27 066
Vermogensvorming bij instellingen op afstand van het rijk

nr. 2
RAPPORT

Inhoud

1Samenvatting5
   
2Opzet en aanleiding onderzoek10
2.1Het onderzoek10
2.2Aanleiding onderzoek10
2.3Opzet onderzoek11
2.4Definities12
2.5Opzet rapport13
2.6.Briefwisseling onderzoek kasbeheer13
   
3Omvang van vermogensvorming15
   
4Begrenzing vermogensvorming19
4.1Inleiding19
4.2Regelgeving en beleid19
4.2.1Overzicht19
4.2.2Gemaximeerde reserves22
4.3Intern beleid instellingen25
4.4Conclusies en aanbevelingen25
   
5Inzicht in vermogensvorming27
5.1Inleiding27
5.2Voorschriften voor jaarrekeningen27
5.3Presentatie en toelichting in jaarrekeningen29
5.3.1Eigen vermogen29
5.3.2Voorzieningen30
5.3.3Egalisatierekeningen31
5.3.4Overige aspecten jaarrekeningen31
5.3.5Accountantsverklaringen31
5.4Aspect vermogensvorming in begrotingen32
5.4.1Voorschriften voor begrotingen32
5.4.2Presentatie en toelichting in begrotingen32
5.5Scheiding publiek-privaat33
5.6Conclusies en aanbevelingen34
   
6Lenen, beleggen en uitlenen36
6.1Inleiding36
6.2Lenen36
6.3Beleggen39
6.4Uitlenen42
6.5Conclusies en aanbevelingen44
   
7Slotbeschouwing45
   
8Reacties en nawoord47
8.1Inleiding47
8.2Positieve toon47
8.3Wel of geen algemene wettelijke regels47
8.4Begrenzing eigen vermogen48
8.5Scheiding publiek-privaat49
8.6Lenen, beleggen en uitlenen49
8.7Handreiking normeren en begrenzen reserves50
   
Bijlage 1Handreiking normeren en begrenzen van reserves51
Bijlage 2Brief minister van Financiën60
Bijlage 3Overzicht van conclusies, aanbevelingen, reacties ministers/toezichthouders/instellingen en nawoord Rekenkamer65
Bijlage 4Regelgeving en beleidsafspraken vermogensvorming97
Bijlage 5Presentatie en toelichting vermogensvorming in jaarrekeningen99
Bijlage 6Begrippen toetsingskader107
Bijlage 7Overzicht solvabiliteitsinstellingen 1997114
Bijlage 8Cijfermatig inzicht vermogensvorming 1995–1997116
Bijlage 9Cijfers lenen en beleggen 1997132
Bijlage 10Gehanteerde afkortingen142
   
   

1 SAMENVATTING

De Rekenkamer heeft de vermogensvorming onderzocht bij 21 instellingen en 9 clusters van instellingen (in totaal 184 instellingen) die een publieke taak uitvoeren met publiek geld. Vorming van eigen vermogen en voorzieningen is voor deze instellingen op afstand van het rijk noodzakelijk om de continuïteit en doelmatigheid van de taakuitvoering te waarborgen. Er zijn echter goede redenen voor het rijk om regels te stellen voor de vorming en aanwending van deze vermogens. De omvang van het totaal aan eigen vermogen, voorzieningen en egalisatierekeningen van de onderzochte instellingen is aanzienlijk: f 23,9 miljard ultimo 1997. De vermogenspositie verschilt sterk tussen instellingen en binnen clusters van instellingen. Zowel aan omvangrijke als aan geringe eigen vermogens zijn risico’s verbonden. Bij instellingen met omvangrijke reserves is er het risico dat zij zich meer dan door het concept «sturen op afstand» gelegitimeerd is, onttrekken aan politieke verantwoordelijkheid, beïnvloeding en sturing. Bovendien bestaat het risico van ondoelmatig aanwenden of oppotten van publiek geld. Bij instellingen met geringe reserves zijn er risico’s voor de continuïteit van de publieke-taakuitvoering. Wanneer een instelling niet meer de noodzakelijke investeringen kan doen of niet meer kan voldoen aan haar betalingsverplichtingen, kan dit leiden tot een onvoorzien beroep op rijksmiddelen, ongewenste fluctuaties in heffingen en tarieven en eventueel zelfs faillissement van de instelling. Daarnaast speelt, in gevallen waar ook andere (private) activiteiten worden ontplooid, het risico van weglekken van publiek geld naar andere (private) activiteiten van een instelling.

De Rekenkamer heeft onderzocht of de verschillende ministeries een beleid voor vermogensvorming hadden en of de instellingen zich toereikend verantwoorden over de omvang en de samenstelling van hun vermogens. Daarnaast is geïnventariseerd hoe de stand van zaken is op het gebied van lenen, beleggen en uitlenen door instellingen.

Uit het onderzoek bleek dat beleid op het gebied van vermogensvorming in veel gevallen ontbreekt of nog onvoldoende ontwikkeld is. Bij slechts de helft van de onderzochte (clusters van) instellingen bleek er regelgeving of beleidsafspraken te zijn voor de omvang van het eigen vermogen. Aan de wel aangetroffen regelgeving of afspraken ontbraken in het algemeen een toelichting met een onderbouwing van de gemaakte keuzes, bijvoorbeeld voor een bepaald maximumvermogen, en bepalingen over hoe wordt omgegaan met overschrijdingen dan wel onderschrijdingen. Hoewel een groot aantal van de onderzochte instellingen marktactiviteiten naast de wettelijke taak ontplooit, komt scheiding tussen het publieke en private deel van het eigen vermogen nauwelijks voor. Ook is er maar weinig regelgeving voor het aangaan van langlopende leningen en voor het uitlenen en beleggen van liquide middelen.

Begrenzing eigen vermogen

Uit het onderzoek bleek dat bepalingen of beleidsafspraken voor de omvang van het eigen vermogen in de meeste gevallen een maximumnorm betroffen. Bij zes (clusters van) instellingen (6% (f 915 miljoen) van het totale eigen vermogen van alle onderzochte instellingen) was het totale eigen vermogen begrensd. In vier gevallen waren de maxima beperkt tot slechts een deel van het eigen vermogen (Centraal Orgaan opvang Asielzoekers, TNO, de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en Staatsbosbeheer). In een aantal gevallen waren er geen grenzen aan het eigen vermogen gesteld, maar bestonden er andere bepalingen of afspraken over de omvang van reserves (Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk onderzoek, de uitvoeringsinstellingen sociale zekerheid, de rijksmuseale instellingen en de Informatie Beheer Groep). Bij 14 (clusters van) instellingen ontbreken normen, regels en afspraken over de omvang van het eigen vermogen. Dit is niet altijd een bezwaar: in een aantal gevallen maakt de specifieke situatie dergelijke regelgeving minder zinvol. Dit is bijvoorbeeld het geval bij enkele fondsen en instellingen met een vennootschappelijke rechtsvorm. In het onderzoek kwamen echter ook (clusters van) instellingen voor, waar regelgeving of beleidsafspraken over de omvang van reserves, volgens de Rekenkamer ten onrechte, geheel ontbraken (de politieregio’s, universiteiten, hogescholen, academische ziekenhuizen, het Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie en de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen). Voor een aantal van deze (clusters van) instellingen zijn in het verleden wel onderzoeken uitgevoerd gericht op het vaststellen van grenzen. Deze hebben vooralsnog niet geleid tot vastgesteld beleid.

Onderbouwing begrenzing eigen vermogen

Het bleek dat in de toelichting op de regelgeving en/of afspraken over de omvang van het eigen vermogen meestal niet wordt onderbouwd waarom voor een specifiek maximum wordt gekozen. In een enkel geval worden enige overwegingen gegeven, maar dat vindt de Rekenkamer niet voldoende. Zij acht het van belang dat aan de begrenzing van eigen vermogens een analyse van alle voor de instelling of cluster van instellingen relevante factoren voorafgaat. De overwegingen die hierbij in ieder geval meegenomen moeten worden zijn uitgewerkt in bijlage 1.

Doorslaggevend voor het vaststellen van onder- en/of bovengrenzen is uiteindelijk de bestuurlijke afweging tussen enerzijds het geven van de nodige beleidsvrijheid aan instellingen om reserves en voorzieningen te vormen voor het opvangen van bedrijfsrisico’s en ten behoeve van investeringen en anderzijds de mogelijkheid van het rijk om bij te sturen en het inbouwen van waarborgen dat publiek geld uiteindelijk efficiënt en effectief wordt ingezet voor de doelen waarvoor het ter beschikking is gesteld.

Inzicht in vermogensvorming

Een beleid op het gebied van vermogensvorming kan niet zonder een goed inzicht in de vermogensvorming bij de instellingen. Uit het onderzoek bleek dat de regelgeving hiervoor in het algemeen aansluit bij algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving. De jaarrekeningen van de onderzochte instellingen bleken in het algemeen te voldoen aan de eisen die in deze grondslagen zijn vastgelegd voor de presentatie en toelichting van eigen vermogen en voorzieningen. Op sommige punten is verbetering mogelijk, bijvoorbeeld waar het gaat om de afbakening tussen bestemmingsreserves en voorzieningen en het voldoende specificeren van de reserves en voorzieningen. Ook is het met het oog op het inzicht in «stille reserves» gewenst dat de actuele waarde van omvangrijke vaste activa, zoals gebouwen, wordt toegelicht. De Rekenkamer beveelt uit oogpunten van transparantie en vergelijkbaarheid aan de verslaggevingsregelgeving voor instellingen uit te breiden en deze regelgeving zoveel mogelijk te uniformeren.

Ook de presentatie en toelichting van prognoses van het eigen vermogen en de voorzieningen in de begrotingen kan op onderdelen verbeterd worden. De regelgeving op dit punt varieert sterk.

Lenen, beleggen en uitlenen

Regelgeving voor het aangaan van langlopende leningen en het beleggen of uitlenen van liquide middelen is er nauwelijks, terwijl de instellingen juist steeds meer geld lenen, uitlenen en beleggen. In de periode 1995–1997 namen de langlopende leningen bij de onderzochte instellingen toe van f 5,8 miljard naar f 6,5 miljard en de liquide middelen en beleggingen van f 7,5 miljard tot f 10 miljard. De uitgegeven leningen bedroegen ultimo 1997 f 2,2 miljard. Uit het onderzoek blijkt dat de onderzochte instellingen weliswaar overwegend voorzichtig beleggen, maar dat in 1997 tenminste 9% (f 439 miljoen) van de beleggingen – grotendeels door ziekenfondsen – risicovol is belegd in aandelen. De Rekenkamer vindt dat de ministers maatregelen zouden moeten overwegen om risico’s te beteugelen, bijvoorbeeld door voor te schrijven dat overtollige liquide middelen renderend, maar met een beperkt risico moeten worden belegd. Voor het lenen en beleggen kan overwogen worden de leen- en depositofaciliteit van het Ministerie van Financiën open te stellen voor bepaalde categorieën instellingen op afstand van het rijk. Daarnaast zou het uitlenen aan derden gereguleerd kunnen worden, door bijvoorbeeld voor te schrijven dat deze leningen in principe in het verlengde van de publieke taak dienen te liggen.

Uit het onderzoek blijkt verder dat niet alle instellingen hun jaarrekeningen zodanig specificeren dat inzicht kan worden verkregen in de samenstelling van beleggingen en uitgegeven leningen en de mate van risico die daaraan is verbonden. De Rekenkamer vindt dat ministers regelgeving op dit punt zouden kunnen overwegen en beveelt instellingen aan dit inzicht te verbeteren.

Publiek-privaat

Volgens de Rekenkamer is meer aandacht nodig voor de risico’s van het «weglekken» van publieke middelen naar private activiteiten via de vermogens van instellingen die naast publieke taken ook private activiteiten hebben. Scheiding van publieke taken en private activiteiten en de hiermee samenhangende geldstromen komt in vele variaties voor en is vaak niet volledig. Scheiding tussen het publieke en private deel van het eigen vermogen en voorzieningen komt nauwelijks voor. Volgens de Rekenkamer moeten instellingen voor zover mogelijk duidelijk maken welk deel daarvan is opgebouwd uit publieke gelden en welk uit resultaten van private activiteiten.

Slotbeschouwing

In het feit dat een beleid voor vermogensvorming vaak ontbreekt ziet de Rekenkamer een aanwijzing dat er bij de oprichting of verzelfstandiging van de instellingen in het verleden onvoldoende aandacht is geweest voor het aspect vermogensvorming. De Rekenkamer vindt dat dit aspect bij toekomstige verzelfstandigingen meer aandacht moet krijgen.

De Rekenkamer is ook van mening dat de ministeries alsnog een beleid voor vermogensvorming moeten ontwikkelen. Daarin zouden de verantwoordelijke ministers onder meer een standpunt moeten innemen over de grenzen waarbinnen het eigen vermogen van instellingen zich mag ontwikkelen, het omgaan met vermogensoverschotten, de mate waarin en voorwaarden waaronder instellingen vreemd vermogen mogen aantrekken of liquide middelen mogen beleggen of uitlenen, en – voor zover er sprake is van private activiteiten naast de publieke taak – de scheiding tussen het publieke en private deel van het eigen vermogen en voorzieningen.

De Rekenkamer beveelt de ministers van Financiën en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan bij de totstandkoming van een beleid inzake vermogensvorming een coördinerende rol te spelen.

Reacties en nawoord

De Rekenkamer legde haar bevindingen in februari 2000 voor aan elf ministers, vijf grote toezichthouders en tien instellingen. Allen reageerden. De minister van Financiën stuurde in maart 2000 mede namens de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en in afstemming met de overige ministers een kabinetsreactie.

De ministers, toezichthouders en instellingen bleken zich in algemene zin in de conclusies en aanbevelingen van de Rekenkamer te kunnen vinden. Gelet op de door de Rekenkamer gesignaleerde stand van zaken bij de beleidsvorming van de departementen, acht het kabinet het zinvol te investeren in verdere beleidsontwikkeling. Het gaat daarbij volgens het kabinet om maatwerk. Diverse bewindspersonen kondigen beleidsinitiatieven aan of melden inmiddels genomen maatregelen. Zo ligt er inmiddels een wetsvoorstel van de Minister van BZK ter wijziging van de Politiewet, dat het mogelijk maakt om regels te stellen voor het vermogen van de politieregio’s. Ook op het terrein van het Ministerie van VWS zijn initiatieven genomen: in de recente wijziging van de Ziekenfondswet is ondermeer opgenomen dat bij ministeriële regeling een maximum aan de reserve ZFW van de ziekenfondsen wordt gesteld. Uit de reacties op de door de Rekenkamer opgestelde «Handreiking normeren en begrenzen van reserves van instellingen op afstand van het rijk» bleek dat alle partijen deze bruikbaar achtten, ofwel voor de verdere vormgeving van sturingsinstrumenten, ofwel voor studie naar of overleg over de gewenste omvang en samenstelling van het vermogen.

Het kabinet is van plan om te bezien of en in welke mate een analyse van de risico’s van het weglekken van publieke middelen naar private activiteiten moet worden uitgevoerd.

Voor lenen, beleggen en uitlenen door instellingen op afstand van het rijk is een rijksbrede beleidslijn, naar analogie van het wetsvoorstel Financiering decentrale overheden, in de maak.

Ondanks de positieve toon van de reacties, zijn er een paar belangrijke punten waarop enkele ministers met de Rekenkamer van mening verschillen. Deze betreffen met name:

Het opnemen van algemene wettelijke regels over vermogensvorming in de Kaderwet ZBO: het kabinet acht dit niet mogelijk, gezien de grote diversiteit van de instellingen. De Rekenkamer acht het op onderdelen wel mogelijk en gewenst voor vermogensvorming, verslaggeving en de verplichting tot een treasury-statuut waarin aandacht wordt gegeven aan lenen, beleggen en uitlenen. Daarbinnen zal ruimte moeten zijn voor maatwerk.

De vermogensbegrenzing: uit reacties blijkt dat dit gezien moet worden als maatwerk en dat de slagvaardigheid van de instellingen niet in gevaar mag komen. De minister van OCenW wijst vermogensbegrenzing voor de onderwijssector af: hij acht dit niet verenigbaar met zijn sturingsfilosofie, die gericht is op zoveel mogelijk autonomie van de instellingen en zo weinig mogelijk inperken van de handelingsvrijheid om een slagvaardige bedrijfsvoering niet in de weg te staan.

De zelfstandigheid van instellingen is er volgens de Rekenkamer mee gediend wanneer de minister vooraf duidelijke grenzen stelt waarbinnen instellingen financiële handelingsvrijheid hebben. Het zou kunnen dat het in de specifieke omstandigheden van het onderwijsveld moeilijk is de bevoegdheid van de minister tot het begrenzen van reserves op korte termijn wettelijk te regelen. In dat geval beveelt de Rekenkamer aan dat de minister afhankelijk van de ervaring opgedaan met de monitoring op basis van expliciete normen, in een later stadium eventueel tot nadere wetgeving overgaat.

Scheiding publiek-privaat: van diverse kanten wordt gewezen op de complexiteit van het scheiden van het publieke en private deel van het eigen vermogen.

De Rekenkamer erkent de complexiteit van het vraagstuk, maar dringt toch aan op het zo mogelijk nemen van maatregelen zodat aan voorwaarden voor het scheiden van vermogensbestanddelen, en derhalve aan de mogelijkheid van het toerekenen van kosten en opbrengsten, wordt voldaan.

2 OPZET EN AANLEIDING ONDERZOEK

2.1 Het onderzoek

De Rekenkamer heeft bij 21 instellingen op afstand van het rijk en 9 clusters van instellingen (in totaal 184 instellingen) de vermogensvorming onderzocht. Het gaat hier om instellingen die een publieke taak uitvoeren met publiek geld1. Deze instellingen hebben in het algemeen de mogelijkheid om eigen vermogen en voorzieningen te vormen.

Dit rapport beoogt in de eerste plaats een rijksbreed beeld te geven van de omvang van de eigen vermogens en voorzieningen en van de wijze waarop de instellingen deze posten in hun jaarrekeningen en begrotingen presenteren en toelichten. Verder is geïnventariseerd wat voor beleid en regelgeving er bij de verschillende ministeries op het punt van vermogensvorming door op afstand van het rijk geplaatste instellingen en voor de verslaggeving daarover is ontwikkeld. Voor een aantal instellingen is onderzocht of zij verslaggevingsregels en regels voor de omvang van het eigen vermogen (voor zover aanwezig) opvolgden.

Ten slotte zijn de nauw met vermogensvorming verband houdende thema’s lenen, beleggen, uitlenen en vermenging publiek-privaat in beeld gebracht.

2.2 Aanleiding onderzoek

Vermogensvorming is voor veel instellingen noodzakelijk om de continuïteit en doelmatigheid van de taakuitvoering te waarborgen. Het geeft hun de mogelijkheid om rekening te houden met toekomstige uitgaven vanwege bijvoorbeeld voorziene verplichtingen of investeringen. Het kan werken als een efficiëntieprikkel waarbij recht gedaan wordt aan de zelfstandigheid in het financieel beheer en de uitvoering van taken.

Maar er kleven ook risico’s aan zowel omvangrijke als aan geringe eigen vermogens. Bij instellingen met omvangrijke reserves is er het risico dat zij zich meer dan door het concept «sturen op afstand» gelegitimeerd is, onttrekken aan politieke verantwoordelijkheid, beïnvloeding en sturing. Daarnaast bestaat het risico van ondoelmatig aanwenden of oppotten van publiek geld en kunnen omvangrijke eigen vermogens een signaal zijn van te ruime bekostiging of te hoge premies of tarieven. Bij instellingen met geringe reserves zijn er risico’s voor de continuïteit van de publieke-taakuitvoering. Wanneer een instelling niet meer de noodzakelijke investeringen kan doen of niet meer kan voldoen aan haar betalingsverplichtingen, kan dit leiden tot een onvoorzien beroep op rijksmiddelen, ongewenste fluctuaties in heffingen en tarieven en eventueel zelfs faillissement van de instelling.

In gevallen waar naast de publieke taak ook marktactiviteiten worden ontplooid is er het risico van weglekken van met publiek geld opgebouwde reserves naar private activiteiten.

VOORBEELDEN RISICO’s:

De grote omvang van reserves bij ziekenfondsen in relatie tot de hoogte van premies heeft inmiddels geleid tot een wet die de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport vanaf 1 januari 2001 de bevoegdheid geeft tot het stellen van een maximum aan deze reserves. Enige tijd geleden was het oneigenlijk (privaat) gebruik van reserves door enkele instellingen voor thuiszorg in het nieuws. De Commissie Toezicht Uitvoeringsorganisatie signaleerde in haar jaarverslag 1998 dat niet duidelijk is of instellingen in de gezondheidszorg hun toenemende reserves daadwerkelijk besteden aan zorg, waaronder het terugdringen van wachtlijsten. Recente voorbeelden van risicovol beleggen en uitlenen zijn aan de orde geweest bij respectievelijk de politieregio Amsterdam-Amstelland en de Provincie Zuid-Holland (Ceteco).

De laatste jaren zijn door of in opdracht van diverse ministeries of op afstand geplaatste instellingen onderzoeken gedaan naar de gewenste omvang (niet te laag) en aanvaardbare omvang (niet te hoog) van het eigen vermogen van een instelling. Het betreft bijvoorbeeld omroepverenigingen, academische ziekenhuizen, universiteiten, ziekenfondsen, politieregio’s en het Kadaster. Deze onderzoeken hebben echter in de meeste gevallen nog niet geleid tot beleid of afspraken tussen ministerie en instellingen.

2.3 Opzet onderzoek

Het onderzoek is uitgevoerd in twee delen. Het eerste deel was een rijksbrede inventarisatie bij elf ministeries en in totaal 184 op afstand geplaatste instellingen. Het gaat hier om negen clusters van instellingen en 21 individuele instellingen.

MINISTERIES EN INSTELLINGEN IN DE RIJKSBREDE INVENTARISATIE:

• Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties: politieregio’s, Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie;

• Buitenlandse Zaken: Nederlandse Financierings-Maatschappij voor Ontwikkelingslanden;

• Onderwijs Cultuur en Wetenschappen: universiteiten, HBO-instellingen, academische ziekenhuizen, rijksmuseale instellingen, omroepverenigingen, Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, TNO, Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk onderzoek;

• Justitie: raden voor de rechtsbijstand, Centraal Orgaan opvang Asielzoeker, Stichting Reclassering Nederlands;

• Sociale Zaken en Werkgelegenheid: uitvoeringsinstellingen sociale zekerheid, Sociale Verzekeringsbank, Arbeidsvoorzieningsorganisatie;

• Volksgezondheid, Welzijn en Sport: ziekenfondsen, Stichting uitvoering Omslagregelingen, College voor Zorgverzekeringen;

• Financiën: Stichting Waarborgfonds Motorverkeer;

• Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu: Kadaster, Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting;

• Verkeer en Waterstaat: RDW Centrum voor voertuigtechniek en informatie, Verenigd Streekvervoer Nederland (sinds 1-1-1998 geen rechtspersoon met wettelijke taak meer);

• Economische Zaken: Stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten, Nederlandse Onderneming voor Energie en Milieu;

• Landbouw, Natuurbeheer en Visserij: Bureau Beheer Landbouwgronden, Staatsbosbeheer.

In het rijksbrede deel zijn de volgende aspecten onderzocht:

de omvang van de vermogensvorming bij de instellingen;

de wet- en regelgeving en beleidsafspraken voor de omvang van vermogensvorming;

Onderzocht is of en hoe deze voorzien in begrenzingen en eventuele andere afspraken omtrent de omvang van het eigen vermogen;

regelgeving voor de presentatie en toelichting van eigen vermogen en voorzieningen in de jaarrekening van de instellingen. Onderzocht is of deze regelgeving aansluit bij algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving en voorziet in voldoende bepalingen voor de presentatie en toelichting van het eigen vermogen en de voorzieningen;

de daadwerkelijke presentatie en toelichting van eigen vermogen en voorzieningen in de jaarrekeningen 1996 en 1997 van de instellingen;

de regelgeving omtrent en de mate waarin het eigen vermogen dat is opgebouwd uit publieke gelden gescheiden is van het deel dat is ontstaan uit resultaten van private activiteiten;

beleid en regelgeving voor het aantrekken van vreemd vermogen (lenen), voor het beleggen van overtollige financiële middelen en voor het uitlenen van gelden aan derden.

Het tweede deel van het onderzoek bestond uit een diepte-onderzoek bij drie departementen en tien instellingen, waarin naast de bovengenoemde punten aan de orde kwamen:

het interne beleid voor vermogensvorming. Onderzocht is of de tien instellingen een dergelijk beleid hadden en hoe zij dit beleid hadden onderbouwd;

regelgeving voor de presentatie en toelichting van het eigen vermogen en de voorzieningen in de begrotingen. Onderzocht is of de regelgeving voor de weergave van het aspect vermogensvorming in de begroting ramingen van reserves en voorzieningen, meerjarenplannen en investeringsplannen voorschrijven;

de daadwerkelijke presentatie en toelichting van het eigen vermogen en voorzieningen in de begrotingen.

MINISTERIES EN INSTELLINGEN IN HET DIEPTE-ONDERZOEK:

• Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties: politieregio’s Amsterdam-Amstelland, Utrecht en Groningen;

• Onderwijs Cultuur en Wetenschappen: Universiteit van Leiden, Universiteit van Utrecht en Technische Universiteit Delft, KNAW, NWO en TNO;

• Sociale Zaken en Werkgelegenheid:Arbeidsvoorzieningsorganisatie.

Het diepte-onderzoek omvatte naast de inventarisatie van wet- en regelgeving en de analyse van de jaarrekeningen over de jaren 1995 tot en met 1997 ook de analyse van begrotingen, accountantsrapportages en beleidsdocumenten en interviews bij de departementen en de instellingen.

De gegevensverzameling van het onderzoek werd in september 1999 afgerond.

2.4 Definities

Onder «vermogen» wordt in dit rapport verstaan de som van het eigen vermogen, de voorzieningen en – voor zover van toepassingde egalisatie – rekeningen voor ontvangen investeringsbijdragen. De nadruk zal liggen op de componenten eigen vermogen en voorzieningen.

Het eigen vermogen is het saldo van activa minus vreemd vermogen. Bij op afstand geplaatste instellingen bestaat het eigen vermogen voornamelijk uit reserves, die worden gevormd uit het resultaat. Dat kunnen algemene, vrij besteedbare reserves zijn of bestemde reserves die voor een bepaald doel apart zijn gezet (soms aangeduid als fondsen).

Het eigen vermogen kan drie functies vervullen:

• de financieringsfunctie: de hiervoor gevormde reserves dienen ter financiering van bedrijfsgebonden vaste activa, bijvoorbeeld gebouwen en materieel;

• de bufferfunctie: met de hiervoor gevormde reserves worden fluctuaties in de exploitatie en bedrijfsrisico’s opgevangen;

• de bestemmingsfunctie: deze reserves zijn door bestuur of derden (minister, overige subsidiegevers of sponsors e.d.) geoormerkt voor een specifiek doel.

Voorzieningen moeten worden gevormd voor:

• dekking van risico’s, verliezen en verplichtingen waarvan de omvang op de balansdatum onzeker is, maar wel redelijkerwijs is te schatten;

• kosten die in een volgend boekjaar zullen worden gemaakt, mits het maken van die kosten zijn oorsprong mede vindt in het boekjaar of een voorafgaand boekjaar en de voorziening strekt tot gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal boekjaren.

Egalisatierekeningen worden gevormd door van derden ontvangen investeringsbijdragen niet direct geheel in het jaar van ontvangst als opbrengst ten gunste van de resultatenrekening te brengen, maar te passiveren («reserveren») op de balans. In bijlage 6 worden de definities verder toegelicht.

2.5 Opzet rapport

In dit rapport wordt achtereenvolgens ingegaan op de omvang van vermogens (hoofdstuk 3), het beleid ten aanzien van de begrenzing van vermogensvorming (hoofdstuk 4) en het inzicht in vermogensvorming (hoofdstuk 5). Vervolgens worden enkele nauw met vermogensvorming verbonden thema’s lenen, beleggen en uitlenen behandeld (hoofdstuk 6). Het rapport wordt afgesloten met een slotbeschouwing (hoofdstuk 7) en een samenvattende reactie en nawoord (hoofdstuk 8).

De volgende bijlagen zijn bij het rapport gevoegd:

• Handreiking normeren en begrenzen van reserves (bijlage 1);

• Kabinetsreactie op concept-rapport (bijlage 2);

• Overzicht conclusies, aanbevelingen, reacties en nawoord (bijlage 3);

• Regelgeving en beleidsafspraken vermogensvorming (bijlage 4);

• Presentatie en toelichting vermogensvorming in jaarrekeningen (bijlage 5);

• Begrippen en toetsingskader (bijlage 6);

• Overzicht solvabiliteit instellingen 1997 (bijlage 7);

• Cijfermatig overzicht vermogensvorming 1995–1997 (bijlage 8);

• Overzicht beleggen en leningen 1997 (bijlage 9);

• Gehanteerde afkortingen (bijlage 10).

2.6 Briefwisseling onderzoek kasbeheer

In zijn reactie op het rapport ging de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op verzoek van de Rekenkamer, in op een recente briefwisseling tussen hem en de Rekenkamer over onderzoek naar kasbeheer bij instellingen op afstand van het rijk. De minister verzocht de Rekenkamer (brief d.d. 8 januari 2000), mede namens de minister van Financiën, of zij in staat en bereid zou zijn het aspect kasgeldbeheer mede in ogenschouw te nemen bij haar onderzoek bij en naar rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT’s) en of de Rekenkamer op basis van reeds verricht onderzoek van belang zijnde gegevens aan de Staten-Generaal en de regering zou kunnen verstrekken.

De Rekenkamer wijst in haar antwoord (brief d.d. 3 februari 2000) op het nu voorliggende rapport «Vermogensvorming bij instellingen op afstand van het rijk» en het rapport «Financieel beheer politieregio’s» uit 1998. Het belang van het thema kasbeheer alsmede de noodzaak van beleid terzake wordt door het Rekenkameronderzoek bevestigd. De Rekenkamer stelde voorts dat zij voornemens is in toekomstig onderzoek bij RWT’s waar mogelijk en gewenst aandacht te geven aan het aspect kasgeldbeheer. Zij verzocht de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in zijn reactie op het onderzoek «Vermogensvorming bij instellingen op afstand van het rijk» na te gaan welke aanvullende informatie over kasbeheer hij nodig acht en welke aanvullende informatie hij van de Rekenkamer zou willen ontvangen.

In zijn reactie op het rapport (brief Minister van Financiën d.d. 3 maart 2000) stelde de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, dat, gelet op de door de Algemene Rekenkamer gesignaleerde stand van zaken bij de beleidsvorming van de ministeries, het kabinet het zinvol acht eerst te investeren in deze algemene beleidsontwikkeling en regelgeving. Naar het oordeel van de minister bieden de lopende en voorgenomen activiteiten van de Rekenkamer een goede basis om daarnaast een beter zicht te krijgen op het kasbeheer. De minister zou een herkenbare rapportage over dit onderwerp op enig moment op prijs stellen.

De Rekenkamer zal de bestuurlijke reacties op het onderzoek «vermogensvorming» en de suggestie van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om aan de problematiek op enig moment een herkenbare publicatie te wijden, betrekken bij de verdere uitwerking van haar onderzoeksprogramma.

3 OMVANG VAN VERMOGENSVORMING

De omvang van de vermogensvorming werd onderzocht door analyse van de jaarrekeningen 1995–1997. Door de grote verschillen tussen de instellingen bleken de gegevens niet zonder meer vergelijkbaar te zijn. Bovendien gaven deze niet altijd een compleet beeld. De volgende overzichten zijn gemaakt op basis van totalen en gemiddelden van 178 instellingen in de jaren 1996 en 1997 en 175 instellingen in het jaar 1995 (zie bijlage 8 voor een overzicht per instelling).

kst-27066-2-1.gif

In totaal gaat het ultimo 1997 bij de onderzochte 178 instellingen1 om een bedrag van f 16,6 miljard aan eigen vermogen en f 6,5 miljard aan voorzieningen bij een balanstotaal van f 44,6 miljard. Daarnaast komen egalisatierekeningen voor investeringsbijdragen voor ter hoogte van f 850 miljoen. Het totale vermogen als som van deze drie componenten bedraagt ultimo 1997 dus f 23,9 miljard.

Het eigen vermogen neemt over de onderzochte periode 1995–1997 toe met ruim 9%. Doordat de gemiddelde solvabiliteit2 in de periode 1995–1997 tegelijkertijd daalt van 40% naar 37% kan hieruit niet direct worden geconcludeerd dat de instellingen in deze periode ook hun balanspositie verbeterden. De voorzieningen laten echter een forse stijging zien van circa 22%. De langlopende schulden namen daarnaast toe met circa 8% tot f 6,5 miljard.

Het eigen vermogen is deels in liquide vorm beschikbaar en ligt deels vast in de voor de bedrijfsactiviteiten benodigde vaste activa. De liquide middelen en kort- en langlopende beleggingen stegen van in totaal f 7,5 miljard in 1995 tot f 10 miljard in 1997. De materiële vaste activa stegen in de periode 1995–1997 van f 18,3 miljard naar f 20 miljard. De liquiditeit3 schommelt in deze periode tussen de 1,2 en 1,3. De baten namen toe van f 52 miljard in 1995 tot f 59,3 miljard in 1997. Het aandeel van de publieke middelen (met name rijksbijdragen) bedraagt in 1997 bijna 90% van de totale baten. Het exploitatieresultaat schommelt aanzienlijk tussen de jaren: f 929 miljoen in 1995, f 1 miljard in 1996 en f 345 miljoen in 1997.

De omvang van het eigen vermogen, de voorzieningen en de liquiditeiten per (cluster van) instellingen is in beeld gebracht in de figuren 2 en 3.

kst-27066-2-2.gif

In figuur 2 zijn per cluster de instellingen met het laagste en het hoogste bedrag opgenomen alsmede het gemiddelde van de cluster.

kst-27066-2-3.gif

Uit deze overzichten blijkt dat er een grote variatie is in vermogenspositie, zowel tussen instellingen in het algemeen als binnen clusters van instellingen en ook per instelling in de tijd. De verschillen in vermogenspositie tussen (clusters van) instellingen kunnen samenhangen met de wijze van bekostiging, het type activiteit, het al dan niet in eigendom hebben van bedrijfsmiddelen, maar ook met verschillen in de wijze van presenteren in de jaarrekening. Daarnaast kunnen verschillen worden verklaard uit het functioneren van een instelling in het verleden: eigen vermogen wordt immers in principe gevormd uit het resultaat van activiteiten. Een deel van de variatie in de tijd wordt veroorzaakt door presentatie- en stelselwijzigingen in jaarrekeningen of wijzigingen in beleid, zoals uitbreiding van taken of overdracht van gebouwen aan instellingen. Het reserveren van gelden en het opnemen van leningen ten behoeve van investeringen kan leiden tot sterke veranderingen in de liquiditeitspositie. Met name binnen clusters met relatief veel bedrijfsmiddelen (universiteiten, politieregio’s) spelen deze factoren een rol.

De gemiddelde solvabiliteit van het totaal van de onderzochte instellingen ligt in de orde van grootte van wat bij commerciële organisaties in het algemeen als wenselijk wordt beschouwd (30 tot 40%). Er van uitgaand dat deze instellingen minder risico’s lopen dan marktorganisaties zou voorzichtig geconcludeerd kunnen worden dat dit gemiddelde aan de hoge kant is. Nadere analyse en bestuurlijke afweging van relevante factoren en risico’s per (cluster van) instelling(en) is echter nodig om te bepalen of dit inderdaad het geval is (zie ook bijlage 7: overzicht solvabiliteit instellingen 1997). De Rekenkamer doet hierover in dit rapport geen uitspraak.

4 BEGRENZING VERMOGENSVORMING

4.1 Inleiding

Uitgangspunt van het onderzoek is dat de vorming van vermogens door instellingen die een wettelijke taak verrichten met publiek geld een belangrijk aandachtspunt van beleid dient te zijn. Bij een dreigende discontinuïteit van de taakuitvoering vanwege insolventie van de instelling zal er gewoonlijk een beroep op de overheid worden gedaan, ook indien de overheid geen formele verplichting (meer) heeft om de instelling te hulp te komen. Daarnaast is het uit het oogpunt van publieke taakuitvoering niet wenselijk wanneer instellingen met publieke gelden gevormde exploitatieoverschotten ondoelmatig aanwenden of oppotten. Daarom vindt de Rekenkamer dat de verantwoordelijke minister en/of toezichthouder op zijn minst de vermogensontwikkeling zou moeten monitoren en daarvoor normen en indicatoren zou moeten ontwikkelen. In veel gevallen is het ook gewenst dat het rijk grenzen aangeeft waarbinnen reserves zich mogen ontwikkelen en vaststelt welke maatregelen bij overschrijding van deze grenzen zullen worden genomen. Deze begrenzing dient dan volgens de Rekenkamer betrekking te hebben op het totale eigen vermogen, en eventueel daarnaast nog op specifieke reserves1. De begrenzing zou moeten worden onderbouwd met een analyse van voor de vermogenspositie relevante factoren en risico’s. Dit betreft algemene factoren (zoals de besturingsfilosofie, de bekostigingswijze, de omvang en soorten reserves en voorzieningen bij organisaties met vergelijkbare risico’s), factoren ter bepaling van de financieringsfunctie van het eigen vermogen (zoals waardering, samenstelling en ouderdom van materiële vaste activa, de hiermee samenhangende financieringsbehoefte en de beleidslijn van het ministerie ter zake) en factoren ter bepaling van de bufferfunctie van het eigen vermogen (zoals algemene bedrijfsrisico’s, exploitatieresultaten uit het verleden, flexibiliteit van de kostenstructuur e.d.). Voor een uitwerking wordt verwezen naar de handreiking en het toetsingskader (bijlagen 1 en 6). De door banken bij de beoordeling van commerciële organisaties gehanteerde criteria voor solvabiliteit en liquiditeit zijn hier niet zonder meer van toepassing.

De Rekenkamer heeft op basis van deze uitgangspunten geïnventariseerd welke beleidsafspraken en/of regelgeving er is ten aanzien van de omvang van reserves. Onderzocht is of er grenzen zijn gesteld in de vorm van een maximum en/of minimum, of deze grenzen betrekking hebben op het totale eigen vermogen of onderdelen ervan, of deze grenzen in de praktijk worden overschreden en of is vastgelegd hoe wordt omgegaan met overschrijding van deze grenzen. Daarnaast is voor de tien instellingen in het diepte-onderzoek onderzocht welk intern beleid wordt gevoerd en of dit onderbouwd is door een systematische analyse van relevante factoren en risico’s (zie toetsingskader bijlage 6).

4.2 Regelgeving en beleid

4.2.1 Overzicht

Tabel 1 geeft een overzicht van de regelgeving en beleidsafspraken over de omvang van reserves bij de onderzochte (clusters van) instellingen.

Tabel 1: Regelgeving en beleidsafspraken over de omvang van (een deel van) het eigen vermogen

Soort regelgevingMaximumnormMinimumnormGeen normen, wel regels of afsprakenGeen normen, geen regels of afspraken
InstellingRaden voor Rechtsbijstand COA SRN Omroepverenigingen TNO Arbeidvoorzieningsorganisatie Kadaster RDW Staatsbosbeheer NovemZiekenfondsenFMO IB-Groep NWO Uitvoeringsinstellingen sociale zekerheid rijksmuseale instellingenPolitieregio’s LSOP Universiteiten Hogescholen Academische ziekenhuizen KNAW SVb Suo CvZ WfM CFV COVA BBL VSN
Totaal101514

Uit deze tabel blijkt dat bij ruim de helft (16) van de onderzochte (clusters van) instellingen de minister of de onafhankelijke toezichthouder een norm heeft gesteld of afspraken heeft gemaakt over de omvang van het totale eigen vermogen of onderdelen daarvan. In de meeste gevallen (tien van de zestien) ging het om een maximumgrens. In één geval was een minimumgrens gesteld, namelijk voor de ziekenfondsen.

In de overige vijf gevallen ging het om expliciete regels of beleidsafspraken over de vermogensvorming waarbij echter geen duidelijke grenzen zijn gesteld aan de reserves. Dit geldt voor de rijksmuseale instellingen, Informatie Beheer Groep, NWO, uitvoeringsinstellingen sociale zekerheid en FMO. Bij de rijksmusea is vastgesteld dat ten hoogste 10% van de voor vier jaar toegekende subsidie mag worden gereserveerd. Er is echter geen grens gesteld aan het geaccumuleerde eigen vermogen. Voor de Informatie Beheer Groep, de NWO en de uitvoeringsinstellingen sociale zekerheid zijn expliciet vastgelegd dat jaarlijks wordt overlegd over de ontwikkeling van de reserves. Daarbij zijn geen normen voor de omvang van het eigen vermogen vastgesteld. Bij de FMO is in een formule vastgelegd welk gedeelte van de winst jaarlijks aan het eigen vermogen dient te worden toegevoegd, maar er is geen grens aan het geaccumuleerde eigen vermogen gesteld. De solvabiliteitseis van 30% over de gewogen activa die door de FMO intern werd gehanteerd, werd door De Nederlandsche Bank weliswaar voldoende geacht, maar was niet in een voorschrift geformaliseerd.

VOORBEELDEN VAN POGINGEN TOT NORMERING BIJ DE UITVOERINGSINSTELLINGEN SOCIALE ZEKERHEID EN NWO:

Bij de ontvlechting van de uitvoeringsinstellingen sociale zekerheid gold als uitgangspunt dat deze instellingen in staat zouden moeten zijn tegen redelijke voorwaarden privaat vreemd vermogen aan te trekken. Volgens de Technische Werkgroep Ontvlechting (TWO) leerde de ervaring dat hiervoor circa 40% eigen vermogen nodig was, en dit wordt door de diverse uitvoeringsinstellingen als basis voor het eigen vermogen genomen. Er zijn echter geen maxima gesteld aan de verdere ontwikkeling van het vermogen.

Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen heeft, gevolg gevend aan een aanbeveling uit een Rekenkameronderzoek in 1995, geëxperimenteerd met het stellen van absolute (maximum)normen aan de hoogte van het eigen vermogen en de voorzieningen van de NWO (geldend met ingang van 1996). Deze absolute normen gaven volgens het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen aanleiding tot optimaliserend gedrag en vruchteloze discussies over mutaties, waarna dit ministerie in 1997 van de normen is afgestapt. Thans worden enige jaren solvabiliteitsen liquiditeitskengetallen gehanteerd, op basis waarvan opnieuw normgrenzen in de vorm van bandbreedtes zullen worden geformuleerd.

Bij veertien (clusters van) instellingen waren geen normen gesteld of andere regels en/of beleidsafspraken vastgelegd over de omvang van reserves.

Bij acht van deze instellingen is sprake van een specifieke situatie waarbij een vaste begrenzing van reserves minder zinvol is. Dit betreft vier (beheerders van) fondsen (Sociale Verzekeringsbank, de Stichting uitvoering omslagregelingen, het College voor Zorgverzekeringen, Waarborgfonds Motorverkeer en het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting), één instelling met een vennootschappelijke rechtsvorm (VSN), één instelling die in feite onderdeel van het ministerie is (Bureau Beheer Landbouwgronden), en het Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten.

INSTELLINGEN WAARBIJ EEN VASTE BEGRENZING VAN HET EIGEN VERMOGEN MINDER ZINVOL IS:

De SocialeVerzekeringsbank, de Suo, het College voor Zorgverzekeringen en het WfM zijn fondsbeheerders zonder, of in geval van CvZ zeer gering, eigen vermogen. De uitvoeringskosten worden ten laste gebracht van de fondsen en materiële vaste activa worden gefinancierd uit leningen uit die fondsen. De omvang van de fondsen zelf – bij Suo en WfM voornamelijk aangehouden als voorzieningen – is uiteraard wel een belangrijk onderwerp van beleid voor de overheid, maar voor de eventuele normering daarvan gelden specifieke beleidsinhoudelijke overwegingen.

Dat laatste geldt ook voor het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting. Dit fonds wordt gevoed door jaarlijkse bijdragen van alle toegelaten instellingen. De minister stelt jaarlijks – op basis van een beoordeling van de omvang van het fonds – de normbedragen vast op grond waarvan de hoogte van de bijdragen wordt bepaald.

De VSN (thans Connexxion) is een vennootschap. Het eigen vermogen en eventuele dividenden staan volledig ter beschikking van de aandeelhouders, in dit geval de Staat. Er kunnen afspraken worden gemaakt over bijvoorbeeld het gedeelte van de winst dat jaarlijks wordt toegevoegd aan het eigen vermogen, maar een vaste begrenzing ligt minder voor de hand.

Bij Bureau Beheer Landbouwgronden bestaat het eigen vermogen voornamelijk uit (tijdelijk) beheerde landbouwgronden. Het BBL wordt qua financieel beheer beschouwd als een departementale organisatie-eenheid van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Het saldo van inkomsten en uitgaven komt ten gunste dan wel ten laste van de rijksbegroting.

Bij het Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten speelt de normering van eigen vermogen niet. De voorraad aardolie wordt geheel uit vreemd vermogen gefinancierd onder garanties van het rijk (langlopende schulden f 650 miljoen). De inkomsten zijn geheel afhankelijk van door het Ministerie van Economische Zaken vastgestelde en door de Belastingdienst geïnde voorraadheffingen.

Bij de zes overige instellingen waar normering dan wel regels of afspraken over de omvang van reserves ontbreken acht de Rekenkamer het in principe wel zinvol, te weten de politieregio’s, het Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie, de universiteiten, de hogescholen, de academische ziekenhuizen en de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. In de door de Rekenkamer onderzochte periode 1995–1997 was bij drie van deze (clusters van) instellingen sprake van een stijgend eigen vermogen (politieregio’s, hogescholen, KNAW). Bij de clusters politieregio’s, academische ziekenhuizen en universiteiten is de laatste jaren wel onderzoek verricht naar de vermogenspositie en de mogelijkheid om deze te normeren. Dit onderzoek heeft echter vooralsnog niet geleid tot regelgeving of beleidsafspraken.

VOORBEELD: RAPPORTAGE UNIVERSITEITEN

Over de vermogensvorming van universiteiten heeft de Commissie Koopmans, ingesteld door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU) gezamenlijk, recent een rapport uitgebracht. De commissie berekent een aanzienlijk tekort aan eigen vermogen bij de universiteiten van f 1,6 miljard. Uitgangspunt daarbij is dat vervangingsinvesteringen volledig uit eigen vermogen gefinancierd worden. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen liet in zijn reactie op het rapport Koopmans aan de instellingen weten eerst het Rekenkamerrapport over vermogensvorming af te willen wachten alvorens zijn definitieve standpunt te bepalen.

4.2.2 Gemaximeerde reserves

In tabel 2 is voor de tien (clusters van) instellingen waarvoor maxima zijn gesteld, aangegeven wat zij inhouden, of ze het totale eigen vermogen of een deel ervan betreffen en in hoeveel gevallen deze maxima werden bereikt, onderschreden of overschreden.

Uit het overzicht blijkt dat de maximering van het eigen vermogen of delen daarvan op diverse manieren is vormgegeven. In sommige gevallen waren reserves in absolute zin gemaximeerd (bijvoorbeeld bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie). Combinaties van maximale jaarlijkse toevoegingen en een absolute grens kwamen evenwel ook voor (raden voor rechtsbijstand). Ook was er bij sommige instellingen sprake van meerdere reserves waarvoor een verschillend maximum gold (omroepverenigingen).

Bij zes van de tien (clusters van) instellingen werd door het stellen van maxima ook de ontwikkeling van het totale eigen vermogen van de betreffende instellingen gemaximeerd. Dit gebeurde deels door het totale eigen vermogen te maximeren, deels door specifieke reserves te maximeren in combinatie met een bepaling dat er geen andere reserves gevormd mochten worden. Het totale eigen vermogen bedroeg ultimo 1997 voor deze (clusters van) instellingen f 915 miljoen. Dit is circa 6% van het totale eigen vermogen van alle onderzochte instellingen.

In vier gevallen was slechts een onderdeel van het eigen vermogen aan een maximum gebonden. Bij TNO1 gold dit voor de reserve bedrijfsrisico’s en was niets bepaald over de maximering van het totale eigen vermogen of de eventuele overige reserves. Bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie gold dit voor de algemene reserve bedrijfsrisico en de bestemmingsreserve investeringen tezamen. Bij het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers was, naast een maximum voor de egalisatiereserve, in de regelgeving vastgelegd dat de minister van Justitie ten aanzien van de toegestane«reserve vervanging inrichting en inventaris» wel een maximum kon bepalen, maar was in de praktijk geen maximum vastgesteld.

Bij Staatsbosbeheer was in een overeenkomst met de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij voor de periode 1999–2003 bepaald dat Staatsbosbeheer, met uitdrukkelijke toestemming van de minister, naast de algemene reserve ook specifieke bestemmingsreserves kon aanhouden, maar was niet expliciet vastgelegd dat de minister deze reserves ook aan een maximum kon binden.

Tabel 2: Aard en stand maximering eigen vermogen/reserves bij gemaximeerde instellingen ultimo 1997

INSTELLINGAard maximeringStand 1997EV partieel of geheel
Raden voor Rechtsbijstand (5)Toevoeging egalisatiereserve beheerskosten maximaal 5% deelsubsidie per jaar; beheerskosten bovendien gemaximeerd tot f 500 000. • ȯ oooGeheel
 Toevoeging egalisatiereserve programmakosten maximaal 5% deelsubsidie per jaar, hoogte maximaal 10% deelsubsidie. •• ȯȯ o 
Centraal Orgaan opvang AsielzoekersEgalisatiereserve (risicoreserve) maximaal 5% jaarlijkse subsidiebedrag van aantal kostengroepen, evenwel niet hoger dan f 25 miljoen.ȯPartieel
Stichting Reclassering NederlandToevoeging aan risicoreserve maximaal 5% subsidiebedrag per jaar tot maximum van f 10 miljoen.oGeheel
Omroepverenigingen (7)Private reserves gemaximeerd op niveau 1993.ȯȯȯȯȯȯȯGeheel
 Programmareserve sinds 1997 gemaximeerd als 5% van de jaaromzet; het minimumvermogen mag na 2000 evenmin negatief zijn.•• ooooo 
TNO«Fonds» bedrijfsrisico’s maximaal f 20 miljoen. oPartieel
Arbeidsvoorzienings- organisatieAlgemene reserve bedrijfsrisico’s en bestemmingsreserve investeringen tezamen maximaal f 150 miljoen. oPartieel
KadasterStructurele reserve maximaal 1/3 van het structurele balanstotaal. ȯGeheel
 Conjuncturele reserve maximaal f 75 miljoen. ȯ 
 Reserve marktactiviteiten maximaal 1/3 van het structurele balanstotaal van deze activiteitenȯ 
 Overschotreserve nihil. 
RDWEigen vermogen maximaal 20% balanstotaal. ȯGeheel
 Conjuncturele reserve maximaal f 8 miljoen.ȯ 
 Algemene reserve nihil. 
NovemDividendbeleid afgestemd op eigen vermogen van maximaal f 25 miljoen. oGeheel
StaatsbosbeheerAlgemene reserve maximaal 10% totale jaaromzet (1998). oPartieel

• = eigen vermogen hoger dan maximum;

ȯ = eigen vermogen gelijk aan maximum;

o = eigen vermogen lager dan maximum;

In de toelichting op de regelgeving en/of afspraken worden soms wel enige overwegingen gegeven, maar wordt meestal niet onderbouwd waarom voor een specifiek maximum wordt gekozen.

VOORBEELDEN VAN ENIGE OVERWEGINGEN DIE WEL IN DE TOELICHTING WORDEN GEGEVEN:

Bij de verzelfstandiging van het Kadaster werd de keuze voor een maximaal aanwezig eigen vermogen van ⅓ deel van het structurele balanstotaal gemotiveerd met de verwijzing dat deze vermogensverhouding in ondernemingen met een vergelijkbare balansstructuur als gezond werd aangemerkt (Tweede Kamer, vergaderjaar 1992–1993, 23 007 nr. 3, blz. 21).

Bij de Raden voor Rechtsbijstand gold als criterium voor de maximale hoogte van de egalisatiereserve «landelijke automatiseringsactiviteiten» de economische vervangingswaarde van de systemen en de gerealiseerde afschrijvingen daarop (Subsidiebesluit Raden voor Rechtsbijstand, artikel 10).

Een bijzonder geval is de Novem, een NV waarbij het maximum gegeven is door het bedrag dat geldt als wettelijk criterium voor het structuurregime (f 25 miljoen).

Bij de in totaal 371 onderzochte gemaximeerde reserves bleek in zeven gevallen ultimo 1997 sprake van een overschrijding en wel bij drie Raden voor Rechtsbijstand (totaal ruim f 4 miljoen), twee omroepverenigingen (totaal f 38 miljoen), het Kadaster (f 197 miljoen) en de RDW (f 39 miljoen). Bij 14 gemaximeerde reserves was de stand minder dan het maximum en in 16 gevallen was de stand precies gelijk aan het maximum.

De Rekenkamer trof in de regelgeving voor de gemaximeerde instellingen nauwelijks bepalingen aan over de wijze waarop met eventuele vermogensoverschotten diende te worden omgegaan, zoals bepalingen over afromen, bestemming of een maximale afbouwperiode. Bij een directe subsidierelatie op basis van voorschotten, zoals bij de Raden voor de Rechtsbijstand, kunnen overschrijdingen van een gesteld maximum op relatief eenvoudige wijze bij de definitieve subsidievaststelling worden verrekend. Op de instelling rust dan een terugbetalingsverplichting. Het Kadaster en de RDW hebben geen subsidierelatie met het rijk, maar worden bekostigd uit tarieven die door de betreffende ministers moeten worden goedgekeurd. Wanneer geen directe afroming plaatsvindt, zijn vermogensoverschotten alleen via het tariefbeleid en dus op middellange termijn te beïnvloeden. In beide gevallen waren hierover afspraken gemaakt. De twee omroepverenigingen die ultimo 1997 een overschrijding te zien gaven op de gemaximeerde programmareserve, waren tegen de afbouwregeling van het Commissariaat voor de Media in beroep gegaan. De Raad van Bestuur van de NOS, die ingevolge een wetswijziging de bevoegdheid tot maximeren in 1998 van het Commissariaat overnam, heeft inmiddels met een van beide verenigingen afspraken gemaakt over de hoogte en de termijn van afbouw van de reserve. In andere gevallen, zoals bij de verzelfstandiging van Staatsbosbeheer, was uitsluitend overeengekomen dat in het geval van overschrijding van gemaximeerde reserves overleg zou plaatsvinden over de bestemming van het surplus.

ONDERHANDELEN OVER EIGEN VERMOGEN

Uit het onderzoek bleek dat in de gevallen waarin de wenselijke omvang van het eigen vermogen onderwerp was van periodieke onderhandelingen tussen minister of onafhankelijke toezichthouder enerzijds en instelling anderzijds, het resultaat van deze onderhandelingen door de beide partijen verschillend werd geïnterpreteerd. De instellingen beschouwden het onderhandelingsresultaat vaak als het minimaal noodzakelijke eigen vermogen. De inzet van ministerie of toezichthouder was daarentegen te bepalen welk gedeelte van het eigen vermogen als overtollig moest worden beschouwd. Hieruit blijkt dat duidelijke en eenduidige vastlegging van de uitgangspunten voor dit soort onderhandelingen dringend gewenst is.

4.3 Intern beleid instellingen

De Rekenkamer onderzocht bij de tien instellingen betrokken in het diepte-onderzoek het interne beleid ten aanzien van vermogensvorming. De besturen van deze instellingen bleken aandacht aan aspecten van vermogensvorming te besteden, zoals aan de financiering van investeringen, het vormen van voorzieningen, het bestemmen van exploitatie-overschotten, het aangaan van leningen en het beleggen van (tijdelijk overtollige) liquide middelen. Er was echter bij de instellingen geen inzicht in de gewenste omvang van het eigen vermogen, gebaseerd op een systematische analyse van relevante factoren en risico’s (zie verder bijlage 3). Het ontbrak in deze gevallen overigens ook aan een departementaal beleid dat voor deze organisaties als ijkpunt kon fungeren.

VOORBEELD: GEVOLGEN ONTBREKEN BELEID

Bij de politieregio Amsterdam-Amstelland was het interne beleid gericht op 100% zelffinanciering. Bij andere politieregio’s werden de bedrijfsmiddelen gedeeltelijk met vreemd vermogen gefinancierd. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties formuleerde geen duidelijk beleid op dit punt. Tegelijkertijd was het onduidelijk of de door de politieregio Amsterdam-Amstelland gevormde (aanzienlijke) reserves zouden worden afgeroomd ten behoeve van minder solvabele regio’s. In deze onzekere situatie werd door de politieregio besloten de investeringen in huisvesting met f 180 miljoen te intensiveren, onder andere door de aankoop van een pand dat tot dusverre gehuurd werd.

4.4 Conclusies en aanbevelingen

Bij 16 van de 30 (clusters van) instellingen bestaat regelgeving of zijn beleidsafspraken gemaakt over de omvang van het eigen vermogen of delen daarvan. Bij tien (clusters van) instellingen betreft dit maxima, waarbij het in vier gevallen, namelijk bij Centraal Orgaan opvang Asielzoekers, TNO, Arbeidsvoorzieningsorganisatie en Staatsbosbeheer, gaat om het maximering van slechts een deelvan het eigen vermogen. In één geval, namelijk de ziekenfondsen, is wel een minimum, maar geen maximum voor de omvang van reserves vastgesteld. Bij vijf (clusters van) instellingen gelden geen vaste grenzen voor de hoogte van (onderdelen van) reserves, maar is wel iets geregeld over de toevoeging aan reserves dan wel is vastgelegd dat jaarlijks over de omvang van reserves wordt overlegd. Dit betreft de rijksmuseale instellingen, Informatie Beheer Groep, NWO, uitvoeringsinstellingen sociale zekerheid en FMO.

Bij de overige 14 (clusters van) instellingen gelden geen regels of afspraken over de omvang van reserves. Voor acht geldt een specifieke situatie die dergelijke regels minder zinvol maakt. Voor de overige zes is dit wel het geval. Het gaat om de politieregio’s, universiteiten, hogescholen, academische ziekenhuizen, het Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie en de KNAW. Voor een aantal daarvan zijn in het verleden wel onderzoeken uitgevoerd gericht op het vaststelen van grenzen. Deze hebben vooralsnog niet geleid tot vastgesteld beleid.

Het bleek dat bij die instellingen waar een maximumnorm voor het eigen vermogen gold, in de meeste gevallen de feitelijke eigen vermogens gelijk waren aan de vastgestelde maxima of daaronder lagen. Daar waar een vermogensoverschot was, waren afspraken gemaakt over de reductie van de betreffende reserves. In de toelichting op de regelgeving en/of afspraken worden soms wel enige overwegingen gegeven, maar wordt meestal niet onderbouwd waarom voor een specifiek maximum wordt gekozen. In de regelgeving trof de Rekenkamer ook geen bepalingen aan over hoe wordt omgegaan met overschrijdingen.

De Rekenkamer acht het van belang dat aan de begrenzing van vermogens een analyse van alle voor de instelling of cluster van instellingen relevante factoren en risico’s voorafgaat. Zij heeft de overwegingen die hierbij in ieder geval meegenomen moeten worden uitgewerkt in bijlage 1.

Daar waar alleen delen van het eigen vermogen (specifieke reserves) zijn genormeerd, acht de Rekenkamer het gewenst dat een aanvullende norm voor het totale eigen vermogen wordt geformuleerd, ter voorkoming van verschuivingen binnen het eigen vermogen ter ontwijking van maximumnormen.

De Rekenkamer acht het tevens wenselijk dat wanneer de vermogensontwikkeling van instellingen begrensd wordt er tegelijkertijd geregeld is hoe wordt omgegaan met een eventuele overschrijdingen, zoals bijvoorbeeld de bestemming en afbouwperiode van een surplus.

Besturen van de tien in het diepte-onderzoek betrokken instellingen bleken wel intern beleid te voeren voor aspecten van vermogensvorming. Het ontbrak echter aan een systematisch inzicht in de gewenste omvang van het eigen vermogen, gebaseerd op een systematische analyse van relevante factoren en risico’s. Het ontbrak in deze gevallen ook aan een departementaal beleid dat voor deze organisaties als ijkpunt kon fungeren.

5 INZICHT IN VERMOGENSVORMING

5.1 Inleiding

Om een beleid voor vermogensvorming te kunnen voeren, moet het ministerie inzicht hebben in de vermogensvorming bij instellingen op afstand van het rijk. De instellingen van hun kant dienen te streven naar een transparante bedrijfsvoering. De belangrijkste informatiebronnen voor het verkrijgen van inzicht in de vermogensvorming zijn de jaarrekeningen en begrotingen van de instellingen.

De Rekenkamer onderzocht de wet- en regelgeving en de jaarrekeningen van de instellingen. Voor de wet- en regelgeving is bekeken of deze aansluit bij algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving, zoals neergelegd in Titel 9, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek1, in de uitwerking daarvan in de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving van de Raad voor de Jaarverslaggeving en in de literatuur over verslaggeving van organisaties zonder winstoogmerk. Wanneer deze grondslagen van toepassing zijn is gegarandeerd dat op een aantal belangrijke punten inzicht wordt verschaft. Zo wordt in Titel 9 bijvoorbeeld aangegeven onder welke omstandigheden voorzieningen dienen te worden gevormd, dat zij overeenkomstig hun aard nauwkeurig worden omschreven, en dat in de toelichting zoveel mogelijk wordt aangegeven in welke mate zij als langlopend moeten worden beschouwd. Ook verplicht Titel 9 organisaties om het verloop van het eigen vermogen gedurende het boekjaar weer te geven in een sluitend overzicht. Aangezien de Titel 9-bepalingen op het punt van de specificatie van het eigen vermogen en de toelichting op de reserves niet goed toepasbaar zijn voor een groot deel van de instellingen dat een publieke taak uitvoert, zouden deze aangevuld moeten worden met specifieke bepalingen hiervoor (zie bijlage 6: Begrippen en toetsingskader).

Naast de wet- en regelgeving is bekeken of de jaarrekeningen over 1996 en 1997 van een selectie van de instellingen (in totaal 84) inzicht bieden in (ontwikkelingen in) de vermogenspositie van deze instellingen. In het bijzonder is onderzocht of de presentatie en toelichting van het eigen vermogen en de voorzieningen gebeurt op basis van Titel 9 en de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving en of voldaan is aan de bovengenoemde aanvullende eisen.

Van de tien in het diepte-onderzoek betrokken instellingen zijn naast de jaarrekeningen ook de begrotingen 1996 tot en met 1998 en de regelgeving daarvoor beoordeeld. Onderzocht is of de regelgeving prognoses van eigen vermogen en voorzieningen, financiële meerjarenramingen en investeringsplannen voorschrijft en of de begrotingen hierover informatie verschaffen.

Tot slot is geïnventariseerd in hoeverre instellingen, die private activiteiten naast hun publieke taak verrichten, het publieke en private deel van hun eigen vermogen gescheiden van elkaar presenteren (scheiding publiek-privaat).

5.2 Voorschriften voor jaarrekeningen

De voorschriften die voor de onderzochte instellingen gelden op het gebied van de presentatie en toelichting van eigen vermogen en voorzieningen in de jaarrekening lopen uiteen van zeer globaal tot zeergedetailleerd. Ook bestaan er duidelijke verschillen in de in wet- en regelgeving vastgelegde bevoegdheden van ministers om op dit punt nadere regels te stellen en in de mate waarin begrotingen en jaarrekeningen aan de expliciete goedkeuring van ministers onderworpen zijn. Bijlage 4 bevat een overzicht per instelling of cluster van instellingen.

Uit het onderzoek bleek dat de verslaggevingsregelgeving voor een belangrijk deel is geënt op algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving. Bij 22 van de 30 (clusters van) instellingen wordt bij de eisen op het gebied van de financiële verslaggeving expliciet verwezen naar de algemeen aanvaarde grondslagen of naar Titel 9. Bij vijf van deze 22 is de toepassing van Titel 9 op grond van de rechtsvorm wettelijk verplicht (ziekenfondsen, uitvoeringsinstellingen sociale zekerheid, FMO, VSN en Novem).

Naast deze algemene grondslagen zijn er in veel gevallen specifieke verslaggevingseisen in regelgeving opgenomen. Deze verschillen zowel naar inhoud als naar mate van gedetailleerdheid. De variëteit in regelgeving wordt bijvoorbeeld weerspiegeld in de grote variatie in voorgeschreven soorten te presenteren reserves of voorzieningen.

VOORSCHRIFTEN PRESENTATIE EIGEN VERMOGEN VARIËREN

Voor universiteiten is voorgeschreven dat in de jaarrekening het eigen vermogen wordt onderverdeeld in een algemene reserve en een vervangingsreserve onroerende goederen. De algemene reserve wordt naar zijn componenten toegelicht: innovatiereserves, vervangingsen vernieuwingsreserves, (decentrale) reserves waarop interne trekkingsrechten berusten, overige reserves (in ieder geval schenkingen, erfstellingen en legaten) en het onverdeelde resultaat. Onder voorzieningen worden afzonderlijk opgenomen een onderhoudsvoorziening, specifieke voorzieningen en overige voorzieningen.

Voor de NWO geldt een andere voorgeschreven indeling van het eigen vermogen: vermogen in materiële vaste activa, algemene reserve, bestemmingsreserve naar type bestemming en het niet-verdeelde exploitatiesaldo voor zover de bestemming nog niet bekend is. De voorzieningen bestaan uit voorzieningen voor groot onderhoud, nieuwbouw, wacht- en uitkeringsgelden en supercomputing en een restpost overige voorzieningen.

In enkele gevallen wijken specifieke verslaggevingvoorschriften af van de algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving. Dit is bijvoorbeeld het geval bij universiteiten (waar, in afwijking van algemeen aanvaarde grondslagen, het toevoegen aan een component van de reserves als onderdeel van de resultaatbepaling is toegestaan) en de NWO (waar, in afwijking van algemeen aanvaarde grondslagen, voorzieningen voor investeringen in nieuwbouw worden voorgeschreven). De Rekenkamer acht een niet nader gemotiveerde afwijking van de algemeen aanvaarde grondslagen in het algemeen ongewenst.

Bij slechts enkele instellingen was ten tijde van het onderzoek nog weinig geregeld voor de presentatie en toelichting van het eigen vermogen en de voorzieningen (voorbeelden: TNO en Stichting uitvoering omslagregelingen).

VOORBEELDEN VAN VERSLAGGEVINGSVOORSCHRIFTEN

De nieuwe, met ingang van 2000 geldende verslaggevingsregelgeving voor de KNAW bevatten niet alleen een expliciete verwijzing naar Titel 9, maar ook een op artikel 374 Titel 9 gebaseerd artikel inzake voorzieningen, aangevuld met specifiek voor de KNAW geldende bepalingen over de te presenteren categorieën voorzieningen, en – aangezien de Titel 9-bepalingen inzake het eigen vermogen niet geheel toepasbaar zijn – aanvullende bepalingen over de presentatie en toelichting van KNAW-specifieke reserves.

Bij TNO, die vrijwillig Titel 9 volgt, golden ten tijde van het onderzoek nog geen aanvullende, specifieke verslaggevingsrichtlijnen (deze zijn eind 1999 uitgevaardigd). Aangezien artikel 378 Titel 9 niet toepasbaar is op TNO, werd het eigen vermogen in de gepubliceerde jaarrekening niet gespecificeerd en niet toegelicht. Het maatschappelijk verkeer verkreeg op deze wijze geen inzicht in aard en doel van het – in de loop der jaren toenemende – eigen vermogen. Met de nieuwe voorschriften wordt specificering van het eigen vermogen geregeld.

De Rekenkamer constateerde dat de verslaggevingsregelgeving in veel gevallen in beweging was. Het gaat daarbij vooral om het uitbreiden of meer detailleren van verslaggevingsvoorschriften of het aanpassen van voorschriften aan de algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving.

VOORBEELDEN VAN ONTWIKKELINGEN IN VERSLAGGEVINGSVOORSCHRIFTEN

Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties werkt – in samenspraak met het veld – aan verbetering van de comptabele voorschriften voor politieregio’s. Het gaat daar om aanpassing aan veranderde informatiebehoeften van betrokkenen en algemeen aanvaarde grondslagen en verduidelijking van begrippen.

Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen besteedt de laatste jaren veel aandacht aan het uitvaardigen dan wel verbeteren en harmoniseren van de verslaggevingsregelgeving voor de onder haar ressorterende instellingen.

5.3 Presentatie en toelichting in jaarrekeningen

5.3.1 Eigen vermogen

Uit het onderzoek bleek dat de presentatie en toelichting van eigen vermogen en voorzieningen qua gedetailleerdheid sterk varieert. Ook binnen clusters van instellingen is de variatie groot. Bijlage 5 bevat een overzicht per instelling.

Dit geldt vooral voor de presentatie van het eigen vermogen. In verreweg de meeste gevallen wordt het eigen vermogen gespecificeerd in diverse componenten, zoals algemene reserves, overige reserves, nog te verdelen resultaat, egalisatiereserves, risicoreserves, «vermogen in (materiële) vaste activa» en vele verschillende soorten bestemmingsreserves (waaronder diverse soorten fondsen). In zeer beperkte mate komen herwaarderingsreserves voor (bij waardering van materiële vaste activa tegen actuele waarde). De mate van specificatie varieert sterk: van opdeling van het eigen vermogen in enige hoofdcomponenten tot de specificatie van tientallen (geringe) bestemmingsreserves. Slechts één instelling (TNO) specificeert het eigen vermogen niet.

Niet altijd is de specificatie duidelijk. Met name de mate van bestemming van reserves wordt niet altijd duidelijk uit de gehanteerde omschrijvingen. Ook worden aard en doel van de diverse reserves niet altijd duidelijk in de toelichting omschreven. Veel instellingen nemen in de toelichting een mutatiestaat per reserve (sluitend overzicht van beginsaldo, toevoegingen, onttrekkingen en eindsaldo) op; sommige volstaan met een mutatiestaat voor enkele reserves of voor het eigen vermogen als geheel. In enkele gevallen ontbreekt een mutatiestaat in zijn geheel. Mutaties (toevoegingen, onttrekkingen, vrijval) in reserves worden in een beperkt aantal gevallen in afwijking van algemeen aanvaarde grondslagen als resultaatbepaling in plaats van resultaatbestemming verwerkt. Een voorbeeld is het doteren aan reserves ten laste van de resultatenrekening (op dezelfde wijze als het doteren aan voorzieningen). Op deze wijze geeft het gepresenteerde resultaat minder inzicht in het resultaat van de bedrijfsvoering/exploitatie. Soms wordt een dergelijke afwijkende presentatie voorgeschreven in de regelgeving.

PRESENTATIES DIE AFWIJKEN VAN ALGEMEEN AANVAARDE GRONDSLAGEN

In de jaarrekeningen van enige universiteiten wordt – vóór resultaatbestemming – gedoteerd aan de «vervangingsreserve onroerende goederen». Doordat deze toevoegingen aan deze bestemmingsreserve als lasten worden gepresenteerd (resultaatbepaling), valt het gepresenteerde resultaat lager uit dan wanneer deze toevoegingen, conform algemeen aanvaarde grondslagen, uit het resultaat (resultaatbestemming) zouden hebben plaatsgevonden. Deze afwijkende werkwijze, waarmee het gepresenteerde resultaat beïnvloed kan worden, is expliciet opgenomen in de verslaggevingsrichtlijnen voor universiteiten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Bij de voorgenomen wijziging van deze richtlijnen zal deze werkwijze geschrapt worden.

Bij de TU Delft is het effect op het resultaat, met name in 1996, groot: het gepresenteerde resultaat is in 1996 f 11 miljoen; gecorrigeerd zou dit resultaat f 68 miljoen bedragen. In 1997 zijn deze bedragen f 12 respectievelijk f 34 miljoen. Met ingang van 1998 heeft de TU Delft, vooruitlopend op wijziging van de voorschriften, deze werkwijze verlaten en de vervangingsreserve geheel vrij laten vallen en toegevoegd aan de algemene reserve.

5.3.2 Voorzieningen

Voor de presentatie en toelichting van voorzieningen zijn in de algemeen aanvaarde grondslagen meer aangrijpingspunten te vinden dan voor het eigen vermogen. De bepalingen omtrent voorzieningen in Titel 9 en de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving zijn in hun geheel toepasbaar op instellingen op afstand van het rijk. De variatie in presentatie en toelichting van voorzieningen is dan ook geringer dan bij het eigen vermogen. De voorzieningen worden over het algemeen voldoende gespecificeerd en onderscheiden naar aard. Meestal worden voorzieningen van materieel belang voldoende nauwkeurig omschreven en wordt aard en doel van de betreffende voorziening voldoende toegelicht. In sommige gevallen blijft de toelichting echter beperkt tot de belangrijkste voorzieningen. De meeste instellingen nemen een mutatiestaat per voorziening (sluitend overzicht van beginsaldo, dotaties, onttrekkingen, vrijval en eindsaldo) op in de toelichting. In enkele gevallen ontbreekt een mutatiestaat.

De afbakening tussen de componenten eigen vermogen (met name bestemmingsreserves) en voorzieningen is echter niet altijd even duidelijk. Onder de voorzieningen komen soms posten voor waarvan betwijfeld moet worden of zij wel voldoen aan de algemeen aanvaarde voorwaarden voor vorming van een voorziening. Ook komen opmerkelijke voorzieningen voor, waarbij het vormen van een oordeel over de aanvaardbaarheid op grond van de in de jaarrekening opgenomen informatie moeilijk is. In die gevallen kan ook niet getoetst worden of het gaat om oneigenlijke voorzieningen (met het karakter van een bestemmingsreserve) ter deflattering van het eigen vermogen.

VOORZIENING OF BESTEMMINGSRESERVE?

TNO voert al vele jaren een «voorziening bedrijfsrisico’s» op, waarvan de dotaties en vrijval als lasten respectievelijk baten in de resultatenrekening worden verwerkt. De mutaties in dit fonds beïnvloeden dus het gepresenteerde resultaat. Aangezien het een fonds voor algemene technische en economische bedrijfsrisico’s betreft, wordt niet voldaan aan de voorwaarden voor vorming van een voorziening (specifieke risico’s). TNO heeft deze«voorziening» gebaseerd op artikel 22 van de TNO-wet (1985), waarin echter gesproken wordt over de mogelijkheid van vorming van financiële reserves, en passages in een rapport uit 1980 van de Commissie Toekomstige Financiering TNO. Zowel het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen als de externe accountant van TNO hebben gewezen op het reservekarakter van dit fonds. TNO heeft toegezegd deze post na 1999 om te zetten in een bestemmingsreserve. Dit is inmiddels ook voorgeschreven in de eind 1999 uitgevaardigde verslaggevingsrichtlijnen.

Ook hadden de belangrijkste voorzieningen in de jaarrekening 1997 van de KNAW en de NWO het karakter van een bestemmingsreserve. Zo werden bij de KNAW voorzieningen voor investeringen in nieuwbouw en voor ontvangen, maar nog niet bestede subsidiegelden gevormd. In de jaarrekening 1998 van de KNAW zijn deze oneigenlijke voorzieningen omgezet in bestemmingsreserves.

Bijna driekwart van de instellingen geeft in de toelichting niet aan welk deel van de voorzieningen langlopend van karakter is. Mutaties in voorzieningen worden over het algemeen wel conform algemeen aanvaarde grondslagen verwerkt in de resultatenrekening.

5.3.3 Egalisatierekeningen

Egalisatierekeningen voor ontvangen investeringsbijdragenkomen in een beperkt aantal gevallen voor (bijvoorbeeld politieregio’s, academische ziekenhuizen, rijksmuseale instellingen, Informatie Beheer Groep, TNO en VSN). In een enkel geval worden deze posten niet apart gepresenteerd, zoals voorgeschreven in de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving, maar onder het eigen vermogen of de voorzieningen opgenomen.

5.3.4 Overige aspecten jaarrekeningen

Ongeveer een derde van de instellingen geeft in hun jaarrekening geen algemene beschouwing1 over hun vermogens- en liquiditeitspositie, waarin het bestuur bijvoorbeeld een oordeel geeft over de ontwikkeling van het eigen vermogen en de liquiditeit en een uiteenzetting geeft van het beleid ter zake. De Rekenkamer acht een dergelijke beschouwing uit het oogpunt van transparantie gewenst.

De materiële vaste activa worden bij het overgrote deel van de instellingen op historische grondslagen gewaardeerd. Bij de meeste instellingen zullen dus stille reserves (verschil actuele waarde en boekwaarde) voorkomen. Dit is op zichzelf geen probleem zo lang de actuele waarde2 in de jaarrekening wordt toegelicht. Dit blijkt meestal niet het geval. Bij clusters van instellingen is het ter wille van de vergelijkbaarheid van de in de jaarrekening gepresenteerde vermogenspositie wenselijk dat de materiële vaste activa op gelijksoortige wijze worden gewaardeerd, en dat hierover in de verslaggevingsvoorschriften specifieke bepalingen zijn opgenomen. De Rekenkamer constateerde dat de regelgeving ten aanzien van acht van de negen in de inventarisatie betrokken clusters deze wenselijke bepaling bevatte.

5.3.5 Accountantsverklaringen

De strekking van de accountantsverklaring is in het overgrote deel van de gevallen goedkeurend. Drie jaarrekeningen zijn voorzien van een accountantsverklaring met beperking. Een enkele jaarrekening is voorzien van een accountantsverklaring, waarin geen getrouw beeld-oordeel is opgenomen vanwege het feit dat de jaarrekening niet geheel is opgesteld conform bedrijfseconomische grondslagen (NWO). Vrijwel alle accountantsverklaringen bevatten een oordeel over de naleving van de algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving. Waar dat voorgeschreven is bevatten de accountantsverklaringen oordelen over naleving van de geldende verslaggevingsregelgeving en/of subsidie- of bekostigingsbepalingen. Vrijwel altijd is dit rechtmatigheidsoordeel positief. De accountantsverklaringen bevatten (zoals gebruikelijk) geen afzonderlijke oordelen over de naleving van voorschriften voor presentatie en toelichting van eigen vermogen en voorzieningen.

5.4 Aspect vermogensvorming in begrotingen

5.4.1 Voorschriften voor begrotingen

De regelgeving voor het inzicht dat begrotingen moeten geven in ontwikkelingen in eigen vermogen en voorzieningen verschilt sterk. In de meeste gevallen wordt voorgeschreven dat in de begroting ramingen van reserves en voorzieningen moeten worden opgenomen en toegelicht.

VOORBEELDEN VOORSCHRIFTEN VOOR BEGROTINGEN

Zo is in het Besluit Comptabele Regelgeving Regionale Politiekorpsen (BCRRP) voor politieregio’s voorgeschreven dat begroting en meerjarenraming inzicht dienen te verschaffen in de ontwikkeling van de vermogenspositie en een geprognosticeerde balans, voorzien van toelichtingen (inclusief overzichten van reserves en voorzieningen), dienen te bevatten. Universiteiten (en de KNAW) dienen, volgens de Richtlijnen verslag (jaarrekening) en begroting voor instellingen van wetenschappelijk onderwijs, het begrote verloop van de algemene reserve en de afzonderlijke voorzieningen in een sluitend overzicht weer te geven, conform voorgeschreven modellen.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is niet bevoegd voorschriften voor inrichting van de begroting voor TNO uit te vaardigen. Voor de NWO is wel voorgeschreven dat het verwachte verloop van reserves en voorzieningen moet worden toegelicht.

Slechts in de helft van de onderzochte gevallen is geregeld dat aan de begrotingen die aan de betreffende ministers moeten worden overlegd ook een financiële meerjarenraming wordt toegevoegd. Daarnaast wordt slechts in een beperkt aantal gevallen in de regelgeving een onderbouwd meerjarig investeringsplan verlangd. De Rekenkamer is van mening dat voor een goede beoordeling van de aanvaardbaarheid van de vermogensvorming inzicht in het financiële meerjarenperspectief en de noodzakelijke investeringen op langere termijn noodzakelijk is.

5.4.2 Presentatie en toelichting in begrotingen

De Rekenkamer constateerde dat niet in alle in de diepte onderzochte gevallen in begrotingen prognoses van het eigen vermogen en de voorzieningen worden opgenomen. In de begrotingen ligt het accent op prognoses van het resultaat (baten, lasten en resultaat) en in mindere mate op prognoses van het vermogen (activa en passiva). Waar wel prognoses ter zake worden opgenomen, wordt de voorgenomen vorming en aanwending vaak summier of in het geheel niet verder toegelicht. Enkele instellingen besteden in de begrotingen aandacht aan beleidsmatige uitgangspunten voor vermogensvorming.

VOORBEELD PRESENTATIE EIGEN VERMOGEN IN BEGROTING

De begroting 1999 van de politieregio Groningen voorziet dat na beëindiging van de tijdelijke extra bijdragen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het eigen vermogen zal afnemen doordat de dan voorziene exploitatietekorten gedekt zullen moeten worden door onttrekkingen aan het eigen vermogen. Afschrijvingen van de huisvesting (vrijval reserve waardeverschillen) kunnen dan niet meer volledig voor vervangingsinvesteringen worden gereserveerd. De begrote stand van het eigen vermogen bedraagt voor 31 december 1999 f 58 miljoen, terwijl de normomvang volgens het korps f 88 miljoen bedraagt. Ook de als zorgelijk omschreven solvabiliteit, voornamelijk bepaald door een langlopende lening van f 38 miljoen tegen een rente van 5,56%, zal op grond van de begrote balans tussen 1999 en 2002 nog verder verslechteren.

5.5 Scheiding publiek-privaat

Een groot aantal van de onderzochte instellingen verricht naast de wettelijke taken marktactiviteiten. Deze marktactiviteiten variëren van commerciële activiteiten los van de publieke activiteiten tot privaat gefinancierde activiteiten in het kader van de publieke taak. Voorbeelden van instellingen waarbij sprake is van het eerste geval zijn het Kadaster, omroepverenigingen, uitvoeringsinstellingen sociale zekerheid en ziekenfondsen. Van het tweede geval is sprake bij TNO, rijksmuseale instellingen en universiteiten. De publieke taken en private activiteiten en de hiermee samenhangende geldstromen kunnen administratief, organisatorisch of juridisch van elkaar gescheiden zijn.

PRIVAAT GEFINANCIERDE TAKEN IN HET KADER VAN DE PUBLIEKE TAAK

TNO verricht uit hoofde van haar wettelijke taak contractresearch ten behoeve van overheden, instellingen en ondernemingen (opdrachtfinanciering). Deze «private» activiteiten hebben volgens TNO dus een publiek karakter en worden met publieke en private middelen gefinancierd. Daarnaast verricht TNO in sterk toenemende mate puur commerciële activiteiten, het exploiteren van «uitontwikkelde kennis» die niet meer in het kader van de publieke taak gebruikt worden.

De toenemende (financiële) zelfstandigheid van de universiteiten en de dalende eerste geldstroom doet het belang van opbrengsten uit werk voor derden (de derde geldstroom) voor de universiteiten toenemen. Er is dan ook een duidelijk streven naar verhoging van de derde geldstroom en intensivering van «commerciële» activiteiten (de ondernemende universiteit). Ook wordt gezocht naar samenwerkingsverbanden en strategische allianties met (nationale en internationale) instellingen op het gebied van het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek en het bedrijfsleven.

Uit het onderzoek bleek dat de meeste instellingen in de resultatenrekening een scheiding aanbrengen tussen de publieke middelen en de private inkomsten. Een scheiding tussen het met publieke en private middelen opgebouwde deel van het eigen vermogen komt echter nauwelijks voor. De Rekenkamer merkt op dat door het ontbreken van deze scheiding er geen inzicht is in de herkomst van de opgebouwde reserves.

VARIATIES IN SCHEIDING PUBLIEK-PRIVAAT

Bij de TU Delft vindt scheiding tussen het publieke en private deel van het eigen vermogen gedeeltelijk plaats: overschotten op derde geldstroomactiviteiten worden toegevoegd aan de fondsen voor de wetenschapsbeoefening. Er is echter geen volledige administratieve scheiding van publieke en private geldstromen en geen organisatorische of juridische afscheiding van commercieel getinte activiteiten.

Door middel van aparte presentatie van de fondsen door de KNAW wordt afzonderlijk inzicht in het publieke en het private deel van het eigen vermogen geboden. De KNAW verricht geen commerciële activiteiten en het beleid is erop gericht om alle inkomsten aan te wenden voor de uitoefening van de wettelijke taken. Er wordt daarom geen scheiding aangebracht tussen private en publieke geldmiddelen.

Bij NWO kunnen ontvangsten van derden (subsidies en bijdragen) worden onderscheiden van de publieke gelden, maar er is geen scheiding tussen het publieke en private deel van het eigen vermogen. Private inkomsten worden toegevoegd aan de fondsen. NWO zal vanaf 1998 de opbrengsten van activiteiten van derden afzonderlijk zichtbaar maken in de jaarrekening.

Een scheiding tussen het publieke en private deel van het eigen vermogen komt voor bij het Kadaster (die de private activiteiten organisatorisch en juridisch heeft afgescheiden) en de Stichting Reclassering Nederland (waarbij alleen sprake is van een administratieve scheiding tussen publieke en private geldstromen). Bij de omroepverenigingen zijn de private eigen vermogens sinds 1993 gemaximeerd en dienen de netto-opbrengsten uit nevenactiviteiten en verenigingsactiviteiten te worden aangewend voor de (publieke) hoofdtaak, het verzorgen van het programma. Het publieke deel van het eigen vermogen wordt op de balans gescheiden opgevoerd als reserve programmadoeleinden.

VOORBEELD GESCHEIDEN PRESENTATIE PUBLIEK EN PRIVAAT VERMOGEN

De reclasseringswerkzaamheden in Nederland worden uitgevoerd door een in 1994 opgerichte en door de minister van Justitie als zodanig erkende landelijke stichting, de Stichting Reclassering Nederland. In de exploitatierekening van deze stichting worden de diverse subsidie-inkomsten en de eigen inkomsten afzonderlijk gepresenteerd. Eigen inkomsten bestaan uit opbrengsten van de huisdrukkerij, boekwinsten van verkochte eigendomspanden, baten uit geïnvesteerd eigen vermogen en ontvangen bijdragen van derden. Op de balans wordt het eigen vermogen van de stichting (de met andere dan rijkssubsidie opgebouwde reserves, voornamelijk belegd in eigendomspanden) eveneens afzonderlijk gepresenteerd. De met subsidie van het Ministerie van Justitie aangekochte, verbouwde en ingerichte panden worden op de balans gepresenteerd als latente verplichtingen aan het Ministerie van Justitie. Hierdoor wordt duidelijk welk deel van het eigen vermogen bij een eventuele intrekking van de erkenning weer aan het rijk zou toevallen.

5.6 Conclusies en aanbevelingen

De Rekenkamer concludeert dat bij het merendeel van de onderzochte (clusters van) instellingen de verslaggevingsregelgeving grotendeels gebaseerd is op de algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving (met name Titel 9 en Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving). Daarmee voldoet deze regelgeving grotendeels aan wat wenselijk is om inzicht te krijgen in de vermogensvorming. In enkele gevallen wijken specifieke verslaggevingsvoorschriften echter, al dan niet beredeneerd, af van deze algemeen aanvaarde grondslagen. Het komt in een enkel geval ook voor dat regelgeving voor verslaggeving op het punt van eigen vermogen en voorzieningen nagenoeg ontbreekt. De door de Rekenkamer wenselijk geachte aanvullende voorschriften voor presentatie en toelichting van met name het eigen vermogen ontbraken in veel gevallen.

De variatie in presentatie en toelichting van eigen vermogen en voorzieningen in de jaarrekeningen van de onderzochte instellingen is groot. Ook binnen clusters van instellingen constateert de Rekenkamer een grote variatie in de wijze van presenteren. Het inzicht dat de jaarrekeningen bieden in eigen vermogen en voorzieningen voldoet in de meeste gevallen aan de eisen zoals vastgelegd in de algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving, maar kan wel op punten verbeterd worden.

Het gaat bij de verbetering van verslaggeving door instellingen en aanvullende regelgeving met name om:

• de afbakening tussen bestemmingsreserves en voorzieningen;

• het voldoende specificeren van de reserves en voorzieningen;

• het toelichten van aard, doel en functies van de posten;

• het geven van inzicht in de mate van bestemming van de reserves;

• het toelichten van de vorming en aanwending van de posten (opnemen van mutatiestaten);

• het aangeven van het langlopende deel van de voorzieningen;

• het hanteren van een zuiver onderscheid tussen resultaatbepaling en resultaatbestemming;

• het toelichten van (verwachte ontwikkelingen in) de vermogens- en liquiditeitspositie.

De materiële vaste activa worden bij het overgrote deel van de instellingen op historische grondslagen gewaardeerd. Bij veel instellingen zullen dus stille reserves voorkomen. De actuele waarde wordt in de jaarrekening meestal niet toegelicht. De Rekenkamer acht dit wel gewenst.

Ook de presentatie en toelichting van prognoses van het eigen vermogen en de voorzieningen in de begrotingen kan op onderdelen verbeterd worden. De regelgeving op dit punt varieert sterk. Voor het bieden van inzicht in de voorgenomen vorming en aanwending van eigen vermogen en voorzieningen in de begrotingen zou de regelgeving in zekere mate uitgebreid moeten worden. Gedacht kan worden aan het voorschrijven van geprognosticeerde balansen, voorzien van toelichtingen op verwachte mutaties in de omvang van de reserves en voorzieningen, meerjarenramingen en investeringsplannen.

Een groot aantal van de onderzochte instellingen verricht marktactiviteiten naast de wettelijke taak. Scheiding tussen het publieke en private deel van het eigen vermogen komt echter nauwelijks voor. Volgens de Rekenkamer is meer aandacht nodig voor de risico’s van het weglekken van publieke middelen naar private activiteiten via vermogensvorming. Zij beveelt aan van geval tot geval te beoordelen wat mogelijk en wenselijk is om de scheiding publiek-privaat in vermogens vorm te geven.

De Rekenkamer beveelt uit oogpunten van transparantie en vergelijkbaarheid aan de verslaggevingsregelgeving voor instellingen uit te breiden en deze regelgeving zoveel mogelijk te uniformeren.

6 LENEN, BELEGGEN EN UITLENEN

6.1 Inleiding

Nauw verbonden met het onderwerp vermogensvorming zijn de thema’s:

• aantrekken van langlopend vreemd vermogen (lenen);

• al dan niet risicovol beleggen van overtollige liquide middelen;

• uitlenen van liquide middelen aan derden.

De Rekenkamer heeft op basis van de jaarrekeningen onderzocht in hoeverre sprake is van lenen, beleggen en uitlenen door instellingen op afstand van het rijk en welke regelgeving hiervoor geldt. Tevens is onderzocht in welke mate de jaarrekeningen inzicht geven in deze aspecten en met name in de mate van risico dat daarmee gelopen wordt. In bijlage 9 is een cijferoverzicht opgenomen.

6.2 Lenen

In verband met de financieringsbehoefte van instellingen speelt vaak de principiële vraag of een instelling haar bedrijfsmiddelen (activa) volledig dient te financieren met eigen vermogen dan wel (gedeeltelijk) met lang vreemd vermogen. Enkele overwegingen die een rol kunnen spelen bij het beantwoorden van deze vraag zijn opgenomen in de handreiking (bijlage 1).

Onderzocht is in hoeverre regelgeving bestaat op dit punt en in welke mate het aangaan van leningen voorkomt.

Over het aantrekken van vreemd vermogen blijkt bij minder dan de helft van de onderzochte (clusters van) instellingen (dertien van de dertig) een bepaling in de regelgeving te zijn opgenomen. In twee gevallen is expliciet vastgelegd dat er geen (langlopende) leningen afgesloten mogen worden en dat alleen tijdelijke kredieten in rekening-courant opgenomen mogen worden ter overbrugging van tijdelijke kastekorten. In zes gevallen is voor het aangaan van leningen expliciete toestemming van de verantwoordelijke bewindspersoon vereist. In de vijf overige gevallen behelzen de bepalingen over het aantrekken van vreemd vermogen niet of nauwelijks voorwaarden of beperkingen. De Rekenkamer constateert dat in verreweg de meeste gevallen geen of nauwelijks beperkingen zijn gesteld aan het aangaan van leningen door instellingen.

In de praktijk verschilt de mate waarin door instellingen geleend wordt aanzienlijk. Figuren 4 en 5 geven een beeld.

kst-27066-2-4.gifkst-27066-2-5.gif

Op grond van een analyse van de cijfers uit de door 178 onderzochte instellingen gepubliceerde jaarrekeningen constateert de Rekenkamer dat in 1997 circa 60% van de instellingen leningen op lange termijn hadden. Hierbij gaat het om een totaalbedrag aan langlopende schulden van f 6,5 miljard. Over de periode 1995–1997 laten de cijfers een toename in deze schulden zien van f 5,8 miljard (175 instellingen) naar f 6,5 miljard (178 instellingen), een stijging van circa 8%. De clusters met de grootste schuldenlast zijn in 1997 de academische ziekenhuizen (f 2,4 miljard) en hogescholen (f 1,6 miljard); de individuele instellingen met de grootste langlopende schulden zijn FMO (f 795 miljoen), Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieprodukten (f 650 miljoen) en VSN (f 409 miljoen). Bij de hogescholen hangt de toename in omvang van langlopende leningen (van f 1,2 miljard in 1995 naar f 1,6 miljard in 1997) hoofdzakelijk samen met de stijging van de omvang van de materiële vaste activa. De hogescholen hebben bij de financiële verzelfstandiging het onroerend goed tegen overdracht van waarde ontvangen en hebben daartoe leningen moeten afsluiten. De academische ziekenhuizen beschikken over veel materiële vaste activa, die voor een groot deel gefinancierd zijn met vreemd vermogen.

De FMO heeft het vreemd vermogen nodig voor de financiering van ontwikkelingsprojecten, het Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieprodukten voor de financiering van de strategische aardolievoorraad en de VSN ter financiering van de materiële vaste activa. Bij een aantal instellingen is geen sprake van leningen. Dit betreft voor een deel instellingen die per definitie geen vreemd vermogen nodig hebben, zoals de beheerders van de fondsen, Waarborgfonds Motorverkeer, College van Zorgverzekeringen en Stichting uitvoering omslagregelingen.

Op grond van de financiële vooruitzichten van de onderzochte instellingen is de verwachting dat de toename in het aangaan van langlopende leningen zich ook in de toekomst zal voortzetten. Hierbij gaat het dan vooral om leningen ter financiering van huisvestingsinvesteringen, maar soms ook ter (voor)financiering van de exploitatie.

TOENEMENDE BEHOEFTE AAN VREEMD VERMOGEN

Voorbeelden van instellingen waar met name een toenemende behoefte aan vreemd vermogen bestaat zijn universiteiten, politieregio’s en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Zo blijkt de Universiteit Leiden bijvoorbeeld als gevolg van investeringsplannen, die grote financiële consequenties hebben en niet geheel met eigen liquide middelen gefinancierd kunnen worden, reeds in 1999 een aanzienlijk bedrag aan vreemd vermogen te moeten aantrekken.

Een vrij groot aantal (11 van de 25) politieregio’s is in de periode 1995 tot en met 1997 langlopende leningen aangegaan. Er is sprake van een aanzienlijke toename in de hoogte van de langlopende schulden bij het cluster politieregio’s van f 99 miljoen in 1995 naar f 235 miljoen in 1997. Voor zover uit de jaarrekeningen achterhaald kan worden blijken de langlopende schulden met name samen te hangen met de financiering van de huisvesting.

Als gevolg van liquiditeitsproblemen (negatief eigen vermogen) heeft de Arbeidsvoorzieningsorganisatie behoefte aan leningen ter financiering van onder meer investeringen in vaste activa en van automatiseringsprojecten. Daarnaast heeft de Arbeidsvoorzieningsorganisatie veel geld nodig ter financiering van het werkkapitaal en de vordering op het ESF. Externe financiers blijken in de praktijk niet zo snel bereid tot kredietverstrekking aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, omdat er formeel geen overheidsgarantie is.

6.3 Beleggen

Een gevolg van reservevorming, in het bijzonder ten behoeve van voorgenomen investeringen, is dat (al dan niet tijdelijk) overtollige financiële middelen voor kortere of langere tijd in effecten kunnen worden belegd. Verschillende beleggingsmogelijkheden met een verschillend risico zijn te onderkennen. Een globaal onderscheid is dat tussen enerzijds obligaties en andere vastrentende waardepapieren (beperkte mate van risico) en anderzijds aandelen en andere niet-vastrentende waardepapieren (hogere mate van risico).

Onderzocht is in hoeverre regelgeving bestaat op dit punt en in welke mate (risicovol) beleggen voorkomt.

Van de 30 onderzochte (clusters van) instellingen is in drie gevallen een bepaling in de regelgeving opgenomen over liquiditeitenbeheer waaronder beleggingen op langere termijn. Dit zijn de Raden voor Rechtsbijstand, het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers en de Stichting Reclassering Nederland.

In het financieel reglement van de Raden voor Rechtsbijstand is bepaald dat liquiditeiten hoog rentend en optimaal veilig belegd moeten/mogen worden. Voor het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers en de Stichting Reclassering Nederland geldt dezelfde bepaling. Bij de overige 27 instellingen en clusters van instellingen zijn geen voorschriften op dit punt aangetroffen. Bij NWO zijn thans geen bepalingen ten aanzien van liquiditeitenbeheer in wet- en regelgeving vastgelegd, maar zijn wel richtlijnen ter zake in ontwikkeling.

De Rekenkamer heeft in kaart gebracht in hoeverre liquide middelen door instellingen op korte en lange termijn worden belegd en in hoeverre daarbij risicovol wordt belegd. Figuren 6 en 7 geven hiervan een beeld.

kst-27066-2-6.gifkst-27066-2-7.gif

Uit het onderzoek bleek dat niet alle instellingen hun beleggingen in de jaarrekening zodanig specificeren dat inzicht in bovengenoemde aspecten, met name het inzicht in de mate van risicovol beleggen, verkregen kan worden. Genoemde totaalbedragen zijn goede benaderingen van de werkelijke totaalbedragen.

Onder de kortlopendevlottende activa (looptijd < 1 jaar) hebben de onderzochte 178 instellingen in 1997 volgens de jaarrekeningen in totaal f 6,5 miljard aan liquide middelen en (kortlopende) effecten gepresenteerd. Ultimo 1995 was dit nog f 5,8 miljard (175 instellingen), een duidelijke toename van circa 11%. Grote toenamen (zowel absoluut als relatief) deden zich voor bij de cluster universiteiten (stijging van f 380 miljoen ofwel 28%), het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting (f 262 miljoen, 65%) en de FMO (f 170 miljoen, 210%).

Van de f 6,5 miljard betreft het overgrote deel, f 5,3 miljard, risicoloze liquide middelen (kas, bank, giro; inclusief kortlopende deposito’s). De overige f 1,2 miljard betreft kortlopende beleggingen/effecten. Van f 40 miljoen hiervan geven de jaarrekeningen onvoldoende inzicht in de samenstelling, waardoor onduidelijk is in hoeverre hier risicovol belegd wordt. Van het restant van f 1 205 miljoen wordt verreweg het grootste deel, f 1 163 miljoen (97%), belegd in obligaties en vergelijkbare vastrentende waardepapieren (beperkt risico) en f 42 miljoen (3%) in risicovolle aandelen en andere niet-vastrentende waardepapieren.

Onder de langlopende financiële vaste activa (looptijd > 1 jaar) hebben de onderzochte instellingen in 1997 daarnaast in totaal f 3,5 miljard aan langlopende beleggingen gepresenteerd. Ultimo 1995 was dit nog f 1,7 miljard, een ruime verdubbeling. Grote toenamen (absoluut en relatief) deden zich hier voor bij de cluster ziekenfondsen (f 1,2 miljard, 142%), het Kadaster (f 230 miljoen, 54%) en de FMO (f 128 miljoen, 197%). Ultimo 1997 belegde ruim 20% van de onderzochte instellingen op lange termijn. Ook hier geldt dat niet in alle gevallen inzicht in de samenstelling van deze beleggingen wordt gegeven.

Van de langlopende beleggingen betreft f 456 miljoen risicoloze langlopende deposito’s en f 279 miljoen aan derden uitgegeven leningen, die door de instellingen als beleggingen worden gepresenteerd, maar een afwijkend karakter (verstrekte leningen in plaats van effecten) hebben. Van de overige f 2,8 miljard aan langlopende beleggingen is het overgrote deel, f 2 miljard, in obligaties en dergelijke (beperkt risico) belegd, en f 397 miljoen in risicovolle aandelen en dergelijke. Een restpost van f 349 miljoen omvat niet-gespecificeerde en gemengde beleggingen.

De Rekenkamer constateert dat de onderzochte instellingen op zeer gevarieerde wijze omgaan met liquiditeiten; variërend van geheel aanhouden in liquide middelen tot grotendeels beleggen in al dan niet risicovolle effecten.

VAN NIET BELEGGEN TOT LANGLOPEND BELEGGEN

Een voorbeeld van een instelling die niet mag beleggen is de Sociale Verzekeringsbank (in 1997 f 1,6 miljard liquide middelen). De liquiditeiten worden in rekening courant gehouden bij het Ministerie van Financiën (Geïntegreerd Middelenbeheer). Dit geldt ook voor andere sociale fondsen die door de uitvoeringsinstellingen SFB, GAK en CADANS worden beheerd. Deze uitvoeringsinstellingen mochten hun eigen middelen (f 432 miljoen in 1997) daarentegen wel beleggen, maar maakten van deze mogelijkheid geen gebruik.

Voorbeelden van instellingen met veel liquide middelen die niet of nauwelijks worden belegd zijn het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (f 245 miljoen liquide middelen en geen beleggingen) en de TU Delft (f 233 miljoen liquide middelen en f 2 miljoen beleggingen). De TU Delft overweegt het rendement te verbeteren met meer lange termijn beleggingen.

Voorbeelden van instellingen die veel kortlopend beleggen zijn het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting (f 615 miljoen van de f 666 miljoen in obligaties), TNO (f 143 miljoen van de f 208 miljoen in obligaties) en de Katholieke Universiteit Nijmegen (f 106 miljoen van de f 183 miljoen grotendeels in obligaties en deels in aandelen). Langlopende beleggingen komen veel voor bij ziekenfondsen. Andere uitschieters zijn het Kadaster (f 657 miljoen in obligaties), de FMO (f 143 miljoen in obligaties) en de AVRO (f 71 miljoen grotendeels in obligaties en deels in aandelen en deposito’s).

Recapitulerend zijn de liquide middelen en (kort- en langlopende) beleggingen van de onderzochte instellingen toegenomen van f 7,5 miljard ultimo 1995 (175 instellingen) tot f 10 miljard ultimo 1997 (178 instellingen), een stijging van circa 31%. Van deze f 10 miljard wordt ten minste f 439 miljoen (ruim 4%) risicovol in aandelen belegd. Verder wordt (ten minste) f 3,2 miljard (32%) in obligaties (beperkt risico) belegd en f 5,8 miljard (57%) risicoloos in kas-, bank- en girogelden (inclusief kort- en langlopende deposito’s) aangehouden. Van f 389 miljoen wordt in de jaarrekeningen niet aangegeven om welke beleggingsvorm het gaat en f 279 miljoen betreft uitgegeven leningen.

De Rekenkamer constateert dat de onderzochte instellingen overwegend voorzichtig beleggen. Van het totaal van de beleggingen (exclusief de liquide middelen) is ultimo 1997 ten minste 9% belegd in aandelen en 67% in obligaties. Verreweg het grootste deel van beleggingen in aandelen komt voor rekening van (tien) ziekenfondsen. Daarnaast belegden vier universiteiten, drie omroepverenigingen, één hogeschool, één rijksmuseale instelling en één academisch ziekenhuis in 1997 in aandelen. Dit beeld is verkregen op basis van een analyse van de jaarrekeningen. Deze geven op zichzelf niet altijd een volledig inzicht in de stand van zaken en geven naar hun aard (momentopname) ook geen informatie over hoe gedurende het boekjaar met kasoverschotten wordt omgesprongen.

VOORBEELD BELEGGINGSACTIVITEITEN

De politieregio Amsterdam-Amstelland belegde haar liquide middelen deels risicovol. Met ingang van juli 1996 belegde de politieregio bij de ABN AMRO Bank via een zgn. asset-management constructie. Hierbij werd f 120 miljoen beheerd voor twee jaar met een hoofdsomgarantie. Van de f 120 miljoen werd f 110 miljoen veilig in deposito’s belegd en het restant van f 10 miljoen risicovol belegd in indexopties. Het resultaat over twee jaar bedroeg f 38 miljoen, zo’n 15% per jaar. Met ingang van juli 1998 wordt met f 100 miljoen in een soortgelijke constructie belegd (het beleggen in opties gebeurt nu niet meer voor eigen rekening maar door deelname in het ABN AMRO internationaal derivatenfonds). De hoofdsomgarantie houdt in dat in het slechtste geval een beleggingsresultaat van 0% wordt gerealiseerd.

6.4 Uitlenen

Het uitlenen van (al dan niet overtollige) gelden aan derden behoort in een aantal gevallen tot (of ligt in het verlengde van) de primaire taak van een instelling. Het uitlenen van gelden kan ook een beleggingskarakter hebben.

Onderzocht is in hoeverre regelgeving bestaat op dit punt en in welke mate uitlenen voorkomt. Niet onderzocht is in hoeverre dit uitlenen in het kader van de wettelijke taak plaatsvindt en of het risicovolle transacties betreft.

De Rekenkamer constateert dat regelgeving over het uitlenen aan derden bij de onderzochte instellingen in de meeste gevallen ontbreekt. Tevens stelt zij op grond van analyse van de jaarrekeningen vast dat er vaak leningen aan derden worden verstrekt en dat het in totaal om aanzienlijke bedragen gaat. Figuren 8 en 9 geven hiervan een beeld.

kst-27066-2-8.gifkst-27066-2-9.gif

Onder de financiële vaste activa is bij de onderzochte instellingen in 1997 een bedrag van f 2,2 miljard aan uitgegeven leningen opgenomen. Hiervan is f 279 miljoen als langlopende belegging gepresenteerd (zie hiervoor). Van de f 2,2 miljard betreft ruim f 1,5 miljard leningen van organisaties waarbij het verstrekken van leningen tot de primaire taak behoort of in het verlengde van de taak ligt, zoals de FMO en de Novem. Van de resterende f 512 miljoen is f 147 miljoen aantoonbaar aan gelieerde instellingen uitgeleend en heeft f 279 miljoen, gezien de presentatie, het karakter van een belegging. Van de overige f 86 miljoen kon de Rekenkamer niet vaststellen of het al dan niet leningen aan gelieerde instellingen of leningen met een beleggingskarakter betrof.

VOORBEELDEN VAN AANZIENLIJKE UITGEGEVEN LENINGEN

Instellingen in 1997 met aanzienlijke uitgegeven leningen als belegging gepresenteerd zijn bijvoorbeeld de Hogeschool West-Brabant (f 41 miljoen) en het ziekenfonds Zilveren Kruis Spaarneland (f 47 miljoen).

6.5 Conclusies en aanbevelingen

Voor het aangaan van langlopende leningen geldt slechts bij een minderheid van de onderzochte (clusters van) instellingen enige regelgeving. Tegelijkertijd sluiten de onderzochte instellingen in toenemende mate langlopende leningen op de kapitaalmarkt af ter dekking van de financieringsbehoefte.

Ook voor het beleggen van liquide middelen door de onderzochte (clusters van) instellingen gelden nauwelijks voorschriften, terwijl het totaal aan liquide middelen en (kort- en langlopende) beleggingen van de onderzochte instellingen in de periode 1995–1997 met circa 31% is gestegen tot f 10 miljard. De langlopende beleggingen zijn verdubbeld. De onderzochte instellingen beleggen weliswaar overwegend voorzichtig, maar in 1997 is tenminste 9% (f 439 miljoen) van de beleggingen – grotendeels door ziekenfondsen – risicovol belegd in aandelen.

De Rekenkamer acht het gewenst dat beleid en regelgeving voorzien in bepalingen voor lenen, beleggen en uitlenen door de instellingen. Zij denkt aan regelgeving waarin:

• geregeld wordt of instellingen wel of niet substantiële leningen mogen aangaan;

• voorgeschreven wordt dat overtollige liquide middelen renderend, maar met een beperkt risico worden belegd;

• wordt opgenomen dat het verstrekken van leningen aan derden in principe in het verlengde van de publieke taak dient te liggen.

De Rekenkamer acht het verder gewenst dat de instellingen in hun jaarrekeningen inzicht geven in de samenstelling van de beleggingen en de uitgegeven leningen en de mate van risico die hieraan is verbonden. Gebleken is dat niet alle instellingen hun jaarrekening zodanig specificeren dat inzicht hierin verkregen kan worden. De Rekenkamer beveelt de ministers aan regelgeving op dit punt te overwegen.

Voor agentschappen is per 1 januari 1999 een leen- en depositofaciliteit in werking getreden. Dit houdt in dat het Ministerie van Financiën voor agentschappen en overige zogenaamde «baten/lastendiensten» van het rijk, als (enige) bankier fungeert, waarbij overtollige middelen kunnen worden belegd en leningen kunnen worden aangevraagd. Een vergelijkbare regeling is reeds per 1 januari 1997 ingevoerd voor de sociale fondsen, in de vorm van het geïntegreerd middelenbeheer. Het instellen van een soortgelijke leen- en depositofaciliteit voor (bepaalde) instellingen op afstand van het rijk zou voordelen kunnen hebben. Het vermindert de risico’s van zowel lenen als beleggen en de kosten van lenen zouden lager kunnen zijn. Daar staan eventuele nadelen tegenover, zoals minder opbrengsten uit beleggen. Ook zal moeten worden afgewogen of de hiermee gepaard gaande inperking van de zelfstandigheid van de instellingen gewenst is.

7 SLOTBESCHOUWING

Ook in sectoren waar een vergaande financiële zelfstandigheid van op afstand van het rijk geplaatste instellingen in wet- en regelgeving is vastgelegd, blijft de ontwikkeling van de vermogenspositie van deze instellingen een zorg voor de rijksoverheid. Uit het onderzoek blijkt dat beleid op het gebied van vermogensvorming in veel gevallen ontbreekt of nog onvoldoende ontwikkeld is. Bij slechts de helft van de onderzochte (clusters van) instellingen waarvoor dit relevant was bleken er in regelgeving of beleidsafspraken vastgelegde normen te zijn voor de omvang van het eigen vermogen. Aan de wel aangetroffen regelgeving of beleidsafspraken ontbraken doorgaans toelichtingen met een onderbouwing van de gemaakte keuzes, bijvoorbeeld voor een bepaald maximumvermogen, en bepalingen over hoe wordt omgegaan met overschrijdingen.

Hoewel een groot aantal van de onderzochte instellingen marktactiviteiten naast de wettelijke taak verricht, komt scheiding tussen het publieke en private deel van het eigen vermogen nauwelijks voor. Ook is er maar weinig regelgeving voor het aangaan van langlopende leningen, voor het uitlenen van geld en voor het beleggen van liquide middelen, terwijl de instellingen in toenemende mate geld lenen, uitlenen en beleggen.

De Rekenkamer acht het wenselijk dat het rijk alsnog een beleid ontwikkelt op het punt van vermogensvorming door instellingen op afstand van het rijk. Daarin zouden de verantwoordelijke ministers een standpunt moeten innemen over onder meer de grenzen waarbinnen het eigen vermogen van instellingen zich mag ontwikkelen en het omgaan met vermogensoverschotten, de mate waarin en voorwaarden waaronder instellingen vreemd vermogen mogen aantrekken of liquide middelen mogen beleggen of uitlenen, en de wenselijkheid van een scheiding tussen het publieke en het private deel van het eigen vermogen.

De Rekenkamer acht het van belang dat aan de begrenzing van vermogens een analyse van alle voor de instelling of cluster van instellingen relevante factoren voorafgaat. Bedrijfseconomische overwegingen waarbij de buffer- en financieringsfunctie van het eigen vermogen in ogenschouw worden genomen dienen daarbij een rol te spelen. Uiteindelijk gaat het echter om een bestuurlijke afweging tussen enerzijds het geven van de nodige beleidsvrijheid aan instellingen om reserves en voorzieningen te vormen voor het opvangen van bedrijfsrisico’s en ten behoeve van investeringen en anderzijds de mogelijkheid van het rijk om bij te sturen en het inbouwen van waarborgen dat publiek geld uiteindelijk efficiënt en effectief wordt ingezet voor de doelen waarvoor het ter beschikking is gesteld. In veel gevallen is het vaststellen van een bandbreedte in de vorm van een (gewenst) minimum en (aanvaardbaar) maximum voor reserves aan te bevelen. Duidelijkheid dient daarbij tevens te worden geschapen over de verdeling van risico’s verbonden aan de uitvoering van de publieke taak tussen rijksoverheid en instellingen.

Een belangrijk aspect bij het vaststellen van grenzen is de vraag of en in hoeverre instellingen investeringen met eigen dan wel vreemd vermogen (kunnen) financieren. Het uitgangspunt volledige financiering met eigen vermogen leidt in het algemeen tot hoge gewenste vermogens. Overwogen zou kunnen worden om bij het bepalen van de gewenste vermogenspositie uit te gaan van – een zekere mate van – financiering met vreemd vermogen. Dit zou gecombineerd kunnen worden met het instellen van een leen- en depositofaciliteit bij het Ministerie van Financiën voor (bepaalde) instellingen.

In het feit dat beleid op het gebied van vermogensvorming in veel gevallen ontbreekt, ziet de Rekenkamer een aanwijzing dat er bij de oprichting of verzelfstandiging van instellingen in het verleden niet altijd voldoende aandacht is geweest voor het aspect vermogensvorming. De Rekenkamer is van mening dat dit aspect bij toekomstige verzelfstandigingen meer aandacht moet krijgen. Het toetsingskader in het Rekenkamerrapport Financiële aspecten van verzelfstandigingen1 kan hierbij eveneens richting geven. De Rekenkamer vraagt in dit kader ook aandacht voor het vraagstuk van het eigendom van en de aanspraken op het eigen vermogen in geval van opheffing, fusie met een andere instelling, verkoop van een onderdeel dan wel faillissement van een instelling. Er zullen voldoende garanties moeten zijn dat met publiek geld in het kader van de uitvoering van een bepaalde publieke taak opgebouwde vermogens ten goede komen aan de desbetreffende publieke taak, dan wel terugvloeien naar het rijk.

Tot slot beveelt de Rekenkamer aan de ministers van Financiën en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan, bij de totstandkoming van een beleid inzake vermogensvorming een coördinerende rol te spelen. Het gaat daarbij met name om algemene regels voor verslaggeving, beleggen, lenen en uitlenen en het instellen van een leen- en depositofaciliteit voor (bepaalde) instellingen.

8 REACTIES EN NAWOORD

8.1 Inleiding

De Rekenkamer vroeg in februari 2000 de elf in het onderzoek betrokken ministers, vijf toezichthouders1 en de tien in het diepte-onderzoek betrokken instellingen2 om op het concept-rapport Vermogensvorming te reageren. Allen reageerden in de periode eind februari begin maart 20003. De minister van Financiën gaf mede namens de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en in afstemming met de overige ministers een kabinetsreactie (zie voor de volledige tekst van deze brief bijlage 2). Daarnaast stuurden alle ministers ook een eigen reactie. In dit hoofdstuk wordt een aantal hoofdpunten uit de reacties weergegeven, met een nawoord van de Rekenkamer. Verder zijn de reacties verwerkt in bijlage 3.

8.2 Positieve toon

De ministers, toezichthouders en besturen van instellingen blijken zich in algemene zin in de conclusies en aanbevelingen van de Rekenkamer te kunnen vinden. Volgens de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onderstreept het rapport het belang van een departementaal beleid ter zake van vermogensvorming in het algemeen. Gelet op de door de Rekenkamer gesignaleerde stand van zaken bij de beleidsvorming van de departementen, acht het kabinet het zinvol te investeren in deze algemene beleidsvorming en regelgeving.

8.3 Wel of geen algemene wettelijke regels

Uit de reacties bleek dat alle partijen het met de Rekenkamer eens zijn dat het onderwerp «vermogensvorming» aandacht moet krijgen bij de vormgeving van het toezichtsbeleid voor een instelling op afstand van het rijk. Het kabinet pleit daarbij voor maatwerk en voelt weinig voor algemene wettelijke regels voor vermogensvorming. Daarmee wordt de diversiteit van de instellingen te weinig recht gedaan. Het kabinet is dan ook niet van plan om in de komende Kaderwet ZBO’s algemene regels op te nemen voor de vermogensvorming van ZBO’s. Het is wel denkbaar om in de «Aanwijzingen ten behoeve van de wetgeving» op te nemen dat bij of krachtens de wet per ZBO regels over de vermogensvorming worden opgenomen.

Dezelfde bezwaren worden geuit waar het gaat om het opnemen van verslaggevingsregels in de Kaderwet. Het kabinet vindt het wel belangrijk dat de departementen de vermogensontwikkeling bij instellingen op afstand van het rijk goed monitoren via jaarrekeningen en (meerjaren)begrotingen, maar acht, gezien de grote diversiteit aan instellingen, alleen verslaggevingsregelgeving per cluster van instellingen haalbaar.

Nawoord Rekenkamer

Volgens de Rekenkamer sluiten algemene wettelijke regels het gewenste maatwerk niet uit4. Voor vermogensvorming denkt zij dan bijvoorbeeld aan een verplichting om een omschrijving van aard en functie van het vermogen van instellingen en een analyse van relevante factoren en risico’s te maken. Op basis daarvan kan in een overleg tussen de verantwoordelijke minister en de instellingen worden bepaald of en in hoeverre een begrenzing wenselijk is. De bevoegdheid van de minister om grenzen vast te stellen, dient naar het oordeel van de Rekenkamer in de wet te worden vastgelegd.

Voor verslaggeving is een aantal voorschriften toepasbaar op alle soorten instellingen (bijvoorbeeld voor het specificeren en toelichten van reserves en voorzieningen en het afbakenen van bestemmingsreserves en voorzieningen). Maatwerk is slechts vereist voor een beperkt deel van de verslaggevingsvoorschriften (bijvoorbeeld het voorschrijven van een verplichte indeling in soorten reserves of van toegestane soorten voorzieningen).

8.4 Begrenzing eigen vermogen

Ook het kabinet vindt dat de begrenzing van eigen vermogens een nuttig en noodzakelijk instrument kan zijn om het risico van ondoelmatig aanwenden of oppotten van collectieve middelen te voorkomen. Diverse bewindspersonen melden in hun reacties (voorgenomen) beleidsmaatregelen op dit punt. Voorbeelden zijn:

• een wijziging van de Politiewet 1993, waarmee het mogelijk wordt om regels te stellen voor (de omvang van) het vermogen van de politieregio’s;

• een nieuw bekostigingsstelsel en de randvoorwaarden voor een adequaat financieel beheer van het Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie (LSOP).

• de recente wijziging van de Ziekenfondswet, waarin is opgenomen dat bij ministeriële regeling een maximum aan de reserve ZFW van de ziekenfondsen wordt gesteld.

Enkele bewindspersonen geven aan dat nog overleg gaande is over het begrenzen van vermogens. Zo stelt de minister van VWS dat de discussie over de gewenste normering van academische ziekenhuizen het afgelopen jaar volop is doorgegaan. Op basis van de uitkomsten zal ook de vermogensvorming bij andere zorgsectoren onder de loep worden genomen.

De minister van OCenW is echter van mening dat het begrenzen van de vermogensvorming en ook het reguleren van beleggen en lenen van middelen in strijd is met de in de onderwijswetten neergeslagen sturingsfilosofie. Deze filosofie – meer autonomie voor de instellingen en sturing via verantwoording en toezicht op stelselniveau – impliceert wel kaderscheppende regelgeving, maar geen regelgeving die een onnodige beperking van de handelingsvrijheid van instellingen behelst. De minister geeft aan de financiële positie op stelsel- en instellingsniveau te monitoren en bij negatieve signalen mogelijk over te gaan tot bestuurlijke acties. Begrenzing van het vermogen bergt volgens hem het risico in zich van ongewenst strategisch gedrag bij de instellingen.

Nawoord Rekenkamer

Hoewel de minister van OCenW zegt de aanbeveling van de Rekenkamer niet over te nemen, heeft hij toch heel wat acties ondernomen die stroken met haar uitgangspunten. Zo heeft hij bij verschillende instellingen en clusters van instellingen analyses uitgevoerd van factoren en risico’s ter bepaling van het normatieve vermogen. Ook is vermogensvorming regelmatig onderwerp van overleg met deze instellingen. Het ligt volgens de Rekenkamer voor de hand de normatieve uitgangspunten op basis waarvan de monitoring en de eventuele bestuurlijke acties plaatsvinden voor betrokkenen te expliciteren en in beleidsregels vast te leggen. De zelfstandigheid van instellingen is er volgens de Rekenkamer mee gediend wanneer de minister zelf vooraf duidelijke grenzen stelt waarbinnen instellingen financiële handelingsvrijheid hebben. Het zou kunnen dat het in de specifieke omstandigheden van het onderwijsveld moeilijk is de bevoegdheid van de minister tot het begrenzen van reserves op korte termijn wettelijk te regelen. In dat geval beveelt de Rekenkamer aan dat de minister afhankelijk van de ervaring opgedaan met de monitoring op basis van expliciete normen in een later stadium eventueel tot nadere wetgeving overgaat.

Toezicht op stelselniveau behoeft naar de mening van de Rekenkamer regulering op instellingsniveau niet per definitie in de weg te staan. Zij kan zich voorstellen dat over de praktische invulling daarvan discussie mogelijk is. De spelregels moeten echter voor alle betrokken duidelijk zijn. De Rekenkamer vraagt zich in dat kader bijvoorbeeld af of de toezichtfilosofie betekent dat de minister niet ingrijpt bij (dreigend) faillissement van een instelling.

8.5 Scheiding publiek-privaat

Het kabinet is van plan om te bezien of en in welke mate een analyse van de risico’s van het weglekken van publieke middelen naar private activiteiten moet worden uitgevoerd. In een aantal reacties wordt gewezen op de complexiteit van het scheiden van het publieke en private deel van het eigen vermogen.

Nawoord Rekenkamer

De Rekenkamer erkent dat het aanbrengen van een scheiding in een privaat en publiek deel van het vermogen niet altijd eenvoudig is. Voorwaarde daarvoor is een consequente administratieve scheiding van publieke en private geldstromen, met een adequate toerekening van opbrengsten en kosten verbonden aan publieke taken en private activiteiten. De Rekenkamer dringt er op aan maatregelen te nemen zodat zoveel mogelijk aan deze voorwaarden wordt voldaan. De Rekenkamer wijst in dit verband ook op de beleidslijn naar aanleiding van de adviezen van de werkgroep Markt en Overheid inzake de scheiding van private en publieke taken en geldstromen.

8.6 Lenen, beleggen en uitlenen

De minister van Financiën schrijft dat thans in het kabinet overleg wordt gevoerd over een beleidslijn voor onder andere lenen, beleggen en uitlenen door instellingen op afstand van het rijk. Zodra het kabinet deze beleidslijn heeft geformuleerd, zullen de Tweede Kamer en de Algemene Rekenkamer hiervan op de hoogte worden gebracht. In ieder geval zal de stand van zaken in de Miljoenennota 2001 worden opgenomen.

Een aantal ministers en toezichthouders heeft reeds maatregelen genomen of in voorbereiding voor lenen, beleggen en uitlenen door instellingen op afstand van het rijk. Het wetsvoorstel Financiering decentrale overheden stelt nadere grenzen aan de vrijheid waarmee openbare lichamen, waaronder politieregio’s, hun middelen mogen beheren. De minister van LNV heeft recent een richtlijn vastgesteld voor het beleggen van overtollige liquiditeiten. De minister van OCenW heeft onlangs besloten dat universiteiten moeten beschikken over een treasury statuut. De minister van VROM krijgt bevoegdheid tot het goedkeuren van de beleggingsstatuten van het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting en van het Kadaster.

De ministers van Justitie en VROM wijzen er op dat het ministerie van Financiën in overleg met diverse vakdepartementen bezig is met het ontwerpen van rijksbeleid voor het zogenaamde «schatkistbankieren» (leendepositofaciliteit bij Financiën) of de instelling van een «ZBO-bank». De minister van OCenW is van mening dat bankieren bij het rijk niet consistent is met zijn sturingsfilosofie en het streven naar deregulering en marktwerking en zou leiden tot aanzienlijke verzwaring van de werklast van departementen.

Nawoord Rekenkamer

De Rekenkamer geeft in overweging de ontwikkelde beleidslijn tezijnertijd in de Kaderwet ZBO’s vast te leggen en daarbij instellingen te verplichten om over een actueel treasury-statuut te beschikken, dat aandacht geeft aan tenminste de volgende punten: beleggen (bijvoorbeeld alleen met een beperkt risico), het wel of niet aangaan van (substantiële) leningen, uitlenen (bijvoorbeeld alleen in het verlengde van de publieke taak). Over de inhoud van het statuut en het op basis daarvan gevoerde beleid dient in de jaarrekening verantwoording te worden afgelegd.

De door de ministers van Justitie en VROM genoemde discussie over schatkistbankieren zou uit kunnen monden in een keuzemogelijkheid voor instellingen om voor het aantrekken van vreemd vermogen gebruik te maken van een ZBO-bank of een leen- en depositofaciliteit bij het Ministerie van Financiën.

8.7 Handreiking normeren en begrenzen reserves

Uit de reacties op de «Handreiking normeren en begrenzen van reserves van instellingen op afstand van het rijk» bleek dat alle partijen deze bruikbaar achtten, ofwel voor de verdere vormgeving van sturingsinstrumenten, ofwel voor studie naar of overleg over de gewenste omvang en samenstelling van het vermogen.

BIJLAGE 1

HANDREIKING NORMEREN EN BEGRENZEN VAN RESERVES VAN INSTELLINGEN BIJ HET RIJK

1 Inleiding

Deze handreiking is opgesteld in het kader van het Rekenkameronderzoek naar vermogensvorming bij instellingen op afstand van het rijk, de zogenoemde rechtspersonen met een wettelijke taak1. Uit hoofde van hun rechtspersoonlijkheid kunnen deze instellingen in veel gevallen reserves en voorzieningen vormen. De omvang van de reserves zou een belangrijk aandachtspunt van beleid van het rijk moeten zijn, ook bij vergaande financiële zelfstandigheid van de instelling (zie paragraaf 2). Minimaal zal het rijk en/of de toezichthouder de vermogensontwikkeling moeten monitoren en daarvoor normen moeten ontwikkelen. In veel gevallen zal het rijk ook grenzen moeten aangeven waarbinnen eigen vermogens zich mogen ontwikkelen en moeten vaststellen welke acties bij over- of onderschrijding van deze grenzen zullen worden ondernomen. Het rijk dient tevens vast te stellen of en onder welke voorwaarden instellingen vreemd vermogen mogen aantrekken, hoe zij dienen om te gaan met vermogensoverschotten (beleggen en uitlenen) en -tekorten en hoe om te gaan met uit private activiteiten opgebouwde eigen vermogens.

Deze handreiking beperkt zich tot het vraagstuk van normeren en begrenzen van reserves (eigen vermogen). De vorming van voorzieningen wordt slechts zijdelings behandeld waar het gaat om de onderbouwing ervan en de noodzakelijke afbakening ten opzichte van het eigen vermogen. Ook de liquiditeit van een instelling, van belang voor het beoordelen van de financiële positie op korte termijn, blijft in deze handreiking buiten beschouwing.

De handreiking is opgesteld op basis van onderzoek van literatuur en de tot op heden ontwikkelde beleidspraktijk. Tevens is gebruik gemaakt van inzichten die zijn opgedaan in een ronde tafelgesprek over het thema met een aantal externe deskundigen uit wetenschap en praktijk.

In het volgende wordt allereerst ingegaan op de wenselijkheid van het normeren en begrenzen van reserves (paragraaf 2), vervolgens op de wijze waarop normen en grenzen bepaald kunnen worden (paragraaf 3). Daarbij wordt geredeneerd vanuit de twee functies die het eigen vermogen kan vervullen, namelijk de financierings- en bufferfunctie. Vervolgens wordt ingegaan op de vraag welke reserves begrensd dienen te worden (paragraaf 4) en welke acties bij over- of onderschrijding van grenzen ondernomen kunnen worden (paragraaf 5). Tot slot worden enige gevallen behandeld waarvoor het afspreken van een (vaste) bandbreedte minder zinvol is (paragraaf 6). In bijlage 1 is een overzicht van geraadpleegde literatuur opgenomen.

Deze handreiking is met name gericht op het rijk en toezichthouders, maar kan ook voor instellingen van nut zijn. Het hierin neergelegde algemene kader is een neerslag van literatuur en praktijk op dit moment. Het zal in de praktijk verder ontwikkeld en in specifieke gevallen nader ingevuld moeten worden.

2 Waarom normeren en begrenzen van reserves?

Ook in sectoren waar een vergaande financiële zelfstandigheid van instellingen in wet- en regelgeving is vastgelegd, is de ontwikkeling van de vermogens van deze instellingen een belangrijk punt van aandacht voor het rijk. In nagenoeg alle sectoren is het eigen vermogen van instellingen grotendeels opgebouwd uit publieke gelden – door overdracht van kapitaalgoederen bij verzelfstandiging, investeringen á fonds perdu of indirect via de bekostiging (rijksbijdragen, premies of tarieven).

Zowel aan omvangrijke als aan geringe reserves zijn bepaalde risico’s verbonden. Het is in het kader van sturen op afstand enerzijds doelmatig als instellingen reserves kunnen vormen, onder meer als prikkel tot efficiency. Daar zijn echter wel grenzen aan. Het is uit het oogpunt van publieke taakuitvoering ongewenst wanneer instellingen exploitatie-overschotten ondoelmatig oppotten of aanwenden.

Bij instellingen met geringe reserves kan de continuïteit in gevaar komen en bestaat het risico dat investeringen niet meer kunnen worden gedaan en niet meer kan worden voldaan aan betalingsverplichtingen. Een onvoorzien beroep op rijksmiddelen, ongewenste fluctuaties in heffingen en tarieven en eventueel zelfs faillissement kunnen hiervan het gevolg zijn.

Deze risico’s zijn voor een deel af te dekken via de bekostiging van instellingen, maar ook dat veronderstelt een opvatting over de gewenste vermogenspositie. Het is daarom in het algemeen wenselijk dat de rijksoverheid de eigen vermogens van instellingen normeert en begrenst. In veel gevallen verdient het vanwege bovengenoemde risico’s aanbeveling zowel een bovengrens als een benedengrens vast te stellen.

3 Hoe normen en grenzen bepalen?

3.1 Inleiding

Bij het bepalen van grenzen is het in de in de eerste plaats nodig te beredeneren wat de gewenste of normatieve vermogenspositie van de instelling(en) is. Daarvoor dient onderscheid te worden gemaakt in twee hoofdfuncties van het eigen vermogen, namelijk de opvang van algemene bedrijfsrisico’s, de bufferfunctie, en de financiering van investeringen in bedrijfsmiddelen, de financieringsfunctie. In het volgende wordt eerst ingegaan op beide functies apart. Vervolgens wordt de wijze waarop de grenzen bepaald kunnen worden behandeld, waarbij de bufferfunctie en financieringsfunctie in hun onderlinge samenhang worden beschouwd.

3.2 Bufferfunctie

De bufferfunctie («weerstandsvermogen», «conjuncturele reserve») van het eigen vermogen houdt in het vormen van reserves ter waarborging van de continuïteit, opvang van fluctuaties in de exploitatie («egalisatiefunctie») en opvang van algemene bedrijfsrisico’s. Analyse van risico’s en hoe die kunnen worden afgedekt is een belangrijk onderdeel van het bepalen van de gewenste buffer. In het onderstaande kader zijn enkele mogelijke bedrijfsrisico’s (onzekerheden met financiële gevolgen) van instellingen die een wettelijke taak uitvoeren weergegeven.

Mogelijke bedrijfsrisico’s van instellingen:

• Politieke risico’s: wijzigingen in politieke prioriteiten, beschikbaar budget, besturings- en bekostigingswijze, beleid, wet- en regelgeving, taken, verantwoordelijkheden, bevoegdheden, e.d.;

• Maatschappelijke risico’s: demografische ontwikkelingen (bijvoorbeeld daling aantal studenten), imago, publieke interesse, e.d.;

• Financiële risico’s: rente- en inflatie-ontwikkeling, economische levensduur bedrijfsmiddelen, beleggingsresultaten, e.d.;

• Personele risico’s: arbeidsmarkt, leeftijdsopbouw, mobiliteit, flexibiliteit, wachtgelden, VUT, CAO-onderhandelingen, e.d.;

• Exploitatierisico’s: concurrentie, marktaandeel, klantenbinding, vraaguitval, winstgevendheid commerciële nevenactiviteiten, e.d.;

• Bestuurlijke en managementrisico’s: kwaliteit bestuur en management (control), reorganisaties/herstructureringen, fusies, e.d.;

• Technische bedrijfsrisico’s: Arbo, milieu, claims, productaansprakelijkheid e.d.

Het vóórkomen van risico’s voor de instelling hangt onder meer af van het type taak (bijvoorbeeld uitvoerings- of ontwikkeltaak), de omgeving waarin de instelling functioneert (voorbeeld: wel of geen concurrentie) en de wijze van bekostiging (voorbeeld: lump sum of op basis van nacalculatie). Een bijzonder geval zijn de politieke risico’s. Deze kunnen nader bepaald worden door het maken van afspraken over de omvang en termijn van beleidswijzigingen en over wie (het rijk of de instelling) de kosten van doorvoeren draagt.

Niet alle risico’s dienen door het vormen van een buffer door de instelling te worden afgedekt. Zo dienen ter dekking van bepaalde op de balansdatum bestaande concrete en specifieke risico’s, verplichtingen en verliezen voorzieningen te worden gevormd (zie kader). Deze blijven hier verder buiten beschouwing.

Voorzieningen worden volgens Artikel 374 van Titel 9 van het BW op de balans opgenomen ter dekking van op de balansdatum bestaande:

• verplichtingen en verliezen waarvan de omvang op de balansdatum onzeker is, doch redelijkerwijs is te schatten;

• risico’s ter zake van bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen waarvan de omvang redelijkerwijs is te schatten;

• kosten die in een volgend boekjaar zullen worden gemaakt, mits het maken van die kosten zijn oorsprong mede vindt in het boekjaar of in een voorafgaand boekjaar en de voorziening strekt tot gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal boekjaren.

Ook zijn er bedrijfsrisico’s die op een andere manier kunnen worden afgedekt dan door het vormen van een buffer of voorziening, bijvoorbeeld door deze te verzekeren (voorbeeld: aansprakelijkheid), door deze onder te brengen in een aparte rechtspersoon (voorbeeld: commerciële risico’s), of door een (incidentele) bijdrage van het rijk (voorbeeld: inflatierisico’s).

Ter bepaling van het normatieve buffervermogen kan globaal de volgende systematiek worden gevolgd:

• opsplitsing van de activiteiten van de instelling in compartimenten, naar taak/activiteit of wijze van bekostiging;

• bepaling budgettaire aandeel of exploitatieresultaten in het verleden per compartiment;

• analyse van risico’s per compartiment;

• analyse van de flexibiliteit van de kostenstructuur;

• bepaling benodigde buffer per compartiment;

• berekening totale buffer, waarbij rekening moet worden gehouden met mogelijke samenhang tussen risico’s van diverse compartimenten.

Bij de analyse van risico’s en de vertaling daarvan in financiële onzekerheden gaat het in principe om analyse van mogelijke ontwikkelingen met gevolgen voor inkomsten én uitgaven. Voor het laatste is van belang de mate en termijn waarin de uitgaven kunnen worden aangepast aan gewijzigde omstandigheden: de flexibiliteit van de kostenstructuur van de instelling. Sommige kosten kunnen pas op middellange termijn worden gereduceerd, zoals bijvoorbeeld huisvestings- en personeelskosten.

De financiële risico’s kunnen geïnventariseerd worden door de instelling zelf, door het desbetreffende ministerie of een onafhankelijke derde. Gestreefd moet worden naar zoveel mogelijk objectieve bronnen (jaarrekeningen e.d.) en informatie over verschillende jaren, zodat de invloed van incidenten wordt afgevlakt. Daarbij kan tevens gebruik gemaakt worden van informatie over de omvang van reserves bij organisaties met vergelijkbare risico’s (benchmarking). Bij de bepaling van risico’s is het aan te bevelen om uit te gaan van een zekere marge, dat wil zeggen laagste en hoogste waarden, waarbinnen de financiële risico’s zich zullen bewegen. Dit leidt tot een bandbreedte waarbinnen het eigen vermogen, geredeneerd vanuit de bufferfunctie, zal moeten liggen.

Voorbeeld:

Door Feenstra en van Helden (1995) is de normatieve reservepositie van academische ziekenhuizen bepaald door per deeltaak (reguliere patientenzorg, top-klinische patientenzorg, opleidingsfunctie, ontwikkelfunctie, etc.) een schatting te maken van: a) het budgettaire aandeel; b) de risicoklasse naar de mate van (on)zekerheid op korte en lange termijn; en c) het met de risicoklasse samenhangend gewenste reservepercentage van het budget (weergeven als marge bijvoorbeeld 6 tot 10%) mede gebaseerd op percentages in referentiesectoren. Dit leidt tot een normatieve reservepositie van 9,6 tot 16,8% van het totale budget.

De bepaling van financiële risico’s zal vaak een complexe en in zekere mate arbitraire aangelegenheid zijn. Daarbij dient in het oog te worden gehouden dat het er om gaat te komen tot een redelijk onderbouwde normering van een buffer die voor betrokken partijen voor de middellange termijn aanvaardbaar is. De marges dienen daarbij niet te krap te worden gekozen in verband met de kosten van monitoring.

3.3 Financieringsfunctie

Naast de bufferfunctie kan het eigen vermogen ook een functie vervullen bij de financiering van investeringen in de vervanging en/of uitbreiding van bestaande bedrijfsmiddelen (bedrijfsgebonden vaste activa, bijvoorbeeld gebouwen en materieel) of van nieuwe activiteiten1. In principe zijn de kosten van financiering (afschrijvingen en rente) meegenomen in de berekening van de buffer en kan daarmee dus worden volstaan. Overwegingen met betrekking tot de gewenste verhouding van financiering met eigen danwel vreemd vermogen kunnen het echter nodig maken ook de financieringsfunctie apart bij het bepalen van normen te betrekken.

De relevantie van de financieringsfunctie hangt in de eerste plaats af van de verdeling van verantwoordelijkheden tussen ministerie en instelling(en), van het systeem van bekostiging en van het type activiteit. Vele varianten doen zich daarbij voor, waaronder van bekostiging met geoormerkte investeringsbijdragen (à fonds perdu) tot lump sum bekostiging waarin geen onderscheid wordt gemaakt in investerings- en exploitatielasten. In het eerste geval, à fonds perdu financiering, speelt de financieringsfunctie van het eigen vermogen geen rol1. In het tweede geval speelt de financieringsfunctie in principe wel een rol, uiteraard voor zover het instellingen is toegestaan zelf te investeren en afhankelijk van de met de activiteiten samenhangende investeringsbehoefte.

Vervolgens moet in de gevallen waarin de financieringsfunctie speelt worden vastgesteld of financiering met vreemd vermogen (langlopend lenen) is toegestaan en welke verhouding van eigen en vreemd vermogen bij de financiering van investeringen gewenst is. In de praktijk wordt er vaak (impliciet) van uitgegaan dat de vaste activa geheel (omroepen, universiteiten) of voor een belangrijk deel (politieregio’s) uit eigen vermogen dienen te worden gefinancierd. Dit uitgangspunt is echter discutabel. Het kan leiden tot een aanzienlijke accumulatie van het eigen vermogen bij instellingen2. Financieren met vreemd vermogen heeft als voordeel dat investeringen extern financieel getoetst worden. Het komt ook de interne transparantie ten goede, omdat de kosten van kapitaal door middel van te betalen rente zichtbaar worden. Het aantrekken van vreemd vermogen voor organisaties die een publieke taak uitvoeren is in het algemeen ook geen probleem, mits maar voldoende garanties aanwezig zijn. Een argument tegen financiering met vreemd vermogen is dat de kosten van bancair lenen groter zouden kunnen zijn. Deze kosten zouden verlaagd kunnen worden door bijvoorbeeld een overheidsgarantie of het instellen van een waarborgfonds. De kostenvoordelen van het laatste zijn echter gering en ook aan een rijksgarantie kleven bezwaren3. Een alternatief is lenen bij de rijksoverheid zelf. Het verdient overweging om voor instellingen met een publieke taak een leen- en depositofaciliteit bij het rijk in te stellen, zoals die al bestaat voor sociale fondsen en agentschappen. Indien gekozen wordt voor financiering met vreemd vermogen dan ligt het verwerken van een rentecomponent (opslag) in de bekostiging in de rede.

Als gekozen wordt voor het uitgangspunt dat investeringen uit eigen vermogen worden gefinancierd, dan is het nodig het gewenste investeringsniveau, het bedrag dat gefinancierd moet worden, te bepalen. Voor het bepalen van het bedrag nodig ter financiering van de vervanginginvesteringen kan de actiefzijde (duurzame bedrijfsmiddelen) van de balans als uitgangspunt dienen. Daarbij dient dan wel rekening te worden gehouden met onder meer de waardering van deze activa, met activa die wel op de balans staan maar niet nodig zijn voor de bedrijfsvoering en met de relatieve ouderdom van de activa. Een mogelijkheid is uit te gaan van een ideaalcomplex, waarbij de duurzame bedrijfsmiddelen (m.n. gebouwen) gelijkmatig naar leeftijd verdeeld zijn en de gemiddelde leeftijd precies de helft is van de gebruiksduur. De vermogensbehoefte voor de vervanging is dan gelijk aan de helft van de totale nieuwbouwwaarde4. Voor het bepalen van het bedrag dat nodig is voor de financiering van uitbreidingsinvesteringen en nieuwe activiteiten is op voorhand uiteraard geen algemene grondslag te geven. Voor deze investeringen kan bijvoorbeeld gekozen worden voor het uitgangspunt van financiering uit vreemd vermogen of het vormen, al dan niet na toestemming van de minister of toezichthouder, van een aparte bestemmingsreserve.

3.4 Bepaling van de grenzen

In veel gevallen zal voor bepaling van de grenzen een analyse van de normatieve buffer volstaan. Dat geldt ook in veel situaties waarin instellingen zelf verantwoordelijk zijn voor investeringen. De kosten van financiering (afschrijving en rente) worden immers bij de bepaling van de buffer meegenomen. Afhankelijk van de gewenste verhouding eigen en vreemd vermogen dient echter in bepaalde gevallen naast de normatieve buffer ook een bedrag voor de financieringsfunctie te worden gecalculeerd. Dit bedrag kan niet zonder meer bij dat van de buffer worden opgeteld. Buffer- en financieringsfunctie dienen in samenhang te worden beschouwd. In het volgende worden enkele voorbeelden gegeven van redeneringen die in verschillende situaties kunnen worden gevolgd.

Als de verdeling van verantwoordelijkheden voor financiering (à fonds perdu) of het type activiteit (geen investeringsbehoefte) zodanig is dat met de financieringsfunctie van het eigen vermogen geen rekening behoeft te worden gehouden, dan dient het normatieve buffervermogen als uitgangspunt voor de begrenzing. In het geval dat de buffer geformuleerd is als een bandbreedte, kunnen de onder- en bovengrens van die bandbreedte gehanteerd worden als respectievelijk een minimum en maximum voor het eigen vermogen.

Als de financieringsfunctie wel relevant is en er is gekozen is voor het uitgangspunt van volledige financiering met eigen vermogen, dan zal in de meeste gevallen het vanuit deze functie benodigde eigen vermogen, vergeleken met de benodigde buffer, relatief groot zijn1. Hoewel dit vermogen in principe niet vrij beschikbaar is, want bedoeld voor financiering van aanwezige activa en toekomstige investeringen, kan het wel (tijdelijk) tevens dienen als buffer. De normatieve reserve kan dan, afhankelijk van de verhouding van beide beperkt worden tot de reserve die nodig is vanuit de financieringsfunctie of tot deze reserve aangevuld met (een deel van) de normatieve buffer.

Indien de financieringsfunctie relevant is en financiering met vreemd vermogen is toegestaan dan kan het minimum eigen vermogen bepaald worden door als uitgangspunt te kiezen dat de benodigde investeringen in het uiterste geval volledig met vreemd vermogen gefinancierd moeten kunnen worden. In het algemeen zal de normatieve buffer ter afdekking van algemene bedrijfsrisico’s – of bij een vastgestelde bandbreedte het minimum daarvan – tevens voldoende zijn om vreemd vermogen aan te trekken. Is dit niet het geval dan zal, bijvoorbeeld in overleg met de verschaffers van vreemd vermogen (banken of overheid), een minimum vanuit de financieringsfunctie moeten worden bepaald. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om het bepalen van een norm voor de solvabiliteit (verhouding eigen vermogen en balanstotaal).

Grenzen kunnen worden bepaald als absoluut getal of als percentage of verhoudingsgetal. Het eerste is aan te bevelen bij een enkele instelling waar zich bijvoorbeeld geen grote wijzigingen in de bedrijfsvoering en investeringsniveau voordoen. In het algemeen, maar zeker in geval van clusters van instellingen, verdienen percentages of verhoudingsgetallen de voorkeur. Het valt te overwegen voor clusters met een grote variatie in bijvoorbeeld risico’s, activiteiten en bedrijfsmiddelen een formule af te spreken op basis waarvan per instelling grenzen kunnen worden vastgesteld. Dit leidt dan tot verschillende waarden per instelling (maatwerk). De reserve zal in veel gevallen gerelateerd worden aan het jaarbudget, dat vaak een goede indicator voor het activiteitenniveau van een instelling is.

Bij de vaststelling van grenzen aan reserves is duidelijkheid gewenst over de verdeling van risico’s verbonden aan de uitvoering van de publieke taak tussen rijksoverheid en instellingen. Bedrijfseconomische overwegingen en redeneringen zoals in het voorgaande zijn weergegeven spelen bij de bepaling van grenzen een belangrijke rol. Uiteindelijk gaat het echter om een bestuurlijke afweging tussen enerzijds het geven van de nodige ruimte aan instellingen om reserves en voorzieningen te vormen voor het opvangen van bedrijfsrisico’s en ten behoeve van investeringen en anderzijds de mogelijkheid van het rijk om bij te sturen en het inbouwen van waarborgen dat publiek geld uiteindelijk efficiënt en effectief wordt ingezet voor de doelen waarvoor het ter beschikking is gesteld.

4 Welke reserves normeren en begrenzen?

Het verdient aanbeveling bij het vaststellen van grenzen in ieder geval het totale eigen vermogen te begrenzen. Daarnaast kan het ook gewenst zijn grenzen te stellen aan onderdelen van het eigen vermogen, zoals bijvoorbeeld aan private reserves, egalisatiereserves of bestemmingsreserves. Rekening dient daarbij gehouden te worden met specifieke gevallen zoals beklemde reserves, over de bestemming waarvan het bestuur maar beperkte zeggenschap heeft (voorbeeld: legaten), of zogenoemde historische reserves, die zijn opgebouwd op grond van arrangementen of regelingen in het verleden en die op een bepaald niveau bevroren worden (zie bijvoorbeeld omroepen, ziekenfondsen). Bij de bepaling van de grenzen voor het totale eigen vermogen zullen overwegingen met betrekking tot de hoogte van de verschillende specifieke toegestane reserves uiteraard wel een rol spelen. Het verdient aanbeveling bij het aanwijzen en maximeren van specifieke reserves vast te leggen dat het vormen van andere reserves niet is toegestaan, danwel dat daarvoor toestemming vereist is van minister en/of toezichthouder. Er bestaat immers een extra risico op het «weglekken» van reserves. Om diezelfde reden is een goede afbakening ten opzichte van voorzieningen van groot belang. Het verdient daarom aanbeveling nader te specificeren welke voorzieningen getroffen mogen worden.

5 Welke actie bij over- of onderschrijding grenzen?

Als grenzen gesteld zijn aan het eigen vermogen dient tevens te worden vastgesteld welke actie wordt ondernomen bij over- of onderschrijding van die grenzen. Hier doen zich verschillende mogelijkheden voor. Bij overschrijding van het maximum kan gedacht worden aan het maken van afspraken over bestemming en (termijnen van) afbouw van het overschot of in het uiterste geval aan (gedeeltelijk) afromen. Bij onderschrijding van het minimum is er bijvoorbeeld de mogelijkheid van intensiever toezicht, het maken van afspraken over het op termijn terugbrengen van het tekort, of een incidentele bijdrage van het rijk. Structurele over- of onderschrijding van grenzen kan aanleiding zijn tot heroverweging van (het systeem van) de bekostiging. Een analyse van de oorzaken van onder- of overschrijdingen gaat uiteraard aan het nemen van maatregelen vooraf.

De mogelijkheden van ingrijpen hangen mede af van het gehanteerde van de bekostiging. Bij een directe subsidierelatie kunnen overschrijdingen van het maximum op eenvoudige wijze met het subsidiebedrag van een volgend jaar worden verrekend. Bij bekostiging uit tarieven en premies zijn vermogensoverschotten – in het geval geen directe mogelijkheid tot afroming is geregeld – alleen via het tarief- of premiebeleid op de middellange termijn te beïnvloeden. Essentieel is dat over te nemen maatregelen zo concreet mogelijke afspraken worden vastgelegd voor de middellange termijn en dat de daarvoor benodigde bevoegdheden zijn geregeld.

6 Bijzondere gevallen

In het voorgaande is de algemene lijn behandeld voor normeren en begrenzen van reserves. De invulling van die lijn zal variëren afhankelijk van het type activiteit, de verantwoordelijkheidsverdeling, de bekostiging en dergelijke. Het vaststellen van een (vaste) bandbreedte voor het eigen vermogen is echter niet in alle gevallen mogelijk danwel zinvol. In het volgende worden enkele gevallen behandeld waar een afwijkende benadering van vermogensvorming van toepassing is. Dit zijn instellingen met een vennootschappelijke rechtsvorm, fondsen en instellingen waaraan taken zijn uitbesteed door middel van een prestatiecontract.

Bij een vennootschappelijke rechtsvorm van de instelling (BV, NV) is de vermogensvorming een zaak voor het bestuur van de vennootschap en de aandeelhouders (ook als dat de rijksoverheid is). Daarin spelen andere overwegingen dan de in deze handreiking behandelde. Er kunnen met de aandeelhouder wel afspraken worden gemaakt over bijvoorbeeld het dividendbeleid (zoals bijvoorbeeld bij de Novem).

Bij publieke fondsen is het gebruikelijk dat de premies worden afgestemd op het dekken van de risico’s, waarbij de overheid doorgaans garant staat voor eventuele tijdelijke tekorten. Aangezien de risico’s jaarlijks worden bepaald, is een adequate monitoring een beter instrument om overtollige vermogensvorming te voorkomen dan het bepalen van een vaste bandbreedte. De omvang van de fondsen is een belangrijk onderwerp van overheidsbeleid, maar daarvoor gelden andere, meer beleidsinhoudelijke overwegingen, dan de in deze handreiking behandelde (bijvoorbeeld de fondsen sociale zekerheid).

Bij uitbesteding van publieke taken aan marktpartijen door middel van prestatiecontracten is het stellen van grenzen aan de vorming van reserves uiteraard niet aan de orde. Dat neemt niet weg dat de vorming van reserves, zoals die blijken uit de jaarrekening, wel een punt van aandacht kan zijn bij beoordeling van prijsstelling in periodieke contractbesprekingen.

7 Literatuurlijst

De geraadpleegde literatuur betreft zowel openbare rapportages als – in opdracht van ministeries, instellingen of koepelorganisaties uitgevoerde – interne rapportages.

Arthur Andersen (1998). Onderzoek vermogenspositie politieregio’s. Intern rapport ten behoeve van het Ministerie van Binnenlandse Zaken.

BDO CampsObers (1996). Onderzoek financiering en vermogenspositie TNO. Intern rapport ten behoeve van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

BDO CampsObers (1997). Onderzoek vermogenspositie KB en KNAW.Intern rapport ten behoeve van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

BDO CampsObers (1997). Onderzoek vermogenspositie universiteiten. Intern rapport ten behoeve van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

Commissie Koopmans (1999). De vermogenspositie van universiteiten – Een delicate balans. Rapport ten behoeve van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

Commissie Reserves Academische Ziekenhuizen (1998). Gepaste reserves. Rapport ten behoeve van Ministerie van het Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Commissie Van der Zwan (1992). Onderzoek naar de bedrijfseconomische noodzaak van de vermogens van de omroepen. Rapport ten behoeve van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur.

Contactgroep Financiën en Administratie VSNU (1997). Eindrapportage CFA-werkgroep liquiditeits- en vermogenspositie universiteiten. Intern rapport VSNU.

Coopers & Lybrand Accountants (1996). Vermogensgroei bij AWBZ-instellingen. Intern rapport ten behoeve van de Nederlandse Zorg Federatie (NVGGz, NVBW, NVAGG, VGN en NVVz).

Feenstra, D.W, en G.J. van Helden (1995). Reserves & voorzieningen, een rapport over de gewenste omvang van reserves en voorzieningen bij academische ziekenhuizen. Rapport ten behoeve van de Vereniging Academische Ziekenhuizen.

KPMG Accountants (1998). De G-4 universiteiten – Gewenste omvang en samenstelling van het eigen vermogen van universiteiten.Intern rapport ten behoeve van de Universiteiten van Amsterdam, Utrecht, Groningen en Leiden.

Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, Directie Wetenschappelijk Onderwijs (1994). Discussienota universitaire bedrijfsvoering – Verkenning naar de omvang van reserves, voorzieningen en liquiditeiten. Intern rapport Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen.

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, Directies FEZ en Wetenschappelijk Onderwijs (1996). Financiële positie universiteiten (1985–1994). Intern rapport Ministerie van het Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

Moret, Ernst & Young (1998). Blauw in het rood. Rapport ten behoeve van het Ministerie van BZK en de politieregio’s.

BIJLAGE 2

DE LETTERLIJKE TEKST VAN DE BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN D.D. 3 MAART 2000

1. Inleiding

Met uw schrijven d.d. 3 februari 2000, kenmerk 71 R, vroeg u mij om een reactie op het conceptrapport «Vermogensvorming bij instellingen op afstand van het rijk». Zoals ook het geval is geweest bij het AR-rapport «Verantwoording en toezicht bij rechtspersonen met een wettelijke taak», doe ik u hierbij, mede namens mijn ambtgenoot van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, een reactie toekomen op het thans voorliggende concept-rapport. Onze reactie is afgestemd met de visie die andere ministers hebben uiteengezet in hun reactie op de voor hen relevante specifieke onderdelen van uw rapport.

In paragraaf 2 wordt het algemene kader van ministeriële verantwoordelijkheid en verantwoording en toezicht op instellingen op afstand van het rijk neergezet. In paragraaf 3 wordt ingegaan op de regels voor eigen vermogen van instellingen. Het lenen, beleggen en uitlenen door instellingen komt in paragraaf 4 aan de orde. Tot slot wordt in paragraaf 5 ingegaan op het recente verzoek van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de Algemene Rekenkamer. In een bijlage zijn enkele specifieke opmerkingen opgenomen.

2 Het algemene kader van ministeriële verantwoordelijkheid en verantwoording en toezicht

In onze bestuurlijke reactie op het AR-rapport «Verantwoording en toezicht bij rechtspersonen met een wettelijke taak» (brief van 26/11/1999, kenmerk DAR 1999-00481U) is een uitgebreide schets weergegeven van het bredere perspectief van de ministeriële verantwoordelijkheid in relatie tot sturing en toezicht van instellingen op afstand van het rijk. Deze uiteenzetting van de thans lopende ontwikkelingen is uiteraard nog steeds actueel en kortheidshalve wordt hier nu verwezen naar de bedoelde brief. Aanvullend daarop kan ik u meedelen dat het wetsvoorstel voor de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen inmiddels voor advies is aangeboden aan de Raad van State.

Het leidend motief in de vormgeving van de relatie tussen een minister en een instelling op afstand van het rijk, zijnde een zelfstandig bestuursorgaan (ZBO), dan wel een rechtspersoon met een wettelijke taak (RWT), is dat er van geval tot geval moet worden bezien welke instrumenten van sturing en verantwoording noodzakelijk zijn. Het gekozen instrumentarium moet passen binnen de algemene sturingsfilosofie op het desbetreffende beleidsterrein, waarbij het toezicht moet zijn afgestemd op de omvang van de ministeriële verantwoordelijkheid. Per departement en beleidsterrein zal dan de visie op toezicht verschillend kunnen zijn, omdat de ministeriële verantwoordelijkheid per onderwerp anders kan zijn ingevuld. Uiteraard heeft de Kaderwet ZBO’s de bedoeling dat zoveel als mogelijk dezelfde instrumenten worden gehanteerd en dat de per geval gekozen instrumenten op een geharmoniseerde wijze worden vormgegeven.

De kern is derhalve geen strakke uniformering van toezicht via de beoogde Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, maar ruimte laten voor het ontwikkelen van maatwerk per beleidsterrein. U onderschrijft deze noodzaak van differentiatie in het toezicht in het rapport «Verantwoording en toezicht bij rechtspersonen met een wettelijke taak». De vakministers dragen de verantwoordelijkheid voor de inrichting van de sturings-, verantwoordings- en toezichtsrelatie tussen het eerst verantwoordelijke ministerie en de betrokken instellingen op afstand. De ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Financiën dragen een coördinerende verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling en instandhouding van de bestuurlijke en financiële kaders voor de relatie tussen ministeries en instellingen op afstand. De komende Kaderwet ZBO’s zal ook bepalingen bevatten over informatievoorziening, sturing en toezicht. Het voornemen bestaat echter niet om in de Kaderwet ZBO’s algemene regels op te nemen voor de vermogensvorming van ZBO’s. Het kabinet is wel bereid te bezien of en in hoeverre in de, naar aanleiding van de totstandkoming van de Kaderwet, aan te passen Aanwijzingen ten behoeve van de wetgeving aandacht aan dit punt kan worden gegeven. Het is denkbaar in de Aanwijzingen op te nemen dat bij of krachtens de wet per ZBO regels over de vermogensvorming worden opgenomen. Een dergelijke constructie zou aansluiten bij de primaire verantwoordeiijkheid van de vakministers voor het inrichten van de specifieke sturingsrelatie, maar aan de andere kant ook waarborgen dat er in het algemeen regels op het punt van de vermogensvorming tot stand komen, zoals de Rekenkamer bepleit.

3 Regels voor eigen vermogen van instellingen op afstand van het rijk

In uw rapport geeft u aan van mening te zijn dat ministeries een beleid voor vermogensvorming bij instellingen op afstand van het rijk moeten ontwikkelen. De regering ondersteunt uw aanbeveling om bij de vormgeving van het toezichtsbeleid voor een instelling op afstand van het rijk tevens aandacht te besteden aan het onderwerp vermogensvorming. Daarbij dient echter te allen tijde ruimte te zijn voor maatwerk. Niet in alle gevallen is er reden om over te gaan tot aanvullende regelgeving door de verantwoordelijke minister op het gebied van vermogensvorming van een instelling.

Begrenzing eigen vermogen

In uw rapport geeft u aan dat er zowel aan omvangrijke vermogens als aan geringe vermogens van instellingen op afstand van het rijk risico’s verbonden zijn. Dit wordt door het kabinet ten algemene onderschreven. Het risico dat samenhangt met een te hoog eigen vermogen is voornamelijk gelegen in de allocatie van collectieve middelen, in de vorm van het ondoelmatig aanwenden of oppotten van collectieve middelen. Het door u gesignaleerde risico van een hoog eigen vermogen, in de zin dat instellingen zich onttrekken aan politieke verantwoordelijkheid, beïnvloeding en sturing (p. 7) wordt door het kabinet niet onderschreven. Door op een adequate manier invulling te geven aan de sturingsrelatie kan dit risico worden voorkomen.

Daar waar een normstelling van het eigen vermogen van een instelling wel mogelijk en gewenst is, zal de verantwoordelijke minister daar invulling aan moeten geven door dit onderdeel te laten zijn van het toezichtsarrangement. Op verschillende beleidsterreinen wordt dit thans ook toegepast. Zo is bijvoorbeeld voor ziekenfondsen een wetsvoorstel tot maximering van de reserves door de Eerste Kamer goedgekeurd en wordt op dit moment een op deze wet gebaseerde ministeriële regeling ontwikkeld, die de exacte hoogte van de toelaatbare reserves vastlegt. Er kunnen echter specifieke gevallen zijn, waarin het stellen van normen, het opstellen van regels en het maken van afspraken over de minimum en maximum omvang van eigen vermogen minder zinvol is. Ook u constateert in uw rapport dat in een aantal specifieke gevallen dergelijke regelgeving minder zinvol is (p. 27). U constateert tevens dat van de in het onderzoek van de AR betrokken instellingen dergelijke regelgeving ontbreekt en wel zinvol zou zijn voor politieregio’s, universiteiten, hogescholen, academische ziekenhuizen, het Landelijk Selectie- en Opleidingsinstituut Politie en de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Opgemerkt moet worden dat in dit kader al verschillende acties zijn gestart om te bezien waar aanvullende regelgeving in specifieke gevallen nuttig en noodzakelijk is.

Inzicht in vermogensvorming

Ten aanzien van de verslaggevingsregelgeving voor instellingen beveelt u aan deze uit te breiden en zo veel mogelijk te uniformeren (p. 44). Ook hier geldt dat de afweging of aanvullende regelgeving in een specifiek geval vereist is, per beleidsveld moet worden bezien. Aanvullende regelgeving omtrent verslaggeving is primair een zaak tussen de beleidsverantwoordelijke minister en de desbetreffende instelling op afstand van het rijk. In de beoogde Kaderwet zelfstandige bestuursorganen zullen door een relatie te leggen met de subsidietitel uit de Awb algemene regels voor het financieel toezicht op zelfstandige bestuursorganen tot stand komen. Daarbij bieden de dan bestaande opties voor de concrete vormgeving ruimte voor maatwerk. Daar is aanleiding toe, want de instellingen worden op verschillende wijze bekostigd en voeren uiteenlopende taken uit. Gelet op de grote diversiteit aan instellingen op afstand van het rijk is het onmogelijk om regelgeving omtrent verslaggeving te uniformeren in een kaderwet. In voorkomende gevallen is uniformering door middel van aanvullende verslaggevingsregelgeving per cluster van instellingen op afstand van het rijk wel mogelijk.

Volgens de Rekenkamer is meer aandacht nodig voor de risico’s van het weglekken van publieke middelen naar private activiteiten van instellingen via vermogensvorming en beveelt aan van geval tot geval te beoordelen wat mogelijk en wenselijk is om de scheiding publiek-privaat in vermogens vorm te geven (p. 44). De regering ondersteunt de aanbeveling om in de toezichtsarrangementen aandacht te besteden aan dit gevaar van «weglekken». De vakministers zullen bezien of en in welke mate een analyse van de risico’s van het weglekken van publieke middelen naar private activiteiten moet worden uitgevoerd. In hoeverre dit kan leiden tot het scheiden van het vermogen in een publiek deel en een privaat deel, hangt af van wat in het specifieke geval wenselijk en praktisch toepasbaar is.

Het bovenstaande geeft het belang aan van een goede monitoring door de departementen van de vermogensontwikkeling bij instellingen op afstand van het rijk. Het kabinet is van mening dat voor een goed inzicht in de vermogensvorming deze monitoring niet alleen de jaarrekeningen moet omvatten, maar dat daarbij tevens de (meerjaren) begrotingen van die instellingen moeten worden betrokken.

4 Lenen, beleggen en uitlenen door instellingen

Op dit moment is bij de Tweede Kamer het wetsvoorstel Financiering decentrale overheden in behandeling (Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, 26 906, nrs. 1–2). In artikel 2 van dat wetsvoorstel wordt de vrijheid waarmee openbare lichamen hun middelen mogen beheren nader begrensd. Thans wordt in het kabinet overleg gevoerd over een beleidslijn met betrekking tot instellingen op afstand van het rijk. Omdat de staatkundige positie van de gemeenten en provincies een andere is dan die van instellingen op afstand van het rijk, zal de inhoud en de vorm van de beleidslijn en de daarop te baseren regelgeving die thans in voorbereiding is, kunnen afwijken van hetgeen in artikel 2 van het Wetsvoorstel financiering decentrale overheden is bepaald. Zodra het kabinet deze beleidslijn heeft geformuleerd zullen de Tweede Kamer en de Algemene Rekenkamer hiervan op de hoogte worden gebracht. In ieder geval zal de stand van zaken in de Miljoenennota 2001 worden opgenomen.

5 Verzoek van de minister van bzk voor onderzoek naar kasbeheer bij rwt’s

Naar aanleiding van het met de Tweede Kamer gevoerde debat over de Ceteco-affaire heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de Algemene Rekenkamer bij brief van 18 januari 2000 (GSIB/OR2000/U60577) verzocht onderzoek te doen naar het kasbeheer bij RWT’s.

De Algemene Rekenkamer heeft daarop inmiddels gereageerd met een brief van 4 februari 2000. De Rekenkamer geeft daarin aan het belang dat de minister en Tweede Kamer aan het onderwerp kasbeheer bij RWT’s hechten te onderschrijven. De Rekenkamer wijst erop dat het rapport «Vermogensvorming bij RWT’s» het belang van dit thema bevestigt. De Rekenkamer verwijst verder naar het onderzoek naar het financieel beheer bij politieregio’s uit 1998. Ten slotte geeft de Rekenkamer aan dat het college in de komende jaren veel aandacht zal geven aan (het toezicht op) de rechtmatigheid van inning en besteding van publieke gelden door RWT’s en aan de ordelijkheid en controleerbaarheid van het financieel beheer bij deze instellingen. De Rekenkamer is voornemens in toekomstig onderzoek bij RWT’s waar mogelijk en gewenst ook aandacht te geven aan het aspect kasgeldbeheer. In dit verband verzoekt de Rekenkamer de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in zijn reactie op het onderzoek «Vermogensvorming bij RWT’s» na te gaan welke aanvullende informatie over kasbeheer hij nodig acht en welke aanvullende informatie hij zou willen ontvangen.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt vast dat de Algemene Rekenkamer reeds aandacht besteedt aan de vermogensvorming bij RWT’s en bereid is daarbij in de toekomst het aspect van het kasbeheer nog nadrukkelijker te betrekken. Het thans voorliggende rapport onderstreept het belang van een departementaal beleid ter zake van de vermogensvorming in het algemeen. Daarvan maakt het kasbeheer een onderdeel uit. Gelet op de door de Algemene Rekenkamer gesignaleerde stand van zaken bij de beleidsvorming van de ministeries, acht het kabinet het zinvol eerst te investeren in deze algemene beleidsontwikkeling en regelgeving. De Rekenkamer beveelt dat ook aan. Naar het oordeel van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bieden de lopende en voorgenomen activiteiten van de Rekenkamer een goede basis om daarnaast een beter zicht te krijgen op het kasbeheer. Hij is vooral geïnteresseerd in een beantwoording van de vraag of bij de vermogensvorming en het daaruit voortvloeiende kasbeheer onaanvaardbare financiële risico’s worden gelopen. Hij is de Rekenkamer erkentelijk voor het nadere accent dat deze in het komende onderzoek hierop wil leggen. De minister zou een herkenbare rapportage over dit onderwerp op enig moment op prijs stellen.

De minister van Financiën,

G. Zalm

c.c. de Ministers

BIJLAGE 3

OVERZICHT VAN CONCLUSIES, AANBEVELINGEN, REACTIES MINISTERS/TOEZICHTHOUDERS/INSTELLINGEN EN NAWOORD REKENKAMER

I. ALGEMENE CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

Alle departementen, in het bijzonder Ministerie van Financiën en BZK

 ConclusieAanbevelingReactie minister/toezichthouderNawoord Rekenkamer
Omvang: normeren en begrenzenBij veertien van de dertig (clusters van) instellingen ontbreken via regelgeving of afspraken gestelde normen ten aanzien van de maximale (aanvaardbare) en minimale (gewenste) omvang van het (eigen) vermogen. Waar wel normen zijn gesteld, betreft dit bij tien (clusters van) instellingen maxima, waarbij het in vier gevallen (Centraal Orgaan opvang Asielzoekers, TNO, Arbeidsvoorzieningsorganisatie en Staatsbosbeheer) gaat om maximering van slechts een deel van het eigen vermogen. In één geval, namelijk de ziekenfondsen, is wel een minimum, maar geen maximum voor de omvang van reserves vastgesteld. Bij vijf (clusters van) instellingen (rijksmuseale instellingen, Informatie Beheer Groep, NWO, uitvoeringsinstellingen sociale zekerheid en FMO) gelden geen vaste grenzen voor de hoogte van (onderdelen van) reserves, maar is wel iets geregeld over de toevoeging aan reserves, danwel is vastgelegd dat jaarlijks over de omvang van reserves wordt overlegd. Bij de (clusters van) instellingen waarbij geen regels zijn gesteld, is dit voor acht daarvan geen bezwaar, omdat hun specifieke situatie dergelijke regels minder zinvol maakt. Voor de overige zes (politieregio’s, universiteiten, hogescholen, academische ziekenhuizen, het Landelijk Selectieen Opleidingsinstituut Politie en de KNAW) is dit wel het geval. Door middel van regelgeving en/of afspraken waar nodig en wenselijk onderbouwde normen stellen voor de hoogte van het eigen vermogen van instellingen, bij voorkeur in samenspraak met betrokken instellingen, gebaseerd op een systematische analyse van relevante factoren en risico’s en in de vorm van bandbreedtes (minimaal en maximaal eigen vermogen). Daar waar alleen voor specifieke reserves normgrenzen zijn gesteld, ook bandbreedtes voor het totale eigen vermogen vaststellen. De normen aanvullen met afspraken over hoe om te gaan met substantiële afwijkingen van de normen. Het kabinet vindt dat de begrenzing van eigen vermogens een nuttig en noodzakelijk instrument kan zijn om het risico van ondoelmatig aanwenden of oppotten van collectieve middelen te voorkomen. Dit risico kan voorkomen worden door een adequate invulling van de sturingsrelatie. Daar waar dit mogelijk en gewenst is zal de verantwoordelijke minister invulling aan de normstelling voor eigen vermogens moeten geven door dit onderdeel te laten zijn van het toezichtsarrangement. Opgemerkt wordt dat in dit kader al verschillende acties zijn gestart om te bezien waar aanvullende regelgeving in specifieke gevallen nuttig en noodzakelijk is. Door de minister van BZK is in 1999 het Convenant politie afgesloten waarin de wenselijkheid wordt onderschreven om te komen tot nadere afspraken over de financiële positie van de politieregio’s. Er komt een wijziging van de Politiewet, waarmee het mogelijk wordt nadere regels te stellen voor (de omvang van) het vermogen van de regio’s. Er zal waarschijnlijk dit voorjaar door de Stuurgroep Implementatie Modernisering Politiezorg een advies worden uitgebracht over het bepalen van de aard en omvang van bovenmatige vermogens en balanstekorten, en over de wijze waarop verevening kan plaatsvinden.De aanbevelingen van de Rekenkamer worden in belangrijke mate onderschreven en opgevolgd.
Omvang: normeren en begrenzen (vervolg)  De minister van OCenW is van mening dat het begrenzen van de vermogensvorming in strijd is met de in onderwijswetten neergeslagen sturings- en toezichtfilosofie. Deze filosofie – meer autonomie voor de instellingen en sturing via verantwoording en toezicht op stelselniveau – impliceert wel kaderscheppende regelgeving, maar geen regelgeving die een onnodige beperking van de handelingsvrijheid van instellingen behelst. De minister geeft aan de financiële positie op stelselen instellingsniveau te monitoren en bij negatieve signalen mogelijk over te gaan tot bestuurlijke acties. Begrenzing van het vermogen bergt volgens hem het risico in zich van ongewenst strategisch gedrag bij die instellingen. De Rekenkamer is in reactie op het commentaar van de minister van OCenW van mening dat het voor de hand ligt de normatieve uitgangspunten op basis waarvan de monitoring en de eventuele bestuurlijke acties plaatsvinden te expliciteren en in beleidsregels vast te leggen. De zelfstandigheid van instellingen is er volgens de Rekenkamer mee gediend wanneer de minister vooraf duidelijke grenzen stelt waarbinnen instellingen financiële handelingsvrijheid hebben. In het geval dat het in de specifieke omstandigheden van het onderwijsveld moeilijk is de bevoegdheid van de minister tot het begrenzen van reserves op korte termijn wettelijk te regelen, beveelt de Rekenkamer aan afhankelijk van de ervaring opgedaan met de monitoring op basis van
   De minister van Justitie kan zich in algemene zin vinden in de conclusies en aanbevelingen. Op het departement is het project Outputsturing Reclassering gestart. In het deelproject Financiën zullen onder meer voorstellen worden ontwikkeld voor de totstandkoming, de omvang en de aanwending van het eigen vermogen. expliciete normen in een later stadium eventueel tot wetgeving over te gaan. Toezicht op stelselniveau behoeft regulering op instellingsniveau niet per definitie in de weg te staan. De Rekenkamer vraagt zich daarbij af of het toezicht op stelselniveau betekent dat een instelling failliet kan gaan zonder dat de minister ingrijpt.
   De minister van SZW deelt de zienswijze van de Rekenkamer dat aan begrenzing van vermogens een analyse van alle voor de instelling of cluster van instellingen relevante factoren en risico’s voorafgaat.  
   De minister van VWS acht het niet verstandig, regelgeving of beleidsafspraken enkel te baseren op onderzoek. Breed draagvlak is van belang. De discussie over de gewenste normering van Academische Ziekenhuizen is het afgelopen jaar volop doorgegaan. Op basis van de uitkomsten zal ook de vermogensvorming bij andere sectoren onder de loep worden genomen. 
   De ministers van V&W en van EZ sluiten zich wat betreft hun algemene commentaar aan bij de kabinetsreactie.  
Omvang: normeren en begrenzen (vervolg)  De Raad van Bestuur van de Nederlandse Omroep Stichting stelt dat eind 1999 een onderzoek was gestart naar de gewenste omvang van de reserve voor programmadoeleinden van de publieke omroepen, met als doel uiteindelijk een richtlijn te formuleren voor de maximering van deze reserve. Omdat het verenigingsvermogen van de omroepen sinds 1993 bevroren is, wordt hierdoor indirect het totale eigen vermogen begrensd. 
   Het Commissariaat voor de Media handelt reeds in grote lijnen overeenkomstig de opvattingen van de Rekenkamer. 
   Het College voor Zorgverzekeringen(CvZ) stelt dat in de recente wijziging van de Ziekenfondswet ondermeer is opgenomen dat bij ministeriële regeling een maximum aan de reserve ZFW van de ziekenfondsen wordt gesteld. Over de invulling van de ministeriële regeling voert het CvZ nu overleg met de minister van VWS. Gedacht wordt daarbij aan een begrenzing door toepassing van een vaste factor maal de solvabiliteitsmarge. Medio 2000 zal deze regeling naar verwachting van kracht worden.  
   Het College voor toezicht sociale verzekeringen (Ctsv) wijst erop dat direct en indirect via de tarieven invloed wordt uitgeoefend op de vermogensvorming bij de uitvoeringsinstellingen en de Sociale verzekeringsbank. In jaarovereenkomsten tussen het Lisv en de uvi’s worden afspraken gemaakt over (tarief en kwaliteit van) prestaties. Indien blijkt dat het door de uvi behaalde resultaat bepaalde waarden overstijgt dan stelt het Lisv via tariefsonderhandelingen de tarieven bij. Kwantitatieve normering van de omvang van het vermogen ligt daarom minder voor de hand.  
     
VerslaggevingBij het merendeel van de onderzochte (clusters van) instellingen voldoen de in regelgeving vervatte verslaggevingseisen grotendeels aan wat wenselijk is om inzicht te krijgen in de vermogensvorming en is de verslaggevingsregelgeving grotendeels gebaseerd op algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving (met name Titel 9 en Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving). Wel varieert de verslaggevingsregelgeving sterk qua inhoud, mate van gedetailleerdheid en wijkt deze in enkele gevallen af van algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving. De variatie in presentatie en toelichting van eigen vermogen en voorzieningen in de jaarrekeningen van de onderzochte instellingen is dan ook groot. Ook binnen clusters van instellingen constateert de Rekenkamer een grote variatie in de wijze van presenteren. Het inzicht dat de jaarrekeningen bieden in eigen vermogen en voorzieningen voldoet in de meeste gevallen aan de eisen zoals vastgelegd in de algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving, maar kan wel op punten verbeterd worden.Algemene verslaggevingsvoorschriften uitvaardigen voor instellingen, bijvoorbeeld bij of krachtens de Kaderwet ZBO’s. Verslaggevingsvoorschriften zoveel mogelijk baseren op algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving, zoals grotendeels neergelegd in Titel 9 Boek 2 BW en RJ-richtlijnen, met specifieke aanvullingen voor presentatie en toelichting van het eigen vermogen, met daarnaast de mogelijkheid voor specifieke aanvullende regelgeving voor specifieke (clusters) instellingen (maatwerk). Het gaat bij de verbetering van verslaggeving door instellingen en aanvullende regelgeving met name om: • de afbakening tussen bestemmingsreserves en voorzieningen; • het voldoende specificeren van reserves en voorzieningen; • het toelichten van aard, doel en functies van de posten; • het geven van inzicht in de mate van bestemming van de reserves; • het toelichten van de vorming en aanwending van de posten (opnemen van mutatiestaten); • het aangeven van het langlopende deel van de voorzieningen; • het hanteren van een zuiver onderscheid tussen resultaatbepaling en resultaatbestemming; • het toelichten van (verwachte ontwikkelingen in) de vermogens- en liquiditeitspositie; • het toelichten van de actuele waarde van materiële activa.Het kabinet: in de beoogde Kaderwet zelfstandige bestuursorganen zullen door een relatie te leggen met de subsidietitel uit de Awb algemene regels voor het financieel toezicht op zelfstandige bestuursorganen tot stand komen. Daarbij bieden de dan bestaande opties voor de concrete vormgeving ruimte voor maatwerk. Daar is aanleiding toe, want de instellingen worden op verschillende wijze bekostigd en voeren uiteenlopende taken uit. Gelet op de grote diversiteit aan instellingen op afstand van het Rijk is het onmogelijk om regelgeving omtrent verslaggeving te uniformeren in een kaderwet. In voorkomende gevallen is uniformering door middel van aanvullende verslaggevingsregelgeving per cluster van instellingen op afstand van het Rijk wel mogelijk. De minister van OCenW voert met ingang van 2001 voor het hoger onderwijs een nieuwe richtlijn in, waarbij de bevindingen van de commissie Koopmans alsmede de aanbevelingen van de AR m.b.t. de verslaggevingsregelgeving zullen meewegen. Dit betreft onder andere de aanscherping van de afbakening tussen bestemmingsreserves en voorzieningen, een toelichting van de actuele waarde van de vaste activa en het splitsen van voorzieningen in korten langlopend. De minister van Justitie kan zich in algemene zin vinden in de conclusies en aanbevelingen. De minister van SZW deelt de mening dat het wenselijk is uit oogpunten van transparantie en vergelijkbaarheid de verslaggevingsregelgeving voor instellingen uit te breiden en zoveel mogelijk te uniformeren, maar is wel van mening dat er ruimte dient te zijn voor maatwerk.De aanbevelingen van de Rekenkamer worden ten dele opgevolgd. De Rekenkamer blijft van mening dat, ondanks de grote verschillen tussen instellingen een grotere mate van uniformering van verslaggevingsregels mogelijk en gewenst is. Een aantal gewenste voorschriften is toepasbaar op alle soorten instellingen (bijvoorbeeld voor het specificeren en toelichten van reserves en voorzieningen en het afbakenen van bestemmingsreserves en voorzieningen). Maatwerk is slechts vereist voor een beperkt deel van de verslaggevingsvoorschriften (bijvoorbeeld het voorschrijven van een verplichte indeling in soorten reserves of van toegestane soorten voorzieningen). Algemene bepalingen dienen bij voorkeur worden opgenomen in de kaderwet ZBO’s. De verslaggevingsbepalingen in de Awb zijn niet bedoeld voor RWT’s en bieden naar de mening van de Rekenkamer onvoldoende waarborgen.
   De minister van VWS deelt de mening van de Rekenkamer. 
Verslaggeving (vervolg)  Het bestuur van CvZ verwacht dat voor de wijze van verantwoording van beleggingen, reserves en waarderingsgrondslagen materiële vaste activa, nadere specifieke voor de ZFW geldende regelgeving tot stand zal worden gebracht, voorzover Titel 9 Boek 2 BW en de RJ-richtlijnen daar niet voldoende in voorzien. De CTU is samen met het CvZ bezig de externe verslaggeving van ziekenfondsen en uitvoeringsorganen AWBZ te herzien. Hierbij zullen nadrukkelijk de aanbevelingen van de Rekenkamer worden betrokken.  
     
BegrotingDe begrotingsregelgeving voor instellingen varieert sterk in de mate van voorgeschreven aandacht voor ontwikkelingen in de vermogenspositie van instellingen. De presentatie en toelichting van prognoses van eigen vermogen en voorzieningen in de begrotingen van instellingen varieert dan ook en is voor verbeteringZoveel mogelijk in de begrotingsregelgeving voorschrijven dat instellingen inzicht bieden in hun financiële meerjarenperspectief en toelichting geven op investeringsplannen en prognoses van eigen vermogen en voorzieningen. Het kabinet is van mening dat voor een goed inzicht in de vermogensvorming, de monitoring door de departementen van de vermogensontwikkeling bij instellingen niet alleen de jaarrekening moet omvatten, maar dat daarbij tevens de (meerjaren)begroting van die instellingen moet worden betrokken.De aanbevelingen van de Rekenkamer worden ten dele opgevolgd.
 vatbaar. De minister van OCenW voert een terughoudend beleid ten aanzien van het in de bekostigingsregelgeving voorschrijven dat instellingen in hun begroting inzicht bieden in het financiële meerjarenperspectief en toelichting geven op investeringsplannen en prognoses van eigen vermogen en voorzieningen. 
   De minister van Justitie kan zich in algemene zin vinden in de conclusies en aanbevelingen. De minister van Justitie acht het echter voor het COA niet zinvol om een prognose voor de voorziening in de begroting op te nemen. Met de raden voor rechtsbijstand zal worden overlegd over de wijze waarop een meerjarenraming voor investeringen kan worden ingebed in de financierings- en verantwoordingsstructuur.  
     
Publiek-privaatBij de onderzochte instellingen die naast publieke taken ook private activiteiten verrichten, vindt vaak geen scheiding (administratief, organisatorisch en/of juridisch) tussen publieke en private geldstromen plaats. Scheiding van het publieke en private deel van het eigen vermogen vindt vrijwel niet plaats. Waar mogelijk voorschrijven dat instellingen een administratieve scheiding tussen publieke en private geldstromen aanbrengen. Expliciet beoordelen of organisatorische en (bij commerciële nevenactiviteiten) juridische scheiding tussen publieke en private geldstromen en scheiding van het publieke en private deel van het eigen vermogen voor de betreffende instellingen mogelijk en wenselijk is. Het kabinet ondersteunt de aanbeveling om in de toezichtsarrangementen aandacht te besteden aan het gevaar van «weglekken» van publieke middelen naar private activiteiten. In hoeverre dit kan leiden tot het scheiden van het vermogen in een publiek deel en een privaat deel, hangt af van wat in het specifieke geval wenselijk en praktisch toepasbaar is. De minister van OCenW acht het van belang dat de met publieke en private activiteiten samenhangende opbrengsten en kosten gescheiden worden verantwoord. Vanwege de verwevenheid tussen beide typen activiteiten is een scheiding in vermogen en voorzieningen uiterst complex. Desondanks zal hij laten onderzoeken of het mogelijk is een onderscheid naar de herkomst van vermogensbestanddelen zichtbaar te maken. De minister van Justitie kan zich in algemene zin vinden in de conclusies en aanbevelingen. De minister van SZW neemt de aanbeveling over. De CTU stelt dat, wat de private activiteiten van ziekenfondsen betreft, wettelijk is bepaald dat een derde waaraan een ziekenfonds taken heeft op- of overgedragen met dat ziekenfonds wordt gelijk gesteld als het gaat om het verstrekken van gegevens aan en de toegang van de CTU. De CTU houdt nadrukkelijk toezicht op werkzaamheden door derden en aspecten inzake de scheiding publiek-privaat. De aanbevelingen van de Rekenkamer worden opgevolgd. De Rekenkamer erkent dat het aanbrengen van een scheiding in een privaat en publiek deel van het vermogen niet altijd eenvoudig is. Voorwaarde daarvoor is een consequente administratieve scheiding van publieke en private geldstromen, met een adequate toerekening van opbrengsten en kosten verbonden aan publieke taken en private activiteiten. De Rekenkamer dringt er op aan maatregelen te nemen zodat zoveel mogelijk aan deze voorwaarden wordt voldaan. De Rekenkamer wijst in dit verband ook op de beleidslijn naar aanleiding van de adviezen van de werkgroep Markt en Overheid inzake de scheiding van private en publieke taken en geldstromen.
     
Lenen, beleggen en uitlenenBij instellingen is sprake van veel variatie in het beleggen van (tijdelijk) overtollige middelen en het aangaan van leningen. Instellingen beleggen overwegend voorzichtig, maar toch nog 9% van de beleggingen is risicovol belegd in aandelen. Ook worden regelmatig leningen verstrekt aan derden, al dan niet gelieerd aan de instelling. Jaarrekeningen geven niet altijd voldoende inzicht. Er is nauwelijks regelgeving op deze punten. Zowel het beleggen, uitlenen en lenen neemt toe.Bepalingen over beleggen van tijdelijk overtollige middelen (vorm, mate van risico e.d.), aantrekken van vreemd vermogen en uitlenen van gelden aan derden opnemen in Kaderwet ZBO’s of specifieke regelgeving. Hierin voorschrijven: – dat overtollige liquide middelen renderend maar met een beperkt risico moeten worden belegd; – dat instellingen wel of niet substantiële leningen mogen aangaan; – dat met publieke gelden alleen in het verlengde van de publieke taak leningen aan (gelieerde) instellingen mogen worden verstrekt; – dat de instellingen in de jaarrekeningen inzicht verschaffen in de samenstelling en risico’s van de beleggingen en uitgegeven leningen.   Overwegen de leen- en depositofaciliteit bij het Ministerie van Financiën open te stellen voor (bepaalde categorieën) instellingen.Thans wordt in het kabinet overleg gevoerd over een beleidslijn met betrekking tot instellingen op afstand van het Rijk. Zodra het kabinet deze beleidslijn heeft geformuleerd zullen de Tweede Kamer en de Algemene Rekenkamer hiervan op de hoogte worden gebracht. In ieder geval zal de stand van zaken in de Miljoenennota 2001 worden opgenomen. De minister van BZK wijst specifiek op het wetsvoorstel financiering decentrale overheden (inclusief politie), dat in behandeling bij de Tweede Kamer is. Deze wet bevordert dat de financieringsfunctie te allen tijde dienstbaar moet zijn aan de publieke taak. Het in- en doorlenen van middelen teneinde daarmee winst te maken zal verboden worden. Eventuele beleggingen dienen een prudent karakter te hebben. Bij ministeriële regeling zullen hiervoor nadere regels worden gesteld. De minister van OCenW is van mening dat dwingende voorschriften voor het lenen, beleggen en uitlenen door instellingen niet sporen met de sturingsfilosofie en de autonomie van de instellingen gefinancierd door OCenW. Universiteiten zijn sinds kort verplicht een treasury-statuut op te stellen. Zijn departement werkt aan een handreiking voor beleggen en belenen die vooralsnog de vorm heeft van een gedragslijn. De aanbevelingen van de Rekenkamer worden grotendeels opgevolgd. De Rekenkamer geeft in overweging de in ontwikkeling zijnde beleidslijn tezijnertijd in de Kaderwet ZBO’s vast te leggen en daarbij instellingen te verplichten om over een actueel treasury-statuut te beschikken, dat aandacht geeft aan tenminste de volgende punten: beleggen (bijvoorbeeld alleen met een beperkt risico), het wel of niet aangaan van (substantiële) leningen, uitlenen (bijvoorbeeld alleen in het verlengde van de publieke taak). Over de inhoud van het statuut en het op basis daarvan gevoerde beleid dient in de jaarrekening verantwoording te worden afgelegd. De Rekenkamer onderschrijft de opvatting van de minister van Justitie dat aanvullende regelgeving voor het COA overbodig is, omdat het ministerie van Justitie ten tijde van het onderzoek reeds aan de normen van de Rekenkamer voldeed. De door de minister van Justitie genoemde discussie zou uit kunnen monden in een keuzemogelijkheid voor instellingen om voor het aantrekken van vreemd vermogen gebruik te maken van een ZBO-bank of een leen- en depositofaciliteit bij het Ministerie van Financiën.
Lenen, beleggen en uitlenen (vervolg)  De minister van Justitie kan zich in algemene zin vinden in de conclusies en aanbevelingen. Aanvullende regelgeving ten aanzien van leningen is voor het COA overbodig. Voor leningen dient vooraf goedkeuring van de minister worden verkregen. Het aantrekken van geldleningen zal in principe niet nodig zijn. Verder verwijst de minister van Justitie naar de discussie die momenteel wordt gevoerd in het kader van het instellen van een ZBO-bank of het zogenaamde schatkistbankieren. De minister van SZW neemt de aanbeveling over om voor te schrijven dat instellingen in hun jaarrekening inzicht geven in samenstelling en risico’s van beleggingen en leningen. 
   De minister van VWS zal bij ministeriële regeling beleggingsvoorschriften voor ziekenfondsen vaststellen. 
   De minister van VROM zal de bevoegdheid tot het goedkeuren van de beleggingsstatuten van Kadaster en CFV bij de minister leggen, zodat van risicovol beleggen geen sprake kan zijn. Wat betreft het standpunt inzake schatkistbankieren dringt de minister van VROM aan op nadere nuancering en concretisering, waarbij hij opmerkt dat Financiën in overleg met de diverse vakdepartementen bezig is met het ontwerpen van rijksbeleid terzake.  
   De minister van LNV heeft een richtlijn aan Staatsbosbeheer verstrekt om eventuele overtollige liquiditeiten zonder koersrisico te beleggen.
Lenen, beleggen en uitlenen (vervolg)  Het CVZ schrijft dat niet bekend is of de risicovolle beleggingen van 10 ziekenfondsen (f 370 miljoen) uit de reserves ZFW of reserves van de ex-vrijwillige verzekering komen. Het bestuur acht riscovol beleggen van de reserves ZFW niet gewenst en zal daar aandacht aan besteden. Ook zal het aandacht besteden aan regels voor onderhandse leningen en voor het aantrekken van vreemd vermogen, dit in nauw onverleg met de CTU en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De CTU wijst er op dat thans op grond van de wet Maximering reserves ziekenfondsen bij ministeriële regeling regels kunnen worden gesteld voor het beleggen van gelden waarover de ziekenfondsen beschikken. 
   Het Commissariaat voor de Media schrijft dat door de verenigingsvorm van de omroepen er geen regelgeving bestaat voor investeringen en beleggingen. Het Commissariaat toetst overigens wel of deelneming in bedrijven geen strijdigheid oplevert met de Mediawet.  
     
Verzelfstandiging eigendom en aansprakenBij oprichting of verzelfstandiging van instellingen is in het verleden kennelijk niet altijd voldoende aandacht geweest voor het aspect vermogensvorming. Dit aspect bij toekomstige verzelfstandigingen meer aandacht geven. Het normenkader in het Rekenkamerrapport «Financiële aspecten van verzelfstandigingen» kan hierbij mede richting geven. Tevens is aandacht gewenst voor het vraagstuk van eigendom van, en de aanspraken op het eigen vermogen in geval van opheffing, fusie met een andere instelling, verkoop van een onderdeel, of faillissement. Over deze aanbevelingen zijn geen opmerkingen gemaakt.  

Alle instellingen

 ConclusieAanbevelingReactie minister/instellingNawoord Rekenkamer
OmvangBij het merendeel van de in de diepte onderzochte tien instellingen ontbreekt een op een systematische analyse van relevante factoren en risico’s gebaseerd intern beleid inzake (omvang van) de vermogensvorming. Het ontbreekt in deze gevallen ook aan een departementaal beleid dat als ijkpunt kan fungeren. Formuleren van een op een systematische analyse van relevante factoren en risico’s gebaseerd intern beleid inzake (omvang van) de vermogensvorming.Zie reacties van de in het diepte-onderzoek onderzochte instellingen hieronder. De ministers en toezichthouders hadden geen aanvullende opmerkingen bij deze conclusies en aanbevelingen.N.v.t.
     
VerslaggevingHet inzicht dat de jaarrekeningen van de onderzochte instellingen bieden in eigen vermogen en voorzieningen, kan verbeterd worden. Dit betreft met name het onderscheid tussen voorzieningen en (bestemmings)reserves, de toelichting daarop (aard en doel, specificering en mate van bestemming van de reserves), de toelichting op vorming en aanwending van reserves en voorzieningen (opnemen van mutatiestaten), het aangeven van het langlopende en kortlopende deel van de voorzieningen, het hanteren van een zuiver onderscheid tussen resultaatbepaling en -bestemming en het opnemen van een algemene beschouwing over (ontwikkelingen in) de vermogens- en liquiditeitspositie.In volgende jaarrekeningen meer inzicht verschaffen in de hiernaast genoemde punten. Idem.N.v.t.
     
BegrotingHet inzicht dat de begrotingen van de in de diepte onderzochte instellingen bieden in prognoses van eigen vermogen en voorzieningen, kan op onderdelen verbeterd worden. In volgende begrotingen meer inzicht verschaffen in de voorgenomen vorming en aanwending van eigen vermogen en voorzieningen (prognoses en toelichting), meerjarenramingen en investeringsplannen. Idem.N.v.t.

II. SPECIFIEKE CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN DIEPTE-ONDERZOEK PER INSTELLING PERIODE 1995–1997

De conclusies betreffen de Ministeries van OCenW (WO en OWB), BZK en SZW, de universiteiten van Leiden, Utrecht en Delft, de instellingen voor wetenschappelijk onderzoek TNO, KNAW en NWO, de politieregio’s Amsterdam-Amstelland, Utrecht en Groningen en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. De conclusies hebben betrekking op de periode 1995–1997. Zoveel mogelijk is rekening gehouden met wijzigingen in de jaren 1998 of 1999. Het nawoord van de Rekenkamer in dit deel II van de bijlage beperkt zich tot instellingsspecifieke en aanvullende punten. Voor het overige wordt verwezen naar het nawoord in deel I, dat hier niet per punt wordt herhaald.

A. UNIVERSITEITEN

Ministerie van OCenW, directie WO

ConclusieAanbevelingReactie ministerNawoord Rekenkamer
OCenW heeft veel aandacht voor vermogensvorming bij universiteiten, zowel in de vorm van aparte onderzoeken als monitoring en financiële analyses van de jaarcijfers. Naast interne onderzoeken door of in opdracht van OCenW in 1994 en 1997 is in 1999 een onafhankelijk onderzoek uitgevoerd door de Commissie Koopmans, in opdracht van OCenW en de VSNU. Ook door of in opdracht van de VSNU en enkele universiteiten zijn onderzoeken uitgevoerd. De vele onderzoeken hebben nog niet geleid tot het stellen van normen aan de (eigen) vermogens van de universiteiten. In samenspraak met de instellingen spoedig komen tot regelgeving of afspraken inzake de minimale en maximale omvang van het (eigen) vermogen van de universiteiten (in de vorm van bandbreedtes en maatwerk) en de wijze van omgaan met vermogenstekorten en -overschotten. De minister heeft geen specifieke reactie op deze conclusie en aanbeveling gegeven. Zie de algemene reactie van de minister van OCenW op de in de hoofdtekst van het rapport verwoorde bevindingen, conclusies en aanbevelingen van de Rekenkamer. N.v.t.
    
OCenW heeft veel aandacht voor verbetering van verslaggevingsvoorschriften: uniformering/aansluiten bij algemeen aanvaarde grondslagen en uitbreiden van de eisen aan de verantwoording over eigen vermogen en voorzieningen. De huidige regelgeving bevat nog een enkele afwijking van algemeen aanvaarde grondslagen (toegestane dotatie aan de vervangingsreserve onroerende goederen ten laste van het resultaat).Spoedig realiseren van de aanpassing van de verslaggevingsregelgeving aan algemeen aanvaarde grondslagen en aan de voorstellen van de Werkgroep Richtlijnen financieel verslag Universiteiten (WRU) op het gebied van uitbreiding van de verantwoordingsplicht over eigen vermogen en voorzieningen. Idem.N.v.t.
    
OCenW voert nog geen beleid ten aanzien van het bestedingsdoel van met publieke gelden opgebouwde reserves, de gewenste mate van aanhouden van vermogen in liquide middelen (incl. eisen aan het beleggen van tijdelijk overtollige liquide middelen) en het voorzover mogelijk scheiden van publieke en «private» middelen (derde geldstroom), incl. het scheiden van het publieke en private deel van het eigen vermogen. Formuleren van beleid ten aanzien van de hiernaast genoemde punten. Idem.N.v.t.

Universiteit Leiden

ConclusieAanbevelingReactie instellingNawoord Rekenkamer
Het interne beleid inzake vermogensvorming is in ontwikkeling, echter nog versnipperd vastgelegd en beperkt inzichtelijk. Ook ontbreekt nog een systematische analyse van relevante factoren en risico’s ter onderbouwing van de gewenste en aanvaardbare omvang van het (eigen) vermogen. Verder ontwikkelen van een op een systematische analyse van relevante factoren en risico’s gebaseerd intern beleid inzake (omvang van) de vermogensvorming. Geen opmerkingen. N.v.t.
    
Er is sprake van gedeeltelijke administratieve scheiding van publieke en «private» geldstromen (derde geldstroom); geen organisatorische en juridische scheiding. Er is geen scheiding tussen het publieke en private deel van het eigen vermogen. Voor zover mogelijk verder scheiden van publieke en «private» geldstromen en het publieke en private deel van het eigen vermogen. Dit vereist een meer gedifferentieerde aanpak en uitwerking dan in de eenvoud en compactheid van deze aanbeveling wordt gesuggereerd. Verzocht wordt het een en ander nader te verwoorden.Verwezen wordt naar de overwegingen zoals gegeven in hoofdstuk 5 en bijlage 5.
De presentatie en toelichting van eigen vermogen en voorzieningen in de jaarrekeningen voldoet – behoudens een kleine uitzondering – aan de formeleverslaggevingseisen.N.v.t. N.v.t. N.v.t.
Het in de jaarrekeningen geboden inzicht in aard en doel van de reserves en voorzieningen, mate van bestemdheid van de reserves, het langlopend deel van de voorzieningen en de forse voorziening herstructurering kan verbeterd worden. In volgende jaarrekeningen meer inzicht verschaffen in de hiernaast genoemde punten. Geen opmerkingen. N.v.t.
De afbakening tussen reserves en voorzieningen is voldoende. N.v.t. N.v.t. N.v.t.
De verwerking van mutaties in reserves en voorzieningen vindt plaats conform algemeen aanvaarde grondslagen. N.v.t.N.v.t. N.v.t.
    
Er is voldoende aandacht voor vermogensvorming in de begrotingen, hoewel de specificaties en toelichting op mutaties in reserves en voorzieningen summier zijn.Uitbreiden van de informatievoorziening over mutaties in reserves en voorzieningen in volgende begrotingen. Geen opmerkingen.N.v.t.
    
De wet- en regelgeving inzake vermogensvorming, beperkt tot verslaggevingsregelgeving, wordt op een kleine uitzondering na nageleefd; in dit opzicht vindt de vermogensvorming dus rechtmatig plaats. N.v.t. N.v.t. N.v.t.
    
Een uitspraak over de aanvaardbaarheid van de vermogensvorming is moeilijk, aangezien geen systematische analyse van factoren en risico’s voorhanden is; in vergelijking met andere universiteiten zijn de huidige financiële positie en de financiële vooruitzichten matig (huisvestingsinvesteringen, achterstallig onderhoud, inkrimping personeelsbestand). Het aantrekken van lang vreemd vermogen is noodzakelijk. Verrichten van een systematische analyse van relevante factoren en risico’s, op basis waarvan uitspraken over de aanvaardbaarheid van de vermogensvorming kunnen worden gedaan. Geen opmerkingen. N.v.t.

Universiteit Utrecht

ConclusieAanbevelingReactie instellingNawoord Rekenkamer
Het interne beleid inzake vermogensvorming is versnipperd vastgelegd en beperkt inzichtelijk. Er ontbreekt nog een op een systematische analyse van relevante factoren en risico’s gebaseerd intern beleid inzake de gewenste en aanvaardbare omvang van het (eigen) vermogen. Formuleren van een op een systematische analyse van relevante factoren en risico’s gebaseerd intern beleid inzake (omvang van) de vermogensvorming.Gesteld wordt dat het eigen vermogen van de UU opgebouwd dient te worden vanuit twee doelstellingen: bufferfunctie voor de (decentrale) onderdelen (tussen de 5 à 30% van de baten van het onderdeel) en financieringsfunctie voor onroerend goed. Wat de financieringsfunctie betreft wordt vooralsnog de benadering in het rapport Koopmans als minimumgrens gevolgd. Investeringen in onroerend goed worden primair beoordeeld op hun effecten op de exploitatiebegroting. Het vormen van een maximumnorm lijkt de UU, gezien de investeringsplannen voor de eerstkomende jaren, weinig relevant. De UU besteedt in toenemende mate aandacht aan het thema vermogensvorming. De Rekenkamer blijft van mening dat, juist in het geval van een ruim vermogen en omvangrijke investeringsplannen, beleid inzake de maximale omvang van de vermogensvorming gewenst is.
    
Er is sprake van gedeeltelijke administratieve, organisatorische en juridische scheiding van publieke en «private» geldstromen (derde geldstroom). Er is geen scheiding tussen het publieke en private deel van het eigen vermogen.Voor zover mogelijk verder scheiden van publieke en «private» geldstromen en het publieke en private deel van het eigen vermogen. Er zijn geen plannen het publieke en private deel van het eigen vermogen te scheiden, gegeven de besturingsfilosofie van de UU, die er op gericht is om privaat gefinancierde activiteiten dienstbaar te laten zijn aan de wettelijke taak. Betwijfeld wordt of de inspanningen opwegen tegen de te verkrijgen inzichten. De Rekenkamer beveelt aan dat de universiteiten in samenspraak met het Ministerie van OCenW tot afspraken inzake de scheiding publiek-privaat komen.
    
De presentatie en toelichting van eigen vermogen en voorzieningen in de jaarrekeningen voldoet – behoudens een kleine uitzondering – aan de formele verslaggevingseisen.N.v.t.N.v.t.N.v.t.
Het in de jaarrekeningen geboden inzicht in eigen vermogen en voorzieningen is voldoende, hoewel de toelichting van aard, doel en functies van de reserves uitgebreider kan.In volgende jaarrekeningen meer inzicht verschaffen in het hiernaast genoemde punt.Bij de voorgenomen bredere aanpassing van de jaarrekening en het jaarverslag 2000 zal ook de toelichting op vermogensbestanddelen aangevuld worden. Hiermee wordt voldaan aan de aanbeveling van de Rekenkamer.
De afbakening tussen reserves en voorzieningen is voldoende. N.v.t. N.v.t. N.v.t.
De verwerking van mutaties in reserves en voorzieningen vindt plaats conform algemeen aanvaarde grondslagen. N.v.t. N.v.t.N.v.t.
    
Er is beperkte aandacht voor vermogensvorming in de begrotingen; de cijfermatige aandacht voor reserves en voorzieningen is summier. Uitbreiden van de informatievoorziening over eigen vermogen en voorzieningen in volgende begrotingen. De aandacht voor het eigen vermogen wil de UU bij voorkeur vorm geven in het jaarverslag. De aandacht in de begroting zal vooral gericht worden op de besteding van de reserves in meerjarig kader. De UU is voornemens in de begroting 2001–2005 in te gaan op de ontwikkeling van de bedrijfsreserve per onderdeel. Hiermee wordt gedeeltelijk voldaan aan de aanbeveling van de Rekenkamer.
    
De wet- en regelgeving inzake vermogensvorming, beperkt tot verslaggevingsregelgeving, wordt op een kleine uitzondering na nageleefd; in dit opzicht vindt de vermogensvorming dus rechtmatig plaats. N.v.t. N.v.t.N.v.t.
    
Een uitspraak over de aanvaardbaarheid van de vermogensvorming is moeilijk, aangezien geen systematische analyse van factoren en risico’s voorhanden is. De huidige financiële positie en de financiële vooruitzichten zijn goed, ook in vergelijking met andere universiteiten. Huisvestings- en overige investeringen kunnen naar verwachting geheel met eigen vermogen worden gefinancierd. Verrichten van een systematische analyse van relevante factoren en risico’s, op basis waarvan uitspraken over de aanvaardbaarheid van de vermogensvorming kunnen worden gedaan.Tegen de achtergrond van het rapport Koopmans en de investeringsplannen voor de komende jaren in onroerend goed, nieuwe opleidingen en kwaliteitsverhoging, acht de UU de huidige vermogenspositie zeker aanvaardbaar. Na verdere uitwerking van enkele (grote) investeringsplannen zal de UU deze positie zonodig opnieuw in beschouwing nemen. De Rekenkamer beveelt aan deze opvatting te onderbouwen met een systematische analyse van relevante factoren en risico’s.

Technische Universiteit Delft

ConclusieAanbevelingReactie instellingNawoord Rekenkamer
Het interne beleid inzake vermogensvorming is versnipperd vastgelegd en beperkt inzichtelijk. Er ontbreekt nog een op een systematische analyse van relevante factoren en risico’s gebaseerd intern beleid inzake de gewenste en aanvaardbare omvang van het (eigen) vermogen. Formuleren van een op een systematische analyse van relevante factoren en risico’s gebaseerd intern beleid inzake (omvang van) de vermogensvorming.Het beleid van de TU Delft is gebaseerd op een decentralisatie van belangrijke delen van de financiële functie. Dit zal leiden tot facultaire jaarrekeningen en op concernniveau niet zichtbare interne schuldverhoudingen. Dit betekent dat interne regels voor vermogensvorming slechts zeer beperkt raken aan hetgeen op concernniveau een rol speelt. Ten aanzien van voorzieningen zullen nadere interne regels en beleid geformuleerd worden.Hiermee wordt slechts ten dele aan de aanbeveling van de Rekenkamer voldaan. De Rekenkamer blijft bij haar aanbeveling te komen tot een intern beleid inzake vermogensvorming op concernniveau.
    
Er is geen sprake van administratieve, organisatorische of juridische scheiding van publieke en «private» geldstromen (derde geldstroom). Er is sprake van gedeeltelijke scheiding tussen het publieke en private deel van het eigen vermogen. Voor zover mogelijk scheiden van publieke en «private» geldstromen en het publieke en private deel van het eigen vermogen. Scheiding van publieke en private stromen is slechts dan zinvol wanneer dat vanuit het oogpunt van het tegengaan van oneerlijke concurrentie gewenst is. Universiteiten zijn thans verplicht enige beklemde componenten van het eigen vermogen (erfstellingen en legaten, vermogen van geconsolideerde rechtspersonen) gescheiden te vermelden. De TU Delft ondersteunt deze wijziging in de richtlijnen.De Rekenkamer beveelt aan dat de universiteiten in samenspraak met het Ministerie van OCenW tot verdere afspraken inzake de scheiding publiek-privaat komen.
    
De presentatie en toelichting van eigen vermogen en voorzieningen in de jaarrekeningen voldoet – behoudens een kleine uitzondering – aan de formele verslaggevingseisen. N.v.t. N.v.t. N.v.t.
Het in de jaarrekeningen geboden inzicht in aard en doel van de reserves en voorzieningen, functies van het eigen vermogen, mate van bestemdheid van de reserves en (toelichting op) mutaties in reserves en voorzieningen kan verbeterd worden. In volgende jaarrekeningen meer inzicht verschaffen in de hiernaast genoemde punten. De toelichting op de vermogenscomponenten kan verbeterd worden. De aanbeveling wordt echter weinig precies gevonden. Verwezen wordt naar de overwegingen zoals gegeven in hoofdstuk 5 en bijlage 5.
De afbakening tussen reserves en voorzieningen is, met name decentraal, nog niet geheel zuiver. Zuiverheid van de afbakening tussen reserves en voorzieningen bewaken. Geen opmerkingen. N.v.t.
De verwerking van mutaties in reserves en voorzieningen vindt – met uitzondering van de (in de regelgeving toegestane) verwerking van dotaties aan de vervangingsreserve onroerend goed – plaats conform algemeen aanvaarde grondslagen. Alle mutaties in reserves verwerken conform algemeen aanvaarde grondslagen. De vervangingsreserve huisvesting is in 1998 opgeheven. Hiermee is voldaan aan de aanbeveling van de Rekenkamer.
    
Er is voldoende aandacht voor vermogensvorming in de begrotingen, hoewel de informatievoorziening over voorzieningen uitgebreider kan.Uitbreiden van de informatievoorziening over voorzieningen in volgende begrotingen. Geen opmerkingen. N.v.t.
    
De wet- en regelgeving inzake vermogensvorming, beperkt tot verslaggevingsregelgeving, wordt op een kleine uitzondering na nageleefd; in dit opzicht vindt de vermogensvorming dus rechtmatig plaats. N.v.t. N.v.t. N.v.t.
    
Een uitspraak over de aanvaardbaarheid van de vermogensvorming is moeilijk, aangezien geen systematische analyse van factoren en risico’s voorhanden is. De huidige financiële positie is ruim voldoende tot goed; de financiële vooruitzichten worden gedomineerd door de impact van huisvestingsinvesteringen, waarvoor naar verwachting tijdelijk lang vreemd vermogen moet worden aangetrokken.Verrichten van een systematische analyse van relevante factoren en risico’s, op basis waarvan uitspraken over de aanvaardbaarheid van de vermogensvorming kunnen worden gedaan. Geen opmerkingen.N.v.t.

B. INSTELLINGEN VOOR WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK

Ministerie van OCenW, directie OWB

ConclusieAanbevelingReactie instellingNawoord Rekenkamer
OCenW heeft in toenemende mate aandacht voor vermogensvorming bij TNO, KNAW en NWO, zowel in de vorm van aparte onderzoeken als monitoring en financiële analyses van de jaarcijfers. In opdracht van OCenW zijn onderzoeken uitgevoerd naar de vermogensvorming bij TNO (1996) en KNAW (1997), die nog niet hebben geleid tot het stellen van normen aan (eigen) vermogen, ondanks de gesignaleerde ruime liquiditeit en solvabiliteit. Bij NWO is in de jaren 1995–1996 geëxperimenteerd met het stellen van absolute normen aan eigen vermogen en voorzieningen, hetgeen niet goed werkte en spoedig verlaten is. Thans worden door OCenW bij NWO financiële kengetallen meerjarig gemonitored, op grond waarvan afspraken over de omvang van (eigen) vermogen en liquide middelen in de vorm van bandbreedtes (relatieve normen) zullen worden gemaakt. OcenW is voornemens ook bij TNO en KNAW tot dergelijke relatieve normen te komen. In samenspraak met de instellingen spoedig komen tot regelgeving of afspraken inzake de minimale en maximale omvang van het (eigen) vermogen van de instellingen (in de vorm van bandbreedtes en maatwerk) en de wijze van omgaan met vermogenstekorten en -overschotten. De minister heeft geen specifieke reactie op deze conclusie en aanbeveling gegeven. Zie de algemene reactie van de minister van OCenW op de in de hoofdtekst van het rapport verwoorde bevindingen, conclusies en aanbevelingen van de Rekenkamer.N.v.t.
    
OCenW heeft veel aandacht voor verbetering (NWO) en uitvaardiging (TNO, KNAW) van specifieke verslaggevingsvoorschriften. Hierbij wordt grotendeels aangesloten bij algemeen aanvaarde grondslagen, hoewel de voorschriften voor NWO nog afwijkingen van algemeen aanvaarde grondslagen op het gebied van voorzieningen bevatten. Voor TNO en KNAW gold ten tijde van het onderzoek nog geen specifieke regelgeving; voor TNO was de regelgeving in ontwikkeling; voor KNAW is de regelgeving gerealiseerd maar nog niet van kracht. Spoedig realiseren van de aanpassing van de verslaggevingsregelgeving voor NWO aan algemeen aanvaarde grondslagen voor voorzieningen; spoedig realiseren van adequate verslaggevingsregelgeving voor TNO, met voldoende aandacht voor presentatie en toelichting van eigen vermogen, egalisatierekening en voorzieningen. Idem.Volgens TNO is inmiddels aan deze aanbevelingen voldaan (zie hieronder bij de reactie van TNO).
    
OCenW voert nog geen beleid ten aanzien van het bestedingsdoel van met publieke gelden opgebouwde reserves bij TNO (wel bij KNAW en NWO), de gewenste mate van aanhouden van vermogen in liquide middelen (incl. eisen aan het beleggen van tijdelijk overtollige liquide middelen) en het voorzover mogelijk scheiden van publieke en private middelen, incl.het scheiden van het publieke en private deel van het eigen vermogen. Formuleren van beleid ten aanzien van de hiernaast genoemde punten. Idem.N.v.t.

TNO

ConclusieAanbevelingReactie instellingNawoord Rekenkamer
Het interne beleid inzake vermogensvorming is versnipperd vastgelegd en beperkt inzichtelijk. Er ontbreekt nog een op een systematische analyse van relevante factoren en risico’s gebaseerd intern beleid inzake de gewenste en aanvaardbare omvang van het (eigen) vermogen.Formuleren van een op een systematische analyse van relevante factoren en risico’s gebaseerd intern beleid inzake (omvang van) de vermogensvorming.TNO heeft besloten, in samenwerking met KPMG (en waarbij ook het Ministerie van OCenW betrokken is), een studie te verrichten naar de gewenste omvang en samenstelling van het vermogen en de relevante factoren die hierbij van belang zijn. De uitkomsten vormen de basis voor het door TNO te formuleren beleid. Hiermee wordt gehoor gegeven aan de aanbeveling van de Rekenkamer.
    
Er is sprake van administratieve scheiding van publieke en private geldstromen en uitplaatsing van commerciële activiteiten buiten TNO (organisatorische en juridische scheiding). Er is geen sprake van scheiding tussen het publieke en het private deel van het eigen vermogen. Voor zover mogelijk scheiden van het publieke en het private deel van het eigen vermogen. TNO blijft van mening dat het aanbrengen van een scheiding tussen het publieke en private deel van het eigen vermogen niet gewenst en ook niet goed mogelijk is. De TNO-wet geeft TNO een hoge mate van autonomie. TNO opereert op basis van bedrijfseconomische grondslagen (artikel 32). TNO ontvangt overheidsfinanciering op basis van outputfinanciering voor de gewenste kennisopbouw. Dit betekent dat overeenkomstig de TNO-wet TNO zelf verantwoordelijk is voor haar financiële positie en het te voeren financieel beleid en dat in het verlengde hiervan eventuele tekorten niet op de overheid kunnen worden afgewenteld. Met name de systematiek van outputfinanciering leidt er toe dat er wel sprake is van een administratief onderscheid van private en publieke geldstromen, doch dat dit onderscheid niet goed door kan werken in balansposten zoals het eigen vermogen. TNO voert een administratie die uitgaat van één huishouding, overeenkomend met het gestelde in artikel 32: «De organisatie wordt beheerd als een administratieve eenheid, zoveel doenlijk met inachtneming van bedrijfseconomische beginselen». De Rekenkamer heeft begrip voor het standpunt van TNO en beveelt aan dat TNO en het Ministerie van OCenW tot afspraken komen inzake het al dan niet verder vormgeven van een scheiding tussen het publieke en private deel van het eigen vermogen. Voor de overwegingen van de Rekenkamer om tot dit standpunt te komen wordt verwezen naar hoofdstuk 5 en bijlage 5.
    
De presentatie en toelichting van eigen vermogen, egalisatierekening en voorzieningen in de jaarrekeningen voldoet grotendeels aan de eisen van de vrijwillig door TNO gevolgde verslaggevingsregelgeving van Titel 9 en de RJ-richtlijnen (formele verslaggevingseisen ontbreken nagenoeg). Uitzonderingen betreffen de «voorziening» bedrijfsrisico’s (karakter van bestemmingsreserve) en het eigen vermogen (niet gespecificeerd en toegelicht). Zolang nog geen formele, specifieke verslaggevingsregelgeving voor TNO geldt, zoveel mogelijk de bepalingen van Titel 9 en de RJ-richtlijnen volgen. Dit impliceert het omzetten van de voorziening bedrijfsrisico’s in een bestemmingsreserve en het specificeren en toelichten van het eigen vermogen. Ultimo 1999 is het Besluit inzake de vaststelling richtlijnen Jaarrekening TNO tot stand gekomen. Deze richtlijn is voor het eerst van toepassing op de financiële verslaggeving over 1999. Hierin zijn bepalingen opgenomen inzake voorzieningen en reserves en is bepaald dat een bestemmingsreserve bedrijfsrisico’s (in plaats van de voorziening) gevormd mag worden. Ook is bepaald dat de bepalingen van Titel 9 Boek 2 BW en de richtlijnen van de Raad voor de Jaarverslaggeving van toepassing zijn, tenzij de richtlijnen van het Ministerie van OCenW anders voorschrijven. Hiermee is voldaan aan de aanbeveling van de Rekenkamer.
Het in de jaarrekeningen geboden inzicht in aard, doel en samenstelling van eigen vermogen en egalisatierekening, functies van het eigen vermogen, mate van bestemdheid van het eigen vermogen en (toelichting op) mutaties in eigen vermogen, egalisatierekening en voorzieningen kan verbeterd worden. In volgende jaarrekeningen meer inzicht verschaffen in de hiernaast genoemde punten. Zie hiervoor; verder geen opmerkingen. De Rekenkamer blijft, ook na inwerkingtreding van de nieuwe richtlijnen, aandacht vragen voor het verschaffen van meer inzicht in de genoemde punten.
De afbakening tussen eigen vermogen en voorzieningen is nog niet geheel zuiver; de «voorziening» bedrijfsrisico’s heeft het karakter van een bestemmingsreserve.Zuiverheid van de afbakening tussen reserves en voorzieningen bewaken. Voorziening bedrijfsrisico’s omzetten in bestemmingsreserve.Zie hiervoor. N.v.t.
Afgezien van het reservekarakter van de «voorziening» bedrijfsrisico’s, vindt de verwerking van mutaties in eigen vermogen, egalisatierekening en voorzieningen plaats conform algemeen aanvaarde grondslagen. Na omzetting van de voorziening bedrijfsrisico’s in een bestemmingsreserve, de mutaties in deze post verwerken conform algemeen aanvaarde grondslagen (als resultaatbestemming in plaats van -bepaling). Zie hiervoor.N.v.t.
    
Er is beperkt aandacht voor vermogensvorming in de begrotingen; prognoses van de ontwikkeling van eigen vermogen en voorzieningen ontbreken. Uitbreiden van de informatievoorziening over (ontwikkelingen in) eigen vermogen en voorzieningen in volgende begrotingen. Toegezegd wordt een beleid te formuleren ten aanzien van de gewenste en aanvaardbare omvang van het (eigen) vermogen op basis van de resultaten van de studie (zie bij de eerste conclusie en aanbeveling). Ook zal hier in de begroting aandacht aan besteed worden. Hiermee wordt gehoor gegeven aan de aanbeveling van de Rekenkamer.
    
De wet- en regelgeving inzake vermogensvorming door TNO is beperkt tot een artikel in de TNO-wet over de vorming van reserves. Daarnaast past TNO vrijwillig (en volgens afspraak met OCenW) zoveel mogelijk de verslaggevingsbepalingen van Titel 9 Boek 2 BW en de RJ toe. TNO voldoet grotendeels aan de vrijwillig gevolgde verslaggevingsregelgeving. In dit opzicht vindt de vermogensvorming bij TNO, behoudens bovengenoemde uitzonderingen, rechtmatig plaats. In Titel 9 en de RJ-richtlijnen zijn redelijk toepasbare bepalingen over voorzieningen en egalisatierekeningen opgenomen; de bepalingen over het eigen vermogen zijn echter niet goed toepasbaar voor TNO, hetgeen resulteert in het niet toelichten van het eigen vermogen in de jaarrekening. De Rekenkamer acht het gewenst dat OCenW de voorgenomen, op TNO toegesneden aanvullende verslaggevingsregelgeving spoedig realiseert.De minister van OCenW heeft inmiddels een besluit vastgesteld inzake de grondslagen voor de jaarverslaggeving van TNO. Zie bij de derde conclusie en aanbevelingen. Aan de aanbeveling van de Rekenkamer is voldaan.
    
Een uitspraak over de aanvaardbaarheid van de vermogensvorming is moeilijk, aangezien geen systematische analyse van factoren en risico’s voorhanden is. De huidige financiële positie is ruim voldoende tot goed; de overwegend gunstige financiële vooruitzichten worden gedomineerd door de impact van huisvestingsinvesteringen, die naar verwachting geheel met eigen vermogen kunnen worden gefinancierd.Verrichten van een systematische analyse van relevante factoren en risico’s, op basis waarvan uitspraken over de aanvaardbaarheid van de vermogensvorming kunnen worden gedaan. TNO verwijst naar de eerste aanbeveling en conclusie. De conclusie ten aanzien van de financiële positie wordt onderschreven, maar de liquiditeitspositie is in 1998 en 1999 aanzienlijk afgenomen in verband met investeringen in de huisvesting. Gezien de omvang van de geplande investeringen vindt er met het Ministerie van OCenW overleg plaats over het aantrekken van vreemd vermogen door TNO, waarvoor de toestemming van de minister van OCenW benodigd is, in overeenstemming met de minister van Financiën (artikel 22 TNO-wet). Hiermee wordt gehoor gegeven aan de aanbeveling van de Rekenkamer.

KNAW

ConclusieAanbevelingReactie instellingNawoord Rekenkamer
Het interne beleid inzake vermogensvorming is in beweging. Er ontbreekt nog een op een systematische analyse van relevante factoren en risico’s gebaseerd intern beleid inzake de gewenste en aanvaardbare omvang van het (eigen) vermogen. Formuleren van een op een systematische analyse van relevante factoren en risico’s gebaseerd intern beleid inzake (omvang van) de vermogensvorming. De KNAW stelt dat zorgvuldigheid bij vermogensvorming en het creëren van voorzieningen geboden is; relevante risico-analyses zijn daartoe een geëigende methode. De analyses worden al zo goed mogelijk toegepast bij het voorzieningenbeleid. Ten aanzien van de vorming van het eigen vermogen heeft de KNAW vastgesteld dat de uitgangspunten die gehanteerd zijn door de commissie Koopmans in «De vermogenspositie van universiteiten – een delicate balans» ook voor de KNAW van belang kunnen zijn. In de verslaggevingen over 1999 en 2000 wordt speciale aandacht aan dit punt besteed. Hiermee wordt gehoor gegeven aan de aanbeveling van de Rekenkamer.
    
Het publieke en het private deel van het eigen vermogen is gescheiden; er is geen sprake van administratieve, organisatorische of juridische scheiding van publieke en private geldstromen.Voor zover mogelijk scheiden van publieke en private geldstromen en het publieke en het private deel van het eigen vermogen. De KNAW schrijft dat de problematiek van de afrekening van derde geldstroomprojecten reeds jaren de aandacht van de accountants, de afdeling Financiën en de instituten van de KNAW heeft. Ook maakt die problematiek deel uit van de nieuwste richtlijnen van het Ministerie van OCenW voor de jaarrekening. De Rekenkamer beveelt aan dat de KNAW in samenspraak met het Ministerie van OCenW tot verdere afspraken inzake de scheiding publiek-privaat komt.
    
De presentatie en toelichting van eigen vermogen en voorzieningen in de jaarrekeningen voldoet gedeeltelijk aan de eisen van de vrijwillig door de KNAW gevolgde verslaggevingsregelgeving van Titel 9 en de RJ-richtlijnen (formele verslaggevingseisen ontbreken nog). Uitzonderingen betreffen enige voorzieningen met het karakter van een bestemmingsreserve (hersteld in 1998). N.v.t. N.v.t.N.v.t.
Het in de jaarrekeningen geboden inzicht in aard, doel en samenstelling van de reserves en voorzieningen, mate van bestemdheid van de reserves, het langlopende deel van de voorzieningen en (toelichting op) mutaties in reserves en voorzieningen kan verbeterd worden. In volgende jaarrekeningen meer inzicht verschaffen in de hiernaast genoemde punten. De verbetering van de presentatie van de jaarrekening en de onderbouwing ervan is in 1998 ingezet en zal verder langs de lijnen van de diverse richtlijnen worden voortgezet.Hiermee wordt gehoor gegeven aan de aanbevelingen van de Rekenkamer.
De afbakening tussen reserves en voorzieningen is nog niet geheel zuiver; enige voorzieningen, met name voor investeringen en nog niet bestede subsidies, hebben het karakter van een bestemmingsreserve (hersteld in 1998). Zuiverheid van de afbakening tussen reserves en voorzieningen bewaken. Zie hiervoor.Zie hiervoor.
Afgezien van het reservekarakter van enige voorzieningen, vindt de verwerking van mutaties in reserves en voorzieningen plaats conform algemeen aanvaarde grondslagen. Na omzetting van de genoemde voorzieningen in bestemmingsreserves, de mutaties in deze posten verwerken conform algemeen aanvaarde grondslagen (geschiedt met ingang van 1998). Zie hiervoor. Zie hiervoor.
    
Er is geen aandacht voor vermogensvorming in de begrotingen.Informatie over (ontwikkelingen in) eigen vermogen en voorzieningen in volgende begrotingen opnemen.De KNAW stelt dat in begrotingen de aandacht voor vermogensvorming beperkt is tot een beleid voor dotaties en/of onttrekkingen aan de lopende voorzieningen. Hier liggen risicocalculaties aan ten grondslag. Het meerjarenperspectief zal nog verder ontwikkeld moeten worden. In de sfeer van het eigen vermogen zal het beleid voor optimalisatie ervan leiden tot een duidelijke vertaling in de begroting; dit zal met name in de resultaatbepaling zijn beslag moeten krijgen. Hiermee wordt gehoor gegeven aan de aanbevelingen van de Rekenkamer.

NWO

ConclusieAanbevelingReactie instellingNawoord Rekenkamer
Er is nog nauwelijks sprake van een intern beleid inzake vermogensvorming. Er ontbreekt nog een op een systematische analyse van relevante factoren en risico’s gebaseerd intern beleid inzake de gewenste en aanvaardbare omvang van het (eigen) vermogen. NWO acht het thema vermogensvorming van minder belang; NWO richt zich met name op de liquiditeitspositie, waarbij aan de ontwikkelingen hierin in de meerjarenbegroting aandacht wordt geschonken. Formuleren van een op een systematische analyse van relevante factoren en risico’s gebaseerd intern beleid inzake (omvang van) de vermogensvorming. NWO stelt dat het beleid is gericht op het zoveel als mogelijk inzetten van de beschikbare en nog te verwachten financiële middelen voor het financieren van onderzoek en onderzoeksfaciliteiten. De vermogenspositie vormt een afgeleide hiervan onder de voorwaarde dat de liquiditeitspositie dat toelaat. NWO acht het een goede zaak dit beleid te versterken door het te baseren op een systematische analyse van relevante factoren en risico’s. Hiermee wordt gehoor gegeven aan de aanbevelingen van de Rekenkamer.
    
Er is sprake van administratieve scheiding van publieke en private geldstromen,geen organisatorische of juridische scheiding; er is geen scheiding tussen het publieke en het private deel van het eigen vermogen1. De private geldstromen zijn overigens gering.Voor zover mogelijk scheiden van publieke en private geldstromen en het publieke en het private deel van het eigen vermogen.Publieke en private geldstromen worden administratief gescheiden gehouden, zowel in begroting als in financiële verantwoording. De nog niet toegekende bedragen uit de private geldstroom worden opgenomen onder de balanspost «speciale fondsen». Er is dus geen sprake van een privaat deel van het eigen vermogen. Zolang de speciale fondsen niet als eigen vermogen (behoeven te) worden gepresenteerd, behoeft er ook geen scheiding te worden aangebracht tussen een publiek deel en een privaat deel.
    
De presentatie en toelichting van eigen vermogen en voorzieningen in de jaarrekeningen voldoet grotendeels aan de – in ontwikkeling zijnde – verslaggevingsregelgeving (formele verslaggevingseisen, met ingang van 1999 gereed, ontbreken nog in de onderzochte periode). De in de richtlijnen toegestane voorzieningen voor investeringen wijken overigens af van algemeen aanvaarde grondslagen. Zoveel mogelijk voldoen aan de – in ontwikkeling zijnde – verslaggevingsregelgeving (deze regelgeving dient wat de voorzieningen betreft aan te sluiten bij algemeen aanvaarde grondslagen). NWO stelt dat het zoveel als mogelijk voldoet aan de verslaggevingsregelgeving overeenkomstig Titel 9 Boek 2 BW. Voorzover hiervan wordt afgeweken, ligt dit verankerd in de door het Ministerie van OCenW voorgeschreven herziene richtlijnen. De Rekenkamer beveelt het Ministerie van OCenW aan de verslaggevingsregelgeving spoedig aan te passen.
Het in de jaarrekeningen geboden inzicht in aard en doel van de reserves en voorzieningen, functies van het eigen vermogen, het langlopende deel van de voorzieningen en (toelichting op en specificatie van) mutaties in reserves en voorzieningen kan sterk verbeterd worden. De vele stelsel- en presentatiewijzigingen bemoeilijken het inzicht zeer. In volgende jaarrekeningen meer inzicht verschaffen in de hiernaast genoemde punten. De toelichting bij de jaarrekening wordt opgesteld conform de door het Ministerie van OCenW opgelegde richtlijnen. De stelsel- en presentatiewijzigingen zijn het gevolg van de nieuwe verslaggevingsregelgeving. Het ligt in de bedoeling deze richtlijnen na vijf jaar te evalueren. Desgewenst is het mogelijk dit tijdstip te vervroegen. De Rekenkamer blijft aandacht vragen voor het verschaffen van meer inzicht in de genoemde punten.
De afbakening tussen reserves en voorzieningen is niet zuiver; het overgrote deel van de voorzieningen, met name voor investeringen, hebben het karakter van een bestemmingsreserve (dit is grotendeels een gevolg van de van de algemeen aanvaarde grondslagen afwijkende regelgeving).Zuiverheid van de afbakening tussen reserves en voorzieningen bewaken. Voorzieningen met het karakter van een bestemmingsreserve dienen als zodanig gepresenteerd te worden (hiervoor is aanpassing van de regelgeving nodig). Voorzieningen met het karakter van een bestemmingsreserve worden inmiddels als zodanig gepresenteerd. De hiervoor benodigde aanpassing van de regelgeving zal in het kader van de herziene richtlijnen bij het Ministerie van OCenW aan de orde worden gesteld. Hiermee wordt voldaan aan de aanbeveling van de Rekenkamer.
De verwerking van mutaties in reserves en voorzieningen vindt niet altijd plaats conform algemeen aanvaarde grondslagen; dit betreft met name de toevoeging aan de reserve beleidsuitvoering en de vrijval van reserveringen2.Mutaties in reserves en voorzieningen verwerken conform algemeen aanvaarde grondslagen: zuiver onderscheid resultaatbepaling en -bestemming. NWO stelt dat de staat van baten en lasten, alsmede de balans wordt opgesteld conform de door het Ministerie vsn OCenW opgelegde verslaggevingsregelgeving, waarin is rekening gehouden met het specifieke karakter van NWO als geldverdelende organisatie. De dotatie aan de reserve beleidsuitvoering is een gevolg van de door de minister vastgestelde begroting waarin de benodigde omvang van deze reserve wordt aangegeven. Deze wordt bepaald aan de hand van het verschil tussen de baten en lasten in meerjarig perspectief. De benodigde omvang van deze reserve, alsmede de dotatie aan de reserve, wordt dus bepaald onafhankelijk van het resultaat van een boekjaar. Derhalve is geen sprake van resultaatbestemming. De Rekenkamer beveelt aan in dit geval de afwijking van de algemeen aanvaarde grondslagen toe te lichten in de jaarrekening. Het Ministerie van OCenW wordt aanbevolen de regelgeving op dit punt te herzien.
    
Er is beperkt aandacht voor vermogensvorming in de begrotingen; de cijfermatige aandacht voor de ontwikkeling van reserves en voorzieningen is summier (wel wordt in de meerjarenbegroting veel aandacht aan de vermogens- en liquiditeitspositie besteed). Uitbreiden van de informatievoorziening over (ontwikkelingen in) eigen vermogen en voorzieningen in volgende begrotingen. In de begroting en meerjarencijfers wordt thans zichtbaar gemaakt in welke mate en in welke jaren een onttrekking nodig is aan de reserve beleidsuitvoering exploitatie en investering. Vooralsnog acht NWO dit voldoende. De Rekenkamer blijft aandacht vragen voor toelichting van (ontwikkelingen in) de andere reserves en de voorzieningen in de begrotingen.
    
De wet- en regelgeving inzake vermogensvorming, beperkt tot verslaggevingsregelgeving, is in beweging en wijkt enigszins af van algemeen aanvaarde grondslagen. De regelgeving wordt grotendeels nageleefd; in dit opzicht vindt de vermogensvorming grotendeels rechtmatig plaats. Voldoen aan de – aangepaste – verslaggevingsregelgeving. Zoals geconstateerd wordt reeds in hoge mate aan de regelgeving voldaan. De Rekenkamer acht het gewenst dat de NWO geheel voldoet aan de regelgeving.
    
Een uitspraak over de bedrijfseconomische en bestuurlijke aanvaardbaarheid van de vermogensvorming is moeilijk, aangezien geen gedegen risico-analyse voorhanden is. De huidige financiële positie is ruim voldoende tot goed; de liquide middelen en beleggingen zijn omvangrijk; de financiële vooruitzichten worden gedomineerd door de impact van een intensivering van de besteding van liquide reserves; er zijn geen grote investeringen voorgenomen. Verrichten van een systematische analyse van relevante factoren en risico’s, op basis waarvan uitspraken over de aanvaardbaarheid van de vermogensvorming kunnen worden gedaan.NWO zegt toe dat in het kader van de begrotingsvoorbereiding 2001 deze aanbeveling de nodige aandacht zal krijgen. Hiermee wordt gehoor gegeven aan de aanbeveling van de Rekenkamer.

1 Wel worden de nog niet bestede, door NWO naast de rijksbijdrage verworven gelden (zowel publieke als private gelden) opgenomen onder de balanspost «speciale fondsen». Deze post is tot en met 1997 onder de voorzieningen opgenomen; met ingang van 1998 wordt de post afzonderlijk gepresenteerd.

2 NWO is van mening dat het verwerken van deze mutaties in reserves als resultaatbepaling in plaats van -bestemming verdedigbaar en in overeenstemming met de richtlijnen van OCenW is.

C. POLITIEREGIO’S

Ministerie van BZK

ConclusieAanbevelingReactie instellingNawoord Rekenkamer
BZK heeft aandacht voor vermogensvorming bij politieregio’s, zowel in de vorm van aparte onderzoeken als monitoring en financiële analyses van de jaarcijfers. (Mede) in opdracht van BZK zijn onderzoeken uitgevoerd door Arthur Andersen en Moret, Ernst & Young (beide in 1998). De onderzoeken hebben nog niet geleid tot het stellen van normen aan de (eigen) vermogens van de politieregio’s.In samenspraak met de instellingen spoedig komen tot regelgeving of afspraken inzake de minimale en maximale omvang van het (eigen) vermogen van de politieregio’s (in de vorm van bandbreedtes en maatwerk) en de wijze van omgaan met vermogenstekorten en -overschotten. Door de minister van BZK is in 1999 het Convenant politie afgesloten waarin de wenselijkheid wordt onderschreven om te komen tot nadere afspraken over de financiële positie van de politieregio’s. Er komt een wijziging van de Politiewet, waarmee het mogelijk wordt nadere regels te stellen voor (de omvang van) het vermogen van de regio’s. Er zal waarschijnlijk dit voorjaar door de Stuurgroep Implementatie Modernisering Politiezorg een advies worden uitgebracht over het bepalen van de aard en omvang van bovenmatige vermogens en balanstekorten, en over de wijze waarop verevening kan plaatsvinden. Hiermee wordt gehoor gegeven aan de aanbeveling van de Rekenkamer.
    
BZK heeft aandacht voor verbetering van verslaggevingsvoorschriften: uniformering en aansluiten bij algemeen aanvaarde grondslagen. De huidige regelgeving bevat nog enige afwijkingen van algemeen aanvaarde grondslagen (verwerken van mutaties in reserves en voorzieningen). Enige uniformering van inrichtingseisen die met betrekking tot eigen vermogen en voorzieningen aan begroting en jaarrekening worden gesteld, heeft al plaatsgevonden. Spoedig realiseren van de aanpassing van de verslaggevingsregelgeving aan algemeen aanvaarde grondslagen. Het BCRRP is in 1999 laatstelijk gewijzigd, de nieuwe modellen voor begroting en jaarrekening politieregio’s zijn met ingang van 1999 van kracht. Het BCRRP is met deze laatste wijziging overigens ook zodanig opgezet dat er eenvoudig, door middel van een ministeriële regeling, aanpassingen kunnen plaatsvinden, bijvoorbeeld ten aanzien van het nader definiëren van bestemmingsreserves of voorzieningen.Het is de Rekenkamer niet duidelijk of hiermee volledig voldaan is aan haar aanbeveling.
    
BZK voert nog geen beleid ten aanzien van het bestedingsdoel van met publieke gelden opgebouwde reserves en de gewenste mate van aanhouden van vermogen in liquide middelen (incl. eisen aan het beleggen van tijdelijk overtollige liquide middelen). Formuleren van beleid ten aanzien van de hiernaast genoemde punten. Het wetsvoorstel financiering decentrale overheden (fido), waaronder ook de politieregio’s vallen, bevordert dat de financieringsfunctie ten alle tijde dienstbaar moet zijn aan de uitoefening van de publieke taak. Hierbij wordt in de toelichting nadrukkelijk gesteld dat het in- en doorlenen van middelen teneinde daarmee winst te maken verboden is. Eventuele beleggingen dienen een prudent karakter te hebben. Bij ministeriële regeling zullen hiervoor nog nadere regels worden gesteld. De politieregio’s zullen worden verplicht om een financierings(treasury)-statuut op te stellen en in hun begroting en jaarverslag een financieringsparagraaf op te nemen.Hiermee is voldaan aan de aanbevelingen van de Rekenkamer.

Politieregio Amsterdam-Amstelland

ConclusieAanbevelingReactie instellingNawoord Rekenkamer
Een duidelijke aanzet tot intern beleid inzake vermogensvorming is geformuleerd, gebaseerd op een globale risico-analyse. Er ontbreekt nog een systematische analyse van relevante factoren en risico’s ter onderbouwing van het interne beleid inzake de gewenste en aanvaardbare omvang van het (eigen) vermogen. Verder ontwikkelen van een op een systematische analyse van relevante factoren en risico’s gebaseerd intern beleid inzake (omvang van) de vermogensvorming. De politieregio heeft aangegeven op dit moment geen op- of aanmerkingen op de conclusies en aanbevelingen te hebben. De Rekenkamer gaat ervan uit dat hiermee de conclusies en aanbevelingen worden onderschreven.
    
De presentatie en toelichting van eigen vermogen en voorzieningen in de jaarrekeningen voldoet – met (gemotiveerde) uitzondering van de verwerking vrijval waardeverschillen in 1997 – aan de formele verslaggevingseisen. Uit oogpunten van uniformiteit en rechtmatigheid zoveel mogelijk voldoen aan de geldende verslaggevingseisen. Geen opmerkingen.Idem.
Het in de jaarrekeningen geboden inzicht in aard en doel van de reserves, het langlopend deel van de voorzieningen en (toelichting op) mutaties in reserves en voorzieningen kan enigszins worden vergroot.In volgende jaarrekeningen meer inzicht verschaffen in de hiernaast genoemde punten. Geen opmerkingen. Idem.
De afbakening tussen reserves en voorzieningen is voldoende.N.v.t. N.v.t. N.v.t.
De verwerking van mutaties in reserves en voorzieningen vindt sinds 1997 grotendeels plaats volgens algemeen aanvaarde grondslagen (in de regelgeving zijn enkele afwijkingen ten aanzien van verwerking van mutaties in reserves voorgeschreven), echter wat betreft de vrijval reserve waardeverschillen (gemotiveerd) in strijd met de regelgeving.Uit oogpunten van uniformiteit en rechtmatigheid zoveel mogelijk voldoen aan de geldende verslaggevingseisen. Geen opmerkingen.Idem.
    
Er is voldoende aandacht voor beleidsmatige uitgangspunten voor vermogensvorming in de begrotingen, echter in beperkte mate aandacht voor prognoses van reserves en voorzieningen. Uitbreiden van de informatievoorziening over prognoses van reserves en voorzieningen in volgende begrotingen.Geen opmerkingen. Idem.
    
De wet- en regelgeving inzake vermogensvorming, beperkt tot verslaggevingsregelgeving, wordt, met uitzondering van de verwerking van de vrijval reserve waardeverschillen in 1997, nageleefd; in dit opzicht vindt de vermogensvorming (in 1997 grotendeels) rechtmatig plaats. N.v.t. N.v.t. N.v.t.
    
De uitgevoerde globale risico-analyse biedt onvoldoende basis om een uitspraak te kunnen doen over de aanvaardbaarheid van de vermogensvorming. De politieregio behoort tot de rijkste politieregio’s en in vergelijking met andere politieregio’s is de algemene reserve vrij hoog in verhouding tot de risico’s. De financiële positie is ruim voldoende tot goed; de financiële vooruitzichten zijn volgens de politieregio echter minder gunstig.Een zodanige systematische analyse van relevante factoren en risico’s verrichten dat uitspraken over de aanvaardbaarheid van de vermogensvorming kunnen worden gedaan. Geen opmerkingen.Idem.

Politieregio Utrecht

ConclusieAanbevelingReactie instellingNawoord Rekenkamer
Er is sprake van de nodige bestuurlijke aandacht voor vermogensvorming, inclusief eerste aanzetten voor beleid. Er ontbreekt nog een systematische analyse van relevante factoren en risico’s ter onderbouwing van het interne beleid inzake de gewenste en aanvaardbare omvang van het (eigen) vermogen. Verder ontwikkelen van een op een systematische analyse van relevante factoren en risico’s gebaseerd intern beleid inzake (omvang van) de vermogensvorming.De politieregio Utrecht stemt op hoofdlijnen in met de conclusies en aanbevelingen en heeft verder geen specifieke opmerkingen. N.v.t.
    
De presentatie en toelichting van eigen vermogen en voorzieningen in de jaarrekeningen voldoet aan de formele verslaggevingseisen. N.v.t. N.v.t.N.v.t.
Het in de jaarrekeningen geboden inzicht in eigen vermogen en voorzieningen is grotendeels voldoende. Niet aangegeven wordt welk deel van de voorzieningen langlopend is. In volgende jaarrekeningen meer inzicht verschaffen in het hiernaast genoemde punt. Geen opmerkingen. N.v.t.
De afbakening tussen reserves en voorzieningen is voldoende.N.v.t. N.v.t. N.v.t.
De verwerking van mutaties in reserves en voorzieningen vindt grotendeels plaats volgens algemeen aanvaarde grondslagen (in de regelgeving zijn enkele afwijkingen ten aanzien van verwerking van mutaties in reserves voorgeschreven). N.v.t. N.v.t. N.v.t.
    
Er is aandacht voor vermogensvorming in de begrotingen, hoewel de informatievoorziening over reserves en voorzieningen summier is. Uitbreiden van de informatievoorziening over reserves en voorzieningen in volgende begrotingen. Geen opmerkingen. N.v.t.
    
De wet- en regelgeving inzake vermogensvorming, beperkt tot verslaggevingsregelgeving, wordt nageleefd; in dit opzicht vindt de vermogensvorming rechtmatig plaats. N.v.t.   
    
Een uitspraak over de aanvaardbaarheid van de vermogensvorming is moeilijk, aangezien geen systematische analyse van factoren en risico’s voorhanden is. Vergeleken met andere politieregio’s is de financiële positie gemiddeld, hoewel liquiditeitspositie en de samenstelling van het eigen vermogen ongunstig zijn. De financiële vooruitzichten zijn ongunstig; naar verwachting is lang vreemd vermogen nodig om investeringen en liquiditeitstekorten op te vangen.Verrichten van een systematische analyse van relevante factoren en risico’s, op basis waarvan uitspraken over de aanvaardbaarheid van de vermogensvorming kunnen worden gedaan. Geen opmerkingen.N.v.t.

Politieregio Groningen

ConclusieAanbevelingReactie instellingNawoord Rekenkamer
Er is in beperkte mate sprake van beleid inzake vermogensvorming. Er ontbreekt nog een systematische analyse van relevante factoren en risico’s ter onderbouwing van het intern beleid inzake de gewenste en aanvaardbare omvang van het (eigen) vermogen. Verder ontwikkelen van een op een systematische analyse van relevante factoren en risico’s gebaseerd intern beleid inzake (omvang van) de vermogensvorming. De aanbeveling wordt onderschreven. Beleid inzake vermogensvorming zal nog verder worden ontwikkeld. Hiermee wordt gehoor gegeven aan de aanbeveling van de Rekenkamer.
    
De presentatie en toelichting van eigen vermogen en voorzieningen in de jaarrekeningen voldoet aan de formele verslaggevingseisen. N.v.t. N.v.t. N.v.t.
Het in de jaarrekeningen geboden inzicht in eigen vermogen en voorzieningen is grotendeels voldoende. Niet aangegeven wordt welk deel van de voorzieningen langlopend is. In volgende jaarrekeningen meer inzicht verschaffen in het hiernaast genoemde punt.De aanbeveling wordt onderschreven.N.v.t.
De afbakening tussen reserves en voorzieningen is voldoende.N.v.t. N.v.t. N.v.t.
De verwerking van mutaties in reserves en voorzieningen vindt grotendeels plaats volgens algemeen aanvaarde grondslagen (in de regelgeving zijn enkele afwijkingen ten aanzien van verwerking van mutaties in reserves voorgeschreven).N.v.t. N.v.t. N.v.t.
    
Er is ruim voldoende aandacht voor vermogensvorming in de begrotingen.N.v.t. N.v.t. N.v.t.
    
De wet- en regelgeving inzake vermogensvorming, beperkt tot verslaggevingsregelgeving, wordt nageleefd; in dit opzicht vindt de vermogensvorming rechtmatig plaats. N.v.t. N.v.t. N.v.t.
    
Ondanks het ontbreken van een systematische analyse van relevante factoren en risico’s, geven de onderzochte stukken wel een indruk van de aanvaardbaarheid van de vermogensvorming. De financiële positie en de financiële vooruitzichten zijn, ook in vergelijking met andere politieregio’s, ongunstig (ontoereikende liquide middelen, onvoldoende omvang van de algemene reserve om normale bedrijfsrisico’s op te vangen, pessimistische meerjarenramingen). Er is al het nodige lang vreemd vermogen aangetrokken. Een zodanige systematische analyse van relevante factoren en risico’s verrichten dat verdere uitspraken over de aanvaardbaarheid van de vermogensvorming kunnen worden gedaan.De aanbeveling wordt onderschreven. De financiële positie is slecht en het toekomstperspectief somber. Voor het bepalen van de eigen vermogensgrenzen is het van belang voor de regiokorpsen eenvoudige en praktische vuistregels op te stellen. Van de van rijkswege vastgestelde grenzen mag worden verwacht dat deze met de nodige realiteitszin tot stand zullen komen. De minister van BZK heeft in zijn reactie op het onderhavige rapport toegezegd met voorstellen te komen op het gebied van normen ten aanzien van de bedrijfsvoering en de financiële positie van de korpsen en mogelijke aanpassingen in het bekostigingsstelsel. De Rekenkamer verwacht eveneens dat deze met realiteitszin tot stand zullen komen.

D. ARBEIDSVOORZIENINGSORGANISATIE

Ministerie van SZW

ConclusieAanbevelingReactie instellingNawoord Rekenkamer
SZW heeft aandacht voor de liquiditeitspositie en vermogensvorming van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Naar aanleiding van voorstellen van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie zijn afspraken gemaakt over de vermogensvorming, incl. de toegestane hoogte van de algemene reserve, procedures voor vorming van bestemmingsreserves en het omgaan met eventuele vermogensoverschotten. Ook zijn afspraken gemaakt over de reductie van het negatieve eigen vermogen en het oplossen van liquiditeitsproblemen. Er zijn nog geen normen gesteld aan de totale omvang van het (eigen) vermogen. Gezien de situatie waarin de Arbeidsvoorzieningsorganisatie zich bevindt (negatief eigen vermogen) en de onzekerheid over het voortbestaan van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie (ontwikkelingen rond de CWI’s), blijvend dan wel meer aandacht besteden aan vermogensvorming. In samenspraak met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie spoedig komen tot regelgeving of afspraken inzake de minimale en maximale omvang van het totale (eigen) vermogen (in de vorm van bandbreedtes en maatwerk) en de wijze van omgaan met vermogenstekorten en -overschotten. De aanbevelingen van de Rekenkamer, specifiek toegespitst op de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, zullen betrokken worden in het overleg met deze organisatie over het goed te keuren beleid en de onderbouwing daarvan. Verder heeft de minister geen specifieke opmerkingen inzake de conclusies en aanbevelingen. N.v.t.
    
SZW heeft aandacht voor verbetering van verslaggevingsvoorschriften. Voor begroting en jaarrekening zijn nieuwe toetsingskaders opgesteld, die aansluiten bij algemeen aanvaarde grondslagen (Titel 9) en gelden met ingang van 1998. N.v.t. N.v.t. N.v.t.
    
SZW voert geen beleid ten aanzien van het bestedingsdoel van met publieke gelden opgebouwde reserves. Wel zijn in het verleden afspraken gemaakt inzake de gewenste mate van aanhouden van vermogen in liquide middelen (norm voor liquiditeitssaldo en terugstortingsplicht bij overschrijding van de norm). Er zijn geen eisen gesteld aan het beleggen van eventuele tijdelijk overtollige middelen. Formuleren van beleid ten aanzien van de hiernaast genoemde punten. Geen opmerkingen. N.v.t.

Arbeidsvoorzieningsorganisatie

ConclusieAanbevelingReactie instellingNawoord Rekenkamer
Het interne beleid inzake vermogensvorming is versnipperd vastgelegd en enigszins beperkt inzichtelijk. Er ontbreekt nog een systematische analyse van relevante factoren en risico’s ter onderbouwing van het beleid inzake de omvang van het (eigen) vermogen. Wel hebben verschillende beoordelingen van vermogenspositie, reserves en voorzieningen plaatsgevonden. Het door het CBA vastgestelde en door SZW goedgekeurde beleid inzake vermogensvorming verder onderbouwen met een systematische analyse van relevante factoren en risico’s.De Arbeidsvoorzieningsorganisatie stemt in met alle conclusies en aanbevelingen. Sinds november 1999 is een extern onderzoek gaande naar het gewenst vermogen voor de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. De uitkomsten worden tezijnertijd besproken met de minister van SZW.N.v.t.
    
Er was sprake van administratieve, organisatorische en juridische scheiding van publieke en private geldstromen(commerciële activiteiten waren ondergebracht in aparte rechtsvorm (ASV); inmiddels is ASV opgeheven); er is geen scheiding tussen het publieke en het private deel van het eigen vermogen (het totale eigen vermogen is negatief). Voor zover mogelijk en van toepassing scheiden van publieke en private geldstromen en het publieke en het private deel van het eigen vermogen. De voorziene organisatorische veranderingen per 1 juli 2000 maken het noodzakelijk dat private en publieke activiteiten duidelijk van elkaar gescheiden worden. Daartoe is een aanvang gemaakt per 1 januari 2000: hierbij is een helder onderscheid aangebracht in soorten activiteiten en de daaraan gerelateerde financiering. Hiermee wordt gehoor gegeven aan de aanbevelingen van de Rekenkamer.
    
De presentatie en toelichting van eigen vermogen en voorzieningen in de jaarrekeningen voldoet aan de formele verslaggevingseisen. N.v.t. N.v.t. N.v.t.
Het in de jaarrekeningen geboden inzicht in eigen vermogen en voorzieningen is voldoende. N.v.t. N.v.t. N.v.t.
De afbakening tussen reserves en voorzieningen is voldoende.N.v.t. N.v.t. N.v.t.
De verwerking van mutaties in reserves en voorzieningen vindt plaats volgens algemeen aanvaarde grondslagen. N.v.t. N.v.t. N.v.t.
    
Er is voldoende aandacht voor vermogensvorming in de begrotingen. N.v.t. N.v.t. N.v.t.
    
De wet- en regelgeving inzake vermogensvorming, beperkt tot verslaggevingsregelgeving, wordt nageleefd; in dit opzicht vindt de vermogensvorming rechtmatig plaats. N.v.t. N.v.t.N.v.t.
    
Ondanks het ontbreken van een systematische analyse van relevante factoren en risico’s kan wel een uitspraak worden gedaan over de aanvaardbaarheid van de vermogensvorming. De financiële positie (sterk negatief eigen vermogen, ongunstige liquiditeitspositie) en de financiële vooruitzichten zijn ongunstig. Een zodanige systematische analyse van relevante factoren en risico’s verrichten dat verdere uitspraken over de aanvaardbaarheid van de vermogensvorming kunnen worden gedaan. Geen opmerkingen. N.v.t.

BIJLAGE 4

REGELGEVING EN BELEIDSAFSPRAKEN VERMOGENSVORMING

De tabel heeft slechts een inventariserend karakter. Het ontbreken van regelgeving op de geïnventariseerde punten houdt niet altijd in dat niet aan de eisen van de Rekenkamer is voldaan. Voor het toetsingskader van de Rekenkamer wordt verwezen naar bijlage 6.

Legenda: • = ja; o = nee; – = niet van toepassing;  = vereist vanwege van toepassing zijnde Titel 9
Boek 2 BW, Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving of algemeen aanvaarde grondslagen. Stand september 1999.
InstellingMinister/toezichthouder bevoegd tot:Verwijzing in regelgeving naar Titel 9, RJ-richt- lijnen of algemeen aanvaarde grondslagenIn regelgeving en beleidsafspraken opgenomen eisen/bepalingen inzake:
Stellen nadere regelgevingGoedkeuren begrotingGoedkeuren jaarrekeningOmvang van, of overleg over reservesOnder- bouwing bestem- mings- reservesMutatie- staat reservesVerwerking mutaties in eigen vermogenResul- taatbe- stem- mingOmschrij- ving voorzieningenVoorge- schre- ven specifieke voorzieningenMutatie- staat voorzieningen in jaarrekeningToelichting aard voorzieningenWaarde- rings- grond- slagen materiële vaste activaAantrekken vreemd vermogenOpstellen meerjarenraming in begrotingOpstellen meerjarenoverzicht investeringenLiquidi- teitenbeheer, incl. beleggingen
FMOoooo   o  ooooo
Politieregio’sooo ooo
LSOPooooooooo
Raden voor Rechtsbijstando    o
COA     ooo
SRNoo     oo
Universiteitenoooo ooo
Hogescholenooo  oooo
Acad. Ziekenhuizenoooo ooooo
Rijksmuseale instellingenoo ooo
Omroepverenigingenoo o  ooo
NWO oo
KNAWooooooo
TNOooooooooooooo
IBGoooo   o  oo
Uitvoeringsinstellingenooo o o oo
SVbo–-o
Arbeidsvoorzieningoo  o o  oo
Ziekenfondsenooo  o  ooooo
Suoooooooooo
CvZoooooooooooo
WFMooooooooooo
Kadasterooo  oo  oooo
CFVooooooooooooooooo
VSNooooo   o  ooooo
RDWoo  o oo
COVAooooooooooooooo
Novemoo   o  oo
BBLoooooooo
Staatsbosbeheer  o o  oooo
Totaal ja23149221692423172212232312121587

BIJLAGE 5

PRESENTATIE EN TOELICHTING VERMOGENSVORMING IN JAARREKENINGEN

In de tabel worden de resultaten weergegeven van een analyse van de jaarrekeningen 1996 en 1997 van een selectie van de instellingen op het thema vermogensvorming. Centraal staat een toets van de presentatie en toelichting van eigen vermogen en voorzieningen. Ook enige verwante aspecten zijn in beeld gebracht. De beoordeling betreft een marginale toets aan algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving (zie bijlage 6 voor toelichting). Geconstateerde afwijkingen kunnen het gevolg zijn van specifieke verslaggevingsregelgeving, die afwijkt van de algemeen aanvaarde grondslagen (zie bijlage 4). De beoordeling heeft dus niet het karakter van kritiek op de jaarrekening en de accountantscontrole.

Legenda: – = n.v.t.; • = ja; o = nee; ȯ = deels; g = goedkeurend; b = beperking; a = actuele waarde; h = historische waarde.

InstellingJaarAccountantsverklaringAlge- mene toelichting vermo- genspositieEigen vermogenVoorzieningenScheiding publiek-privaatWaardering materiële vaste activaGelieerden & deelnemingen
Strekking verklaringOordeel alg. aanv. grond- slagenOordeel naleving regelgevingSpecificatieOnder- scheid bestemd- onbestemdToelichting aard/doel reservesMutatie- staat per reserveVerwerking mutaties cf. a.a.g. SpecificatieToelichting aard/doel voorzieningenMutatie- staat per voorzieningHeldere afbake- ning voorzie- ningen en bestem- mingsre- servesWeergave langlopend deel voorzieningenVerwerking mutaties cf. a.a.g. in batenin eigen vermogen
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
                     
Rijksmuseale instellingen
Scheepvaart1996gooȯoooh
museum1997goȯoh
Van Goghmuseum1996goȯoh
 1997gooȯoh
Rijksmuseum1996goȯȯooh
 1997goh
Kröller-1996gooȯȯȯ1ooh
Müllermuseum1997goȯȯȯooh
Rijksmuseum1996goooh
Oudheden1997gooh
                     
Universiteiten
Universiteit van1996g2ooȯooh
Amsterdam1997gooȯooh
Technische1996goȯooh
Universiteit Delft1997boooȯooh
Universiteit Leiden1996goooh
 1997goooh

Voetnoten staan op p. 105 en 106.

InstellingJaarAccountantsverklaringAlge- mene toelichting vermo- genspositieEigen vermogenVoorzieningenScheiding publiek-privaatWaardering materiële vaste activaGelieerden & deelnemingen
Strekking verklaringOordeel alg. aanv. grond- slagenOordeel naleving regelgevingSpecificatieOnder- scheid bestemd- onbestemdToelichting aard/doel reservesMutatie- staat per reserveVerwerking mutaties cf. a.a.g. SpecificatieToelichting aard/doel voorzieningenMutatie- staat per voorzieningHeldere afbake- ning voorzie- ningen en bestem- mingsre- servesWeergave langlopend deel voorzieningenVerwerking mutaties cf. a.a.g. in batenin eigen vermogen
Katholieke1996gȯȯ3ȯȯooh
Universiteit Brabant1997goȯȯȯooh
Universiteit Utrecht1996goh
 1997gooh
Erasmus Universi1996gȯȯȯooh
teit Rotterdam1997gȯȯooh
Universiteit1996gȯȯoh
Twenthe1997gȯȯoh
Universiteit1996gȯoȯoh
Maastricht1997gooh
Vrije Universiteit1996gȯooȯȯooh
 1997gȯooȯȯooh
Rijksuniversiteit1996go?h
Groningen1997goh
                     
Academische Ziekenhuizen
AZG1996gooooh
 1997gooooh
AMC1996gooh
 1997gooh
AZL (LUMC)1996goȯo4ooh
 1997goȯoooh
AZU1996goo5ooh
 1997goooh
AZM1996goooh
 1997gȯooh
                     
Hogescholen
HS Rotterdam1996gooh
 1997gooh
Gerrit Rietveld1996gȯooh
Academie1997gȯooh
HS West-Brabant1996go6oh
 1997gooh
HS Drenthe1996goȯooh
 1997gȯooh

Voetnoten staan op p. 105 en 106.

InstellingJaarAccountantsverklaringAlge- mene toelichting vermo- genspositieEigen vermogenVoorzieningenScheiding publiek-privaatWaardering materiële vaste activaGelieerden & deelnemingen
Strekking verklaringOordeel alg. aanv. grond- slagenOordeel naleving regelgevingSpecificatieOnder- scheid bestemd- onbestemdToelichting aard/doel reservesMutatie- staat per reserveVerwerking mutaties cf. a.a.g. SpecificatieToelichting aard/doel voorzieningenMutatie- staat per voorzieningHeldere afbake- ning voorzie- ningen en bestem- mingsre- servesWeergave langlopend deel voorzieningenVerwerking mutaties cf. a.a.g. in batenin eigen vermogen
HS Midden-Brabant1996goooh
 1997goooh
HS Zeeland1996go7ooh
 1997goȯoh
Constantijn1996gooh
Huygens1997gooh
HS Haarlem1996goȯȯo8h
 1997goȯȯoh
Nationale HS voor1996goooh
toerisme1997goooh
Haagse HS1996gȯoooh
 1997goȯooh
                     
Omroepverenigingen
AVRO1996gȯȯoo9oa
 1997gȯȯoo10oa
EO1996goh
 1997goh
NCRV111996gooooa
 1997gooooa
TROS121996gooa/h
 1997goooh
VPRO1996gȯȯȯȯoa/h
 1997goȯȯh
                     
Individuele instellingen
NWO1996goȯȯo13ooa/h
 1997goȯoo14ooa/h
KNAW1996goȯȯȯooh
 1997goȯoȯooh
TNO1996gooooo15oh
 1997gooooooh
IBG1996goh
 1997goh

Voetnoten staan op p. 105 en 106.

InstellingJaarAccountantsverklaringAlge- mene toelichting vermo- genspositieEigen vermogenVoorzieningenScheiding publiek-privaatWaardering materiële vaste activaGelieerden & deelnemingen
Strekking verklaringOordeel alg. aanv. grond- slagenOordeel naleving regelgevingSpecificatieOnder- scheid bestemd- onbestemdToelichting aard/doel reservesMutatie- staat per reserveVerwerking mutaties cf. a.a.g. SpecificatieToelichting aard/doel voorzieningenMutatie- staat per voorzieningHeldere afbake- ning voorzie- ningen en bestem- mingsre- servesWeergave langlopend deel voorzieningenVerwerking mutaties cf. a.a.g. in batenin eigen vermogen
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksaangelegenheden
                     
Politieregio’s
Amsterdam-1996gȯa/h
Amstelland1997bȯa/h
Groningen1996ga/h
 1997gȯa/h
Rotterdam-1996gooa/h
Rijnmond1997gooa/h
Zeeland1996goȯȯȯooo16oa/h
 1997goȯȯȯooooa/h
Utrecht1996gȯooa/h
 1997gȯooa/h
Haaglanden1996gooa/h
 1997gooa/h
Drenthe1996goȯo17oooa/h
 1997gȯooooa/h
Gelderland-Zuid1996goȯȯoa/h
 1997goȯȯȯȯoa/h
Limburg-Zuid1996go18oa/h
 1997gooa/h
Brabant -Zuid-Oost1996goooa/h
 1997gȯoa/h
                     
Individuele instellingen
LSOP1996gȯo19ooh
 1997gȯoooh
                     
Ministerie van Justitie
                     
Raden van Rechtsbijstand
Amsterdam1996gh
 1997gh
Den Bosch1996gȯh
 1997gȯȯh
Arnhem1996gh
 1997gȯh

Voetnoten staan op p. 105 en 106.

InstellingJaarAccountantsverklaringAlge- mene toelichting vermo- genspositieEigen vermogenVoorzieningenScheiding publiek-privaatWaardering materiële vaste activaGelieerden & deelnemingen
Strekking verklaringOordeel alg. aanv. grond- slagenOordeel naleving regelgevingSpecificatieOnder- scheid bestemd- onbestemdToelichting aard/doel reservesMutatie- staat per reserveVerwerking mutaties cf. a.a.g. SpecificatieToelichting aard/doel voorzieningenMutatie- staat per voorzieningHeldere afbake- ning voorzie- ningen en bestem- mingsre- servesWeergave langlopend deel voorzieningenVerwerking mutaties cf. a.a.g. in batenin eigen vermogen
Den Haag1996gh
 1997gh
Leeuwarden1996gh
 1997gh
                     
Individuele instellingen
COA1996goh
 1997gȯ20oh
SRN1996bȯo21ȯ22h
 1997gȯooh
                     
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
                     
Uitvoeringsinstellingen
GAK1996g2324h
 1997gh
SFB1996g
 1997g
Cadans1996goh
 1997goh
                     
Individuele instellingen
SVb1996go25oh
 1997goh
Arbeidsvoorzienings-1996go26ooh
organisatie1997gooo27h
                     
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
                     
Ziekenfondsen
RZG1996gooh
 1997gȯoh
ZAO1996goooh
 1997gooh
OZ1996gh
 1997gh
CZ1996oooh
 1997gȯooh

Voetnoten staan op p. 105 en 106.

InstellingJaarAccountantsverklaringAlge- mene toelichting vermo- genspositieEigen vermogenVoorzieningenScheiding publiek-privaatWaardering materiële vaste activaGelieerden & deelnemingen
Strekking verklaringOordeel alg. aanv. grond- slagenOordeel naleving regelgevingSpecificatieOnder- scheid bestemd- onbestemdToelichting aard/doel reservesMutatie- staat per reserveVerwerking mutaties cf. a.a.g. SpecificatieToelichting aard/doel voorzieningenMutatie- staat per voorzieningHeldere afbake- ning voorzie- ningen en bestem- mingsre- servesWeergave langlopend deel voorzieningenVerwerking mutaties cf. a.a.g. in batenin eigen vermogen
VGZ1996goȯh
 1997goȯh
Trias1996gȯooh
 1997gȯooh
AZIVO1996gooh
 1997gooh
Groene Land1996gȯoa
 1997gȯoa
DSW1996gh
 1997gh
ONVZ1996gh
 1997gh
                     
Individuele instellingen
Suo1996goh
 1997gh
CvZ1996goo?
 1997go28oh
                     
Overige ministeries
                     
Individuele instellingen Ministerie van Buitenlandse Zaken
FMO1996goh
 1997goh
                     
Individuele instellingen Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
Kadaster1996gooh
 1997gooh
CFV1996goh
 1997goh
                     
Individuele instellingen Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
BBL291996goh
 1997gh
Staatsbosbeheer301996g
 1997g

Voetnoten staan op p. 105 en 106.

InstellingJaarAccountantsverklaringAlge- mene toelichting vermo- genspositieEigen vermogenVoorzieningenScheiding publiek-privaatWaardering materiële vaste activaGelieerden & deelnemingen
Strekking verklaringOordeel alg. aanv. grond- slagenOordeel naleving regelgevingSpecificatieOnder- scheid bestemd- onbestemdToelichting aard/doel reservesMutatie- staat per reserveVerwerking mutaties cf. a.a.g. SpecificatieToelichting aard/doel voorzieningenMutatie- staat per voorzieningHeldere afbake- ning voorzie- ningen en bestem- mingsre- servesWeergave langlopend deel voorzieningenVerwerking mutaties cf. a.a.g. in batenin eigen vermogen
Individuele instellingen Ministerie van Economische Zaken
COVA1996gȯo31h
 1997gȯoh
Novem1996goooh
 1997goooh
                     
Individuele instellingen Ministerie van Verkeer en Waterstaat
RDW199632                   
 1997goh
VSN1996goȯh
 1997goȯh
                     
Individuele instellingen Ministerie van Financiën
WFM1996gooh
 1997goo-h

 1 Onder voorzieningen is de voorziening Deltaplan (toegezegde subsidies) opgenomen. Andere musea nemen dit op onder de niet uit de balans blijkende rechten en verplichtingen.

 2 Er is slechts één component: het groepsvermogen.

 3 Het karakter van de bestemmingsreserves is niet duidelijk omdat deze niet gespecificeerd zijn.

 4 Er is wel een mutatiestaat voor het totaal van het eigen vermogen.

 5 In 1996 zijn onder de voorzieningen posten opgenomen die het karakter van bestemmingsreserve lijken te hebben.

 6 Het internationaliseringsfonds en de voorziening innovatieve projecten lijken het karakter van een bestemmingsreserve te hebben.

 7 Op grond van het Sociaal Statuut HZ moet een bestemmingsreserve Voorziening Sociaal Statuut gevormd worden; de naam is dus verwarrend.

 8 De overige voorzieningen zijn erg algemeen omschreven: deze kunnen ook het karakter van bestemmingsreserves hebben.

 9 Het jubileumfonds onder de voorzieningen lijkt het karakter van een bestemmingsreserve te hebben.

10 Het fonds instandhouding ledenbestand onder de voorzieningen lijkt het karakter van een bestemmingsreserve te hebben.

11 Gebaseerd op financiële jaarverslagen.

12 Gebaseerd op jaarverslagen.

13 Sommige voorzieningen lijken het karakter van bestemmingsreserves te hebben. Zie ook bijlage 1.

14 Onder bestemmingsreserves lijken posten te staan met het karakter van voorzieningen (verplichting aan CBS). Onder de voorzieningen zijn posten opgenomen met het karakter van bestemmingsreserves: te bestemmen investeringen nieuwbouw, investeringen NWO-groot en apparatuurinvesteringen. Zie ook bijlage 1.

15 De voorziening bedrijfsrisico’s, met als doel dekking van economische en technische risico’s (art. 22 TNO-wet), heeft het karakter van een bestemmingsreserve. Zie ook bijlage 1.

16 De voorzieningen zijn niet nauwkeurig omschreven en niet goed toegelicht. Het is niet te beoordelen of de voorzieningen goed naar aard gesplitst zijn e.d..

17 Dotaties aan reserves worden als resultaatbepaling verwerkt.

18 Dotaties aan reserves worden als resultaatbepaling verwerkt.

19 Sommige voorzieningen lijken het karakter van een bestemmingsreserve te hebben.

20 Het karakter van de voorziening capaciteitsbeïnvloedbare verbouwingen is niet duidelijk. Deze post maakt deel uit van nieuw te vormen beleid inzake reserveringen en voorzieningen.

21 Sommige voorzieningen lijken het karakter van een bestemmingsreserve c.q. egalisatierekening te hebben.

22 Deze reserve is in het verleden ontstaan.

23 Voor de componenten geplaatst kapitaal en algemene reserve (overige reserve), waaraan het resultaat wordt toegevoegd, spreekt het doel voor zich (geldt voor alle uvi’s).

24 Er is wel een onderscheid naar wettelijke en niet-wettelijke publieke taken (geldt voor alle uvi’s).

25 SVb behaalt geen financieel resultaat omdat alle kosten doorberekend worden.

26 Onder het eigen vermogen is één reserve opgenomen: overige reserves met een negatief saldo.

27 In de loop van 1997 (officieel in 1998) is een joint-venture met ASV-Diensten BV tot stand gekomen, waarin commerciële activiteiten worden ondergebracht.

28 De onder de lasten opgenomen dotaties betreffen toevoegingen aan egalisatiefonds en bestemmingsreserve (gepresenteerd als resultaatbepaling in plaats van -bestemming).

29 Jaarrekeningen worden pas met ingang van 1998 opgesteld volgens het baten/lastenstelsel (thans nog rekening en verantwoording).

30 Jaarrekeningen worden pas met ingang van 1998 opgesteld volgens het baten/lastenstelsel (thans nog rekening en verantwoording).

31 Er is één voorziening (VUT); deze heeft per definitie een overwegend langlopend karakter.

32 Aangezien de RDW per 1 juli 1996 is verzelfstandigd en overgegaan is van het kasstelsel op het stelsel van lasten en baten, is over 1996 geen beoordeling uitgevoerd.

BIJLAGE 6

BEGRIPPEN EN TOETSINGSKADER

A BEGRIPPEN

Instellingen op afstand van het Rijk

Met instellingen op afstand van het Rijk worden die rechtspersonen aangeduid die een taak uitoefenen die bij of krachtens de wet geregeld is en daartoe geheel of gedeeltelijk worden bekostigd uit de opbrengst van bij of krachtens de wet ingestelde heffingen (publieke middelen). De Rekenkamer duidt deze instellingen ook aan met de term rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT’s). De Rekenkamer heeft controlebevoegdheden bij RWT’s. Dit is geregeld in artikel 59 lid 1 onder d van de Comptabiliteitswet.

Publieke taken en gelden

De term publieke taak betreft een taak die bij of krachtens de wet is geregeld (ook aangeduid als wettelijke taak).

Onder de term publieke gelden vallen alle bij of krachtens de wet ingestelde «heffingen» (artikel 59 CW). Dit kunnen rijksbijdragen (met name subsidies en specifieke uitkeringen), premies of tarieven zijn. Bij premies staat tegenover het bedrag dat belanghebbenden betalen geen directe individuele tegenprestatie, bij tarieven wel. De Rekenkamer beschouwt een tarief als een heffing wanneer in de wettelijke regeling is vastgelegd dat de minister invloed heeft op het tarief, bijvoorbeeld doordat hij het vaststelt, goedkeurt of de grenzen bepaalt (maximale hoogte).

Private activiteiten en gelden

Veel instellingen op afstand van het Rijk verrichten naast de opgedragen publieke taken ook nevenactiviteiten, die niet bij of krachtens de wet aan de instellingen zijn opgedragen. Dit kan zowel op commerciële als niet-commerciële basis plaatsvinden. Te denken valt aan het verrichten van onderzoek, het geven van adviezen aan derden, het verhuren van ruimtes of gebouwen e.d. In dit geval wordt in dit rapport van private activiteiten gesproken.

In sommige gevallen is de grens tussen publieke taken en private activiteiten moeilijk te trekken: bijvoorbeeld bij universiteiten wordt in het verlengde van de wettelijke taak, al dan niet commercieel, contractresearch verricht voor derden (derde geldstroom).

Inkomsten uit private activiteiten worden in dit rapport aangeduid als private gelden. Het gaat dan met name om inkomsten uit private activiteiten, werving van fondsen, legaten e.d.

Vermogensvorming

Hieronder wordt in dit rapport verstaan de som van het eigen vermogen, de voorzieningen en – voorzover van toepassing – de egalisatierekeningen voor ontvangen investeringsbijdragen. Ook waar gesproken wordt van «vermogen» wordt het geheel van deze componenten bedoeld.

Een vierde vorm van vermogensvorming, vorming van stille reserves, komt in dit onderzoek slechts zijdelings aan bod.

Eigen vermogen

De belangrijkste en meest «pure» component van vermogen is het eigen vermogen («vermogen in enge zin»), het saldo van activa minus vreemd vermogen. Bij instellingen op afstand van het Rijk bestaat het eigen vermogen met name uit reserves (inclusief niet verdeelde exploitatieresultaten)1. Reserves worden gevormd uit het resultaat (= resultaatbestemming). Reserves komen in diverse soorten voor. De voor ondernemingen op grond van Titel 9, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek specifiek voorgeschreven categorieën reserves zijn niet toepasbaar op het overgrote deel van de instellingen op afstand van het Rijk (grotendeels publiekrechtelijke rechtspersonen of stichtingen). Bij deze instellingen, niet-zijnde NV’s of BV’s, is een zinvolle indeling van reserves:

algemene (niet-bestemde) reserves: vrij besteedbare reserves, meestal gevormd door middel van verwerking van de voorlopige of definitieve winstbestemming of vrijval uit andere reserves;

bestemde reserves: geoormerkte reserves die voor een bepaald doel apart zijn gezet (soms aangeduid als fondsen); dit kunnen door het bestuur geoormerkte reserves of door derden geoormerkte reserves (beklemde reserves) zijn;

onverdeelde exploitatieresultaten.

Het eigen vermogen vervult diverse functies:

financieringsfunctie («structurele reserves»): vormen van reserves ter financiering van (bedrijfsgebonden, materiële) vaste activa, met name gebouwen en materieel (het «permanente vermogensbeslag»);

bufferfunctie («weerstandsvermogen», «conjuncturele reserves»): vormen van reserves, ter waarborging van de continuïteit, ten behoeve van de opvang van fluctuaties in de exploitatie («egalisatiefunctie») en de opvang van algemene bedrijfsrisico’s;

bestemmingsfunctie: vormen van geoormerkte reserves («fondsen») voor een specifiek doel.

Aangezien het eigen vermogen feitelijk het verschil tussen activa («bezittingen») en vreemd vermogen (inclusief voorzieningen) is, is ook de juiste waardering van deze activa en het vreemd vermogen van belang. Zo leidt een te lage waardering van activa («stille reserves») en te hoge dotaties aan de voorzieningen tot een lager eigen vermogen2.

Voorzieningen

Volgens algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving, zoals neergelegd in artikel 374 van Titel 9, worden voorzieningen op de balans opgenomen ter dekking van op de balansdatum bestaande:

• verplichtingen en verliezen waarvan de omvang op de balansdatum onzeker is, doch redelijkerwijs is te schatten;

• risico’s ter zake van bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen waarvan de omvang redelijkerwijs is te schatten;

• kosten die in een volgend boekjaar zullen worden gemaakt, mits het maken van die kosten zijn oorsprong mede vindt in het boekjaar of in een voorafgaand boekjaar en de voorziening strekt tot gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal boekjaren.

Voorzieningen worden gevormd ten laste van het resultaat (resultaatbepaling). Ondanks dat voorzieningen tot het vreemd vermogen behoren, worden voorzieningen in dit onderzoek toch tot het «vermogen» (bufferfunctie) gerekend. Bij voorzieningen is namelijk geen sprake van harde verplichtingen (schulden): voorzieningen worden gevormd voor onzekere gebeurtenissen die in de toekomst waarschijnlijk (doch niet zeker) tot kosten zullen leiden. Bij voorzieningen is dus vaak sprake van subjectiviteit, schattingen en onzekerheid, en dus beïnvloedingsmogelijkheden. Bij instellingen op afstand van het Rijk is het risico van vorming van te hoge of oneigenlijke voorzieningen – ten laste van het resultaat en het eigen vermogen – niet ondenkbaar. De afbakening tussen bestemmingsreserves en voorzieningen is vaak moeilijk te trekken en onzuiver.

De Raad voor de Jaarverslaggeving heeft nadere voorwaarden verbonden aan het vormen van voorzieningen:

• het gaat om concrete, specifieke risico’s die uitgaan boven het algemene risico dat aan ondernemen verbonden is (dus geen voorzieningen voor algemene risico’s);

• de risico’s moeten op de balansdatum aanwezig zijn en hun oorsprong vinden in gebeurtenissen tot en met balansdatum;

• er moet een zekere mate van waarschijnlijkheid zijn dat het risico tot een verplichting of verlies leidt;

• een redelijke benadering van het vermoedelijke nadeel voortvloeiend uit bedoelde risico’s moet mogelijk zijn.

Egalisatierekeningen voor investeringsbijdragen

Egalisatierekeningen worden gevormd door van derden ontvangen investeringsbijdragen niet direct geheel in het jaar van ontvangst als opbrengst ten gunste van de resultatenrekening te brengen, maar te passiveren («reserveren») op de balans1. Dit heeft als doel het tot uiting brengen (egaliseren) van de werkelijke afschrijvingskosten van materiële vaste activa. Jaarlijks wordt afgeschreven op de activa en valt een evenredig deel van de egalisatierekening vrij ten gunste van de resultatenrekening.

De Raad voor de Jaarverslaggeving heeft bepaald dat deze egalisatierekeningen apart op de balans moeten worden opgenomen en niet mogen worden gepresenteerd als eigen vermogen of voorzieningen. Egalisatierekeningen komen slechts voor bij een deel van de instellingen.

Stille reserves

Stille reserves zijn «verborgen reserves» die aan de activazijde van de balans worden «gevormd» door materiële vaste activa voorzichtig (historisch) te waarderen, zodat de boekwaarde (balanswaarde) lager is dan de actuele waarde. Bij afstoting, herwaardering of volledige afschrijving van het activum wordt dan een waardesurplus boven de boekwaarde «gerealiseerd». Stille reserves zijn een uitvloeisel van het algemeen aanvaarde voorzichtigheidsbeginsel. De meeste instellingen op afstand van het Rijk waarderen hun vaste activa historisch (vaak verplicht), zodat stille reserves veel bij deze instellingen zullen voorkomen. De omvang van de stille reserves kan alleen uit de jaarrekening worden gedestilleerd, indien in de toelichting naast de boekwaarde op basis van historische kosten ook de actuele waarde wordt vermeld, hetgeen zelden gebeurt.

B TOETSINGSKADER

Aangezien algemeen voor instellingen op afstand van het Rijk geldende wet- en regelgeving inzake vermogensvorming ontbreekt heeft de Rekenkamer een toetsingskader ontwikkeld ter beoordeling van de vermogenvorming van instellingen op afstand van het rijk.

Hoofdnorm I

De eerste hoofdnorm betreft de rechtmatigheid van de vermogensvorming, waarbij naleving van de vigerende wet- en regelgeving door de instelling centraal staat: de vorming en aanwending van eigen vermogen en voorzieningen (en voor zover van toepassing egalisatierekeningen voor investeringsbijdragen) en de verantwoording daarover in de jaarrekening vindt plaats in overeenstemming met wet- en regelgeving. Deze regelgeving dient, voor zover mogelijk, in overeenstemming te zijn met de algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving.

Hoofdnorm II

Voor de minister en/of toezichthouder stelt de Rekenkamer als norm dat deze zorg draagt voor regelgeving of nadere afspraken tussen ministerie en (cluster van) instellingen inzake onder meer:

• toegestane soorten reserves en voorzieningen;

• normatieve omvang en begrenzing (minimale en maximale hoogte) van eigen vermogen (en eventueel ook voorzieningen);

• bestedingsdoel van met publieke gelden opgebouwde reserves;

• (voorwaarden van) aantrekken van vreemd vermogen (lenen);

• voorwaarden voor liquiditeitenbeheer, in het bijzonder beleggen en uitlenen (mate van risicovol beleggen, uitlenen in het verlengde van de publieke taak);

• (voorzover van toepassing) verhouding tussen uit publieke en private middelen opgebouwd eigen vermogen.

De regelgeving en afspraken dienen te zijn gebaseerd op een systematische analyse van relevante factoren en risico’s(zie hieronder)1. De inhoud zal per (cluster van) instelling(en) variëren, afhankelijk van factoren als de sturingsrelatie, mate van zelfstandigheid e.d. (zie kader en handreiking (bijlage 2))

Relevante factoren en risico’s:

A. Algemene factoren:

• besturingsfilosofie (verhouding Rijk–instelling);

• bekostigingswijze (subsidies, garanties, leningen);

• omvang en soorten reserves en voorzieningen bij organisaties met vergelijkbare risico’s;

• etc.;

B. Factoren ter bepaling van de financieringsfunctie van het eigen vermogen:

• waardering, samenstelling, ouderdom, financieringsbehoefte materiële vaste activa;

• beleidslijn ministerie terzake: mate van vergoeding huisvestingslasten, mate van verstrekking investeringsbijdragen, mogelijkheid van financiering met vreemd vermogen (en dan mate van afdekking financieringslasten), instelling waarborgfondsen e.d.;

C. Factoren ter bepaling van de bufferfunctie van het eigen vermogen (en voorzieningen):

• inventarisatie overige risico’s: politieke risico’s, maatschappelijke risico’s, financiële risico’s, personele risico’s, exploitatierisico’s, bestuurlijke bedrijfsrisico’s en technische bedrijfsrisico’s;

• exploitatieresultaten in het verleden;

• flexibiliteit van de kostenstructuur en mogelijkheid van doorberekening aan derden (afwenteling, bijv. via tariefsverhoging);

• risicobeheersingsmaatregelen (verzekeringen e.d.);

• restrisico’s en benodigde risico-afdekking via vorming van voorzieningen en reserves.

In de regelgeving of afspraken is aangegeven hoe met afwijkingen van de norm omgegaan wordt (bijv. versterking of afroming van eigen vermogen, verplichte aanwending vermogensoverschot voor het beoogde doel, aanpassing rijksbijdrage/subsidie, reductie/uitbreiding soorten voorzieningen e.d.). De minister draagt zorg voor voldoende toezicht en controle op naleving van de regelgeving of afspraken.

Hoofdnorm III

Daarnaast stelt de Rekenkamer als norm voor de instelling, dat deze met inachtneming van de regelgeving en afspraken, een inhoudelijk deugdelijk beleid voert inzake:

• vorming en aanwending van eigen vermogen en voorzieningen (en indien van toepassing egalisatierekeningen) in overeenstemming met de functies van deze vermogenscomponenten1;

• deugdelijke verantwoording hierover in de jaarrekening (verwerking, presentatie en toelichting zoveel mogelijk conform algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving2 );

• aandacht voor verwachte ontwikkelingen in eigen vermogen en voorzieningen in de begroting;

• lenen, beleggen en uitlenen van liquide middelen;

• (voorzover van toepassing) het voorkomen van het parkeren van publieke gelden bij gelieerde organisaties en het oneigenlijk aanwenden van publieke middelen voor private activiteiten.

Het beleid is gebaseerd op bovengenoemde analyse van relevante factoren en risico’s. Het beleid wordt stelselmatig toegepast, is vastgelegd en vastgesteld door het bestuur en wordt tijdig geactualiseerd.

Het eigen vermogen vervult aantoonbaar een financierings-, buffer- of bestemmingsfunctie. De voor ondernemingen op grond van Titel 9, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek specifiek voorgeschreven categorieën reserves zijn niet toepasbaar op het overgrote deel van de instellingen op afstand van het Rijk (grotendeels publiekrechtelijke rechtspersonen of stichtingen).

Een zinvolle indeling van reserves voor deze instellingen is:

• algemene (niet-bestemde) reserves: vrij besteedbare reserves, meestal gevormd door middel van verwerking van de voorlopige of definitieve winstbestemming of vrijval uit andere reserves;

• bestemde reserves: geoormerkte reserves die voor een bepaald doel apart zijn gezet (soms aangeduid als fondsen); dit kunnen door het bestuur geoormerkte reserves of door derden geoormerkte reserves (beklemde reserves) zijn;

• onverdeelde exploitatieresultaten.

Aangezien het eigen vermogen feitelijk het verschil tussen activa («bezittingen») en vreemd vermogen (inclusief voorzieningen) is, is ook de juiste waardering van deze activa en het vreemd vermogen van belang. Zo leidt een te lage waardering van activa («stille reserves») en te hoge dotaties aan de voorzieningen tot een lager eigen vermogen1.

Voorzieningen worden slechts gevormd onder de voorwaarden van Titel 9 en de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving. Volgens artikel 374 van Titel 9, worden voorzieningen op de balans opgenomen ter dekking van op de balansdatum bestaande:

• verplichtingen en verliezen waarvan de omvang op de balansdatum onzeker is, doch redelijkerwijs is te schatten;

• risico’s ter zake van bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen waarvan de omvang redelijkerwijs is te schatten;

• kosten die in een volgend boekjaar zullen worden gemaakt, mits het maken van die kosten zijn oorsprong mede vindt in het boekjaar of in een voorafgaand boekjaar en de voorziening strekt tot gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal boekjaren.

Egalisatierekeningen voor ontvangen investeringsbijdragen worden gevormd onder de voorwaarden van de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving. Daarin is bepaald dat egalisatierekeningen apart op de balans moeten worden opgenomen en niet mogen worden gepresenteerd als eigen vermogen of voorzieningen.

Eigen vermogen, voorzieningen en egalisatierekeningen worden aangewend voor het doel waarvoor ze gevormd zijn. Indien een voorziening (ten dele) niet meer benodigd is, dient een vrijval ten gunste van de resultatenrekening plaats te vinden.

De verwerking van mutaties in eigen vermogen, voorzieningen en egalisatierekeningen vindt volgens algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving plaats:

• toevoegingen en onttrekkingen aan en vrijval van reserves lopen zoveel mogelijk via de resultatenrekening2 als resultaatbestemming (met name toevoegingen aan reserves);

• dotaties en vrijval van voorzieningen lopen via de resultatenrekening3 als resultaatbepaling; onttrekkingen aan voorzieningen lopen via de balans;

• ontvangen investeringsbijdragen worden als egalisatierekening onder de passiva opgenomen4; jaarlijkse vindt een – aan de afschrijving op het betreffende actief evenredige – vrijval ten gunste van de resultatenrekening plaats.

De presentatie en toelichting op eigen vermogen, voorzieningen en egalisatierekeningen in de jaarrekening is toereikend:

• duidelijke, inzichtelijke presentatie in de balans;

• stelselmatigheid (grondslagen), voldoende toelichting op gevolgen van stelselwijzigingen;

• informatieve toelichting.

Een informatieve toelichting houdt met name in:

• Voldoende specificatie van de balansposten eigen vermogen, voorzieningen en egalisatierekeningen;

• overzicht verloop van de diverse gespecificeerde reserves, voorzieningen en egalisatierekeningen (opname mutatiestaten: beginsaldo, toevoegingen, onttrekkingen, vrijval en eindsaldo);

• toelichting aard en doel van eigen vermogen, voorzieningen en egalisatierekeningen;

• nauwkeurige omschrijving diverse voorzieningen;

• toelichting functies en mate van bestemdheid eigen vermogen;

• aangeven langlopend deel van de voorzieningen.

De kwalificatie/onderlinge afgrenzing van eigen vermogen, voorzieningen en egalisatierekeningen is voldoende: eigen vermogen voor algemene risico’s zonder verplichtingenkarakter, voorzieningen voor specifieke risico’s met verplichtingenkarakter en egalisatierekeningen voor egalisatie van ontvangen investeringsbijdragen.

BIJLAGE 7

OVERZICHT SOLVABILITEIT INSTELLINGEN

kst-27066-2-10.gifkst-27066-2-11.gif

BIJLAGE 8

Cijfermatig overzicht vermogensvorming (bedragen x f 1 000)

InstellingJaarEigen vermogen totaalVoorzieningenEgali-satie-rekening«Vermo-gen» totaalMateriële vaste activaLiquide midde-len + kortlopende beleg-gingenLanglopende beleg-gingenLanglopende schuldenBalans-totaalSolvabiliteit 1 (eigen vermo-gen/ba-lans-totaal)Solvabiliteit 2 (vermo-gen/ba-lans-totaal)Liquiditeit (current ratio)BatenResultaat«Publieke midde-len/baten: < 50%; 50%–75%; > 75%»
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
Universiteiten
Universiteit Twente1995353 50026 400 379 900277 60067 40017 600 525 80067,272,31,4335 2001 80050–75
 1996362 20028 700 390 900293 70073 50018 7004 000569 40063,668,71,3345 8004 20050–75
 1997292 80038 600 331 400232 70090 40021 6003 600502 60058,365,91,3336 400– 90050–75
Erasmus Universiteit1995463 50018 300 481 800462 30056 700 29 800633 00073,276,11,3493 10010 300> 75
 1996468 3009 000 477 300475 50046 300 28 700647 50072,373,71,1479 6009 00050–75
 1997492 80011 400 504 200502 40074 500 57 600715 40068,970,51,3526 50034 70050–75
Vrije Universiteit1995322 10017 300 339 400251 700114 700 12 700478 80067,370,91,7589 40020 400> 75
 1996372 30023 900 396 200252 000165 600 12 100529 80070,374,82,2613 70049 00050–75
 1997398 80035 000 433 800242 200207 700 3 400573 10069,675,72,3603 40024 200> 75
Katholieke Universiteit1995469 30060 500 529 800327 800158 600 100659 40071,280,32,6610 10014 800> 75
Nijmegen1996395 25296 879 492 131260 576164 356 0627 86663,078,42,7634 7557 97450–75
 1997420 450106 474 526 924274 913183 286 0682 79261,677,22,6651 8119 68350–75
Universiteit Wageningen (valt1995243 10013 100 256 200276 4009 500  323 10075,279,30,7345 6002 50050–75
formeel onder LNV, maar ter1996249 60010 200 259 800277 40016 500  332 30075,178,20,7370 2004 80050–75
vergelijking hier opgenomen)1997252 1009 300 261 400276 80019 800  334 80075,378,10,8369 5008 00050–75
Universiteit van Utrecht1995745 4660 745 466604 196189 596 2 540913 89081,681,61,7832 57730 229> 75
 1996804 8240 804 824621 433259 580 2 5461 010 24679,779,71,8968 46361 499> 75
 1997859 25424 000 883 254717 744285 936 2 5581 140 00575,477,51,6983 00026 685> 75
Universiteit van Maastricht1995330 83013 320 344 150253 58441 18162 358 428 84177,180,31,2356 5734 202> 75
 1996330 24115 564 345 805247 77524 88194 066 454 14472,776,11,0347 2403 824> 75
 1997331 71019 015 350 725249 02125 34195 269 461 22071, 976,01,0372 3379 082> 75
Technische Universiteit1995296 10050 200 346 300203 800149 600  454 20065,276,22,2365 50011 400> 75
Eindhoven1996313 20056 400 369 600258 800135 000  491 40063,775,21,8377 70017 100> 75
 1997323 70044 200 367 900264 300123 300  491 20065,974, 91,8378 00010 500> 75
Universiteit van Amsterdam1995451 30074 600 525 900475 60090 800  750 00060,270,11,1824 10019 800> 75
 1996474 10081 200 555 300470 500141 100  763 10062,172,81,3819 30022 800> 75
 1997447 800124 200 572 000450 700175 900  803 40055,771,21,4830 500– 26 300> 75
Rijksuniversiteit Groningen1995567 40016 500 583 900474 200106 300 2 700632 00089,892,43,4742 90020 900> 75
 1996595 35616 492 611 848488 870129 785 2 620676 45688,090,43,0729 70025 336> 75
 1997619 94419 275 639 219498 690137 847 0748 55782,885,42,2739 80024 473> 75
Technische Universiteit Delft1995573 6104 547 578 157366 436204 507  838 08668,469,01,7699 19417 218> 75
 1996410 97478 438 489 412265 269252 070  775 43553,063,11,7741 75710 529> 75
 1997445 35287 642 532 994332 318232 811  852 76052,262,51,6748 00911 756> 75
Katholieke Universiteit Brabant1995175 97414 150 190 124134 49858 096 640211 07183,490,13,6174 4844 270> 75
 1996180 99616 099 197 095130 28571 822 550218 81482,790,14,1177 5143 220> 75
 1997185 69418 607 204 301129 50478 702 460229 88780,888,93,9185 99985550–75
Universiteit Leiden1995333 93284 108 418 040342 86884 92125 000 606 04855,169,01,2655 648– 13 760> 75
 1996199 195217 275 416 470351 24451 67253 000 619 36632,267,21,0681 200– 134 737> 75
 1997205 300201 200 406 500355 50060 40028 000 596 30034,468,21,1668 3006 100> 75
Open Universiteit Nederland199569 94314 792 84 73544 24030 561  95 83573,088,43,7100 8381 329> 75
 199667 80319 377 87 18040 06044 835  99 26568,387,84,597 059449> 75
 199767 50022 800 90 30037 40046 400  104 60064,586,34,4102 500300> 75
Totaal Cluster Universiteiten19955 396 055407 817 5 803 8724 495 2221 362 462104 95848 4807 550 07171,576,91,67 125 214145 388> 75
(incl. UW = LNV)19965 224 341669 524 5 893 8654 433 4121 577 001165 76650 5167 815 09266,875,41,67 383 98884 994> 75
 19975 343 204761 713 6 104 9174 564 1901 742 323144 86967 6188 236 62164,974,11,67 496 056139 134> 75
                 
Hogescholen
Rijkshogeschool IJsselland19951 4752 520 3 99510 17411 124 8 08032 4324, 512,31,054 840– 2 039> 75
 1996– 7402 064 1 32415 958544 11 89426 682– 2,85,00,758 152– 2 126> 75
 1997– 2801 932 1 65214 848611 10 72226 317– 1,16,30,762 760465> 75
Katholieke PABO Zwolle19955 747758 6 5051 0976 420 2037 78573,883,66,26 119993> 75
 19966 5361 011 7 5471 1385 5271 6271848 70875,186,76,06 427789> 75
 19978 317988 9 3052 7295 8181 62714310 72677,586,84,97 3521 781> 75
Hogeschool voor Economische199515 0437 344 22 38713 41212 070 2 76230 70149,072,93,138 181– 413> 75
Studies Rotterdam199615 3927 231 22 62312 28112 124 1 96229 94551,475,53,338 61963> 75
 199716 2376 418 22 65512 99610 698 1 16230 18953,875,02,742 299845> 75
Hogeschool voor de Kunsten19959 53418 868 28 40236 0926 643 41 10377 55112, 336,61,449 716646> 75
 199618 6425 449 24 09136 0126 105 40 27176 93024,231,30,752 479612> 75
 199718 7745 493 24 26764 5674 615 38 64076 93024,431,50,653 568132> 75
Hogeschool Diedenoort19953 2552 353 5 6085 0493 868 1 25610 51730,953,31,513 556820> 75
 19962 9682 340 5 3085 9242 295 1 1899 72530,554,61,213 756– 314> 75
 19972 1231 963 4 0865 2682 049 1 1239 16823,244,61,013 621– 1 358> 75
Chr. Hogeschool Windesheim199529 62210 917 40 53990 35621 128 71 451126 58023,432,02,3124 896– 2 215> 75
 199627 87810 632 38 51086 21211 1056 01868 999120 24723,232,01,9119 034– 1 880> 75
 199733 96013 728 47 68881 24723 6666 03564 157128 92926,337,02,2128 4426 016> 75
Gerrit Rietveld Academie19951 877136 2 0136 898758 5 8939 30020,221,61,413 134813> 75
 19963 052146 3 1987 407822 5 6279 86430,932,41,913 8701 175> 75
 19972 621161 2 7826 9182 297 5 38910 41225,226,71,412 624– 431> 75
Academie voor beeldende1995844655 1 4993 9171 769 2 7396 89212,221,71,19 472– 273> 75
Kunst1996769877 1 6463 6572 197 2 4167 05810,923,31,010 025782> 75
 1997– 1 455332 – 1 1235 425302 1 4966 819– 21,3– 16,50,210 357– 2 021> 75
Hogeschool De Horst19951451 260 1 4056 527530 9 89613 4601,110,41,416 97320 900> 75
 19969752 016 2 9918 7072 998 8 16013 5547,222,11,918 49325 336> 75
 19971591 791 1 9507 890990 6 30910 8141,518,01,015 94824 473> 75
RK Technische Hogeschool199510 2465 212 15 45823 3279 942 14 94035 79728,643,22,222 8281 202> 75
Rijswijk199611 8564 497 16 35322 15011 337 14 35636 57132,444, 72,324 0921 70850–75
 199712 0085 161 17 16921 47612 661 13 77536 92132,546, 52,523 544521> 75
Hotelschool Den Haag19954 6123 443 8 0551 2163 957 5 14116 84727,447,81,514 9131 563> 75
 19965 1423 642 8 7841 0883 941 5 00017 79828,949,41,614 599531> 75
 19977 8492 529 10 37811 1285 694 4 63419 09241,154,41,917 8281 50150–75
The Design Academy19954 004187 4 1912 8202 237 3115 45273,476,92,77 528306> 75
 19964 991205 5 1962 681354 3116 90772,375,20,48 8761 054> 75
 19976 601224 6 8256 2442 040 31114 43345,747,30,612 1661 53350–75
Hogeschool Holland199531 6224 236 35 85855 31918 232 30 66090 73934,839,51,286 6712 108> 75
 199631 9565 617 37 57352 09018 9934 30029 11994 17733,939,91,189 723334> 75
 199730 7317 361 38 09271 01326 3144 30050 709122 88525 ,031,01,2102 445– 1 277> 75
Hogeschool Alkmaar19957 9471 281 9 22831 65322 158 35 85359 81313,315,41,856 723843> 75
 19967 4711 967 9 43830 16323 909 34 96959 87012,515,81,857 993– 448> 75
 19972 8134 946 7 75940 54616 246 34 09360 7864,612,81,158 727– 4 628> 75
Hogeschool Helicon19951 476269 1 7456 135854 4 8387 38320,023,61,63 92439> 75
 19962 555434 2 9896 6941 728 5 1629 65926,530,91,65  821– 124> 75
 19972 610448 3 0586 5431 759 4 9479 61127,231,81,66  43655> 75
Hogeschool West-Brabant199554 8894 408 59 29775 9133 058 35 943121 51445,248,80,2101 4143 161> 75
 199655 3125 829 61 14174 4884 345 34 423132 61141,746,10,5113 4591 022> 75
 199757 7685 508 63 27671 8549 082 25 491138 29541,845, 80,5116 8753 056> 75
Pedagogische Hogeschool «De19956251 418 2 0432 0212 538 1 7724 98012,641,02,54 409254> 75
Kempel»19961 1411 459 2 60020012 995 1 6345 41321,148,02,84 504516> 75
 19971 9631 608 3 5713 2162 956 1 4956 68029,453,52,14 811501> 75
Hogeschool Edith Stein19953 256110 3 3667 3372 190 5 74310 28031,732,72,47 188103> 75
 19963 244899 4 1438 0482 762 5 59511 87027,334,91,712 691762> 75
 19973 8061 109 4 9158 5033 014 5 36412 89129,538,11,613 6911 683> 75
Hogeschool Domstad19955 325658 5 98312 8892 743 8 82816 86831,635, 51,98 902345> 75
 19965 330863 6 19313 1982 066 8 13316 55632,237,41,410 5985> 75
 19975 317809 6 12613 1871 868 7 82616 66931,936,81,210 559– 13> 75
Hogeschool Iselinge19952 498193 2 6913 5063 015 3 1307 41733,736,32,45 425– 268> 75
 19962 468203 2 6713 3442 876 3 0437 30733,836,62,35  106– 30> 75
 19972 425215 2 6403 2413 069 2 9556 99834,737,72,65  2581> 75
PC Hogeschool Marnix19952 595870 3 4655 1342 515 2 8828 62530,140,21,59 522414> 75
Academie19963 209543 3 7524 7252 497 2 7778 42438,144,51,910 009457> 75
 19974 100461 4 5615 0243 745 2 6809 86041,646,31,810 769501> 75
Hogeschool voor Muziek en19953 579582 4 1613 4194 048 4978 54741,948,71,325 0192 263> 75
Theater19966 323633 6 9565 1075 436 49711 66254,259,61,625 0032 771> 75
 19978 9161 213 10 12911 5412 790 49715 46857,665,50,825 3742 605> 75
Christelijke Hogeschool de19958 6592 630 11 28916 764525 8 30623 37437,048,31,612 4082 478> 75
Driestar199610 2102 307 12 51722 9365 578 12 00730 05334,041,61,213 0331 551> 75
 199710 2982 332 12 63022 3474 851 11 84328 79235,843,91,412 46088> 75
Hogeschool voor Economische199534 8518 321 43 17213 07238 161 1 78258 51759,673,83,355 8923 208> 75
Studies199639 1255 855 44 98012 98045 006 1 76263 65461,570,73,056 2453 055> 75
 199732 90911 794 44 70312 25843 754 1 65665 55550,268,22,857 524336> 75
Hogeschool Drenthe19958 1171 387 9 50424 8826 818 20 47336 25122,426,21,721 753– 329> 75
 19966 6161 282 7 89821 3519 474 19 12133 10120,023,91,921 187– 1 277> 75
 19976 8911 209 8 10019 8179 872 18 37832 55421,224,92,122 540499> 75
Hogeschool voor de Kunsten19959 667362 10 02916 9216 904 11 02425 39538,139,51,926 245– 558> 75
 199611 903558 12 46124 4993 626 12 10029 36140,542,41,027 4962 236> 75
 199713 148685 13 83326 9861 666 11 71630 88342,644,80,728 3061 300> 75
Hogeschool Midden-Brabant19955 8722 234 8 10615 0047 502 13 16826 90921,830,11,622 786– 538> 75
 19964 8383 789 8 62712 55810 406 12 53526 95417,932,02,023 518– 1 034> 75
 19973 8554 589 8 44410 59412 586 12 04327 65013,930,52,023 000– 1 027> 75
Hogeschool Zeeland199510 1552 079 12 23448 98314 111 42 19666 47415,318,41,539 883– 1 683> 75
 199610 5601 038 11 59850 32710 798 41 07164 47116,418,01,242 872405> 75
 19973 8953 616 7 51150 7684 198 40 07058 8946,612,80,742 071– 6 665> 75
Constantijn Huygens Hoge-19952 7301 645 4 37512 1703 398 10 04317 18415,925,51,715 560– 1 588> 75
school19962 4852 359 4 84411 6692 665 9 67315 96015,630,42,815 341– 229> 75
 19975002 357 2 85711 1202 712 8 62215 1533,318,91,115 563– 1 975> 75
Amsterdamse Hogeschool199544 22817 720 61 94836 46239 222 30 548104 25342,459,43,968 986918> 75
voor de Kunsten199642 90021 184 64 08477 02220 729 29 686107 32940,059,72,073 7933 509> 75
 199748 22111 128 59 34980 56314 353 17 485103 66046,557,30,867 825– 2 315> 75
Hogeschool ’s-Hertogenbosch199512 82319 733 32 55617 85617 064 6 35052 03324,662,61,673 0829 77850–75
 199614 90819 337 34 24516 63319 533 6 15653 97527,663,41,755 0972 085> 75
 199716 61818 856 35 47415 00020 255 5 95855 94529,763,41,955 9791 710> 75
Hogeschool van Amsterdam199521 78926 850 48 639106 9642 391 99 900218 86510,022,20,4210 6782 331> 75
 199624 59736 040 60 637266 1947 920 173 967304 7388,119,90,5217 6622 724> 75
 199725 12325 612 50 735279 77312 374 177 265326 3867,715,50,5231 243526> 75
Leidse Hogeschool199528 3863 449 31 83530 19130 778 23 12965 92143,148,33,339 254662> 75
 199632 0934 632 36 72532 72132 474 20 93469 43146,252,93,142 8781 512> 75
 199735 4075 732 41 13932 29935 614 18 61071 74849,357,33,343 197745> 75
Ichthus Hogeschool199524 0474 070 28 1177 72323 125 2 03634 33070,081,96,340 7493 244> 75
 199618 5834 527 23 11011 25222 222 1 75738 57948,259,92,042 584344> 75
 199732 02211 152 43 17417 54639 626 2 93968 37346,863,12,369 8202 294> 75
Hogeschool Haarlem199521 0426 833 27 87527 47712 395 8 92948 33843,557,71,776 9202 621> 75
 199621 5709 184 30 75428 3188 4446 0009 12851 09142,260,21,477 105239> 75
 199720 7066 691 27 39727 48215 1826 0005 94761 06733,944,91,080 062– 345> 75
Hogeschool Maastricht199521 8096 624 28 43369 8865 487 40 03380 27827,235,40,963 055– 8 092> 75
 199610 1726 373 16 54564 72919 139 57 14688 50911,518,71,663 592– 2 078> 75
 199712 4085 820 18 22872 56913 568 58 59491 39713,619,91,368 4862 236> 75
Hogeschool I-Pabo19953 055892 3 9472 7272 414 1 2507 66739,851,51,79 058– 467> 75
Amsterdam/Alkmaar19962 233783 3 0168 4462 631 7 30612 78317,523,61,89 378– 555> 75
 19973 746872 4 6188 3922 8341 4937 16014 93325,130,91,612 2721 567> 75
Nat. Hogeschool voor19951 282426 1 7084 5381 585 1 26212 51510,213,60,531 205– 2 407> 75
Toerisme en Verkeer19961 118505 1 62342 5993 329 34 14851 9222,23,10,434 156– 711> 75
 19971 311474 1 78541 5016 902 30 69555 9122,33,20,537 578244> 75
Noordelijke Hogeschool199524 9647 187 32 151111 0063 116 86 553131 46819,024,51,0108 451– 5 696> 75
Leeuwarden199621 4507 570 29 020102 50112 926 69 250130 85116,422,20,7107 323– 2 672> 75
 199721 0705 722 26 79297 5511 786 63 728111 05019,024,10,5107 08257> 75
Haagse Hogeschool199541 558116 826 158 384115 2135 2921 06620 732216 31319,273,20,7147 765268> 75
 199616 438149 161 165 599212 29435 2261 066120 051370 8124,444,70,5152 801– 1 907> 75
 199716 642153 683 170 325232 22742 9941 066116 377374 9924,445,40,6157 202192> 75
Christelijke Hogeschool199513 23610 680 23 91639 2935 657 17 63050 01326,547,81,150 8601 964> 75
Noord-Nederland199624 9193 142 28 06140 07513 709 16 15560 30241,346, 51,161 6325 407> 75
 199727 1914 524 31 71537 00619 158 13 70164 09442,449, 51,355 704745> 75
Gereformeerde Hogeschool19952 698113 2 8116 2763 878 7 77311 29723,924,96,89 8731 154> 75
 19962 198172 2 3707 9124 436 7 60513 25616,617,91,69 145– 482> 75
 19971 955161 2 1169 139949 7 30210 91417,919,41,110 032– 157> 75
Hogeschool Rotterdam &199568 25211 448 79 700125 19574 646 121 056222 08630,735,94,4154 057– 3 657> 75
Omstreken199654 8177 285 62 102132 60147 624 118 383202 88827,030,63,0156 893– 2 967> 75
 199754 6635 388 60 051137 72638 333 115 733199 02527,530,22,5161 350– 246> 75
Hogeschool Enschede199562 6847 441 70 125117 393711 48 936135 14846,451,90,8119 2931 617> 75
 199667 6545 308 72 962117 535949 43 474133 94550,554,50,6116 8895 503> 75
 199772 0763 867 75 943117 6142 810 40 730136 19952,955 ,80,7122 4695 294> 75
Hogeschool v Beeldende19952 05710 224 12 28128 64612 356 26 58044 1114,727,82,841 480– 229> 75
Kunst, Muziek en Dans199610 7052 507 13 21229 62822 346 34 45755 38619,323,93,250 1108 648> 75
 199711 0422 815 13 85730 31919 883 31 46853 75920,525,82,742 097– 214> 75
Christelijke Hogeschool Ede19957 524658 8 18216 5682 444 9 55820 36037,040,21,420 239112> 75
 19966 190789 6 97926 433475 12 28728 89121,424,20,320 448– 1 334> 75
 19973 4861 166 4 65229 87633 15 07631 75811,014,60,223 496– 2 704> 75
Hanze Hogeschool199577 50416 441 93 945155 11475 846 115 812258 26630,036,41,9184 3153 518> 75
 199683 36615 305 98 671168 70193 436 140 864298 69827,933,02,1189 6565 982> 75
 199775 40622 822 98 228198 49970 633 142 869304 22224,832,31,5197 336– 7 726> 75
Hogeschool van Utrecht199573 69529 017 102 712102 13269 557 62 512210 52335,048,82,2279 7575 369> 75
 199676 56633 635 110 201123 63959 913 60 655221 10234,649,81,8299 6523 123> 75
 199739 69941 904 81 603193 70424 192 59 002264 16115,030,90,5319 3392 571> 75
Hogeschool Limburg199555 5697 345 62 91442 30442 7039 16922 083104 62853,160,12,683 0098 055> 75
 199669 7216 242 75 96367 72048 0638 90842 238142 46748,953,32,686 068– 2 471> 75
 199774 4077 253 81 660101 24048 7948 22044 443178 08741,845,91,387 3776 981> 75
Hogeschool v Arnhem en 1995                
Nijmegen1996               
 199741 33142 877 84 208122 40566 745 64 674225 97118,337,31,2214 0321 918> 75
Stichting Fontys1995               
 1996136 56117 079 153 640219 05845 69059 062203 529475 28528,732,30,8399 2598 757> 75
 1997145 33923 566 168 905218 77771 00750 291197 244499 91529,133,81,0428 971– 995> 75
Totaal Cluster Hogescholen1995888 469390 313 1 278 7821 714 971649 88310 2351 153 5752 991 99729,742,71,62 687 96653 618> 75
 19961 040 966426 505 1 467 4712 355 404735 72386 9811 603 1663 897 33226,737,71,33 179 14270 358> 75
 19971 078 728493 065 1 571 7932 730 502789 94879 0321 625 2464 343 94224,836,21,13 549 86740 875> 75
                 
Rijksmuseale instellingen
Rijksmuseum van Oudheden19953 1242 183 5 3074 4582 339  7 54541,470,31, 44 431266> 75
 19963 3562 617 5 9734 2312 223  7 29246,081,92,38 74772> 75
 19973 1972 082 5 2793 928765  5 94153,888,93,09 104– 156> 75
Rijksmuseum Twente19953 344  3 3442 0821 789 1004 21579,379,32,83  502597> 75
 19961 679  1 6799131 218 52 38970,370,32,13 64385> 75
 19971 606 611 6678061 222  2 50864,066,52,03 889– 9> 75
Joods Historisch museum1995551 247 1 302 883  1 7023,276,54,33 5759> 75
 1996560 56 834  2 0422,72,71,04 560450–75
 199761360 421 789  1 6423,725,61,35 325550–75
Rijksmuseum voor Volken- 19953749721 6653 0111 9332 198 6 15011 9143, 125,33,611 817448> 75
kunde19967 9735702 50811 0512 5592 588  13 15260,684,05,011 868448> 75
 199710 1193042 40312 8263 53710 176  14 52869,788,36,411 6921 319> 75
Kröller-Müller Museum19952 275800 3 0759361 227  6 06037,550,71,713 8661 17350–75
 19962 070315 2 3851 0601 656 1504 22449,056,51,98 418– 16> 75
 19972 0484 796 6 8449192 080 1008 85023,177,34,28 758444> 75
Scheepvaartmuseum1995– 9531 0265336065331 277 6662 855– 33,421,21,48 643– 215> 75
Amsterdam1996– 1329123891 169415992 02 217– 6,052,71,78 639155> 75
 19973977972451 4394901 594 02 88713,849,81,79 295529> 75
Rijksbureau voor kunsthistori-1995998  998631 760  2 06848,348,31,96 031247> 75
sche documentatie19961 662  1 6621031 202  2 06180,680,64,96 878704> 75
 19972 209  2 2091392 489  3 10471,271,23,36 709545> 75
Van Gogh museum19951 038787 1 8251 2311 875  5 12520,335,61,214 655– 327< 50
 19961 068606 1 6741 681946  5 91118,128,31,017 85165 4< 50
 19975 453479 5 9321 3232 886  7 21975,582,24,618 3083 144< 50
Rijksmuseum Amsterdam19952 4012 674 5 0756 8696 227 2 60016 16114,931,41,119 66117550–75
 19968 7403 722 12 4629 30410 968 2 10122 64738,655,01,746 9144 08850–75
 19977 6005 046 12 6469 09013 200 1 38925 26830,150,01,446 62020750–75
Museum Meermanno-199538100381295265  71353,453,41,32 219– 235> 75
Westreenianum1996586950681338221  75577,690,25,62 634205> 75
 1997439223176838316613  1 11239,575,42,92 43175> 75
St. Afrika Museum1995– 6920 – 4943134  288– 24,0– 17,00,72 158–  5850–75
 19962,519 21,521190  3150,86,81,02 700250–75
 1997593 984017  2052,447,81,52 556– 250–75
St. Museum Catharijneconvent19952 97194 3 0651 0101 378 04 31968,871,02,64 926– 220> 75
 19961 772329 2 1011 7821 560 6004 94535,842,51,45 81835150–75
 19972 054584 2 6381 8211 503 5004 19649,062,92,25 180476> 75
St. Rijksmuseum Het19958 4545151889 1576 8922 807  10 47980,787,42,712 81635350–75
Zuiderzeemuseum19968 9151 03009 9456 7723 957  11 57077,186,03,012 65727350–75
 19978 9821 137010 1198 3242 519  12 19673,683,01,913 1126750–75
St. Nationaal Natuurhistorisch19952 254 02 2543 145213 04 44850,750,70,66 359– 1 435> 75
Museum199610 072 2 19912 2712 71810 555 013 91172,488,26,817 5621 143> 75
 199712 344 1 53113 87515 98619 138 18 00039 71531,134, 93,023 1132 458> 75
St. Nederlands Openlucht199510 9821 778 12 7602 86211 391  15 88069,280,44,212 77412850–75
Museum19969 3301 475 10 8052 8887 582  13 41669,580,54,013 840– 1 26750–75
 19979 3581 314 10 6722 7177 419  13 17771,081,04,214 06337950–75
Paleis het Loo19957391 248 1 9871 561200  3 19223,262,21,413 657– 6450–75
 19969401 071 2 0111 506375  3 10530,364,81,513 54520150–75
 19971 1441 068 2 2121 3001 623  3 58331,961,71,713 8169 23350–75
Mauritshuis19951 700100 1 8007161 964 754 58837,139,21,412 18168< 50
 19965 2441 037 6 2816424 881 387 45770,384,26,018 7673 767< 50
 19975 284537 5 8215564 650 07 26672,780,14,64 855– 6250–75
Teylers Museum19951985 607 5 80545680 06 5553,088,61,83 688– 6> 75
 199620511 681 11 88610 6592 032 2013 1811,690,22,05 152450–75
 199721611 229 11 4459 9991 876 1612 3191,892,92,74 05211> 75
Koninklijk Penningkabinet199522744 271219460  71731,737,81,11 342– 120> 75
 199635944 403159414  68352,659,01,91 661132> 75
 199740644 450168438  68958,965,32,22 12738> 75
Boerhaave19952 899 02 8991 8461 387  3 45384,084,02,95 919399> 75
 19963 479 03 4791 8951 801  3 97287,687,64,25 902291> 75
 19972 318 1 0003 3181 8541 216  3 78061,387,84,26 09869> 75
Totaal Cluster Rijksmuseale199543 39219 0952 38664 87336 73940 454 9 591112 27738,657,81,9164 2201 18350–75
instellingen199667 376,525 5235 09697 995,549 64656 195 2 914135 24549,872,52,5217 75611 29650–75
 199775 24030 0935 416110 74963 31376 213 20 005170 18544,265,12,7211 10318 77050–75
                 
Academische ziekenhuizen
Academisch Ziekenhuis1995337 027125 929 462 956948 03920 207 449 7451 094 84830,842,30,6610 56310 128> 75
Groningen1996297 387147 527 444 914935 0091 060 473 6661 093 04127,240,70,6668 313– 987> 75
 1997281 200171 695 452 895915 77878 447 5391 113 18025, 340,70,7687 4452 038> 75
Academisch Ziekenhuis1995227 861105 99121 963355 815538 05928 298 246 491787 48928,945,21,2782 714– 3 772> 75
Rotterdam1996211 681115 42331 790358 894567 65310 475 309 957781 98727,145,91,6787 085– 10 736> 75
 1997216 684138 44637 146392 276553 16458 218 318 909831 07326,147,22,0808 647– 242> 75
Academisch Ziekenhuis Vrije1995345 53537 8164 970388 321506 2349 960 146  450604 77057,164,21,3433 7492 923> 75
Universiteit1996278 10235 8736 606320 581478 0600 179 525592 35046,954,11,2455 776– 3 603> 75
 1997261 68935 3377 491304 517487 6590 194 662605 75943,250,31,1481 132– 1 583> 75
Academisch Ziekenhuis Leiden1995270 818138 117 408 935807 1321 365 528 5761 055 07825,738,81,4543 8021 260> 75
 1996261 600111 060 372 660803 7086 837 538 7521 057 47524,735,21,0527 6412 226> 75
 1997277 60299 137 376 739777 1584 461 508 6411 033 94826,836,41,0547 838687> 75
Academisch Medisch Centrum1995610 36931 710 642 079684 07544 146 103 559878 95169,473,11,4595 6141 636> 75
 1996595 08445 319 640 403685 80116 423 89 878972 23561,265,91,2703 559143> 75
 1997568 01460 994 629 008666 64037 859 96 871996 85857,063,11,1747 4622 492> 75
Academisch Ziekenhuis199589 65360 481 150 134517 74651 763 446 619675 08113,322,21,2381 8511 311> 75
Maastricht1996104 10153 129 157 230499 62349 398 427 820657 77415,823,91,3392 7711 333> 75
 1997106 69461 222 167 916492 11228 297 412 307660 57416, 225,41,4414 9153 413> 75
Academisch Ziekenhuis199550 176136 060482 194668 430661 64062 331 132 425867 7035,877,02,6495 6913 402> 75
Utrecht199639 793109 065459 779608 637633 70748 384 126 587835 5084,872,81,7516 363– 383> 75
 199739 588124 610437 884602 082746 59717 453 223 955971 3244,162,01,3688 269– 10 204> 75
Academisch Ziekenhuis1995118 52575 682 194 207343 2944 938 197 694504 26923,538,51,3509 1331 350> 75
Nijmegen1996108 13176 371 184 502362 715682 212 550535 53220,234,51,2526 418– 4 097> 75
 1997107 31484 872 192 186370 605358 217 800577 97918,633,31,1558 3416 067> 75
Totaal Cluster Academische19952 049 964711 786509 1273 270 8775 006 219223 008 2 251 5596 468 18931,750,61,34 353 11718 238> 75
Ziekenhuizen19961 895 879693 767498 1753 087 8214 966 276133 259 2 358 7356 525 90229,147,31,24 577 926– 16 104> 75
 19971 858 785776 313482 5213 117 6195 009 713146 724 2 420 6846 790 69527,445,91,24 934 0492 668> 75
                 
Omroepverenigingen
NCRV199583 60615 457 99 06324 54111 44056 6210136 71861,272,51,4144 672– 2 22750–75
 199673 14011 820 84 96024 5473 82756 0380122 15459,969,61,1149 591– 6 09150–75
 199778 33612 708 91 04428 4309 86755 9757 578141 29055,464,41,3139 91795650–75
AVRO199564 8709 400 74 27024 5043 51944 8950115 88556,064,11,1157 79745550–75
 199667 08115 274 82 35521 92912 49462 5010135 19049,660,90,9164 7421 46150–75
 199767 21919 895 87 11426 6524 40870 5682 940150 95844,557,70,9166 15013850–75
EO199528 8064 242 33 04811 03212 143  56 12851,358,92,0113 397– 2 039> 75
 199624 9194 645 29 56413 53811 156  67 57136,943,81,4122 204– 3 887> 75
 199722 1655 857 28 02213 5428 864  60 36936,746,41,4122 415– 2 754> 75
VPRO199549 46041 49 50115 15032 107 077 13064,164,22,1117 06710 579> 75
 199659 330258 59 58832 05943 532 20 000108 66454,654,82,5130 9599 870> 75
 199766 7460 66 74636 00336 932 17 638118 51756,356,32,4126 7537 416> 75
VARA199574 87113 103 87 9745 67779 565  125 11059,870,33,2144 2073 37550–75
 199682 1323 806 85 9385 342100 094  145 60156,459,02,4152 7647 26150–75
 199778 8975 372 84 2697 48487 632  135 03858,462,42,5141 938– 3 23550–75
KRO199563 09920 547 83 64618 18119 56940 111 119 93752,669,71,6154 552– 5 16250–75
 199663 98419 403 83 38719 40916 14244 201 121 11552,868,81,4155 18088550–75
 199764 10921 295 85 40424 58216 20246 800 137 37946,762,21,2146 40112550–75
TROS199533 4340 33 4349 96920 664  58 95656,756,71,9102 6662 438> 75
 199635 5630 35 56319 1754 847  69 69651,051,01,4108 179– 2 273> 75
 199732 096645 32 7415 5903 109  70 39445,646,51,6106 671– 3 546> 75
Totaal Cluster Omroep-1995398 14662 790 460 936109 054179 007141 6270689 86457,766,81,9934 3587 41950–75
verenigingen1996406 14955 206 461 355135 999192 092162 74020 000769 99152,759,91,6983 6197 22650–75
 1997409 56865 772 475 340142 283167 014173 34328 156813 94550,358,41,6950 245– 90050–75
                 
Individuele RWT’s
Informatie Beheer Groep199529 5629 8034 98344 34826 62936 176  88 20533,550,31,4185 638175> 75
 199629 83013 1523 39246 37425 25945 895  108 67527,442,71,3189 601268> 75
 199730 1479 7075 88245 73627 69255 056  122 48124,637,31,2220 510317> 75
NWO1995– 18 029144 473 126 44425 744159 87523 250 264 206– 6,847,91,4613 2005 393> 75
 199672 79544 773 117 5684 998112 17783 254 251 39929,046,81,1602 106– 660> 75
 1997120 15029 493 149 64310 700157 83368 350 303 04839,649,41,3661 59779 041> 75
KNAW1995141 98122 774 164 75581 62262 51034 3340217 64465,275,71,9157 8002 200> 75
 1996151 69325 477 177 17085 88568 63841 6390236 26564,275,01,8165 3002 500> 75
 1997159 05139 380 198 43190 56973 80054 9303 571262 30860,675,61,9175 1003 200> 75
TNO1995411 716126 93320 420559 069375 121118 799 966714 85057,678,21,7789 95210 301< 50
 1996423 15992 44519 680535 284347 632185 113 397720 79158,774,31,8776 96211 443< 50
 1997436 219106 03217 939560 190362 475207 893 87777 00756,172,11,8839 64613 060< 50
Totaal Ministerie van OCenW19959 341 2561 895 784536 91611 773 95611 871 3212 832 174314 4043 464 17119 097 30348,961,71,617 011 465243 915> 75
 19969 312 188,52 046 372526 34311 884 903,512 404 5113 106 093540 3804 035 72820 460 69245,558,11,518 076 400171 321> 75
 19979 511 0922 311 568511 75812 334 41813 001 4373 416 804520 5244 165 36721 820 23243,656,51,419 038 173296 165> 75
                 
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Politieregio’s
Politie Groningen199571 0227 282 78 30499 04524 869 36 000131 44154,059,61,9146 261– 4 240> 75
 199664 0175 762 69 779109 2208 302 34 560122 35952,357,00,7155 6432 996> 75
 199765 0979 000 74 097109 1116 800 37 700124 94152,159,30,9163 2306 080> 75
Politie Friesland199548 1392 611 50 75059 57975  64 34274,878,90,4123 464– 4 111> 75
 199660 0811 643 61 72469 64144  75 17879,982,10,4136 0343 640> 75
 199755 020730 55 75068 36249  76 74971,772,60,4142 9682 343> 75
Politie Drenthe199515 654607 16 26122 3922 078 8 00031 59649,551,51,393 839– 1 242> 75
 199619 0741 124 20 19822 5067 466 7 68033 47557,060,32,0100 8925 789> 75
 199721 5682 262 23 83025 41511 755 9 68538 92255,461,22,5101 9641 491> 75
Politie IJsselland199540 0974 018 44 11531 99915 994  52 40276,584,22,5114 3522 255> 75
 199649 2813 499 52 78034 32022 989  60 11782,087,83,5116 064928> 75
(excl. AT en IRT)199759 0862 018 61 10433 78032 208  69 01885,688,54,5121 748600> 75
Politie Twente199568 2322000 70 23260 44913 576  78 04287,490,02,3139 6603 838> 75
 199671 8892 950 74 83976 9302 892  84 20385,488,90,8146 0474 261> 75
 199772 1223 959 76 08188 75527  93 10277,581,70,3153 717– 657> 75
Politie Noord- en Oost- 199560 6092001 62 61058 0264 688  69 54787,190,01,7146 775669> 75
Gelderland199665 065887 65 95259 31912 365  76 27685,386,51,6156 4135 876> 75
 199765 9692 498 68 46758 24714 911  77 67584,988,12,1156 9676 249> 75
Politie Gelderland Midden199528 043156 28 19958 052208 11 40963 20444,444,60,2136 582– 6 648> 75
 199636 4582 479 38 93774 2089 624 34 61488 23841,344,11,0155 266– 1 825> 75
 199739 5992 511 42 11069 96912 396 33 21687 31245,448,21,4152 329302> 75
Politie Gelderland Zuid199563 939588 64 52762 7257 158  74 17086,287,01,2114 1351 106> 75
 199667 1933 610 70 80372 4022 498  78 73385,389,90,8113 4952 242> 75
 199759 61410 381 69 99595 469217  98 60360,571,00,1119 915– 425> 75
Politie Flevoland199544 7944 556 49 35045 99217 328 9 89164 65269,376,33,473 425967> 75
 199647 1242 823 49 94745 18918 219 9 77664 97172,576,93,868 766– 904> 75
 199770 9943 424 74 41843 83344 140 9 40489 82379,082,87,798 6212 253> 75
Politie Utrecht1995192 0857 447 199 532205 255211  222 66286,389,60,6281 345855> 75
 1996191 0679 205 200 272201 980425  223 90085,389,40,7288 311430> 75
 1997184 4286 421 190 849200 584105  219 77083,986,80,5312 523445> 75
Politie Noord-Holland Noord199556 7542 469 59 22371 8471 301  75 47275,278,50,2113 092– 2 240> 75
 199652 7424 659 57 40168 72677  71 76373,580,00,2119 4721 782> 75
 199750 3556 199 56 55477 74920 284 34 300100 88149,956,12,3128 6974 035> 75
Politie Gooi en Vechtstreek199522 633618 23 25144 28010 423 19 00056 49240,141,20,960 648– 985> 75
 199622 151287 22 43841 7843 443 18 13946 83347,347,90,865 137939> 75
 199724 883743 25 62641 9344 336 17 27948 60751,252,71,270 055275> 75
Politie Zaanstreek-Waterland199541 17893 41 27137 3347 518  45 37290,891,02,064 2791993> 75
 199642 414113 42 52740 8604 948  47 38989,589,71,368 3652 890> 75
 199740 55688 40 64443 559– 450  44 38391,491,60,271 69153> 75
Politie Kennemerland199597 3704 813 102 18397 17818 122  117 67282,786,81,3135 05614 225> 75
 1996102 547821 103 36895 06019 351  117 70487,187,81,6140 9135 176> 75
 199797 3429 004 106 34694 69221 956  119 30381,689,11,9138 360– 3 955> 75
Politie Amsterdam-Amstelland1995409 7642 900 412 664326 985129 383 53468 90387,488,02,5598 29059 585> 75
 1996432 37929 357 461 736344 664165 264  525 51582,387,92,8563 73223 467> 75
 1997462 17033 905 496 075367 436173 212  558 47582,888,83,1601 29927 863> 75
Politie Hollands Midden199571 7602 072 73 83276 8795 364  85 73383,786,10,7148 192456> 75
 199670 4402 235 72 67574 2888 040  85 24582,685,30,9150 859343> 75
 199764 1542 209 66 36380 452– 3 171  81 79178,481,10,1160 551– 3 122> 75
Politie Haaglanden1995247 571167 247 738291 666159  311 62879,479,50,2385 2327 306> 75
 1996254 0695 667 259 736289 201160  312 80481,283,00,3418 2872 974> 75
 1997265 8239 235 275 058288 55662  305 37687,090,10,4430 723– 496> 75
Politie Rotterdam-Rijnmond1995440 4198 473 448 892406 65062 492  487 96390,392,02,1533 91518 080> 75
 1996432 2829 973 442 255422 05149 350  485 35889,191,11,5558 38118 782> 75
 1997428 10215 784 443 886416 35862 967  492 18687,090,21,6563 1629 407> 75
Politie Zuid-Holland Zuid199553 4174 620 58 03741 81922 818 1 77068 49278,084,72,9111 6857 725> 75
 199659 0945 607 64 70141 93028 917 1 30574 16079,787,23,8107 6835 997> 75
 199765 6788 318 73 99644 14432 959 84082 40779,789,84,9115 4394 502> 75
Politie Zeeland199522 210– 272 21 93821 2938 388  31 66070,269,31,189 634277> 75
 199629 466156 29 62225 11871 415 63 04599 80029,529,710,591 2662 705> 75
 199730 704413 31 11726 72169 848 61 05299 23530,931,410,396 8231 604> 75
Politie Brabant-Noord199582 3691 827 84 19668 93522 718 2 30396 90785,086,92,7125 4843 353> 75
 199685 4943 417 88 91178 84617 744 2 33699 80985,789,12,4127 8933 601> 75
 199786 3637 229 93 59292 0449 833 756105 90581,588,41,2137 0663 035> 75
Politie Midden en West199549 06131 578 80 639119 09399 486126 98638,663,50,2245 8313 180> 75
Brabant199656 83734 023 90 860138 3372 013  148 30838,361,30,2267 0774 201> 75
 199749 74037 199 86 939146 2593 173  157 93231,555,00,2267 465– 427> 75
Politie Brabant Zuid-Oost199597 9865 206 103 19283 82025 340 8115 61784,889,32,6167 8882 961> 75
 199694 2984 295 98 59388 86919 432  115 06881,985,71,6172 04722> 75
(excl. IRT/USD)199796 9345 019 101 953104 3896 978  118 81881,685,80,8173 1155 063> 75
Politie Limburg-Noord199551 748872 52 62047 79913 891 89165 09479,580,81,4115 1896 617> 75
 199660 9181 278 62 19670 2783 036 87479 12277,078,60,5114 1387 680> 75
 199761 9031 569 63 47279 1951 043 85582 96274,676,50,2116 1752 539> 75
Politie Limburg-Zuid1995105 2473 319 108 56691 55834 060 8 898128 89181,784,23,2188 9412 558> 75
 199696 9434 456 101 399100 92028 106 19 958134 23972,275,52,3211 3406 257> 75
 1997100 6877 403 108 090112 38231 426 29 790150 80066,871,72,6199 6641 452> 75
Totaal Cluster Politieregio’s19952 482 101100 021 2 582 1222 530 650448 261 98 7093 134 94079,282,41,34 453 194118 540> 75
 19962 563 323140 326 2 703 6492 686 647506 120 192 2873 350 56776,580,71,44 613 521110 249> 75
 19972 618 891187 521 2 806 4122 809 395557 064 234 8773 524 97674,379,61,44 794 26770 509> 75
                 
Individuele RWT’s
Landelijke selectie- en1995161 57032 974 194 544191 48428 445 10 000240 02267,381,11,2164 72718,250–75
opleidingsinstituut Politie1996161 40628 027 189 432178 33233 481 10 000230 79869,982,11,5159 271– 1 08250–75
 1997150 24619 764 170 010158 88430 135 0207 22472,582,01,2164 303– 31550–75
Totaal Ministerie van BZK19952 643 671132 995 2 776 6662 722 134476 706 108 7093 374 96278,382,31,34 617 921118 558> 75
 19962 724 729168 353 2 893 0812 864 979539 601 202 2873 581 36576,180,81,44 772 792109 167> 75
 19972 769 137207 285 2 976 4222 968 279587 199 234 8773 732 20074,279,71,44 958 57070 194> 75
                 
Ministerie van Justitie
Raden voor Rechtsbijstand
Amsterdam1995– 8 10016 658 8 55883112 654 83192 983– 8,79,21,1131 123807> 75
 1996– 15 08120 060 4 9797776 521 77788 045– 17,15,71,1125 971– 7 081> 75
 1997– 7 49515 614 8 1196999 970 69990 352– 8,39,01,1144 8467 744> 75
Den Bosch1995– 2 15210 377 8 22569210 646 69249 468– 4,416,61,278 6184 741> 75
 1996– 3926 611 6 2196076 326 60746 901– 0,813,31,177 1061 760> 75
 19977 5847 805 15 38950915 418 50956 30813,527,31,491 6327 951> 75
Arnhem1995– 2 8337 447 4 6141268 854 12643 057– 6,610,71,163 9613 319> 75
 19961 4143 722 5 13613610 629 13744 1703,211,61,166 1864 247> 75
 19978 776– 644 8 13213410 787 13545 69519,217,81,268 4377 242> 75
’s-Gravenhage1995– 1 0688 546 7 4787927 946 79263 987– 1,711,71,185 0602 405> 75
 19961 3265 848 7 1747055 500 70563 4692,111,31,188 0642 461> 75
 19978 536– 1 830 6 7066089 067 60866 85212,810,01,193 7147 213> 75
Leeuwarden19956773 405 4 0824523 970 45220 1793,420,21,332 0882 061> 75
 19962 6462 778 5 4244004 893 40021 38512,425,41,331 2681 969> 75
 19972 9771 510 4 4873436 479 34323 01412,919,51,231 7032 538> 75
Totaal Cluster Raden voor1995– 13 47646 433 32 9572 89344 070 2 893269 674– 5,012,21,1390 85013 333> 75
Rechtsbijstand1996– 10 08739 019 28 9322 62533 869 2 626263 970– 3,811,01,1388 5953 356> 75
 199720 37822 455 42 8332 29351 721 2 294282 2217,215,21,2430 33232 688> 75
                 
Individuele RWT’s
Centraal Orgaan opvang199564 72120 013222 193306 927222 193172 094 14 172510 79412,760,11,41 361 07313 336> 75
Asielzoekers199669 37933 829241 467344 675241 467186 836 22 624480 20914,471,81,91 261 17815 556> 75
 199769 303102 217243 051414 571243 051245 315 0533 27113,077,72,41 231 5290> 75
St. Reclassering Nederland199512 71040 27132 47985 46035 25756 2804653993 70413,691,27,5162 7732 551> 75
 199615 86337 51037 64291 01540 32454 0684 701519101 37415,689,85,7154 8993 005> 75
 199713 24447 78447 717108 74549 51867 1674 520500124 28010,787,54,6190 3143 333> 75
Totaal Ministerie van Justitie199563 955106 717254 672425 344260 343272 4444617 604874 1727,348,71,41 914 69629 220> 75
 199675 155110 358279 109464 622284 416274 7734 70125 769845 5538,954,91,51 804 67221 917> 75
 1997102 925172 456290 768566 149294 862364 2034 5202 794939 77211,060,21,71 852 17536 021> 75
                 
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Uitvoeringsinstellingen sociale zekerheid (uvi’s)
SFB19954 667115 866 120 533 29 321  177 7992,667,83,1   
 199618 419119 714 138 133 39 215  215 4308,564,12,8288 7619 085> 75
 199733 02588 848 121 873 197 896  237 54613,951,32,1280 8219 940> 75
GAK199581 040527 033 608 073123 632206 938 72 0001 081 2567,556,21,6   
 1996105 718595 055 700 773111 3484 618 18 080971 19510,972,21,81 886 44524 678> 75
 1997107 307612 324 719 63188 204131 123 0940 50911,476,52,11 791 5541 589> 75
CADANS19955 000252 353 257 353053 029  361 7701,471,11,0   
 19967 605259 678 267 2839 47567 762  395 1651,967,61,2680 2892 605> 75
 199728 006191 884 219 8905 559103 379  364 0937,760,41,2614 9722 601> 75
Totaal Cluster uvi’s199590 707895 252 985 959123 632289 288 72 0001 620 8255,660,81,600 
 1996131 742974 447 1 106 189120 823111 595 18 0801 581 7908,369,91,82 855 49536 368> 75
 1997168 338893 056 1 061 39493 763432 398 01 542 14810,968,81,82 687 34714 130> 75
Individuele RWT’s
Sociale Verzekeringsbank (SVB)1995057 200 57 200212 0771 612 819 160 9021 866 3150,03,11,0548 4240> 75
 19960117 177 117 177191 894381 853 169 1701 652 6870,07,11,1578 1150> 75
 19970105 299 105 299210 0701 570 487 165 6831 892 8230,05,61,0531 2500> 75
Arbeidsvoorziening1995– 361 194357 881 – 3 313285 638185 200 44 447758 430– 47,6– 0,40,72 057 008385 589> 75
 1996– 120 049338 137 218 088243 804183 014 45 423784 382– 15,327,81,02 022 426241 14550–75
 1997– 284 292232 125 – 52 167277 0082 271 30 454660 347– 43,1– 7,90,51 690 596– 164 24350–75
Totaal Ministerie van SZW1995– 270 4871 310 333 1 039 846621 3472 087 307 277 3494 245 570– 6,424,51,02 605 432385 589> 75
 199611 6931 429 761 1 441 454556 521676 462 232 6734 018 8590,335,91,25 456 036277 513> 75
 1997– 115 9541 230 480 1 114 526580 8412 005 156 196 1374 095 318– 2,827,21,04 909 193– 150 113> 75
                 
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Ziekenfondsen
OWM RZG Zorgverzekeraar199559 1671 495 60 66216 8048 356 7 489206 35628,729,48,1890 55712 953> 75
UA199653 9814 853 58 83415 6388 146 470183 77929,432,08,5913 7197 094> 75
 199764 5594 881 69 44020 7329 808 380197 65032,735,11,3994 77510 578> 75
St. Ziekenfonds VGZ1995138 720239 899 378 61919 8616 969123 4897 525468 29629,680,93,12 534 35742 792> 75
 1996174 570278 807 453 37718 28227 41242 8127 325518 24133,787,55,32 584 44336 650> 75
 1997200 174370 753 570 92712 5567 592251 00134 068696 08728,882,04,72 875 41514 731> 75
OWM OZ Zorgverzekeringen UA1995106 6775 681 112 35817 114119 2450 281 18137,940,01,51 327 19619 413> 75
 1996103 4926 627 110 11920 63111 52795 058 264 45739,141,60,91 342 49612 666> 75
 1997114 0573 025 117 08214 26864 42094 841 352 35932,433,21,01 445 11210 438> 75
OWM Zorgverzekeraar TRIAS199576 5461 562 78 10820 36687 7212 093 183 97841,642,51,5768 51612 992> 75
UA199677 6711 217 78 88831 14770 7205 000 200 83338,739,31,3775 07610 245> 75
 199786 9751 217 88 19235 69341 58520 000 198 50443,844,41,3812 5427 648> 75
OWM Salland Zorg- 19959 884721 10 60514 09312 613 6 48232 93230,032,21,2176 2352 566> 75
verzekeringen UA199611 876714 12 59011 7765 997 5 94637 72631,533,41,4190 0102 223> 75
 199714 561835 15 39610 2695 648 5 41138 28338,040,21,6208 2892 685> 75
OWM AZIVO UA199520 9362 400 23 3367 11810 04510 000 72 71128,832,11,1271 2544 565> 75
 199620 5935 873 26 4668 1523 21111 452 74 16927,835,71,1279 2292 354> 75
 199722 6216 384 29 0058 6581 00710 918 82 22027,535,31,2321 2032 084> 75
Stichting AZVZ19953 819  3 819 1 0454 300 9 49440,240,20,99 532454> 75
 19963 743  3 743 1 9135 400 11 07333,833,80,810 481–  76> 75
 19974 341  4 341 9 2910 11 69537,137,11,69 099599> 75
St. CZ Groep Ziekenfonds1995197 003241 990 438 993 80 681142 167 527 84737,383,24,22 541 86056 672> 75
 1996259 823242 489 502 312 30 165188 920 564 11346,189,05,92 560 08562 820> 75
 1997325 489419 860 745 349 61 202384 962 833 32039,189,45,02 742 39865 666> 75
Het Anker UA1995– 7041 – 293948 1 5001 519– 4,6– 1,930,8158– 66> 75
 1996– 128460 3322573 1 5001 899– 6,717,528,01 508–  58> 75
 1997– 366834 4681373 1 4502 108– 17,422,211,03 544– 238> 75
OWM De Friesland Zorgverzekeraar UA199556 244  56 24436929 46015 00018 941153 68836,636,61,4715 39213 726> 75
 199666 707  66 70735025 96924 11815 633145 07846,046,01,5701 39115 425> 75
 199787 729  87 729349– 37 07180 1100161 14754,454,40,7771 04915 860> 75
OWM Oost Nederland199557 32171 57 3923 01133 81654 350 166 85534,434,41,01 110 57811 880> 75
 199657 7920 57 7924115 47534 584 160 96435,935,91,21 107 55315 492> 75
(per 01/09/97 gefuseerd met RZR tot AMICON)199772 0180 72 0183315 87075 889 225 97431,931,90,81 174 49814 405> 75
OWM Zorg en Zekerheid UA199567 1681 911 69 07937 27041 05825 74625 780201 93033,334,21,3949 71020 617> 75
 199685 9182 231 88 14939 2773 77868 79124 920272 84231,532,31,01 044 93518 750> 75
 199790 2512 553 92 80438 8217 89995 97030 000283 81431,832,70,91 046 8374 332> 75
OWM RZR Zorgverzekeraar199585 92398 520 184 4434 23783 2090 199 16743,192,613,11 130 81522 452> 75
 199660 638121 667 182 3055 0788 20586 228 217 31527,983,93,61 131 3374 177> 75
(per 01/09/97 gefuseerd met Oost Ned. tot AMICON)199787 012101 668 188 6805 06817 94090 911 224 99238,783,93,61 203 37727 782> 75
OWM OLM Het Groene Land199565 1486 92590672 97914 882147 26915 000 298 62221,824,41,21 331 21212 748> 75
 199674 1713 493077 66414 882911141 283 336 56122,023,10,71 386 39623 837> 75
 1997133 0277 4230140 45031 33217 326181 633 396 93233,535,40,71 479 47748 052> 75
OWM Nuts Zorgverzekeringen199554 5461 500 56 046 71 56747 983 226 54224,124,71,0883 4784 417> 75
UA199656 9922 950 59 942 19 104125 651 327 71617,418,30,7892 4504 544> 75
 199766 7952 950 69 745 7 902144 286 297 33922,523,50,6884 3748 480> 75
Zorgverzekeraar DSW199531 311238 31 5491 51932 9940 83 29737,637,91,6524 4769 578> 75
 199642 877113 42 9902 29828 8730 98 89843,443,51,7497 04511 566> 75
 199756 46737 56 5042 43121 76042 350 115 89648,748,81,2536 20112 720> 75
OWM Univè Zorgverzekeraar199546 30014 475 60 77510 835009 400170 99727,135,51,6722 2977 702> 75
UA199657 4994 698 62 19710 57820 12728 8419 000194 81829,531,91,3783 13311 699> 75
 199772 326291 72 61710 130048 0448 600223 82332,332,41,1875 63214 827> 75
OWM ANOVA Zorg199548 9569 269 58 22526 00831 83311 059 215 01722,827,11,11 376 5078 847> 75
verzekeringen UA199656 9055 144 62 04930 09451 47265 229 95924,727,01,21 383 20324 785> 75
 199770 0457 386 77 43146 266118 92831 259 85427,029,81,11 427 26413 140> 75
OWM ZAO Zorgverzekeringen199593 2197 627 100 8469 572119 80152 400 244 40638,141,31,21 257 70211 632> 75
UA199699 5274 000 103 5279 10953 59142 597 256 26438,840,41,31 298 5306 308> 75
 1997104 56910 801 115 3708 50752 32041 734 314 08933,336,71,31 387 0844 615> 75
OHRA Zorgverzekeringen1995– 3 105  – 3 105286 288 5 00030 036– 10,3– 10,31,168 9481 195> 75
 1996– 5 604  – 5 604 4 072 8 00032 024– 17,5– 17,51,181 808– 1 560> 75
 1997– 4 097  – 4 097 1 775 8 25034 045– 12,0– 12,01,1112 5541 507> 75
Zilv. Kruis verz. Spaarneland199554 13749 834 103 9718 20078115 46217 758248 20021,841,90,7617 207– 1 895> 75
 199670 69160 055 130 7467 5002354 8564 450343 40020,638,11,1625 88011 228> 75
 199794 35755 797 150 154015 17671 1964 450314 72330,047,71,1629 4664 936> 75
Onderlinge ONVZ Zorg1995– 170 – 170  00  0,00– 17 
verzekeraar UA1996– 7520 – 7523  1 8521 104– 68,1– 68,1275,30– 736 
 1997– 2 198796 – 1 4022  3 2983 719– 59,1– 37,72,03 9 78– 1 446> 75
Zilveren Kruis Ziekenfonds199510 57388 301 98 874 6 2550 132 6638,074,53,9342 45812 803> 75
(Noordwijk)19967 18476 380 83 564 9 64991 254 164 7164,450,70,9293 26017> 75
 199718 10848 375 66 483 34 619118 688 482 4713,813,80,9491 84011 904> 75
OWM Ziekenfonds PWZ UA199517 630987 18 617    18 61794,7100,0 440 7524 144> 75
 199623 133915 24 048    24 04896,2100,0 459 7825 907> 75
 199726 075837 26 912  16 000 26 91296,9100,0 472 3902  994> 75
Zilveren Kruis Zorgverzekeraar1995157 666130 945 288 61112 5009 725197 843 492 20132,058,61,01 187 43917 742> 75
Rijnmond1996181 438172 034 353 47212 6009 815201 521 1 003 20918,135,21,11 224 26812 209> 75
 1997239 813121 550 361 363016 418271 248 1 144 61521,031,60,91 318 2194 538> 75
SR-Zorgverzekeraar19951 122  1 122 1 066  1 23990,690,610,6318453> 75
 19961 333  1 333 117  2 78947,847,81,94 731211> 75
 19971 786  1 786 17  4 40940,540,51,77 30633> 75
OWM ANOZ Zorgverzeke-199557 42114 010 71 43126 93359 53926 059 352 36316,320,31,01 351 11413 293> 75
ringen UA199651 35816 169 67 52723 91941 027250 212 09624,231,81,11 308 0128 982> 75
 199757 36014 865 72 22523 36644 399250 282 88420,325,51,11 345 2124 824> 75
OWM Ziekenfonds TopZorg19951 4724 735 6 207    7 64219,381,22,919 640355> 75
UA19961 4934 666 6 159    7 90418,977,94,323 26021> 75
(cijfers 1997 opgenomen in Holding Geovè)1997                
OWM PRO-LIFE1995   0            
(in 1996 opgericht)19962090 209 2 274  2 2889,19,11,14 992209> 75
 1997209816 1 025 416  4 5514,622,51,310 5030> 75
Totaal Cluster Ziekenfondsen19951 515 717923 1379062 439 760250 7591 000 681842 95199 8755 027 79630,148,51,422 549 708324 013> 75
 19961 695 1301 710 25203 405 382261 590592 7861 248 68179 0966 677 65325,451,01,322 909 013306 989> 75
 19972 104 0631 183 93403 287 997268 494536 3202 040 06295 9077 214 41529,245,61,124 589 638307 694> 75
                 
Individuele RWT’s
Stichting uitvoering omslag- 1995 694 697 694 697210139 140  787 3700,088,28,52 582 437148 729> 75
regelingen (v/h WTZ)1996 949 034 949 034215113 799  979 4560,096,932,22 245 036239 633> 75
 1997 923 271 923 27168110 441  956 9690,096,528,42 538 173– 40 375> 75
CvZ (v/h Ziekenfondsraad)19950968 96832 48415 269  3 500 6060,00, 01,0192 6320> 75
 199604 300 4 30030 70021 200  3 444 5000,00,11,0178 2000> 75
 19973 3003 900 7 20028 500227 800  4 233 4000,10,21,0194 6000> 75
Totaal Ministerie van VWS19951 515 7171 618 8029063 135 425283 4531 155 090842 95199 8759 315 77216,333,71,325 324 777472 742> 75
 19961 695 1302 663 58604 358 716292 505727 7851 248 68179 09611 101 60915,339,31,325 332 249546 622> 75
 19972 107 3632 111 10504 218 468297 062874 5612 040 06295 90712 404 78417,034,01,227 322 411267 319> 75
                 
Ministerie van Buitenlandse Zaken
Ned. Financierings-1995782 6006 299 788 8995 66080 88164 650693 0851 617 14748,448,81,093 55321 358< 50
Maatschappij voor Ontwikke1996790 8986 038 796 9365 25772 134148 340828 4631 876 93442,142,50,6117 60927 994< 50
lingslanden N.V.1997936 7755 635 942 4105 022250 998193 216795 2742 192 32142,743,00,8141 52031 377< 50
                 
Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
Het Kadaster1995165 300377 900 543 20058 500300426 50021 700734 00022,574,00,7484 00020 400> 75
 1996254 600348 500 603 10063 3004 300559 70021 800796 30032,075,70,7489 20089 300> 75
 1997374 600321 800 696 40097 40014 100657 10039 300921 40040,775,60,7532 400120 000> 75
Centraal Fonds Volkshuisves- 1995186 592293 383 479 9750403 90955 850 482 50238,799,5168,847 966– 240 522< 50
ting1996225 909380 830 606 73949518 35362 500 611 74036,999,2109,8149 39439 317> 75
 1997119 224627 261 746 485485665 64246 250 758 30115,798,460,2160 505– 106 685> 75
Totaal Ministerie van VROM1995351 892671 283 1 023 17558 500404 209482 35021 7001 216 50228,984,13,1531 966– 220 122> 75
 1996480 509729 330 1 209 83963 349522 653622 20021 8001 408 04034,185,93,8638 594128 617> 75
 1997493 824949 061 1 442 88597 885679 742703 35039 3001 679 70129,485,94,3692 90513 315> 75
                 
Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij
Bureau Beheer Landbouw1995448 558  448 5581 403 3850  1 411 50331 ,831,80,0357 612– 6 072> 75
gronden1996469 742  469 7421 511 798784  1 521 52230,930,90,0355 570– 89 839> 75
 1997494 177  494 1771 676 375171  1 687 03129,329,30,0298 620– 143 487> 75
                 
Ministerie van Economische Zaken
Stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolie- 1995– 399 6901 008 – 398 6822112 686 000748 714– 53,4– 53,21,6164 681– 10 188> 75
produkten1996– 114 672876 – 113 7961810 635 0001 075 118– 10,7– 10,61,9159 03914 228> 75
 1997– 322 437922 – 321 5151772 650 000846 097– 38,1– 38,01,6155 4239 072> 75
Novem BV199529 3257 066 36 3917 67970 275 103 495192 70815,218,91,8287 0502 493> 75
 199623 2348 098 31 33210 166108 430 110 186235 4559,913,31,4245 772– 6 091.> 75
 199724 3367 658 31 99412 45990 600 111 844221 43811,014,41,5287 7722 204> 75
Totaal Ministerie van EZ1995– 370 3658 074 – 362 2917 89070 277 789 495941 422– 39,3– 38,51,6451 731– 7 695> 75
 1996– 91 4388 974 – 82 46410 347108 430 745 1861 310 573– 7,0– 6,31,9404 8118 137> 75
 1997– 298 1018 580 – 289 52112 63690 602 761 8441 067 535– 27,9– 27,11,6443 19511 276> 75
                 
Ministerie van Verkeer en Waterstaat
VSN NV (Connexxion)1995633 816202 26373 085909 1641 331 751167 778 503 9961 806 29335,150,31,22 281 80134 971> 75
 1996636 461177 54859 370873 3791 299 307157 875 454 1691 779 90935,849,11,02 370 23212 10850–75
 1997488 525389 07747 596925 1981 201 979153 900 408 8011 780 69427,452,01,32 494 471– 146 57450–75
RDW Centrum voor voertuig- 1995   0            
techniek en informatie199650 842820 51 66267 22334 181  122 74441,442,10,8144 68740 842> 75
(vanaf 1996 RWT)199774 90710 184 85 09179 12114 245  124 23960,368,51,2264 49524 065> 75
Totaal Ministerie van V&W1995633 816202 26373 085909 1641 331 751167 778 503 9961 806 29335,150,31,22 281 80134 971> 75
 1996687 303178 36859 370925 0411 366 530192 056 454 1691 902 65336,148,61,02 514 91952 950> 75
 1997563 432399 26147 5961 010 2891 281 100168 145 408 8011 904 93329,653,01,32 758 966– 122 509> 75
                 
Ministerie van Financiën
Stichting Waarborgfonds1995097 500 97 50052319 34530 951 99 5870,097,910,397 8004 882> 75
Motorverkeer19960117 700 117 70083219 86137 070 119 6790,098,311, 499 251– 12 783> 75
 19970125 200 125 20062319 13539 690 127 3980,098,310, 5103 628– 4 704> 75
                 
Totaal geselecteerde RWT’s
 199515 140 6136 050 049,8865 57922 056 241,818 566 306,67 566 210,91 735 3525 975 98444 000 232,934,450,11,355 288 753,61 077 346,2> 75
 199616 155 9097 458 839,5864 82224 479 570,519 361 0456 240 632,12 601 3726 625 17148 147 47933,650,81,359 572 9031 241 616,2> 75
 199716 564 669,97 520 630,9850 12224 935 422,820 216 122,18 456 715,83 501 3626 700 30151 651 224,832,148,31,262 519 356,2304 854,1> 75
Totaal RWT’s minus 3 fondsen (Suo, CvZ, SVb)
 199515 140 6135 297 184,8865 57921 303 376,818 321 535,65 798 982,91 735 3525 815 08237 845 941,940,056,31,351 965 260,6928 617,2> 75
 199616 155 9096 388 328,5864 82223 409 059,519 138 2365 723 780,12 601 3726 456 00142 070 83638,455,61,356 571 5521 001 983,2> 75
 199716 561 369,96 488 160,9850 12223 899 652,819 977 484,16 547 987,83 501 3626 534 61844 568 032,837,253,61,259 255 333,2345 229,1> 75

BIJLAGE 9

OVERZICHT BELEGGEN EN UITLENEN 1997 (bedragen x f 1 000) (grijs totaalcijfers aansluitend op bijlage 8)

Instellingen op afstand van het RijkKas, bank, giro en deposito’sKortlopende beleggingen/effectenTotaal liquide middelen en (kortlopende) effectenLanglopende beleggingen/effectenLeningen aan derden (uitgegeven gelden)Deposito’s > 1 jaarTotaal financiële vaste activa (langlopend)Uitgegeven leningen aan gelieerdenOverige uitgegeven leningen
ObligatiesAandelenOverigTotaalObligatiesAandelenOverigTotaal
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen           
                
Universiteiten             
– Universiteit Twente84 700 5 700 5 70090 40021 600  21 600  21 600 4 300
– Erasmus universiteit68 6004 9001 000 5 90074 500       5 200 
– Vrije Universiteit178 20029 500  29 500207 700       7 600 
– Katholieke Universiteit Nijmegen77 32999 4936 464 105 957183 286       300 
– Universiteit Wageningen (= LNV)19 800    19 800         
– Universiteit van Utrecht200 82185 115  85 115285 936       1 337 
– Universiteit van Maastricht25 341    25 34129 693 7 07636 769 58 50095 269550 
– Technische Universiteit Eindhoven93 20030 100  30 100123 300         
– Universiteit van Amsterdam147 70028 200  28 200175 900       1 2001 700
– Rijksuniversiteit Groningen75 86161 91176 61 986137 847       1 937 
– Technische Universiteit Delft231 039  1 7721 772232 811       4 07917
– Katholieke Universiteit Brabant78 702    78 702       481 
– Universiteit Leiden60 400    60 40015 000  15 000 13 00028 000900 
– Open Universiteit Nederland6 80039 600  39 60046 400         
Totaal Universiteiten1 348 493378 81913 2401 772393 8301 742 32366 29307 07673 369071 500144 86923 5846 017
                
Hogescholen             
– Rijkshogeschool IJsselland611    611         
– Katholieke PABO Zwolle5 818    5 8181 627  1 627  1 627  
– HS voor Economische Studies Rotterdam3 6637 035  7 03510 698         
– Hogeschool voor de Kunsten Utrecht4 615    4 615        622
– Hogeschool Diedenoort2 049    2 049         
– Chr. Hogeschool Windesheim23 666    23 66635  35 6 0006 035821 505
– Gerrit Rietveld Academie2 297    2 297         
– Academie voor beeldende Kunst302    302        14
– Hogeschool De Horst990    990         
– RK Technische Hogeschool Rijswijk11 6051 056  1 05612 661         
– Hotelschool Den Haag5 694    5 694       375 
– The Design Academy2 040    2 040        3 500
– Hogeschool Holland26 314    26 3144 300  4 300  4 300  
– Hogeschool Alkmaar16 246    16 246        78
– Hogeschool Helicon1 759    1 759        537
– Hogeschool West-Brabant8 602480  4809 082       40 524 
– Pedagogische HS «De Kempel»2 063893  8932 956         
– Hogeschool Edith Stein3 014    3 014         
– Hogeschool Domstad1 868    1 868         
– Hogeschool Iselinge3 069    3 069         
– PC Hogeschool Marnix Academie3 745    3 745         
– Hogeschool voor Muziek en Theater Rotterdam2 790    2 790         
– Chr. Hogeschool de Driestar4 851    4 851         
– HS voor Economische Studies A’dam43 741  131343 754         
– Hogeschool Drenthe7 9961 876  1 8769 872         
– Hogeschool voor de Kunsten Arnhem1 666    1 666        6
– Hogeschool Midden-Brabant12 585    12 585       1 372 
– Hogeschool Zeeland4 198    4 198       125 
– Constantijn Huygens HS2 712    2 712         
– Amsterdamse HS voor de Kunsten14 353    14 353         
– Hogeschool ’s-Hertogenbosch20 255    20 255        12 433
– Hogeschool van Amsterdam12 374    12 374         
– Leidse Hogeschool30 6145 000  5 00035 614         
– Ichthus Hogeschool39 626    39 626         
– Hogeschool Haarlem15 182    15 1826 000  6 000  6 000 210
– Hogeschool Maastricht13 568    13 568         
– Hogeschool I-Pabo A’dam/Alkmaar2 834    2 8341 493  1 493  1 493  
– Nat. HS voor Toerisme en Verkeer6 902    6 902         
– Noordelijke Hogeschool Leeuwarden1 786    1 786         
– Haagse Hogeschool42 994    42 994     1 0661 066  
– Christelijke HS Noord-Nederland19 158    19 158         
– Gereformeerde Hogeschool949    949         
– Hogeschool Rotterdam & Omstreken38 333    38 333         
– Hogeschool Enschede2 810    2 810        110
– HS v Beeldende Kunst, Muziek en Dans19 883    19 883         
– Chr. Hogeschool Ede33    33        41
– Hanze Hogeschool69 633  1 0001 00070 633         
– Hogeschool van Utrecht24 192    24 192        65
– Hogeschool Limburg48 051743  74348 7944 465 7555 220 3 0008 220 412
– HS v Arnhem en Nijmegen64 4552 290  2 29066 745        94
– Stichting Fontys57 296 13 711 13 71171 00750 291  50 291  50 291 78 857
Totaal Hogescholen755 85019 37313 7111 01334 097789 94768 211075568 966010 06679 03242 47898 484
                
Academische ziekenhuizen           
– Academisch Ziekenhuis Groningen78    78       3 775 
– Academisch Ziekenhuis Rotterdam56 2261991  199158 218         
– Academisch Ziekenhuis Vrije Universiteit0    0       5 824 
– Academisch Ziekenhuis Leiden3 961 500 5004 461       6 440 
– Academisch Medisch Centrum37 859    37 859       1 252 
– Academisch Ziekenhuis Maastricht18 116  10 18110 18128 297         
– Academisch Ziekenhuis Utrecht17 453    17 453       1 543 
– Academisch Ziekenhuis Nijmegen358    358         
Totaal Academsiche Ziekenhuizen134 051199150010 18112 672146 724000000018 8340
                
Omroepverenigingen           
– NCRV9 867    9 86747 0128 963 55 975  55 9751 498 
– AVRO4 408    4 40847 02714 661 61 688 8 88070 568 593
– EO8 864    8 864         
– VPRO36 932    36 932        291
– VARA62 672  24 96024 96087 632         
– KRO16 202    16 20242 1844 616 46 800  46 8002 089160
– TROS990  2 1202 1203 109       4 962 
Totaal Omroepverenigingen139 9350027 08027 080167 014136 22328 2400164 46308 880173 3438 5491 044
Rijksmuseale instellingen           
– Rijksmuseum van Oudheden765    765         
– Rijksmuseum Twente1 222    1 222         
– Joods Historisch museum789    789         
– Rijksmuseum voor Volkenkunde10 176    10 176        75
– Kroller-Moller museum2 080    2 080         
– Scheepvaartmuseum Amsterdam1 594    1 594         
– Rijksbureau voor kunsthistorische doc.2489    2 489         
– Van Gogh Museum2 886    2 886         
– Rijksmuseum Amsterdam13 200    13 200         
– Museum Meermanno-Westreenianum613    613         
– St. Afrika museum17    17         
– St. Museum Catharijneconvent1 503    1 503         
– St. Rijksmuseum Het Zuiderzeemuseum2 519    2 519         
– St. Nationaal Natuurhistorisch Museum19 138    19 138         
– St. Nederlands Openlucht museum2 0595 360  5 3607 419         
– Paleis het Loo1 623    1 623         
– Mauritshuis3 866 784 7844 650         
– Teylers museum1 876    1 876         
– Koninklijk Penningkabinet438    438         
– Boerhaave1 216    1 216         
Totaal Rijksmuseale instellingen70 0695 36078406 14476 2130000000075
Individuele RWT’s           
– Informatie Beheer Groep55 056    55 056         
– NWO157 833    157 83310 000  10 00021 00037 35068 350  
– KNAW73 800    73 800  54 93054 930  54 930  
– TNO65 385142 508  142 508207 893       5 2019 058
                
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksaangelegenheden          
                
Politieregio’s               
– Politie Amsterdam-Amstelland158 965 14 247 14 247173 212         
– Politie Groningen6 800    6 800         
– Politie Friesland49    49         
– Politie Drenthe11 755    11 755         
– Politie Ijsselland32 208    32 208         
– Politie Noord-Holland Noord20 284    20 284         
– Politie Gooi en Vechtstreek4 336    4 336         
– Politie Zaanstreek-Waterland– 450    – 450         
– Politie Kennemerland21 956    21 956         
– Politie Noord- en Oost Gelderland14 911    14 911         
– Politie Gelderland Midden12 396    12 396         
– Politie Gelderland Zuid217    217         
– Politie Limburg-Noord1 043    1 043       406 
– Politie Hollands Midden– 3 171    – 3 171         
– Politie Brabant-Noord9 833    9 833         
– Politie Midden- en West Brabant3 173    3 173         
– Politie Twente27    27         
– Politie Utrecht105    105        6 110
– Politie Haaglanden62    62       5 467 
– Politie Brabant Zuid-Oost6 978    6 978       1 00090
– Politie Limburg-Zuid31 426    31 426        4 468
– Politie Zeeland69 848    69 848         
– Politie Flevoland44 140    44 140         
– Politie Zuid-Holland Zuid32 959    32 959         
– Politie Rotterdam-Rijnmond62 967    62 967         
Totaal Politieregio’s542 817014 247014 247557 06400000006  87310 668
                
Individuele RWT’s           
– LSOP30 135    30 135         
                
Ministerie van Justitie           
                
Raden voor Rechtsbijstand           
– Amsterdam9 970    9 970         
– Den Bosch15 418    15 418         
– Arnhem10 787    10 787         
– ’s-Gravenhage9 067    9 067         
– Leeuwarden6 479    6 479         
Totaal Raden voor Rechtsbijstand51 721000051 721000000000
                
Individuele RWT’s           
– Centraal Orgaan opvang Asielzoekers245 315    245 315         
– St. Reclassering Nederland67 167    67 1674 520  4 520  4 520 526
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid           
                
Uitvoeringsinstellingen sociale zekerheid (uvi’s)           
– SFB197 896    197 896         
– GAK131 123    131 123         
– CADANS103 379    103 379         
– Totaal Uvi’s432 3980000432 398000000000
Individuele RWT’s           
– Sociale Verzekeringsbank (SVb)1 570 487    1 570 487         
– Arbeidsvoorziening2 271    2 271         
                
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport           
                
Ziekenfondsen           
– OWM RZG Zorgverzekeraar UA9 808    9 808        4 989
– St. Ziekenfonds VGZ7 592    7 592144 70198 764 243 465 7 536251 001  
– OWM OZ Zorgverzekeringen UA64 420    64 420  94 84194 841  94 841 2 169
– OWM Zorgverzekeraar TRIAS UA41 585    41 58520 000  20 000  20 000 53
– OWM AZIVO UA1 007    1 00710 918  10 918  10 918 617
– St. CZ Groep Ziekenfonds61 202    61 20244 87921 7264 17870 783 314 179384 962   
– OWM De Friesland Zorgverzekeraar UA– 37 071    – 37 07156 24423 866 80 110  80 11020 2708 426
– OWM Oost Nederland15 870    15 87059 68116 208 75 889  75 88918 800408
– OWM Zorg en Zekerheid7 899    7 899  95 97095 970  95 970 287
– OWM RZR17 940    17 94070 84215 069 85 911 5 00090 911  
– OWM OLM Het Groene Land17 326    17 326128 44551 785 180 230 1 403181 633  
– Zorgverzekeraar DSW21 760    21 76030 13412 1605642 350  42 350 710
– OWM Unive Zorgverzekeraar UA0    048 044  48 044  48 044  
– OWM ANOVA Zorgverz. UA118 928    118 928  3131  319002 056
– OWM ZAO Zorgverzekeringen UA52 320    52 320  41 73441 734  41 734 1 322
– Zilveren Kruis Spaarneland15 176    15 17624 492  24 49246 704 71 196  
– Zilveren Kruis Noordwijk34 619    34 619113 688  113 6885 000 118 688  
– Zilveren Kruis Rijnmond16 418    16 41860 313101 235 161 548109 700 271 248   
– OWM Ziekenfonds PWZ NV0    016 000  16 000  16 000 8 000
– OWM ANOZ Zorgverz. UA44 399    44 399 250 250  250 4 281
– OWM Salland Zorgverzek.5648    5 648        34
– St. AZVZ9 291    9 291         
– Het Anker UA73    73         
– OWM Nuts Zorgverzekeringen7 902    7 902106 95727 3509 979144 286  144 2861 600 
– OHRA Zorgverzekeringen1 775    1 775         
– Onderl. ONVZ Zorgverzekeraar UA0    0         
– SR Zorgverzekeraar17    17         
– OWM Ziekenfonds Topzorg UA               
– OWM Pro-Life416    416         
Totaal Ziekenfondsen536 3200000536 320935 338368 413246 7891 550 540161 404328 1182 040 06241 57033 352
                
Individuele RWT’s           
– St. uitvoering omslagregelingen (Suo)110 441    110 441         
– «College van Zorgverzekeraars (CvZ; v.h. ZFR)»227 800    227 800         
                
Ministerie van Buitenlandse Zaken           
– Ned. Financieringsmaatsch. voor Ontwikkelingslanden250 998    250 998143 291  143 29149 925 193 216 1 526 959
                
Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer          
– Het Kadaster14 100    14 100657 100  657 100  657 100  
– Centraal Fonds Volkshuisvesting50 639615 003  615 003665 642    46 250 46 250  
Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij           
– Bureau Beheer Landbouwgronden171    171         
–                
Ministerie van Economische Zaken           
– St. Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieprodukten2    2         
– NOVEM BV90 600    90 600        90 281
–                
Ministerie van Verkeer en Waterstaat           
– VSN NV (Connexxion)153 900    153 900        5 923
– RDW Centrum voor voertuigtechniek en informatie14 245    14 245         
–                
Ministerie van Financien           
St. Waarborgfonds Motorverkeer19 135    19 135  39 69039 690  39 690  
Totaal instellingen op afstand van het Rijk7 211 1341 163 05442 48240 0461 245 5818 456 7152 020 976396 653349 2402 766 869278 579455 9143 501 362147 0891 782 387
–                
Totaal minus3 fondsen (Suo, CvZ, SVb)5 302 4061 163 05442 48240 0461 245 5816 547 9872 020 976396 653349 2402 766 869278 579455 9143 501 362147 0891 782 387

BIJLAGE 10

GEHANTEERDE AFKORTINGEN

ArbvoArbeidsvoorzieningsorganisatie
BBLBureau Beheer Landbouwgronden
CFVCentraal Fonds voor de Volkshuisvesting
COACentraal Orgaan opvang Asielzoekers
COVAStichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieprodukten
CvZCollege voor zorgverzekeringen
CTUCommissie Toezicht Uitvoeringsorganisatie
FMONederlandse Financierings-Maatschappij voor Ontwikkelingslanden NV
IBGInformatie Beheer Groep
KNAWKoninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen
LSOPLandelijke Selectie- en Opleidingsinstituut Politie
NovemNederlandse onderneming voor energie en milieu BV
NWONederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek
RDWRDW Centrum voor voertuigtechniek en informatie
RvRRaden voor Rechtsbijstand
SBBStaatsbosbeheer
SRNStichting Reclassering Nederland
SVbSociale Verzekeringsbank
SuoStichting uitvoering omslagregelingen
TNONederlandse organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek
Uvi’sUitvoeringsinstellingen sociale zekerheid
VSNVerenigd Streekvervoer Nederland NV
WFMStichting Waarborgfonds Motorverkeer

XNoot
1

Het betreft zogenoemde rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT’s), waar de Rekenkamer op grond van artikel 59 Comptabiliteitswet (CW) controle bevoegdheden heeft. De RWT-status wordt door het rijksmuseum Amsterdam en de Nederlandse Financieringsmaatschappij voor Ontwikkelingssamenwerking betwist. Een andere instelling, namelijk VSN, is per 1-1-98 geen RWT meer.

XNoot
1

Exclusief de fondsen die beheerd worden door Suo, Svb en CvZ.

XNoot
2

Hier uitgedrukt als het eigen vermogen als percentage van het balanstotaal. In ruime zin (totaal vermogen ten opzicht van het balanstotaal) is de solvabiliteit licht gedaald van 56% tot 54%.

XNoot
3

Hier uitgedrukt als de verhouding van de vlottende activa ten opzichte van de vlottende passiva (current ratio).

XNoot
1

Begrenzing van voorzieningen ligt naar de aard van deze post minder voor de hand. Het voorzichtigheidsbeginsel vereist immers dat voorzieningen getroffen worden. Wel kunnen specifieke eisen gesteld worden bijvoorbeeld ten aanzien van de soorten voorzieningen die getroffen worden en de onderbouwing van de hoogte ervan.

XNoot
1

Deze reserve is door TNO overigens in de jaarrekening als voorziening gepresenteerd (zie paragraaf 5.3.2).

XNoot
1

Het totaal aantal bolletjes in tabel 2 (in aantal gevallen meerdere gemaximeerde reserves per (cluster van) instelling(en)).

XNoot
1

De verslaggevingswetgeving voor ondernemingen.

XNoot
1

Vergelijk Titel 9 artikel 393 waarin wordt ingegaan op een algemene beschouwing in de jaarrekening.

XNoot
2

Indien de vervangingswaarde of de (in)directie opbrengstwaarde van de materiële vaste activa niet bekend zijn, kan gedacht worden aan het weergeven van eenvoudig te verkrijgen benaderingen van de actuele waarde, zoals de verzekerde waarde of de waarde ingevolge de onroerendzaakbelasting (OZB).

XNoot
1

Tweede Kamer, vergaderjaar 1997–1998, 25 950, nrs. 1–2

XNoot
1

Het Commissariaat voor de Media, de Raad van Bestuur van de Nederlandse Omroepstichting, het College van toezicht sociale verzekeringen, het Landelijk instituut sociale verzekeringen en het College voor Zorgverzekeringen.

XNoot
2

Politieregio’s Amsterdam-Amstelland, Utrecht en Groningen, de universiteiten van Leiden en Utrecht en de Technische Universiteit Delft, KNAW, NWO en TNO en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie

XNoot
3

Naast het CVZ stuurde ook de Commissie toezicht uitvoeringsorganisatie (CTU) een reactie met betrekking tot Ziekenfondsen.

XNoot
4

Zie ook het Rekenkamerrapport «Verantwoording en toezicht bij rechtspersonen met een wettelijke taak», Tweede Kamer 1999–2000, 26 982, nrs. 1–2.

XNoot
1

Het betreft instellingen die een wettelijke taak uitvoeren die geheel of gedeeltelijk wordt bekostigd uit rijksbijdragen, premies of tarieven die de minister vaststelt of goedkeurt.

XNoot
1

De (korte termijn) financiering van het werkkapitaal blijft hier buiten beschouwing. Dit is afhankelijk van de verhouding vlottende activa en vlottende passiva.

XNoot
1

Investeringsbijdragen á fonds perdu worden vaak in de jaarrekening opgenomen onder de post egalisatierekening voor ontvangen investeringsbijdragen (dit is geen eigen vermogen).

XNoot
2

In het geval van universiteiten zou het gaan om een benodigd eigen vermogen vanuit de financieringsfunctie dat f 1,6 miljard hoger ligt dan het huidige eigen vermogen (Commissie Koopmans, 1999).

XNoot
3

Zie Rekenkamerrapport Garanties van het rijk, Tweede Kamer 1997–1998, 25 945, nrs. 1–2.

XNoot
4

Zie bijvoorbeeld rapport Commissie Koopmans (1999).

XNoot
1

bijvoorbeeld 50% van de vervangingswaarde van vaste activa (zie Koopmans (1999).

XNoot
1

Bij NV’s en BV’s behoort ook het geplaatst aandelenkapitaal en agio tot het eigen vermogen.

XNoot
2

In tegenstelling tot de private sector, waarbij – generaliserend – het streven naar het binnen bepaalde grenzen zo hoog mogelijk weergeven van het eigen vermogen kan overheersen vanwege het belang van een degelijk eigen vermogen voor de solvabiliteit, kunnen in de publiek-private sector juist tegengestelde overwegingen gelden. Een hoog eigen vermogen zou bijvoorbeeld kunnen leiden tot kortingen op rijksbijdragen of afroming. Dit kan betekenen dat gestreefd wordt naar zo hoog mogelijke voorzieningen ter drukking van resultaat en eigen vermogen.

XNoot
1

Ontvangen investeringsbijdragen mogen volgens de RJ (274.110) ook rechtstreeks in mindering worden gebracht op het geïnvesteerde bedrag zelve. In dit geval is geen sprake van vermogen.

XNoot
1

Deze risico-analyse kan worden uitgevoerd door het ministerie, door de instelling, door ministerie en instelling gezamenlijk of door een derde in opdracht van een of beide partijen, en dient door beide partijen te worden onderschreven.

XNoot
1

Vorming en aanwending conform wet- en regelgeving valt onder de rechtmatigheidsnorm.

XNoot
2

Verwerking, presentatie en toelichting conform wet- en regelgeving valt onder de rechtmatigheidsnorm.

XNoot
1

In tegenstelling tot de private sector, waarbij – generaliserend – het streven naar het binnen bepaalde grenzen zo hoog mogelijk weergeven van het eigen vermogen kan overheersen vanwege het belang van een degelijk eigen vermogen voor de solvabiliteit, kunnen in de publiek-private sector juist tegengestelde overwegingen gelden. Een hoog eigen vermogen zou bijvoorbeeld kunnen leiden tot kortingen op rijksbijdragen of afroming. Dit kan betekenen dat gestreefd wordt naar zo hoog mogelijke voorzieningen ter drukking van resultaat en eigen vermogen.

XNoot
2

Er zijn enkele uitzonderingen, waarbij rechtstreekse verwerking in eigen vermogen plaats vindt, o.a. mutaties in herwaarderingsreserve en stelselwijzigingen.

XNoot
3

Er zijn enkele uitzonderingen, waarbij rechtstreekse verwerking in eigen vermogen plaats vindt.

XNoot
4

Een andere mogelijkheid is de investeringsbijdrage direct in mindering op het betreffende actief te brengen (zie de begrippen).

Naar boven