Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201227062 nr. 74

27 062 Alleenstaande minderjarige asielzoekers

Nr. 74 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR IMMIGRATIE, INTEGRATIE EN ASIEL

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 16 mei 2012

Als onderdeel van haar meerjarenprogramma toezicht op alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s), dat loopt van 2011 tot 2014, heeft de Inspectie Jeugdzorg (hierna: de Inspectie) in de tweede helft van 2011 onderzoek gedaan naar de opvang van amv’s op de campuslocaties van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA). Het onderzoeksrapport treft u hierbij aan1.

Aanbevelingen

Op grond van het onderzoek op de campussen komt de Inspectie tot een aantal aanbevelingen. De Inspectie is van mening dat het COA voldoende fysieke veiligheid biedt aan amv’s op de campuslocaties. Het belangrijkste verbeterpunt dat de Inspectie constateert is dat in de opvang meer aandacht moet worden besteed aan de emotionele ontwikkeling van de jongeren. In deze brief treft u de aanbevelingen van de Inspectie aan, met mijn reactie.

Aan het COA

Personele bezetting

Met een volledige personeelsbezetting en een halflege campus is het het COA tot nu toe niet gelukt om voldoende aandacht te besteden aan de (emotionele) ontwikkeling van de individuele amv’s. Dit betekent dat het nog moeilijker zal zijn om deze noodzakelijke taak uit te voeren als de campussen qua jongeren volledig bezet zijn (100 jongeren per campus). Houd daarom de huidige workload van de medewerkers (1 full time werkende mentor op vijf jongeren) aan als ondergrens.

Reactie

De opmerking van de Inspectie dat de campussen «half leeg» zijn herken ik niet. Uit de maandelijkse informatie die het COA mij verstrekt blijkt dat over de maand maart de gemiddelde bezetting in de campussen 220 bedroeg. De capaciteit bedraagt 300. Aangezien bij amv’s gerekend wordt met een bezettingspercentage van 80% betekent dit dat 240 van de bestaande 300 plekken qua bezetting nodig zijn en er dus sprake is van 20 extra plaatsen. Ik zie dan ook geen aanleiding om de personele bezetting bij het COA uit te breiden.

Toegang tot de klachtencommissie van het COA

Zorg er binnen drie maanden voor, dat de jongeren zonder belemmering toegang hebben tot de klachtencommissie van het COA. Dit houdt in dat de medewerkers de jongeren actief informeren over de mogelijkheden om te klagen en dat de jongeren niet om klachtenformulieren hoeven te vragen, maar dat deze gemakkelijk verkrijgbaar zijn.

Reactie

Ik heb het COA verzocht om aan de jongeren meer informatie te verstrekken over het bestaan van de klachtenregeling. De kans bestaat echter dat jongeren het vooral belangrijk vinden dat zij bij hun mentoren terecht kunnen wanneer zij een probleem of klacht hebben. In het rapport wordt aangegeven dat de jongeren terecht kunnen bij de mentoren wanneer zij ergens ontevreden over zijn. Zij weten de vertrouwenspersoon van hun school ook goed te vinden. De campussen werken voorts met een jongerenraad.

Emotionele en fysieke veiligheid

Zorg er binnen eveneens drie maanden voor dat de medewerkers werken volgens de nieuwe methodiek. Dit houdt in ieder geval in:

  • dat er voor iedere amv een individueel plan is dat een duidelijk beeld geeft hoe hij/zij zich op de verschillende leefgebieden ontwikkelt;

  • dat er volgens de afgesproken cycli gesprekken worden gevoerd met de jongeren en het Nidos, waarin de medewerkers actief (en niet alleen reactief) de ontwikkelingen met de jongeren bespreken en hen bijsturen op de voor hen bepaalde doelen.

Reactie

De onderzoeksvraag luidde: «in hoeverre slaagt het COA erin een veilige opvang te bieden aan amv’s op campussen?». De Inspectie is van mening dat het COA voldoende fysieke veiligheid biedt aan amv’s op de campuslocaties. Ook de jongeren zelf geven aan zich in het algemeen veilig te voelen op de campussen.

Het belangrijkste verbeterpunt dat de Inspectie constateert is dat in de opvang meer aandacht moet worden besteed aan de emotionele ontwikkeling van de jongeren. De mentoren die werkzaam zijn in de campuslocaties hebben meerdere malen per dag informeel contact met de jongeren. Zij maken een praatje met de jongeren en kunnen op die manier informeren en observeren hoe het met de individuele jongere gaat. Ik ben het eens met de Inspectie dat er daarnaast ook planmatig aandacht moet zijn voor de emotionele ontwikkeling van de jongeren, conform de door de Inspectie gedane aanbevelingen. Het COA hanteert daartoe al een begeleidingsmethodiek die erop gericht is de jongere een veilige en leefbare woonomgeving te bieden waarbinnen aan de amv de mogelijkheid wordt geboden zijn kennis en competenties te vergroten.

Er is dus bij het COA een goede begeleidingsmethodiek voorhanden. Registratie van de acties die het COA op basis van deze methodiek uitvoert vindt echter nog onvoldoende plaats. Ik heb het COA verzocht om te zorgen dat deze methodiek, inclusief de benodigde registratie, binnen drie maanden systematisch wordt toegepast op alle campuslocaties, zodat de aandacht voor de ontwikkeling van de jongere, naast de bestaande informele contacten, ook op deze manier geborgd wordt. Een randvoorwaarde hierbij is dat ook de voogden medewerking verlenen aan de cyclische gespreksvoering en zorg dragen voor de benodigde plannen van aanpak.

Onderwijs

Zorg bij het begin van het nieuwe schooljaar 2012–2013 dat er een dagprogramma is, inclusief onderwijs, dat aansluit bij de jongere en zijn/haar perspectief.

Reactie

Het onderwijs dat op school wordt gegeven aan amv’s die op een campus verblijven is ingericht binnen de wettelijke kaders, waardoor de mogelijkheid tot het optimaal inrichten van het onderwijs met een perspectief op terugkeer wordt beperkt. Het competentieniveau van de individuele jongere is echter al wel uitgangspunt bij het kiezen van een school voor een individuele amv. De verantwoordelijkheid voor de inrichting van het onderwijs ligt bij het ministerie van OCW en bij de scholen. Het COA heeft de verantwoordelijkheid het gesprek met de scholen aan te gaan om te bezien hoe het onderwijs zo optimaal mogelijk kan aansluiten op het terugkeerperspectief van de amv. Het ministerie van BZK is samen met het COA, het Nidos en het ministerie van OCW in overleg over onderwijs op maat voor amv’s. De komende maanden zal er meer duidelijk worden over of, en zo ja op welke wijze, onderwijs op maat voor amv’s kan worden ingericht.

De mentoren geven overigens aan dat zij proberen de jongeren te motiveren om naar school te gaan. In het begin lukt dat meestal nog wel, maar gedurende het schooljaar neemt de motivatie af en willen veel jongeren niet meer naar school. In samenwerking met voogd, school en leerplichtambtenaar wordt bekeken op welke wijze de amv gestimuleerd kan worden het geboden onderwijs te (blijven) volgen. Schoolgang is altijd een onderwerp van gesprek met amv en voogd.

Aan de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel

  • Zie erop toe dat het COA de aanbevelingen binnen de genoemde termijnen uitvoert.

  • Bevorder dat er goede afspraken worden gemaakt tussen het COA en de instellingen die het onderwijs verzorgen om te komen tot onderwijs dat past bij het perspectief van de jongeren en waaraan zij ook na terugkeer in hun land van herkomst iets hebben.

Reactie

Het COA is door mij verzocht de aanbevelingen die door de Inspectie aan het COA zijn gedaan binnen de door de Inspectie gestelde termijn uit te voeren en daarover te rapporteren. Tevens wordt in overleg met het ministerie van OCW door mij bezien of, en zo ja op welke wijze, onderwijs kan worden ingericht dat nog meer is toegesneden op de specifieke positie van amv’s.

De minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, G. B. M. Leers


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.