigens ook aan een departementaal beleid dat voor deze organisaties als ijkpunt kon fungeren.
VOORBEELD: GEVOLGEN ONTBREKEN BELEID
Bij de politieregio Amsterdam-Amstelland was het interne beleid gericht op 100% zelffinanciering. Bij andere politieregio’s werden de bedrijfsmiddelen gedeeltelijk met vreemd vermogen gefinancierd. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties formuleerde geen duidelijk beleid op dit punt. Tegelijkertijd was het onduidelijk of de door de politieregio Amsterdam-Amstelland gevormde (aanzienlijke) reserves zouden worden afgeroomd ten behoeve van minder solvabele regio’s. In deze onzekere situatie werd door de politieregio besloten de investeringen in huisvesting met f 180 miljoen te intensiveren, onder andere door de aankoop van een pand dat tot dusverre gehuurd werd.
4.4 Conclusies en aanbevelingen
Bij 16 van de 30 (clusters van) instellingen bestaat regelgeving of zijn beleidsafspraken gemaakt over de omvang van het eigen vermogen of delen daarvan. Bij tien (clusters van) instellingen betreft dit maxima, waarbij het in vier gevallen, namelijk bij Centraal Orgaan opvang Asielzoekers, TNO, Arbeidsvoorzieningsorganisatie en Staatsbosbeheer, gaat om het maximering van slechts een deelvan het eigen vermogen. In één geval, namelijk de ziekenfondsen, is wel een minimum, maar geen maximum voor de omvang van reserves vastgesteld. Bij vijf (clusters van) instellingen gelden geen vaste grenzen voor de hoogte van (onderdelen van) reserves, maar is wel iets geregeld over de toevoeging aan reserves dan wel is vastgelegd dat jaarlijks over de omvang van reserves wordt overlegd. Dit betreft de rijksmuseale instellingen, Informatie Beheer Groep, NWO, uitvoeringsinstellingen sociale zekerheid en FMO.
Bij de overige 14 (clusters van) instellingen gelden geen regels of afspraken over de omvang van reserves. Voor acht geldt een specifieke situatie die dergelijke regels minder zinvol maakt. Voor de overige zes is dit wel het geval. Het gaat om de politieregio’s, universiteiten, hogescholen, academische ziekenhuizen, het Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie en de KNAW. Voor een aantal daarvan zijn in het verleden wel onderzoeken uitgevoerd gericht op het vaststelen van grenzen. Deze hebben vooralsnog niet geleid tot vastgesteld beleid.
Het bleek dat bij die instellingen waar een maximumnorm voor het eigen vermogen gold, in de meeste gevallen de feitelijke eigen vermogens gelijk waren aan de vastgestelde maxima of daaronder lagen. Daar waar een vermogensoverschot was, waren afspraken gemaakt over de reductie van de betreffende reserves. In de toelichting op de regelgeving en/of afspraken worden soms wel enige overwegingen gegeven, maar wordt meestal niet onderbouwd waarom voor een specifiek maximum wordt gekozen. In de regelgeving trof de Rekenkamer ook geen bepalingen aan over hoe wordt omgegaan met overschrijdingen.
De Rekenkamer acht het van belang dat aan de begrenzing van vermogens een analyse van alle voor de instelling of cluster van instellingen relevante factoren en risico’s voorafgaat. Zij heeft de overwegingen die hierbij in ieder geval meegenomen moeten worden uitgewerkt in bijlage 1.
Daar waar alleen delen van het eigen vermogen (specifieke reserves) zijn genormeerd, acht de Rekenkamer het gewenst dat een aanvullende norm voor het totale eigen vermogen wordt geformuleerd, ter voorkoming van verschuivingen binnen het eigen vermogen ter ontwijking van maximumnormen.
De Rekenkamer acht het tevens wenselijk dat wanneer de vermogensontwikkeling van instellingen begrensd wordt er tegelijkertijd geregeld is hoe wordt omgegaan met een eventuele overschrijdingen, zoals bijvoorbeeld de bestemming en afbouwperiode van een surplus.
Besturen van de tien in het diepte-onderzoek betrokken instellingen bleken wel intern beleid te voeren voor aspecten van vermogensvorming. Het ontbrak echter aan een systematisch inzicht in de gewenste omvang van het eigen vermogen, gebaseerd op een systematische analyse van relevante factoren en risico’s. Het ontbrak in deze gevallen ook aan een departementaal beleid dat voor deze organisaties als ijkpunt kon fungeren.
Om een beleid voor vermogensvorming te kunnen voeren, moet het ministerie inzicht hebben in de vermogensvorming bij instellingen op afstand van het rijk. De instellingen van hun kant dienen te streven naar een transparante bedrijfsvoering. De belangrijkste informatiebronnen voor het verkrijgen van inzicht in de vermogensvorming zijn de jaarrekeningen en begrotingen van de instellingen.
De Rekenkamer onderzocht de wet- en regelgeving en de jaarrekeningen van de instellingen. Voor de wet- en regelgeving is bekeken of deze aansluit bij algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving, zoals neergelegd in Titel 9, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek1, in de uitwerking daarvan in de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving van de Raad voor de Jaarverslaggeving en in de literatuur over verslaggeving van organisaties zonder winstoogmerk. Wanneer deze grondslagen van toepassing zijn is gegarandeerd dat op een aantal belangrijke punten inzicht wordt verschaft. Zo wordt in Titel 9 bijvoorbeeld aangegeven onder welke omstandigheden voorzieningen dienen te worden gevormd, dat zij overeenkomstig hun aard nauwkeurig worden omschreven, en dat in de toelichting zoveel mogelijk wordt aangegeven in welke mate zij als langlopend moeten worden beschouwd. Ook verplicht Titel 9 organisaties om het verloop van het eigen vermogen gedurende het boekjaar weer te geven in een sluitend overzicht. Aangezien de Titel 9-bepalingen op het punt van de specificatie van het eigen vermogen en de toelichting op de reserves niet goed toepasbaar zijn voor een groot deel van de instellingen dat een publieke taak uitvoert, zouden deze aangevuld moeten worden met specifieke bepalingen hiervoor (zie bijlage 6: Begrippen en toetsingskader).
Naast de wet- en regelgeving is bekeken of de jaarrekeningen over 1996 en 1997 van een selectie van de instellingen (in totaal 84) inzicht bieden in (ontwikkelingen in) de vermogenspositie van deze instellingen. In het bijzonder is onderzocht of de presentatie en toelichting van het eigen vermogen en de voorzieningen gebeurt op basis van Titel 9 en de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving en of voldaan is aan de bovengenoemde aanvullende eisen.
Van de tien in het diepte-onderzoek betrokken instellingen zijn naast de jaarrekeningen ook de begrotingen 1996 tot en met 1998 en de regelgeving daarvoor beoordeeld. Onderzocht is of de regelgeving prognoses van eigen vermogen en voorzieningen, financiële meerjarenramingen en investeringsplannen voorschrijft en of de begrotingen hierover informatie verschaffen.
Tot slot is geïnventariseerd in hoeverre instellingen, die private activiteiten naast hun publieke taak verrichten, het publieke en private deel van hun eigen vermogen gescheiden van elkaar presenteren (scheiding publiek-privaat).
5.2 Voorschriften voor jaarrekeningen
De voorschriften die voor de onderzochte instellingen gelden op het gebied van de presentatie en toelichting van eigen vermogen en voorzieningen in de jaarrekening lopen uiteen van zeer globaal tot zeergedetailleerd. Ook bestaan er duidelijke verschillen in de in wet- en regelgeving vastgelegde bevoegdheden van ministers om op dit punt nadere regels te stellen en in de mate waarin begrotingen en jaarrekeningen aan de expliciete goedkeuring van ministers onderworpen zijn. Bijlage 4 bevat een overzicht per instelling of cluster van instellingen.
Uit het onderzoek bleek dat de verslaggevingsregelgeving voor een belangrijk deel is geënt op algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving. Bij 22 van de 30 (clusters van) instellingen wordt bij de eisen op het gebied van de financiële verslaggeving expliciet verwezen naar de algemeen aanvaarde grondslagen of naar Titel 9. Bij vijf van deze 22 is de toepassing van Titel 9 op grond van de rechtsvorm wettelijk verplicht (ziekenfondsen, uitvoeringsinstellingen sociale zekerheid, FMO, VSN en Novem).
Naast deze algemene grondslagen zijn er in veel gevallen specifieke verslaggevingseisen in regelgeving opgenomen. Deze verschillen zowel naar inhoud als naar mate van gedetailleerdheid. De variëteit in regelgeving wordt bijvoorbeeld weerspiegeld in de grote variatie in voorgeschreven soorten te presenteren reserves of voorzieningen.
VOORSCHRIFTEN PRESENTATIE EIGEN VERMOGEN VARIËREN
Voor universiteiten is voorgeschreven dat in de jaarrekening het eigen vermogen wordt onderverdeeld in een algemene reserve en een vervangingsreserve onroerende goederen. De algemene reserve wordt naar zijn componenten toegelicht: innovatiereserves, vervangingsen vernieuwingsreserves, (decentrale) reserves waarop interne trekkingsrechten berusten, overige reserves (in ieder geval schenkingen, erfstellingen en legaten) en het onverdeelde resultaat. Onder voorzieningen worden afzonderlijk opgenomen een onderhoudsvoorziening, specifieke voorzieningen en overige voorzieningen.
Voor de NWO geldt een andere voorgeschreven indeling van het eigen vermogen: vermogen in materiële vaste activa, algemene reserve, bestemmingsreserve naar type bestemming en het niet-verdeelde exploitatiesaldo voor zover de bestemming nog niet bekend is. De voorzieningen bestaan uit voorzieningen voor groot onderhoud, nieuwbouw, wacht- en uitkeringsgelden en supercomputing en een restpost overige voorzieningen.
In enkele gevallen wijken specifieke verslaggevingvoorschriften af van de algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving. Dit is bijvoorbeeld het geval bij universiteiten (waar, in afwijking van algemeen aanvaarde grondslagen, het toevoegen aan een component van de reserves als onderdeel van de resultaatbepaling is toegestaan) en de NWO (waar, in afwijking van algemeen aanvaarde grondslagen, voorzieningen voor investeringen in nieuwbouw worden voorgeschreven). De Rekenkamer acht een niet nader gemotiveerde afwijking van de algemeen aanvaarde grondslagen in het algemeen ongewenst.
Bij slechts enkele instellingen was ten tijde van het onderzoek nog weinig geregeld voor de presentatie en toelichting van het eigen vermogen en de voorzieningen (voorbeelden: TNO en Stichting uitvoering omslagregelingen).
VOORBEELDEN VAN VERSLAGGEVINGSVOORSCHRIFTEN
De nieuwe, met ingang van 2000 geldende verslaggevingsregelgeving voor de KNAW bevatten niet alleen een expliciete verwijzing naar Titel 9, maar ook een op artikel 374 Titel 9 gebaseerd artikel inzake voorzieningen, aangevuld met specifiek voor de KNAW geldende bepalingen over de te presenteren categorieën voorzieningen, en – aangezien de Titel 9-bepalingen inzake het eigen vermogen niet geheel toepasbaar zijn – aanvullende bepalingen over de presentatie en toelichting van KNAW-specifieke reserves.
Bij TNO, die vrijwillig Titel 9 volgt, golden ten tijde van het onderzoek nog geen aanvullende, specifieke verslaggevingsrichtlijnen (deze zijn eind 1999 uitgevaardigd). Aangezien artikel 378 Titel 9 niet toepasbaar is op TNO, werd het eigen vermogen in de gepubliceerde jaarrekening niet gespecificeerd en niet toegelicht. Het maatschappelijk verkeer verkreeg op deze wijze geen inzicht in aard en doel van het – in de loop der jaren toenemende – eigen vermogen. Met de nieuwe voorschriften wordt specificering van het eigen vermogen geregeld.
De Rekenkamer constateerde dat de verslaggevingsregelgeving in veel gevallen in beweging was. Het gaat daarbij vooral om het uitbreiden of meer detailleren van verslaggevingsvoorschriften of het aanpassen van voorschriften aan de algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving.
VOORBEELDEN VAN ONTWIKKELINGEN IN VERSLAGGEVINGSVOORSCHRIFTEN
Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties werkt – in samenspraak met het veld – aan verbetering van de comptabele voorschriften voor politieregio’s. Het gaat daar om aanpassing aan veranderde informatiebehoeften van betrokkenen en algemeen aanvaarde grondslagen en verduidelijking van begrippen.
Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen besteedt de laatste jaren veel aandacht aan het uitvaardigen dan wel verbeteren en harmoniseren van de verslaggevingsregelgeving voor de onder haar ressorterende instellingen.
5.3 Presentatie en toelichting in jaarrekeningen
Uit het onderzoek bleek dat de presentatie en toelichting van eigen vermogen en voorzieningen qua gedetailleerdheid sterk varieert. Ook binnen clusters van instellingen is de variatie groot. Bijlage 5 bevat een overzicht per instelling.
Dit geldt vooral voor de presentatie van het eigen vermogen. In verreweg de meeste gevallen wordt het eigen vermogen gespecificeerd in diverse componenten, zoals algemene reserves, overige reserves, nog te verdelen resultaat, egalisatiereserves, risicoreserves, «vermogen in (materiële) vaste activa» en vele verschillende soorten bestemmingsreserves (waaronder diverse soorten fondsen). In zeer beperkte mate komen herwaarderingsreserves voor (bij waardering van materiële vaste activa tegen actuele waarde). De mate van specificatie varieert sterk: van opdeling van het eigen vermogen in enige hoofdcomponenten tot de specificatie van tientallen (geringe) bestemmingsreserves. Slechts één instelling (TNO) specificeert het eigen vermogen niet.
Niet altijd is de specificatie duidelijk. Met name de mate van bestemming van reserves wordt niet altijd duidelijk uit de gehanteerde omschrijvingen. Ook worden aard en doel van de diverse reserves niet altijd duidelijk in de toelichting omschreven. Veel instellingen nemen in de toelichting een mutatiestaat per reserve (sluitend overzicht van beginsaldo, toevoegingen, onttrekkingen en eindsaldo) op; sommige volstaan met een mutatiestaat voor enkele reserves of voor het eigen vermogen als geheel. In enkele gevallen ontbreekt een mutatiestaat in zijn geheel. Mutaties (toevoegingen, onttrekkingen, vrijval) in reserves worden in een beperkt aantal gevallen in afwijking van algemeen aanvaarde grondslagen als resultaatbepaling in plaats van resultaatbestemming verwerkt. Een voorbeeld is het doteren aan reserves ten laste van de resultatenrekening (op dezelfde wijze als het doteren aan voorzieningen). Op deze wijze geeft het gepresenteerde resultaat minder inzicht in het resultaat van de bedrijfsvoering/exploitatie. Soms wordt een dergelijke afwijkende presentatie voorgeschreven in de regelgeving.
PRESENTATIES DIE AFWIJKEN VAN ALGEMEEN AANVAARDE GRONDSLAGEN
In de jaarrekeningen van enige universiteiten wordt – vóór resultaatbestemming – gedoteerd aan de «vervangingsreserve onroerende goederen». Doordat deze toevoegingen aan deze bestemmingsreserve als lasten worden gepresenteerd (resultaatbepaling), valt het gepresenteerde resultaat lager uit dan wanneer deze toevoegingen, conform algemeen aanvaarde grondslagen, uit het resultaat (resultaatbestemming) zouden hebben plaatsgevonden. Deze afwijkende werkwijze, waarmee het gepresenteerde resultaat beïnvloed kan worden, is expliciet opgenomen in de verslaggevingsrichtlijnen voor universiteiten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Bij de voorgenomen wijziging van deze richtlijnen zal deze werkwijze geschrapt worden.
Bij de TU Delft is het effect op het resultaat, met name in 1996, groot: het gepresenteerde resultaat is in 1996 f 11 miljoen; gecorrigeerd zou dit resultaat f 68 miljoen bedragen. In 1997 zijn deze bedragen f 12 respectievelijk f 34 miljoen. Met ingang van 1998 heeft de TU Delft, vooruitlopend op wijziging van de voorschriften, deze werkwijze verlaten en de vervangingsreserve geheel vrij laten vallen en toegevoegd aan de algemene reserve.
Voor de presentatie en toelichting van voorzieningen zijn in de algemeen aanvaarde grondslagen meer aangrijpingspunten te vinden dan voor het eigen vermogen. De bepalingen omtrent voorzieningen in Titel 9 en de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving zijn in hun geheel toepasbaar op instellingen op afstand van het rijk. De variatie in presentatie en toelichting van voorzieningen is dan ook geringer dan bij het eigen vermogen. De voorzieningen worden over het algemeen voldoende gespecificeerd en onderscheiden naar aard. Meestal worden voorzieningen van materieel belang voldoende nauwkeurig omschreven en wordt aard en doel van de betreffende voorziening voldoende toegelicht. In sommige gevallen blijft de toelichting echter beperkt tot de belangrijkste voorzieningen. De meeste instellingen nemen een mutatiestaat per voorziening (sluitend overzicht van beginsaldo, dotaties, onttrekkingen, vrijval en eindsaldo) op in de toelichting. In enkele gevallen ontbreekt een mutatiestaat.
De afbakening tussen de componenten eigen vermogen (met name bestemmingsreserves) en voorzieningen is echter niet altijd even duidelijk. Onder de voorzieningen komen soms posten voor waarvan betwijfeld moet worden of zij wel voldoen aan de algemeen aanvaarde voorwaarden voor vorming van een voorziening. Ook komen opmerkelijke voorzieningen voor, waarbij het vormen van een oordeel over de aanvaardbaarheid op grond van de in de jaarrekening opgenomen informatie moeilijk is. In die gevallen kan ook niet getoetst worden of het gaat om oneigenlijke voorzieningen (met het karakter van een bestemmingsreserve) ter deflattering van het eigen vermogen.
VOORZIENING OF BESTEMMINGSRESERVE?
TNO voert al vele jaren een «voorziening bedrijfsrisico’s» op, waarvan de dotaties en vrijval als lasten respectievelijk baten in de resultatenrekening worden verwerkt. De mutaties in dit fonds beïnvloeden dus het gepresenteerde resultaat. Aangezien het een fonds voor algemene technische en economische bedrijfsrisico’s betreft, wordt niet voldaan aan de voorwaarden voor vorming van een voorziening (specifieke risico’s). TNO heeft deze«voorziening» gebaseerd op artikel 22 van de TNO-wet (1985), waarin echter gesproken wordt over de mogelijkheid van vorming van financiële reserves, en passages in een rapport uit 1980 van de Commissie Toekomstige Financiering TNO. Zowel het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen als de externe accountant van TNO hebben gewezen op het reservekarakter van dit fonds. TNO heeft toegezegd deze post na 1999 om te zetten in een bestemmingsreserve. Dit is inmiddels ook voorgeschreven in de eind 1999 uitgevaardigde verslaggevingsrichtlijnen.
Ook hadden de belangrijkste voorzieningen in de jaarrekening 1997 van de KNAW en de NWO het karakter van een bestemmingsreserve. Zo werden bij de KNAW voorzieningen voor investeringen in nieuwbouw en voor ontvangen, maar nog niet bestede subsidiegelden gevormd. In de jaarrekening 1998 van de KNAW zijn deze oneigenlijke voorzieningen omgezet in bestemmingsreserves.
Bijna driekwart van de instellingen geeft in de toelichting niet aan welk deel van de voorzieningen langlopend van karakter is. Mutaties in voorzieningen worden over het algemeen wel conform algemeen aanvaarde grondslagen verwerkt in de resultatenrekening.
Egalisatierekeningen voor ontvangen investeringsbijdragenkomen in een beperkt aantal gevallen voor (bijvoorbeeld politieregio’s, academische ziekenhuizen, rijksmuseale instellingen, Informatie Beheer Groep, TNO en VSN). In een enkel geval worden deze posten niet apart gepresenteerd, zoals voorgeschreven in de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving, maar onder het eigen vermogen of de voorzieningen opgenomen.
5.3.4 Overige aspecten jaarrekeningen
Ongeveer een derde van de instellingen geeft in hun jaarrekening geen algemene beschouwing1 over hun vermogens- en liquiditeitspositie, waarin het bestuur bijvoorbeeld een oordeel geeft over de ontwikkeling van het eigen vermogen en de liquiditeit en een uiteenzetting geeft van het beleid ter zake. De Rekenkamer acht een dergelijke beschouwing uit het oogpunt van transparantie gewenst.
De materiële vaste activa worden bij het overgrote deel van de instellingen op historische grondslagen gewaardeerd. Bij de meeste instellingen zullen dus stille reserves (verschil actuele waarde en boekwaarde) voorkomen. Dit is op zichzelf geen probleem zo lang de actuele waarde2 in de jaarrekening wordt toegelicht. Dit blijkt meestal niet het geval. Bij clusters van instellingen is het ter wille van de vergelijkbaarheid van de in de jaarrekening gepresenteerde vermogenspositie wenselijk dat de materiële vaste activa op gelijksoortige wijze worden gewaardeerd, en dat hierover in de verslaggevingsvoorschriften specifieke bepalingen zijn opgenomen. De Rekenkamer constateerde dat de regelgeving ten aanzien van acht van de negen in de inventarisatie betrokken clusters deze wenselijke bepaling bevatte.
De strekking van de accountantsverklaring is in het overgrote deel van de gevallen goedkeurend. Drie jaarrekeningen zijn voorzien van een accountantsverklaring met beperking. Een enkele jaarrekening is voorzien van een accountantsverklaring, waarin geen getrouw beeld-oordeel is opgenomen vanwege het feit dat de jaarrekening niet geheel is opgesteld conform bedrijfseconomische grondslagen (NWO). Vrijwel alle accountantsverklaringen bevatten een oordeel over de naleving van de algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving. Waar dat voorgeschreven is bevatten de accountantsverklaringen oordelen over naleving van de geldende verslaggevingsregelgeving en/of subsidie- of bekostigingsbepalingen. Vrijwel altijd is dit rechtmatigheidsoordeel positief. De accountantsverklaringen bevatten (zoals gebruikelijk) geen afzonderlijke oordelen over de naleving van voorschriften voor presentatie en toelichting van eigen vermogen en voorzieningen.
5.4 Aspect vermogensvorming in begrotingen
5.4.1 Voorschriften voor begrotingen
De regelgeving voor het inzicht dat begrotingen moeten geven in ontwikkelingen in eigen vermogen en voorzieningen verschilt sterk. In de meeste gevallen wordt voorgeschreven dat in de begroting ramingen van reserves en voorzieningen moeten worden opgenomen en toegelicht.
VOORBEELDEN VOORSCHRIFTEN VOOR BEGROTINGEN
Zo is in het Besluit Comptabele Regelgeving Regionale Politiekorpsen (BCRRP) voor politieregio’s voorgeschreven dat begroting en meerjarenraming inzicht dienen te verschaffen in de ontwikkeling van de vermogenspositie en een geprognosticeerde balans, voorzien van toelichtingen (inclusief overzichten van reserves en voorzieningen), dienen te bevatten. Universiteiten (en de KNAW) dienen, volgens de Richtlijnen verslag (jaarrekening) en begroting voor instellingen van wetenschappelijk onderwijs, het begrote verloop van de algemene reserve en de afzonderlijke voorzieningen in een sluitend overzicht weer te geven, conform voorgeschreven modellen.
De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is niet bevoegd voorschriften voor inrichting van de begroting voor TNO uit te vaardigen. Voor de NWO is wel voorgeschreven dat het verwachte verloop van reserves en voorzieningen moet worden toegelicht.
Slechts in de helft van de onderzochte gevallen is geregeld dat aan de begrotingen die aan de betreffende ministers moeten worden overlegd ook een financiële meerjarenraming wordt toegevoegd. Daarnaast wordt slechts in een beperkt aantal gevallen in de regelgeving een onderbouwd meerjarig investeringsplan verlangd. De Rekenkamer is van mening dat voor een goede beoordeling van de aanvaardbaarheid van de vermogensvorming inzicht in het financiële meerjarenperspectief en de noodzakelijke investeringen op langere termijn noodzakelijk is.
5.4.2 Presentatie en toelichting in begrotingen
De Rekenkamer constateerde dat niet in alle in de diepte onderzochte gevallen in begrotingen prognoses van het eigen vermogen en de voorzieningen worden opgenomen. In de begrotingen ligt het accent op prognoses van het resultaat (baten, lasten en resultaat) en in mindere mate op prognoses van het vermogen (activa en passiva). Waar wel prognoses ter zake worden opgenomen, wordt de voorgenomen vorming en aanwending vaak summier of in het geheel niet verder toegelicht. Enkele instellingen besteden in de begrotingen aandacht aan beleidsmatige uitgangspunten voor vermogensvorming.
VOORBEELD PRESENTATIE EIGEN VERMOGEN IN BEGROTING
De begroting 1999 van de politieregio Groningen voorziet dat na beëindiging van de tijdelijke extra bijdragen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het eigen vermogen zal afnemen doordat de dan voorziene exploitatietekorten gedekt zullen moeten worden door onttrekkingen aan het eigen vermogen. Afschrijvingen van de huisvesting (vrijval reserve waardeverschillen) kunnen dan niet meer volledig voor vervangingsinvesteringen worden gereserveerd. De begrote stand van het eigen vermogen bedraagt voor 31 december 1999 f 58 miljoen, terwijl de normomvang volgens het korps f 88 miljoen bedraagt. Ook de als zorgelijk omschreven solvabiliteit, voornamelijk bepaald door een langlopende lening van f 38 miljoen tegen een rente van 5,56%, zal op grond van de begrote balans tussen 1999 en 2002 nog verder verslechteren.
Een groot aantal van de onderzochte instellingen verricht naast de wettelijke taken marktactiviteiten. Deze marktactiviteiten variëren van commerciële activiteiten los van de publieke activiteiten tot privaat gefinancierde activiteiten in het kader van de publieke taak. Voorbeelden van instellingen waarbij sprake is van het eerste geval zijn het Kadaster, omroepverenigingen, uitvoeringsinstellingen sociale zekerheid en ziekenfondsen. Van het tweede geval is sprake bij TNO, rijksmuseale instellingen en universiteiten. De publieke taken en private activiteiten en de hiermee samenhangende geldstromen kunnen administratief, organisatorisch of juridisch van elkaar gescheiden zijn.
PRIVAAT GEFINANCIERDE TAKEN IN HET KADER VAN DE PUBLIEKE TAAK
TNO verricht uit hoofde van haar wettelijke taak contractresearch ten behoeve van overheden, instellingen en ondernemingen (opdrachtfinanciering). Deze «private» activiteiten hebben volgens TNO dus een publiek karakter en worden met publieke en private middelen gefinancierd. Daarnaast verricht TNO in sterk toenemende mate puur commerciële activiteiten, het exploiteren van «uitontwikkelde kennis» die niet meer in het kader van de publieke taak gebruikt worden.
De toenemende (financiële) zelfstandigheid van de universiteiten en de dalende eerste geldstroom doet het belang van opbrengsten uit werk voor derden (de derde geldstroom) voor de universiteiten toenemen. Er is dan ook een duidelijk streven naar verhoging van de derde geldstroom en intensivering van «commerciële» activiteiten (de ondernemende universiteit). Ook wordt gezocht naar samenwerkingsverbanden en strategische allianties met (nationale en internationale) instellingen op het gebied van het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek en het bedrijfsleven.
Uit het onderzoek bleek dat de meeste instellingen in de resultatenrekening een scheiding aanbrengen tussen de publieke middelen en de private inkomsten. Een scheiding tussen het met publieke en private middelen opgebouwde deel van het eigen vermogen komt echter nauwelijks voor. De Rekenkamer merkt op dat door het ontbreken van deze scheiding er geen inzicht is in de herkomst van de opgebouwde reserves.
VARIATIES IN SCHEIDING PUBLIEK-PRIVAAT
Bij de TU Delft vindt scheiding tussen het publieke en private deel van het eigen vermogen gedeeltelijk plaats: overschotten op derde geldstroomactiviteiten worden toegevoegd aan de fondsen voor de wetenschapsbeoefening. Er is echter geen volledige administratieve scheiding van publieke en private geldstromen en geen organisatorische of juridische afscheiding van commercieel getinte activiteiten.
Door middel van aparte presentatie van de fondsen door de KNAW wordt afzonderlijk inzicht in het publieke en het private deel van het eigen vermogen geboden. De KNAW verricht geen commerciële activiteiten en het beleid is erop gericht om alle inkomsten aan te wenden voor de uitoefening van de wettelijke taken. Er wordt daarom geen scheiding aangebracht tussen private en publieke geldmiddelen.
Bij NWO kunnen ontvangsten van derden (subsidies en bijdragen) worden onderscheiden van de publieke gelden, maar er is geen scheiding tussen het publieke en private deel van het eigen vermogen. Private inkomsten worden toegevoegd aan de fondsen. NWO zal vanaf 1998 de opbrengsten van activiteiten van derden afzonderlijk zichtbaar maken in de jaarrekening.
Een scheiding tussen het publieke en private deel van het eigen vermogen komt voor bij het Kadaster (die de private activiteiten organisatorisch en juridisch heeft afgescheiden) en de Stichting Reclassering Nederland (waarbij alleen sprake is van een administratieve scheiding tussen publieke en private geldstromen). Bij de omroepverenigingen zijn de private eigen vermogens sinds 1993 gemaximeerd en dienen de netto-opbrengsten uit nevenactiviteiten en verenigingsactiviteiten te worden aangewend voor de (publieke) hoofdtaak, het verzorgen van het programma. Het publieke deel van het eigen vermogen wordt op de balans gescheiden opgevoerd als reserve programmadoeleinden.
VOORBEELD GESCHEIDEN PRESENTATIE PUBLIEK EN PRIVAAT VERMOGEN
De reclasseringswerkzaamheden in Nederland worden uitgevoerd door een in 1994 opgerichte en door de minister van Justitie als zodanig erkende landelijke stichting, de Stichting Reclassering Nederland. In de exploitatierekening van deze stichting worden de diverse subsidie-inkomsten en de eigen inkomsten afzonderlijk gepresenteerd. Eigen inkomsten bestaan uit opbrengsten van de huisdrukkerij, boekwinsten van verkochte eigendomspanden, baten uit geïnvesteerd eigen vermogen en ontvangen bijdragen van derden. Op de balans wordt het eigen vermogen van de stichting (de met andere dan rijkssubsidie opgebouwde reserves, voornamelijk belegd in eigendomspanden) eveneens afzonderlijk gepresenteerd. De met subsidie van het Ministerie van Justitie aangekochte, verbouwde en ingerichte panden worden op de balans gepresenteerd als latente verplichtingen aan het Ministerie van Justitie. Hierdoor wordt duidelijk welk deel van het eigen vermogen bij een eventuele intrekking van de erkenning weer aan het rijk zou toevallen.
5.6 Conclusies en aanbevelingen
De Rekenkamer concludeert dat bij het merendeel van de onderzochte (clusters van) instellingen de verslaggevingsregelgeving grotendeels gebaseerd is op de algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving (met name Titel 9 en Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving). Daarmee voldoet deze regelgeving grotendeels aan wat wenselijk is om inzicht te krijgen in de vermogensvorming. In enkele gevallen wijken specifieke verslaggevingsvoorschriften echter, al dan niet beredeneerd, af van deze algemeen aanvaarde grondslagen. Het komt in een enkel geval ook voor dat regelgeving voor verslaggeving op het punt van eigen vermogen en voorzieningen nagenoeg ontbreekt. De door de Rekenkamer wenselijk geachte aanvullende voorschriften voor presentatie en toelichting van met name het eigen vermogen ontbraken in veel gevallen.
De variatie in presentatie en toelichting van eigen vermogen en voorzieningen in de jaarrekeningen van de onderzochte instellingen is groot. Ook binnen clusters van instellingen constateert de Rekenkamer een grote variatie in de wijze van presenteren. Het inzicht dat de jaarrekeningen bieden in eigen vermogen en voorzieningen voldoet in de meeste gevallen aan de eisen zoals vastgelegd in de algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving, maar kan wel op punten verbeterd worden.
Het gaat bij de verbetering van verslaggeving door instellingen en aanvullende regelgeving met name om:
• de afbakening tussen bestemmingsreserves en voorzieningen;
• het voldoende specificeren van de reserves en voorzieningen;
• het toelichten van aard, doel en functies van de posten;
• het geven van inzicht in de mate van bestemming van de reserves;
• het toelichten van de vorming en aanwending van de posten (opnemen van mutatiestaten);
• het aangeven van het langlopende deel van de voorzieningen;
• het hanteren van een zuiver onderscheid tussen resultaatbepaling en resultaatbestemming;
• het toelichten van (verwachte ontwikkelingen in) de vermogens- en liquiditeitspositie.
De materiële vaste activa worden bij het overgrote deel van de instellingen op historische grondslagen gewaardeerd. Bij veel instellingen zullen dus stille reserves voorkomen. De actuele waarde wordt in de jaarrekening meestal niet toegelicht. De Rekenkamer acht dit wel gewenst.
Ook de presentatie en toelichting van prognoses van het eigen vermogen en de voorzieningen in de begrotingen kan op onderdelen verbeterd worden. De regelgeving op dit punt varieert sterk. Voor het bieden van inzicht in de voorgenomen vorming en aanwending van eigen vermogen en voorzieningen in de begrotingen zou de regelgeving in zekere mate uitgebreid moeten worden. Gedacht kan worden aan het voorschrijven van geprognosticeerde balansen, voorzien van toelichtingen op verwachte mutaties in de omvang van de reserves en voorzieningen, meerjarenramingen en investeringsplannen.
Een groot aantal van de onderzochte instellingen verricht marktactiviteiten naast de wettelijke taak. Scheiding tussen het publieke en private deel van het eigen vermogen komt echter nauwelijks voor. Volgens de Rekenkamer is meer aandacht nodig voor de risico’s van het weglekken van publieke middelen naar private activiteiten via vermogensvorming. Zij beveelt aan van geval tot geval te beoordelen wat mogelijk en wenselijk is om de scheiding publiek-privaat in vermogens vorm te geven.
De Rekenkamer beveelt uit oogpunten van transparantie en vergelijkbaarheid aan de verslaggevingsregelgeving voor instellingen uit te breiden en deze regelgeving zoveel mogelijk te uniformeren.
Nauw verbonden met het onderwerp vermogensvorming zijn de thema’s:
• aantrekken van langlopend vreemd vermogen (lenen);
• al dan niet risicovol beleggen van overtollige liquide middelen;
• uitlenen van liquide middelen aan derden.
De Rekenkamer heeft op basis van de jaarrekeningen onderzocht in hoeverre sprake is van lenen, beleggen en uitlenen door instellingen op afstand van het rijk en welke regelgeving hiervoor geldt. Tevens is onderzocht in welke mate de jaarrekeningen inzicht geven in deze aspecten en met name in de mate van risico dat daarmee gelopen wordt. In bijlage 9 is een cijferoverzicht opgenomen.
In verband met de financieringsbehoefte van instellingen speelt vaak de principiële vraag of een instelling haar bedrijfsmiddelen (activa) volledig dient te financieren met eigen vermogen dan wel (gedeeltelijk) met lang vreemd vermogen. Enkele overwegingen die een rol kunnen spelen bij het beantwoorden van deze vraag zijn opgenomen in de handreiking (bijlage 1).
Onderzocht is in hoeverre regelgeving bestaat op dit punt en in welke mate het aangaan van leningen voorkomt.
Over het aantrekken van vreemd vermogen blijkt bij minder dan de helft van de onderzochte (clusters van) instellingen (dertien van de dertig) een bepaling in de regelgeving te zijn opgenomen. In twee gevallen is expliciet vastgelegd dat er geen (langlopende) leningen afgesloten mogen worden en dat alleen tijdelijke kredieten in rekening-courant opgenomen mogen worden ter overbrugging van tijdelijke kastekorten. In zes gevallen is voor het aangaan van leningen expliciete toestemming van de verantwoordelijke bewindspersoon vereist. In de vijf overige gevallen behelzen de bepalingen over het aantrekken van vreemd vermogen niet of nauwelijks voorwaarden of beperkingen. De Rekenkamer constateert dat in verreweg de meeste gevallen geen of nauwelijks beperkingen zijn gesteld aan het aangaan van leningen door instellingen.
In de praktijk verschilt de mate waarin door instellingen geleend wordt aanzienlijk. Figuren 4 en 5 geven een beeld.


Op grond van een analyse van de cijfers uit de door 178 onderzochte instellingen gepubliceerde jaarrekeningen constateert de Rekenkamer dat in 1997 circa 60% van de instellingen leningen op lange termijn hadden. Hierbij gaat het om een totaalbedrag aan langlopende schulden van f 6,5 miljard. Over de periode 1995–1997 laten de cijfers een toename in deze schulden zien van f 5,8 miljard (175 instellingen) naar f 6,5 miljard (178 instellingen), een stijging van circa 8%. De clusters met de grootste schuldenlast zijn in 1997 de academische ziekenhuizen (f 2,4 miljard) en hogescholen (f 1,6 miljard); de individuele instellingen met de grootste langlopende schulden zijn FMO (f 795 miljoen), Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieprodukten (f 650 miljoen) en VSN (f 409 miljoen). Bij de hogescholen hangt de toename in omvang van langlopende leningen (van f 1,2 miljard in 1995 naar f 1,6 miljard in 1997) hoofdzakelijk samen met de stijging van de omvang van de materiële vaste activa. De hogescholen hebben bij de financiële verzelfstandiging het onroerend goed tegen overdracht van waarde ontvangen en hebben daartoe leningen moeten afsluiten. De academische ziekenhuizen beschikken over veel materiële vaste activa, die voor een groot deel gefinancierd zijn met vreemd vermogen.
De FMO heeft het vreemd vermogen nodig voor de financiering van ontwikkelingsprojecten, het Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieprodukten voor de financiering van de strategische aardolievoorraad en de VSN ter financiering van de materiële vaste activa. Bij een aantal instellingen is geen sprake van leningen. Dit betreft voor een deel instellingen die per definitie geen vreemd vermogen nodig hebben, zoals de beheerders van de fondsen, Waarborgfonds Motorverkeer, College van Zorgverzekeringen en Stichting uitvoering omslagregelingen.
Op grond van de financiële vooruitzichten van de onderzochte instellingen is de verwachting dat de toename in het aangaan van langlopende leningen zich ook in de toekomst zal voortzetten. Hierbij gaat het dan vooral om leningen ter financiering van huisvestingsinvesteringen, maar soms ook ter (voor)financiering van de exploitatie.
TOENEMENDE BEHOEFTE AAN VREEMD VERMOGEN
Voorbeelden van instellingen waar met name een toenemende behoefte aan vreemd vermogen bestaat zijn universiteiten, politieregio’s en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Zo blijkt de Universiteit Leiden bijvoorbeeld als gevolg van investeringsplannen, die grote financiële consequenties hebben en niet geheel met eigen liquide middelen gefinancierd kunnen worden, reeds in 1999 een aanzienlijk bedrag aan vreemd vermogen te moeten aantrekken.
Een vrij groot aantal (11 van de 25) politieregio’s is in de periode 1995 tot en met 1997 langlopende leningen aangegaan. Er is sprake van een aanzienlijke toename in de hoogte van de langlopende schulden bij het cluster politieregio’s van f 99 miljoen in 1995 naar f 235 miljoen in 1997. Voor zover uit de jaarrekeningen achterhaald kan worden blijken de langlopende schulden met name samen te hangen met de financiering van de huisvesting.
Als gevolg van liquiditeitsproblemen (negatief eigen vermogen) heeft de Arbeidsvoorzieningsorganisatie behoefte aan leningen ter financiering van onder meer investeringen in vaste activa en van automatiseringsprojecten. Daarnaast heeft de Arbeidsvoorzieningsorganisatie veel geld nodig ter financiering van het werkkapitaal en de vordering op het ESF. Externe financiers blijken in de praktijk niet zo snel bereid tot kredietverstrekking aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, omdat er formeel geen overheidsgarantie is.
Een gevolg van reservevorming, in het bijzonder ten behoeve van voorgenomen investeringen, is dat (al dan niet tijdelijk) overtollige financiële middelen voor kortere of langere tijd in effecten kunnen worden belegd. Verschillende beleggingsmogelijkheden met een verschillend risico zijn te onderkennen. Een globaal onderscheid is dat tussen enerzijds obligaties en andere vastrentende waardepapieren (beperkte mate van risico) en anderzijds aandelen en andere niet-vastrentende waardepapieren (hogere mate van risico).
Onderzocht is in hoeverre regelgeving bestaat op dit punt en in welke mate (risicovol) beleggen voorkomt.
Van de 30 onderzochte (clusters van) instellingen is in drie gevallen een bepaling in de regelgeving opgenomen over liquiditeitenbeheer waaronder beleggingen op langere termijn. Dit zijn de Raden voor Rechtsbijstand, het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers en de Stichting Reclassering Nederland.
In het financieel reglement van de Raden voor Rechtsbijstand is bepaald dat liquiditeiten hoog rentend en optimaal veilig belegd moeten/mogen worden. Voor het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers en de Stichting Reclassering Nederland geldt dezelfde bepaling. Bij de overige 27 instellingen en clusters van instellingen zijn geen voorschriften op dit punt aangetroffen. Bij NWO zijn thans geen bepalingen ten aanzien van liquiditeitenbeheer in wet- en regelgeving vastgelegd, maar zijn wel richtlijnen ter zake in ontwikkeling.
De Rekenkamer heeft in kaart gebracht in hoeverre liquide middelen door instellingen op korte en lange termijn worden belegd en in hoeverre daarbij risicovol wordt belegd. Figuren 6 en 7 geven hiervan een beeld.


Uit het onderzoek bleek dat niet alle instellingen hun beleggingen in de jaarrekening zodanig specificeren dat inzicht in bovengenoemde aspecten, met name het inzicht in de mate van risicovol beleggen, verkregen kan worden. Genoemde totaalbedragen zijn goede benaderingen van de werkelijke totaalbedragen.
Onder de kortlopendevlottende activa (looptijd < 1 jaar) hebben de onderzochte 178 instellingen in 1997 volgens de jaarrekeningen in totaal f 6,5 miljard aan liquide middelen en (kortlopende) effecten gepresenteerd. Ultimo 1995 was dit nog f 5,8 miljard (175 instellingen), een duidelijke toename van circa 11%. Grote toenamen (zowel absoluut als relatief) deden zich voor bij de cluster universiteiten (stijging van f 380 miljoen ofwel 28%), het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting (f 262 miljoen, 65%) en de FMO (f 170 miljoen, 210%).
Van de f 6,5 miljard betreft het overgrote deel, f 5,3 miljard, risicoloze liquide middelen (kas, bank, giro; inclusief kortlopende deposito’s). De overige f 1,2 miljard betreft kortlopende beleggingen/effecten. Van f 40 miljoen hiervan geven de jaarrekeningen onvoldoende inzicht in de samenstelling, waardoor onduidelijk is in hoeverre hier risicovol belegd wordt. Van het restant van f 1 205 miljoen wordt verreweg het grootste deel, f 1 163 miljoen (97%), belegd in obligaties en vergelijkbare vastrentende waardepapieren (beperkt risico) en f 42 miljoen (3%) in risicovolle aandelen en andere niet-vastrentende waardepapieren.
Onder de langlopende financiële vaste activa (looptijd > 1 jaar) hebben de onderzochte instellingen in 1997 daarnaast in totaal f 3,5 miljard aan langlopende beleggingen gepresenteerd. Ultimo 1995 was dit nog f 1,7 miljard, een ruime verdubbeling. Grote toenamen (absoluut en relatief) deden zich hier voor bij de cluster ziekenfondsen (f 1,2 miljard, 142%), het Kadaster (f 230 miljoen, 54%) en de FMO (f 128 miljoen, 197%). Ultimo 1997 belegde ruim 20% van de onderzochte instellingen op lange termijn. Ook hier geldt dat niet in alle gevallen inzicht in de samenstelling van deze beleggingen wordt gegeven.
Van de langlopende beleggingen betreft f 456 miljoen risicoloze langlopende deposito’s en f 279 miljoen aan derden uitgegeven leningen, die door de instellingen als beleggingen worden gepresenteerd, maar een afwijkend karakter (verstrekte leningen in plaats van effecten) hebben. Van de overige f 2,8 miljard aan langlopende beleggingen is het overgrote deel, f 2 miljard, in obligaties en dergelijke (beperkt risico) belegd, en f 397 miljoen in risicovolle aandelen en dergelijke. Een restpost van f 349 miljoen omvat niet-gespecificeerde en gemengde beleggingen.
De Rekenkamer constateert dat de onderzochte instellingen op zeer gevarieerde wijze omgaan met liquiditeiten; variërend van geheel aanhouden in liquide middelen tot grotendeels beleggen in al dan niet risicovolle effecten.
VAN NIET BELEGGEN TOT LANGLOPEND BELEGGEN
Een voorbeeld van een instelling die niet mag beleggen is de Sociale Verzekeringsbank (in 1997 f 1,6 miljard liquide middelen). De liquiditeiten worden in rekening courant gehouden bij het Ministerie van Financiën (Geïntegreerd Middelenbeheer). Dit geldt ook voor andere sociale fondsen die door de uitvoeringsinstellingen SFB, GAK en CADANS worden beheerd. Deze uitvoeringsinstellingen mochten hun eigen middelen (f 432 miljoen in 1997) daarentegen wel beleggen, maar maakten van deze mogelijkheid geen gebruik.
Voorbeelden van instellingen met veel liquide middelen die niet of nauwelijks worden belegd zijn het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (f 245 miljoen liquide middelen en geen beleggingen) en de TU Delft (f 233 miljoen liquide middelen en f 2 miljoen beleggingen). De TU Delft overweegt het rendement te verbeteren met meer lange termijn beleggingen.
Voorbeelden van instellingen die veel kortlopend beleggen zijn het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting (f 615 miljoen van de f 666 miljoen in obligaties), TNO (f 143 miljoen van de f 208 miljoen in obligaties) en de Katholieke Universiteit Nijmegen (f 106 miljoen van de f 183 miljoen grotendeels in obligaties en deels in aandelen). Langlopende beleggingen komen veel voor bij ziekenfondsen. Andere uitschieters zijn het Kadaster (f 657 miljoen in obligaties), de FMO (f 143 miljoen in obligaties) en de AVRO (f 71 miljoen grotendeels in obligaties en deels in aandelen en deposito’s).
Recapitulerend zijn de liquide middelen en (kort- en langlopende) beleggingen van de onderzochte instellingen toegenomen van f 7,5 miljard ultimo 1995 (175 instellingen) tot f 10 miljard ultimo 1997 (178 instellingen), een stijging van circa 31%. Van deze f 10 miljard wordt ten minste f 439 miljoen (ruim 4%) risicovol in aandelen belegd. Verder wordt (ten minste) f 3,2 miljard (32%) in obligaties (beperkt risico) belegd en f 5,8 miljard (57%) risicoloos in kas-, bank- en girogelden (inclusief kort- en langlopende deposito’s) aangehouden. Van f 389 miljoen wordt in de jaarrekeningen niet aangegeven om welke beleggingsvorm het gaat en f 279 miljoen betreft uitgegeven leningen.
De Rekenkamer constateert dat de onderzochte instellingen overwegend voorzichtig beleggen. Van het totaal van de beleggingen (exclusief de liquide middelen) is ultimo 1997 ten minste 9% belegd in aandelen en 67% in obligaties. Verreweg het grootste deel van beleggingen in aandelen komt voor rekening van (tien) ziekenfondsen. Daarnaast belegden vier universiteiten, drie omroepverenigingen, één hogeschool, één rijksmuseale instelling en één academisch ziekenhuis in 1997 in aandelen. Dit beeld is verkregen op basis van een analyse van de jaarrekeningen. Deze geven op zichzelf niet altijd een volledig inzicht in de stand van zaken en geven naar hun aard (momentopname) ook geen informatie over hoe gedurende het boekjaar met kasoverschotten wordt omgesprongen.
VOORBEELD BELEGGINGSACTIVITEITEN
De politieregio Amsterdam-Amstelland belegde haar liquide middelen deels risicovol. Met ingang van juli 1996 belegde de politieregio bij de ABN AMRO Bank via een zgn. asset-management constructie. Hierbij werd f 120 miljoen beheerd voor twee jaar met een hoofdsomgarantie. Van de f 120 miljoen werd f 110 miljoen veilig in deposito’s belegd en het restant van f 10 miljoen risicovol belegd in indexopties. Het resultaat over twee jaar bedroeg f 38 miljoen, zo’n 15% per jaar. Met ingang van juli 1998 wordt met f 100 miljoen in een soortgelijke constructie belegd (het beleggen in opties gebeurt nu niet meer voor eigen rekening maar door deelname in het ABN AMRO internationaal derivatenfonds). De hoofdsomgarantie houdt in dat in het slechtste geval een beleggingsresultaat van 0% wordt gerealiseerd.
Het uitlenen van (al dan niet overtollige) gelden aan derden behoort in een aantal gevallen tot (of ligt in het verlengde van) de primaire taak van een instelling. Het uitlenen van gelden kan ook een beleggingskarakter hebben.
Onderzocht is in hoeverre regelgeving bestaat op dit punt en in welke mate uitlenen voorkomt. Niet onderzocht is in hoeverre dit uitlenen in het kader van de wettelijke taak plaatsvindt en of het risicovolle transacties betreft.
De Rekenkamer constateert dat regelgeving over het uitlenen aan derden bij de onderzochte instellingen in de meeste gevallen ontbreekt. Tevens stelt zij op grond van analyse van de jaarrekeningen vast dat er vaak leningen aan derden worden verstrekt en dat het in totaal om aanzienlijke bedragen gaat. Figuren 8 en 9 geven hiervan een beeld.


Onder de financiële vaste activa is bij de onderzochte instellingen in 1997 een bedrag van f 2,2 miljard aan uitgegeven leningen opgenomen. Hiervan is f 279 miljoen als langlopende belegging gepresenteerd (zie hiervoor). Van de f 2,2 miljard betreft ruim f 1,5 miljard leningen van organisaties waarbij het verstrekken van leningen tot de primaire taak behoort of in het verlengde van de taak ligt, zoals de FMO en de Novem. Van de resterende f 512 miljoen is f 147 miljoen aantoonbaar aan gelieerde instellingen uitgeleend en heeft f 279 miljoen, gezien de presentatie, het karakter van een belegging. Van de overige f 86 miljoen kon de Rekenkamer niet vaststellen of het al dan niet leningen aan gelieerde instellingen of leningen met een beleggingskarakter betrof.
VOORBEELDEN VAN AANZIENLIJKE UITGEGEVEN LENINGEN
Instellingen in 1997 met aanzienlijke uitgegeven leningen als belegging gepresenteerd zijn bijvoorbeeld de Hogeschool West-Brabant (f 41 miljoen) en het ziekenfonds Zilveren Kruis Spaarneland (f 47 miljoen).
6.5 Conclusies en aanbevelingen
Voor het aangaan van langlopende leningen geldt slechts bij een minderheid van de onderzochte (clusters van) instellingen enige regelgeving. Tegelijkertijd sluiten de onderzochte instellingen in toenemende mate langlopende leningen op de kapitaalmarkt af ter dekking van de financieringsbehoefte.
Ook voor het beleggen van liquide middelen door de onderzochte (clusters van) instellingen gelden nauwelijks voorschriften, terwijl het totaal aan liquide middelen en (kort- en langlopende) beleggingen van de onderzochte instellingen in de periode 1995–1997 met circa 31% is gestegen tot f 10 miljard. De langlopende beleggingen zijn verdubbeld. De onderzochte instellingen beleggen weliswaar overwegend voorzichtig, maar in 1997 is tenminste 9% (f 439 miljoen) van de beleggingen – grotendeels door ziekenfondsen – risicovol belegd in aandelen.
De Rekenkamer acht het gewenst dat beleid en regelgeving voorzien in bepalingen voor lenen, beleggen en uitlenen door de instellingen. Zij denkt aan regelgeving waarin:
• geregeld wordt of instellingen wel of niet substantiële leningen mogen aangaan;
• voorgeschreven wordt dat overtollige liquide middelen renderend, maar met een beperkt risico worden belegd;
• wordt opgenomen dat het verstrekken van leningen aan derden in principe in het verlengde van de publieke taak dient te liggen.
De Rekenkamer acht het verder gewenst dat de instellingen in hun jaarrekeningen inzicht geven in de samenstelling van de beleggingen en de uitgegeven leningen en de mate van risico die hieraan is verbonden. Gebleken is dat niet alle instellingen hun jaarrekening zodanig specificeren dat inzicht hierin verkregen kan worden. De Rekenkamer beveelt de ministers aan regelgeving op dit punt te overwegen.
Voor agentschappen is per 1 januari 1999 een leen- en depositofaciliteit in werking getreden. Dit houdt in dat het Ministerie van Financiën voor agentschappen en overige zogenaamde «baten/lastendiensten» van het rijk, als (enige) bankier fungeert, waarbij overtollige middelen kunnen worden belegd en leningen kunnen worden aangevraagd. Een vergelijkbare regeling is reeds per 1 januari 1997 ingevoerd voor de sociale fondsen, in de vorm van het geïntegreerd middelenbeheer. Het instellen van een soortgelijke leen- en depositofaciliteit voor (bepaalde) instellingen op afstand van het rijk zou voordelen kunnen hebben. Het vermindert de risico’s van zowel lenen als beleggen en de kosten van lenen zouden lager kunnen zijn. Daar staan eventuele nadelen tegenover, zoals minder opbrengsten uit beleggen. Ook zal moeten worden afgewogen of de hiermee gepaard gaande inperking van de zelfstandigheid van de instellingen gewenst is.
Ook in sectoren waar een vergaande financiële zelfstandigheid van op afstand van het rijk geplaatste instellingen in wet- en regelgeving is vastgelegd, blijft de ontwikkeling van de vermogenspositie van deze instellingen een zorg voor de rijksoverheid. Uit het onderzoek blijkt dat beleid op het gebied van vermogensvorming in veel gevallen ontbreekt of nog onvoldoende ontwikkeld is. Bij slechts de helft van de onderzochte (clusters van) instellingen waarvoor dit relevant was bleken er in regelgeving of beleidsafspraken vastgelegde normen te zijn voor de omvang van het eigen vermogen. Aan de wel aangetroffen regelgeving of beleidsafspraken ontbraken doorgaans toelichtingen met een onderbouwing van de gemaakte keuzes, bijvoorbeeld voor een bepaald maximumvermogen, en bepalingen over hoe wordt omgegaan met overschrijdingen.
Hoewel een groot aantal van de onderzochte instellingen marktactiviteiten naast de wettelijke taak verricht, komt scheiding tussen het publieke en private deel van het eigen vermogen nauwelijks voor. Ook is er maar weinig regelgeving voor het aangaan van langlopende leningen, voor het uitlenen van geld en voor het beleggen van liquide middelen, terwijl de instellingen in toenemende mate geld lenen, uitlenen en beleggen.
De Rekenkamer acht het wenselijk dat het rijk alsnog een beleid ontwikkelt op het punt van vermogensvorming door instellingen op afstand van het rijk. Daarin zouden de verantwoordelijke ministers een standpunt moeten innemen over onder meer de grenzen waarbinnen het eigen vermogen van instellingen zich mag ontwikkelen en het omgaan met vermogensoverschotten, de mate waarin en voorwaarden waaronder instellingen vreemd vermogen mogen aantrekken of liquide middelen mogen beleggen of uitlenen, en de wenselijkheid van een scheiding tussen het publieke en het private deel van het eigen vermogen.
De Rekenkamer acht het van belang dat aan de begrenzing van vermogens een analyse van alle voor de instelling of cluster van instellingen relevante factoren voorafgaat. Bedrijfseconomische overwegingen waarbij de buffer- en financieringsfunctie van het eigen vermogen in ogenschouw worden genomen dienen daarbij een rol te spelen. Uiteindelijk gaat het echter om een bestuurlijke afweging tussen enerzijds het geven van de nodige beleidsvrijheid aan instellingen om reserves en voorzieningen te vormen voor het opvangen van bedrijfsrisico’s en ten behoeve van investeringen en anderzijds de mogelijkheid van het rijk om bij te sturen en het inbouwen van waarborgen dat publiek geld uiteindelijk efficiënt en effectief wordt ingezet voor de doelen waarvoor het ter beschikking is gesteld. In veel gevallen is het vaststellen van een bandbreedte in de vorm van een (gewenst) minimum en (aanvaardbaar) maximum voor reserves aan te bevelen. Duidelijkheid dient daarbij tevens te worden geschapen over de verdeling van risico’s verbonden aan de uitvoering van de publieke taak tussen rijksoverheid en instellingen.
Een belangrijk aspect bij het vaststellen van grenzen is de vraag of en in hoeverre instellingen investeringen met eigen dan wel vreemd vermogen (kunnen) financieren. Het uitgangspunt volledige financiering met eigen vermogen leidt in het algemeen tot hoge gewenste vermogens. Overwogen zou kunnen worden om bij het bepalen van de gewenste vermogenspositie uit te gaan van – een zekere mate van – financiering met vreemd vermogen. Dit zou gecombineerd kunnen worden met het instellen van een leen- en depositofaciliteit bij het Ministerie van Financiën voor (bepaalde) instellingen.
In het feit dat beleid op het gebied van vermogensvorming in veel gevallen ontbreekt, ziet de Rekenkamer een aanwijzing dat er bij de oprichting of verzelfstandiging van instellingen in het verleden niet altijd voldoende aandacht is geweest voor het aspect vermogensvorming. De Rekenkamer is van mening dat dit aspect bij toekomstige verzelfstandigingen meer aandacht moet krijgen. Het toetsingskader in het Rekenkamerrapport Financiële aspecten van verzelfstandigingen1 kan hierbij eveneens richting geven. De Rekenkamer vraagt in dit kader ook aandacht voor het vraagstuk van het eigendom van en de aanspraken op het eigen vermogen in geval van opheffing, fusie met een andere instelling, verkoop van een onderdeel dan wel faillissement van een instelling. Er zullen voldoende garanties moeten zijn dat met publiek geld in het kader van de uitvoering van een bepaalde publieke taak opgebouwde vermogens ten goede komen aan de desbetreffende publieke taak, dan wel terugvloeien naar het rijk.
Tot slot beveelt de Rekenkamer aan de ministers van Financiën en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan, bij de totstandkoming van een beleid inzake vermogensvorming een coördinerende rol te spelen. Het gaat daarbij met name om algemene regels voor verslaggeving, beleggen, lenen en uitlenen en het instellen van een leen- en depositofaciliteit voor (bepaalde) instellingen.
De Rekenkamer vroeg in februari 2000 de elf in het onderzoek betrokken ministers, vijf toezichthouders1 en de tien in het diepte-onderzoek betrokken instellingen2 om op het concept-rapport Vermogensvorming te reageren. Allen reageerden in de periode eind februari begin maart 20003. De minister van Financiën gaf mede namens de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en in afstemming met de overige ministers een kabinetsreactie (zie voor de volledige tekst van deze brief bijlage 2). Daarnaast stuurden alle ministers ook een eigen reactie. In dit hoofdstuk wordt een aantal hoofdpunten uit de reacties weergegeven, met een nawoord van de Rekenkamer. Verder zijn de reacties verwerkt in bijlage 3.
De ministers, toezichthouders en besturen van instellingen blijken zich in algemene zin in de conclusies en aanbevelingen van de Rekenkamer te kunnen vinden. Volgens de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onderstreept het rapport het belang van een departementaal beleid ter zake van vermogensvorming in het algemeen. Gelet op de door de Rekenkamer gesignaleerde stand van zaken bij de beleidsvorming van de departementen, acht het kabinet het zinvol te investeren in deze algemene beleidsvorming en regelgeving.
8.3 Wel of geen algemene wettelijke regels
Uit de reacties bleek dat alle partijen het met de Rekenkamer eens zijn dat het onderwerp «vermogensvorming» aandacht moet krijgen bij de vormgeving van het toezichtsbeleid voor een instelling op afstand van het rijk. Het kabinet pleit daarbij voor maatwerk en voelt weinig voor algemene wettelijke regels voor vermogensvorming. Daarmee wordt de diversiteit van de instellingen te weinig recht gedaan. Het kabinet is dan ook niet van plan om in de komende Kaderwet ZBO’s algemene regels op te nemen voor de vermogensvorming van ZBO’s. Het is wel denkbaar om in de «Aanwijzingen ten behoeve van de wetgeving» op te nemen dat bij of krachtens de wet per ZBO regels over de vermogensvorming worden opgenomen.
Dezelfde bezwaren worden geuit waar het gaat om het opnemen van verslaggevingsregels in de Kaderwet. Het kabinet vindt het wel belangrijk dat de departementen de vermogensontwikkeling bij instellingen op afstand van het rijk goed monitoren via jaarrekeningen en (meerjaren)begrotingen, maar acht, gezien de grote diversiteit aan instellingen, alleen verslaggevingsregelgeving per cluster van instellingen haalbaar.
Volgens de Rekenkamer sluiten algemene wettelijke regels het gewenste maatwerk niet uit4. Voor vermogensvorming denkt zij dan bijvoorbeeld aan een verplichting om een omschrijving van aard en functie van het vermogen van instellingen en een analyse van relevante factoren en risico’s te maken. Op basis daarvan kan in een overleg tussen de verantwoordelijke minister en de instellingen worden bepaald of en in hoeverre een begrenzing wenselijk is. De bevoegdheid van de minister om grenzen vast te stellen, dient naar het oordeel van de Rekenkamer in de wet te worden vastgelegd.
Voor verslaggeving is een aantal voorschriften toepasbaar op alle soorten instellingen (bijvoorbeeld voor het specificeren en toelichten van reserves en voorzieningen en het afbakenen van bestemmingsreserves en voorzieningen). Maatwerk is slechts vereist voor een beperkt deel van de verslaggevingsvoorschriften (bijvoorbeeld het voorschrijven van een verplichte indeling in soorten reserves of van toegestane soorten voorzieningen).
Ook het kabinet vindt dat de begrenzing van eigen vermogens een nuttig en noodzakelijk instrument kan zijn om het risico van ondoelmatig aanwenden of oppotten van collectieve middelen te voorkomen. Diverse bewindspersonen melden in hun reacties (voorgenomen) beleidsmaatregelen op dit punt. Voorbeelden zijn:
• een wijziging van de Politiewet 1993, waarmee het mogelijk wordt om regels te stellen voor (de omvang van) het vermogen van de politieregio’s;
• een nieuw bekostigingsstelsel en de randvoorwaarden voor een adequaat financieel beheer van het Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (LSOP).
• de recente wijziging van de Ziekenfondswet, waarin is opgenomen dat bij ministeriële regeling een maximum aan de reserve ZFW van de ziekenfondsen wordt gesteld.
Enkele bewindspersonen geven aan dat nog overleg gaande is over het begrenzen van vermogens. Zo stelt de minister van VWS dat de discussie over de gewenste normering van academische ziekenhuizen het afgelopen jaar volop is doorgegaan. Op basis van de uitkomsten zal ook de vermogensvorming bij andere zorgsectoren onder de loep worden genomen.
De minister van OCenW is echter van mening dat het begrenzen van de vermogensvorming en ook het reguleren van beleggen en lenen van middelen in strijd is met de in de onderwijswetten neergeslagen sturingsfilosofie. Deze filosofie – meer autonomie voor de instellingen en sturing via verantwoording en toezicht op stelselniveau – impliceert wel kaderscheppende regelgeving, maar geen regelgeving die een onnodige beperking van de handelingsvrijheid van instellingen behelst. De minister geeft aan de financiële positie op stelsel- en instellingsniveau te monitoren en bij negatieve signalen mogelijk over te gaan tot bestuurlijke acties. Begrenzing van het vermogen bergt volgens hem het risico in zich van ongewenst strategisch gedrag bij de instellingen.
Hoewel de minister van OCenW zegt de aanbeveling van de Rekenkamer niet over te nemen, heeft hij toch heel wat acties ondernomen die stroken met haar uitgangspunten. Zo heeft hij bij verschillende instellingen en clusters van instellingen analyses uitgevoerd van factoren en risico’s ter bepaling van het normatieve vermogen. Ook is vermogensvorming regelmatig onderwerp van overleg met deze instellingen. Het ligt volgens de Rekenkamer voor de hand de normatieve uitgangspunten op basis waarvan de monitoring en de eventuele bestuurlijke acties plaatsvinden voor betrokkenen te expliciteren en in beleidsregels vast te leggen. De zelfstandigheid van instellingen is er volgens de Rekenkamer mee gediend wanneer de minister zelf vooraf duidelijke grenzen stelt waarbinnen instellingen financiële handelingsvrijheid hebben. Het zou kunnen dat het in de specifieke omstandigheden van het onderwijsveld moeilijk is de bevoegdheid van de minister tot het begrenzen van reserves op korte termijn wettelijk te regelen. In dat geval beveelt de Rekenkamer aan dat de minister afhankelijk van de ervaring opgedaan met de monitoring op basis van expliciete normen in een later stadium eventueel tot nadere wetgeving overgaat.
Toezicht op stelselniveau behoeft naar de mening van de Rekenkamer regulering op instellingsniveau niet per definitie in de weg te staan. Zij kan zich voorstellen dat over de praktische invulling daarvan discussie mogelijk is. De spelregels moeten echter voor alle betrokken duidelijk zijn. De Rekenkamer vraagt zich in dat kader bijvoorbeeld af of de toezichtfilosofie betekent dat de minister niet ingrijpt bij (dreigend) faillissement van een instelling.
Het kabinet is van plan om te bezien of en in welke mate een analyse van de risico’s van het weglekken van publieke middelen naar private activiteiten moet worden uitgevoerd. In een aantal reacties wordt gewezen op de complexiteit van het scheiden van het publieke en private deel van het eigen vermogen.
De Rekenkamer erkent dat het aanbrengen van een scheiding in een privaat en publiek deel van het vermogen niet altijd eenvoudig is. Voorwaarde daarvoor is een consequente administratieve scheiding van publieke en private geldstromen, met een adequate toerekening van opbrengsten en kosten verbonden aan publieke taken en private activiteiten. De Rekenkamer dringt er op aan maatregelen te nemen zodat zoveel mogelijk aan deze voorwaarden wordt voldaan. De Rekenkamer wijst in dit verband ook op de beleidslijn naar aanleiding van de adviezen van de werkgroep Markt en Overheid inzake de scheiding van private en publieke taken en geldstromen.
8.6 Lenen, beleggen en uitlenen
De minister van Financiën schrijft dat thans in het kabinet overleg wordt gevoerd over een beleidslijn voor onder andere lenen, beleggen en uitlenen door instellingen op afstand van het rijk. Zodra het kabinet deze beleidslijn heeft geformuleerd, zullen de Tweede Kamer en de Algemene Rekenkamer hiervan op de hoogte worden gebracht. In ieder geval zal de stand van zaken in de Miljoenennota 2001 worden opgenomen.
Een aantal ministers en toezichthouders heeft reeds maatregelen genomen of in voorbereiding voor lenen, beleggen en uitlenen door instellingen op afstand van het rijk. Het wetsvoorstel Financiering decentrale overheden stelt nadere grenzen aan de vrijheid waarmee openbare lichamen, waaronder politieregio’s, hun middelen mogen beheren. De minister van LNV heeft recent een richtlijn vastgesteld voor het beleggen van overtollige liquiditeiten. De minister van OCenW heeft onlangs besloten dat universiteiten moeten beschikken over een treasury statuut. De minister van VROM krijgt bevoegdheid tot het goedkeuren van de beleggingsstatuten van het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting en van het Kadaster.
De ministers van Justitie en VROM wijzen er op dat het ministerie van Financiën in overleg met diverse vakdepartementen bezig is met het ontwerpen van rijksbeleid voor het zogenaamde «schatkistbankieren» (leendepositofaciliteit bij Financiën) of de instelling van een «ZBO-bank». De minister van OCenW is van mening dat bankieren bij het rijk niet consistent is met zijn sturingsfilosofie en het streven naar deregulering en marktwerking en zou leiden tot aanzienlijke verzwaring van de werklast van departementen.
De Rekenkamer geeft in overweging de ontwikkelde beleidslijn tezijnertijd in de Kaderwet ZBO’s vast te leggen en daarbij instellingen te verplichten om over een actueel treasury-statuut te beschikken, dat aandacht geeft aan tenminste de volgende punten: beleggen (bijvoorbeeld alleen met een beperkt risico), het wel of niet aangaan van (substantiële) leningen, uitlenen (bijvoorbeeld alleen in het verlengde van de publieke taak). Over de inhoud van het statuut en het op basis daarvan gevoerde beleid dient in de jaarrekening verantwoording te worden afgelegd.
De door de ministers van Justitie en VROM genoemde discussie over schatkistbankieren zou uit kunnen monden in een keuzemogelijkheid voor instellingen om voor het aantrekken van vreemd vermogen gebruik te maken van een ZBO-bank of een leen- en depositofaciliteit bij het Ministerie van Financiën.
8.7 Handreiking normeren en begrenzen reserves
Uit de reacties op de «Handreiking normeren en begrenzen van reserves van instellingen op afstand van het rijk» bleek dat alle partijen deze bruikbaar achtten, ofwel voor de verdere vormgeving van sturingsinstrumenten, ofwel voor studie naar of overleg over de gewenste omvang en samenstelling van het vermogen.
HANDREIKING NORMEREN EN BEGRENZEN VAN RESERVES VAN INSTELLINGEN BIJ HET RIJK
Deze handreiking is opgesteld in het kader van het Rekenkameronderzoek naar vermogensvorming bij instellingen op afstand van het rijk, de zogenoemde rechtspersonen met een wettelijke taak1. Uit hoofde van hun rechtspersoonlijkheid kunnen deze instellingen in veel gevallen reserves en voorzieningen vormen. De omvang van de reserves zou een belangrijk aandachtspunt van beleid van het rijk moeten zijn, ook bij vergaande financiële zelfstandigheid van de instelling (zie paragraaf 2). Minimaal zal het rijk en/of de toezichthouder de vermogensontwikkeling moeten monitoren en daarvoor normen moeten ontwikkelen. In veel gevallen zal het rijk ook grenzen moeten aangeven waarbinnen eigen vermogens zich mogen ontwikkelen en moeten vaststellen welke acties bij over- of onderschrijding van deze grenzen zullen worden ondernomen. Het rijk dient tevens vast te stellen of en onder welke voorwaarden instellingen vreemd vermogen mogen aantrekken, hoe zij dienen om te gaan met vermogensoverschotten (beleggen en uitlenen) en -tekorten en hoe om te gaan met uit private activiteiten opgebouwde eigen vermogens.
Deze handreiking beperkt zich tot het vraagstuk van normeren en begrenzen van reserves (eigen vermogen). De vorming van voorzieningen wordt slechts zijdelings behandeld waar het gaat om de onderbouwing ervan en de noodzakelijke afbakening ten opzichte van het eigen vermogen. Ook de liquiditeit van een instelling, van belang voor het beoordelen van de financiële positie op korte termijn, blijft in deze handreiking buiten beschouwing.
De handreiking is opgesteld op basis van onderzoek van literatuur en de tot op heden ontwikkelde beleidspraktijk. Tevens is gebruik gemaakt van inzichten die zijn opgedaan in een ronde tafelgesprek over het thema met een aantal externe deskundigen uit wetenschap en praktijk.
In het volgende wordt allereerst ingegaan op de wenselijkheid van het normeren en begrenzen van reserves (paragraaf 2), vervolgens op de wijze waarop normen en grenzen bepaald kunnen worden (paragraaf 3). Daarbij wordt geredeneerd vanuit de twee functies die het eigen vermogen kan vervullen, namelijk de financierings- en bufferfunctie. Vervolgens wordt ingegaan op de vraag welke reserves begrensd dienen te worden (paragraaf 4) en welke acties bij over- of onderschrijding van grenzen ondernomen kunnen worden (paragraaf 5). Tot slot worden enige gevallen behandeld waarvoor het afspreken van een (vaste) bandbreedte minder zinvol is (paragraaf 6). In bijlage 1 is een overzicht van geraadpleegde literatuur opgenomen.
Deze handreiking is met name gericht op het rijk en toezichthouders, maar kan ook voor instellingen van nut zijn. Het hierin neergelegde algemene kader is een neerslag van literatuur en praktijk op dit moment. Het zal in de praktijk verder ontwikkeld en in specifieke gevallen nader ingevuld moeten worden.
2 Waarom normeren en begrenzen van reserves?
Ook in sectoren waar een vergaande financiële zelfstandigheid van instellingen in wet- en regelgeving is vastgelegd, is de ontwikkeling van de vermogens van deze instellingen een belangrijk punt van aandacht voor het rijk. In nagenoeg alle sectoren is het eigen vermogen van instellingen grotendeels opgebouwd uit publieke gelden – door overdracht van kapitaalgoederen bij verzelfstandiging, investeringen á fonds perdu of indirect via de bekostiging (rijksbijdragen, premies of tarieven).
Zowel aan omvangrijke als aan geringe reserves zijn bepaalde risico’s verbonden. Het is in het kader van sturen op afstand enerzijds doelmatig als instellingen reserves kunnen vormen, onder meer als prikkel tot efficiency. Daar zijn echter wel grenzen aan. Het is uit het oogpunt van publieke taakuitvoering ongewenst wanneer instellingen exploitatie-overschotten ondoelmatig oppotten of aanwenden.
Bij instellingen met geringe reserves kan de continuïteit in gevaar komen en bestaat het risico dat investeringen niet meer kunnen worden gedaan en niet meer kan worden voldaan aan betalingsverplichtingen. Een onvoorzien beroep op rijksmiddelen, ongewenste fluctuaties in heffingen en tarieven en eventueel zelfs faillissement kunnen hiervan het gevolg zijn.
Deze risico’s zijn voor een deel af te dekken via de bekostiging van instellingen, maar ook dat veronderstelt een opvatting over de gewenste vermogenspositie. Het is daarom in het algemeen wenselijk dat de rijksoverheid de eigen vermogens van instellingen normeert en begrenst. In veel gevallen verdient het vanwege bovengenoemde risico’s aanbeveling zowel een bovengrens als een benedengrens vast te stellen.
3 Hoe normen en grenzen bepalen?
Bij het bepalen van grenzen is het in de in de eerste plaats nodig te beredeneren wat de gewenste of normatieve vermogenspositie van de instelling(en) is. Daarvoor dient onderscheid te worden gemaakt in twee hoofdfuncties van het eigen vermogen, namelijk de opvang van algemene bedrijfsrisico’s, de bufferfunctie, en de financiering van investeringen in bedrijfsmiddelen, de financieringsfunctie. In het volgende wordt eerst ingegaan op beide functies apart. Vervolgens wordt de wijze waarop de grenzen bepaald kunnen worden behandeld, waarbij de bufferfunctie en financieringsfunctie in hun onderlinge samenhang worden beschouwd.
De bufferfunctie («weerstandsvermogen», «conjuncturele reserve») van het eigen vermogen houdt in het vormen van reserves ter waarborging van de continuïteit, opvang van fluctuaties in de exploitatie («egalisatiefunctie») en opvang van algemene bedrijfsrisico’s. Analyse van risico’s en hoe die kunnen worden afgedekt is een belangrijk onderdeel van het bepalen van de gewenste buffer. In het onderstaande kader zijn enkele mogelijke bedrijfsrisico’s (onzekerheden met financiële gevolgen) van instellingen die een wettelijke taak uitvoeren weergegeven.
Mogelijke bedrijfsrisico’s van instellingen:
• Politieke risico’s: wijzigingen in politieke prioriteiten, beschikbaar budget, besturings- en bekostigingswijze, beleid, wet- en regelgeving, taken, verantwoordelijkheden, bevoegdheden, e.d.;
• Maatschappelijke risico’s: demografische ontwikkelingen (bijvoorbeeld daling aantal studenten), imago, publieke interesse, e.d.;
• Financiële risico’s: rente- en inflatie-ontwikkeling, economische levensduur bedrijfsmiddelen, beleggingsresultaten, e.d.;
• Personele risico’s: arbeidsmarkt, leeftijdsopbouw, mobiliteit, flexibiliteit, wachtgelden, VUT, CAO-onderhandelingen, e.d.;
• Exploitatierisico’s: concurrentie, marktaandeel, klantenbinding, vraaguitval, winstgevendheid commerciële nevenactiviteiten, e.d.;
• Bestuurlijke en managementrisico’s: kwaliteit bestuur en management (control), reorganisaties/herstructureringen, fusies, e.d.;
• Technische bedrijfsrisico’s: Arbo, milieu, claims, productaansprakelijkheid e.d.
Het vóórkomen van risico’s voor de instelling hangt onder meer af van het type taak (bijvoorbeeld uitvoerings- of ontwikkeltaak), de omgeving waarin de instelling functioneert (voorbeeld: wel of geen concurrentie) en de wijze van bekostiging (voorbeeld: lump sum of op basis van nacalculatie). Een bijzonder geval zijn de politieke risico’s. Deze kunnen nader bepaald worden door het maken van afspraken over de omvang en termijn van beleidswijzigingen en over wie (het rijk of de instelling) de kosten van doorvoeren draagt.
Niet alle risico’s dienen door het vormen van een buffer door de instelling te worden afgedekt. Zo dienen ter dekking van bepaalde op de balansdatum bestaande concrete en specifieke risico’s, verplichtingen en verliezen voorzieningen te worden gevormd (zie kader). Deze blijven hier verder buiten beschouwing.
Voorzieningen worden volgens Artikel 374 van Titel 9 van het BW op de balans opgenomen ter dekking van op de balansdatum bestaande:
• verplichtingen en verliezen waarvan de omvang op de balansdatum onzeker is, doch redelijkerwijs is te schatten;
• risico’s ter zake van bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen waarvan de omvang redelijkerwijs is te schatten;
• kosten die in een volgend boekjaar zullen worden gemaakt, mits het maken van die kosten zijn oorsprong mede vindt in het boekjaar of in een voorafgaand boekjaar en de voorziening strekt tot gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal boekjaren.
Ook zijn er bedrijfsrisico’s die op een andere manier kunnen worden afgedekt dan door het vormen van een buffer of voorziening, bijvoorbeeld door deze te verzekeren (voorbeeld: aansprakelijkheid), door deze onder te brengen in een aparte rechtspersoon (voorbeeld: commerciële risico’s), of door een (incidentele) bijdrage van het rijk (voorbeeld: inflatierisico’s).
Ter bepaling van het normatieve buffervermogen kan globaal de volgende systematiek worden gevolgd:
• opsplitsing van de activiteiten van de instelling in compartimenten, naar taak/activiteit of wijze van bekostiging;
• bepaling budgettaire aandeel of exploitatieresultaten in het verleden per compartiment;
• analyse van risico’s per compartiment;
• analyse van de flexibiliteit van de kostenstructuur;
• bepaling benodigde buffer per compartiment;
• berekening totale buffer, waarbij rekening moet worden gehouden met mogelijke samenhang tussen risico’s van diverse compartimenten.
Bij de analyse van risico’s en de vertaling daarvan in financiële onzekerheden gaat het in principe om analyse van mogelijke ontwikkelingen met gevolgen voor inkomsten én uitgaven. Voor het laatste is van belang de mate en termijn waarin de uitgaven kunnen worden aangepast aan gewijzigde omstandigheden: de flexibiliteit van de kostenstructuur van de instelling. Sommige kosten kunnen pas op middellange termijn worden gereduceerd, zoals bijvoorbeeld huisvestings- en personeelskosten.
De financiële risico’s kunnen geïnventariseerd worden door de instelling zelf, door het desbetreffende ministerie of een onafhankelijke derde. Gestreefd moet worden naar zoveel mogelijk objectieve bronnen (jaarrekeningen e.d.) en informatie over verschillende jaren, zodat de invloed van incidenten wordt afgevlakt. Daarbij kan tevens gebruik gemaakt worden van informatie over de omvang van reserves bij organisaties met vergelijkbare risico’s (benchmarking). Bij de bepaling van risico’s is het aan te bevelen om uit te gaan van een zekere marge, dat wil zeggen laagste en hoogste waarden, waarbinnen de financiële risico’s zich zullen bewegen. Dit leidt tot een bandbreedte waarbinnen het eigen vermogen, geredeneerd vanuit de bufferfunctie, zal moeten liggen.
Voorbeeld:
Door Feenstra en van Helden (1995) is de normatieve reservepositie van academische ziekenhuizen bepaald door per deeltaak (reguliere patientenzorg, top-klinische patientenzorg, opleidingsfunctie, ontwikkelfunctie, etc.) een schatting te maken van: a) het budgettaire aandeel; b) de risicoklasse naar de mate van (on)zekerheid op korte en lange termijn; en c) het met de risicoklasse samenhangend gewenste reservepercentage van het budget (weergeven als marge bijvoorbeeld 6 tot 10%) mede gebaseerd op percentages in referentiesectoren. Dit leidt tot een normatieve reservepositie van 9,6 tot 16,8% van het totale budget.
De bepaling van financiële risico’s zal vaak een complexe en in zekere mate arbitraire aangelegenheid zijn. Daarbij dient in het oog te worden gehouden dat het er om gaat te komen tot een redelijk onderbouwde normering van een buffer die voor betrokken partijen voor de middellange termijn aanvaardbaar is. De marges dienen daarbij niet te krap te worden gekozen in verband met de kosten van monitoring.
Naast de bufferfunctie kan het eigen vermogen ook een functie vervullen bij de financiering van investeringen in de vervanging en/of uitbreiding van bestaande bedrijfsmiddelen (bedrijfsgebonden vaste activa, bijvoorbeeld gebouwen en materieel) of van nieuwe activiteiten1. In principe zijn de kosten van financiering (afschrijvingen en rente) meegenomen in de berekening van de buffer en kan daarmee dus worden volstaan. Overwegingen met betrekking tot de gewenste verhouding van financiering met eigen danwel vreemd vermogen kunnen het echter nodig maken ook de financieringsfunctie apart bij het bepalen van normen te betrekken.
De relevantie van de financieringsfunctie hangt in de eerste plaats af van de verdeling van verantwoordelijkheden tussen ministerie en instelling(en), van het systeem van bekostiging en van het type activiteit. Vele varianten doen zich daarbij voor, waaronder van bekostiging met geoormerkte investeringsbijdragen (à fonds perdu) tot lump sum bekostiging waarin geen onderscheid wordt gemaakt in investerings- en exploitatielasten. In het eerste geval, à fonds perdu financiering, speelt de financieringsfunctie van het eigen vermogen geen rol1. In het tweede geval speelt de financieringsfunctie in principe wel een rol, uiteraard voor zover het instellingen is toegestaan zelf te investeren en afhankelijk van de met de activiteiten samenhangende investeringsbehoefte.
Vervolgens moet in de gevallen waarin de financieringsfunctie speelt worden vastgesteld of financiering met vreemd vermogen (langlopend lenen) is toegestaan en welke verhouding van eigen en vreemd vermogen bij de financiering van investeringen gewenst is. In de praktijk wordt er vaak (impliciet) van uitgegaan dat de vaste activa geheel (omroepen, universiteiten) of voor een belangrijk deel (politieregio’s) uit eigen vermogen dienen te worden gefinancierd. Dit uitgangspunt is echter discutabel. Het kan leiden tot een aanzienlijke accumulatie van het eigen vermogen bij instellingen2. Financieren met vreemd vermogen heeft als voordeel dat investeringen extern financieel getoetst worden. Het komt ook de interne transparantie ten goede, omdat de kosten van kapitaal door middel van te betalen rente zichtbaar worden. Het aantrekken van vreemd vermogen voor organisaties die een publieke taak uitvoeren is in het algemeen ook geen probleem, mits maar voldoende garanties aanwezig zijn. Een argument tegen financiering met vreemd vermogen is dat de kosten van bancair lenen groter zouden kunnen zijn. Deze kosten zouden verlaagd kunnen worden door bijvoorbeeld een overheidsgarantie of het instellen van een waarborgfonds. De kostenvoordelen van het laatste zijn echter gering en ook aan een rijksgarantie kleven bezwaren3. Een alternatief is lenen bij de rijksoverheid zelf. Het verdient overweging om voor instellingen met een publieke taak een leen- en depositofaciliteit bij het rijk in te stellen, zoals die al bestaat voor sociale fondsen en agentschappen. Indien gekozen wordt voor financiering met vreemd vermogen dan ligt het verwerken van een rentecomponent (opslag) in de bekostiging in de rede.
Als gekozen wordt voor het uitgangspunt dat investeringen uit eigen vermogen worden gefinancierd, dan is het nodig het gewenste investeringsniveau, het bedrag dat gefinancierd moet worden, te bepalen. Voor het bepalen van het bedrag nodig ter financiering van de vervanginginvesteringen kan de actiefzijde (duurzame bedrijfsmiddelen) van de balans als uitgangspunt dienen. Daarbij dient dan wel rekening te worden gehouden met onder meer de waardering van deze activa, met activa die wel op de balans staan maar niet nodig zijn voor de bedrijfsvoering en met de relatieve ouderdom van de activa. Een mogelijkheid is uit te gaan van een ideaalcomplex, waarbij de duurzame bedrijfsmiddelen (m.n. gebouwen) gelijkmatig naar leeftijd verdeeld zijn en de gemiddelde leeftijd precies de helft is van de gebruiksduur. De vermogensbehoefte voor de vervanging is dan gelijk aan de helft van de totale nieuwbouwwaarde4. Voor het bepalen van het bedrag dat nodig is voor de financiering van uitbreidingsinvesteringen en nieuwe activiteiten is op voorhand uiteraard geen algemene grondslag te geven. Voor deze investeringen kan bijvoorbeeld gekozen worden voor het uitgangspunt van financiering uit vreemd vermogen of het vormen, al dan niet na toestemming van de minister of toezichthouder, van een aparte bestemmingsreserve.
In veel gevallen zal voor bepaling van de grenzen een analyse van de normatieve buffer volstaan. Dat geldt ook in veel situaties waarin instellingen zelf verantwoordelijk zijn voor investeringen. De kosten van financiering (afschrijving en rente) worden immers bij de bepaling van de buffer meegenomen. Afhankelijk van de gewenste verhouding eigen en vreemd vermogen dient echter in bepaalde gevallen naast de normatieve buffer ook een bedrag voor de financieringsfunctie te worden gecalculeerd. Dit bedrag kan niet zonder meer bij dat van de buffer worden opgeteld. Buffer- en financieringsfunctie dienen in samenhang te worden beschouwd. In het volgende worden enkele voorbeelden gegeven van redeneringen die in verschillende situaties kunnen worden gevolgd.
Als de verdeling van verantwoordelijkheden voor financiering (à fonds perdu) of het type activiteit (geen investeringsbehoefte) zodanig is dat met de financieringsfunctie van het eigen vermogen geen rekening behoeft te worden gehouden, dan dient het normatieve buffervermogen als uitgangspunt voor de begrenzing. In het geval dat de buffer geformuleerd is als een bandbreedte, kunnen de onder- en bovengrens van die bandbreedte gehanteerd worden als respectievelijk een minimum en maximum voor het eigen vermogen.
Als de financieringsfunctie wel relevant is en er is gekozen is voor het uitgangspunt van volledige financiering met eigen vermogen, dan zal in de meeste gevallen het vanuit deze functie benodigde eigen vermogen, vergeleken met de benodigde buffer, relatief groot zijn1. Hoewel dit vermogen in principe niet vrij beschikbaar is, want bedoeld voor financiering van aanwezige activa en toekomstige investeringen, kan het wel (tijdelijk) tevens dienen als buffer. De normatieve reserve kan dan, afhankelijk van de verhouding van beide beperkt worden tot de reserve die nodig is vanuit de financieringsfunctie of tot deze reserve aangevuld met (een deel van) de normatieve buffer.
Indien de financieringsfunctie relevant is en financiering met vreemd vermogen is toegestaan dan kan het minimum eigen vermogen bepaald worden door als uitgangspunt te kiezen dat de benodigde investeringen in het uiterste geval volledig met vreemd vermogen gefinancierd moeten kunnen worden. In het algemeen zal de normatieve buffer ter afdekking van algemene bedrijfsrisico’s – of bij een vastgestelde bandbreedte het minimum daarvan – tevens voldoende zijn om vreemd vermogen aan te trekken. Is dit niet het geval dan zal, bijvoorbeeld in overleg met de verschaffers van vreemd vermogen (banken of overheid), een minimum vanuit de financieringsfunctie moeten worden bepaald. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om het bepalen van een norm voor de solvabiliteit (verhouding eigen vermogen en balanstotaal).
Grenzen kunnen worden bepaald als absoluut getal of als percentage of verhoudingsgetal. Het eerste is aan te bevelen bij een enkele instelling waar zich bijvoorbeeld geen grote wijzigingen in de bedrijfsvoering en investeringsniveau voordoen. In het algemeen, maar zeker in geval van clusters van instellingen, verdienen percentages of verhoudingsgetallen de voorkeur. Het valt te overwegen voor clusters met een grote variatie in bijvoorbeeld risico’s, activiteiten en bedrijfsmiddelen een formule af te spreken op basis waarvan per instelling grenzen kunnen worden vastgesteld. Dit leidt dan tot verschillende waarden per instelling (maatwerk). De reserve zal in veel gevallen gerelateerd worden aan het jaarbudget, dat vaak een goede indicator voor het activiteitenniveau van een instelling is.
Bij de vaststelling van grenzen aan reserves is duidelijkheid gewenst over de verdeling van risico’s verbonden aan de uitvoering van de publieke taak tussen rijksoverheid en instellingen. Bedrijfseconomische overwegingen en redeneringen zoals in het voorgaande zijn weergegeven spelen bij de bepaling van grenzen een belangrijke rol. Uiteindelijk gaat het echter om een bestuurlijke afweging tussen enerzijds het geven van de nodige ruimte aan instellingen om reserves en voorzieningen te vormen voor het opvangen van bedrijfsrisico’s en ten behoeve van investeringen en anderzijds de mogelijkheid van het rijk om bij te sturen en het inbouwen van waarborgen dat publiek geld uiteindelijk efficiënt en effectief wordt ingezet voor de doelen waarvoor het ter beschikking is gesteld.
4 Welke reserves normeren en begrenzen?
Het verdient aanbeveling bij het vaststellen van grenzen in ieder geval het totale eigen vermogen te begrenzen. Daarnaast kan het ook gewenst zijn grenzen te stellen aan onderdelen van het eigen vermogen, zoals bijvoorbeeld aan private reserves, egalisatiereserves of bestemmingsreserves. Rekening dient daarbij gehouden te worden met specifieke gevallen zoals beklemde reserves, over de bestemming waarvan het bestuur maar beperkte zeggenschap heeft (voorbeeld: legaten), of zogenoemde historische reserves, die zijn opgebouwd op grond van arrangementen of regelingen in het verleden en die op een bepaald niveau bevroren worden (zie bijvoorbeeld omroepen, ziekenfondsen). Bij de bepaling van de grenzen voor het totale eigen vermogen zullen overwegingen met betrekking tot de hoogte van de verschillende specifieke toegestane reserves uiteraard wel een rol spelen. Het verdient aanbeveling bij het aanwijzen en maximeren van specifieke reserves vast te leggen dat het vormen van andere reserves niet is toegestaan, danwel dat daarvoor toestemming vereist is van minister en/of toezichthouder. Er bestaat immers een extra risico op het «weglekken» van reserves. Om diezelfde reden is een goede afbakening ten opzichte van voorzieningen van groot belang. Het verdient daarom aanbeveling nader te specificeren welke voorzieningen getroffen mogen worden.
5 Welke actie bij over- of onderschrijding grenzen?
Als grenzen gesteld zijn aan het eigen vermogen dient tevens te worden vastgesteld welke actie wordt ondernomen bij over- of onderschrijding van die grenzen. Hier doen zich verschillende mogelijkheden voor. Bij overschrijding van het maximum kan gedacht worden aan het maken van afspraken over bestemming en (termijnen van) afbouw van het overschot of in het uiterste geval aan (gedeeltelijk) afromen. Bij onderschrijding van het minimum is er bijvoorbeeld de mogelijkheid van intensiever toezicht, het maken van afspraken over het op termijn terugbrengen van het tekort, of een incidentele bijdrage van het rijk. Structurele over- of onderschrijding van grenzen kan aanleiding zijn tot heroverweging van (het systeem van) de bekostiging. Een analyse van de oorzaken van onder- of overschrijdingen gaat uiteraard aan het nemen van maatregelen vooraf.
De mogelijkheden van ingrijpen hangen mede af van het gehanteerde van de bekostiging. Bij een directe subsidierelatie kunnen overschrijdingen van het maximum op eenvoudige wijze met het subsidiebedrag van een volgend jaar worden verrekend. Bij bekostiging uit tarieven en premies zijn vermogensoverschotten – in het geval geen directe mogelijkheid tot afroming is geregeld – alleen via het tarief- of premiebeleid op de middellange termijn te beïnvloeden. Essentieel is dat over te nemen maatregelen zo concreet mogelijke afspraken worden vastgelegd voor de middellange termijn en dat de daarvoor benodigde bevoegdheden zijn geregeld.
In het voorgaande is de algemene lijn behandeld voor normeren en begrenzen van reserves. De invulling van die lijn zal variëren afhankelijk van het type activiteit, de verantwoordelijkheidsverdeling, de bekostiging en dergelijke. Het vaststellen van een (vaste) bandbreedte voor het eigen vermogen is echter niet in alle gevallen mogelijk danwel zinvol. In het volgende worden enkele gevallen behandeld waar een afwijkende benadering van vermogensvorming van toepassing is. Dit zijn instellingen met een vennootschappelijke rechtsvorm, fondsen en instellingen waaraan taken zijn uitbesteed door middel van een prestatiecontract.
Bij een vennootschappelijke rechtsvorm van de instelling (BV, NV) is de vermogensvorming een zaak voor het bestuur van de vennootschap en de aandeelhouders (ook als dat de rijksoverheid is). Daarin spelen andere overwegingen dan de in deze handreiking behandelde. Er kunnen met de aandeelhouder wel afspraken worden gemaakt over bijvoorbeeld het dividendbeleid (zoals bijvoorbeeld bij de Novem).
Bij publieke fondsen is het gebruikelijk dat de premies worden afgestemd op het dekken van de risico’s, waarbij de overheid doorgaans garant staat voor eventuele tijdelijke tekorten. Aangezien de risico’s jaarlijks worden bepaald, is een adequate monitoring een beter instrument om overtollige vermogensvorming te voorkomen dan het bepalen van een vaste bandbreedte. De omvang van de fondsen is een belangrijk onderwerp van overheidsbeleid, maar daarvoor gelden andere, meer beleidsinhoudelijke overwegingen, dan de in deze handreiking behandelde (bijvoorbeeld de fondsen sociale zekerheid).
Bij uitbesteding van publieke taken aan marktpartijen door middel van prestatiecontracten is het stellen van grenzen aan de vorming van reserves uiteraard niet aan de orde. Dat neemt niet weg dat de vorming van reserves, zoals die blijken uit de jaarrekening, wel een punt van aandacht kan zijn bij beoordeling van prijsstelling in periodieke contractbesprekingen.
De geraadpleegde literatuur betreft zowel openbare rapportages als – in opdracht van ministeries, instellingen of koepelorganisaties uitgevoerde – interne rapportages.
Arthur Andersen (1998). Onderzoek vermogenspositie politieregio’s. Intern rapport ten behoeve van het Ministerie van Binnenlandse Zaken.
BDO CampsObers (1996). Onderzoek financiering en vermogenspositie TNO. Intern rapport ten behoeve van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.
BDO CampsObers (1997). Onderzoek vermogenspositie KB en KNAW.Intern rapport ten behoeve van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.
BDO CampsObers (1997). Onderzoek vermogenspositie universiteiten. Intern rapport ten behoeve van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.
Commissie Koopmans (1999). De vermogenspositie van universiteiten – Een delicate balans. Rapport ten behoeve van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.
Commissie Reserves Academische Ziekenhuizen (1998). Gepaste reserves. Rapport ten behoeve van Ministerie van het Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Commissie Van der Zwan (1992). Onderzoek naar de bedrijfseconomische noodzaak van de vermogens van de omroepen. Rapport ten behoeve van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur.
Contactgroep Financiën en Administratie VSNU (1997). Eindrapportage CFA-werkgroep liquiditeits- en vermogenspositie universiteiten. Intern rapport VSNU.
Coopers & Lybrand Accountants (1996). Vermogensgroei bij AWBZ-instellingen. Intern rapport ten behoeve van de Nederlandse Zorg Federatie (NVGGz, NVBW, NVAGG, VGN en NVVz).
Feenstra, D.W, en G.J. van Helden (1995). Reserves & voorzieningen, een rapport over de gewenste omvang van reserves en voorzieningen bij academische ziekenhuizen. Rapport ten behoeve van de Vereniging Academische Ziekenhuizen.
KPMG Accountants (1998). De G-4 universiteiten – Gewenste omvang en samenstelling van het eigen vermogen van universiteiten.Intern rapport ten behoeve van de Universiteiten van Amsterdam, Utrecht, Groningen en Leiden.
Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, Directie Wetenschappelijk Onderwijs (1994). Discussienota universitaire bedrijfsvoering – Verkenning naar de omvang van reserves, voorzieningen en liquiditeiten. Intern rapport Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen.
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, Directies FEZ en Wetenschappelijk Onderwijs (1996). Financiële positie universiteiten (1985–1994). Intern rapport Ministerie van het Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.
Moret, Ernst & Young (1998). Blauw in het rood. Rapport ten behoeve van het Ministerie van BZK en de politieregio’s.
DE LETTERLIJKE TEKST VAN DE BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN D.D. 3 MAART 2000
Met uw schrijven d.d. 3 februari 2000, kenmerk 71 R, vroeg u mij om een reactie op het conceptrapport «Vermogensvorming bij instellingen op afstand van het rijk». Zoals ook het geval is geweest bij het AR-rapport «Verantwoording en toezicht bij rechtspersonen met een wettelijke taak», doe ik u hierbij, mede namens mijn ambtgenoot van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, een reactie toekomen op het thans voorliggende concept-rapport. Onze reactie is afgestemd met de visie die andere ministers hebben uiteengezet in hun reactie op de voor hen relevante specifieke onderdelen van uw rapport.
In paragraaf 2 wordt het algemene kader van ministeriële verantwoordelijkheid en verantwoording en toezicht op instellingen op afstand van het rijk neergezet. In paragraaf 3 wordt ingegaan op de regels voor eigen vermogen van instellingen. Het lenen, beleggen en uitlenen door instellingen komt in paragraaf 4 aan de orde. Tot slot wordt in paragraaf 5 ingegaan op het recente verzoek van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de Algemene Rekenkamer. In een bijlage zijn enkele specifieke opmerkingen opgenomen.
2 Het algemene kader van ministeriële verantwoordelijkheid en verantwoording en toezicht
In onze bestuurlijke reactie op het AR-rapport «Verantwoording en toezicht bij rechtspersonen met een wettelijke taak» (brief van 26/11/1999, kenmerk DAR 1999-00481U) is een uitgebreide schets weergegeven van het bredere perspectief van de ministeriële verantwoordelijkheid in relatie tot sturing en toezicht van instellingen op afstand van het rijk. Deze uiteenzetting van de thans lopende ontwikkelingen is uiteraard nog steeds actueel en kortheidshalve wordt hier nu verwezen naar de bedoelde brief. Aanvullend daarop kan ik u meedelen dat het wetsvoorstel voor de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen inmiddels voor advies is aangeboden aan de Raad van State.
Het leidend motief in de vormgeving van de relatie tussen een minister en een instelling op afstand van het rijk, zijnde een zelfstandig bestuursorgaan (ZBO), dan wel een rechtspersoon met een wettelijke taak (RWT), is dat er van geval tot geval moet worden bezien welke instrumenten van sturing en verantwoording noodzakelijk zijn. Het gekozen instrumentarium moet passen binnen de algemene sturingsfilosofie op het desbetreffende beleidsterrein, waarbij het toezicht moet zijn afgestemd op de omvang van de ministeriële verantwoordelijkheid. Per departement en beleidsterrein zal dan de visie op toezicht verschillend kunnen zijn, omdat de ministeriële verantwoordelijkheid per onderwerp anders kan zijn ingevuld. Uiteraard heeft de Kaderwet ZBO’s de bedoeling dat zoveel als mogelijk dezelfde instrumenten worden gehanteerd en dat de per geval gekozen instrumenten op een geharmoniseerde wijze worden vormgegeven.
De kern is derhalve geen strakke uniformering van toezicht via de beoogde Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, maar ruimte laten voor het ontwikkelen van maatwerk per beleidsterrein. U onderschrijft deze noodzaak van differentiatie in het toezicht in het rapport «Verantwoording en toezicht bij rechtspersonen met een wettelijke taak». De vakministers dragen de verantwoordelijkheid voor de inrichting van de sturings-, verantwoordings- en toezichtsrelatie tussen het eerst verantwoordelijke ministerie en de betrokken instellingen op afstand. De ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Financiën dragen een coördinerende verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling en instandhouding van de bestuurlijke en financiële kaders voor de relatie tussen ministeries en instellingen op afstand. De komende Kaderwet ZBO’s zal ook bepalingen bevatten over informatievoorziening, sturing en toezicht. Het voornemen bestaat echter niet om in de Kaderwet ZBO’s algemene regels op te nemen voor de vermogensvorming van ZBO’s. Het kabinet is wel bereid te bezien of en in hoeverre in de, naar aanleiding van de totstandkoming van de Kaderwet, aan te passen Aanwijzingen ten behoeve van de wetgeving aandacht aan dit punt kan worden gegeven. Het is denkbaar in de Aanwijzingen op te nemen dat bij of krachtens de wet per ZBO regels over de vermogensvorming worden opgenomen. Een dergelijke constructie zou aansluiten bij de primaire verantwoordeiijkheid van de vakministers voor het inrichten van de specifieke sturingsrelatie, maar aan de andere kant ook waarborgen dat er in het algemeen regels op het punt van de vermogensvorming tot stand komen, zoals de Rekenkamer bepleit.
3 Regels voor eigen vermogen van instellingen op afstand van het rijk
In uw rapport geeft u aan van mening te zijn dat ministeries een beleid voor vermogensvorming bij instellingen op afstand van het rijk moeten ontwikkelen. De regering ondersteunt uw aanbeveling om bij de vormgeving van het toezichtsbeleid voor een instelling op afstand van het rijk tevens aandacht te besteden aan het onderwerp vermogensvorming. Daarbij dient echter te allen tijde ruimte te zijn voor maatwerk. Niet in alle gevallen is er reden om over te gaan tot aanvullende regelgeving door de verantwoordelijke minister op het gebied van vermogensvorming van een instelling.
In uw rapport geeft u aan dat er zowel aan omvangrijke vermogens als aan geringe vermogens van instellingen op afstand van het rijk risico’s verbonden zijn. Dit wordt door het kabinet ten algemene onderschreven. Het risico dat samenhangt met een te hoog eigen vermogen is voornamelijk gelegen in de allocatie van collectieve middelen, in de vorm van het ondoelmatig aanwenden of oppotten van collectieve middelen. Het door u gesignaleerde risico van een hoog eigen vermogen, in de zin dat instellingen zich onttrekken aan politieke verantwoordelijkheid, beïnvloeding en sturing (p. 7) wordt door het kabinet niet onderschreven. Door op een adequate manier invulling te geven aan de sturingsrelatie kan dit risico worden voorkomen.
Daar waar een normstelling van het eigen vermogen van een instelling wel mogelijk en gewenst is, zal de verantwoordelijke minister daar invulling aan moeten geven door dit onderdeel te laten zijn van het toezichtsarrangement. Op verschillende beleidsterreinen wordt dit thans ook toegepast. Zo is bijvoorbeeld voor ziekenfondsen een wetsvoorstel tot maximering van de reserves door de Eerste Kamer goedgekeurd en wordt op dit moment een op deze wet gebaseerde ministeriële regeling ontwikkeld, die de exacte hoogte van de toelaatbare reserves vastlegt. Er kunnen echter specifieke gevallen zijn, waarin het stellen van normen, het opstellen van regels en het maken van afspraken over de minimum en maximum omvang van eigen vermogen minder zinvol is. Ook u constateert in uw rapport dat in een aantal specifieke gevallen dergelijke regelgeving minder zinvol is (p. 27). U constateert tevens dat van de in het onderzoek van de AR betrokken instellingen dergelijke regelgeving ontbreekt en wel zinvol zou zijn voor politieregio’s, universiteiten, hogescholen, academische ziekenhuizen, het Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie en de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Opgemerkt moet worden dat in dit kader al verschillende acties zijn gestart om te bezien waar aanvullende regelgeving in specifieke gevallen nuttig en noodzakelijk is.
Ten aanzien van de verslaggevingsregelgeving voor instellingen beveelt u aan deze uit te breiden en zo veel mogelijk te uniformeren (p. 44). Ook hier geldt dat de afweging of aanvullende regelgeving in een specifiek geval vereist is, per beleidsveld moet worden bezien. Aanvullende regelgeving omtrent verslaggeving is primair een zaak tussen de beleidsverantwoordelijke minister en de desbetreffende instelling op afstand van het rijk. In de beoogde Kaderwet zelfstandige bestuursorganen zullen door een relatie te leggen met de subsidietitel uit de Awb algemene regels voor het financieel toezicht op zelfstandige bestuursorganen tot stand komen. Daarbij bieden de dan bestaande opties voor de concrete vormgeving ruimte voor maatwerk. Daar is aanleiding toe, want de instellingen worden op verschillende wijze bekostigd en voeren uiteenlopende taken uit. Gelet op de grote diversiteit aan instellingen op afstand van het rijk is het onmogelijk om regelgeving omtrent verslaggeving te uniformeren in een kaderwet. In voorkomende gevallen is uniformering door middel van aanvullende verslaggevingsregelgeving per cluster van instellingen op afstand van het rijk wel mogelijk.
Volgens de Rekenkamer is meer aandacht nodig voor de risico’s van het weglekken van publieke middelen naar private activiteiten van instellingen via vermogensvorming en beveelt aan van geval tot geval te beoordelen wat mogelijk en wenselijk is om de scheiding publiek-privaat in vermogens vorm te geven (p. 44). De regering ondersteunt de aanbeveling om in de toezichtsarrangementen aandacht te besteden aan dit gevaar van «weglekken». De vakministers zullen bezien of en in welke mate een analyse van de risico’s van het weglekken van publieke middelen naar private activiteiten moet worden uitgevoerd. In hoeverre dit kan leiden tot het scheiden van het vermogen in een publiek deel en een privaat deel, hangt af van wat in het specifieke geval wenselijk en praktisch toepasbaar is.
Het bovenstaande geeft het belang aan van een goede monitoring door de departementen van de vermogensontwikkeling bij instellingen op afstand van het rijk. Het kabinet is van mening dat voor een goed inzicht in de vermogensvorming deze monitoring niet alleen de jaarrekeningen moet omvatten, maar dat daarbij tevens de (meerjaren) begrotingen van die instellingen moeten worden betrokken.
4 Lenen, beleggen en uitlenen door instellingen
Op dit moment is bij de Tweede Kamer het wetsvoorstel Financiering decentrale overheden in behandeling (Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, 26 906, nrs. 1–2). In artikel 2 van dat wetsvoorstel wordt de vrijheid waarmee openbare lichamen hun middelen mogen beheren nader begrensd. Thans wordt in het kabinet overleg gevoerd over een beleidslijn met betrekking tot instellingen op afstand van het rijk. Omdat de staatkundige positie van de gemeenten en provincies een andere is dan die van instellingen op afstand van het rijk, zal de inhoud en de vorm van de beleidslijn en de daarop te baseren regelgeving die thans in voorbereiding is, kunnen afwijken van hetgeen in artikel 2 van het Wetsvoorstel financiering decentrale overheden is bepaald. Zodra het kabinet deze beleidslijn heeft geformuleerd zullen de Tweede Kamer en de Algemene Rekenkamer hiervan op de hoogte worden gebracht. In ieder geval zal de stand van zaken in de Miljoenennota 2001 worden opgenomen.
5 Verzoek van de minister van bzk voor onderzoek naar kasbeheer bij rwt’s
Naar aanleiding van het met de Tweede Kamer gevoerde debat over de Ceteco-affaire heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de Algemene Rekenkamer bij brief van 18 januari 2000 (GSIB/OR2000/U60577) verzocht onderzoek te doen naar het kasbeheer bij RWT’s.
De Algemene Rekenkamer heeft daarop inmiddels gereageerd met een brief van 4 februari 2000. De Rekenkamer geeft daarin aan het belang dat de minister en Tweede Kamer aan het onderwerp kasbeheer bij RWT’s hechten te onderschrijven. De Rekenkamer wijst erop dat het rapport «Vermogensvorming bij RWT’s» het belang van dit thema bevestigt. De Rekenkamer verwijst verder naar het onderzoek naar het financieel beheer bij politieregio’s uit 1998. Ten slotte geeft de Rekenkamer aan dat het college in de komende jaren veel aandacht zal geven aan (het toezicht op) de rechtmatigheid van inning en besteding van publieke gelden door RWT’s en aan de ordelijkheid en controleerbaarheid van het financieel beheer bij deze instellingen. De Rekenkamer is voornemens in toekomstig onderzoek bij RWT’s waar mogelijk en gewenst ook aandacht te geven aan het aspect kasgeldbeheer. In dit verband verzoekt de Rekenkamer de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in zijn reactie op het onderzoek «Vermogensvorming bij RWT’s» na te gaan welke aanvullende informatie over kasbeheer hij nodig acht en welke aanvullende informatie hij zou willen ontvangen.
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt vast dat de Algemene Rekenkamer reeds aandacht besteedt aan de vermogensvorming bij RWT’s en bereid is daarbij in de toekomst het aspect van het kasbeheer nog nadrukkelijker te betrekken. Het thans voorliggende rapport onderstreept het belang van een departementaal beleid ter zake van de vermogensvorming in het algemeen. Daarvan maakt het kasbeheer een onderdeel uit. Gelet op de door de Algemene Rekenkamer gesignaleerde stand van zaken bij de beleidsvorming van de ministeries, acht het kabinet het zinvol eerst te investeren in deze algemene beleidsontwikkeling en regelgeving. De Rekenkamer beveelt dat ook aan. Naar het oordeel van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bieden de lopende en voorgenomen activiteiten van de Rekenkamer een goede basis om daarnaast een beter zicht te krijgen op het kasbeheer. Hij is vooral geïnteresseerd in een beantwoording van de vraag of bij de vermogensvorming en het daaruit voortvloeiende kasbeheer onaanvaardbare financiële risico’s worden gelopen. Hij is de Rekenkamer erkentelijk voor het nadere accent dat deze in het komende onderzoek hierop wil leggen. De minister zou een herkenbare rapportage over dit onderwerp op enig moment op prijs stellen.
c.c. de Ministers
OVERZICHT VAN CONCLUSIES, AANBEVELINGEN, REACTIES MINISTERS/TOEZICHTHOUDERS/INSTELLINGEN EN NAWOORD REKENKAMER
I. ALGEMENE CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
Alle departementen, in het bijzonder Ministerie van Financiën en BZK
| Conclusie | Aanbeveling | Reactie minister/toezichthouder | Nawoord Rekenkamer | |
|---|---|---|---|---|
| Omvang: normeren en begrenzen | Bij veertien van de dertig (clusters van) instellingen ontbreken via regelgeving of afspraken gestelde normen ten aanzien van de maximale (aanvaardbare) en minimale (gewenste) omvang van het (eigen) vermogen. Waar wel normen zijn gesteld, betreft dit bij tien (clusters van) instellingen maxima, waarbij het in vier gevallen (Centraal Orgaan opvang Asielzoekers, TNO, Arbeidsvoorzieningsorganisatie en Staatsbosbeheer) gaat om maximering van slechts een deel van het eigen vermogen. In één geval, namelijk de ziekenfondsen, is wel een minimum, maar geen maximum voor de omvang van reserves vastgesteld. Bij vijf (clusters van) instellingen (rijksmuseale instellingen, Informatie Beheer Groep, NWO, uitvoeringsinstellingen sociale zekerheid en FMO) gelden geen vaste grenzen voor de hoogte van (onderdelen van) reserves, maar is wel iets geregeld over de toevoeging aan reserves, danwel is vastgelegd dat jaarlijks over de omvang van reserves wordt overlegd. Bij de (clusters van) instellingen waarbij geen regels zijn gesteld, is dit voor acht daarvan geen bezwaar, omdat hun specifieke situatie dergelijke regels minder zinvol maakt. Voor de overige zes (politieregio’s, universiteiten, hogescholen, academische ziekenhuizen, het Landelijk Selectieen Opleidingsinstituut Politie en de KNAW) is dit wel het geval. | Door middel van regelgeving en/of afspraken waar nodig en wenselijk onderbouwde normen stellen voor de hoogte van het eigen vermogen van instellingen, bij voorkeur in samenspraak met betrokken instellingen, gebaseerd op een systematische analyse van relevante factoren en risico’s en in de vorm van bandbreedtes (minimaal en maximaal eigen vermogen). Daar waar alleen voor specifieke reserves normgrenzen zijn gesteld, ook bandbreedtes voor het totale eigen vermogen vaststellen. De normen aanvullen met afspraken over hoe om te gaan met substantiële afwijkingen van de normen. | Het kabinet vindt dat de begrenzing van eigen vermogens een nuttig en noodzakelijk instrument kan zijn om het risico van ondoelmatig aanwenden of oppotten van collectieve middelen te voorkomen. Dit risico kan voorkomen worden door een adequate invulling van de sturingsrelatie. Daar waar dit mogelijk en gewenst is zal de verantwoordelijke minister invulling aan de normstelling voor eigen vermogens moeten geven door dit onderdeel te laten zijn van het toezichtsarrangement. Opgemerkt wordt dat in dit kader al verschillende acties zijn gestart om te bezien waar aanvullende regelgeving in specifieke gevallen nuttig en noodzakelijk is. Door de minister van BZK is in 1999 het Convenant politie afgesloten waarin de wenselijkheid wordt onderschreven om te komen tot nadere afspraken over de financiële positie van de politieregio’s. Er komt een wijziging van de Politiewet, waarmee het mogelijk wordt nadere regels te stellen voor (de omvang van) het vermogen van de regio’s. Er zal waarschijnlijk dit voorjaar door de Stuurgroep Implementatie Modernisering Politiezorg een advies worden uitgebracht over het bepalen van de aard en omvang van bovenmatige vermogens en balanstekorten, en over de wijze waarop verevening kan plaatsvinden. | De aanbevelingen van de Rekenkamer worden in belangrijke mate onderschreven en opgevolgd. |
| Omvang: normeren en begrenzen (vervolg) | De minister van OCenW is van mening dat het begrenzen van de vermogensvorming in strijd is met de in onderwijswetten neergeslagen sturings- en toezichtfilosofie. Deze filosofie – meer autonomie voor de instellingen en sturing via verantwoording en toezicht op stelselniveau – impliceert wel kaderscheppende regelgeving, maar geen regelgeving die een onnodige beperking van de handelingsvrijheid van instellingen behelst. De minister geeft aan de financiële positie op stelselen instellingsniveau te monitoren en bij negatieve signalen mogelijk over te gaan tot bestuurlijke acties. Begrenzing van het vermogen bergt volgens hem het risico in zich van ongewenst strategisch gedrag bij die instellingen. | De Rekenkamer is in reactie op het commentaar van de minister van OCenW van mening dat het voor de hand ligt de normatieve uitgangspunten op basis waarvan de monitoring en de eventuele bestuurlijke acties plaatsvinden te expliciteren en in beleidsregels vast te leggen. De zelfstandigheid van instellingen is er volgens de Rekenkamer mee gediend wanneer de minister vooraf duidelijke grenzen stelt waarbinnen instellingen financiële handelingsvrijheid hebben. In het geval dat het in de specifieke omstandigheden van het onderwijsveld moeilijk is de bevoegdheid van de minister tot het begrenzen van reserves op korte termijn wettelijk te regelen, beveelt de Rekenkamer aan afhankelijk van de ervaring opgedaan met de monitoring op basis van | ||
| De minister van Justitie kan zich in algemene zin vinden in de conclusies en aanbevelingen. Op het departement is het project Outputsturing Reclassering gestart. In het deelproject Financiën zullen onder meer voorstellen worden ontwikkeld voor de totstandkoming, de omvang en de aanwending van het eigen vermogen. | expliciete normen in een later stadium eventueel tot wetgeving over te gaan. Toezicht op stelselniveau behoeft regulering op instellingsniveau niet per definitie in de weg te staan. De Rekenkamer vraagt zich daarbij af of het toezicht op stelselniveau betekent dat een instelling failliet kan gaan zonder dat de minister ingrijpt. | |||
| De minister van SZW deelt de zienswijze van de Rekenkamer dat aan begrenzing van vermogens een analyse van alle voor de instelling of cluster van instellingen relevante factoren en risico’s voorafgaat. | ||||
| De minister van VWS acht het niet verstandig, regelgeving of beleidsafspraken enkel te baseren op onderzoek. Breed draagvlak is van belang. De discussie over de gewenste normering van Academische Ziekenhuizen is het afgelopen jaar volop doorgegaan. Op basis van de uitkomsten zal ook de vermogensvorming bij andere sectoren onder de loep worden genomen. | ||||
| De ministers van V&W en van EZ sluiten zich wat betreft hun algemene commentaar aan bij de kabinetsreactie. | ||||
| Omvang: normeren en begrenzen (vervolg) | De Raad van Bestuur van de Nederlandse Omroep Stichting stelt dat eind 1999 een onderzoek was gestart naar de gewenste omvang van de reserve voor programmadoeleinden van de publieke omroepen, met als doel uiteindelijk een richtlijn te formuleren voor de maximering van deze reserve. Omdat het verenigingsvermogen van de omroepen sinds 1993 bevroren is, wordt hierdoor indirect het totale eigen vermogen begrensd. | |||
| Het Commissariaat voor de Media handelt reeds in grote lijnen overeenkomstig de opvattingen van de Rekenkamer. | ||||
| Het College voor Zorgverzekeringen(CvZ) stelt dat in de recente wijziging van de Ziekenfondswet ondermeer is opgenomen dat bij ministeriële regeling een maximum aan de reserve ZFW van de ziekenfondsen wordt gesteld. Over de invulling van de ministeriële regeling voert het CvZ nu overleg met de minister van VWS. Gedacht wordt daarbij aan een begrenzing door toepassing van een vaste factor maal de solvabiliteitsmarge. Medio 2000 zal deze regeling naar verwachting van kracht worden. | ||||
| Het College voor toezicht sociale verzekeringen (Ctsv) wijst erop dat direct en indirect via de tarieven invloed wordt uitgeoefend op de vermogensvorming bij de uitvoeringsinstellingen en de Sociale verzekeringsbank. In jaarovereenkomsten tussen het Lisv en de uvi’s worden afspraken gemaakt over (tarief en kwaliteit van) prestaties. Indien blijkt dat het door de uvi behaalde resultaat bepaalde waarden overstijgt dan stelt het Lisv via tariefsonderhandelingen de tarieven bij. Kwantitatieve normering van de omvang van het vermogen ligt daarom minder voor de hand. | ||||
| Verslaggeving | Bij het merendeel van de onderzochte (clusters van) instellingen voldoen de in regelgeving vervatte verslaggevingseisen grotendeels aan wat wenselijk is om inzicht te krijgen in de vermogensvorming en is de verslaggevingsregelgeving grotendeels gebaseerd op algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving (met name Titel 9 en Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving). Wel varieert de verslaggevingsregelgeving sterk qua inhoud, mate van gedetailleerdheid en wijkt deze in enkele gevallen af van algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving. De variatie in presentatie en toelichting van eigen vermogen en voorzieningen in de jaarrekeningen van de onderzochte instellingen is dan ook groot. Ook binnen clusters van instellingen constateert de Rekenkamer een grote variatie in de wijze van presenteren. Het inzicht dat de jaarrekeningen bieden in eigen vermogen en voorzieningen voldoet in de meeste gevallen aan de eisen zoals vastgelegd in de algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving, maar kan wel op punten verbeterd worden. | Algemene verslaggevingsvoorschriften uitvaardigen voor instellingen, bijvoorbeeld bij of krachtens de Kaderwet ZBO’s. Verslaggevingsvoorschriften zoveel mogelijk baseren op algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving, zoals grotendeels neergelegd in Titel 9 Boek 2 BW en RJ-richtlijnen, met specifieke aanvullingen voor presentatie en toelichting van het eigen vermogen, met daarnaast de mogelijkheid voor specifieke aanvullende regelgeving voor specifieke (clusters) instellingen (maatwerk). Het gaat bij de verbetering van verslaggeving door instellingen en aanvullende regelgeving met name om: • de afbakening tussen bestemmingsreserves en voorzieningen; • het voldoende specificeren van reserves en voorzieningen; • het toelichten van aard, doel en functies van de posten; • het geven van inzicht in de mate van bestemming van de reserves; • het toelichten van de vorming en aanwending van de posten (opnemen van mutatiestaten); • het aangeven van het langlopende deel van de voorzieningen; • het hanteren van een zuiver onderscheid tussen resultaatbepaling en resultaatbestemming; • het toelichten van (verwachte ontwikkelingen in) de vermogens- en liquiditeitspositie; • het toelichten van de actuele waarde van materiële activa. | Het kabinet: in de beoogde Kaderwet zelfstandige bestuursorganen zullen door een relatie te leggen met de subsidietitel uit de Awb algemene regels voor het financieel toezicht op zelfstandige bestuursorganen tot stand komen. Daarbij bieden de dan bestaande opties voor de concrete vormgeving ruimte voor maatwerk. Daar is aanleiding toe, want de instellingen worden op verschillende wijze bekostigd en voeren uiteenlopende taken uit. Gelet op de grote diversiteit aan instellingen op afstand van het Rijk is het onmogelijk om regelgeving omtrent verslaggeving te uniformeren in een kaderwet. In voorkomende gevallen is uniformering door middel van aanvullende verslaggevingsregelgeving per cluster van instellingen op afstand van het Rijk wel mogelijk. De minister van OCenW voert met ingang van 2001 voor het hoger onderwijs een nieuwe richtlijn in, waarbij de bevindingen van de commissie Koopmans alsmede de aanbevelingen van de AR m.b.t. de verslaggevingsregelgeving zullen meewegen. Dit betreft onder andere de aanscherping van de afbakening tussen bestemmingsreserves en voorzieningen, een toelichting van de actuele waarde van de vaste activa en het splitsen van voorzieningen in korten langlopend. De minister van Justitie kan zich in algemene zin vinden in de conclusies en aanbevelingen. De minister van SZW deelt de mening dat het wenselijk is uit oogpunten van transparantie en vergelijkbaarheid de verslaggevingsregelgeving voor instellingen uit te breiden en zoveel mogelijk te uniformeren, maar is wel van mening dat er ruimte dient te zijn voor maatwerk. | De aanbevelingen van de Rekenkamer worden ten dele opgevolgd. De Rekenkamer blijft van mening dat, ondanks de grote verschillen tussen instellingen een grotere mate van uniformering van verslaggevingsregels mogelijk en gewenst is. Een aantal gewenste voorschriften is toepasbaar op alle soorten instellingen (bijvoorbeeld voor het specificeren en toelichten van reserves en voorzieningen en het afbakenen van bestemmingsreserves en voorzieningen). Maatwerk is slechts vereist voor een beperkt deel van de verslaggevingsvoorschriften (bijvoorbeeld het voorschrijven van een verplichte indeling in soorten reserves of van toegestane soorten voorzieningen). Algemene bepalingen dienen bij voorkeur worden opgenomen in de kaderwet ZBO’s. De verslaggevingsbepalingen in de Awb zijn niet bedoeld voor RWT’s en bieden naar de mening van de Rekenkamer onvoldoende waarborgen. |
| De minister van VWS deelt de mening van de Rekenkamer. | ||||
| Verslaggeving (vervolg) | Het bestuur van CvZ verwacht dat voor de wijze van verantwoording van beleggingen, reserves en waarderingsgrondslagen materiële vaste activa, nadere specifieke voor de ZFW geldende regelgeving tot stand zal worden gebracht, voorzover Titel 9 Boek 2 BW en de RJ-richtlijnen daar niet voldoende in voorzien. De CTU is samen met het CvZ bezig de externe verslaggeving van ziekenfondsen en uitvoeringsorganen AWBZ te herzien. Hierbij zullen nadrukkelijk de aanbevelingen van de Rekenkamer worden betrokken. | |||
| Begroting | De begrotingsregelgeving voor instellingen varieert sterk in de mate van voorgeschreven aandacht voor ontwikkelingen in de vermogenspositie van instellingen. De presentatie en toelichting van prognoses van eigen vermogen en voorzieningen in de begrotingen van instellingen varieert dan ook en is voor verbetering | Zoveel mogelijk in de begrotingsregelgeving voorschrijven dat instellingen inzicht bieden in hun financiële meerjarenperspectief en toelichting geven op investeringsplannen en prognoses van eigen vermogen en voorzieningen. | Het kabinet is van mening dat voor een goed inzicht in de vermogensvorming, de monitoring door de departementen van de vermogensontwikkeling bij instellingen niet alleen de jaarrekening moet omvatten, maar dat daarbij tevens de (meerjaren)begroting van die instellingen moet worden betrokken. | De aanbevelingen van de Rekenkamer worden ten dele opgevolgd. |
| vatbaar. | De minister van OCenW voert een terughoudend beleid ten aanzien van het in de bekostigingsregelgeving voorschrijven dat instellingen in hun begroting inzicht bieden in het financiële meerjarenperspectief en toelichting geven op investeringsplannen en prognoses van eigen vermogen en voorzieningen. | |||
| De minister van Justitie kan zich in algemene zin vinden in de conclusies en aanbevelingen. De minister van Justitie acht het echter voor het COA niet zinvol om een prognose voor de voorziening in de begroting op te nemen. Met de raden voor rechtsbijstand zal worden overlegd over de wijze waarop een meerjarenraming voor investeringen kan worden ingebed in de financierings- en verantwoordingsstructuur. | ||||
| Publiek-privaat | Bij de onderzochte instellingen die naast publieke taken ook private activiteiten verrichten, vindt vaak geen scheiding (administratief, organisatorisch en/of juridisch) tussen publieke en private geldstromen plaats. | Scheiding van het publieke en private deel van het eigen vermogen vindt vrijwel niet plaats. Waar mogelijk voorschrijven dat instellingen een administratieve scheiding tussen publieke en private geldstromen aanbrengen. Expliciet beoordelen of organisatorische en (bij commerciële nevenactiviteiten) juridische scheiding tussen publieke en private geldstromen en scheiding van het publieke en private deel van het eigen vermogen voor de betreffende instellingen mogelijk en wenselijk is. | Het kabinet ondersteunt de aanbeveling om in de toezichtsarrangementen aandacht te besteden aan het gevaar van «weglekken» van publieke middelen naar private activiteiten. In hoeverre dit kan leiden tot het scheiden van het vermogen in een publiek deel en een privaat deel, hangt af van wat in het specifieke geval wenselijk en praktisch toepasbaar is. De minister van OCenW acht het van belang dat de met publieke en private activiteiten samenhangende opbrengsten en kosten gescheiden worden verantwoord. Vanwege de verwevenheid tussen beide typen activiteiten is een scheiding in vermogen en voorzieningen uiterst complex. Desondanks zal hij laten onderzoeken of het mogelijk is een onderscheid naar de herkomst van vermogensbestanddelen zichtbaar te maken. De minister van Justitie kan zich in algemene zin vinden in de conclusies en aanbevelingen. De minister van SZW neemt de aanbeveling over. De CTU stelt dat, wat de private activiteiten van ziekenfondsen betreft, wettelijk is bepaald dat een derde waaraan een ziekenfonds taken heeft op- of overgedragen met dat ziekenfonds wordt gelijk gesteld als het gaat om het verstrekken van gegevens aan en de toegang van de CTU. De CTU houdt nadrukkelijk toezicht op werkzaamheden door derden en aspecten inzake de scheiding publiek-privaat. | De aanbevelingen van de Rekenkamer worden opgevolgd. De Rekenkamer erkent dat het aanbrengen van een scheiding in een privaat en publiek deel van het vermogen niet altijd eenvoudig is. Voorwaarde daarvoor is een consequente administratieve scheiding van publieke en private geldstromen, met een adequate toerekening van opbrengsten en kosten verbonden aan publieke taken en private activiteiten. De Rekenkamer dringt er op aan maatregelen te nemen zodat zoveel mogelijk aan deze voorwaarden wordt voldaan. De Rekenkamer wijst in dit verband ook op de beleidslijn naar aanleiding van de adviezen van de werkgroep Markt en Overheid inzake de scheiding van private en publieke taken en geldstromen. |
| Lenen, beleggen en uitlenen | Bij instellingen is sprake van veel variatie in het beleggen van (tijdelijk) overtollige middelen en het aangaan van leningen. Instellingen beleggen overwegend voorzichtig, maar toch nog 9% van de beleggingen is risicovol belegd in aandelen. Ook worden regelmatig leningen verstrekt aan derden, al dan niet gelieerd aan de instelling. Jaarrekeningen geven niet altijd voldoende inzicht. Er is nauwelijks regelgeving op deze punten. Zowel het beleggen, uitlenen en lenen neemt toe. | Bepalingen over beleggen van tijdelijk overtollige middelen (vorm, mate van risico e.d.), aantrekken van vreemd vermogen en uitlenen van gelden aan derden opnemen in Kaderwet ZBO’s of specifieke regelgeving. Hierin voorschrijven: – dat overtollige liquide middelen renderend maar met een beperkt risico moeten worden belegd; – dat instellingen wel of niet substantiële leningen mogen aangaan; – dat met publieke gelden alleen in het verlengde van de publieke taak leningen aan (gelieerde) instellingen mogen worden verstrekt; – dat de instellingen in de jaarrekeningen inzicht verschaffen in de samenstelling en risico’s van de beleggingen en uitgegeven leningen. Overwegen de leen- en depositofaciliteit bij het Ministerie van Financiën open te stellen voor (bepaalde categorieën) instellingen. | Thans wordt in het kabinet overleg gevoerd over een beleidslijn met betrekking tot instellingen op afstand van het Rijk. Zodra het kabinet deze beleidslijn heeft geformuleerd zullen de Tweede Kamer en de Algemene Rekenkamer hiervan op de hoogte worden gebracht. In ieder geval zal de stand van zaken in de Miljoenennota 2001 worden opgenomen. De minister van BZK wijst specifiek op het wetsvoorstel financiering decentrale overheden (inclusief politie), dat in behandeling bij de Tweede Kamer is. Deze wet bevordert dat de financieringsfunctie te allen tijde dienstbaar moet zijn aan de publieke taak. Het in- en doorlenen van middelen teneinde daarmee winst te maken zal verboden worden. Eventuele beleggingen dienen een prudent karakter te hebben. Bij ministeriële regeling zullen hiervoor nadere regels worden gesteld. De minister van OCenW is van mening dat dwingende voorschriften voor het lenen, beleggen en uitlenen door instellingen niet sporen met de sturingsfilosofie en de autonomie van de instellingen gefinancierd door OCenW. Universiteiten zijn sinds kort verplicht een treasury-statuut op te stellen. Zijn departement werkt aan een handreiking voor beleggen en belenen die vooralsnog de vorm heeft van een gedragslijn. | De aanbevelingen van de Rekenkamer worden grotendeels opgevolgd. De Rekenkamer geeft in overweging de in ontwikkeling zijnde beleidslijn tezijnertijd in de Kaderwet ZBO’s vast te leggen en daarbij instellingen te verplichten om over een actueel treasury-statuut te beschikken, dat aandacht geeft aan tenminste de volgende punten: beleggen (bijvoorbeeld alleen met een beperkt risico), het wel of niet aangaan van (substantiële) leningen, uitlenen (bijvoorbeeld alleen in het verlengde van de publieke taak). Over de inhoud van het statuut en het op basis daarvan gevoerde beleid dient in de jaarrekening verantwoording te worden afgelegd. De Rekenkamer onderschrijft de opvatting van de minister van Justitie dat aanvullende regelgeving voor het COA overbodig is, omdat het ministerie van Justitie ten tijde van het onderzoek reeds aan de normen van de Rekenkamer voldeed. De door de minister van Justitie genoemde discussie zou uit kunnen monden in een keuzemogelijkheid voor instellingen om voor het aantrekken van vreemd vermogen gebruik te maken van een ZBO-bank of een leen- en depositofaciliteit bij het Ministerie van Financiën. |
| Lenen, beleggen en uitlenen (vervolg) | De minister van Justitie kan zich in algemene zin vinden in de conclusies en aanbevelingen. Aanvullende regelgeving ten aanzien van leningen is voor het COA overbodig. Voor leningen dient vooraf goedkeuring van de minister worden verkregen. Het aantrekken van geldleningen zal in principe niet nodig zijn. Verder verwijst de minister van Justitie naar de discussie die momenteel wordt gevoerd in het kader van het instellen van een ZBO-bank of het zogenaamde schatkistbankieren. De minister van SZW neemt de aanbeveling over om voor te schrijven dat instellingen in hun jaarrekening inzicht geven in samenstelling en risico’s van beleggingen en leningen. | |||
| De minister van VWS zal bij ministeriële regeling beleggingsvoorschriften voor ziekenfondsen vaststellen. | ||||
| De minister van VROM zal de bevoegdheid tot het goedkeuren van de beleggingsstatuten van Kadaster en CFV bij de minister leggen, zodat van risicovol beleggen geen sprake kan zijn. Wat betreft het standpunt inzake schatkistbankieren dringt de minister van VROM aan op nadere nuancering en concretisering, waarbij hij opmerkt dat Financiën in overleg met de diverse vakdepartementen bezig is met het ontwerpen van rijksbeleid terzake. | ||||
| De minister van LNV heeft een richtlijn aan Staatsbosbeheer verstrekt om eventuele overtollige liquiditeiten zonder koersrisico te beleggen. | ||||
| Lenen, beleggen en uitlenen (vervolg) | Het CVZ schrijft dat niet bekend is of de risicovolle beleggingen van 10 ziekenfondsen (f 370 miljoen) uit de reserves ZFW of reserves van de ex-vrijwillige verzekering komen. Het bestuur acht riscovol beleggen van de reserves ZFW niet gewenst en zal daar aandacht aan besteden. Ook zal het aandacht besteden aan regels voor onderhandse leningen en voor het aantrekken van vreemd vermogen, dit in nauw onverleg met de CTU en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De CTU wijst er op dat thans op grond van de wet Maximering reserves ziekenfondsen bij ministeriële regeling regels kunnen worden gesteld voor het beleggen van gelden waarover de ziekenfondsen beschikken. | |||
| Het Commissariaat voor de Media schrijft dat door de verenigingsvorm van de omroepen er geen regelgeving bestaat voor investeringen en beleggingen. Het Commissariaat toetst overigens wel of deelneming in bedrijven geen strijdigheid oplevert met de Mediawet. | ||||
| Verzelfstandiging eigendom en aanspraken | Bij oprichting of verzelfstandiging van instellingen is in het verleden kennelijk niet altijd voldoende aandacht geweest voor het aspect vermogensvorming. | Dit aspect bij toekomstige verzelfstandigingen meer aandacht geven. Het normenkader in het Rekenkamerrapport «Financiële aspecten van verzelfstandigingen» kan hierbij mede richting geven. Tevens is aandacht gewenst voor het vraagstuk van eigendom van, en de aanspraken op het eigen vermogen in geval van opheffing, fusie met een andere instelling, verkoop van een onderdeel, of faillissement. | Over deze aanbevelingen zijn geen opmerkingen gemaakt. |
| Conclusie | Aanbeveling | Reactie minister/instelling | Nawoord Rekenkamer | |
|---|---|---|---|---|
| Omvang | Bij het merendeel van de in de diepte onderzochte tien instellingen ontbreekt een op een systematische analyse van relevante factoren en risico’s gebaseerd intern beleid inzake (omvang van) de vermogensvorming. Het ontbreekt in deze gevallen ook aan een departementaal beleid dat als ijkpunt kan fungeren. | Formuleren van een op een systematische analyse van relevante factoren en risico’s gebaseerd intern beleid inzake (omvang van) de vermogensvorming. | Zie reacties van de in het diepte-onderzoek onderzochte instellingen hieronder. De ministers en toezichthouders hadden geen aanvullende opmerkingen bij deze conclusies en aanbevelingen. | N.v.t. |
| Verslaggeving | Het inzicht dat de jaarrekeningen van de onderzochte instellingen bieden in eigen vermogen en voorzieningen, kan verbeterd worden. Dit betreft met name het onderscheid tussen voorzieningen en (bestemmings)reserves, de toelichting daarop (aard en doel, specificering en mate van bestemming van de reserves), de toelichting op vorming en aanwending van reserves en voorzieningen (opnemen van mutatiestaten), het aangeven van het langlopende en kortlopende deel van de voorzieningen, het hanteren van een zuiver onderscheid tussen resultaatbepaling en -bestemming en het opnemen van een algemene beschouwing over (ontwikkelingen in) de vermogens- en liquiditeitspositie. | In volgende jaarrekeningen meer inzicht verschaffen in de hiernaast genoemde punten. | Idem. | N.v.t. |
| Begroting | Het inzicht dat de begrotingen van de in de diepte onderzochte instellingen bieden in prognoses van eigen vermogen en voorzieningen, kan op onderdelen verbeterd worden. | In volgende begrotingen meer inzicht verschaffen in de voorgenomen vorming en aanwending van eigen vermogen en voorzieningen (prognoses en toelichting), meerjarenramingen en investeringsplannen. | Idem. | N.v.t. |
II. SPECIFIEKE CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN DIEPTE-ONDERZOEK PER INSTELLING PERIODE 1995–1997
De conclusies betreffen de Ministeries van OCenW (WO en OWB), BZK en SZW, de universiteiten van Leiden, Utrecht en Delft, de instellingen voor wetenschappelijk onderzoek TNO, KNAW en NWO, de politieregio’s Amsterdam-Amstelland, Utrecht en Groningen en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. De conclusies hebben betrekking op de periode 1995–1997. Zoveel mogelijk is rekening gehouden met wijzigingen in de jaren 1998 of 1999. Het nawoord van de Rekenkamer in dit deel II van de bijlage beperkt zich tot instellingsspecifieke en aanvullende punten. Voor het overige wordt verwezen naar het nawoord in deel I, dat hier niet per punt wordt herhaald.
Ministerie van OCenW, directie WO
| Conclusie | Aanbeveling | Reactie minister | Nawoord Rekenkamer |
|---|---|---|---|
| OCenW heeft veel aandacht voor vermogensvorming bij universiteiten, zowel in de vorm van aparte onderzoeken als monitoring en financiële analyses van de jaarcijfers. Naast interne onderzoeken door of in opdracht van OCenW in 1994 en 1997 is in 1999 een onafhankelijk onderzoek uitgevoerd door de Commissie Koopmans, in opdracht van OCenW en de VSNU. Ook door of in opdracht van de VSNU en enkele universiteiten zijn onderzoeken uitgevoerd. De vele onderzoeken hebben nog niet geleid tot het stellen van normen aan de (eigen) vermogens van de universiteiten. | In samenspraak met de instellingen spoedig komen tot regelgeving of afspraken inzake de minimale en maximale omvang van het (eigen) vermogen van de universiteiten (in de vorm van bandbreedtes en maatwerk) en de wijze van omgaan met vermogenstekorten en -overschotten. | De minister heeft geen specifieke reactie op deze conclusie en aanbeveling gegeven. Zie de algemene reactie van de minister van OCenW op de in de hoofdtekst van het rapport verwoorde bevindingen, conclusies en aanbevelingen van de Rekenkamer. | N.v.t. |
| OCenW heeft veel aandacht voor verbetering van verslaggevingsvoorschriften: uniformering/aansluiten bij algemeen aanvaarde grondslagen en uitbreiden van de eisen aan de verantwoording over eigen vermogen en voorzieningen. De huidige regelgeving bevat nog een enkele afwijking van algemeen aanvaarde grondslagen (toegestane dotatie aan de vervangingsreserve onroerende goederen ten laste van het resultaat). | Spoedig realiseren van de aanpassing van de verslaggevingsregelgeving aan algemeen aanvaarde grondslagen en aan de voorstellen van de Werkgroep Richtlijnen financieel verslag Universiteiten (WRU) op het gebied van uitbreiding van de verantwoordingsplicht over eigen vermogen en voorzieningen. | Idem. | N.v.t. |
| OCenW voert nog geen beleid ten aanzien van het bestedingsdoel van met publieke gelden opgebouwde reserves, de gewenste mate van aanhouden van vermogen in liquide middelen (incl. eisen aan het beleggen van tijdelijk overtollige liquide middelen) en het voorzover mogelijk scheiden van publieke en «private» middelen (derde geldstroom), incl. het scheiden van het publieke en private deel van het eigen vermogen. | Formuleren van beleid ten aanzien van de hiernaast genoemde punten. | Idem. | N.v.t. |
| Conclusie | Aanbeveling | Reactie instelling | Nawoord Rekenkamer |
|---|---|---|---|
| Het interne beleid inzake vermogensvorming is in ontwikkeling, echter nog versnipperd vastgelegd en beperkt inzichtelijk. Ook ontbreekt nog een systematische analyse van relevante factoren en risico’s ter onderbouwing van de gewenste en aanvaardbare omvang van het (eigen) vermogen. | Verder ontwikkelen van een op een systematische analyse van relevante factoren en risico’s gebaseerd intern beleid inzake (omvang van) de vermogensvorming. | Geen opmerkingen. | N.v.t. |
| Er is sprake van gedeeltelijke administratieve scheiding van publieke en «private» geldstromen (derde geldstroom); geen organisatorische en juridische scheiding. Er is geen scheiding tussen het publieke en private deel van het eigen vermogen. | Voor zover mogelijk verder scheiden van publieke en «private» geldstromen en het publieke en private deel van het eigen vermogen. | Dit vereist een meer gedifferentieerde aanpak en uitwerking dan in de eenvoud en compactheid van deze aanbeveling wordt gesuggereerd. Verzocht wordt het een en ander nader te verwoorden. | Verwezen wordt naar de overwegingen zoals gegeven in hoofdstuk 5 en bijlage 5. |
| De presentatie en toelichting van eigen vermogen en voorzieningen in de jaarrekeningen voldoet – behoudens een kleine uitzondering – aan de formeleverslaggevingseisen. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. |
| Het in de jaarrekeningen geboden inzicht in aard en doel van de reserves en voorzieningen, mate van bestemdheid van de reserves, het langlopend deel van de voorzieningen en de forse voorziening herstructurering kan verbeterd worden. | In volgende jaarrekeningen meer inzicht verschaffen in de hiernaast genoemde punten. | Geen opmerkingen. | N.v.t. |
| De afbakening tussen reserves en voorzieningen is voldoende. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. |
| De verwerking van mutaties in reserves en voorzieningen vindt plaats conform algemeen aanvaarde grondslagen. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. |
| Er is voldoende aandacht voor vermogensvorming in de begrotingen, hoewel de specificaties en toelichting op mutaties in reserves en voorzieningen summier zijn. | Uitbreiden van de informatievoorziening over mutaties in reserves en voorzieningen in volgende begrotingen. | Geen opmerkingen. | N.v.t. |
| De wet- en regelgeving inzake vermogensvorming, beperkt tot verslaggevingsregelgeving, wordt op een kleine uitzondering na nageleefd; in dit opzicht vindt de vermogensvorming dus rechtmatig plaats. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. |
| Een uitspraak over de aanvaardbaarheid van de vermogensvorming is moeilijk, aangezien geen systematische analyse van factoren en risico’s voorhanden is; in vergelijking met andere universiteiten zijn de huidige financiële positie en de financiële vooruitzichten matig (huisvestingsinvesteringen, achterstallig onderhoud, inkrimping personeelsbestand). Het aantrekken van lang vreemd vermogen is noodzakelijk. | Verrichten van een systematische analyse van relevante factoren en risico’s, op basis waarvan uitspraken over de aanvaardbaarheid van de vermogensvorming kunnen worden gedaan. | Geen opmerkingen. | N.v.t. |
| Conclusie | Aanbeveling | Reactie instelling | Nawoord Rekenkamer |
|---|---|---|---|
| Het interne beleid inzake vermogensvorming is versnipperd vastgelegd en beperkt inzichtelijk. Er ontbreekt nog een op een systematische analyse van relevante factoren en risico’s gebaseerd intern beleid inzake de gewenste en aanvaardbare omvang van het (eigen) vermogen. | Formuleren van een op een systematische analyse van relevante factoren en risico’s gebaseerd intern beleid inzake (omvang van) de vermogensvorming. | Gesteld wordt dat het eigen vermogen van de UU opgebouwd dient te worden vanuit twee doelstellingen: bufferfunctie voor de (decentrale) onderdelen (tussen de 5 à 30% van de baten van het onderdeel) en financieringsfunctie voor onroerend goed. Wat de financieringsfunctie betreft wordt vooralsnog de benadering in het rapport Koopmans als minimumgrens gevolgd. Investeringen in onroerend goed worden primair beoordeeld op hun effecten op de exploitatiebegroting. Het vormen van een maximumnorm lijkt de UU, gezien de investeringsplannen voor de eerstkomende jaren, weinig relevant. | De UU besteedt in toenemende mate aandacht aan het thema vermogensvorming. De Rekenkamer blijft van mening dat, juist in het geval van een ruim vermogen en omvangrijke investeringsplannen, beleid inzake de maximale omvang van de vermogensvorming gewenst is. |
| Er is sprake van gedeeltelijke administratieve, organisatorische en juridische scheiding van publieke en «private» geldstromen (derde geldstroom). Er is geen scheiding tussen het publieke en private deel van het eigen vermogen. | Voor zover mogelijk verder scheiden van publieke en «private» geldstromen en het publieke en private deel van het eigen vermogen. | Er zijn geen plannen het publieke en private deel van het eigen vermogen te scheiden, gegeven de besturingsfilosofie van de UU, die er op gericht is om privaat gefinancierde activiteiten dienstbaar te laten zijn aan de wettelijke taak. Betwijfeld wordt of de inspanningen opwegen tegen de te verkrijgen inzichten. | De Rekenkamer beveelt aan dat de universiteiten in samenspraak met het Ministerie van OCenW tot afspraken inzake de scheiding publiek-privaat komen. |
| De presentatie en toelichting van eigen vermogen en voorzieningen in de jaarrekeningen voldoet – behoudens een kleine uitzondering – aan de formele verslaggevingseisen. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. |
| Het in de jaarrekeningen geboden inzicht in eigen vermogen en voorzieningen is voldoende, hoewel de toelichting van aard, doel en functies van de reserves uitgebreider kan. | In volgende jaarrekeningen meer inzicht verschaffen in het hiernaast genoemde punt. | Bij de voorgenomen bredere aanpassing van de jaarrekening en het jaarverslag 2000 zal ook de toelichting op vermogensbestanddelen aangevuld worden. | Hiermee wordt voldaan aan de aanbeveling van de Rekenkamer. |
| De afbakening tussen reserves en voorzieningen is voldoende. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. |
| De verwerking van mutaties in reserves en voorzieningen vindt plaats conform algemeen aanvaarde grondslagen. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. |
| Er is beperkte aandacht voor vermogensvorming in de begrotingen; de cijfermatige aandacht voor reserves en voorzieningen is summier. | Uitbreiden van de informatievoorziening over eigen vermogen en voorzieningen in volgende begrotingen. | De aandacht voor het eigen vermogen wil de UU bij voorkeur vorm geven in het jaarverslag. De aandacht in de begroting zal vooral gericht worden op de besteding van de reserves in meerjarig kader. De UU is voornemens in de begroting 2001–2005 in te gaan op de ontwikkeling van de bedrijfsreserve per onderdeel. | Hiermee wordt gedeeltelijk voldaan aan de aanbeveling van de Rekenkamer. |
| De wet- en regelgeving inzake vermogensvorming, beperkt tot verslaggevingsregelgeving, wordt op een kleine uitzondering na nageleefd; in dit opzicht vindt de vermogensvorming dus rechtmatig plaats. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. |
| Een uitspraak over de aanvaardbaarheid van de vermogensvorming is moeilijk, aangezien geen systematische analyse van factoren en risico’s voorhanden is. De huidige financiële positie en de financiële vooruitzichten zijn goed, ook in vergelijking met andere universiteiten. Huisvestings- en overige investeringen kunnen naar verwachting geheel met eigen vermogen worden gefinancierd. | Verrichten van een systematische analyse van relevante factoren en risico’s, op basis waarvan uitspraken over de aanvaardbaarheid van de vermogensvorming kunnen worden gedaan. | Tegen de achtergrond van het rapport Koopmans en de investeringsplannen voor de komende jaren in onroerend goed, nieuwe opleidingen en kwaliteitsverhoging, acht de UU de huidige vermogenspositie zeker aanvaardbaar. Na verdere uitwerking van enkele (grote) investeringsplannen zal de UU deze positie zonodig opnieuw in beschouwing nemen. | De Rekenkamer beveelt aan deze opvatting te onderbouwen met een systematische analyse van relevante factoren en risico’s. |
| Conclusie | Aanbeveling | Reactie instelling | Nawoord Rekenkamer |
|---|---|---|---|
| Het interne beleid inzake vermogensvorming is versnipperd vastgelegd en beperkt inzichtelijk. Er ontbreekt nog een op een systematische analyse van relevante factoren en risico’s gebaseerd intern beleid inzake de gewenste en aanvaardbare omvang van het (eigen) vermogen. | Formuleren van een op een systematische analyse van relevante factoren en risico’s gebaseerd intern beleid inzake (omvang van) de vermogensvorming. | Het beleid van de TU Delft is gebaseerd op een decentralisatie van belangrijke delen van de financiële functie. Dit zal leiden tot facultaire jaarrekeningen en op concernniveau niet zichtbare interne schuldverhoudingen. Dit betekent dat interne regels voor vermogensvorming slechts zeer beperkt raken aan hetgeen op concernniveau een rol speelt. Ten aanzien van voorzieningen zullen nadere interne regels en beleid geformuleerd worden. | Hiermee wordt slechts ten dele aan de aanbeveling van de Rekenkamer voldaan. De Rekenkamer blijft bij haar aanbeveling te komen tot een intern beleid inzake vermogensvorming op concernniveau. |
| Er is geen sprake van administratieve, organisatorische of juridische scheiding van publieke en «private» geldstromen (derde geldstroom). Er is sprake van gedeeltelijke scheiding tussen het publieke en private deel van het eigen vermogen. | Voor zover mogelijk scheiden van publieke en «private» geldstromen en het publieke en private deel van het eigen vermogen. | Scheiding van publieke en private stromen is slechts dan zinvol wanneer dat vanuit het oogpunt van het tegengaan van oneerlijke concurrentie gewenst is. Universiteiten zijn thans verplicht enige beklemde componenten van het eigen vermogen (erfstellingen en legaten, vermogen van geconsolideerde rechtspersonen) gescheiden te vermelden. De TU Delft ondersteunt deze wijziging in de richtlijnen. | De Rekenkamer beveelt aan dat de universiteiten in samenspraak met het Ministerie van OCenW tot verdere afspraken inzake de scheiding publiek-privaat komen. |
| De presentatie en toelichting van eigen vermogen en voorzieningen in de jaarrekeningen voldoet – behoudens een kleine uitzondering – aan de formele verslaggevingseisen. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. |
| Het in de jaarrekeningen geboden inzicht in aard en doel van de reserves en voorzieningen, functies van het eigen vermogen, mate van bestemdheid van de reserves en (toelichting op) mutaties in reserves en voorzieningen kan verbeterd worden. | In volgende jaarrekeningen meer inzicht verschaffen in de hiernaast genoemde punten. | De toelichting op de vermogenscomponenten kan verbeterd worden. De aanbeveling wordt echter weinig precies gevonden. | Verwezen wordt naar de overwegingen zoals gegeven in hoofdstuk 5 en bijlage 5. |
| De afbakening tussen reserves en voorzieningen is, met name decentraal, nog niet geheel zuiver. | Zuiverheid van de afbakening tussen reserves en voorzieningen bewaken. | Geen opmerkingen. | N.v.t. |
| De verwerking van mutaties in reserves en voorzieningen vindt – met uitzondering van de (in de regelgeving toegestane) verwerking van dotaties aan de vervangingsreserve onroerend goed – plaats conform algemeen aanvaarde grondslagen. | Alle mutaties in reserves verwerken conform algemeen aanvaarde grondslagen. | De vervangingsreserve huisvesting is in 1998 opgeheven. | Hiermee is voldaan aan de aanbeveling van de Rekenkamer. |
| Er is voldoende aandacht voor vermogensvorming in de begrotingen, hoewel de informatievoorziening over voorzieningen uitgebreider kan. | Uitbreiden van de informatievoorziening over voorzieningen in volgende begrotingen. | Geen opmerkingen. | N.v.t. |
| De wet- en regelgeving inzake vermogensvorming, beperkt tot verslaggevingsregelgeving, wordt op een kleine uitzondering na nageleefd; in dit opzicht vindt de vermogensvorming dus rechtmatig plaats. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. |
| Een uitspraak over de aanvaardbaarheid van de vermogensvorming is moeilijk, aangezien geen systematische analyse van factoren en risico’s voorhanden is. De huidige financiële positie is ruim voldoende tot goed; de financiële vooruitzichten worden gedomineerd door de impact van huisvestingsinvesteringen, waarvoor naar verwachting tijdelijk lang vreemd vermogen moet worden aangetrokken. | Verrichten van een systematische analyse van relevante factoren en risico’s, op basis waarvan uitspraken over de aanvaardbaarheid van de vermogensvorming kunnen worden gedaan. | Geen opmerkingen. | N.v.t. |
B. INSTELLINGEN VOOR WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK
Ministerie van OCenW, directie OWB
| Conclusie | Aanbeveling | Reactie instelling | Nawoord Rekenkamer |
|---|---|---|---|
| OCenW heeft in toenemende mate aandacht voor vermogensvorming bij TNO, KNAW en NWO, zowel in de vorm van aparte onderzoeken als monitoring en financiële analyses van de jaarcijfers. In opdracht van OCenW zijn onderzoeken uitgevoerd naar de vermogensvorming bij TNO (1996) en KNAW (1997), die nog niet hebben geleid tot het stellen van normen aan (eigen) vermogen, ondanks de gesignaleerde ruime liquiditeit en solvabiliteit. Bij NWO is in de jaren 1995–1996 geëxperimenteerd met het stellen van absolute normen aan eigen vermogen en voorzieningen, hetgeen niet goed werkte en spoedig verlaten is. Thans worden door OCenW bij NWO financiële kengetallen meerjarig gemonitored, op grond waarvan afspraken over de omvang van (eigen) vermogen en liquide middelen in de vorm van bandbreedtes (relatieve normen) zullen worden gemaakt. OcenW is voornemens ook bij TNO en KNAW tot dergelijke relatieve normen te komen. | In samenspraak met de instellingen spoedig komen tot regelgeving of afspraken inzake de minimale en maximale omvang van het (eigen) vermogen van de instellingen (in de vorm van bandbreedtes en maatwerk) en de wijze van omgaan met vermogenstekorten en -overschotten. | De minister heeft geen specifieke reactie op deze conclusie en aanbeveling gegeven. Zie de algemene reactie van de minister van OCenW op de in de hoofdtekst van het rapport verwoorde bevindingen, conclusies en aanbevelingen van de Rekenkamer. | N.v.t. |
| OCenW heeft veel aandacht voor verbetering (NWO) en uitvaardiging (TNO, KNAW) van specifieke verslaggevingsvoorschriften. Hierbij wordt grotendeels aangesloten bij algemeen aanvaarde grondslagen, hoewel de voorschriften voor NWO nog afwijkingen van algemeen aanvaarde grondslagen op het gebied van voorzieningen bevatten. Voor TNO en KNAW gold ten tijde van het onderzoek nog geen specifieke regelgeving; voor TNO was de regelgeving in ontwikkeling; voor KNAW is de regelgeving gerealiseerd maar nog niet van kracht. | Spoedig realiseren van de aanpassing van de verslaggevingsregelgeving voor NWO aan algemeen aanvaarde grondslagen voor voorzieningen; spoedig realiseren van adequate verslaggevingsregelgeving voor TNO, met voldoende aandacht voor presentatie en toelichting van eigen vermogen, egalisatierekening en voorzieningen. | Idem. | Volgens TNO is inmiddels aan deze aanbevelingen voldaan (zie hieronder bij de reactie van TNO). |
| OCenW voert nog geen beleid ten aanzien van het bestedingsdoel van met publieke gelden opgebouwde reserves bij TNO (wel bij KNAW en NWO), de gewenste mate van aanhouden van vermogen in liquide middelen (incl. eisen aan het beleggen van tijdelijk overtollige liquide middelen) en het voorzover mogelijk scheiden van publieke en private middelen, incl.het scheiden van het publieke en private deel van het eigen vermogen. | Formuleren van beleid ten aanzien van de hiernaast genoemde punten. | Idem. | N.v.t. |
| Conclusie | Aanbeveling | Reactie instelling | Nawoord Rekenkamer |
|---|---|---|---|
| Het interne beleid inzake vermogensvorming is versnipperd vastgelegd en beperkt inzichtelijk. Er ontbreekt nog een op een systematische analyse van relevante factoren en risico’s gebaseerd intern beleid inzake de gewenste en aanvaardbare omvang van het (eigen) vermogen. | Formuleren van een op een systematische analyse van relevante factoren en risico’s gebaseerd intern beleid inzake (omvang van) de vermogensvorming. | TNO heeft besloten, in samenwerking met KPMG (en waarbij ook het Ministerie van OCenW betrokken is), een studie te verrichten naar de gewenste omvang en samenstelling van het vermogen en de relevante factoren die hierbij van belang zijn. De uitkomsten vormen de basis voor het door TNO te formuleren beleid. | Hiermee wordt gehoor gegeven aan de aanbeveling van de Rekenkamer. |
| Er is sprake van administratieve scheiding van publieke en private geldstromen en uitplaatsing van commerciële activiteiten buiten TNO (organisatorische en juridische scheiding). Er is geen sprake van scheiding tussen het publieke en het private deel van het eigen vermogen. | Voor zover mogelijk scheiden van het publieke en het private deel van het eigen vermogen. | TNO blijft van mening dat het aanbrengen van een scheiding tussen het publieke en private deel van het eigen vermogen niet gewenst en ook niet goed mogelijk is. De TNO-wet geeft TNO een hoge mate van autonomie. TNO opereert op basis van bedrijfseconomische grondslagen (artikel 32). TNO ontvangt overheidsfinanciering op basis van outputfinanciering voor de gewenste kennisopbouw. Dit betekent dat overeenkomstig de TNO-wet TNO zelf verantwoordelijk is voor haar financiële positie en het te voeren financieel beleid en dat in het verlengde hiervan eventuele tekorten niet op de overheid kunnen worden afgewenteld. Met name de systematiek van outputfinanciering leidt er toe dat er wel sprake is van een administratief onderscheid van private en publieke geldstromen, doch dat dit onderscheid niet goed door kan werken in balansposten zoals het eigen vermogen. TNO voert een administratie die uitgaat van één huishouding, overeenkomend met het gestelde in artikel 32: «De organisatie wordt beheerd als een administratieve eenheid, zoveel doenlijk met inachtneming van bedrijfseconomische beginselen». | De Rekenkamer heeft begrip voor het standpunt van TNO en beveelt aan dat TNO en het Ministerie van OCenW tot afspraken komen inzake het al dan niet verder vormgeven van een scheiding tussen het publieke en private deel van het eigen vermogen. Voor de overwegingen van de Rekenkamer om tot dit standpunt te komen wordt verwezen naar hoofdstuk 5 en bijlage 5. |
| De presentatie en toelichting van eigen vermogen, egalisatierekening en voorzieningen in de jaarrekeningen voldoet grotendeels aan de eisen van de vrijwillig door TNO gevolgde verslaggevingsregelgeving van Titel 9 en de RJ-richtlijnen (formele verslaggevingseisen ontbreken nagenoeg). Uitzonderingen betreffen de «voorziening» bedrijfsrisico’s (karakter van bestemmingsreserve) en het eigen vermogen (niet gespecificeerd en toegelicht). | Zolang nog geen formele, specifieke verslaggevingsregelgeving voor TNO geldt, zoveel mogelijk de bepalingen van Titel 9 en de RJ-richtlijnen volgen. Dit impliceert het omzetten van de voorziening bedrijfsrisico’s in een bestemmingsreserve en het specificeren en toelichten van het eigen vermogen. | Ultimo 1999 is het Besluit inzake de vaststelling richtlijnen Jaarrekening TNO tot stand gekomen. Deze richtlijn is voor het eerst van toepassing op de financiële verslaggeving over 1999. Hierin zijn bepalingen opgenomen inzake voorzieningen en reserves en is bepaald dat een bestemmingsreserve bedrijfsrisico’s (in plaats van de voorziening) gevormd mag worden. Ook is bepaald dat de bepalingen van Titel 9 Boek 2 BW en de richtlijnen van de Raad voor de Jaarverslaggeving van toepassing zijn, tenzij de richtlijnen van het Ministerie van OCenW anders voorschrijven. | Hiermee is voldaan aan de aanbeveling van de Rekenkamer. |
| Het in de jaarrekeningen geboden inzicht in aard, doel en samenstelling van eigen vermogen en egalisatierekening, functies van het eigen vermogen, mate van bestemdheid van het eigen vermogen en (toelichting op) mutaties in eigen vermogen, egalisatierekening en voorzieningen kan verbeterd worden. | In volgende jaarrekeningen meer inzicht verschaffen in de hiernaast genoemde punten. | Zie hiervoor; verder geen opmerkingen. | De Rekenkamer blijft, ook na inwerkingtreding van de nieuwe richtlijnen, aandacht vragen voor het verschaffen van meer inzicht in de genoemde punten. |
| De afbakening tussen eigen vermogen en voorzieningen is nog niet geheel zuiver; de «voorziening» bedrijfsrisico’s heeft het karakter van een bestemmingsreserve. | Zuiverheid van de afbakening tussen reserves en voorzieningen bewaken. Voorziening bedrijfsrisico’s omzetten in bestemmingsreserve. | Zie hiervoor. | N.v.t. |
| Afgezien van het reservekarakter van de «voorziening» bedrijfsrisico’s, vindt de verwerking van mutaties in eigen vermogen, egalisatierekening en voorzieningen plaats conform algemeen aanvaarde grondslagen. | Na omzetting van de voorziening bedrijfsrisico’s in een bestemmingsreserve, de mutaties in deze post verwerken conform algemeen aanvaarde grondslagen (als resultaatbestemming in plaats van -bepaling). | Zie hiervoor. | N.v.t. |
| Er is beperkt aandacht voor vermogensvorming in de begrotingen; prognoses van de ontwikkeling van eigen vermogen en voorzieningen ontbreken. | Uitbreiden van de informatievoorziening over (ontwikkelingen in) eigen vermogen en voorzieningen in volgende begrotingen. | Toegezegd wordt een beleid te formuleren ten aanzien van de gewenste en aanvaardbare omvang van het (eigen) vermogen op basis van de resultaten van de studie (zie bij de eerste conclusie en aanbeveling). Ook zal hier in de begroting aandacht aan besteed worden. | Hiermee wordt gehoor gegeven aan de aanbeveling van de Rekenkamer. |
| De wet- en regelgeving inzake vermogensvorming door TNO is beperkt tot een artikel in de TNO-wet over de vorming van reserves. Daarnaast past TNO vrijwillig (en volgens afspraak met OCenW) zoveel mogelijk de verslaggevingsbepalingen van Titel 9 Boek 2 BW en de RJ toe. TNO voldoet grotendeels aan de vrijwillig gevolgde verslaggevingsregelgeving. In dit opzicht vindt de vermogensvorming bij TNO, behoudens bovengenoemde uitzonderingen, rechtmatig plaats. | In Titel 9 en de RJ-richtlijnen zijn redelijk toepasbare bepalingen over voorzieningen en egalisatierekeningen opgenomen; de bepalingen over het eigen vermogen zijn echter niet goed toepasbaar voor TNO, hetgeen resulteert in het niet toelichten van het eigen vermogen in de jaarrekening. De Rekenkamer acht het gewenst dat OCenW de voorgenomen, op TNO toegesneden aanvullende verslaggevingsregelgeving spoedig realiseert. | De minister van OCenW heeft inmiddels een besluit vastgesteld inzake de grondslagen voor de jaarverslaggeving van TNO. Zie bij de derde conclusie en aanbevelingen. | Aan de aanbeveling van de Rekenkamer is voldaan. |
| Een uitspraak over de aanvaardbaarheid van de vermogensvorming is moeilijk, aangezien geen systematische analyse van factoren en risico’s voorhanden is. De huidige financiële positie is ruim voldoende tot goed; de overwegend gunstige financiële vooruitzichten worden gedomineerd door de impact van huisvestingsinvesteringen, die naar verwachting geheel met eigen vermogen kunnen worden gefinancierd. | Verrichten van een systematische analyse van relevante factoren en risico’s, op basis waarvan uitspraken over de aanvaardbaarheid van de vermogensvorming kunnen worden gedaan. | TNO verwijst naar de eerste aanbeveling en conclusie. De conclusie ten aanzien van de financiële positie wordt onderschreven, maar de liquiditeitspositie is in 1998 en 1999 aanzienlijk afgenomen in verband met investeringen in de huisvesting. Gezien de omvang van de geplande investeringen vindt er met het Ministerie van OCenW overleg plaats over het aantrekken van vreemd vermogen door TNO, waarvoor de toestemming van de minister van OCenW benodigd is, in overeenstemming met de minister van Financiën (artikel 22 TNO-wet). | Hiermee wordt gehoor gegeven aan de aanbeveling van de Rekenkamer. |
| Conclusie | Aanbeveling | Reactie instelling | Nawoord Rekenkamer |
|---|---|---|---|
| Het interne beleid inzake vermogensvorming is in beweging. Er ontbreekt nog een op een systematische analyse van relevante factoren en risico’s gebaseerd intern beleid inzake de gewenste en aanvaardbare omvang van het (eigen) vermogen. | Formuleren van een op een systematische analyse van relevante factoren en risico’s gebaseerd intern beleid inzake (omvang van) de vermogensvorming. | De KNAW stelt dat zorgvuldigheid bij vermogensvorming en het creëren van voorzieningen geboden is; relevante risico-analyses zijn daartoe een geëigende methode. De analyses worden al zo goed mogelijk toegepast bij het voorzieningenbeleid. Ten aanzien van de vorming van het eigen vermogen heeft de KNAW vastgesteld dat de uitgangspunten die gehanteerd zijn door de commissie Koopmans in «De vermogenspositie van universiteiten – een delicate balans» ook voor de KNAW van belang kunnen zijn. In de verslaggevingen over 1999 en 2000 wordt speciale aandacht aan dit punt besteed. | Hiermee wordt gehoor gegeven aan de aanbeveling van de Rekenkamer. |
| Het publieke en het private deel van het eigen vermogen is gescheiden; er is geen sprake van administratieve, organisatorische of juridische scheiding van publieke en private geldstromen. | Voor zover mogelijk scheiden van publieke en private geldstromen en het publieke en het private deel van het eigen vermogen. | De KNAW schrijft dat de problematiek van de afrekening van derde geldstroomprojecten reeds jaren de aandacht van de accountants, de afdeling Financiën en de instituten van de KNAW heeft. Ook maakt die problematiek deel uit van de nieuwste richtlijnen van het Ministerie van OCenW voor de jaarrekening. | De Rekenkamer beveelt aan dat de KNAW in samenspraak met het Ministerie van OCenW tot verdere afspraken inzake de scheiding publiek-privaat komt. |
| De presentatie en toelichting van eigen vermogen en voorzieningen in de jaarrekeningen voldoet gedeeltelijk aan de eisen van de vrijwillig door de KNAW gevolgde verslaggevingsregelgeving van Titel 9 en de RJ-richtlijnen (formele verslaggevingseisen ontbreken nog). Uitzonderingen betreffen enige voorzieningen met het karakter van een bestemmingsreserve (hersteld in 1998). | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. |
| Het in de jaarrekeningen geboden inzicht in aard, doel en samenstelling van de reserves en voorzieningen, mate van bestemdheid van de reserves, het langlopende deel van de voorzieningen en (toelichting op) mutaties in reserves en voorzieningen kan verbeterd worden. | In volgende jaarrekeningen meer inzicht verschaffen in de hiernaast genoemde punten. | De verbetering van de presentatie van de jaarrekening en de onderbouwing ervan is in 1998 ingezet en zal verder langs de lijnen van de diverse richtlijnen worden voortgezet. | Hiermee wordt gehoor gegeven aan de aanbevelingen van de Rekenkamer. |
| De afbakening tussen reserves en voorzieningen is nog niet geheel zuiver; enige voorzieningen, met name voor investeringen en nog niet bestede subsidies, hebben het karakter van een bestemmingsreserve (hersteld in 1998). | Zuiverheid van de afbakening tussen reserves en voorzieningen bewaken. | Zie hiervoor. | Zie hiervoor. |
| Afgezien van het reservekarakter van enige voorzieningen, vindt de verwerking van mutaties in reserves en voorzieningen plaats conform algemeen aanvaarde grondslagen. | Na omzetting van de genoemde voorzieningen in bestemmingsreserves, de mutaties in deze posten verwerken conform algemeen aanvaarde grondslagen (geschiedt met ingang van 1998). | Zie hiervoor. | Zie hiervoor. |
| Er is geen aandacht voor vermogensvorming in de begrotingen. | Informatie over (ontwikkelingen in) eigen vermogen en voorzieningen in volgende begrotingen opnemen. | De KNAW stelt dat in begrotingen de aandacht voor vermogensvorming beperkt is tot een beleid voor dotaties en/of onttrekkingen aan de lopende voorzieningen. Hier liggen risicocalculaties aan ten grondslag. Het meerjarenperspectief zal nog verder ontwikkeld moeten worden. In de sfeer van het eigen vermogen zal het beleid voor optimalisatie ervan leiden tot een duidelijke vertaling in de begroting; dit zal met name in de resultaatbepaling zijn beslag moeten krijgen. | Hiermee wordt gehoor gegeven aan de aanbevelingen van de Rekenkamer. |
| Conclusie | Aanbeveling | Reactie instelling | Nawoord Rekenkamer |
|---|---|---|---|
| Er is nog nauwelijks sprake van een intern beleid inzake vermogensvorming. Er ontbreekt nog een op een systematische analyse van relevante factoren en risico’s gebaseerd intern beleid inzake de gewenste en aanvaardbare omvang van het (eigen) vermogen. NWO acht het thema vermogensvorming van minder belang; NWO richt zich met name op de liquiditeitspositie, waarbij aan de ontwikkelingen hierin in de meerjarenbegroting aandacht wordt geschonken. | Formuleren van een op een systematische analyse van relevante factoren en risico’s gebaseerd intern beleid inzake (omvang van) de vermogensvorming. | NWO stelt dat het beleid is gericht op het zoveel als mogelijk inzetten van de beschikbare en nog te verwachten financiële middelen voor het financieren van onderzoek en onderzoeksfaciliteiten. De vermogenspositie vormt een afgeleide hiervan onder de voorwaarde dat de liquiditeitspositie dat toelaat. NWO acht het een goede zaak dit beleid te versterken door het te baseren op een systematische analyse van relevante factoren en risico’s. | Hiermee wordt gehoor gegeven aan de aanbevelingen van de Rekenkamer. |
| Er is sprake van administratieve scheiding van publieke en private geldstromen,geen organisatorische of juridische scheiding; er is geen scheiding tussen het publieke en het private deel van het eigen vermogen1. De private geldstromen zijn overigens gering. | Voor zover mogelijk scheiden van publieke en private geldstromen en het publieke en het private deel van het eigen vermogen. | Publieke en private geldstromen worden administratief gescheiden gehouden, zowel in begroting als in financiële verantwoording. De nog niet toegekende bedragen uit de private geldstroom worden opgenomen onder de balanspost «speciale fondsen». Er is dus geen sprake van een privaat deel van het eigen vermogen. | Zolang de speciale fondsen niet als eigen vermogen (behoeven te) worden gepresenteerd, behoeft er ook geen scheiding te worden aangebracht tussen een publiek deel en een privaat deel. |
| De presentatie en toelichting van eigen vermogen en voorzieningen in de jaarrekeningen voldoet grotendeels aan de – in ontwikkeling zijnde – verslaggevingsregelgeving (formele verslaggevingseisen, met ingang van 1999 gereed, ontbreken nog in de onderzochte periode). De in de richtlijnen toegestane voorzieningen voor investeringen wijken overigens af van algemeen aanvaarde grondslagen. | Zoveel mogelijk voldoen aan de – in ontwikkeling zijnde – verslaggevingsregelgeving (deze regelgeving dient wat de voorzieningen betreft aan te sluiten bij algemeen aanvaarde grondslagen). | NWO stelt dat het zoveel als mogelijk voldoet aan de verslaggevingsregelgeving overeenkomstig Titel 9 Boek 2 BW. Voorzover hiervan wordt afgeweken, ligt dit verankerd in de door het Ministerie van OCenW voorgeschreven herziene richtlijnen. | De Rekenkamer beveelt het Ministerie van OCenW aan de verslaggevingsregelgeving spoedig aan te passen. |
| Het in de jaarrekeningen geboden inzicht in aard en doel van de reserves en voorzieningen, functies van het eigen vermogen, het langlopende deel van de voorzieningen en (toelichting op en specificatie van) mutaties in reserves en voorzieningen kan sterk verbeterd worden. De vele stelsel- en presentatiewijzigingen bemoeilijken het inzicht zeer. | In volgende jaarrekeningen meer inzicht verschaffen in de hiernaast genoemde punten. | De toelichting bij de jaarrekening wordt opgesteld conform de door het Ministerie van OCenW opgelegde richtlijnen. De stelsel- en presentatiewijzigingen zijn het gevolg van de nieuwe verslaggevingsregelgeving. Het ligt in de bedoeling deze richtlijnen na vijf jaar te evalueren. Desgewenst is het mogelijk dit tijdstip te vervroegen. | De Rekenkamer blijft aandacht vragen voor het verschaffen van meer inzicht in de genoemde punten. |
| De afbakening tussen reserves en voorzieningen is niet zuiver; het overgrote deel van de voorzieningen, met name voor investeringen, hebben het karakter van een bestemmingsreserve (dit is grotendeels een gevolg van de van de algemeen aanvaarde grondslagen afwijkende regelgeving). | Zuiverheid van de afbakening tussen reserves en voorzieningen bewaken. Voorzieningen met het karakter van een bestemmingsreserve dienen als zodanig gepresenteerd te worden (hiervoor is aanpassing van de regelgeving nodig). | Voorzieningen met het karakter van een bestemmingsreserve worden inmiddels als zodanig gepresenteerd. De hiervoor benodigde aanpassing van de regelgeving zal in het kader van de herziene richtlijnen bij het Ministerie van OCenW aan de orde worden gesteld. | Hiermee wordt voldaan aan de aanbeveling van de Rekenkamer. |
| De verwerking van mutaties in reserves en voorzieningen vindt niet altijd plaats conform algemeen aanvaarde grondslagen; dit betreft met name de toevoeging aan de reserve beleidsuitvoering en de vrijval van reserveringen2. | Mutaties in reserves en voorzieningen verwerken conform algemeen aanvaarde grondslagen: zuiver onderscheid resultaatbepaling en -bestemming. | NWO stelt dat de staat van baten en lasten, alsmede de balans wordt opgesteld conform de door het Ministerie vsn OCenW opgelegde verslaggevingsregelgeving, waarin is rekening gehouden met het specifieke karakter van NWO als geldverdelende organisatie. De dotatie aan de reserve beleidsuitvoering is een gevolg van de door de minister vastgestelde begroting waarin de benodigde omvang van deze reserve wordt aangegeven. Deze wordt bepaald aan de hand van het verschil tussen de baten en lasten in meerjarig perspectief. De benodigde omvang van deze reserve, alsmede de dotatie aan de reserve, wordt dus bepaald onafhankelijk van het resultaat van een boekjaar. Derhalve is geen sprake van resultaatbestemming. | De Rekenkamer beveelt aan in dit geval de afwijking van de algemeen aanvaarde grondslagen toe te lichten in de jaarrekening. Het Ministerie van OCenW wordt aanbevolen de regelgeving op dit punt te herzien. |
| Er is beperkt aandacht voor vermogensvorming in de begrotingen; de cijfermatige aandacht voor de ontwikkeling van reserves en voorzieningen is summier (wel wordt in de meerjarenbegroting veel aandacht aan de vermogens- en liquiditeitspositie besteed). | Uitbreiden van de informatievoorziening over (ontwikkelingen in) eigen vermogen en voorzieningen in volgende begrotingen. | In de begroting en meerjarencijfers wordt thans zichtbaar gemaakt in welke mate en in welke jaren een onttrekking nodig is aan de reserve beleidsuitvoering exploitatie en investering. Vooralsnog acht NWO dit voldoende. | De Rekenkamer blijft aandacht vragen voor toelichting van (ontwikkelingen in) de andere reserves en de voorzieningen in de begrotingen. |
| De wet- en regelgeving inzake vermogensvorming, beperkt tot verslaggevingsregelgeving, is in beweging en wijkt enigszins af van algemeen aanvaarde grondslagen. De regelgeving wordt grotendeels nageleefd; in dit opzicht vindt de vermogensvorming grotendeels rechtmatig plaats. | Voldoen aan de – aangepaste – verslaggevingsregelgeving. | Zoals geconstateerd wordt reeds in hoge mate aan de regelgeving voldaan. | De Rekenkamer acht het gewenst dat de NWO geheel voldoet aan de regelgeving. |
| Een uitspraak over de bedrijfseconomische en bestuurlijke aanvaardbaarheid van de vermogensvorming is moeilijk, aangezien geen gedegen risico-analyse voorhanden is. De huidige financiële positie is ruim voldoende tot goed; de liquide middelen en beleggingen zijn omvangrijk; de financiële vooruitzichten worden gedomineerd door de impact van een intensivering van de besteding van liquide reserves; er zijn geen grote investeringen voorgenomen. | Verrichten van een systematische analyse van relevante factoren en risico’s, op basis waarvan uitspraken over de aanvaardbaarheid van de vermogensvorming kunnen worden gedaan. | NWO zegt toe dat in het kader van de begrotingsvoorbereiding 2001 deze aanbeveling de nodige aandacht zal krijgen. | Hiermee wordt gehoor gegeven aan de aanbeveling van de Rekenkamer. |
1 Wel worden de nog niet bestede, door NWO naast de rijksbijdrage verworven gelden (zowel publieke als private gelden) opgenomen onder de balanspost «speciale fondsen». Deze post is tot en met 1997 onder de voorzieningen opgenomen; met ingang van 1998 wordt de post afzonderlijk gepresenteerd.
2 NWO is van mening dat het verwerken van deze mutaties in reserves als resultaatbepaling in plaats van -bestemming verdedigbaar en in overeenstemming met de richtlijnen van OCenW is.
| Conclusie | Aanbeveling | Reactie instelling | Nawoord Rekenkamer |
|---|---|---|---|
| BZK heeft aandacht voor vermogensvorming bij politieregio’s, zowel in de vorm van aparte onderzoeken als monitoring en financiële analyses van de jaarcijfers. (Mede) in opdracht van BZK zijn onderzoeken uitgevoerd door Arthur Andersen en Moret, Ernst & Young (beide in 1998). De onderzoeken hebben nog niet geleid tot het stellen van normen aan de (eigen) vermogens van de politieregio’s. | In samenspraak met de instellingen spoedig komen tot regelgeving of afspraken inzake de minimale en maximale omvang van het (eigen) vermogen van de politieregio’s (in de vorm van bandbreedtes en maatwerk) en de wijze van omgaan met vermogenstekorten en -overschotten. | Door de minister van BZK is in 1999 het Convenant politie afgesloten waarin de wenselijkheid wordt onderschreven om te komen tot nadere afspraken over de financiële positie van de politieregio’s. Er komt een wijziging van de Politiewet, waarmee het mogelijk wordt nadere regels te stellen voor (de omvang van) het vermogen van de regio’s. Er zal waarschijnlijk dit voorjaar door de Stuurgroep Implementatie Modernisering Politiezorg een advies worden uitgebracht over het bepalen van de aard en omvang van bovenmatige vermogens en balanstekorten, en over de wijze waarop verevening kan plaatsvinden. | Hiermee wordt gehoor gegeven aan de aanbeveling van de Rekenkamer. |
| BZK heeft aandacht voor verbetering van verslaggevingsvoorschriften: uniformering en aansluiten bij algemeen aanvaarde grondslagen. De huidige regelgeving bevat nog enige afwijkingen van algemeen aanvaarde grondslagen (verwerken van mutaties in reserves en voorzieningen). Enige uniformering van inrichtingseisen die met betrekking tot eigen vermogen en voorzieningen aan begroting en jaarrekening worden gesteld, heeft al plaatsgevonden. | Spoedig realiseren van de aanpassing van de verslaggevingsregelgeving aan algemeen aanvaarde grondslagen. | Het BCRRP is in 1999 laatstelijk gewijzigd, de nieuwe modellen voor begroting en jaarrekening politieregio’s zijn met ingang van 1999 van kracht. Het BCRRP is met deze laatste wijziging overigens ook zodanig opgezet dat er eenvoudig, door middel van een ministeriële regeling, aanpassingen kunnen plaatsvinden, bijvoorbeeld ten aanzien van het nader definiëren van bestemmingsreserves of voorzieningen. | Het is de Rekenkamer niet duidelijk of hiermee volledig voldaan is aan haar aanbeveling. |
| BZK voert nog geen beleid ten aanzien van het bestedingsdoel van met publieke gelden opgebouwde reserves en de gewenste mate van aanhouden van vermogen in liquide middelen (incl. eisen aan het beleggen van tijdelijk overtollige liquide middelen). | Formuleren van beleid ten aanzien van de hiernaast genoemde punten. | Het wetsvoorstel financiering decentrale overheden (fido), waaronder ook de politieregio’s vallen, bevordert dat de financieringsfunctie ten alle tijde dienstbaar moet zijn aan de uitoefening van de publieke taak. Hierbij wordt in de toelichting nadrukkelijk gesteld dat het in- en doorlenen van middelen teneinde daarmee winst te maken verboden is. Eventuele beleggingen dienen een prudent karakter te hebben. Bij ministeriële regeling zullen hiervoor nog nadere regels worden gesteld. De politieregio’s zullen worden verplicht om een financierings(treasury)-statuut op te stellen en in hun begroting en jaarverslag een financieringsparagraaf op te nemen. | Hiermee is voldaan aan de aanbevelingen van de Rekenkamer. |
Politieregio Amsterdam-Amstelland
| Conclusie | Aanbeveling | Reactie instelling | Nawoord Rekenkamer |
|---|---|---|---|
| Een duidelijke aanzet tot intern beleid inzake vermogensvorming is geformuleerd, gebaseerd op een globale risico-analyse. Er ontbreekt nog een systematische analyse van relevante factoren en risico’s ter onderbouwing van het interne beleid inzake de gewenste en aanvaardbare omvang van het (eigen) vermogen. | Verder ontwikkelen van een op een systematische analyse van relevante factoren en risico’s gebaseerd intern beleid inzake (omvang van) de vermogensvorming. | De politieregio heeft aangegeven op dit moment geen op- of aanmerkingen op de conclusies en aanbevelingen te hebben. | De Rekenkamer gaat ervan uit dat hiermee de conclusies en aanbevelingen worden onderschreven. |
| De presentatie en toelichting van eigen vermogen en voorzieningen in de jaarrekeningen voldoet – met (gemotiveerde) uitzondering van de verwerking vrijval waardeverschillen in 1997 – aan de formele verslaggevingseisen. | Uit oogpunten van uniformiteit en rechtmatigheid zoveel mogelijk voldoen aan de geldende verslaggevingseisen. | Geen opmerkingen. | Idem. |
| Het in de jaarrekeningen geboden inzicht in aard en doel van de reserves, het langlopend deel van de voorzieningen en (toelichting op) mutaties in reserves en voorzieningen kan enigszins worden vergroot. | In volgende jaarrekeningen meer inzicht verschaffen in de hiernaast genoemde punten. | Geen opmerkingen. | Idem. |
| De afbakening tussen reserves en voorzieningen is voldoende. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. |
| De verwerking van mutaties in reserves en voorzieningen vindt sinds 1997 grotendeels plaats volgens algemeen aanvaarde grondslagen (in de regelgeving zijn enkele afwijkingen ten aanzien van verwerking van mutaties in reserves voorgeschreven), echter wat betreft de vrijval reserve waardeverschillen (gemotiveerd) in strijd met de regelgeving. | Uit oogpunten van uniformiteit en rechtmatigheid zoveel mogelijk voldoen aan de geldende verslaggevingseisen. | Geen opmerkingen. | Idem. |
| Er is voldoende aandacht voor beleidsmatige uitgangspunten voor vermogensvorming in de begrotingen, echter in beperkte mate aandacht voor prognoses van reserves en voorzieningen. | Uitbreiden van de informatievoorziening over prognoses van reserves en voorzieningen in volgende begrotingen. | Geen opmerkingen. | Idem. |
| De wet- en regelgeving inzake vermogensvorming, beperkt tot verslaggevingsregelgeving, wordt, met uitzondering van de verwerking van de vrijval reserve waardeverschillen in 1997, nageleefd; in dit opzicht vindt de vermogensvorming (in 1997 grotendeels) rechtmatig plaats. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. |
| De uitgevoerde globale risico-analyse biedt onvoldoende basis om een uitspraak te kunnen doen over de aanvaardbaarheid van de vermogensvorming. De politieregio behoort tot de rijkste politieregio’s en in vergelijking met andere politieregio’s is de algemene reserve vrij hoog in verhouding tot de risico’s. De financiële positie is ruim voldoende tot goed; de financiële vooruitzichten zijn volgens de politieregio echter minder gunstig. | Een zodanige systematische analyse van relevante factoren en risico’s verrichten dat uitspraken over de aanvaardbaarheid van de vermogensvorming kunnen worden gedaan. | Geen opmerkingen. | Idem. |
| Conclusie | Aanbeveling | Reactie instelling | Nawoord Rekenkamer |
|---|---|---|---|
| Er is sprake van de nodige bestuurlijke aandacht voor vermogensvorming, inclusief eerste aanzetten voor beleid. Er ontbreekt nog een systematische analyse van relevante factoren en risico’s ter onderbouwing van het interne beleid inzake de gewenste en aanvaardbare omvang van het (eigen) vermogen. | Verder ontwikkelen van een op een systematische analyse van relevante factoren en risico’s gebaseerd intern beleid inzake (omvang van) de vermogensvorming. | De politieregio Utrecht stemt op hoofdlijnen in met de conclusies en aanbevelingen en heeft verder geen specifieke opmerkingen. | N.v.t. |
| De presentatie en toelichting van eigen vermogen en voorzieningen in de jaarrekeningen voldoet aan de formele verslaggevingseisen. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. |
| Het in de jaarrekeningen geboden inzicht in eigen vermogen en voorzieningen is grotendeels voldoende. Niet aangegeven wordt welk deel van de voorzieningen langlopend is. | In volgende jaarrekeningen meer inzicht verschaffen in het hiernaast genoemde punt. | Geen opmerkingen. | N.v.t. |
| De afbakening tussen reserves en voorzieningen is voldoende. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. |
| De verwerking van mutaties in reserves en voorzieningen vindt grotendeels plaats volgens algemeen aanvaarde grondslagen (in de regelgeving zijn enkele afwijkingen ten aanzien van verwerking van mutaties in reserves voorgeschreven). | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. |
| Er is aandacht voor vermogensvorming in de begrotingen, hoewel de informatievoorziening over reserves en voorzieningen summier is. | Uitbreiden van de informatievoorziening over reserves en voorzieningen in volgende begrotingen. | Geen opmerkingen. | N.v.t. |
| De wet- en regelgeving inzake vermogensvorming, beperkt tot verslaggevingsregelgeving, wordt nageleefd; in dit opzicht vindt de vermogensvorming rechtmatig plaats. | N.v.t. | ||
| Een uitspraak over de aanvaardbaarheid van de vermogensvorming is moeilijk, aangezien geen systematische analyse van factoren en risico’s voorhanden is. Vergeleken met andere politieregio’s is de financiële positie gemiddeld, hoewel liquiditeitspositie en de samenstelling van het eigen vermogen ongunstig zijn. De financiële vooruitzichten zijn ongunstig; naar verwachting is lang vreemd vermogen nodig om investeringen en liquiditeitstekorten op te vangen. | Verrichten van een systematische analyse van relevante factoren en risico’s, op basis waarvan uitspraken over de aanvaardbaarheid van de vermogensvorming kunnen worden gedaan. | Geen opmerkingen. | N.v.t. |
| Conclusie | Aanbeveling | Reactie instelling | Nawoord Rekenkamer |
|---|---|---|---|
| Er is in beperkte mate sprake van beleid inzake vermogensvorming. Er ontbreekt nog een systematische analyse van relevante factoren en risico’s ter onderbouwing van het intern beleid inzake de gewenste en aanvaardbare omvang van het (eigen) vermogen. | Verder ontwikkelen van een op een systematische analyse van relevante factoren en risico’s gebaseerd intern beleid inzake (omvang van) de vermogensvorming. | De aanbeveling wordt onderschreven. Beleid inzake vermogensvorming zal nog verder worden ontwikkeld. | Hiermee wordt gehoor gegeven aan de aanbeveling van de Rekenkamer. |
| De presentatie en toelichting van eigen vermogen en voorzieningen in de jaarrekeningen voldoet aan de formele verslaggevingseisen. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. |
| Het in de jaarrekeningen geboden inzicht in eigen vermogen en voorzieningen is grotendeels voldoende. Niet aangegeven wordt welk deel van de voorzieningen langlopend is. | In volgende jaarrekeningen meer inzicht verschaffen in het hiernaast genoemde punt. | De aanbeveling wordt onderschreven. | N.v.t. |
| De afbakening tussen reserves en voorzieningen is voldoende. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. |
| De verwerking van mutaties in reserves en voorzieningen vindt grotendeels plaats volgens algemeen aanvaarde grondslagen (in de regelgeving zijn enkele afwijkingen ten aanzien van verwerking van mutaties in reserves voorgeschreven). | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. |
| Er is ruim voldoende aandacht voor vermogensvorming in de begrotingen. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. |
| De wet- en regelgeving inzake vermogensvorming, beperkt tot verslaggevingsregelgeving, wordt nageleefd; in dit opzicht vindt de vermogensvorming rechtmatig plaats. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. |
| Ondanks het ontbreken van een systematische analyse van relevante factoren en risico’s, geven de onderzochte stukken wel een indruk van de aanvaardbaarheid van de vermogensvorming. De financiële positie en de financiële vooruitzichten zijn, ook in vergelijking met andere politieregio’s, ongunstig (ontoereikende liquide middelen, onvoldoende omvang van de algemene reserve om normale bedrijfsrisico’s op te vangen, pessimistische meerjarenramingen). Er is al het nodige lang vreemd vermogen aangetrokken. | Een zodanige systematische analyse van relevante factoren en risico’s verrichten dat verdere uitspraken over de aanvaardbaarheid van de vermogensvorming kunnen worden gedaan. | De aanbeveling wordt onderschreven. De financiële positie is slecht en het toekomstperspectief somber. Voor het bepalen van de eigen vermogensgrenzen is het van belang voor de regiokorpsen eenvoudige en praktische vuistregels op te stellen. Van de van rijkswege vastgestelde grenzen mag worden verwacht dat deze met de nodige realiteitszin tot stand zullen komen. | De minister van BZK heeft in zijn reactie op het onderhavige rapport toegezegd met voorstellen te komen op het gebied van normen ten aanzien van de bedrijfsvoering en de financiële positie van de korpsen en mogelijke aanpassingen in het bekostigingsstelsel. De Rekenkamer verwacht eveneens dat deze met realiteitszin tot stand zullen komen. |
D. ARBEIDSVOORZIENINGSORGANISATIE
| Conclusie | Aanbeveling | Reactie instelling | Nawoord Rekenkamer |
|---|---|---|---|
| SZW heeft aandacht voor de liquiditeitspositie en vermogensvorming van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Naar aanleiding van voorstellen van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie zijn afspraken gemaakt over de vermogensvorming, incl. de toegestane hoogte van de algemene reserve, procedures voor vorming van bestemmingsreserves en het omgaan met eventuele vermogensoverschotten. Ook zijn afspraken gemaakt over de reductie van het negatieve eigen vermogen en het oplossen van liquiditeitsproblemen. Er zijn nog geen normen gesteld aan de totale omvang van het (eigen) vermogen. | Gezien de situatie waarin de Arbeidsvoorzieningsorganisatie zich bevindt (negatief eigen vermogen) en de onzekerheid over het voortbestaan van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie (ontwikkelingen rond de CWI’s), blijvend dan wel meer aandacht besteden aan vermogensvorming. In samenspraak met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie spoedig komen tot regelgeving of afspraken inzake de minimale en maximale omvang van het totale (eigen) vermogen (in de vorm van bandbreedtes en maatwerk) en de wijze van omgaan met vermogenstekorten en -overschotten. | De aanbevelingen van de Rekenkamer, specifiek toegespitst op de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, zullen betrokken worden in het overleg met deze organisatie over het goed te keuren beleid en de onderbouwing daarvan. Verder heeft de minister geen specifieke opmerkingen inzake de conclusies en aanbevelingen. | N.v.t. |
| SZW heeft aandacht voor verbetering van verslaggevingsvoorschriften. Voor begroting en jaarrekening zijn nieuwe toetsingskaders opgesteld, die aansluiten bij algemeen aanvaarde grondslagen (Titel 9) en gelden met ingang van 1998. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. |
| SZW voert geen beleid ten aanzien van het bestedingsdoel van met publieke gelden opgebouwde reserves. Wel zijn in het verleden afspraken gemaakt inzake de gewenste mate van aanhouden van vermogen in liquide middelen (norm voor liquiditeitssaldo en terugstortingsplicht bij overschrijding van de norm). Er zijn geen eisen gesteld aan het beleggen van eventuele tijdelijk overtollige middelen. | Formuleren van beleid ten aanzien van de hiernaast genoemde punten. | Geen opmerkingen. | N.v.t. |
Arbeidsvoorzieningsorganisatie
| Conclusie | Aanbeveling | Reactie instelling | Nawoord Rekenkamer |
|---|---|---|---|
| Het interne beleid inzake vermogensvorming is versnipperd vastgelegd en enigszins beperkt inzichtelijk. Er ontbreekt nog een systematische analyse van relevante factoren en risico’s ter onderbouwing van het beleid inzake de omvang van het (eigen) vermogen. Wel hebben verschillende beoordelingen van vermogenspositie, reserves en voorzieningen plaatsgevonden. | Het door het CBA vastgestelde en door SZW goedgekeurde beleid inzake vermogensvorming verder onderbouwen met een systematische analyse van relevante factoren en risico’s. | De Arbeidsvoorzieningsorganisatie stemt in met alle conclusies en aanbevelingen. Sinds november 1999 is een extern onderzoek gaande naar het gewenst vermogen voor de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. De uitkomsten worden tezijnertijd besproken met de minister van SZW. | N.v.t. |
| Er was sprake van administratieve, organisatorische en juridische scheiding van publieke en private geldstromen(commerciële activiteiten waren ondergebracht in aparte rechtsvorm (ASV); inmiddels is ASV opgeheven); er is geen scheiding tussen het publieke en het private deel van het eigen vermogen (het totale eigen vermogen is negatief). | Voor zover mogelijk en van toepassing scheiden van publieke en private geldstromen en het publieke en het private deel van het eigen vermogen. | De voorziene organisatorische veranderingen per 1 juli 2000 maken het noodzakelijk dat private en publieke activiteiten duidelijk van elkaar gescheiden worden. Daartoe is een aanvang gemaakt per 1 januari 2000: hierbij is een helder onderscheid aangebracht in soorten activiteiten en de daaraan gerelateerde financiering. | Hiermee wordt gehoor gegeven aan de aanbevelingen van de Rekenkamer. |
| De presentatie en toelichting van eigen vermogen en voorzieningen in de jaarrekeningen voldoet aan de formele verslaggevingseisen. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. |
| Het in de jaarrekeningen geboden inzicht in eigen vermogen en voorzieningen is voldoende. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. |
| De afbakening tussen reserves en voorzieningen is voldoende. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. |
| De verwerking van mutaties in reserves en voorzieningen vindt plaats volgens algemeen aanvaarde grondslagen. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. |
| Er is voldoende aandacht voor vermogensvorming in de begrotingen. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. |
| De wet- en regelgeving inzake vermogensvorming, beperkt tot verslaggevingsregelgeving, wordt nageleefd; in dit opzicht vindt de vermogensvorming rechtmatig plaats. | N.v.t. | N.v.t. | N.v.t. |
| Ondanks het ontbreken van een systematische analyse van relevante factoren en risico’s kan wel een uitspraak worden gedaan over de aanvaardbaarheid van de vermogensvorming. De financiële positie (sterk negatief eigen vermogen, ongunstige liquiditeitspositie) en de financiële vooruitzichten zijn ongunstig. | Een zodanige systematische analyse van relevante factoren en risico’s verrichten dat verdere uitspraken over de aanvaardbaarheid van de vermogensvorming kunnen worden gedaan. | Geen opmerkingen. | N.v.t. |
REGELGEVING EN BELEIDSAFSPRAKEN VERMOGENSVORMING
De tabel heeft slechts een inventariserend karakter. Het ontbreken van regelgeving op de geïnventariseerde punten houdt niet altijd in dat niet aan de eisen van de Rekenkamer is voldaan. Voor het toetsingskader van de Rekenkamer wordt verwezen naar bijlage 6.
| Legenda: • = ja; o = nee; – = niet van toepassing; | = vereist vanwege van toepassing zijnde Titel 9 | |
| Boek 2 BW, Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving of algemeen aanvaarde grondslagen. Stand september 1999. | ||
| Instelling | Minister/toezichthouder bevoegd tot: | Verwijzing in regelgeving naar Titel 9, RJ-richt- lijnen of algemeen aanvaarde grondslagen | In regelgeving en beleidsafspraken opgenomen eisen/bepalingen inzake: | |||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Stellen nadere regelgeving | Goedkeuren begroting | Goedkeuren jaarrekening | Omvang van, of overleg over reserves | Onder- bouwing bestem- mings- reserves | Mutatie- staat reserves | Verwerking mutaties in eigen vermogen | Resul- taatbe- stem- ming | Omschrij- ving voorzieningen | Voorge- schre- ven specifieke voorzieningen | Mutatie- staat voorzieningen in jaarrekening | Toelichting aard voorzieningen | Waarde- rings- grond- slagen materiële vaste activa | Aantrekken vreemd vermogen | Opstellen meerjarenraming in begroting | Opstellen meerjarenoverzicht investeringen | Liquidi- teitenbeheer, incl. beleggingen | ||
| FMO | o | o | o | • | • | o | • | o | o | o | o | o | o | |||||
| Politieregio’s | • | • | o | • | o | o | • | o | • | o | • | • | • | • | • | • | o | |
| LSOP | • | • | • | o | o | o | • | • | • | o | o | • | o | • | o | • | o | o |
| Raden voor Rechtsbijstand | • | • | o | • | • | • | • | • | • | • | • | • | o | • | ||||
| COA | • | • | • | • | • | • | • | • | o | • | o | o | • | |||||
| SRN | • | o | o | • | • | • | • | • | o | • | • | o | • | |||||
| Universiteiten | • | o | o | • | o | o | • | • | • | • | • | • | • | o | o | • | o | |
| Hogescholen | • | o | o | • | o | • | • | • | • | • | • | • | o | o | o | o | ||
| Acad. Ziekenhuizen | • | o | o | • | o | o | • | o | • | • | • | • | • | o | o | o | o | |
| Rijksmuseale instellingen | • | o | o | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | o | • | o | o | |
| Omroepverenigingen | • | o | o | • | • | • | • | • | • | o | • | o | • | o | o | |||
| NWO | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | o | • | • | o | |
| KNAW | • | o | o | • | o | • | • | • | • | • | • | • | • | • | o | o | o | o |
| TNO | • | o | o | o | • | o | o | o | o | o | o | o | o | o | • | • | • | o |
| IBG | o | o | o | • | • | o | • | o | o | • | • | • | o | |||||
| Uitvoeringsinstellingen | • | o | o | • | • | o | • | o | o | • | • | • | o | o | • | |||
| SVb | • | • | o | • | – | – | – | – | – | • | • | • | • | • | –- | • | o | • |
| Arbeidsvoorziening | • | • | o | • | • | o | o | o | o | • | • | • | o | |||||
| Ziekenfondsen | • | o | o | • | • | o | • | • | o | o | o | o | o | o | ||||
| Suo | o | • | o | o | – | – | – | – | – | o | • | o | o | o | – | o | o | • |
| CvZ | • | • | • | o | o | o | o | o | • | o | o | o | o | o | – | • | o | o |
| WFM | • | o | o | o | – | – | – | – | – | o | o | o | o | o | o | o | o | • |
| Kadaster | o | o | • | • | • | o | o | • | o | o | o | • | o | o | ||||
| CFV | • | o | o | o | o | o | o | o | o | o | o | o | o | o | o | o | o | o |
| VSN | o | o | o | • | o | o | • | o | o | o | o | o | o | |||||
| RDW | • | • | o | • | • | o | o | • | • | • | o | • | • | • | o | |||
| COVA | o | • | • | o | o | o | o | o | o | o | o | o | o | o | • | o | o | o |
| Novem | o | • | • | • | • | o | • | o | o | • | • | • | o | |||||
| BBL | • | • | • | o | o | o | o | o | o | – | – | – | – | o | – | • | o | – |
| Staatsbosbeheer | • | • | • | • | • | • | o | o | o | • | o | o | o | |||||
| Totaal ja | 23 | 14 | 9 | 22 | 16 | 9 | 24 | 23 | 17 | 22 | 12 | 23 | 23 | 12 | 12 | 15 | 8 | 7 |
PRESENTATIE EN TOELICHTING VERMOGENSVORMING IN JAARREKENINGEN
In de tabel worden de resultaten weergegeven van een analyse van de jaarrekeningen 1996 en 1997 van een selectie van de instellingen op het thema vermogensvorming. Centraal staat een toets van de presentatie en toelichting van eigen vermogen en voorzieningen. Ook enige verwante aspecten zijn in beeld gebracht. De beoordeling betreft een marginale toets aan algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving (zie bijlage 6 voor toelichting). Geconstateerde afwijkingen kunnen het gevolg zijn van specifieke verslaggevingsregelgeving, die afwijkt van de algemeen aanvaarde grondslagen (zie bijlage 4). De beoordeling heeft dus niet het karakter van kritiek op de jaarrekening en de accountantscontrole.
Legenda: – = n.v.t.; • = ja; o = nee; ȯ = deels; g = goedkeurend; b = beperking; a = actuele waarde; h = historische waarde.
| Instelling | Jaar | Accountantsverklaring | Alge- mene toelichting vermo- genspositie | Eigen vermogen | Voorzieningen | Scheiding publiek-privaat | Waardering materiële vaste activa | Gelieerden & deelnemingen | ||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Strekking verklaring | Oordeel alg. aanv. grond- slagen | Oordeel naleving regelgeving | Specificatie | Onder- scheid bestemd- onbestemd | Toelichting aard/doel reserves | Mutatie- staat per reserve | Verwerking mutaties cf. a.a.g. | Specificatie | Toelichting aard/doel voorzieningen | Mutatie- staat per voorziening | Heldere afbake- ning voorzie- ningen en bestem- mingsre- serves | Weergave langlopend deel voorzieningen | Verwerking mutaties cf. a.a.g. | in baten | in eigen vermogen | |||||
| Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen | ||||||||||||||||||||
| Rijksmuseale instellingen | ||||||||||||||||||||
| Scheepvaart | 1996 | g | • | o | o | • | • | • | • | • | • | ȯ | • | • | o | • | o | o | h | – |
| museum | 1997 | g | • | • | o | • | • | • | • | • | • | ȯ | • | • | • | • | • | o | h | – |
| Van Goghmuseum | 1996 | g | • | • | o | • | • | • | • | • | • | • | • | • | ȯ | • | • | o | h | – |
| 1997 | g | • | • | o | • | • | • | • | • | • | o | • | • | ȯ | • | • | o | h | – | |
| Rijksmuseum | 1996 | g | • | • | o | • | • | ȯ | ȯ | • | • | • | o | • | • | • | • | o | h | • |
| 1997 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | o | h | • | |
| Kröller- | 1996 | g | • | o | o | • | • | ȯ | • | • | • | ȯ | • | ȯ1 | • | • | o | o | h | – |
| Müllermuseum | 1997 | g | • | • | o | • | • | ȯ | • | • | • | ȯ | • | ȯ | o | • | • | o | h | – |
| Rijksmuseum | 1996 | g | • | • | • | • | • | o | • | • | • | • | • | • | o | • | • | o | h | – |
| Oudheden | 1997 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | o | • | • | o | h | – |
| Universiteiten | ||||||||||||||||||||
| Universiteit van | 1996 | g | • | • | • | –2 | o | o | • | • | • | ȯ | • | o | • | • | • | o | h | • |
| Amsterdam | 1997 | g | • | • | • | – | o | o | • | • | • | ȯ | • | o | • | • | • | o | h | • |
| Technische | 1996 | g | • | • | • | • | • | o | • | ȯ | • | o | • | • | • | • | • | o | h | • |
| Universiteit Delft | 1997 | b | • | • | o | • | o | o | • | ȯ | • | o | • | • | • | • | • | o | h | • |
| Universiteit Leiden | 1996 | g | • | • | • | • | o | • | • | • | • | • | • | • | o | • | • | o | h | • |
| 1997 | g | • | • | • | • | o | • | • | • | • | • | • | • | o | • | • | o | h | • | |
Voetnoten staan op p. 105 en 106.
| Instelling | Jaar | Accountantsverklaring | Alge- mene toelichting vermo- genspositie | Eigen vermogen | Voorzieningen | Scheiding publiek-privaat | Waardering materiële vaste activa | Gelieerden & deelnemingen | ||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Strekking verklaring | Oordeel alg. aanv. grond- slagen | Oordeel naleving regelgeving | Specificatie | Onder- scheid bestemd- onbestemd | Toelichting aard/doel reserves | Mutatie- staat per reserve | Verwerking mutaties cf. a.a.g. | Specificatie | Toelichting aard/doel voorzieningen | Mutatie- staat per voorziening | Heldere afbake- ning voorzie- ningen en bestem- mingsre- serves | Weergave langlopend deel voorzieningen | Verwerking mutaties cf. a.a.g. | in baten | in eigen vermogen | |||||
| Katholieke | 1996 | g | • | • | ȯ | • | • | ȯ3 | • | ȯ | • | ȯ | • | o | o | • | • | • | h | • |
| Universiteit Brabant | 1997 | g | • | • | o | • | • | ȯ | • | ȯ | • | ȯ | • | o | o | • | • | • | h | • |
| Universiteit Utrecht | 1996 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | – | – | – | – | – | – | • | o | h | • |
| 1997 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | o | • | • | o | h | • | |
| Erasmus Universi | 1996 | g | • | • | • | • | • | ȯ | ȯ | • | • | • | ȯ | • | o | • | • | o | h | • |
| teit Rotterdam | 1997 | g | • | • | • | • | • | • | ȯ | • | • | • | ȯ | • | o | • | • | o | h | • |
| Universiteit | 1996 | g | • | • | • | • | • | ȯ | ȯ | • | • | • | • | • | o | • | • | • | h | • |
| Twenthe | 1997 | g | • | • | • | • | • | ȯ | ȯ | • | • | • | • | • | o | • | • | • | h | • |
| Universiteit | 1996 | g | • | • | • | • | • | • | • | ȯ | • | • | • | • | o | ȯ | • | o | h | • |
| Maastricht | 1997 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | o | • | • | o | h | • |
| Vrije Universiteit | 1996 | g | • | • | • | ȯ | o | o | ȯ | • | • | ȯ | • | • | o | • | • | o | h | – |
| 1997 | g | • | • | • | ȯ | o | o | ȯ | • | • | ȯ | • | • | o | • | • | o | h | – | |
| Rijksuniversiteit | 1996 | g | • | • | • | • | • | • | • | o | • | • | • | ? | • | • | • | • | h | • |
| Groningen | 1997 | g | • | • | • | • | • | • | • | o | • | • | • | • | • | • | • | • | h | • |
| Academische Ziekenhuizen | ||||||||||||||||||||
| AZG | 1996 | g | • | • | o | • | • | • | • | o | • | • | • | • | o | • | • | o | h | – |
| 1997 | g | • | • | o | • | • | • | • | o | • | • | • | • | o | • | • | o | h | – | |
| AMC | 1996 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | o | • | • | o | h | • |
| 1997 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | o | • | • | o | h | • | |
| AZL (LUMC) | 1996 | g | • | • | • | • | o | ȯ | o4 | • | • | • | • | • | o | • | • | o | h | – |
| 1997 | g | • | • | • | • | o | ȯ | o | • | • | • | • | • | o | • | • | o | h | – | |
| AZU | 1996 | g | • | • | o | • | • | • | • | • | • | • | • | o5 | o | • | • | o | h | – |
| 1997 | g | • | • | o | • | • | • | • | • | • | • | • | • | o | • | • | o | h | – | |
| AZM | 1996 | g | • | • | o | • | • | • | • | • | • | • | • | • | o | • | • | o | h | – |
| 1997 | g | • | • | • | • | • | • | • | ȯ | • | • | • | • | o | • | • | o | h | – | |
| Hogescholen | ||||||||||||||||||||
| HS Rotterdam | 1996 | g | • | • | o | • | • | • | • | • | • | • | • | • | o | • | • | • | h | – |
| 1997 | g | • | • | o | • | • | • | • | • | • | • | • | • | o | • | • | • | h | • | |
| Gerrit Rietveld | 1996 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | ȯ | • | o | • | • | o | h | – |
| Academie | 1997 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | ȯ | • | o | • | • | o | h | – |
| HS West-Brabant | 1996 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | o6 | • | • | • | o | h | • |
| 1997 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | o | • | • | • | o | h | • | |
| HS Drenthe | 1996 | g | • | • | o | • | • | • | • | • | • | ȯ | • | • | o | • | • | o | h | • |
| 1997 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | ȯ | • | • | o | • | • | o | h | • | |
Voetnoten staan op p. 105 en 106.
| Instelling | Jaar | Accountantsverklaring | Alge- mene toelichting vermo- genspositie | Eigen vermogen | Voorzieningen | Scheiding publiek-privaat | Waardering materiële vaste activa | Gelieerden & deelnemingen | ||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Strekking verklaring | Oordeel alg. aanv. grond- slagen | Oordeel naleving regelgeving | Specificatie | Onder- scheid bestemd- onbestemd | Toelichting aard/doel reserves | Mutatie- staat per reserve | Verwerking mutaties cf. a.a.g. | Specificatie | Toelichting aard/doel voorzieningen | Mutatie- staat per voorziening | Heldere afbake- ning voorzie- ningen en bestem- mingsre- serves | Weergave langlopend deel voorzieningen | Verwerking mutaties cf. a.a.g. | in baten | in eigen vermogen | |||||
| HS Midden-Brabant | 1996 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | o | • | o | o | h | • |
| 1997 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | o | • | o | o | h | • | |
| HS Zeeland | 1996 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | o7 | o | • | • | o | h | • |
| 1997 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | o | ȯ | • | • | o | h | • | |
| Constantijn | 1996 | g | • | • | o | • | • | • | • | • | • | • | • | • | o | • | • | • | h | – |
| Huygens | 1997 | g | • | • | o | • | • | • | • | • | • | • | • | • | o | • | • | • | h | – |
| HS Haarlem | 1996 | g | • | • | o | • | • | • | • | • | • | ȯ | ȯ | o8 | • | • | • | • | h | – |
| 1997 | g | • | • | o | • | • | • | • | • | • | ȯ | ȯ | o | • | • | • | • | h | – | |
| Nationale HS voor | 1996 | g | • | • | o | • | • | • | • | • | • | • | • | • | o | • | • | o | h | • |
| toerisme | 1997 | g | • | • | o | • | • | • | • | • | • | • | • | • | o | • | • | o | h | • |
| Haagse HS | 1996 | g | • | • | ȯ | • | • | o | • | • | • | • | • | • | o | • | • | o | h | • |
| 1997 | g | • | • | o | • | • | ȯ | • | • | • | • | • | • | o | • | • | o | h | • | |
| Omroepverenigingen | ||||||||||||||||||||
| AVRO | 1996 | g | • | • | • | • | • | ȯ | ȯ | • | • | • | o | o9 | o | • | • | • | a | • |
| 1997 | g | • | • | • | • | • | ȯ | ȯ | • | • | • | o | o10 | o | • | • | • | a | • | |
| EO | 1996 | g | • | • | o | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | h | – |
| 1997 | g | • | • | o | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | h | – | |
| NCRV11 | 1996 | g | • | • | o | • | • | • | • | • | • | o | • | o | o | • | • | • | a | • |
| 1997 | g | • | • | o | • | • | • | • | • | • | o | • | o | o | • | • | • | a | • | |
| TROS12 | 1996 | g | • | • | o | • | • | o | • | • | – | – | – | – | – | – | • | • | a/h | – |
| 1997 | g | • | • | o | • | • | o | • | • | • | • | – | • | o | • | • | • | h | – | |
| VPRO | 1996 | g | • | • | ȯ | • | • | ȯ | • | • | ȯ | ȯ | o | • | • | • | • | • | a/h | – |
| 1997 | g | • | • | o | • | • | ȯ | ȯ | • | – | – | – | – | – | – | • | • | h | – | |
| Individuele instellingen | ||||||||||||||||||||
| NWO | 1996 | g | • | • | • | • | • | • | • | o | • | ȯ | ȯ | o13 | o | • | • | o | a/h | • |
| 1997 | g | • | • | • | • | • | • | • | o | • | ȯ | o | o14 | o | • | • | o | a/h | • | |
| KNAW | 1996 | g | • | • | o | • | • | ȯ | ȯ | • | • | • | • | ȯ | o | • | • | o | h | – |
| 1997 | g | • | • | o | • | • | ȯ | o | • | • | • | • | ȯ | o | • | • | o | h | – | |
| TNO | 1996 | g | o | – | • | o | o | o | – | • | • | • | • | o15 | • | • | • | o | h | • |
| 1997 | g | o | – | • | o | o | o | – | • | • | • | • | o | • | • | • | o | h | • | |
| IBG | 1996 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | o | h | • |
| 1997 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | o | h | • | |
Voetnoten staan op p. 105 en 106.
| Instelling | Jaar | Accountantsverklaring | Alge- mene toelichting vermo- genspositie | Eigen vermogen | Voorzieningen | Scheiding publiek-privaat | Waardering materiële vaste activa | Gelieerden & deelnemingen | ||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Strekking verklaring | Oordeel alg. aanv. grond- slagen | Oordeel naleving regelgeving | Specificatie | Onder- scheid bestemd- onbestemd | Toelichting aard/doel reserves | Mutatie- staat per reserve | Verwerking mutaties cf. a.a.g. | Specificatie | Toelichting aard/doel voorzieningen | Mutatie- staat per voorziening | Heldere afbake- ning voorzie- ningen en bestem- mingsre- serves | Weergave langlopend deel voorzieningen | Verwerking mutaties cf. a.a.g. | in baten | in eigen vermogen | |||||
| Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksaangelegenheden | ||||||||||||||||||||
| Politieregio’s | ||||||||||||||||||||
| Amsterdam- | 1996 | g | • | • | • | • | • | ȯ | • | • | • | • | • | • | • | • | – | – | a/h | – |
| Amstelland | 1997 | b | • | • | • | • | • | ȯ | • | • | • | • | • | • | • | • | – | – | a/h | – |
| Groningen | 1996 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | – | – | a/h | – |
| 1997 | g | • | • | • | • | • | • | • | ȯ | • | • | • | • | • | • | – | – | a/h | – | |
| Rotterdam- | 1996 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | o | • | • | o | a/h | – |
| Rijnmond | 1997 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | o | • | • | o | a/h | – |
| Zeeland | 1996 | g | • | • | o | • | • | ȯ | ȯ | ȯ | o | o | • | o16 | o | • | – | – | a/h | – |
| 1997 | g | • | • | o | • | • | ȯ | ȯ | ȯ | o | o | • | o | o | • | – | – | a/h | – | |
| Utrecht | 1996 | g | • | • | • | • | • | • | • | ȯ | • | • | • | • | o | • | • | o | a/h | – |
| 1997 | g | • | • | • | • | • | • | • | ȯ | • | • | • | • | o | • | • | o | a/h | – | |
| Haaglanden | 1996 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | o | • | • | o | a/h | – |
| 1997 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | o | • | • | o | a/h | – | |
| Drenthe | 1996 | g | • | • | o | • | • | ȯ | • | o17 | o | o | • | • | o | • | – | – | a/h | – |
| 1997 | g | • | • | • | • | • | ȯ | • | o | o | o | • | • | o | • | – | – | a/h | – | |
| Gelderland-Zuid | 1996 | g | • | • | o | • | • | ȯ | • | ȯ | • | • | • | • | o | • | – | – | a/h | – |
| 1997 | g | • | • | o | • | • | ȯ | ȯ | ȯ | • | • | ȯ | • | o | • | – | – | a/h | – | |
| Limburg-Zuid | 1996 | g | • | • | • | • | • | • | • | o18 | • | • | • | • | o | • | – | – | a/h | – |
| 1997 | g | • | • | • | • | • | • | • | o | • | • | • | • | o | • | – | – | a/h | – | |
| Brabant -Zuid-Oost | 1996 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | o | • | o | o | • | – | – | a/h | – |
| 1997 | g | • | • | • | • | • | • | ȯ | • | • | • | • | • | o | • | – | – | a/h | – | |
| Individuele instellingen | ||||||||||||||||||||
| LSOP | 1996 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | ȯ | • | o19 | o | • | • | o | h | – |
| 1997 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | ȯ | • | o | o | • | • | o | h | – | |
| Ministerie van Justitie | ||||||||||||||||||||
| Raden van Rechtsbijstand | ||||||||||||||||||||
| Amsterdam | 1996 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | – | – | h | – |
| 1997 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | – | – | h | – | |
| Den Bosch | 1996 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | ȯ | • | – | – | h | – |
| 1997 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | ȯ | • | ȯ | • | – | – | h | – | |
| Arnhem | 1996 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | – | – | h | – |
| 1997 | g | • | • | • | • | • | ȯ | • | • | • | • | • | • | • | • | – | – | h | – | |
Voetnoten staan op p. 105 en 106.
| Instelling | Jaar | Accountantsverklaring | Alge- mene toelichting vermo- genspositie | Eigen vermogen | Voorzieningen | Scheiding publiek-privaat | Waardering materiële vaste activa | Gelieerden & deelnemingen | ||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Strekking verklaring | Oordeel alg. aanv. grond- slagen | Oordeel naleving regelgeving | Specificatie | Onder- scheid bestemd- onbestemd | Toelichting aard/doel reserves | Mutatie- staat per reserve | Verwerking mutaties cf. a.a.g. | Specificatie | Toelichting aard/doel voorzieningen | Mutatie- staat per voorziening | Heldere afbake- ning voorzie- ningen en bestem- mingsre- serves | Weergave langlopend deel voorzieningen | Verwerking mutaties cf. a.a.g. | in baten | in eigen vermogen | |||||
| Den Haag | 1996 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | – | – | h | – |
| 1997 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | – | – | h | – | |
| Leeuwarden | 1996 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | – | – | h | – |
| 1997 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | – | – | h | – | |
| Individuele instellingen | ||||||||||||||||||||
| COA | 1996 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | o | • | – | – | h | – |
| 1997 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | ȯ20 | o | • | – | – | h | – | |
| SRN | 1996 | b | • | • | • | • | • | • | • | • | • | ȯ | • | o21 | ȯ | • | – | •22 | h | – |
| 1997 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | ȯ | • | o | o | • | – | • | h | – | |
| Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | ||||||||||||||||||||
| Uitvoeringsinstellingen | ||||||||||||||||||||
| GAK | 1996 | g | • | • | • | • | • | –23 | • | • | • | • | • | • | • | • | –24 | – | h | – |
| 1997 | g | • | • | • | • | • | – | • | • | • | • | • | • | • | • | – | – | h | – | |
| SFB | 1996 | g | • | • | • | • | • | – | • | • | • | • | • | • | • | • | – | – | – | – |
| 1997 | g | • | • | • | • | • | – | • | • | • | • | • | • | • | • | – | – | – | – | |
| Cadans | 1996 | g | • | • | o | • | • | – | – | • | • | • | • | • | • | • | – | – | h | – |
| 1997 | g | • | • | o | • | • | – | • | • | • | • | • | • | • | • | – | – | h | – | |
| Individuele instellingen | ||||||||||||||||||||
| SVb | 1996 | g | • | • | o | –25 | – | – | – | – | • | • | • | • | o | • | – | – | h | – |
| 1997 | g | • | • | o | – | – | – | – | – | • | • | • | • | • | • | – | – | h | – | |
| Arbeidsvoorzienings- | 1996 | g | • | • | o | –26 | – | o | • | • | • | • | • | • | • | • | • | o | h | – |
| organisatie | 1997 | g | • | • | o | – | – | o | • | • | • | • | • | • | • | • | • | o27 | h | • |
| Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport | ||||||||||||||||||||
| Ziekenfondsen | ||||||||||||||||||||
| RZG | 1996 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | o | • | o | • | – | – | h | – |
| 1997 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | ȯ | • | o | • | – | – | h | – | |
| ZAO | 1996 | g | • | • | • | • | • | o | • | • | – | o | – | • | o | • | – | – | h | • |
| 1997 | g | • | • | • | • | • | o | • | • | • | • | • | • | o | • | – | – | h | • | |
| OZ | 1996 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | – | – | h | – |
| 1997 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | – | – | h | – | |
| CZ | 1996 | – | – | – | • | • | • | o | • | • | • | • | o | • | o | • | – | – | h | – |
| 1997 | g | • | • | • | • | • | ȯ | • | • | • | • | o | • | o | • | – | – | h | – | |
Voetnoten staan op p. 105 en 106.
| Instelling | Jaar | Accountantsverklaring | Alge- mene toelichting vermo- genspositie | Eigen vermogen | Voorzieningen | Scheiding publiek-privaat | Waardering materiële vaste activa | Gelieerden & deelnemingen | ||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Strekking verklaring | Oordeel alg. aanv. grond- slagen | Oordeel naleving regelgeving | Specificatie | Onder- scheid bestemd- onbestemd | Toelichting aard/doel reserves | Mutatie- staat per reserve | Verwerking mutaties cf. a.a.g. | Specificatie | Toelichting aard/doel voorzieningen | Mutatie- staat per voorziening | Heldere afbake- ning voorzie- ningen en bestem- mingsre- serves | Weergave langlopend deel voorzieningen | Verwerking mutaties cf. a.a.g. | in baten | in eigen vermogen | |||||
| VGZ | 1996 | g | • | • | • | • | • | o | • | • | • | • | ȯ | • | • | • | – | – | h | – |
| 1997 | g | • | • | • | • | • | o | • | • | • | • | ȯ | • | • | • | – | – | h | – | |
| Trias | 1996 | g | • | • | • | • | • | ȯ | • | • | • | • | o | • | o | • | – | – | h | – |
| 1997 | g | • | • | • | • | • | ȯ | • | • | • | • | o | • | o | • | – | – | h | – | |
| AZIVO | 1996 | g | • | • | • | • | • | o | • | • | • | • | • | • | o | • | – | – | h | – |
| 1997 | g | • | • | • | • | • | o | • | • | • | • | • | • | o | • | – | – | h | – | |
| Groene Land | 1996 | g | • | • | • | • | • | ȯ | • | • | • | • | • | • | o | • | – | – | a | – |
| 1997 | g | • | • | • | • | • | ȯ | • | • | • | • | • | • | o | • | – | – | a | – | |
| DSW | 1996 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | – | • | • | • | • | • | – | – | h | – |
| 1997 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | – | • | • | • | • | • | – | – | h | – | |
| ONVZ | 1996 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | – | – | – | – | – | – | – | – | h | – |
| 1997 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | – | – | h | – | |
| Individuele instellingen | ||||||||||||||||||||
| Suo | 1996 | g | • | – | o | – | – | – | – | – | • | • | • | • | • | • | – | – | h | – |
| 1997 | g | • | – | • | – | – | – | – | – | • | • | • | • | • | • | – | – | h | – | |
| CvZ | 1996 | g | • | • | • | – | – | – | – | – | • | o | • | • | o | • | – | – | ? | – |
| 1997 | g | • | • | • | • | • | • | • | o28 | • | • | • | • | o | • | – | – | h | – | |
| Overige ministeries | ||||||||||||||||||||
| Individuele instellingen Ministerie van Buitenlandse Zaken | ||||||||||||||||||||
| FMO | 1996 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | o | • | • | • | – | – | h | • |
| 1997 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | o | • | • | • | – | – | h | • | |
| Individuele instellingen Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer | ||||||||||||||||||||
| Kadaster | 1996 | g | • | • | • | • | • | • | o | • | • | • | • | • | • | • | o | • | h | • |
| 1997 | g | • | • | • | • | • | • | o | • | • | • | • | • | • | • | o | • | h | • | |
| CFV | 1996 | g | • | – | o | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | – | – | h | – |
| 1997 | g | • | – | o | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | – | – | h | – | |
| Individuele instellingen Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij | ||||||||||||||||||||
| BBL29 | 1996 | g | – | • | • | • | • | • | • | • | – | – | – | – | – | – | • | o | h | – |
| 1997 | g | – | • | • | • | • | • | • | • | – | – | – | – | – | – | • | • | h | – | |
| Staatsbosbeheer30 | 1996 | g | – | • | – | – | – | – | – | – | – | – | – | – | – | – | – | – | – | – |
| 1997 | g | – | • | – | – | – | – | – | – | – | – | – | – | – | – | – | – | – | – | |
Voetnoten staan op p. 105 en 106.
| Instelling | Jaar | Accountantsverklaring | Alge- mene toelichting vermo- genspositie | Eigen vermogen | Voorzieningen | Scheiding publiek-privaat | Waardering materiële vaste activa | Gelieerden & deelnemingen | ||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Strekking verklaring | Oordeel alg. aanv. grond- slagen | Oordeel naleving regelgeving | Specificatie | Onder- scheid bestemd- onbestemd | Toelichting aard/doel reserves | Mutatie- staat per reserve | Verwerking mutaties cf. a.a.g. | Specificatie | Toelichting aard/doel voorzieningen | Mutatie- staat per voorziening | Heldere afbake- ning voorzie- ningen en bestem- mingsre- serves | Weergave langlopend deel voorzieningen | Verwerking mutaties cf. a.a.g. | in baten | in eigen vermogen | |||||
| Individuele instellingen Ministerie van Economische Zaken | ||||||||||||||||||||
| COVA | 1996 | g | • | – | • | • | • | ȯ | • | • | • | • | o | • | •31 | • | – | – | h | – |
| 1997 | g | • | – | • | • | • | ȯ | • | • | • | • | o | • | • | • | – | – | h | – | |
| Novem | 1996 | g | • | • | • | • | o | o | • | • | • | • | o | • | • | • | • | – | h | – |
| 1997 | g | • | • | • | • | o | o | • | • | • | • | o | • | • | • | • | – | h | – | |
| Individuele instellingen Ministerie van Verkeer en Waterstaat | ||||||||||||||||||||
| RDW | 199632 | |||||||||||||||||||
| 1997 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | o | • | – | – | h | – | |
| VSN | 1996 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | o | • | ȯ | • | • | – | h | – |
| 1997 | g | • | • | • | • | • | • | • | • | • | • | o | • | ȯ | • | • | – | h | – | |
| Individuele instellingen Ministerie van Financiën | ||||||||||||||||||||
| WFM | 1996 | g | • | – | o | – | – | – | – | – | – | • | o | • | • | • | – | – | h | – |
| 1997 | g | • | – | o | – | – | – | – | – | – | • | o | • | • | • | – | - | h | – | |
1 Onder voorzieningen is de voorziening Deltaplan (toegezegde subsidies) opgenomen. Andere musea nemen dit op onder de niet uit de balans blijkende rechten en verplichtingen.
2 Er is slechts één component: het groepsvermogen.
3 Het karakter van de bestemmingsreserves is niet duidelijk omdat deze niet gespecificeerd zijn.
4 Er is wel een mutatiestaat voor het totaal van het eigen vermogen.
5 In 1996 zijn onder de voorzieningen posten opgenomen die het karakter van bestemmingsreserve lijken te hebben.
6 Het internationaliseringsfonds en de voorziening innovatieve projecten lijken het karakter van een bestemmingsreserve te hebben.
7 Op grond van het Sociaal Statuut HZ moet een bestemmingsreserve Voorziening Sociaal Statuut gevormd worden; de naam is dus verwarrend.
8 De overige voorzieningen zijn erg algemeen omschreven: deze kunnen ook het karakter van bestemmingsreserves hebben.
9 Het jubileumfonds onder de voorzieningen lijkt het karakter van een bestemmingsreserve te hebben.
10 Het fonds instandhouding ledenbestand onder de voorzieningen lijkt het karakter van een bestemmingsreserve te hebben.
11 Gebaseerd op financiële jaarverslagen.
12 Gebaseerd op jaarverslagen.
13 Sommige voorzieningen lijken het karakter van bestemmingsreserves te hebben. Zie ook bijlage 1.
14 Onder bestemmingsreserves lijken posten te staan met het karakter van voorzieningen (verplichting aan CBS). Onder de voorzieningen zijn posten opgenomen met het karakter van bestemmingsreserves: te bestemmen investeringen nieuwbouw, investeringen NWO-groot en apparatuurinvesteringen. Zie ook bijlage 1.
15 De voorziening bedrijfsrisico’s, met als doel dekking van economische en technische risico’s (art. 22 TNO-wet), heeft het karakter van een bestemmingsreserve. Zie ook bijlage 1.
16 De voorzieningen zijn niet nauwkeurig omschreven en niet goed toegelicht. Het is niet te beoordelen of de voorzieningen goed naar aard gesplitst zijn e.d..
17 Dotaties aan reserves worden als resultaatbepaling verwerkt.
18 Dotaties aan reserves worden als resultaatbepaling verwerkt.
19 Sommige voorzieningen lijken het karakter van een bestemmingsreserve te hebben.
20 Het karakter van de voorziening capaciteitsbeïnvloedbare verbouwingen is niet duidelijk. Deze post maakt deel uit van nieuw te vormen beleid inzake reserveringen en voorzieningen.
21 Sommige voorzieningen lijken het karakter van een bestemmingsreserve c.q. egalisatierekening te hebben.
22 Deze reserve is in het verleden ontstaan.
23 Voor de componenten geplaatst kapitaal en algemene reserve (overige reserve), waaraan het resultaat wordt toegevoegd, spreekt het doel voor zich (geldt voor alle uvi’s).
24 Er is wel een onderscheid naar wettelijke en niet-wettelijke publieke taken (geldt voor alle uvi’s).
25 SVb behaalt geen financieel resultaat omdat alle kosten doorberekend worden.
26 Onder het eigen vermogen is één reserve opgenomen: overige reserves met een negatief saldo.
27 In de loop van 1997 (officieel in 1998) is een joint-venture met ASV-Diensten BV tot stand gekomen, waarin commerciële activiteiten worden ondergebracht.
28 De onder de lasten opgenomen dotaties betreffen toevoegingen aan egalisatiefonds en bestemmingsreserve (gepresenteerd als resultaatbepaling in plaats van -bestemming).
29 Jaarrekeningen worden pas met ingang van 1998 opgesteld volgens het baten/lastenstelsel (thans nog rekening en verantwoording).
30 Jaarrekeningen worden pas met ingang van 1998 opgesteld volgens het baten/lastenstelsel (thans nog rekening en verantwoording).
31 Er is één voorziening (VUT); deze heeft per definitie een overwegend langlopend karakter.
32 Aangezien de RDW per 1 juli 1996 is verzelfstandigd en overgegaan is van het kasstelsel op het stelsel van lasten en baten, is over 1996 geen beoordeling uitgevoerd.
Instellingen op afstand van het Rijk
Met instellingen op afstand van het Rijk worden die rechtspersonen aangeduid die een taak uitoefenen die bij of krachtens de wet geregeld is en daartoe geheel of gedeeltelijk worden bekostigd uit de opbrengst van bij of krachtens de wet ingestelde heffingen (publieke middelen). De Rekenkamer duidt deze instellingen ook aan met de term rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT’s). De Rekenkamer heeft controlebevoegdheden bij RWT’s. Dit is geregeld in artikel 59 lid 1 onder d van de Comptabiliteitswet.
De term publieke taak betreft een taak die bij of krachtens de wet is geregeld (ook aangeduid als wettelijke taak).
Onder de term publieke gelden vallen alle bij of krachtens de wet ingestelde «heffingen» (artikel 59 CW). Dit kunnen rijksbijdragen (met name subsidies en specifieke uitkeringen), premies of tarieven zijn. Bij premies staat tegenover het bedrag dat belanghebbenden betalen geen directe individuele tegenprestatie, bij tarieven wel. De Rekenkamer beschouwt een tarief als een heffing wanneer in de wettelijke regeling is vastgelegd dat de minister invloed heeft op het tarief, bijvoorbeeld doordat hij het vaststelt, goedkeurt of de grenzen bepaalt (maximale hoogte).
Private activiteiten en gelden
Veel instellingen op afstand van het Rijk verrichten naast de opgedragen publieke taken ook nevenactiviteiten, die niet bij of krachtens de wet aan de instellingen zijn opgedragen. Dit kan zowel op commerciële als niet-commerciële basis plaatsvinden. Te denken valt aan het verrichten van onderzoek, het geven van adviezen aan derden, het verhuren van ruimtes of gebouwen e.d. In dit geval wordt in dit rapport van private activiteiten gesproken.
In sommige gevallen is de grens tussen publieke taken en private activiteiten moeilijk te trekken: bijvoorbeeld bij universiteiten wordt in het verlengde van de wettelijke taak, al dan niet commercieel, contractresearch verricht voor derden (derde geldstroom).
Inkomsten uit private activiteiten worden in dit rapport aangeduid als private gelden. Het gaat dan met name om inkomsten uit private activiteiten, werving van fondsen, legaten e.d.
Hieronder wordt in dit rapport verstaan de som van het eigen vermogen, de voorzieningen en – voorzover van toepassing – de egalisatierekeningen voor ontvangen investeringsbijdragen. Ook waar gesproken wordt van «vermogen» wordt het geheel van deze componenten bedoeld.
Een vierde vorm van vermogensvorming, vorming van stille reserves, komt in dit onderzoek slechts zijdelings aan bod.
De belangrijkste en meest «pure» component van vermogen is het eigen vermogen («vermogen in enge zin»), het saldo van activa minus vreemd vermogen. Bij instellingen op afstand van het Rijk bestaat het eigen vermogen met name uit reserves (inclusief niet verdeelde exploitatieresultaten)1. Reserves worden gevormd uit het resultaat (= resultaatbestemming). Reserves komen in diverse soorten voor. De voor ondernemingen op grond van Titel 9, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek specifiek voorgeschreven categorieën reserves zijn niet toepasbaar op het overgrote deel van de instellingen op afstand van het Rijk (grotendeels publiekrechtelijke rechtspersonen of stichtingen). Bij deze instellingen, niet-zijnde NV’s of BV’s, is een zinvolle indeling van reserves:
• algemene (niet-bestemde) reserves: vrij besteedbare reserves, meestal gevormd door middel van verwerking van de voorlopige of definitieve winstbestemming of vrijval uit andere reserves;
• bestemde reserves: geoormerkte reserves die voor een bepaald doel apart zijn gezet (soms aangeduid als fondsen); dit kunnen door het bestuur geoormerkte reserves of door derden geoormerkte reserves (beklemde reserves) zijn;
• onverdeelde exploitatieresultaten.
Het eigen vermogen vervult diverse functies:
• financieringsfunctie («structurele reserves»): vormen van reserves ter financiering van (bedrijfsgebonden, materiële) vaste activa, met name gebouwen en materieel (het «permanente vermogensbeslag»);
• bufferfunctie («weerstandsvermogen», «conjuncturele reserves»): vormen van reserves, ter waarborging van de continuïteit, ten behoeve van de opvang van fluctuaties in de exploitatie («egalisatiefunctie») en de opvang van algemene bedrijfsrisico’s;
• bestemmingsfunctie: vormen van geoormerkte reserves («fondsen») voor een specifiek doel.
Aangezien het eigen vermogen feitelijk het verschil tussen activa («bezittingen») en vreemd vermogen (inclusief voorzieningen) is, is ook de juiste waardering van deze activa en het vreemd vermogen van belang. Zo leidt een te lage waardering van activa («stille reserves») en te hoge dotaties aan de voorzieningen tot een lager eigen vermogen2.
Volgens algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving, zoals neergelegd in artikel 374 van Titel 9, worden voorzieningen op de balans opgenomen ter dekking van op de balansdatum bestaande:
• verplichtingen en verliezen waarvan de omvang op de balansdatum onzeker is, doch redelijkerwijs is te schatten;
• risico’s ter zake van bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen waarvan de omvang redelijkerwijs is te schatten;
• kosten die in een volgend boekjaar zullen worden gemaakt, mits het maken van die kosten zijn oorsprong mede vindt in het boekjaar of in een voorafgaand boekjaar en de voorziening strekt tot gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal boekjaren.
Voorzieningen worden gevormd ten laste van het resultaat (resultaatbepaling). Ondanks dat voorzieningen tot het vreemd vermogen behoren, worden voorzieningen in dit onderzoek toch tot het «vermogen» (bufferfunctie) gerekend. Bij voorzieningen is namelijk geen sprake van harde verplichtingen (schulden): voorzieningen worden gevormd voor onzekere gebeurtenissen die in de toekomst waarschijnlijk (doch niet zeker) tot kosten zullen leiden. Bij voorzieningen is dus vaak sprake van subjectiviteit, schattingen en onzekerheid, en dus beïnvloedingsmogelijkheden. Bij instellingen op afstand van het Rijk is het risico van vorming van te hoge of oneigenlijke voorzieningen – ten laste van het resultaat en het eigen vermogen – niet ondenkbaar. De afbakening tussen bestemmingsreserves en voorzieningen is vaak moeilijk te trekken en onzuiver.
De Raad voor de Jaarverslaggeving heeft nadere voorwaarden verbonden aan het vormen van voorzieningen:
• het gaat om concrete, specifieke risico’s die uitgaan boven het algemene risico dat aan ondernemen verbonden is (dus geen voorzieningen voor algemene risico’s);
• de risico’s moeten op de balansdatum aanwezig zijn en hun oorsprong vinden in gebeurtenissen tot en met balansdatum;
• er moet een zekere mate van waarschijnlijkheid zijn dat het risico tot een verplichting of verlies leidt;
• een redelijke benadering van het vermoedelijke nadeel voortvloeiend uit bedoelde risico’s moet mogelijk zijn.
Egalisatierekeningen voor investeringsbijdragen
Egalisatierekeningen worden gevormd door van derden ontvangen investeringsbijdragen niet direct geheel in het jaar van ontvangst als opbrengst ten gunste van de resultatenrekening te brengen, maar te passiveren («reserveren») op de balans1. Dit heeft als doel het tot uiting brengen (egaliseren) van de werkelijke afschrijvingskosten van materiële vaste activa. Jaarlijks wordt afgeschreven op de activa en valt een evenredig deel van de egalisatierekening vrij ten gunste van de resultatenrekening.
De Raad voor de Jaarverslaggeving heeft bepaald dat deze egalisatierekeningen apart op de balans moeten worden opgenomen en niet mogen worden gepresenteerd als eigen vermogen of voorzieningen. Egalisatierekeningen komen slechts voor bij een deel van de instellingen.
Stille reserves zijn «verborgen reserves» die aan de activazijde van de balans worden «gevormd» door materiële vaste activa voorzichtig (historisch) te waarderen, zodat de boekwaarde (balanswaarde) lager is dan de actuele waarde. Bij afstoting, herwaardering of volledige afschrijving van het activum wordt dan een waardesurplus boven de boekwaarde «gerealiseerd». Stille reserves zijn een uitvloeisel van het algemeen aanvaarde voorzichtigheidsbeginsel. De meeste instellingen op afstand van het Rijk waarderen hun vaste activa historisch (vaak verplicht), zodat stille reserves veel bij deze instellingen zullen voorkomen. De omvang van de stille reserves kan alleen uit de jaarrekening worden gedestilleerd, indien in de toelichting naast de boekwaarde op basis van historische kosten ook de actuele waarde wordt vermeld, hetgeen zelden gebeurt.
Aangezien algemeen voor instellingen op afstand van het Rijk geldende wet- en regelgeving inzake vermogensvorming ontbreekt heeft de Rekenkamer een toetsingskader ontwikkeld ter beoordeling van de vermogenvorming van instellingen op afstand van het rijk.
De eerste hoofdnorm betreft de rechtmatigheid van de vermogensvorming, waarbij naleving van de vigerende wet- en regelgeving door de instelling centraal staat: de vorming en aanwending van eigen vermogen en voorzieningen (en voor zover van toepassing egalisatierekeningen voor investeringsbijdragen) en de verantwoording daarover in de jaarrekening vindt plaats in overeenstemming met wet- en regelgeving. Deze regelgeving dient, voor zover mogelijk, in overeenstemming te zijn met de algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving.
Voor de minister en/of toezichthouder stelt de Rekenkamer als norm dat deze zorg draagt voor regelgeving of nadere afspraken tussen ministerie en (cluster van) instellingen inzake onder meer:
• toegestane soorten reserves en voorzieningen;
• normatieve omvang en begrenzing (minimale en maximale hoogte) van eigen vermogen (en eventueel ook voorzieningen);
• bestedingsdoel van met publieke gelden opgebouwde reserves;
• (voorwaarden van) aantrekken van vreemd vermogen (lenen);
• voorwaarden voor liquiditeitenbeheer, in het bijzonder beleggen en uitlenen (mate van risicovol beleggen, uitlenen in het verlengde van de publieke taak);
• (voorzover van toepassing) verhouding tussen uit publieke en private middelen opgebouwd eigen vermogen.
De regelgeving en afspraken dienen te zijn gebaseerd op een systematische analyse van relevante factoren en risico’s(zie hieronder)1. De inhoud zal per (cluster van) instelling(en) variëren, afhankelijk van factoren als de sturingsrelatie, mate van zelfstandigheid e.d. (zie kader en handreiking (bijlage 2))
Relevante factoren en risico’s:
A. Algemene factoren:
• besturingsfilosofie (verhouding Rijk–instelling);
• bekostigingswijze (subsidies, garanties, leningen);
• omvang en soorten reserves en voorzieningen bij organisaties met vergelijkbare risico’s;
• etc.;
B. Factoren ter bepaling van de financieringsfunctie van het eigen vermogen:
• waardering, samenstelling, ouderdom, financieringsbehoefte materiële vaste activa;
• beleidslijn ministerie terzake: mate van vergoeding huisvestingslasten, mate van verstrekking investeringsbijdragen, mogelijkheid van financiering met vreemd vermogen (en dan mate van afdekking financieringslasten), instelling waarborgfondsen e.d.;
C. Factoren ter bepaling van de bufferfunctie van het eigen vermogen (en voorzieningen):
• inventarisatie overige risico’s: politieke risico’s, maatschappelijke risico’s, financiële risico’s, personele risico’s, exploitatierisico’s, bestuurlijke bedrijfsrisico’s en technische bedrijfsrisico’s;
• exploitatieresultaten in het verleden;
• flexibiliteit van de kostenstructuur en mogelijkheid van doorberekening aan derden (afwenteling, bijv. via tariefsverhoging);
• risicobeheersingsmaatregelen (verzekeringen e.d.);
• restrisico’s en benodigde risico-afdekking via vorming van voorzieningen en reserves.
In de regelgeving of afspraken is aangegeven hoe met afwijkingen van de norm omgegaan wordt (bijv. versterking of afroming van eigen vermogen, verplichte aanwending vermogensoverschot voor het beoogde doel, aanpassing rijksbijdrage/subsidie, reductie/uitbreiding soorten voorzieningen e.d.). De minister draagt zorg voor voldoende toezicht en controle op naleving van de regelgeving of afspraken.
Daarnaast stelt de Rekenkamer als norm voor de instelling, dat deze met inachtneming van de regelgeving en afspraken, een inhoudelijk deugdelijk beleid voert inzake:
• vorming en aanwending van eigen vermogen en voorzieningen (en indien van toepassing egalisatierekeningen) in overeenstemming met de functies van deze vermogenscomponenten1;
• deugdelijke verantwoording hierover in de jaarrekening (verwerking, presentatie en toelichting zoveel mogelijk conform algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving2 );
• aandacht voor verwachte ontwikkelingen in eigen vermogen en voorzieningen in de begroting;
• lenen, beleggen en uitlenen van liquide middelen;
• (voorzover van toepassing) het voorkomen van het parkeren van publieke gelden bij gelieerde organisaties en het oneigenlijk aanwenden van publieke middelen voor private activiteiten.
Het beleid is gebaseerd op bovengenoemde analyse van relevante factoren en risico’s. Het beleid wordt stelselmatig toegepast, is vastgelegd en vastgesteld door het bestuur en wordt tijdig geactualiseerd.
Het eigen vermogen vervult aantoonbaar een financierings-, buffer- of bestemmingsfunctie. De voor ondernemingen op grond van Titel 9, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek specifiek voorgeschreven categorieën reserves zijn niet toepasbaar op het overgrote deel van de instellingen op afstand van het Rijk (grotendeels publiekrechtelijke rechtspersonen of stichtingen).
Een zinvolle indeling van reserves voor deze instellingen is:
• algemene (niet-bestemde) reserves: vrij besteedbare reserves, meestal gevormd door middel van verwerking van de voorlopige of definitieve winstbestemming of vrijval uit andere reserves;
• bestemde reserves: geoormerkte reserves die voor een bepaald doel apart zijn gezet (soms aangeduid als fondsen); dit kunnen door het bestuur geoormerkte reserves of door derden geoormerkte reserves (beklemde reserves) zijn;
• onverdeelde exploitatieresultaten.
Aangezien het eigen vermogen feitelijk het verschil tussen activa («bezittingen») en vreemd vermogen (inclusief voorzieningen) is, is ook de juiste waardering van deze activa en het vreemd vermogen van belang. Zo leidt een te lage waardering van activa («stille reserves») en te hoge dotaties aan de voorzieningen tot een lager eigen vermogen1.
Voorzieningen worden slechts gevormd onder de voorwaarden van Titel 9 en de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving. Volgens artikel 374 van Titel 9, worden voorzieningen op de balans opgenomen ter dekking van op de balansdatum bestaande:
• verplichtingen en verliezen waarvan de omvang op de balansdatum onzeker is, doch redelijkerwijs is te schatten;
• risico’s ter zake van bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen waarvan de omvang redelijkerwijs is te schatten;
• kosten die in een volgend boekjaar zullen worden gemaakt, mits het maken van die kosten zijn oorsprong mede vindt in het boekjaar of in een voorafgaand boekjaar en de voorziening strekt tot gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal boekjaren.
Egalisatierekeningen voor ontvangen investeringsbijdragen worden gevormd onder de voorwaarden van de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving. Daarin is bepaald dat egalisatierekeningen apart op de balans moeten worden opgenomen en niet mogen worden gepresenteerd als eigen vermogen of voorzieningen.
Eigen vermogen, voorzieningen en egalisatierekeningen worden aangewend voor het doel waarvoor ze gevormd zijn. Indien een voorziening (ten dele) niet meer benodigd is, dient een vrijval ten gunste van de resultatenrekening plaats te vinden.
De verwerking van mutaties in eigen vermogen, voorzieningen en egalisatierekeningen vindt volgens algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving plaats:
• toevoegingen en onttrekkingen aan en vrijval van reserves lopen zoveel mogelijk via de resultatenrekening2 als resultaatbestemming (met name toevoegingen aan reserves);
• dotaties en vrijval van voorzieningen lopen via de resultatenrekening3 als resultaatbepaling; onttrekkingen aan voorzieningen lopen via de balans;
• ontvangen investeringsbijdragen worden als egalisatierekening onder de passiva opgenomen4; jaarlijkse vindt een – aan de afschrijving op het betreffende actief evenredige – vrijval ten gunste van de resultatenrekening plaats.
De presentatie en toelichting op eigen vermogen, voorzieningen en egalisatierekeningen in de jaarrekening is toereikend:
• duidelijke, inzichtelijke presentatie in de balans;
• stelselmatigheid (grondslagen), voldoende toelichting op gevolgen van stelselwijzigingen;
• informatieve toelichting.
Een informatieve toelichting houdt met name in:
• Voldoende specificatie van de balansposten eigen vermogen, voorzieningen en egalisatierekeningen;
• overzicht verloop van de diverse gespecificeerde reserves, voorzieningen en egalisatierekeningen (opname mutatiestaten: beginsaldo, toevoegingen, onttrekkingen, vrijval en eindsaldo);
• toelichting aard en doel van eigen vermogen, voorzieningen en egalisatierekeningen;
• nauwkeurige omschrijving diverse voorzieningen;
• toelichting functies en mate van bestemdheid eigen vermogen;
• aangeven langlopend deel van de voorzieningen.
De kwalificatie/onderlinge afgrenzing van eigen vermogen, voorzieningen en egalisatierekeningen is voldoende: eigen vermogen voor algemene risico’s zonder verplichtingenkarakter, voorzieningen voor specifieke risico’s met verplichtingenkarakter en egalisatierekeningen voor egalisatie van ontvangen investeringsbijdragen.
OVERZICHT SOLVABILITEIT INSTELLINGEN


Cijfermatig overzicht vermogensvorming (bedragen x f 1 000)
| Instelling | Jaar | Eigen vermogen totaal | Voorzieningen | Egali-satie-rekening | «Vermo-gen» totaal | Materiële vaste activa | Liquide midde-len + kortlopende beleg-gingen | Langlopende beleg-gingen | Langlopende schulden | Balans-totaal | Solvabiliteit 1 (eigen vermo-gen/ba-lans-totaal) | Solvabiliteit 2 (vermo-gen/ba-lans-totaal) | Liquiditeit (current ratio) | Baten | Resultaat | «Publieke midde-len/baten: < 50%; 50%–75%; > 75%» |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen | ||||||||||||||||
| Universiteiten | ||||||||||||||||
| Universiteit Twente | 1995 | 353 500 | 26 400 | 379 900 | 277 600 | 67 400 | 17 600 | 525 800 | 67,2 | 72,3 | 1,4 | 335 200 | 1 800 | 50–75 | ||
| 1996 | 362 200 | 28 700 | 390 900 | 293 700 | 73 500 | 18 700 | 4 000 | 569 400 | 63,6 | 68,7 | 1,3 | 345 800 | 4 200 | 50–75 | ||
| 1997 | 292 800 | 38 600 | 331 400 | 232 700 | 90 400 | 21 600 | 3 600 | 502 600 | 58,3 | 65,9 | 1,3 | 336 400 | – 900 | 50–75 | ||
| Erasmus Universiteit | 1995 | 463 500 | 18 300 | 481 800 | 462 300 | 56 700 | 29 800 | 633 000 | 73,2 | 76,1 | 1,3 | 493 100 | 10 300 | > 75 | ||
| 1996 | 468 300 | 9 000 | 477 300 | 475 500 | 46 300 | 28 700 | 647 500 | 72,3 | 73,7 | 1,1 | 479 600 | 9 000 | 50–75 | |||
| 1997 | 492 800 | 11 400 | 504 200 | 502 400 | 74 500 | 57 600 | 715 400 | 68,9 | 70,5 | 1,3 | 526 500 | 34 700 | 50–75 | |||
| Vrije Universiteit | 1995 | 322 100 | 17 300 | 339 400 | 251 700 | 114 700 | 12 700 | 478 800 | 67,3 | 70,9 | 1,7 | 589 400 | 20 400 | > 75 | ||
| 1996 | 372 300 | 23 900 | 396 200 | 252 000 | 165 600 | 12 100 | 529 800 | 70,3 | 74,8 | 2,2 | 613 700 | 49 000 | 50–75 | |||
| 1997 | 398 800 | 35 000 | 433 800 | 242 200 | 207 700 | 3 400 | 573 100 | 69,6 | 75,7 | 2,3 | 603 400 | 24 200 | > 75 | |||
| Katholieke Universiteit | 1995 | 469 300 | 60 500 | 529 800 | 327 800 | 158 600 | 100 | 659 400 | 71,2 | 80,3 | 2,6 | 610 100 | 14 800 | > 75 | ||
| Nijmegen | 1996 | 395 252 | 96 879 | 492 131 | 260 576 | 164 356 | 0 | 627 866 | 63,0 | 78,4 | 2,7 | 634 755 | 7 974 | 50–75 | ||
| 1997 | 420 450 | 106 474 | 526 924 | 274 913 | 183 286 | 0 | 682 792 | 61,6 | 77,2 | 2,6 | 651 811 | 9 683 | 50–75 | |||
| Universiteit Wageningen (valt | 1995 | 243 100 | 13 100 | 256 200 | 276 400 | 9 500 | 323 100 | 75,2 | 79,3 | 0,7 | 345 600 | 2 500 | 50–75 | |||
| formeel onder LNV, maar ter | 1996 | 249 600 | 10 200 | 259 800 | 277 400 | 16 500 | 332 300 | 75,1 | 78,2 | 0,7 | 370 200 | 4 800 | 50–75 | |||
| vergelijking hier opgenomen) | 1997 | 252 100 | 9 300 | 261 400 | 276 800 | 19 800 | 334 800 | 75,3 | 78,1 | 0,8 | 369 500 | 8 000 | 50–75 | |||
| Universiteit van Utrecht | 1995 | 745 466 | 0 | 745 466 | 604 196 | 189 596 | 2 540 | 913 890 | 81,6 | 81,6 | 1,7 | 832 577 | 30 229 | > 75 | ||
| 1996 | 804 824 | 0 | 804 824 | 621 433 | 259 580 | 2 546 | 1 010 246 | 79,7 | 79,7 | 1,8 | 968 463 | 61 499 | > 75 | |||
| 1997 | 859 254 | 24 000 | 883 254 | 717 744 | 285 936 | 2 558 | 1 140 005 | 75,4 | 77,5 | 1,6 | 983 000 | 26 685 | > 75 | |||
| Universiteit van Maastricht | 1995 | 330 830 | 13 320 | 344 150 | 253 584 | 41 181 | 62 358 | 428 841 | 77,1 | 80,3 | 1,2 | 356 573 | 4 202 | > 75 | ||
| 1996 | 330 241 | 15 564 | 345 805 | 247 775 | 24 881 | 94 066 | 454 144 | 72,7 | 76,1 | 1,0 | 347 240 | 3 824 | > 75 | |||
| 1997 | 331 710 | 19 015 | 350 725 | 249 021 | 25 341 | 95 269 | 461 220 | 71, 9 | 76,0 | 1,0 | 372 337 | 9 082 | > 75 | |||
| Technische Universiteit | 1995 | 296 100 | 50 200 | 346 300 | 203 800 | 149 600 | 454 200 | 65,2 | 76,2 | 2,2 | 365 500 | 11 400 | > 75 | |||
| Eindhoven | 1996 | 313 200 | 56 400 | 369 600 | 258 800 | 135 000 | 491 400 | 63,7 | 75,2 | 1,8 | 377 700 | 17 100 | > 75 | |||
| 1997 | 323 700 | 44 200 | 367 900 | 264 300 | 123 300 | 491 200 | 65,9 | 74, 9 | 1,8 | 378 000 | 10 500 | > 75 | ||||
| Universiteit van Amsterdam | 1995 | 451 300 | 74 600 | 525 900 | 475 600 | 90 800 | 750 000 | 60,2 | 70,1 | 1,1 | 824 100 | 19 800 | > 75 | |||
| 1996 | 474 100 | 81 200 | 555 300 | 470 500 | 141 100 | 763 100 | 62,1 | 72,8 | 1,3 | 819 300 | 22 800 | > 75 | ||||
| 1997 | 447 800 | 124 200 | 572 000 | 450 700 | 175 900 | 803 400 | 55,7 | 71,2 | 1,4 | 830 500 | – 26 300 | > 75 | ||||
| Rijksuniversiteit Groningen | 1995 | 567 400 | 16 500 | 583 900 | 474 200 | 106 300 | 2 700 | 632 000 | 89,8 | 92,4 | 3,4 | 742 900 | 20 900 | > 75 | ||
| 1996 | 595 356 | 16 492 | 611 848 | 488 870 | 129 785 | 2 620 | 676 456 | 88,0 | 90,4 | 3,0 | 729 700 | 25 336 | > 75 | |||
| 1997 | 619 944 | 19 275 | 639 219 | 498 690 | 137 847 | 0 | 748 557 | 82,8 | 85,4 | 2,2 | 739 800 | 24 473 | > 75 | |||
| Technische Universiteit Delft | 1995 | 573 610 | 4 547 | 578 157 | 366 436 | 204 507 | 838 086 | 68,4 | 69,0 | 1,7 | 699 194 | 17 218 | > 75 | |||
| 1996 | 410 974 | 78 438 | 489 412 | 265 269 | 252 070 | 775 435 | 53,0 | 63,1 | 1,7 | 741 757 | 10 529 | > 75 | ||||
| 1997 | 445 352 | 87 642 | 532 994 | 332 318 | 232 811 | 852 760 | 52,2 | 62,5 | 1,6 | 748 009 | 11 756 | > 75 | ||||
| Katholieke Universiteit Brabant | 1995 | 175 974 | 14 150 | 190 124 | 134 498 | 58 096 | 640 | 211 071 | 83,4 | 90,1 | 3,6 | 174 484 | 4 270 | > 75 | ||
| 1996 | 180 996 | 16 099 | 197 095 | 130 285 | 71 822 | 550 | 218 814 | 82,7 | 90,1 | 4,1 | 177 514 | 3 220 | > 75 | |||
| 1997 | 185 694 | 18 607 | 204 301 | 129 504 | 78 702 | 460 | 229 887 | 80,8 | 88,9 | 3,9 | 185 999 | 855 | 50–75 | |||
| Universiteit Leiden | 1995 | 333 932 | 84 108 | 418 040 | 342 868 | 84 921 | 25 000 | 606 048 | 55,1 | 69,0 | 1,2 | 655 648 | – 13 760 | > 75 | ||
| 1996 | 199 195 | 217 275 | 416 470 | 351 244 | 51 672 | 53 000 | 619 366 | 32,2 | 67,2 | 1,0 | 681 200 | – 134 737 | > 75 | |||
| 1997 | 205 300 | 201 200 | 406 500 | 355 500 | 60 400 | 28 000 | 596 300 | 34,4 | 68,2 | 1,1 | 668 300 | 6 100 | > 75 | |||
| Open Universiteit Nederland | 1995 | 69 943 | 14 792 | 84 735 | 44 240 | 30 561 | 95 835 | 73,0 | 88,4 | 3,7 | 100 838 | 1 329 | > 75 | |||
| 1996 | 67 803 | 19 377 | 87 180 | 40 060 | 44 835 | 99 265 | 68,3 | 87,8 | 4,5 | 97 059 | 449 | > 75 | ||||
| 1997 | 67 500 | 22 800 | 90 300 | 37 400 | 46 400 | 104 600 | 64,5 | 86,3 | 4,4 | 102 500 | 300 | > 75 | ||||
| Totaal Cluster Universiteiten | 1995 | 5 396 055 | 407 817 | 5 803 872 | 4 495 222 | 1 362 462 | 104 958 | 48 480 | 7 550 071 | 71,5 | 76,9 | 1,6 | 7 125 214 | 145 388 | > 75 | |
| (incl. UW = LNV) | 1996 | 5 224 341 | 669 524 | 5 893 865 | 4 433 412 | 1 577 001 | 165 766 | 50 516 | 7 815 092 | 66,8 | 75,4 | 1,6 | 7 383 988 | 84 994 | > 75 | |
| 1997 | 5 343 204 | 761 713 | 6 104 917 | 4 564 190 | 1 742 323 | 144 869 | 67 618 | 8 236 621 | 64,9 | 74,1 | 1,6 | 7 496 056 | 139 134 | > 75 | ||
| Hogescholen | ||||||||||||||||
| Rijkshogeschool IJsselland | 1995 | 1 475 | 2 520 | 3 995 | 10 174 | 11 124 | 8 080 | 32 432 | 4, 5 | 12,3 | 1,0 | 54 840 | – 2 039 | > 75 | ||
| 1996 | – 740 | 2 064 | 1 324 | 15 958 | 544 | 11 894 | 26 682 | – 2,8 | 5,0 | 0,7 | 58 152 | – 2 126 | > 75 | |||
| 1997 | – 280 | 1 932 | 1 652 | 14 848 | 611 | 10 722 | 26 317 | – 1,1 | 6,3 | 0,7 | 62 760 | 465 | > 75 | |||
| Katholieke PABO Zwolle | 1995 | 5 747 | 758 | 6 505 | 1 097 | 6 420 | 203 | 7 785 | 73,8 | 83,6 | 6,2 | 6 119 | 993 | > 75 | ||
| 1996 | 6 536 | 1 011 | 7 547 | 1 138 | 5 527 | 1 627 | 184 | 8 708 | 75,1 | 86,7 | 6,0 | 6 427 | 789 | > 75 | ||
| 1997 | 8 317 | 988 | 9 305 | 2 729 | 5 818 | 1 627 | 143 | 10 726 | 77,5 | 86,8 | 4,9 | 7 352 | 1 781 | > 75 | ||
| Hogeschool voor Economische | 1995 | 15 043 | 7 344 | 22 387 | 13 412 | 12 070 | 2 762 | 30 701 | 49,0 | 72,9 | 3,1 | 38 181 | – 413 | > 75 | ||
| Studies Rotterdam | 1996 | 15 392 | 7 231 | 22 623 | 12 281 | 12 124 | 1 962 | 29 945 | 51,4 | 75,5 | 3,3 | 38 619 | 63 | > 75 | ||
| 1997 | 16 237 | 6 418 | 22 655 | 12 996 | 10 698 | 1 162 | 30 189 | 53,8 | 75,0 | 2,7 | 42 299 | 845 | > 75 | |||
| Hogeschool voor de Kunsten | 1995 | 9 534 | 18 868 | 28 402 | 36 092 | 6 643 | 41 103 | 77 551 | 12, 3 | 36,6 | 1,4 | 49 716 | 646 | > 75 | ||
| 1996 | 18 642 | 5 449 | 24 091 | 36 012 | 6 105 | 40 271 | 76 930 | 24,2 | 31,3 | 0,7 | 52 479 | 612 | > 75 | |||
| 1997 | 18 774 | 5 493 | 24 267 | 64 567 | 4 615 | 38 640 | 76 930 | 24,4 | 31,5 | 0,6 | 53 568 | 132 | > 75 | |||
| Hogeschool Diedenoort | 1995 | 3 255 | 2 353 | 5 608 | 5 049 | 3 868 | 1 256 | 10 517 | 30,9 | 53,3 | 1,5 | 13 556 | 820 | > 75 | ||
| 1996 | 2 968 | 2 340 | 5 308 | 5 924 | 2 295 | 1 189 | 9 725 | 30,5 | 54,6 | 1,2 | 13 756 | – 314 | > 75 | |||
| 1997 | 2 123 | 1 963 | 4 086 | 5 268 | 2 049 | 1 123 | 9 168 | 23,2 | 44,6 | 1,0 | 13 621 | – 1 358 | > 75 | |||
| Chr. Hogeschool Windesheim | 1995 | 29 622 | 10 917 | 40 539 | 90 356 | 21 128 | 71 451 | 126 580 | 23,4 | 32,0 | 2,3 | 124 896 | – 2 215 | > 75 | ||
| 1996 | 27 878 | 10 632 | 38 510 | 86 212 | 11 105 | 6 018 | 68 999 | 120 247 | 23,2 | 32,0 | 1,9 | 119 034 | – 1 880 | > 75 | ||
| 1997 | 33 960 | 13 728 | 47 688 | 81 247 | 23 666 | 6 035 | 64 157 | 128 929 | 26,3 | 37,0 | 2,2 | 128 442 | 6 016 | > 75 | ||
| Gerrit Rietveld Academie | 1995 | 1 877 | 136 | 2 013 | 6 898 | 758 | 5 893 | 9 300 | 20,2 | 21,6 | 1,4 | 13 134 | 813 | > 75 | ||
| 1996 | 3 052 | 146 | 3 198 | 7 407 | 822 | 5 627 | 9 864 | 30,9 | 32,4 | 1,9 | 13 870 | 1 175 | > 75 | |||
| 1997 | 2 621 | 161 | 2 782 | 6 918 | 2 297 | 5 389 | 10 412 | 25,2 | 26,7 | 1,4 | 12 624 | – 431 | > 75 | |||
| Academie voor beeldende | 1995 | 844 | 655 | 1 499 | 3 917 | 1 769 | 2 739 | 6 892 | 12,2 | 21,7 | 1,1 | 9 472 | – 273 | > 75 | ||
| Kunst | 1996 | 769 | 877 | 1 646 | 3 657 | 2 197 | 2 416 | 7 058 | 10,9 | 23,3 | 1,0 | 10 025 | 782 | > 75 | ||
| 1997 | – 1 455 | 332 | – 1 123 | 5 425 | 302 | 1 496 | 6 819 | – 21,3 | – 16,5 | 0,2 | 10 357 | – 2 021 | > 75 | |||
| Hogeschool De Horst | 1995 | 145 | 1 260 | 1 405 | 6 527 | 530 | 9 896 | 13 460 | 1,1 | 10,4 | 1,4 | 16 973 | 20 900 | > 75 | ||
| 1996 | 975 | 2 016 | 2 991 | 8 707 | 2 998 | 8 160 | 13 554 | 7,2 | 22,1 | 1,9 | 18 493 | 25 336 | > 75 | |||
| 1997 | 159 | 1 791 | 1 950 | 7 890 | 990 | 6 309 | 10 814 | 1,5 | 18,0 | 1,0 | 15 948 | 24 473 | > 75 | |||
| RK Technische Hogeschool | 1995 | 10 246 | 5 212 | 15 458 | 23 327 | 9 942 | 14 940 | 35 797 | 28,6 | 43,2 | 2,2 | 22 828 | 1 202 | > 75 | ||
| Rijswijk | 1996 | 11 856 | 4 497 | 16 353 | 22 150 | 11 337 | 14 356 | 36 571 | 32,4 | 44, 7 | 2,3 | 24 092 | 1 708 | 50–75 | ||
| 1997 | 12 008 | 5 161 | 17 169 | 21 476 | 12 661 | 13 775 | 36 921 | 32,5 | 46, 5 | 2,5 | 23 544 | 521 | > 75 | |||
| Hotelschool Den Haag | 1995 | 4 612 | 3 443 | 8 055 | 1 216 | 3 957 | 5 141 | 16 847 | 27,4 | 47,8 | 1,5 | 14 913 | 1 563 | > 75 | ||
| 1996 | 5 142 | 3 642 | 8 784 | 1 088 | 3 941 | 5 000 | 17 798 | 28,9 | 49,4 | 1,6 | 14 599 | 531 | > 75 | |||
| 1997 | 7 849 | 2 529 | 10 378 | 11 128 | 5 694 | 4 634 | 19 092 | 41,1 | 54,4 | 1,9 | 17 828 | 1 501 | 50–75 | |||
| The Design Academy | 1995 | 4 004 | 187 | 4 191 | 2 820 | 2 237 | 311 | 5 452 | 73,4 | 76,9 | 2,7 | 7 528 | 306 | > 75 | ||
| 1996 | 4 991 | 205 | 5 196 | 2 681 | 354 | 311 | 6 907 | 72,3 | 75,2 | 0,4 | 8 876 | 1 054 | > 75 | |||
| 1997 | 6 601 | 224 | 6 825 | 6 244 | 2 040 | 311 | 14 433 | 45,7 | 47,3 | 0,6 | 12 166 | 1 533 | 50–75 | |||
| Hogeschool Holland | 1995 | 31 622 | 4 236 | 35 858 | 55 319 | 18 232 | 30 660 | 90 739 | 34,8 | 39,5 | 1,2 | 86 671 | 2 108 | > 75 | ||
| 1996 | 31 956 | 5 617 | 37 573 | 52 090 | 18 993 | 4 300 | 29 119 | 94 177 | 33,9 | 39,9 | 1,1 | 89 723 | 334 | > 75 | ||
| 1997 | 30 731 | 7 361 | 38 092 | 71 013 | 26 314 | 4 300 | 50 709 | 122 885 | 25 ,0 | 31,0 | 1,2 | 102 445 | – 1 277 | > 75 | ||
| Hogeschool Alkmaar | 1995 | 7 947 | 1 281 | 9 228 | 31 653 | 22 158 | 35 853 | 59 813 | 13,3 | 15,4 | 1,8 | 56 723 | 843 | > 75 | ||
| 1996 | 7 471 | 1 967 | 9 438 | 30 163 | 23 909 | 34 969 | 59 870 | 12,5 | 15,8 | 1,8 | 57 993 | – 448 | > 75 | |||
| 1997 | 2 813 | 4 946 | 7 759 | 40 546 | 16 246 | 34 093 | 60 786 | 4,6 | 12,8 | 1,1 | 58 727 | – 4 628 | > 75 | |||
| Hogeschool Helicon | 1995 | 1 476 | 269 | 1 745 | 6 135 | 854 | 4 838 | 7 383 | 20,0 | 23,6 | 1,6 | 3 924 | 39 | > 75 | ||
| 1996 | 2 555 | 434 | 2 989 | 6 694 | 1 728 | 5 162 | 9 659 | 26,5 | 30,9 | 1,6 | 5 821 | – 124 | > 75 | |||
| 1997 | 2 610 | 448 | 3 058 | 6 543 | 1 759 | 4 947 | 9 611 | 27,2 | 31,8 | 1,6 | 6 436 | 55 | > 75 | |||
| Hogeschool West-Brabant | 1995 | 54 889 | 4 408 | 59 297 | 75 913 | 3 058 | 35 943 | 121 514 | 45,2 | 48,8 | 0,2 | 101 414 | 3 161 | > 75 | ||
| 1996 | 55 312 | 5 829 | 61 141 | 74 488 | 4 345 | 34 423 | 132 611 | 41,7 | 46,1 | 0,5 | 113 459 | 1 022 | > 75 | |||
| 1997 | 57 768 | 5 508 | 63 276 | 71 854 | 9 082 | 25 491 | 138 295 | 41,8 | 45, 8 | 0,5 | 116 875 | 3 056 | > 75 | |||
| Pedagogische Hogeschool «De | 1995 | 625 | 1 418 | 2 043 | 2 021 | 2 538 | 1 772 | 4 980 | 12,6 | 41,0 | 2,5 | 4 409 | 254 | > 75 | ||
| Kempel» | 1996 | 1 141 | 1 459 | 2 600 | 2001 | 2 995 | 1 634 | 5 413 | 21,1 | 48,0 | 2,8 | 4 504 | 516 | > 75 | ||
| 1997 | 1 963 | 1 608 | 3 571 | 3 216 | 2 956 | 1 495 | 6 680 | 29,4 | 53,5 | 2,1 | 4 811 | 501 | > 75 | |||
| Hogeschool Edith Stein | 1995 | 3 256 | 110 | 3 366 | 7 337 | 2 190 | 5 743 | 10 280 | 31,7 | 32,7 | 2,4 | 7 188 | 103 | > 75 | ||
| 1996 | 3 244 | 899 | 4 143 | 8 048 | 2 762 | 5 595 | 11 870 | 27,3 | 34,9 | 1,7 | 12 691 | 762 | > 75 | |||
| 1997 | 3 806 | 1 109 | 4 915 | 8 503 | 3 014 | 5 364 | 12 891 | 29,5 | 38,1 | 1,6 | 13 691 | 1 683 | > 75 | |||
| Hogeschool Domstad | 1995 | 5 325 | 658 | 5 983 | 12 889 | 2 743 | 8 828 | 16 868 | 31,6 | 35, 5 | 1,9 | 8 902 | 345 | > 75 | ||
| 1996 | 5 330 | 863 | 6 193 | 13 198 | 2 066 | 8 133 | 16 556 | 32,2 | 37,4 | 1,4 | 10 598 | 5 | > 75 | |||
| 1997 | 5 317 | 809 | 6 126 | 13 187 | 1 868 | 7 826 | 16 669 | 31,9 | 36,8 | 1,2 | 10 559 | – 13 | > 75 | |||
| Hogeschool Iselinge | 1995 | 2 498 | 193 | 2 691 | 3 506 | 3 015 | 3 130 | 7 417 | 33,7 | 36,3 | 2,4 | 5 425 | – 268 | > 75 | ||
| 1996 | 2 468 | 203 | 2 671 | 3 344 | 2 876 | 3 043 | 7 307 | 33,8 | 36,6 | 2,3 | 5 106 | – 30 | > 75 | |||
| 1997 | 2 425 | 215 | 2 640 | 3 241 | 3 069 | 2 955 | 6 998 | 34,7 | 37,7 | 2,6 | 5 258 | 1 | > 75 | |||
| PC Hogeschool Marnix | 1995 | 2 595 | 870 | 3 465 | 5 134 | 2 515 | 2 882 | 8 625 | 30,1 | 40,2 | 1,5 | 9 522 | 414 | > 75 | ||
| Academie | 1996 | 3 209 | 543 | 3 752 | 4 725 | 2 497 | 2 777 | 8 424 | 38,1 | 44,5 | 1,9 | 10 009 | 457 | > 75 | ||
| 1997 | 4 100 | 461 | 4 561 | 5 024 | 3 745 | 2 680 | 9 860 | 41,6 | 46,3 | 1,8 | 10 769 | 501 | > 75 | |||
| Hogeschool voor Muziek en | 1995 | 3 579 | 582 | 4 161 | 3 419 | 4 048 | 497 | 8 547 | 41,9 | 48,7 | 1,3 | 25 019 | 2 263 | > 75 | ||
| Theater | 1996 | 6 323 | 633 | 6 956 | 5 107 | 5 436 | 497 | 11 662 | 54,2 | 59,6 | 1,6 | 25 003 | 2 771 | > 75 | ||
| 1997 | 8 916 | 1 213 | 10 129 | 11 541 | 2 790 | 497 | 15 468 | 57,6 | 65,5 | 0,8 | 25 374 | 2 605 | > 75 | |||
| Christelijke Hogeschool de | 1995 | 8 659 | 2 630 | 11 289 | 16 764 | 525 | 8 306 | 23 374 | 37,0 | 48,3 | 1,6 | 12 408 | 2 478 | > 75 | ||
| Driestar | 1996 | 10 210 | 2 307 | 12 517 | 22 936 | 5 578 | 12 007 | 30 053 | 34,0 | 41,6 | 1,2 | 13 033 | 1 551 | > 75 | ||
| 1997 | 10 298 | 2 332 | 12 630 | 22 347 | 4 851 | 11 843 | 28 792 | 35,8 | 43,9 | 1,4 | 12 460 | 88 | > 75 | |||
| Hogeschool voor Economische | 1995 | 34 851 | 8 321 | 43 172 | 13 072 | 38 161 | 1 782 | 58 517 | 59,6 | 73,8 | 3,3 | 55 892 | 3 208 | > 75 | ||
| Studies | 1996 | 39 125 | 5 855 | 44 980 | 12 980 | 45 006 | 1 762 | 63 654 | 61,5 | 70,7 | 3,0 | 56 245 | 3 055 | > 75 | ||
| 1997 | 32 909 | 11 794 | 44 703 | 12 258 | 43 754 | 1 656 | 65 555 | 50,2 | 68,2 | 2,8 | 57 524 | 336 | > 75 | |||
| Hogeschool Drenthe | 1995 | 8 117 | 1 387 | 9 504 | 24 882 | 6 818 | 20 473 | 36 251 | 22,4 | 26,2 | 1,7 | 21 753 | – 329 | > 75 | ||
| 1996 | 6 616 | 1 282 | 7 898 | 21 351 | 9 474 | 19 121 | 33 101 | 20,0 | 23,9 | 1,9 | 21 187 | – 1 277 | > 75 | |||
| 1997 | 6 891 | 1 209 | 8 100 | 19 817 | 9 872 | 18 378 | 32 554 | 21,2 | 24,9 | 2,1 | 22 540 | 499 | > 75 | |||
| Hogeschool voor de Kunsten | 1995 | 9 667 | 362 | 10 029 | 16 921 | 6 904 | 11 024 | 25 395 | 38,1 | 39,5 | 1,9 | 26 245 | – 558 | > 75 | ||
| 1996 | 11 903 | 558 | 12 461 | 24 499 | 3 626 | 12 100 | 29 361 | 40,5 | 42,4 | 1,0 | 27 496 | 2 236 | > 75 | |||
| 1997 | 13 148 | 685 | 13 833 | 26 986 | 1 666 | 11 716 | 30 883 | 42,6 | 44,8 | 0,7 | 28 306 | 1 300 | > 75 | |||
| Hogeschool Midden-Brabant | 1995 | 5 872 | 2 234 | 8 106 | 15 004 | 7 502 | 13 168 | 26 909 | 21,8 | 30,1 | 1,6 | 22 786 | – 538 | > 75 | ||
| 1996 | 4 838 | 3 789 | 8 627 | 12 558 | 10 406 | 12 535 | 26 954 | 17,9 | 32,0 | 2,0 | 23 518 | – 1 034 | > 75 | |||
| 1997 | 3 855 | 4 589 | 8 444 | 10 594 | 12 586 | 12 043 | 27 650 | 13,9 | 30,5 | 2,0 | 23 000 | – 1 027 | > 75 | |||
| Hogeschool Zeeland | 1995 | 10 155 | 2 079 | 12 234 | 48 983 | 14 111 | 42 196 | 66 474 | 15,3 | 18,4 | 1,5 | 39 883 | – 1 683 | > 75 | ||
| 1996 | 10 560 | 1 038 | 11 598 | 50 327 | 10 798 | 41 071 | 64 471 | 16,4 | 18,0 | 1,2 | 42 872 | 405 | > 75 | |||
| 1997 | 3 895 | 3 616 | 7 511 | 50 768 | 4 198 | 40 070 | 58 894 | 6,6 | 12,8 | 0,7 | 42 071 | – 6 665 | > 75 | |||
| Constantijn Huygens Hoge- | 1995 | 2 730 | 1 645 | 4 375 | 12 170 | 3 398 | 10 043 | 17 184 | 15,9 | 25,5 | 1,7 | 15 560 | – 1 588 | > 75 | ||
| school | 1996 | 2 485 | 2 359 | 4 844 | 11 669 | 2 665 | 9 673 | 15 960 | 15,6 | 30,4 | 2,8 | 15 341 | – 229 | > 75 | ||
| 1997 | 500 | 2 357 | 2 857 | 11 120 | 2 712 | 8 622 | 15 153 | 3,3 | 18,9 | 1,1 | 15 563 | – 1 975 | > 75 | |||
| Amsterdamse Hogeschool | 1995 | 44 228 | 17 720 | 61 948 | 36 462 | 39 222 | 30 548 | 104 253 | 42,4 | 59,4 | 3,9 | 68 986 | 918 | > 75 | ||
| voor de Kunsten | 1996 | 42 900 | 21 184 | 64 084 | 77 022 | 20 729 | 29 686 | 107 329 | 40,0 | 59,7 | 2,0 | 73 793 | 3 509 | > 75 | ||
| 1997 | 48 221 | 11 128 | 59 349 | 80 563 | 14 353 | 17 485 | 103 660 | 46,5 | 57,3 | 0,8 | 67 825 | – 2 315 | > 75 | |||
| Hogeschool ’s-Hertogenbosch | 1995 | 12 823 | 19 733 | 32 556 | 17 856 | 17 064 | 6 350 | 52 033 | 24,6 | 62,6 | 1,6 | 73 082 | 9 778 | 50–75 | ||
| 1996 | 14 908 | 19 337 | 34 245 | 16 633 | 19 533 | 6 156 | 53 975 | 27,6 | 63,4 | 1,7 | 55 097 | 2 085 | > 75 | |||
| 1997 | 16 618 | 18 856 | 35 474 | 15 000 | 20 255 | 5 958 | 55 945 | 29,7 | 63,4 | 1,9 | 55 979 | 1 710 | > 75 | |||
| Hogeschool van Amsterdam | 1995 | 21 789 | 26 850 | 48 639 | 106 964 | 2 391 | 99 900 | 218 865 | 10,0 | 22,2 | 0,4 | 210 678 | 2 331 | > 75 | ||
| 1996 | 24 597 | 36 040 | 60 637 | 266 194 | 7 920 | 173 967 | 304 738 | 8,1 | 19,9 | 0,5 | 217 662 | 2 724 | > 75 | |||
| 1997 | 25 123 | 25 612 | 50 735 | 279 773 | 12 374 | 177 265 | 326 386 | 7,7 | 15,5 | 0,5 | 231 243 | 526 | > 75 | |||
| Leidse Hogeschool | 1995 | 28 386 | 3 449 | 31 835 | 30 191 | 30 778 | 23 129 | 65 921 | 43,1 | 48,3 | 3,3 | 39 254 | 662 | > 75 | ||
| 1996 | 32 093 | 4 632 | 36 725 | 32 721 | 32 474 | 20 934 | 69 431 | 46,2 | 52,9 | 3,1 | 42 878 | 1 512 | > 75 | |||
| 1997 | 35 407 | 5 732 | 41 139 | 32 299 | 35 614 | 18 610 | 71 748 | 49,3 | 57,3 | 3,3 | 43 197 | 745 | > 75 | |||
| Ichthus Hogeschool | 1995 | 24 047 | 4 070 | 28 117 | 7 723 | 23 125 | 2 036 | 34 330 | 70,0 | 81,9 | 6,3 | 40 749 | 3 244 | > 75 | ||
| 1996 | 18 583 | 4 527 | 23 110 | 11 252 | 22 222 | 1 757 | 38 579 | 48,2 | 59,9 | 2,0 | 42 584 | 344 | > 75 | |||
| 1997 | 32 022 | 11 152 | 43 174 | 17 546 | 39 626 | 2 939 | 68 373 | 46,8 | 63,1 | 2,3 | 69 820 | 2 294 | > 75 | |||
| Hogeschool Haarlem | 1995 | 21 042 | 6 833 | 27 875 | 27 477 | 12 395 | 8 929 | 48 338 | 43,5 | 57,7 | 1,7 | 76 920 | 2 621 | > 75 | ||
| 1996 | 21 570 | 9 184 | 30 754 | 28 318 | 8 444 | 6 000 | 9 128 | 51 091 | 42,2 | 60,2 | 1,4 | 77 105 | 239 | > 75 | ||
| 1997 | 20 706 | 6 691 | 27 397 | 27 482 | 15 182 | 6 000 | 5 947 | 61 067 | 33,9 | 44,9 | 1,0 | 80 062 | – 345 | > 75 | ||
| Hogeschool Maastricht | 1995 | 21 809 | 6 624 | 28 433 | 69 886 | 5 487 | 40 033 | 80 278 | 27,2 | 35,4 | 0,9 | 63 055 | – 8 092 | > 75 | ||
| 1996 | 10 172 | 6 373 | 16 545 | 64 729 | 19 139 | 57 146 | 88 509 | 11,5 | 18,7 | 1,6 | 63 592 | – 2 078 | > 75 | |||
| 1997 | 12 408 | 5 820 | 18 228 | 72 569 | 13 568 | 58 594 | 91 397 | 13,6 | 19,9 | 1,3 | 68 486 | 2 236 | > 75 | |||
| Hogeschool I-Pabo | 1995 | 3 055 | 892 | 3 947 | 2 727 | 2 414 | 1 250 | 7 667 | 39,8 | 51,5 | 1,7 | 9 058 | – 467 | > 75 | ||
| Amsterdam/Alkmaar | 1996 | 2 233 | 783 | 3 016 | 8 446 | 2 631 | 7 306 | 12 783 | 17,5 | 23,6 | 1,8 | 9 378 | – 555 | > 75 | ||
| 1997 | 3 746 | 872 | 4 618 | 8 392 | 2 834 | 1 493 | 7 160 | 14 933 | 25,1 | 30,9 | 1,6 | 12 272 | 1 567 | > 75 | ||
| Nat. Hogeschool voor | 1995 | 1 282 | 426 | 1 708 | 4 538 | 1 585 | 1 262 | 12 515 | 10,2 | 13,6 | 0,5 | 31 205 | – 2 407 | > 75 | ||
| Toerisme en Verkeer | 1996 | 1 118 | 505 | 1 623 | 42 599 | 3 329 | 34 148 | 51 922 | 2,2 | 3,1 | 0,4 | 34 156 | – 711 | > 75 | ||
| 1997 | 1 311 | 474 | 1 785 | 41 501 | 6 902 | 30 695 | 55 912 | 2,3 | 3,2 | 0,5 | 37 578 | 244 | > 75 | |||
| Noordelijke Hogeschool | 1995 | 24 964 | 7 187 | 32 151 | 111 006 | 3 116 | 86 553 | 131 468 | 19,0 | 24,5 | 1,0 | 108 451 | – 5 696 | > 75 | ||
| Leeuwarden | 1996 | 21 450 | 7 570 | 29 020 | 102 501 | 12 926 | 69 250 | 130 851 | 16,4 | 22,2 | 0,7 | 107 323 | – 2 672 | > 75 | ||
| 1997 | 21 070 | 5 722 | 26 792 | 97 551 | 1 786 | 63 728 | 111 050 | 19,0 | 24,1 | 0,5 | 107 082 | 57 | > 75 | |||
| Haagse Hogeschool | 1995 | 41 558 | 116 826 | 158 384 | 115 213 | 5 292 | 1 066 | 20 732 | 216 313 | 19,2 | 73,2 | 0,7 | 147 765 | 268 | > 75 | |
| 1996 | 16 438 | 149 161 | 165 599 | 212 294 | 35 226 | 1 066 | 120 051 | 370 812 | 4,4 | 44,7 | 0,5 | 152 801 | – 1 907 | > 75 | ||
| 1997 | 16 642 | 153 683 | 170 325 | 232 227 | 42 994 | 1 066 | 116 377 | 374 992 | 4,4 | 45,4 | 0,6 | 157 202 | 192 | > 75 | ||
| Christelijke Hogeschool | 1995 | 13 236 | 10 680 | 23 916 | 39 293 | 5 657 | 17 630 | 50 013 | 26,5 | 47,8 | 1,1 | 50 860 | 1 964 | > 75 | ||
| Noord-Nederland | 1996 | 24 919 | 3 142 | 28 061 | 40 075 | 13 709 | 16 155 | 60 302 | 41,3 | 46, 5 | 1,1 | 61 632 | 5 407 | > 75 | ||
| 1997 | 27 191 | 4 524 | 31 715 | 37 006 | 19 158 | 13 701 | 64 094 | 42,4 | 49, 5 | 1,3 | 55 704 | 745 | > 75 | |||
| Gereformeerde Hogeschool | 1995 | 2 698 | 113 | 2 811 | 6 276 | 3 878 | 7 773 | 11 297 | 23,9 | 24,9 | 6,8 | 9 873 | 1 154 | > 75 | ||
| 1996 | 2 198 | 172 | 2 370 | 7 912 | 4 436 | 7 605 | 13 256 | 16,6 | 17,9 | 1,6 | 9 145 | – 482 | > 75 | |||
| 1997 | 1 955 | 161 | 2 116 | 9 139 | 949 | 7 302 | 10 914 | 17,9 | 19,4 | 1,1 | 10 032 | – 157 | > 75 | |||
| Hogeschool Rotterdam & | 1995 | 68 252 | 11 448 | 79 700 | 125 195 | 74 646 | 121 056 | 222 086 | 30,7 | 35,9 | 4,4 | 154 057 | – 3 657 | > 75 | ||
| Omstreken | 1996 | 54 817 | 7 285 | 62 102 | 132 601 | 47 624 | 118 383 | 202 888 | 27,0 | 30,6 | 3,0 | 156 893 | – 2 967 | > 75 | ||
| 1997 | 54 663 | 5 388 | 60 051 | 137 726 | 38 333 | 115 733 | 199 025 | 27,5 | 30,2 | 2,5 | 161 350 | – 246 | > 75 | |||
| Hogeschool Enschede | 1995 | 62 684 | 7 441 | 70 125 | 117 393 | 711 | 48 936 | 135 148 | 46,4 | 51,9 | 0,8 | 119 293 | 1 617 | > 75 | ||
| 1996 | 67 654 | 5 308 | 72 962 | 117 535 | 949 | 43 474 | 133 945 | 50,5 | 54,5 | 0,6 | 116 889 | 5 503 | > 75 | |||
| 1997 | 72 076 | 3 867 | 75 943 | 117 614 | 2 810 | 40 730 | 136 199 | 52,9 | 55 ,8 | 0,7 | 122 469 | 5 294 | > 75 | |||
| Hogeschool v Beeldende | 1995 | 2 057 | 10 224 | 12 281 | 28 646 | 12 356 | 26 580 | 44 111 | 4,7 | 27,8 | 2,8 | 41 480 | – 229 | > 75 | ||
| Kunst, Muziek en Dans | 1996 | 10 705 | 2 507 | 13 212 | 29 628 | 22 346 | 34 457 | 55 386 | 19,3 | 23,9 | 3,2 | 50 110 | 8 648 | > 75 | ||
| 1997 | 11 042 | 2 815 | 13 857 | 30 319 | 19 883 | 31 468 | 53 759 | 20,5 | 25,8 | 2,7 | 42 097 | – 214 | > 75 | |||
| Christelijke Hogeschool Ede | 1995 | 7 524 | 658 | 8 182 | 16 568 | 2 444 | 9 558 | 20 360 | 37,0 | 40,2 | 1,4 | 20 239 | 112 | > 75 | ||
| 1996 | 6 190 | 789 | 6 979 | 26 433 | 475 | 12 287 | 28 891 | 21,4 | 24,2 | 0,3 | 20 448 | – 1 334 | > 75 | |||
| 1997 | 3 486 | 1 166 | 4 652 | 29 876 | 33 | 15 076 | 31 758 | 11,0 | 14,6 | 0,2 | 23 496 | – 2 704 | > 75 | |||
| Hanze Hogeschool | 1995 | 77 504 | 16 441 | 93 945 | 155 114 | 75 846 | 115 812 | 258 266 | 30,0 | 36,4 | 1,9 | 184 315 | 3 518 | > 75 | ||
| 1996 | 83 366 | 15 305 | 98 671 | 168 701 | 93 436 | 140 864 | 298 698 | 27,9 | 33,0 | 2,1 | 189 656 | 5 982 | > 75 | |||
| 1997 | 75 406 | 22 822 | 98 228 | 198 499 | 70 633 | 142 869 | 304 222 | 24,8 | 32,3 | 1,5 | 197 336 | – 7 726 | > 75 | |||
| Hogeschool van Utrecht | 1995 | 73 695 | 29 017 | 102 712 | 102 132 | 69 557 | 62 512 | 210 523 | 35,0 | 48,8 | 2,2 | 279 757 | 5 369 | > 75 | ||
| 1996 | 76 566 | 33 635 | 110 201 | 123 639 | 59 913 | 60 655 | 221 102 | 34,6 | 49,8 | 1,8 | 299 652 | 3 123 | > 75 | |||
| 1997 | 39 699 | 41 904 | 81 603 | 193 704 | 24 192 | 59 002 | 264 161 | 15,0 | 30,9 | 0,5 | 319 339 | 2 571 | > 75 | |||
| Hogeschool Limburg | 1995 | 55 569 | 7 345 | 62 914 | 42 304 | 42 703 | 9 169 | 22 083 | 104 628 | 53,1 | 60,1 | 2,6 | 83 009 | 8 055 | > 75 | |
| 1996 | 69 721 | 6 242 | 75 963 | 67 720 | 48 063 | 8 908 | 42 238 | 142 467 | 48,9 | 53,3 | 2,6 | 86 068 | – 2 471 | > 75 | ||
| 1997 | 74 407 | 7 253 | 81 660 | 101 240 | 48 794 | 8 220 | 44 443 | 178 087 | 41,8 | 45,9 | 1,3 | 87 377 | 6 981 | > 75 | ||
| Hogeschool v Arnhem en | 1995 | |||||||||||||||
| Nijmegen | 1996 | |||||||||||||||
| 1997 | 41 331 | 42 877 | 84 208 | 122 405 | 66 745 | 64 674 | 225 971 | 18,3 | 37,3 | 1,2 | 214 032 | 1 918 | > 75 | |||
| Stichting Fontys | 1995 | |||||||||||||||
| 1996 | 136 561 | 17 079 | 153 640 | 219 058 | 45 690 | 59 062 | 203 529 | 475 285 | 28,7 | 32,3 | 0,8 | 399 259 | 8 757 | > 75 | ||
| 1997 | 145 339 | 23 566 | 168 905 | 218 777 | 71 007 | 50 291 | 197 244 | 499 915 | 29,1 | 33,8 | 1,0 | 428 971 | – 995 | > 75 | ||
| Totaal Cluster Hogescholen | 1995 | 888 469 | 390 313 | 1 278 782 | 1 714 971 | 649 883 | 10 235 | 1 153 575 | 2 991 997 | 29,7 | 42,7 | 1,6 | 2 687 966 | 53 618 | > 75 | |
| 1996 | 1 040 966 | 426 505 | 1 467 471 | 2 355 404 | 735 723 | 86 981 | 1 603 166 | 3 897 332 | 26,7 | 37,7 | 1,3 | 3 179 142 | 70 358 | > 75 | ||
| 1997 | 1 078 728 | 493 065 | 1 571 793 | 2 730 502 | 789 948 | 79 032 | 1 625 246 | 4 343 942 | 24,8 | 36,2 | 1,1 | 3 549 867 | 40 875 | > 75 | ||
| Rijksmuseale instellingen | ||||||||||||||||
| Rijksmuseum van Oudheden | 1995 | 3 124 | 2 183 | 5 307 | 4 458 | 2 339 | 7 545 | 41,4 | 70,3 | 1, 4 | 4 431 | 266 | > 75 | |||
| 1996 | 3 356 | 2 617 | 5 973 | 4 231 | 2 223 | 7 292 | 46,0 | 81,9 | 2,3 | 8 747 | 72 | > 75 | ||||
| 1997 | 3 197 | 2 082 | 5 279 | 3 928 | 765 | 5 941 | 53,8 | 88,9 | 3,0 | 9 104 | – 156 | > 75 | ||||
| Rijksmuseum Twente | 1995 | 3 344 | 3 344 | 2 082 | 1 789 | 100 | 4 215 | 79,3 | 79,3 | 2,8 | 3 502 | 597 | > 75 | |||
| 1996 | 1 679 | 1 679 | 913 | 1 218 | 5 | 2 389 | 70,3 | 70,3 | 2,1 | 3 643 | 85 | > 75 | ||||
| 1997 | 1 606 | 61 | 1 667 | 806 | 1 222 | 2 508 | 64,0 | 66,5 | 2,0 | 3 889 | – 9 | > 75 | ||||
| Joods Historisch museum | 1995 | 55 | 1 247 | 1 302 | 883 | 1 702 | 3,2 | 76,5 | 4,3 | 3 575 | 9 | > 75 | ||||
| 1996 | 56 | 0 | 56 | 834 | 2 042 | 2,7 | 2,7 | 1,0 | 4 560 | 4 | 50–75 | |||||
| 1997 | 61 | 360 | 421 | 789 | 1 642 | 3,7 | 25,6 | 1,3 | 5 325 | 5 | 50–75 | |||||
| Rijksmuseum voor Volken- | 1995 | 374 | 972 | 1 665 | 3 011 | 1 933 | 2 198 | 6 150 | 11 914 | 3, 1 | 25,3 | 3,6 | 11 817 | 448 | > 75 | |
| kunde | 1996 | 7 973 | 570 | 2 508 | 11 051 | 2 559 | 2 588 | 13 152 | 60,6 | 84,0 | 5,0 | 11 868 | 448 | > 75 | ||
| 1997 | 10 119 | 304 | 2 403 | 12 826 | 3 537 | 10 176 | 14 528 | 69,7 | 88,3 | 6,4 | 11 692 | 1 319 | > 75 | |||
| Kröller-Müller Museum | 1995 | 2 275 | 800 | 3 075 | 936 | 1 227 | 6 060 | 37,5 | 50,7 | 1,7 | 13 866 | 1 173 | 50–75 | |||
| 1996 | 2 070 | 315 | 2 385 | 1 060 | 1 656 | 150 | 4 224 | 49,0 | 56,5 | 1,9 | 8 418 | – 16 | > 75 | |||
| 1997 | 2 048 | 4 796 | 6 844 | 919 | 2 080 | 100 | 8 850 | 23,1 | 77,3 | 4,2 | 8 758 | 444 | > 75 | |||
| Scheepvaartmuseum | 1995 | – 953 | 1 026 | 533 | 606 | 533 | 1 277 | 666 | 2 855 | – 33,4 | 21,2 | 1,4 | 8 643 | – 215 | > 75 | |
| Amsterdam | 1996 | – 132 | 912 | 389 | 1 169 | 415 | 992 | 0 | 2 217 | – 6,0 | 52,7 | 1,7 | 8 639 | 155 | > 75 | |
| 1997 | 397 | 797 | 245 | 1 439 | 490 | 1 594 | 0 | 2 887 | 13,8 | 49,8 | 1,7 | 9 295 | 529 | > 75 | ||
| Rijksbureau voor kunsthistori- | 1995 | 998 | 998 | 63 | 1 760 | 2 068 | 48,3 | 48,3 | 1,9 | 6 031 | 247 | > 75 | ||||
| sche documentatie | 1996 | 1 662 | 1 662 | 103 | 1 202 | 2 061 | 80,6 | 80,6 | 4,9 | 6 878 | 704 | > 75 | ||||
| 1997 | 2 209 | 2 209 | 139 | 2 489 | 3 104 | 71,2 | 71,2 | 3,3 | 6 709 | 545 | > 75 | |||||
| Van Gogh museum | 1995 | 1 038 | 787 | 1 825 | 1 231 | 1 875 | 5 125 | 20,3 | 35,6 | 1,2 | 14 655 | – 327 | < 50 | |||
| 1996 | 1 068 | 606 | 1 674 | 1 681 | 946 | 5 911 | 18,1 | 28,3 | 1,0 | 17 851 | 65 4 | < 50 | ||||
| 1997 | 5 453 | 479 | 5 932 | 1 323 | 2 886 | 7 219 | 75,5 | 82,2 | 4,6 | 18 308 | 3 144 | < 50 | ||||
| Rijksmuseum Amsterdam | 1995 | 2 401 | 2 674 | 5 075 | 6 869 | 6 227 | 2 600 | 16 161 | 14,9 | 31,4 | 1,1 | 19 661 | 175 | 50–75 | ||
| 1996 | 8 740 | 3 722 | 12 462 | 9 304 | 10 968 | 2 101 | 22 647 | 38,6 | 55,0 | 1,7 | 46 914 | 4 088 | 50–75 | |||
| 1997 | 7 600 | 5 046 | 12 646 | 9 090 | 13 200 | 1 389 | 25 268 | 30,1 | 50,0 | 1,4 | 46 620 | 207 | 50–75 | |||
| Museum Meermanno- | 1995 | 381 | 0 | 0 | 381 | 295 | 265 | 713 | 53,4 | 53,4 | 1,3 | 2 219 | – 235 | > 75 | ||
| Westreenianum | 1996 | 586 | 95 | 0 | 681 | 338 | 221 | 755 | 77,6 | 90,2 | 5,6 | 2 634 | 205 | > 75 | ||
| 1997 | 439 | 223 | 176 | 838 | 316 | 613 | 1 112 | 39,5 | 75,4 | 2,9 | 2 431 | 75 | > 75 | |||
| St. Afrika Museum | 1995 | – 69 | 20 | – 49 | 43 | 134 | 288 | – 24,0 | – 17,0 | 0,7 | 2 158 | – 58 | 50–75 | |||
| 1996 | 2,5 | 19 | 21,5 | 21 | 190 | 315 | 0,8 | 6,8 | 1,0 | 2 700 | 2 | 50–75 | ||||
| 1997 | 5 | 93 | 98 | 40 | 17 | 205 | 2,4 | 47,8 | 1,5 | 2 556 | – 2 | 50–75 | ||||
| St. Museum Catharijneconvent | 1995 | 2 971 | 94 | 3 065 | 1 010 | 1 378 | 0 | 4 319 | 68,8 | 71,0 | 2,6 | 4 926 | – 220 | > 75 | ||
| 1996 | 1 772 | 329 | 2 101 | 1 782 | 1 560 | 600 | 4 945 | 35,8 | 42,5 | 1,4 | 5 818 | 351 | 50–75 | |||
| 1997 | 2 054 | 584 | 2 638 | 1 821 | 1 503 | 500 | 4 196 | 49,0 | 62,9 | 2,2 | 5 180 | 476 | > 75 | |||
| St. Rijksmuseum Het | 1995 | 8 454 | 515 | 188 | 9 157 | 6 892 | 2 807 | 10 479 | 80,7 | 87,4 | 2,7 | 12 816 | 353 | 50–75 | ||
| Zuiderzeemuseum | 1996 | 8 915 | 1 030 | 0 | 9 945 | 6 772 | 3 957 | 11 570 | 77,1 | 86,0 | 3,0 | 12 657 | 273 | 50–75 | ||
| 1997 | 8 982 | 1 137 | 0 | 10 119 | 8 324 | 2 519 | 12 196 | 73,6 | 83,0 | 1,9 | 13 112 | 67 | 50–75 | |||
| St. Nationaal Natuurhistorisch | 1995 | 2 254 | 0 | 2 254 | 3 145 | 213 | 0 | 4 448 | 50,7 | 50,7 | 0,6 | 6 359 | – 1 435 | > 75 | ||
| Museum | 1996 | 10 072 | 2 199 | 12 271 | 2 718 | 10 555 | 0 | 13 911 | 72,4 | 88,2 | 6,8 | 17 562 | 1 143 | > 75 | ||
| 1997 | 12 344 | 1 531 | 13 875 | 15 986 | 19 138 | 18 000 | 39 715 | 31,1 | 34, 9 | 3,0 | 23 113 | 2 458 | > 75 | |||
| St. Nederlands Openlucht | 1995 | 10 982 | 1 778 | 12 760 | 2 862 | 11 391 | 15 880 | 69,2 | 80,4 | 4,2 | 12 774 | 128 | 50–75 | |||
| Museum | 1996 | 9 330 | 1 475 | 10 805 | 2 888 | 7 582 | 13 416 | 69,5 | 80,5 | 4,0 | 13 840 | – 1 267 | 50–75 | |||
| 1997 | 9 358 | 1 314 | 10 672 | 2 717 | 7 419 | 13 177 | 71,0 | 81,0 | 4,2 | 14 063 | 379 | 50–75 | ||||
| Paleis het Loo | 1995 | 739 | 1 248 | 1 987 | 1 561 | 200 | 3 192 | 23,2 | 62,2 | 1,4 | 13 657 | – 64 | 50–75 | |||
| 1996 | 940 | 1 071 | 2 011 | 1 506 | 375 | 3 105 | 30,3 | 64,8 | 1,5 | 13 545 | 201 | 50–75 | ||||
| 1997 | 1 144 | 1 068 | 2 212 | 1 300 | 1 623 | 3 583 | 31,9 | 61,7 | 1,7 | 13 816 | 9 233 | 50–75 | ||||
| Mauritshuis | 1995 | 1 700 | 100 | 1 800 | 716 | 1 964 | 75 | 4 588 | 37,1 | 39,2 | 1,4 | 12 181 | 68 | < 50 | ||
| 1996 | 5 244 | 1 037 | 6 281 | 642 | 4 881 | 38 | 7 457 | 70,3 | 84,2 | 6,0 | 18 767 | 3 767 | < 50 | |||
| 1997 | 5 284 | 537 | 5 821 | 556 | 4 650 | 0 | 7 266 | 72,7 | 80,1 | 4,6 | 4 855 | – 62 | 50–75 | |||
| Teylers Museum | 1995 | 198 | 5 607 | 5 805 | 45 | 680 | 0 | 6 555 | 3,0 | 88,6 | 1,8 | 3 688 | – 6 | > 75 | ||
| 1996 | 205 | 11 681 | 11 886 | 10 659 | 2 032 | 20 | 13 181 | 1,6 | 90,2 | 2,0 | 5 152 | 4 | 50–75 | |||
| 1997 | 216 | 11 229 | 11 445 | 9 999 | 1 876 | 16 | 12 319 | 1,8 | 92,9 | 2,7 | 4 052 | 11 | > 75 | |||
| Koninklijk Penningkabinet | 1995 | 227 | 44 | 271 | 219 | 460 | 717 | 31,7 | 37,8 | 1,1 | 1 342 | – 120 | > 75 | |||
| 1996 | 359 | 44 | 403 | 159 | 414 | 683 | 52,6 | 59,0 | 1,9 | 1 661 | 132 | > 75 | ||||
| 1997 | 406 | 44 | 450 | 168 | 438 | 689 | 58,9 | 65,3 | 2,2 | 2 127 | 38 | > 75 | ||||
| Boerhaave | 1995 | 2 899 | 0 | 2 899 | 1 846 | 1 387 | 3 453 | 84,0 | 84,0 | 2,9 | 5 919 | 399 | > 75 | |||
| 1996 | 3 479 | 0 | 3 479 | 1 895 | 1 801 | 3 972 | 87,6 | 87,6 | 4,2 | 5 902 | 291 | > 75 | ||||
| 1997 | 2 318 | 1 000 | 3 318 | 1 854 | 1 216 | 3 780 | 61,3 | 87,8 | 4,2 | 6 098 | 69 | > 75 | ||||
| Totaal Cluster Rijksmuseale | 1995 | 43 392 | 19 095 | 2 386 | 64 873 | 36 739 | 40 454 | 9 591 | 112 277 | 38,6 | 57,8 | 1,9 | 164 220 | 1 183 | 50–75 | |
| instellingen | 1996 | 67 376,5 | 25 523 | 5 096 | 97 995,5 | 49 646 | 56 195 | 2 914 | 135 245 | 49,8 | 72,5 | 2,5 | 217 756 | 11 296 | 50–75 | |
| 1997 | 75 240 | 30 093 | 5 416 | 110 749 | 63 313 | 76 213 | 20 005 | 170 185 | 44,2 | 65,1 | 2,7 | 211 103 | 18 770 | 50–75 | ||
| Academische ziekenhuizen | ||||||||||||||||
| Academisch Ziekenhuis | 1995 | 337 027 | 125 929 | 462 956 | 948 039 | 20 207 | 449 745 | 1 094 848 | 30,8 | 42,3 | 0,6 | 610 563 | 10 128 | > 75 | ||
| Groningen | 1996 | 297 387 | 147 527 | 444 914 | 935 009 | 1 060 | 473 666 | 1 093 041 | 27,2 | 40,7 | 0,6 | 668 313 | – 987 | > 75 | ||
| 1997 | 281 200 | 171 695 | 452 895 | 915 778 | 78 | 447 539 | 1 113 180 | 25, 3 | 40,7 | 0,7 | 687 445 | 2 038 | > 75 | |||
| Academisch Ziekenhuis | 1995 | 227 861 | 105 991 | 21 963 | 355 815 | 538 059 | 28 298 | 246 491 | 787 489 | 28,9 | 45,2 | 1,2 | 782 714 | – 3 772 | > 75 | |
| Rotterdam | 1996 | 211 681 | 115 423 | 31 790 | 358 894 | 567 653 | 10 475 | 309 957 | 781 987 | 27,1 | 45,9 | 1,6 | 787 085 | – 10 736 | > 75 | |
| 1997 | 216 684 | 138 446 | 37 146 | 392 276 | 553 164 | 58 218 | 318 909 | 831 073 | 26,1 | 47,2 | 2,0 | 808 647 | – 242 | > 75 | ||
| Academisch Ziekenhuis Vrije | 1995 | 345 535 | 37 816 | 4 970 | 388 321 | 506 234 | 9 960 | 146 450 | 604 770 | 57,1 | 64,2 | 1,3 | 433 749 | 2 923 | > 75 | |
| Universiteit | 1996 | 278 102 | 35 873 | 6 606 | 320 581 | 478 060 | 0 | 179 525 | 592 350 | 46,9 | 54,1 | 1,2 | 455 776 | – 3 603 | > 75 | |
| 1997 | 261 689 | 35 337 | 7 491 | 304 517 | 487 659 | 0 | 194 662 | 605 759 | 43,2 | 50,3 | 1,1 | 481 132 | – 1 583 | > 75 | ||
| Academisch Ziekenhuis Leiden | 1995 | 270 818 | 138 117 | 408 935 | 807 132 | 1 365 | 528 576 | 1 055 078 | 25,7 | 38,8 | 1,4 | 543 802 | 1 260 | > 75 | ||
| 1996 | 261 600 | 111 060 | 372 660 | 803 708 | 6 837 | 538 752 | 1 057 475 | 24,7 | 35,2 | 1,0 | 527 641 | 2 226 | > 75 | |||
| 1997 | 277 602 | 99 137 | 376 739 | 777 158 | 4 461 | 508 641 | 1 033 948 | 26,8 | 36,4 | 1,0 | 547 838 | 687 | > 75 | |||
| Academisch Medisch Centrum | 1995 | 610 369 | 31 710 | 642 079 | 684 075 | 44 146 | 103 559 | 878 951 | 69,4 | 73,1 | 1,4 | 595 614 | 1 636 | > 75 | ||
| 1996 | 595 084 | 45 319 | 640 403 | 685 801 | 16 423 | 89 878 | 972 235 | 61,2 | 65,9 | 1,2 | 703 559 | 143 | > 75 | |||
| 1997 | 568 014 | 60 994 | 629 008 | 666 640 | 37 859 | 96 871 | 996 858 | 57,0 | 63,1 | 1,1 | 747 462 | 2 492 | > 75 | |||
| Academisch Ziekenhuis | 1995 | 89 653 | 60 481 | 150 134 | 517 746 | 51 763 | 446 619 | 675 081 | 13,3 | 22,2 | 1,2 | 381 851 | 1 311 | > 75 | ||
| Maastricht | 1996 | 104 101 | 53 129 | 157 230 | 499 623 | 49 398 | 427 820 | 657 774 | 15,8 | 23,9 | 1,3 | 392 771 | 1 333 | > 75 | ||
| 1997 | 106 694 | 61 222 | 167 916 | 492 112 | 28 297 | 412 307 | 660 574 | 16, 2 | 25,4 | 1,4 | 414 915 | 3 413 | > 75 | |||
| Academisch Ziekenhuis | 1995 | 50 176 | 136 060 | 482 194 | 668 430 | 661 640 | 62 331 | 132 425 | 867 703 | 5,8 | 77,0 | 2,6 | 495 691 | 3 402 | > 75 | |
| Utrecht | 1996 | 39 793 | 109 065 | 459 779 | 608 637 | 633 707 | 48 384 | 126 587 | 835 508 | 4,8 | 72,8 | 1,7 | 516 363 | – 383 | > 75 | |
| 1997 | 39 588 | 124 610 | 437 884 | 602 082 | 746 597 | 17 453 | 223 955 | 971 324 | 4,1 | 62,0 | 1,3 | 688 269 | – 10 204 | > 75 | ||
| Academisch Ziekenhuis | 1995 | 118 525 | 75 682 | 194 207 | 343 294 | 4 938 | 197 694 | 504 269 | 23,5 | 38,5 | 1,3 | 509 133 | 1 350 | > 75 | ||
| Nijmegen | 1996 | 108 131 | 76 371 | 184 502 | 362 715 | 682 | 212 550 | 535 532 | 20,2 | 34,5 | 1,2 | 526 418 | – 4 097 | > 75 | ||
| 1997 | 107 314 | 84 872 | 192 186 | 370 605 | 358 | 217 800 | 577 979 | 18,6 | 33,3 | 1,1 | 558 341 | 6 067 | > 75 | |||
| Totaal Cluster Academische | 1995 | 2 049 964 | 711 786 | 509 127 | 3 270 877 | 5 006 219 | 223 008 | 2 251 559 | 6 468 189 | 31,7 | 50,6 | 1,3 | 4 353 117 | 18 238 | > 75 | |
| Ziekenhuizen | 1996 | 1 895 879 | 693 767 | 498 175 | 3 087 821 | 4 966 276 | 133 259 | 2 358 735 | 6 525 902 | 29,1 | 47,3 | 1,2 | 4 577 926 | – 16 104 | > 75 | |
| 1997 | 1 858 785 | 776 313 | 482 521 | 3 117 619 | 5 009 713 | 146 724 | 2 420 684 | 6 790 695 | 27,4 | 45,9 | 1,2 | 4 934 049 | 2 668 | > 75 | ||
| Omroepverenigingen | ||||||||||||||||
| NCRV | 1995 | 83 606 | 15 457 | 99 063 | 24 541 | 11 440 | 56 621 | 0 | 136 718 | 61,2 | 72,5 | 1,4 | 144 672 | – 2 227 | 50–75 | |
| 1996 | 73 140 | 11 820 | 84 960 | 24 547 | 3 827 | 56 038 | 0 | 122 154 | 59,9 | 69,6 | 1,1 | 149 591 | – 6 091 | 50–75 | ||
| 1997 | 78 336 | 12 708 | 91 044 | 28 430 | 9 867 | 55 975 | 7 578 | 141 290 | 55,4 | 64,4 | 1,3 | 139 917 | 956 | 50–75 | ||
| AVRO | 1995 | 64 870 | 9 400 | 74 270 | 24 504 | 3 519 | 44 895 | 0 | 115 885 | 56,0 | 64,1 | 1,1 | 157 797 | 455 | 50–75 | |
| 1996 | 67 081 | 15 274 | 82 355 | 21 929 | 12 494 | 62 501 | 0 | 135 190 | 49,6 | 60,9 | 0,9 | 164 742 | 1 461 | 50–75 | ||
| 1997 | 67 219 | 19 895 | 87 114 | 26 652 | 4 408 | 70 568 | 2 940 | 150 958 | 44,5 | 57,7 | 0,9 | 166 150 | 138 | 50–75 | ||
| EO | 1995 | 28 806 | 4 242 | 33 048 | 11 032 | 12 143 | 56 128 | 51,3 | 58,9 | 2,0 | 113 397 | – 2 039 | > 75 | |||
| 1996 | 24 919 | 4 645 | 29 564 | 13 538 | 11 156 | 67 571 | 36,9 | 43,8 | 1,4 | 122 204 | – 3 887 | > 75 | ||||
| 1997 | 22 165 | 5 857 | 28 022 | 13 542 | 8 864 | 60 369 | 36,7 | 46,4 | 1,4 | 122 415 | – 2 754 | > 75 | ||||
| VPRO | 1995 | 49 460 | 41 | 49 501 | 15 150 | 32 107 | 0 | 77 130 | 64,1 | 64,2 | 2,1 | 117 067 | 10 579 | > 75 | ||
| 1996 | 59 330 | 258 | 59 588 | 32 059 | 43 532 | 20 000 | 108 664 | 54,6 | 54,8 | 2,5 | 130 959 | 9 870 | > 75 | |||
| 1997 | 66 746 | 0 | 66 746 | 36 003 | 36 932 | 17 638 | 118 517 | 56,3 | 56,3 | 2,4 | 126 753 | 7 416 | > 75 | |||
| VARA | 1995 | 74 871 | 13 103 | 87 974 | 5 677 | 79 565 | 125 110 | 59,8 | 70,3 | 3,2 | 144 207 | 3 375 | 50–75 | |||
| 1996 | 82 132 | 3 806 | 85 938 | 5 342 | 100 094 | 145 601 | 56,4 | 59,0 | 2,4 | 152 764 | 7 261 | 50–75 | ||||
| 1997 | 78 897 | 5 372 | 84 269 | 7 484 | 87 632 | 135 038 | 58,4 | 62,4 | 2,5 | 141 938 | – 3 235 | 50–75 | ||||
| KRO | 1995 | 63 099 | 20 547 | 83 646 | 18 181 | 19 569 | 40 111 | 119 937 | 52,6 | 69,7 | 1,6 | 154 552 | – 5 162 | 50–75 | ||
| 1996 | 63 984 | 19 403 | 83 387 | 19 409 | 16 142 | 44 201 | 121 115 | 52,8 | 68,8 | 1,4 | 155 180 | 885 | 50–75 | |||
| 1997 | 64 109 | 21 295 | 85 404 | 24 582 | 16 202 | 46 800 | 137 379 | 46,7 | 62,2 | 1,2 | 146 401 | 125 | 50–75 | |||
| TROS | 1995 | 33 434 | 0 | 33 434 | 9 969 | 20 664 | 58 956 | 56,7 | 56,7 | 1,9 | 102 666 | 2 438 | > 75 | |||
| 1996 | 35 563 | 0 | 35 563 | 19 175 | 4 847 | 69 696 | 51,0 | 51,0 | 1,4 | 108 179 | – 2 273 | > 75 | ||||
| 1997 | 32 096 | 645 | 32 741 | 5 590 | 3 109 | 70 394 | 45,6 | 46,5 | 1,6 | 106 671 | – 3 546 | > 75 | ||||
| Totaal Cluster Omroep- | 1995 | 398 146 | 62 790 | 460 936 | 109 054 | 179 007 | 141 627 | 0 | 689 864 | 57,7 | 66,8 | 1,9 | 934 358 | 7 419 | 50–75 | |
| verenigingen | 1996 | 406 149 | 55 206 | 461 355 | 135 999 | 192 092 | 162 740 | 20 000 | 769 991 | 52,7 | 59,9 | 1,6 | 983 619 | 7 226 | 50–75 | |
| 1997 | 409 568 | 65 772 | 475 340 | 142 283 | 167 014 | 173 343 | 28 156 | 813 945 | 50,3 | 58,4 | 1,6 | 950 245 | – 900 | 50–75 | ||
| Individuele RWT’s | ||||||||||||||||
| Informatie Beheer Groep | 1995 | 29 562 | 9 803 | 4 983 | 44 348 | 26 629 | 36 176 | 88 205 | 33,5 | 50,3 | 1,4 | 185 638 | 175 | > 75 | ||
| 1996 | 29 830 | 13 152 | 3 392 | 46 374 | 25 259 | 45 895 | 108 675 | 27,4 | 42,7 | 1,3 | 189 601 | 268 | > 75 | |||
| 1997 | 30 147 | 9 707 | 5 882 | 45 736 | 27 692 | 55 056 | 122 481 | 24,6 | 37,3 | 1,2 | 220 510 | 317 | > 75 | |||
| NWO | 1995 | – 18 029 | 144 473 | 126 444 | 25 744 | 159 875 | 23 250 | 264 206 | – 6,8 | 47,9 | 1,4 | 613 200 | 5 393 | > 75 | ||
| 1996 | 72 795 | 44 773 | 117 568 | 4 998 | 112 177 | 83 254 | 251 399 | 29,0 | 46,8 | 1,1 | 602 106 | – 660 | > 75 | |||
| 1997 | 120 150 | 29 493 | 149 643 | 10 700 | 157 833 | 68 350 | 303 048 | 39,6 | 49,4 | 1,3 | 661 597 | 79 041 | > 75 | |||
| KNAW | 1995 | 141 981 | 22 774 | 164 755 | 81 622 | 62 510 | 34 334 | 0 | 217 644 | 65,2 | 75,7 | 1,9 | 157 800 | 2 200 | > 75 | |
| 1996 | 151 693 | 25 477 | 177 170 | 85 885 | 68 638 | 41 639 | 0 | 236 265 | 64,2 | 75,0 | 1,8 | 165 300 | 2 500 | > 75 | ||
| 1997 | 159 051 | 39 380 | 198 431 | 90 569 | 73 800 | 54 930 | 3 571 | 262 308 | 60,6 | 75,6 | 1,9 | 175 100 | 3 200 | > 75 | ||
| TNO | 1995 | 411 716 | 126 933 | 20 420 | 559 069 | 375 121 | 118 799 | 966 | 714 850 | 57,6 | 78,2 | 1,7 | 789 952 | 10 301 | < 50 | |
| 1996 | 423 159 | 92 445 | 19 680 | 535 284 | 347 632 | 185 113 | 397 | 720 791 | 58,7 | 74,3 | 1,8 | 776 962 | 11 443 | < 50 | ||
| 1997 | 436 219 | 106 032 | 17 939 | 560 190 | 362 475 | 207 893 | 87 | 777 007 | 56,1 | 72,1 | 1,8 | 839 646 | 13 060 | < 50 | ||
| Totaal Ministerie van OCenW | 1995 | 9 341 256 | 1 895 784 | 536 916 | 11 773 956 | 11 871 321 | 2 832 174 | 314 404 | 3 464 171 | 19 097 303 | 48,9 | 61,7 | 1,6 | 17 011 465 | 243 915 | > 75 |
| 1996 | 9 312 188,5 | 2 046 372 | 526 343 | 11 884 903,5 | 12 404 511 | 3 106 093 | 540 380 | 4 035 728 | 20 460 692 | 45,5 | 58,1 | 1,5 | 18 076 400 | 171 321 | > 75 | |
| 1997 | 9 511 092 | 2 311 568 | 511 758 | 12 334 418 | 13 001 437 | 3 416 804 | 520 524 | 4 165 367 | 21 820 232 | 43,6 | 56,5 | 1,4 | 19 038 173 | 296 165 | > 75 | |
| Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties | ||||||||||||||||
| Politieregio’s | ||||||||||||||||
| Politie Groningen | 1995 | 71 022 | 7 282 | 78 304 | 99 045 | 24 869 | 36 000 | 131 441 | 54,0 | 59,6 | 1,9 | 146 261 | – 4 240 | > 75 | ||
| 1996 | 64 017 | 5 762 | 69 779 | 109 220 | 8 302 | 34 560 | 122 359 | 52,3 | 57,0 | 0,7 | 155 643 | 2 996 | > 75 | |||
| 1997 | 65 097 | 9 000 | 74 097 | 109 111 | 6 800 | 37 700 | 124 941 | 52,1 | 59,3 | 0,9 | 163 230 | 6 080 | > 75 | |||
| Politie Friesland | 1995 | 48 139 | 2 611 | 50 750 | 59 579 | 75 | 64 342 | 74,8 | 78,9 | 0,4 | 123 464 | – 4 111 | > 75 | |||
| 1996 | 60 081 | 1 643 | 61 724 | 69 641 | 44 | 75 178 | 79,9 | 82,1 | 0,4 | 136 034 | 3 640 | > 75 | ||||
| 1997 | 55 020 | 730 | 55 750 | 68 362 | 49 | 76 749 | 71,7 | 72,6 | 0,4 | 142 968 | 2 343 | > 75 | ||||
| Politie Drenthe | 1995 | 15 654 | 607 | 16 261 | 22 392 | 2 078 | 8 000 | 31 596 | 49,5 | 51,5 | 1,3 | 93 839 | – 1 242 | > 75 | ||
| 1996 | 19 074 | 1 124 | 20 198 | 22 506 | 7 466 | 7 680 | 33 475 | 57,0 | 60,3 | 2,0 | 100 892 | 5 789 | > 75 | |||
| 1997 | 21 568 | 2 262 | 23 830 | 25 415 | 11 755 | 9 685 | 38 922 | 55,4 | 61,2 | 2,5 | 101 964 | 1 491 | > 75 | |||
| Politie IJsselland | 1995 | 40 097 | 4 018 | 44 115 | 31 999 | 15 994 | 52 402 | 76,5 | 84,2 | 2,5 | 114 352 | 2 255 | > 75 | |||
| 1996 | 49 281 | 3 499 | 52 780 | 34 320 | 22 989 | 60 117 | 82,0 | 87,8 | 3,5 | 116 064 | 928 | > 75 | ||||
| (excl. AT en IRT) | 1997 | 59 086 | 2 018 | 61 104 | 33 780 | 32 208 | 69 018 | 85,6 | 88,5 | 4,5 | 121 748 | 600 | > 75 | |||
| Politie Twente | 1995 | 68 232 | 2000 | 70 232 | 60 449 | 13 576 | 78 042 | 87,4 | 90,0 | 2,3 | 139 660 | 3 838 | > 75 | |||
| 1996 | 71 889 | 2 950 | 74 839 | 76 930 | 2 892 | 84 203 | 85,4 | 88,9 | 0,8 | 146 047 | 4 261 | > 75 | ||||
| 1997 | 72 122 | 3 959 | 76 081 | 88 755 | 27 | 93 102 | 77,5 | 81,7 | 0,3 | 153 717 | – 657 | > 75 | ||||
| Politie Noord- en Oost- | 1995 | 60 609 | 2001 | 62 610 | 58 026 | 4 688 | 69 547 | 87,1 | 90,0 | 1,7 | 146 775 | 669 | > 75 | |||
| Gelderland | 1996 | 65 065 | 887 | 65 952 | 59 319 | 12 365 | 76 276 | 85,3 | 86,5 | 1,6 | 156 413 | 5 876 | > 75 | |||
| 1997 | 65 969 | 2 498 | 68 467 | 58 247 | 14 911 | 77 675 | 84,9 | 88,1 | 2,1 | 156 967 | 6 249 | > 75 | ||||
| Politie Gelderland Midden | 1995 | 28 043 | 156 | 28 199 | 58 052 | 208 | 11 409 | 63 204 | 44,4 | 44,6 | 0,2 | 136 582 | – 6 648 | > 75 | ||
| 1996 | 36 458 | 2 479 | 38 937 | 74 208 | 9 624 | 34 614 | 88 238 | 41,3 | 44,1 | 1,0 | 155 266 | – 1 825 | > 75 | |||
| 1997 | 39 599 | 2 511 | 42 110 | 69 969 | 12 396 | 33 216 | 87 312 | 45,4 | 48,2 | 1,4 | 152 329 | 302 | > 75 | |||
| Politie Gelderland Zuid | 1995 | 63 939 | 588 | 64 527 | 62 725 | 7 158 | 74 170 | 86,2 | 87,0 | 1,2 | 114 135 | 1 106 | > 75 | |||
| 1996 | 67 193 | 3 610 | 70 803 | 72 402 | 2 498 | 78 733 | 85,3 | 89,9 | 0,8 | 113 495 | 2 242 | > 75 | ||||
| 1997 | 59 614 | 10 381 | 69 995 | 95 469 | 217 | 98 603 | 60,5 | 71,0 | 0,1 | 119 915 | – 425 | > 75 | ||||
| Politie Flevoland | 1995 | 44 794 | 4 556 | 49 350 | 45 992 | 17 328 | 9 891 | 64 652 | 69,3 | 76,3 | 3,4 | 73 425 | 967 | > 75 | ||
| 1996 | 47 124 | 2 823 | 49 947 | 45 189 | 18 219 | 9 776 | 64 971 | 72,5 | 76,9 | 3,8 | 68 766 | – 904 | > 75 | |||
| 1997 | 70 994 | 3 424 | 74 418 | 43 833 | 44 140 | 9 404 | 89 823 | 79,0 | 82,8 | 7,7 | 98 621 | 2 253 | > 75 | |||
| Politie Utrecht | 1995 | 192 085 | 7 447 | 199 532 | 205 255 | 211 | 222 662 | 86,3 | 89,6 | 0,6 | 281 345 | 855 | > 75 | |||
| 1996 | 191 067 | 9 205 | 200 272 | 201 980 | 425 | 223 900 | 85,3 | 89,4 | 0,7 | 288 311 | 430 | > 75 | ||||
| 1997 | 184 428 | 6 421 | 190 849 | 200 584 | 105 | 219 770 | 83,9 | 86,8 | 0,5 | 312 523 | 445 | > 75 | ||||
| Politie Noord-Holland Noord | 1995 | 56 754 | 2 469 | 59 223 | 71 847 | 1 301 | 75 472 | 75,2 | 78,5 | 0,2 | 113 092 | – 2 240 | > 75 | |||
| 1996 | 52 742 | 4 659 | 57 401 | 68 726 | 77 | 71 763 | 73,5 | 80,0 | 0,2 | 119 472 | 1 782 | > 75 | ||||
| 1997 | 50 355 | 6 199 | 56 554 | 77 749 | 20 284 | 34 300 | 100 881 | 49,9 | 56,1 | 2,3 | 128 697 | 4 035 | > 75 | |||
| Politie Gooi en Vechtstreek | 1995 | 22 633 | 618 | 23 251 | 44 280 | 10 423 | 19 000 | 56 492 | 40,1 | 41,2 | 0,9 | 60 648 | – 985 | > 75 | ||
| 1996 | 22 151 | 287 | 22 438 | 41 784 | 3 443 | 18 139 | 46 833 | 47,3 | 47,9 | 0,8 | 65 137 | 939 | > 75 | |||
| 1997 | 24 883 | 743 | 25 626 | 41 934 | 4 336 | 17 279 | 48 607 | 51,2 | 52,7 | 1,2 | 70 055 | 275 | > 75 | |||
| Politie Zaanstreek-Waterland | 1995 | 41 178 | 93 | 41 271 | 37 334 | 7 518 | 45 372 | 90,8 | 91,0 | 2,0 | 64 279 | 1993 | > 75 | |||
| 1996 | 42 414 | 113 | 42 527 | 40 860 | 4 948 | 47 389 | 89,5 | 89,7 | 1,3 | 68 365 | 2 890 | > 75 | ||||
| 1997 | 40 556 | 88 | 40 644 | 43 559 | – 450 | 44 383 | 91,4 | 91,6 | 0,2 | 71 691 | 53 | > 75 | ||||
| Politie Kennemerland | 1995 | 97 370 | 4 813 | 102 183 | 97 178 | 18 122 | 117 672 | 82,7 | 86,8 | 1,3 | 135 056 | 14 225 | > 75 | |||
| 1996 | 102 547 | 821 | 103 368 | 95 060 | 19 351 | 117 704 | 87,1 | 87,8 | 1,6 | 140 913 | 5 176 | > 75 | ||||
| 1997 | 97 342 | 9 004 | 106 346 | 94 692 | 21 956 | 119 303 | 81,6 | 89,1 | 1,9 | 138 360 | – 3 955 | > 75 | ||||
| Politie Amsterdam-Amstelland | 1995 | 409 764 | 2 900 | 412 664 | 326 985 | 129 383 | 53 | 468 903 | 87,4 | 88,0 | 2,5 | 598 290 | 59 585 | > 75 | ||
| 1996 | 432 379 | 29 357 | 461 736 | 344 664 | 165 264 | 525 515 | 82,3 | 87,9 | 2,8 | 563 732 | 23 467 | > 75 | ||||
| 1997 | 462 170 | 33 905 | 496 075 | 367 436 | 173 212 | 558 475 | 82,8 | 88,8 | 3,1 | 601 299 | 27 863 | > 75 | ||||
| Politie Hollands Midden | 1995 | 71 760 | 2 072 | 73 832 | 76 879 | 5 364 | 85 733 | 83,7 | 86,1 | 0,7 | 148 192 | 456 | > 75 | |||
| 1996 | 70 440 | 2 235 | 72 675 | 74 288 | 8 040 | 85 245 | 82,6 | 85,3 | 0,9 | 150 859 | 343 | > 75 | ||||
| 1997 | 64 154 | 2 209 | 66 363 | 80 452 | – 3 171 | 81 791 | 78,4 | 81,1 | 0,1 | 160 551 | – 3 122 | > 75 | ||||
| Politie Haaglanden | 1995 | 247 571 | 167 | 247 738 | 291 666 | 159 | 311 628 | 79,4 | 79,5 | 0,2 | 385 232 | 7 306 | > 75 | |||
| 1996 | 254 069 | 5 667 | 259 736 | 289 201 | 160 | 312 804 | 81,2 | 83,0 | 0,3 | 418 287 | 2 974 | > 75 | ||||
| 1997 | 265 823 | 9 235 | 275 058 | 288 556 | 62 | 305 376 | 87,0 | 90,1 | 0,4 | 430 723 | – 496 | > 75 | ||||
| Politie Rotterdam-Rijnmond | 1995 | 440 419 | 8 473 | 448 892 | 406 650 | 62 492 | 487 963 | 90,3 | 92,0 | 2,1 | 533 915 | 18 080 | > 75 | |||
| 1996 | 432 282 | 9 973 | 442 255 | 422 051 | 49 350 | 485 358 | 89,1 | 91,1 | 1,5 | 558 381 | 18 782 | > 75 | ||||
| 1997 | 428 102 | 15 784 | 443 886 | 416 358 | 62 967 | 492 186 | 87,0 | 90,2 | 1,6 | 563 162 | 9 407 | > 75 | ||||
| Politie Zuid-Holland Zuid | 1995 | 53 417 | 4 620 | 58 037 | 41 819 | 22 818 | 1 770 | 68 492 | 78,0 | 84,7 | 2,9 | 111 685 | 7 725 | > 75 | ||
| 1996 | 59 094 | 5 607 | 64 701 | 41 930 | 28 917 | 1 305 | 74 160 | 79,7 | 87,2 | 3,8 | 107 683 | 5 997 | > 75 | |||
| 1997 | 65 678 | 8 318 | 73 996 | 44 144 | 32 959 | 840 | 82 407 | 79,7 | 89,8 | 4,9 | 115 439 | 4 502 | > 75 | |||
| Politie Zeeland | 1995 | 22 210 | – 272 | 21 938 | 21 293 | 8 388 | 31 660 | 70,2 | 69,3 | 1,1 | 89 634 | 277 | > 75 | |||
| 1996 | 29 466 | 156 | 29 622 | 25 118 | 71 415 | 63 045 | 99 800 | 29,5 | 29,7 | 10,5 | 91 266 | 2 705 | > 75 | |||
| 1997 | 30 704 | 413 | 31 117 | 26 721 | 69 848 | 61 052 | 99 235 | 30,9 | 31,4 | 10,3 | 96 823 | 1 604 | > 75 | |||
| Politie Brabant-Noord | 1995 | 82 369 | 1 827 | 84 196 | 68 935 | 22 718 | 2 303 | 96 907 | 85,0 | 86,9 | 2,7 | 125 484 | 3 353 | > 75 | ||
| 1996 | 85 494 | 3 417 | 88 911 | 78 846 | 17 744 | 2 336 | 99 809 | 85,7 | 89,1 | 2,4 | 127 893 | 3 601 | > 75 | |||
| 1997 | 86 363 | 7 229 | 93 592 | 92 044 | 9 833 | 756 | 105 905 | 81,5 | 88,4 | 1,2 | 137 066 | 3 035 | > 75 | |||
| Politie Midden en West | 1995 | 49 061 | 31 578 | 80 639 | 119 093 | 99 | 486 | 126 986 | 38,6 | 63,5 | 0,2 | 245 831 | 3 180 | > 75 | ||
| Brabant | 1996 | 56 837 | 34 023 | 90 860 | 138 337 | 2 013 | 148 308 | 38,3 | 61,3 | 0,2 | 267 077 | 4 201 | > 75 | |||
| 1997 | 49 740 | 37 199 | 86 939 | 146 259 | 3 173 | 157 932 | 31,5 | 55,0 | 0,2 | 267 465 | – 427 | > 75 | ||||
| Politie Brabant Zuid-Oost | 1995 | 97 986 | 5 206 | 103 192 | 83 820 | 25 340 | 8 | 115 617 | 84,8 | 89,3 | 2,6 | 167 888 | 2 961 | > 75 | ||
| 1996 | 94 298 | 4 295 | 98 593 | 88 869 | 19 432 | 115 068 | 81,9 | 85,7 | 1,6 | 172 047 | 22 | > 75 | ||||
| (excl. IRT/USD) | 1997 | 96 934 | 5 019 | 101 953 | 104 389 | 6 978 | 118 818 | 81,6 | 85,8 | 0,8 | 173 115 | 5 063 | > 75 | |||
| Politie Limburg-Noord | 1995 | 51 748 | 872 | 52 620 | 47 799 | 13 891 | 891 | 65 094 | 79,5 | 80,8 | 1,4 | 115 189 | 6 617 | > 75 | ||
| 1996 | 60 918 | 1 278 | 62 196 | 70 278 | 3 036 | 874 | 79 122 | 77,0 | 78,6 | 0,5 | 114 138 | 7 680 | > 75 | |||
| 1997 | 61 903 | 1 569 | 63 472 | 79 195 | 1 043 | 855 | 82 962 | 74,6 | 76,5 | 0,2 | 116 175 | 2 539 | > 75 | |||
| Politie Limburg-Zuid | 1995 | 105 247 | 3 319 | 108 566 | 91 558 | 34 060 | 8 898 | 128 891 | 81,7 | 84,2 | 3,2 | 188 941 | 2 558 | > 75 | ||
| 1996 | 96 943 | 4 456 | 101 399 | 100 920 | 28 106 | 19 958 | 134 239 | 72,2 | 75,5 | 2,3 | 211 340 | 6 257 | > 75 | |||
| 1997 | 100 687 | 7 403 | 108 090 | 112 382 | 31 426 | 29 790 | 150 800 | 66,8 | 71,7 | 2,6 | 199 664 | 1 452 | > 75 | |||
| Totaal Cluster Politieregio’s | 1995 | 2 482 101 | 100 021 | 2 582 122 | 2 530 650 | 448 261 | 98 709 | 3 134 940 | 79,2 | 82,4 | 1,3 | 4 453 194 | 118 540 | > 75 | ||
| 1996 | 2 563 323 | 140 326 | 2 703 649 | 2 686 647 | 506 120 | 192 287 | 3 350 567 | 76,5 | 80,7 | 1,4 | 4 613 521 | 110 249 | > 75 | |||
| 1997 | 2 618 891 | 187 521 | 2 806 412 | 2 809 395 | 557 064 | 234 877 | 3 524 976 | 74,3 | 79,6 | 1,4 | 4 794 267 | 70 509 | > 75 | |||
| Individuele RWT’s | ||||||||||||||||
| Landelijke selectie- en | 1995 | 161 570 | 32 974 | 194 544 | 191 484 | 28 445 | 10 000 | 240 022 | 67,3 | 81,1 | 1,2 | 164 727 | 18,2 | 50–75 | ||
| opleidingsinstituut Politie | 1996 | 161 406 | 28 027 | 189 432 | 178 332 | 33 481 | 10 000 | 230 798 | 69,9 | 82,1 | 1,5 | 159 271 | – 1 082 | 50–75 | ||
| 1997 | 150 246 | 19 764 | 170 010 | 158 884 | 30 135 | 0 | 207 224 | 72,5 | 82,0 | 1,2 | 164 303 | – 315 | 50–75 | |||
| Totaal Ministerie van BZK | 1995 | 2 643 671 | 132 995 | 2 776 666 | 2 722 134 | 476 706 | 108 709 | 3 374 962 | 78,3 | 82,3 | 1,3 | 4 617 921 | 118 558 | > 75 | ||
| 1996 | 2 724 729 | 168 353 | 2 893 081 | 2 864 979 | 539 601 | 202 287 | 3 581 365 | 76,1 | 80,8 | 1,4 | 4 772 792 | 109 167 | > 75 | |||
| 1997 | 2 769 137 | 207 285 | 2 976 422 | 2 968 279 | 587 199 | 234 877 | 3 732 200 | 74,2 | 79,7 | 1,4 | 4 958 570 | 70 194 | > 75 | |||
| Ministerie van Justitie | ||||||||||||||||
| Raden voor Rechtsbijstand | ||||||||||||||||
| Amsterdam | 1995 | – 8 100 | 16 658 | 8 558 | 831 | 12 654 | 831 | 92 983 | – 8,7 | 9,2 | 1,1 | 131 123 | 807 | > 75 | ||
| 1996 | – 15 081 | 20 060 | 4 979 | 777 | 6 521 | 777 | 88 045 | – 17,1 | 5,7 | 1,1 | 125 971 | – 7 081 | > 75 | |||
| 1997 | – 7 495 | 15 614 | 8 119 | 699 | 9 970 | 699 | 90 352 | – 8,3 | 9,0 | 1,1 | 144 846 | 7 744 | > 75 | |||
| Den Bosch | 1995 | – 2 152 | 10 377 | 8 225 | 692 | 10 646 | 692 | 49 468 | – 4,4 | 16,6 | 1,2 | 78 618 | 4 741 | > 75 | ||
| 1996 | – 392 | 6 611 | 6 219 | 607 | 6 326 | 607 | 46 901 | – 0,8 | 13,3 | 1,1 | 77 106 | 1 760 | > 75 | |||
| 1997 | 7 584 | 7 805 | 15 389 | 509 | 15 418 | 509 | 56 308 | 13,5 | 27,3 | 1,4 | 91 632 | 7 951 | > 75 | |||
| Arnhem | 1995 | – 2 833 | 7 447 | 4 614 | 126 | 8 854 | 126 | 43 057 | – 6,6 | 10,7 | 1,1 | 63 961 | 3 319 | > 75 | ||
| 1996 | 1 414 | 3 722 | 5 136 | 136 | 10 629 | 137 | 44 170 | 3,2 | 11,6 | 1,1 | 66 186 | 4 247 | > 75 | |||
| 1997 | 8 776 | – 644 | 8 132 | 134 | 10 787 | 135 | 45 695 | 19,2 | 17,8 | 1,2 | 68 437 | 7 242 | > 75 | |||
| ’s-Gravenhage | 1995 | – 1 068 | 8 546 | 7 478 | 792 | 7 946 | 792 | 63 987 | – 1,7 | 11,7 | 1,1 | 85 060 | 2 405 | > 75 | ||
| 1996 | 1 326 | 5 848 | 7 174 | 705 | 5 500 | 705 | 63 469 | 2,1 | 11,3 | 1,1 | 88 064 | 2 461 | > 75 | |||
| 1997 | 8 536 | – 1 830 | 6 706 | 608 | 9 067 | 608 | 66 852 | 12,8 | 10,0 | 1,1 | 93 714 | 7 213 | > 75 | |||
| Leeuwarden | 1995 | 677 | 3 405 | 4 082 | 452 | 3 970 | 452 | 20 179 | 3,4 | 20,2 | 1,3 | 32 088 | 2 061 | > 75 | ||
| 1996 | 2 646 | 2 778 | 5 424 | 400 | 4 893 | 400 | 21 385 | 12,4 | 25,4 | 1,3 | 31 268 | 1 969 | > 75 | |||
| 1997 | 2 977 | 1 510 | 4 487 | 343 | 6 479 | 343 | 23 014 | 12,9 | 19,5 | 1,2 | 31 703 | 2 538 | > 75 | |||
| Totaal Cluster Raden voor | 1995 | – 13 476 | 46 433 | 32 957 | 2 893 | 44 070 | 2 893 | 269 674 | – 5,0 | 12,2 | 1,1 | 390 850 | 13 333 | > 75 | ||
| Rechtsbijstand | 1996 | – 10 087 | 39 019 | 28 932 | 2 625 | 33 869 | 2 626 | 263 970 | – 3,8 | 11,0 | 1,1 | 388 595 | 3 356 | > 75 | ||
| 1997 | 20 378 | 22 455 | 42 833 | 2 293 | 51 721 | 2 294 | 282 221 | 7,2 | 15,2 | 1,2 | 430 332 | 32 688 | > 75 | |||
| Individuele RWT’s | ||||||||||||||||
| Centraal Orgaan opvang | 1995 | 64 721 | 20 013 | 222 193 | 306 927 | 222 193 | 172 094 | 14 172 | 510 794 | 12,7 | 60,1 | 1,4 | 1 361 073 | 13 336 | > 75 | |
| Asielzoekers | 1996 | 69 379 | 33 829 | 241 467 | 344 675 | 241 467 | 186 836 | 22 624 | 480 209 | 14,4 | 71,8 | 1,9 | 1 261 178 | 15 556 | > 75 | |
| 1997 | 69 303 | 102 217 | 243 051 | 414 571 | 243 051 | 245 315 | 0 | 533 271 | 13,0 | 77,7 | 2,4 | 1 231 529 | 0 | > 75 | ||
| St. Reclassering Nederland | 1995 | 12 710 | 40 271 | 32 479 | 85 460 | 35 257 | 56 280 | 46 | 539 | 93 704 | 13,6 | 91,2 | 7,5 | 162 773 | 2 551 | > 75 |
| 1996 | 15 863 | 37 510 | 37 642 | 91 015 | 40 324 | 54 068 | 4 701 | 519 | 101 374 | 15,6 | 89,8 | 5,7 | 154 899 | 3 005 | > 75 | |
| 1997 | 13 244 | 47 784 | 47 717 | 108 745 | 49 518 | 67 167 | 4 520 | 500 | 124 280 | 10,7 | 87,5 | 4,6 | 190 314 | 3 333 | > 75 | |
| Totaal Ministerie van Justitie | 1995 | 63 955 | 106 717 | 254 672 | 425 344 | 260 343 | 272 444 | 46 | 17 604 | 874 172 | 7,3 | 48,7 | 1,4 | 1 914 696 | 29 220 | > 75 |
| 1996 | 75 155 | 110 358 | 279 109 | 464 622 | 284 416 | 274 773 | 4 701 | 25 769 | 845 553 | 8,9 | 54,9 | 1,5 | 1 804 672 | 21 917 | > 75 | |
| 1997 | 102 925 | 172 456 | 290 768 | 566 149 | 294 862 | 364 203 | 4 520 | 2 794 | 939 772 | 11,0 | 60,2 | 1,7 | 1 852 175 | 36 021 | > 75 | |
| Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | ||||||||||||||||
| Uitvoeringsinstellingen sociale zekerheid (uvi’s) | ||||||||||||||||
| SFB | 1995 | 4 667 | 115 866 | 120 533 | 29 321 | 177 799 | 2,6 | 67,8 | 3,1 | |||||||
| 1996 | 18 419 | 119 714 | 138 133 | 39 215 | 215 430 | 8,5 | 64,1 | 2,8 | 288 761 | 9 085 | > 75 | |||||
| 1997 | 33 025 | 88 848 | 121 873 | 197 896 | 237 546 | 13,9 | 51,3 | 2,1 | 280 821 | 9 940 | > 75 | |||||
| GAK | 1995 | 81 040 | 527 033 | 608 073 | 123 632 | 206 938 | 72 000 | 1 081 256 | 7,5 | 56,2 | 1,6 | |||||
| 1996 | 105 718 | 595 055 | 700 773 | 111 348 | 4 618 | 18 080 | 971 195 | 10,9 | 72,2 | 1,8 | 1 886 445 | 24 678 | > 75 | |||
| 1997 | 107 307 | 612 324 | 719 631 | 88 204 | 131 123 | 0 | 940 509 | 11,4 | 76,5 | 2,1 | 1 791 554 | 1 589 | > 75 | |||
| CADANS | 1995 | 5 000 | 252 353 | 257 353 | 0 | 53 029 | 361 770 | 1,4 | 71,1 | 1,0 | ||||||
| 1996 | 7 605 | 259 678 | 267 283 | 9 475 | 67 762 | 395 165 | 1,9 | 67,6 | 1,2 | 680 289 | 2 605 | > 75 | ||||
| 1997 | 28 006 | 191 884 | 219 890 | 5 559 | 103 379 | 364 093 | 7,7 | 60,4 | 1,2 | 614 972 | 2 601 | > 75 | ||||
| Totaal Cluster uvi’s | 1995 | 90 707 | 895 252 | 985 959 | 123 632 | 289 288 | 72 000 | 1 620 825 | 5,6 | 60,8 | 1,6 | 0 | 0 | |||
| 1996 | 131 742 | 974 447 | 1 106 189 | 120 823 | 111 595 | 18 080 | 1 581 790 | 8,3 | 69,9 | 1,8 | 2 855 495 | 36 368 | > 75 | |||
| 1997 | 168 338 | 893 056 | 1 061 394 | 93 763 | 432 398 | 0 | 1 542 148 | 10,9 | 68,8 | 1,8 | 2 687 347 | 14 130 | > 75 | |||
| Individuele RWT’s | ||||||||||||||||
| Sociale Verzekeringsbank (SVB) | 1995 | 0 | 57 200 | 57 200 | 212 077 | 1 612 819 | 160 902 | 1 866 315 | 0,0 | 3,1 | 1,0 | 548 424 | 0 | > 75 | ||
| 1996 | 0 | 117 177 | 117 177 | 191 894 | 381 853 | 169 170 | 1 652 687 | 0,0 | 7,1 | 1,1 | 578 115 | 0 | > 75 | |||
| 1997 | 0 | 105 299 | 105 299 | 210 070 | 1 570 487 | 165 683 | 1 892 823 | 0,0 | 5,6 | 1,0 | 531 250 | 0 | > 75 | |||
| Arbeidsvoorziening | 1995 | – 361 194 | 357 881 | – 3 313 | 285 638 | 185 200 | 44 447 | 758 430 | – 47,6 | – 0,4 | 0,7 | 2 057 008 | 385 589 | > 75 | ||
| 1996 | – 120 049 | 338 137 | 218 088 | 243 804 | 183 014 | 45 423 | 784 382 | – 15,3 | 27,8 | 1,0 | 2 022 426 | 241 145 | 50–75 | |||
| 1997 | – 284 292 | 232 125 | – 52 167 | 277 008 | 2 271 | 30 454 | 660 347 | – 43,1 | – 7,9 | 0,5 | 1 690 596 | – 164 243 | 50–75 | |||
| Totaal Ministerie van SZW | 1995 | – 270 487 | 1 310 333 | 1 039 846 | 621 347 | 2 087 307 | 277 349 | 4 245 570 | – 6,4 | 24,5 | 1,0 | 2 605 432 | 385 589 | > 75 | ||
| 1996 | 11 693 | 1 429 761 | 1 441 454 | 556 521 | 676 462 | 232 673 | 4 018 859 | 0,3 | 35,9 | 1,2 | 5 456 036 | 277 513 | > 75 | |||
| 1997 | – 115 954 | 1 230 480 | 1 114 526 | 580 841 | 2 005 156 | 196 137 | 4 095 318 | – 2,8 | 27,2 | 1,0 | 4 909 193 | – 150 113 | > 75 | |||
| Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport | ||||||||||||||||
| Ziekenfondsen | ||||||||||||||||
| OWM RZG Zorgverzekeraar | 1995 | 59 167 | 1 495 | 60 662 | 16 804 | 8 356 | 7 489 | 206 356 | 28,7 | 29,4 | 8,1 | 890 557 | 12 953 | > 75 | ||
| UA | 1996 | 53 981 | 4 853 | 58 834 | 15 638 | 8 146 | 470 | 183 779 | 29,4 | 32,0 | 8,5 | 913 719 | 7 094 | > 75 | ||
| 1997 | 64 559 | 4 881 | 69 440 | 20 732 | 9 808 | 380 | 197 650 | 32,7 | 35,1 | 1,3 | 994 775 | 10 578 | > 75 | |||
| St. Ziekenfonds VGZ | 1995 | 138 720 | 239 899 | 378 619 | 19 861 | 6 969 | 123 489 | 7 525 | 468 296 | 29,6 | 80,9 | 3,1 | 2 534 357 | 42 792 | > 75 | |
| 1996 | 174 570 | 278 807 | 453 377 | 18 282 | 27 412 | 42 812 | 7 325 | 518 241 | 33,7 | 87,5 | 5,3 | 2 584 443 | 36 650 | > 75 | ||
| 1997 | 200 174 | 370 753 | 570 927 | 12 556 | 7 592 | 251 001 | 34 068 | 696 087 | 28,8 | 82,0 | 4,7 | 2 875 415 | 14 731 | > 75 | ||
| OWM OZ Zorgverzekeringen UA | 1995 | 106 677 | 5 681 | 112 358 | 17 114 | 119 245 | 0 | 281 181 | 37,9 | 40,0 | 1,5 | 1 327 196 | 19 413 | > 75 | ||
| 1996 | 103 492 | 6 627 | 110 119 | 20 631 | 11 527 | 95 058 | 264 457 | 39,1 | 41,6 | 0,9 | 1 342 496 | 12 666 | > 75 | |||
| 1997 | 114 057 | 3 025 | 117 082 | 14 268 | 64 420 | 94 841 | 352 359 | 32,4 | 33,2 | 1,0 | 1 445 112 | 10 438 | > 75 | |||
| OWM Zorgverzekeraar TRIAS | 1995 | 76 546 | 1 562 | 78 108 | 20 366 | 87 721 | 2 093 | 183 978 | 41,6 | 42,5 | 1,5 | 768 516 | 12 992 | > 75 | ||
| UA | 1996 | 77 671 | 1 217 | 78 888 | 31 147 | 70 720 | 5 000 | 200 833 | 38,7 | 39,3 | 1,3 | 775 076 | 10 245 | > 75 | ||
| 1997 | 86 975 | 1 217 | 88 192 | 35 693 | 41 585 | 20 000 | 198 504 | 43,8 | 44,4 | 1,3 | 812 542 | 7 648 | > 75 | |||
| OWM Salland Zorg- | 1995 | 9 884 | 721 | 10 605 | 14 093 | 12 613 | 6 482 | 32 932 | 30,0 | 32,2 | 1,2 | 176 235 | 2 566 | > 75 | ||
| verzekeringen UA | 1996 | 11 876 | 714 | 12 590 | 11 776 | 5 997 | 5 946 | 37 726 | 31,5 | 33,4 | 1,4 | 190 010 | 2 223 | > 75 | ||
| 1997 | 14 561 | 835 | 15 396 | 10 269 | 5 648 | 5 411 | 38 283 | 38,0 | 40,2 | 1,6 | 208 289 | 2 685 | > 75 | |||
| OWM AZIVO UA | 1995 | 20 936 | 2 400 | 23 336 | 7 118 | 10 045 | 10 000 | 72 711 | 28,8 | 32,1 | 1,1 | 271 254 | 4 565 | > 75 | ||
| 1996 | 20 593 | 5 873 | 26 466 | 8 152 | 3 211 | 11 452 | 74 169 | 27,8 | 35,7 | 1,1 | 279 229 | 2 354 | > 75 | |||
| 1997 | 22 621 | 6 384 | 29 005 | 8 658 | 1 007 | 10 918 | 82 220 | 27,5 | 35,3 | 1,2 | 321 203 | 2 084 | > 75 | |||
| Stichting AZVZ | 1995 | 3 819 | 3 819 | 1 045 | 4 300 | 9 494 | 40,2 | 40,2 | 0,9 | 9 532 | 454 | > 75 | ||||
| 1996 | 3 743 | 3 743 | 1 913 | 5 400 | 11 073 | 33,8 | 33,8 | 0,8 | 10 481 | – 76 | > 75 | |||||
| 1997 | 4 341 | 4 341 | 9 291 | 0 | 11 695 | 37,1 | 37,1 | 1,6 | 9 099 | 599 | > 75 | |||||
| St. CZ Groep Ziekenfonds | 1995 | 197 003 | 241 990 | 438 993 | 80 681 | 142 167 | 527 847 | 37,3 | 83,2 | 4,2 | 2 541 860 | 56 672 | > 75 | |||
| 1996 | 259 823 | 242 489 | 502 312 | 30 165 | 188 920 | 564 113 | 46,1 | 89,0 | 5,9 | 2 560 085 | 62 820 | > 75 | ||||
| 1997 | 325 489 | 419 860 | 745 349 | 61 202 | 384 962 | 833 320 | 39,1 | 89,4 | 5,0 | 2 742 398 | 65 666 | > 75 | ||||
| Het Anker UA | 1995 | – 70 | 41 | – 29 | 39 | 48 | 1 500 | 1 519 | – 4,6 | – 1,9 | 30,8 | 158 | – 66 | > 75 | ||
| 1996 | – 128 | 460 | 332 | 25 | 73 | 1 500 | 1 899 | – 6,7 | 17,5 | 28,0 | 1 508 | – 58 | > 75 | |||
| 1997 | – 366 | 834 | 468 | 13 | 73 | 1 450 | 2 108 | – 17,4 | 22,2 | 11,0 | 3 544 | – 238 | > 75 | |||
| OWM De Friesland Zorgverzekeraar UA | 1995 | 56 244 | 56 244 | 369 | 29 460 | 15 000 | 18 941 | 153 688 | 36,6 | 36,6 | 1,4 | 715 392 | 13 726 | > 75 | ||
| 1996 | 66 707 | 66 707 | 350 | 25 969 | 24 118 | 15 633 | 145 078 | 46,0 | 46,0 | 1,5 | 701 391 | 15 425 | > 75 | |||
| 1997 | 87 729 | 87 729 | 349 | – 37 071 | 80 110 | 0 | 161 147 | 54,4 | 54,4 | 0,7 | 771 049 | 15 860 | > 75 | |||
| OWM Oost Nederland | 1995 | 57 321 | 71 | 57 392 | 3 011 | 33 816 | 54 350 | 166 855 | 34,4 | 34,4 | 1,0 | 1 110 578 | 11 880 | > 75 | ||
| 1996 | 57 792 | 0 | 57 792 | 41 | 15 475 | 34 584 | 160 964 | 35,9 | 35,9 | 1,2 | 1 107 553 | 15 492 | > 75 | |||
| (per 01/09/97 gefuseerd met RZR tot AMICON) | 1997 | 72 018 | 0 | 72 018 | 33 | 15 870 | 75 889 | 225 974 | 31,9 | 31,9 | 0,8 | 1 174 498 | 14 405 | > 75 | ||
| OWM Zorg en Zekerheid UA | 1995 | 67 168 | 1 911 | 69 079 | 37 270 | 41 058 | 25 746 | 25 780 | 201 930 | 33,3 | 34,2 | 1,3 | 949 710 | 20 617 | > 75 | |
| 1996 | 85 918 | 2 231 | 88 149 | 39 277 | 3 778 | 68 791 | 24 920 | 272 842 | 31,5 | 32,3 | 1,0 | 1 044 935 | 18 750 | > 75 | ||
| 1997 | 90 251 | 2 553 | 92 804 | 38 821 | 7 899 | 95 970 | 30 000 | 283 814 | 31,8 | 32,7 | 0,9 | 1 046 837 | 4 332 | > 75 | ||
| OWM RZR Zorgverzekeraar | 1995 | 85 923 | 98 520 | 184 443 | 4 237 | 83 209 | 0 | 199 167 | 43,1 | 92,6 | 13,1 | 1 130 815 | 22 452 | > 75 | ||
| 1996 | 60 638 | 121 667 | 182 305 | 5 078 | 8 205 | 86 228 | 217 315 | 27,9 | 83,9 | 3,6 | 1 131 337 | 4 177 | > 75 | |||
| (per 01/09/97 gefuseerd met Oost Ned. tot AMICON) | 1997 | 87 012 | 101 668 | 188 680 | 5 068 | 17 940 | 90 911 | 224 992 | 38,7 | 83,9 | 3,6 | 1 203 377 | 27 782 | > 75 | ||
| OWM OLM Het Groene Land | 1995 | 65 148 | 6 925 | 906 | 72 979 | 14 882 | 147 269 | 15 000 | 298 622 | 21,8 | 24,4 | 1,2 | 1 331 212 | 12 748 | > 75 | |
| 1996 | 74 171 | 3 493 | 0 | 77 664 | 14 882 | 911 | 141 283 | 336 561 | 22,0 | 23,1 | 0,7 | 1 386 396 | 23 837 | > 75 | ||
| 1997 | 133 027 | 7 423 | 0 | 140 450 | 31 332 | 17 326 | 181 633 | 396 932 | 33,5 | 35,4 | 0,7 | 1 479 477 | 48 052 | > 75 | ||
| OWM Nuts Zorgverzekeringen | 1995 | 54 546 | 1 500 | 56 046 | 71 567 | 47 983 | 226 542 | 24,1 | 24,7 | 1,0 | 883 478 | 4 417 | > 75 | |||
| UA | 1996 | 56 992 | 2 950 | 59 942 | 19 104 | 125 651 | 327 716 | 17,4 | 18,3 | 0,7 | 892 450 | 4 544 | > 75 | |||
| 1997 | 66 795 | 2 950 | 69 745 | 7 902 | 144 286 | 297 339 | 22,5 | 23,5 | 0,6 | 884 374 | 8 480 | > 75 | ||||
| Zorgverzekeraar DSW | 1995 | 31 311 | 238 | 31 549 | 1 519 | 32 994 | 0 | 83 297 | 37,6 | 37,9 | 1,6 | 524 476 | 9 578 | > 75 | ||
| 1996 | 42 877 | 113 | 42 990 | 2 298 | 28 873 | 0 | 98 898 | 43,4 | 43,5 | 1,7 | 497 045 | 11 566 | > 75 | |||
| 1997 | 56 467 | 37 | 56 504 | 2 431 | 21 760 | 42 350 | 115 896 | 48,7 | 48,8 | 1,2 | 536 201 | 12 720 | > 75 | |||
| OWM Univè Zorgverzekeraar | 1995 | 46 300 | 14 475 | 60 775 | 10 835 | 0 | 0 | 9 400 | 170 997 | 27,1 | 35,5 | 1,6 | 722 297 | 7 702 | > 75 | |
| UA | 1996 | 57 499 | 4 698 | 62 197 | 10 578 | 20 127 | 28 841 | 9 000 | 194 818 | 29,5 | 31,9 | 1,3 | 783 133 | 11 699 | > 75 | |
| 1997 | 72 326 | 291 | 72 617 | 10 130 | 0 | 48 044 | 8 600 | 223 823 | 32,3 | 32,4 | 1,1 | 875 632 | 14 827 | > 75 | ||
| OWM ANOVA Zorg | 1995 | 48 956 | 9 269 | 58 225 | 26 008 | 31 833 | 11 059 | 215 017 | 22,8 | 27,1 | 1,1 | 1 376 507 | 8 847 | > 75 | ||
| verzekeringen UA | 1996 | 56 905 | 5 144 | 62 049 | 30 094 | 51 472 | 65 | 229 959 | 24,7 | 27,0 | 1,2 | 1 383 203 | 24 785 | > 75 | ||
| 1997 | 70 045 | 7 386 | 77 431 | 46 266 | 118 928 | 31 | 259 854 | 27,0 | 29,8 | 1,1 | 1 427 264 | 13 140 | > 75 | |||
| OWM ZAO Zorgverzekeringen | 1995 | 93 219 | 7 627 | 100 846 | 9 572 | 119 801 | 52 400 | 244 406 | 38,1 | 41,3 | 1,2 | 1 257 702 | 11 632 | > 75 | ||
| UA | 1996 | 99 527 | 4 000 | 103 527 | 9 109 | 53 591 | 42 597 | 256 264 | 38,8 | 40,4 | 1,3 | 1 298 530 | 6 308 | > 75 | ||
| 1997 | 104 569 | 10 801 | 115 370 | 8 507 | 52 320 | 41 734 | 314 089 | 33,3 | 36,7 | 1,3 | 1 387 084 | 4 615 | > 75 | |||
| OHRA Zorgverzekeringen | 1995 | – 3 105 | – 3 105 | 28 | 6 288 | 5 000 | 30 036 | – 10,3 | – 10,3 | 1,1 | 68 948 | 1 195 | > 75 | |||
| 1996 | – 5 604 | – 5 604 | 4 072 | 8 000 | 32 024 | – 17,5 | – 17,5 | 1,1 | 81 808 | – 1 560 | > 75 | |||||
| 1997 | – 4 097 | – 4 097 | 1 775 | 8 250 | 34 045 | – 12,0 | – 12,0 | 1,1 | 112 554 | 1 507 | > 75 | |||||
| Zilv. Kruis verz. Spaarneland | 1995 | 54 137 | 49 834 | 103 971 | 8 200 | 78 | 115 462 | 17 758 | 248 200 | 21,8 | 41,9 | 0,7 | 617 207 | – 1 895 | > 75 | |
| 1996 | 70 691 | 60 055 | 130 746 | 7 500 | 23 | 54 856 | 4 450 | 343 400 | 20,6 | 38,1 | 1,1 | 625 880 | 11 228 | > 75 | ||
| 1997 | 94 357 | 55 797 | 150 154 | 0 | 15 176 | 71 196 | 4 450 | 314 723 | 30,0 | 47,7 | 1,1 | 629 466 | 4 936 | > 75 | ||
| Onderlinge ONVZ Zorg | 1995 | – 17 | 0 | – 17 | 0 | 0 | 0 | 0,0 | 0 | – 17 | ||||||
| verzekeraar UA | 1996 | – 752 | 0 | – 752 | 3 | 1 852 | 1 104 | – 68,1 | – 68,1 | 275,3 | 0 | – 736 | ||||
| 1997 | – 2 198 | 796 | – 1 402 | 2 | 3 298 | 3 719 | – 59,1 | – 37,7 | 2,0 | 3 9 78 | – 1 446 | > 75 | ||||
| Zilveren Kruis Ziekenfonds | 1995 | 10 573 | 88 301 | 98 874 | 6 255 | 0 | 132 663 | 8,0 | 74,5 | 3,9 | 342 458 | 12 803 | > 75 | |||
| (Noordwijk) | 1996 | 7 184 | 76 380 | 83 564 | 9 649 | 91 254 | 164 716 | 4,4 | 50,7 | 0,9 | 293 260 | 17 | > 75 | |||
| 1997 | 18 108 | 48 375 | 66 483 | 34 619 | 118 688 | 482 471 | 3,8 | 13,8 | 0,9 | 491 840 | 11 904 | > 75 | ||||
| OWM Ziekenfonds PWZ UA | 1995 | 17 630 | 987 | 18 617 | 18 617 | 94,7 | 100,0 | 440 752 | 4 144 | > 75 | ||||||
| 1996 | 23 133 | 915 | 24 048 | 24 048 | 96,2 | 100,0 | 459 782 | 5 907 | > 75 | |||||||
| 1997 | 26 075 | 837 | 26 912 | 16 000 | 26 912 | 96,9 | 100,0 | 472 390 | 2 994 | > 75 | ||||||
| Zilveren Kruis Zorgverzekeraar | 1995 | 157 666 | 130 945 | 288 611 | 12 500 | 9 725 | 197 843 | 492 201 | 32,0 | 58,6 | 1,0 | 1 187 439 | 17 742 | > 75 | ||
| Rijnmond | 1996 | 181 438 | 172 034 | 353 472 | 12 600 | 9 815 | 201 521 | 1 003 209 | 18,1 | 35,2 | 1,1 | 1 224 268 | 12 209 | > 75 | ||
| 1997 | 239 813 | 121 550 | 361 363 | 0 | 16 418 | 271 248 | 1 144 615 | 21,0 | 31,6 | 0,9 | 1 318 219 | 4 538 | > 75 | |||
| SR-Zorgverzekeraar | 1995 | 1 122 | 1 122 | 1 066 | 1 239 | 90,6 | 90,6 | 10,6 | 318 | 453 | > 75 | |||||
| 1996 | 1 333 | 1 333 | 117 | 2 789 | 47,8 | 47,8 | 1,9 | 4 731 | 211 | > 75 | ||||||
| 1997 | 1 786 | 1 786 | 17 | 4 409 | 40,5 | 40,5 | 1,7 | 7 306 | 33 | > 75 | ||||||
| OWM ANOZ Zorgverzeke- | 1995 | 57 421 | 14 010 | 71 431 | 26 933 | 59 539 | 26 059 | 352 363 | 16,3 | 20,3 | 1,0 | 1 351 114 | 13 293 | > 75 | ||
| ringen UA | 1996 | 51 358 | 16 169 | 67 527 | 23 919 | 41 027 | 250 | 212 096 | 24,2 | 31,8 | 1,1 | 1 308 012 | 8 982 | > 75 | ||
| 1997 | 57 360 | 14 865 | 72 225 | 23 366 | 44 399 | 250 | 282 884 | 20,3 | 25,5 | 1,1 | 1 345 212 | 4 824 | > 75 | |||
| OWM Ziekenfonds TopZorg | 1995 | 1 472 | 4 735 | 6 207 | 7 642 | 19,3 | 81,2 | 2,9 | 19 640 | 355 | > 75 | |||||
| UA | 1996 | 1 493 | 4 666 | 6 159 | 7 904 | 18,9 | 77,9 | 4,3 | 23 260 | 21 | > 75 | |||||
| (cijfers 1997 opgenomen in Holding Geovè) | 1997 | |||||||||||||||
| OWM PRO-LIFE | 1995 | 0 | ||||||||||||||
| (in 1996 opgericht) | 1996 | 209 | 0 | 209 | 2 274 | 2 288 | 9,1 | 9,1 | 1,1 | 4 992 | 209 | > 75 | ||||
| 1997 | 209 | 816 | 1 025 | 416 | 4 551 | 4,6 | 22,5 | 1,3 | 10 503 | 0 | > 75 | |||||
| Totaal Cluster Ziekenfondsen | 1995 | 1 515 717 | 923 137 | 906 | 2 439 760 | 250 759 | 1 000 681 | 842 951 | 99 875 | 5 027 796 | 30,1 | 48,5 | 1,4 | 22 549 708 | 324 013 | > 75 |
| 1996 | 1 695 130 | 1 710 252 | 0 | 3 405 382 | 261 590 | 592 786 | 1 248 681 | 79 096 | 6 677 653 | 25,4 | 51,0 | 1,3 | 22 909 013 | 306 989 | > 75 | |
| 1997 | 2 104 063 | 1 183 934 | 0 | 3 287 997 | 268 494 | 536 320 | 2 040 062 | 95 907 | 7 214 415 | 29,2 | 45,6 | 1,1 | 24 589 638 | 307 694 | > 75 | |
| Individuele RWT’s | ||||||||||||||||
| Stichting uitvoering omslag- | 1995 | 694 697 | 694 697 | 210 | 139 140 | 787 370 | 0,0 | 88,2 | 8,5 | 2 582 437 | 148 729 | > 75 | ||||
| regelingen (v/h WTZ) | 1996 | 949 034 | 949 034 | 215 | 113 799 | 979 456 | 0,0 | 96,9 | 32,2 | 2 245 036 | 239 633 | > 75 | ||||
| 1997 | 923 271 | 923 271 | 68 | 110 441 | 956 969 | 0,0 | 96,5 | 28,4 | 2 538 173 | – 40 375 | > 75 | |||||
| CvZ (v/h Ziekenfondsraad) | 1995 | 0 | 968 | 968 | 32 484 | 15 269 | 3 500 606 | 0,0 | 0, 0 | 1,0 | 192 632 | 0 | > 75 | |||
| 1996 | 0 | 4 300 | 4 300 | 30 700 | 21 200 | 3 444 500 | 0,0 | 0,1 | 1,0 | 178 200 | 0 | > 75 | ||||
| 1997 | 3 300 | 3 900 | 7 200 | 28 500 | 227 800 | 4 233 400 | 0,1 | 0,2 | 1,0 | 194 600 | 0 | > 75 | ||||
| Totaal Ministerie van VWS | 1995 | 1 515 717 | 1 618 802 | 906 | 3 135 425 | 283 453 | 1 155 090 | 842 951 | 99 875 | 9 315 772 | 16,3 | 33,7 | 1,3 | 25 324 777 | 472 742 | > 75 |
| 1996 | 1 695 130 | 2 663 586 | 0 | 4 358 716 | 292 505 | 727 785 | 1 248 681 | 79 096 | 11 101 609 | 15,3 | 39,3 | 1,3 | 25 332 249 | 546 622 | > 75 | |
| 1997 | 2 107 363 | 2 111 105 | 0 | 4 218 468 | 297 062 | 874 561 | 2 040 062 | 95 907 | 12 404 784 | 17,0 | 34,0 | 1,2 | 27 322 411 | 267 319 | > 75 | |
| Ministerie van Buitenlandse Zaken | ||||||||||||||||
| Ned. Financierings- | 1995 | 782 600 | 6 299 | 788 899 | 5 660 | 80 881 | 64 650 | 693 085 | 1 617 147 | 48,4 | 48,8 | 1,0 | 93 553 | 21 358 | < 50 | |
| Maatschappij voor Ontwikke | 1996 | 790 898 | 6 038 | 796 936 | 5 257 | 72 134 | 148 340 | 828 463 | 1 876 934 | 42,1 | 42,5 | 0,6 | 117 609 | 27 994 | < 50 | |
| lingslanden N.V. | 1997 | 936 775 | 5 635 | 942 410 | 5 022 | 250 998 | 193 216 | 795 274 | 2 192 321 | 42,7 | 43,0 | 0,8 | 141 520 | 31 377 | < 50 | |
| Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer | ||||||||||||||||
| Het Kadaster | 1995 | 165 300 | 377 900 | 543 200 | 58 500 | 300 | 426 500 | 21 700 | 734 000 | 22,5 | 74,0 | 0,7 | 484 000 | 20 400 | > 75 | |
| 1996 | 254 600 | 348 500 | 603 100 | 63 300 | 4 300 | 559 700 | 21 800 | 796 300 | 32,0 | 75,7 | 0,7 | 489 200 | 89 300 | > 75 | ||
| 1997 | 374 600 | 321 800 | 696 400 | 97 400 | 14 100 | 657 100 | 39 300 | 921 400 | 40,7 | 75,6 | 0,7 | 532 400 | 120 000 | > 75 | ||
| Centraal Fonds Volkshuisves- | 1995 | 186 592 | 293 383 | 479 975 | 0 | 403 909 | 55 850 | 482 502 | 38,7 | 99,5 | 168,8 | 47 966 | – 240 522 | < 50 | ||
| ting | 1996 | 225 909 | 380 830 | 606 739 | 49 | 518 353 | 62 500 | 611 740 | 36,9 | 99,2 | 109,8 | 149 394 | 39 317 | > 75 | ||
| 1997 | 119 224 | 627 261 | 746 485 | 485 | 665 642 | 46 250 | 758 301 | 15,7 | 98,4 | 60,2 | 160 505 | – 106 685 | > 75 | |||
| Totaal Ministerie van VROM | 1995 | 351 892 | 671 283 | 1 023 175 | 58 500 | 404 209 | 482 350 | 21 700 | 1 216 502 | 28,9 | 84,1 | 3,1 | 531 966 | – 220 122 | > 75 | |
| 1996 | 480 509 | 729 330 | 1 209 839 | 63 349 | 522 653 | 622 200 | 21 800 | 1 408 040 | 34,1 | 85,9 | 3,8 | 638 594 | 128 617 | > 75 | ||
| 1997 | 493 824 | 949 061 | 1 442 885 | 97 885 | 679 742 | 703 350 | 39 300 | 1 679 701 | 29,4 | 85,9 | 4,3 | 692 905 | 13 315 | > 75 | ||
| Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij | ||||||||||||||||
| Bureau Beheer Landbouw | 1995 | 448 558 | 448 558 | 1 403 385 | 0 | 1 411 503 | 31 ,8 | 31,8 | 0,0 | 357 612 | – 6 072 | > 75 | ||||
| gronden | 1996 | 469 742 | 469 742 | 1 511 798 | 784 | 1 521 522 | 30,9 | 30,9 | 0,0 | 355 570 | – 89 839 | > 75 | ||||
| 1997 | 494 177 | 494 177 | 1 676 375 | 171 | 1 687 031 | 29,3 | 29,3 | 0,0 | 298 620 | – 143 487 | > 75 | |||||
| Ministerie van Economische Zaken | ||||||||||||||||
| Stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolie- | 1995 | – 399 690 | 1 008 | – 398 682 | 211 | 2 | 686 000 | 748 714 | – 53,4 | – 53,2 | 1,6 | 164 681 | – 10 188 | > 75 | ||
| produkten | 1996 | – 114 672 | 876 | – 113 796 | 181 | 0 | 635 000 | 1 075 118 | – 10,7 | – 10,6 | 1,9 | 159 039 | 14 228 | > 75 | ||
| 1997 | – 322 437 | 922 | – 321 515 | 177 | 2 | 650 000 | 846 097 | – 38,1 | – 38,0 | 1,6 | 155 423 | 9 072 | > 75 | |||
| Novem BV | 1995 | 29 325 | 7 066 | 36 391 | 7 679 | 70 275 | 103 495 | 192 708 | 15,2 | 18,9 | 1,8 | 287 050 | 2 493 | > 75 | ||
| 1996 | 23 234 | 8 098 | 31 332 | 10 166 | 108 430 | 110 186 | 235 455 | 9,9 | 13,3 | 1,4 | 245 772 | – 6 091 | .> 75 | |||
| 1997 | 24 336 | 7 658 | 31 994 | 12 459 | 90 600 | 111 844 | 221 438 | 11,0 | 14,4 | 1,5 | 287 772 | 2 204 | > 75 | |||
| Totaal Ministerie van EZ | 1995 | – 370 365 | 8 074 | – 362 291 | 7 890 | 70 277 | 789 495 | 941 422 | – 39,3 | – 38,5 | 1,6 | 451 731 | – 7 695 | > 75 | ||
| 1996 | – 91 438 | 8 974 | – 82 464 | 10 347 | 108 430 | 745 186 | 1 310 573 | – 7,0 | – 6,3 | 1,9 | 404 811 | 8 137 | > 75 | |||
| 1997 | – 298 101 | 8 580 | – 289 521 | 12 636 | 90 602 | 761 844 | 1 067 535 | – 27,9 | – 27,1 | 1,6 | 443 195 | 11 276 | > 75 | |||
| Ministerie van Verkeer en Waterstaat | ||||||||||||||||
| VSN NV (Connexxion) | 1995 | 633 816 | 202 263 | 73 085 | 909 164 | 1 331 751 | 167 778 | 503 996 | 1 806 293 | 35,1 | 50,3 | 1,2 | 2 281 801 | 34 971 | > 75 | |
| 1996 | 636 461 | 177 548 | 59 370 | 873 379 | 1 299 307 | 157 875 | 454 169 | 1 779 909 | 35,8 | 49,1 | 1,0 | 2 370 232 | 12 108 | 50–75 | ||
| 1997 | 488 525 | 389 077 | 47 596 | 925 198 | 1 201 979 | 153 900 | 408 801 | 1 780 694 | 27,4 | 52,0 | 1,3 | 2 494 471 | – 146 574 | 50–75 | ||
| RDW Centrum voor voertuig- | 1995 | 0 | ||||||||||||||
| techniek en informatie | 1996 | 50 842 | 820 | 51 662 | 67 223 | 34 181 | 122 744 | 41,4 | 42,1 | 0,8 | 144 687 | 40 842 | > 75 | |||
| (vanaf 1996 RWT) | 1997 | 74 907 | 10 184 | 85 091 | 79 121 | 14 245 | 124 239 | 60,3 | 68,5 | 1,2 | 264 495 | 24 065 | > 75 | |||
| Totaal Ministerie van V&W | 1995 | 633 816 | 202 263 | 73 085 | 909 164 | 1 331 751 | 167 778 | 503 996 | 1 806 293 | 35,1 | 50,3 | 1,2 | 2 281 801 | 34 971 | > 75 | |
| 1996 | 687 303 | 178 368 | 59 370 | 925 041 | 1 366 530 | 192 056 | 454 169 | 1 902 653 | 36,1 | 48,6 | 1,0 | 2 514 919 | 52 950 | > 75 | ||
| 1997 | 563 432 | 399 261 | 47 596 | 1 010 289 | 1 281 100 | 168 145 | 408 801 | 1 904 933 | 29,6 | 53,0 | 1,3 | 2 758 966 | – 122 509 | > 75 | ||
| Ministerie van Financiën | ||||||||||||||||
| Stichting Waarborgfonds | 1995 | 0 | 97 500 | 97 500 | 523 | 19 345 | 30 951 | 99 587 | 0,0 | 97,9 | 10,3 | 97 800 | 4 882 | > 75 | ||
| Motorverkeer | 1996 | 0 | 117 700 | 117 700 | 832 | 19 861 | 37 070 | 119 679 | 0,0 | 98,3 | 11, 4 | 99 251 | – 12 783 | > 75 | ||
| 1997 | 0 | 125 200 | 125 200 | 623 | 19 135 | 39 690 | 127 398 | 0,0 | 98,3 | 10, 5 | 103 628 | – 4 704 | > 75 | |||
| Totaal geselecteerde RWT’s | ||||||||||||||||
| 1995 | 15 140 613 | 6 050 049,8 | 865 579 | 22 056 241,8 | 18 566 306,6 | 7 566 210,9 | 1 735 352 | 5 975 984 | 44 000 232,9 | 34,4 | 50,1 | 1,3 | 55 288 753,6 | 1 077 346,2 | > 75 | |
| 1996 | 16 155 909 | 7 458 839,5 | 864 822 | 24 479 570,5 | 19 361 045 | 6 240 632,1 | 2 601 372 | 6 625 171 | 48 147 479 | 33,6 | 50,8 | 1,3 | 59 572 903 | 1 241 616,2 | > 75 | |
| 1997 | 16 564 669,9 | 7 520 630,9 | 850 122 | 24 935 422,8 | 20 216 122,1 | 8 456 715,8 | 3 501 362 | 6 700 301 | 51 651 224,8 | 32,1 | 48,3 | 1,2 | 62 519 356,2 | 304 854,1 | > 75 | |
| Totaal RWT’s minus 3 fondsen (Suo, CvZ, SVb) | ||||||||||||||||
| 1995 | 15 140 613 | 5 297 184,8 | 865 579 | 21 303 376,8 | 18 321 535,6 | 5 798 982,9 | 1 735 352 | 5 815 082 | 37 845 941,9 | 40,0 | 56,3 | 1,3 | 51 965 260,6 | 928 617,2 | > 75 | |
| 1996 | 16 155 909 | 6 388 328,5 | 864 822 | 23 409 059,5 | 19 138 236 | 5 723 780,1 | 2 601 372 | 6 456 001 | 42 070 836 | 38,4 | 55,6 | 1,3 | 56 571 552 | 1 001 983,2 | > 75 | |
| 1997 | 16 561 369,9 | 6 488 160,9 | 850 122 | 23 899 652,8 | 19 977 484,1 | 6 547 987,8 | 3 501 362 | 6 534 618 | 44 568 032,8 | 37,2 | 53,6 | 1,2 | 59 255 333,2 | 345 229,1 | > 75 | |
OVERZICHT BELEGGEN EN UITLENEN 1997 (bedragen x f 1 000) (grijs totaalcijfers aansluitend op bijlage 8)
| Instellingen op afstand van het Rijk | Kas, bank, giro en deposito’s | Kortlopende beleggingen/effecten | Totaal liquide middelen en (kortlopende) effecten | Langlopende beleggingen/effecten | Leningen aan derden (uitgegeven gelden) | Deposito’s > 1 jaar | Totaal financiële vaste activa (langlopend) | Uitgegeven leningen aan gelieerden | Overige uitgegeven leningen | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Obligaties | Aandelen | Overig | Totaal | Obligaties | Aandelen | Overig | Totaal | ||||||||
| Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen | |||||||||||||||
| Universiteiten | |||||||||||||||
| – Universiteit Twente | 84 700 | 5 700 | 5 700 | 90 400 | 21 600 | 21 600 | 21 600 | 4 300 | |||||||
| – Erasmus universiteit | 68 600 | 4 900 | 1 000 | 5 900 | 74 500 | 5 200 | |||||||||
| – Vrije Universiteit | 178 200 | 29 500 | 29 500 | 207 700 | 7 600 | ||||||||||
| – Katholieke Universiteit Nijmegen | 77 329 | 99 493 | 6 464 | 105 957 | 183 286 | 300 | |||||||||
| – Universiteit Wageningen (= LNV) | 19 800 | 19 800 | |||||||||||||
| – Universiteit van Utrecht | 200 821 | 85 115 | 85 115 | 285 936 | 1 337 | ||||||||||
| – Universiteit van Maastricht | 25 341 | 25 341 | 29 693 | 7 076 | 36 769 | 58 500 | 95 269 | 550 | |||||||
| – Technische Universiteit Eindhoven | 93 200 | 30 100 | 30 100 | 123 300 | |||||||||||
| – Universiteit van Amsterdam | 147 700 | 28 200 | 28 200 | 175 900 | 1 200 | 1 700 | |||||||||
| – Rijksuniversiteit Groningen | 75 861 | 61 911 | 76 | 61 986 | 137 847 | 1 937 | |||||||||
| – Technische Universiteit Delft | 231 039 | 1 772 | 1 772 | 232 811 | 4 079 | 17 | |||||||||
| – Katholieke Universiteit Brabant | 78 702 | 78 702 | 481 | ||||||||||||
| – Universiteit Leiden | 60 400 | 60 400 | 15 000 | 15 000 | 13 000 | 28 000 | 900 | ||||||||
| – Open Universiteit Nederland | 6 800 | 39 600 | 39 600 | 46 400 | |||||||||||
| Totaal Universiteiten | 1 348 493 | 378 819 | 13 240 | 1 772 | 393 830 | 1 742 323 | 66 293 | 0 | 7 076 | 73 369 | 0 | 71 500 | 144 869 | 23 584 | 6 017 |
| Hogescholen | |||||||||||||||
| – Rijkshogeschool IJsselland | 611 | 611 | |||||||||||||
| – Katholieke PABO Zwolle | 5 818 | 5 818 | 1 627 | 1 627 | 1 627 | ||||||||||
| – HS voor Economische Studies Rotterdam | 3 663 | 7 035 | 7 035 | 10 698 | |||||||||||
| – Hogeschool voor de Kunsten Utrecht | 4 615 | 4 615 | 622 | ||||||||||||
| – Hogeschool Diedenoort | 2 049 | 2 049 | |||||||||||||
| – Chr. Hogeschool Windesheim | 23 666 | 23 666 | 35 | 35 | 6 000 | 6 035 | 82 | 1 505 | |||||||
| – Gerrit Rietveld Academie | 2 297 | 2 297 | |||||||||||||
| – Academie voor beeldende Kunst | 302 | 302 | 14 | ||||||||||||
| – Hogeschool De Horst | 990 | 990 | |||||||||||||
| – RK Technische Hogeschool Rijswijk | 11 605 | 1 056 | 1 056 | 12 661 | |||||||||||
| – Hotelschool Den Haag | 5 694 | 5 694 | 375 | ||||||||||||
| – The Design Academy | 2 040 | 2 040 | 3 500 | ||||||||||||
| – Hogeschool Holland | 26 314 | 26 314 | 4 300 | 4 300 | 4 300 | ||||||||||
| – Hogeschool Alkmaar | 16 246 | 16 246 | 78 | ||||||||||||
| – Hogeschool Helicon | 1 759 | 1 759 | 537 | ||||||||||||
| – Hogeschool West-Brabant | 8 602 | 480 | 480 | 9 082 | 40 524 | ||||||||||
| – Pedagogische HS «De Kempel» | 2 063 | 893 | 893 | 2 956 | |||||||||||
| – Hogeschool Edith Stein | 3 014 | 3 014 | |||||||||||||
| – Hogeschool Domstad | 1 868 | 1 868 | |||||||||||||
| – Hogeschool Iselinge | 3 069 | 3 069 | |||||||||||||
| – PC Hogeschool Marnix Academie | 3 745 | 3 745 | |||||||||||||
| – Hogeschool voor Muziek en Theater Rotterdam | 2 790 | 2 790 | |||||||||||||
| – Chr. Hogeschool de Driestar | 4 851 | 4 851 | |||||||||||||
| – HS voor Economische Studies A’dam | 43 741 | 13 | 13 | 43 754 | |||||||||||
| – Hogeschool Drenthe | 7 996 | 1 876 | 1 876 | 9 872 | |||||||||||
| – Hogeschool voor de Kunsten Arnhem | 1 666 | 1 666 | 6 | ||||||||||||
| – Hogeschool Midden-Brabant | 12 585 | 12 585 | 1 372 | ||||||||||||
| – Hogeschool Zeeland | 4 198 | 4 198 | 125 | ||||||||||||
| – Constantijn Huygens HS | 2 712 | 2 712 | |||||||||||||
| – Amsterdamse HS voor de Kunsten | 14 353 | 14 353 | |||||||||||||
| – Hogeschool ’s-Hertogenbosch | 20 255 | 20 255 | 12 433 | ||||||||||||
| – Hogeschool van Amsterdam | 12 374 | 12 374 | |||||||||||||
| – Leidse Hogeschool | 30 614 | 5 000 | 5 000 | 35 614 | |||||||||||
| – Ichthus Hogeschool | 39 626 | 39 626 | |||||||||||||
| – Hogeschool Haarlem | 15 182 | 15 182 | 6 000 | 6 000 | 6 000 | 210 | |||||||||
| – Hogeschool Maastricht | 13 568 | 13 568 | |||||||||||||
| – Hogeschool I-Pabo A’dam/Alkmaar | 2 834 | 2 834 | 1 493 | 1 493 | 1 493 | ||||||||||
| – Nat. HS voor Toerisme en Verkeer | 6 902 | 6 902 | |||||||||||||
| – Noordelijke Hogeschool Leeuwarden | 1 786 | 1 786 | |||||||||||||
| – Haagse Hogeschool | 42 994 | 42 994 | 1 066 | 1 066 | |||||||||||
| – Christelijke HS Noord-Nederland | 19 158 | 19 158 | |||||||||||||
| – Gereformeerde Hogeschool | 949 | 949 | |||||||||||||
| – Hogeschool Rotterdam & Omstreken | 38 333 | 38 333 | |||||||||||||
| – Hogeschool Enschede | 2 810 | 2 810 | 110 | ||||||||||||
| – HS v Beeldende Kunst, Muziek en Dans | 19 883 | 19 883 | |||||||||||||
| – Chr. Hogeschool Ede | 33 | 33 | 41 | ||||||||||||
| – Hanze Hogeschool | 69 633 | 1 000 | 1 000 | 70 633 | |||||||||||
| – Hogeschool van Utrecht | 24 192 | 24 192 | 65 | ||||||||||||
| – Hogeschool Limburg | 48 051 | 743 | 743 | 48 794 | 4 465 | 755 | 5 220 | 3 000 | 8 220 | 412 | |||||
| – HS v Arnhem en Nijmegen | 64 455 | 2 290 | 2 290 | 66 745 | 94 | ||||||||||
| – Stichting Fontys | 57 296 | 13 711 | 13 711 | 71 007 | 50 291 | 50 291 | 50 291 | 78 857 | |||||||
| Totaal Hogescholen | 755 850 | 19 373 | 13 711 | 1 013 | 34 097 | 789 947 | 68 211 | 0 | 755 | 68 966 | 0 | 10 066 | 79 032 | 42 478 | 98 484 |
| Academische ziekenhuizen | |||||||||||||||
| – Academisch Ziekenhuis Groningen | 78 | 78 | 3 775 | ||||||||||||
| – Academisch Ziekenhuis Rotterdam | 56 226 | 1991 | 1991 | 58 218 | |||||||||||
| – Academisch Ziekenhuis Vrije Universiteit | 0 | 0 | 5 824 | ||||||||||||
| – Academisch Ziekenhuis Leiden | 3 961 | 500 | 500 | 4 461 | 6 440 | ||||||||||
| – Academisch Medisch Centrum | 37 859 | 37 859 | 1 252 | ||||||||||||
| – Academisch Ziekenhuis Maastricht | 18 116 | 10 181 | 10 181 | 28 297 | |||||||||||
| – Academisch Ziekenhuis Utrecht | 17 453 | 17 453 | 1 543 | ||||||||||||
| – Academisch Ziekenhuis Nijmegen | 358 | 358 | |||||||||||||
| Totaal Academsiche Ziekenhuizen | 134 051 | 1991 | 500 | 10 181 | 12 672 | 146 724 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 18 834 | 0 |
| Omroepverenigingen | |||||||||||||||
| – NCRV | 9 867 | 9 867 | 47 012 | 8 963 | 55 975 | 55 975 | 1 498 | ||||||||
| – AVRO | 4 408 | 4 408 | 47 027 | 14 661 | 61 688 | 8 880 | 70 568 | 593 | |||||||
| – EO | 8 864 | 8 864 | |||||||||||||
| – VPRO | 36 932 | 36 932 | 291 | ||||||||||||
| – VARA | 62 672 | 24 960 | 24 960 | 87 632 | |||||||||||
| – KRO | 16 202 | 16 202 | 42 184 | 4 616 | 46 800 | 46 800 | 2 089 | 160 | |||||||
| – TROS | 990 | 2 120 | 2 120 | 3 109 | 4 962 | ||||||||||
| Totaal Omroepverenigingen | 139 935 | 0 | 0 | 27 080 | 27 080 | 167 014 | 136 223 | 28 240 | 0 | 164 463 | 0 | 8 880 | 173 343 | 8 549 | 1 044 |
| Rijksmuseale instellingen | |||||||||||||||
| – Rijksmuseum van Oudheden | 765 | 765 | |||||||||||||
| – Rijksmuseum Twente | 1 222 | 1 222 | |||||||||||||
| – Joods Historisch museum | 789 | 789 | |||||||||||||
| – Rijksmuseum voor Volkenkunde | 10 176 | 10 176 | 75 | ||||||||||||
| – Kroller-Moller museum | 2 080 | 2 080 | |||||||||||||
| – Scheepvaartmuseum Amsterdam | 1 594 | 1 594 | |||||||||||||
| – Rijksbureau voor kunsthistorische doc. | 2489 | 2 489 | |||||||||||||
| – Van Gogh Museum | 2 886 | 2 886 | |||||||||||||
| – Rijksmuseum Amsterdam | 13 200 | 13 200 | |||||||||||||
| – Museum Meermanno-Westreenianum | 613 | 613 | |||||||||||||
| – St. Afrika museum | 17 | 17 | |||||||||||||
| – St. Museum Catharijneconvent | 1 503 | 1 503 | |||||||||||||
| – St. Rijksmuseum Het Zuiderzeemuseum | 2 519 | 2 519 | |||||||||||||
| – St. Nationaal Natuurhistorisch Museum | 19 138 | 19 138 | |||||||||||||
| – St. Nederlands Openlucht museum | 2 059 | 5 360 | 5 360 | 7 419 | |||||||||||
| – Paleis het Loo | 1 623 | 1 623 | |||||||||||||
| – Mauritshuis | 3 866 | 784 | 784 | 4 650 | |||||||||||
| – Teylers museum | 1 876 | 1 876 | |||||||||||||
| – Koninklijk Penningkabinet | 438 | 438 | |||||||||||||
| – Boerhaave | 1 216 | 1 216 | |||||||||||||
| Totaal Rijksmuseale instellingen | 70 069 | 5 360 | 784 | 0 | 6 144 | 76 213 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 75 |
| Individuele RWT’s | |||||||||||||||
| – Informatie Beheer Groep | 55 056 | 55 056 | |||||||||||||
| – NWO | 157 833 | 157 833 | 10 000 | 10 000 | 21 000 | 37 350 | 68 350 | ||||||||
| – KNAW | 73 800 | 73 800 | 54 930 | 54 930 | 54 930 | ||||||||||
| – TNO | 65 385 | 142 508 | 142 508 | 207 893 | 5 201 | 9 058 | |||||||||
| Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksaangelegenheden | |||||||||||||||
| Politieregio’s | |||||||||||||||
| – Politie Amsterdam-Amstelland | 158 965 | 14 247 | 14 247 | 173 212 | |||||||||||
| – Politie Groningen | 6 800 | 6 800 | |||||||||||||
| – Politie Friesland | 49 | 49 | |||||||||||||
| – Politie Drenthe | 11 755 | 11 755 | |||||||||||||
| – Politie Ijsselland | 32 208 | 32 208 | |||||||||||||
| – Politie Noord-Holland Noord | 20 284 | 20 284 | |||||||||||||
| – Politie Gooi en Vechtstreek | 4 336 | 4 336 | |||||||||||||
| – Politie Zaanstreek-Waterland | – 450 | – 450 | |||||||||||||
| – Politie Kennemerland | 21 956 | 21 956 | |||||||||||||
| – Politie Noord- en Oost Gelderland | 14 911 | 14 911 | |||||||||||||
| – Politie Gelderland Midden | 12 396 | 12 396 | |||||||||||||
| – Politie Gelderland Zuid | 217 | 217 | |||||||||||||
| – Politie Limburg-Noord | 1 043 | 1 043 | 406 | ||||||||||||
| – Politie Hollands Midden | – 3 171 | – 3 171 | |||||||||||||
| – Politie Brabant-Noord | 9 833 | 9 833 | |||||||||||||
| – Politie Midden- en West Brabant | 3 173 | 3 173 | |||||||||||||
| – Politie Twente | 27 | 27 | |||||||||||||
| – Politie Utrecht | 105 | 105 | 6 110 | ||||||||||||
| – Politie Haaglanden | 62 | 62 | 5 467 | ||||||||||||
| – Politie Brabant Zuid-Oost | 6 978 | 6 978 | 1 000 | 90 | |||||||||||
| – Politie Limburg-Zuid | 31 426 | 31 426 | 4 468 | ||||||||||||
| – Politie Zeeland | 69 848 | 69 848 | |||||||||||||
| – Politie Flevoland | 44 140 | 44 140 | |||||||||||||
| – Politie Zuid-Holland Zuid | 32 959 | 32 959 | |||||||||||||
| – Politie Rotterdam-Rijnmond | 62 967 | 62 967 | |||||||||||||
| Totaal Politieregio’s | 542 817 | 0 | 14 247 | 0 | 14 247 | 557 064 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 6 873 | 10 668 |
| Individuele RWT’s | |||||||||||||||
| – LSOP | 30 135 | 30 135 | |||||||||||||
| Ministerie van Justitie | |||||||||||||||
| Raden voor Rechtsbijstand | |||||||||||||||
| – Amsterdam | 9 970 | 9 970 | |||||||||||||
| – Den Bosch | 15 418 | 15 418 | |||||||||||||
| – Arnhem | 10 787 | 10 787 | |||||||||||||
| – ’s-Gravenhage | 9 067 | 9 067 | |||||||||||||
| – Leeuwarden | 6 479 | 6 479 | |||||||||||||
| Totaal Raden voor Rechtsbijstand | 51 721 | 0 | 0 | 0 | 0 | 51 721 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Individuele RWT’s | |||||||||||||||
| – Centraal Orgaan opvang Asielzoekers | 245 315 | 245 315 | |||||||||||||
| – St. Reclassering Nederland | 67 167 | 67 167 | 4 520 | 4 520 | 4 520 | 526 | |||||||||
| Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | |||||||||||||||
| Uitvoeringsinstellingen sociale zekerheid (uvi’s) | |||||||||||||||
| – SFB | 197 896 | 197 896 | |||||||||||||
| – GAK | 131 123 | 131 123 | |||||||||||||
| – CADANS | 103 379 | 103 379 | |||||||||||||
| – Totaal Uvi’s | 432 398 | 0 | 0 | 0 | 0 | 432 398 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Individuele RWT’s | |||||||||||||||
| – Sociale Verzekeringsbank (SVb) | 1 570 487 | 1 570 487 | |||||||||||||
| – Arbeidsvoorziening | 2 271 | 2 271 | |||||||||||||
| Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport | |||||||||||||||
| Ziekenfondsen | |||||||||||||||
| – OWM RZG Zorgverzekeraar UA | 9 808 | 9 808 | 4 989 | ||||||||||||
| – St. Ziekenfonds VGZ | 7 592 | 7 592 | 144 701 | 98 764 | 243 465 | 7 536 | 251 001 | ||||||||
| – OWM OZ Zorgverzekeringen UA | 64 420 | 64 420 | 94 841 | 94 841 | 94 841 | 2 169 | |||||||||
| – OWM Zorgverzekeraar TRIAS UA | 41 585 | 41 585 | 20 000 | 20 000 | 20 000 | 53 | |||||||||
| – OWM AZIVO UA | 1 007 | 1 007 | 10 918 | 10 918 | 10 918 | 617 | |||||||||
| – St. CZ Groep Ziekenfonds | 61 202 | 61 202 | 44 879 | 21 726 | 4 178 | 70 783 | 314 179 | 384 962 | |||||||
| – OWM De Friesland Zorgverzekeraar UA | – 37 071 | – 37 071 | 56 244 | 23 866 | 80 110 | 80 110 | 20 270 | 8 426 | |||||||
| – OWM Oost Nederland | 15 870 | 15 870 | 59 681 | 16 208 | 75 889 | 75 889 | 18 800 | 408 | |||||||
| – OWM Zorg en Zekerheid | 7 899 | 7 899 | 95 970 | 95 970 | 95 970 | 287 | |||||||||
| – OWM RZR | 17 940 | 17 940 | 70 842 | 15 069 | 85 911 | 5 000 | 90 911 | ||||||||
| – OWM OLM Het Groene Land | 17 326 | 17 326 | 128 445 | 51 785 | 180 230 | 1 403 | 181 633 | ||||||||
| – Zorgverzekeraar DSW | 21 760 | 21 760 | 30 134 | 12 160 | 56 | 42 350 | 42 350 | 710 | |||||||
| – OWM Unive Zorgverzekeraar UA | 0 | 0 | 48 044 | 48 044 | 48 044 | ||||||||||
| – OWM ANOVA Zorgverz. UA | 118 928 | 118 928 | 31 | 31 | 31 | 900 | 2 056 | ||||||||
| – OWM ZAO Zorgverzekeringen UA | 52 320 | 52 320 | 41 734 | 41 734 | 41 734 | 1 322 | |||||||||
| – Zilveren Kruis Spaarneland | 15 176 | 15 176 | 24 492 | 24 492 | 46 704 | 71 196 | |||||||||
| – Zilveren Kruis Noordwijk | 34 619 | 34 619 | 113 688 | 113 688 | 5 000 | 118 688 | |||||||||
| – Zilveren Kruis Rijnmond | 16 418 | 16 418 | 60 313 | 101 235 | 161 548 | 109 700 | 271 248 | ||||||||
| – OWM Ziekenfonds PWZ NV | 0 | 0 | 16 000 | 16 000 | 16 000 | 8 000 | |||||||||
| – OWM ANOZ Zorgverz. UA | 44 399 | 44 399 | 250 | 250 | 250 | 4 281 | |||||||||
| – OWM Salland Zorgverzek. | 5648 | 5 648 | 34 | ||||||||||||
| – St. AZVZ | 9 291 | 9 291 | |||||||||||||
| – Het Anker UA | 73 | 73 | |||||||||||||
| – OWM Nuts Zorgverzekeringen | 7 902 | 7 902 | 106 957 | 27 350 | 9 979 | 144 286 | 144 286 | 1 600 | |||||||
| – OHRA Zorgverzekeringen | 1 775 | 1 775 | |||||||||||||
| – Onderl. ONVZ Zorgverzekeraar UA | 0 | 0 | |||||||||||||
| – SR Zorgverzekeraar | 17 | 17 | |||||||||||||
| – OWM Ziekenfonds Topzorg UA | |||||||||||||||
| – OWM Pro-Life | 416 | 416 | |||||||||||||
| Totaal Ziekenfondsen | 536 320 | 0 | 0 | 0 | 0 | 536 320 | 935 338 | 368 413 | 246 789 | 1 550 540 | 161 404 | 328 118 | 2 040 062 | 41 570 | 33 352 |
| Individuele RWT’s | |||||||||||||||
| – St. uitvoering omslagregelingen (Suo) | 110 441 | 110 441 | |||||||||||||
| – «College van Zorgverzekeraars (CvZ; v.h. ZFR)» | 227 800 | 227 800 | |||||||||||||
| Ministerie van Buitenlandse Zaken | |||||||||||||||
| – Ned. Financieringsmaatsch. voor Ontwikkelingslanden | 250 998 | 250 998 | 143 291 | 143 291 | 49 925 | 193 216 | 1 526 959 | ||||||||
| Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer | |||||||||||||||
| – Het Kadaster | 14 100 | 14 100 | 657 100 | 657 100 | 657 100 | ||||||||||
| – Centraal Fonds Volkshuisvesting | 50 639 | 615 003 | 615 003 | 665 642 | 46 250 | 46 250 | |||||||||
| Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij | |||||||||||||||
| – Bureau Beheer Landbouwgronden | 171 | 171 | |||||||||||||
| – | |||||||||||||||
| Ministerie van Economische Zaken | |||||||||||||||
| – St. Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieprodukten | 2 | 2 | |||||||||||||
| – NOVEM BV | 90 600 | 90 600 | 90 281 | ||||||||||||
| – | |||||||||||||||
| Ministerie van Verkeer en Waterstaat | |||||||||||||||
| – VSN NV (Connexxion) | 153 900 | 153 900 | 5 923 | ||||||||||||
| – RDW Centrum voor voertuigtechniek en informatie | 14 245 | 14 245 | |||||||||||||
| – | |||||||||||||||
| Ministerie van Financien | |||||||||||||||
| St. Waarborgfonds Motorverkeer | 19 135 | 19 135 | 39 690 | 39 690 | 39 690 | ||||||||||
| Totaal instellingen op afstand van het Rijk | 7 211 134 | 1 163 054 | 42 482 | 40 046 | 1 245 581 | 8 456 715 | 2 020 976 | 396 653 | 349 240 | 2 766 869 | 278 579 | 455 914 | 3 501 362 | 147 089 | 1 782 387 |
| – | |||||||||||||||
| Totaal minus3 fondsen (Suo, CvZ, SVb) | 5 302 406 | 1 163 054 | 42 482 | 40 046 | 1 245 581 | 6 547 987 | 2 020 976 | 396 653 | 349 240 | 2 766 869 | 278 579 | 455 914 | 3 501 362 | 147 089 | 1 782 387 |
| Arbvo | Arbeidsvoorzieningsorganisatie |
| BBL | Bureau Beheer Landbouwgronden |
| CFV | Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting |
| COA | Centraal Orgaan opvang Asielzoekers |
| COVA | Stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieprodukten |
| CvZ | College voor zorgverzekeringen |
| CTU | Commissie Toezicht Uitvoeringsorganisatie |
| FMO | Nederlandse Financierings-Maatschappij voor Ontwikkelingslanden NV |
| IBG | Informatie Beheer Groep |
| KNAW | Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen |
| LSOP | Landelijke Selectie- en Opleidingsinstituut Politie |
| Novem | Nederlandse onderneming voor energie en milieu BV |
| NWO | Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek |
| RDW | RDW Centrum voor voertuigtechniek en informatie |
| RvR | Raden voor Rechtsbijstand |
| SBB | Staatsbosbeheer |
| SRN | Stichting Reclassering Nederland |
| SVb | Sociale Verzekeringsbank |
| Suo | Stichting uitvoering omslagregelingen |
| TNO | Nederlandse organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek |
| Uvi’s | Uitvoeringsinstellingen sociale zekerheid |
| VSN | Verenigd Streekvervoer Nederland NV |
| WFM | Stichting Waarborgfonds Motorverkeer |
Het betreft zogenoemde rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT’s), waar de Rekenkamer op grond van artikel 59 Comptabiliteitswet (CW) controle bevoegdheden heeft. De RWT-status wordt door het rijksmuseum Amsterdam en de Nederlandse Financieringsmaatschappij voor Ontwikkelingssamenwerking betwist. Een andere instelling, namelijk VSN, is per 1-1-98 geen RWT meer.
Hier uitgedrukt als het eigen vermogen als percentage van het balanstotaal. In ruime zin (totaal vermogen ten opzicht van het balanstotaal) is de solvabiliteit licht gedaald van 56% tot 54%.
Hier uitgedrukt als de verhouding van de vlottende activa ten opzichte van de vlottende passiva (current ratio).
Begrenzing van voorzieningen ligt naar de aard van deze post minder voor de hand. Het voorzichtigheidsbeginsel vereist immers dat voorzieningen getroffen worden. Wel kunnen specifieke eisen gesteld worden bijvoorbeeld ten aanzien van de soorten voorzieningen die getroffen worden en de onderbouwing van de hoogte ervan.
Deze reserve is door TNO overigens in de jaarrekening als voorziening gepresenteerd (zie paragraaf 5.3.2).
Het totaal aantal bolletjes in tabel 2 (in aantal gevallen meerdere gemaximeerde reserves per (cluster van) instelling(en)).
Vergelijk Titel 9 artikel 393 waarin wordt ingegaan op een algemene beschouwing in de jaarrekening.
Indien de vervangingswaarde of de (in)directie opbrengstwaarde van de materiële vaste activa niet bekend zijn, kan gedacht worden aan het weergeven van eenvoudig te verkrijgen benaderingen van de actuele waarde, zoals de verzekerde waarde of de waarde ingevolge de onroerendzaakbelasting (OZB).
Het Commissariaat voor de Media, de Raad van Bestuur van de Nederlandse Omroepstichting, het College van toezicht sociale verzekeringen, het Landelijk instituut sociale verzekeringen en het College voor Zorgverzekeringen.
Politieregio’s Amsterdam-Amstelland, Utrecht en Groningen, de universiteiten van Leiden en Utrecht en de Technische Universiteit Delft, KNAW, NWO en TNO en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
Naast het CVZ stuurde ook de Commissie toezicht uitvoeringsorganisatie (CTU) een reactie met betrekking tot Ziekenfondsen.
Zie ook het Rekenkamerrapport «Verantwoording en toezicht bij rechtspersonen met een wettelijke taak», Tweede Kamer 1999–2000, 26 982, nrs. 1–2.
Het betreft instellingen die een wettelijke taak uitvoeren die geheel of gedeeltelijk wordt bekostigd uit rijksbijdragen, premies of tarieven die de minister vaststelt of goedkeurt.
De (korte termijn) financiering van het werkkapitaal blijft hier buiten beschouwing. Dit is afhankelijk van de verhouding vlottende activa en vlottende passiva.
Investeringsbijdragen á fonds perdu worden vaak in de jaarrekening opgenomen onder de post egalisatierekening voor ontvangen investeringsbijdragen (dit is geen eigen vermogen).
In het geval van universiteiten zou het gaan om een benodigd eigen vermogen vanuit de financieringsfunctie dat f 1,6 miljard hoger ligt dan het huidige eigen vermogen (Commissie Koopmans, 1999).
In tegenstelling tot de private sector, waarbij – generaliserend – het streven naar het binnen bepaalde grenzen zo hoog mogelijk weergeven van het eigen vermogen kan overheersen vanwege het belang van een degelijk eigen vermogen voor de solvabiliteit, kunnen in de publiek-private sector juist tegengestelde overwegingen gelden. Een hoog eigen vermogen zou bijvoorbeeld kunnen leiden tot kortingen op rijksbijdragen of afroming. Dit kan betekenen dat gestreefd wordt naar zo hoog mogelijke voorzieningen ter drukking van resultaat en eigen vermogen.
Ontvangen investeringsbijdragen mogen volgens de RJ (274.110) ook rechtstreeks in mindering worden gebracht op het geïnvesteerde bedrag zelve. In dit geval is geen sprake van vermogen.
Deze risico-analyse kan worden uitgevoerd door het ministerie, door de instelling, door ministerie en instelling gezamenlijk of door een derde in opdracht van een of beide partijen, en dient door beide partijen te worden onderschreven.
Verwerking, presentatie en toelichting conform wet- en regelgeving valt onder de rechtmatigheidsnorm.
In tegenstelling tot de private sector, waarbij – generaliserend – het streven naar het binnen bepaalde grenzen zo hoog mogelijk weergeven van het eigen vermogen kan overheersen vanwege het belang van een degelijk eigen vermogen voor de solvabiliteit, kunnen in de publiek-private sector juist tegengestelde overwegingen gelden. Een hoog eigen vermogen zou bijvoorbeeld kunnen leiden tot kortingen op rijksbijdragen of afroming. Dit kan betekenen dat gestreefd wordt naar zo hoog mogelijke voorzieningen ter drukking van resultaat en eigen vermogen.
Er zijn enkele uitzonderingen, waarbij rechtstreekse verwerking in eigen vermogen plaats vindt, o.a. mutaties in herwaarderingsreserve en stelselwijzigingen.
Er zijn enkele uitzonderingen, waarbij rechtstreekse verwerking in eigen vermogen plaats vindt.
Een andere mogelijkheid is de investeringsbijdrage direct in mindering op het betreffende actief te brengen (zie de begrippen).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-27066-2.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.