Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201127062 nr. 69

27 062 Alleenstaande minderjarige asielzoekers

Nr. 69 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR IMMIGRATIE EN ASIEL

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 7 juni 2011

Tijdens het algemeen overleg ter zake de herijking beleid Alleenstaande Minderjarige Vreemdelingen op 24 mei 2011, heeft het lid Spekman gerefereerd aan een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage1. Deze uitspraak ziet op de beoordeling van de rechtmatigheid van de opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring aan een Irakees gezin voorafgaand aan hun verwijdering.

Mij is daarbij gevraagd waarom deze uitspraak niet is betrokken bij de beantwoording van de schriftelijke kamervragen van 7 april 2011 met kenmerk 2011Z07338, over de verwijdering en inbewaringstelling van Irakese gezinnen met minderjarige kinderen. Tevens is mij gevraagd of deze uitspraak reden is mijn beleid aan te passen en of ik een schadevergoeding zal betalen aan de betrokken vreemdelingen. Met deze brief reageer ik op deze vragen.

De uitzettingen naar Irak naar aanleiding waarvan de voornoemde vragen zijn gesteld, hebben geleid tot een aantal uitspraken waarin de rechtmatigheid van de maatregel van vreemdelingenbewaring is beoordeeld. Ook de genoemde uitspraak ziet op de rechtmatigheid van de vreemdelingenbewaring van Irakese gezinnen die op 31 maart in vreemdelingenbewaring waren gesteld in verband met de geplande verwijdering op 7 april 2011. Door de Rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, zijn ten aanzien van vijf andere gezinnen gelijkluidende uitspraken gedaan en is de maatregel van vreemdelingenbewaring onrechtmatig geacht en is een schadevergoeding toegewezen.

Gezien de inhoud van de eerder op 7 april 2011 gestelde vragen, wordt er terecht op gewezen dat het beter was geweest als, in dit geval, dit in de beantwoording van deze uitspraken was meegenomen. De inhoud van het antwoord op de eerdere vragen van 7 april 2011 verandert daardoor echter niet. Ik wil dat graag kort toelichten.

In de genoemde uitspraak en de overige, hoegenaamd identieke uitspraken, oordeelt de rechter dat de maatregel van de vreemdelingenbewaring onrechtmatig is, omdat de gronden van de maatregel niet voldoende zijn. De rechtbank passeert een aantal door mijn gemachtigde ter zitting aangevoerde argumenten, omdat deze niet al eerder in de maatregel van vreemdelingenbewaring zelf naar voren zijn gebracht. De gronden die in de maatregel naar voren zijn gebracht acht de rechtbank niet voldoende om de maatregelen van bewaring te kunnen rechtvaardigen. Dit oordeel van de rechter betekent niet zonder meer dat de rechtbank van oordeel is dat de omstandigheid dat sprake is van gezinnen met kinderen, steeds met zich meebrengt dat inbewaringstelling niet mogelijk is.

Ik heb moeten constateren dat de rechtbank terecht constateert dat niet alle relevante gronden in het inleidende besluit zijn opgenomen en dat sprake is van een motiveringsgebrek. Dat heeft mij doen besluiten geen hoger beroep in te stellen. Dat laat onverlet dat ik in een vergelijkbare situatie in de toekomst, met volledige motivering, opnieuw het middel van vreemdelingenbewaring zal overwegen, conform mijn beleid zoals ik in voornoemd antwoord op de vragen van 7 april 2011 heb aangegeven.

Volledigheidshalve verduidelijk ik nog dat, zoals bericht in mijn antwoord op de voormelde vragen, de terugkeer van deze gezinnen op 7 april 2011 doorgang heeft gevonden. De uitspraken waaraan wordt gerefereerd, doen ook op geen enkele wijze afbreuk aan de rechtmatigheid van de verwijdering. Zij zien alleen op de vraag of voorafgaand daaraan een maatregel van vreemdelingenbewaring kon worden opgelegd. Overigens is ten aanzien van twee gezinnen een voorlopige voorziening getroffen door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State en heeft de verwijdering niet plaatsgevonden.

Zoals uit het voorgaande valt op te maken, zie ik in deze uitspraken geen reden mijn beleid aan te passen. Dat ik berust in deze uitspraken, is gelegen in de onvoldoende draagkrachtige motivering van de beslissing in de individuele dossiers, niet in de uitwerking van mijn beleid in het concrete geval. Nu ik in de uitspraak berust, betekent dat ook dat het in de uitspraken toegekende bedrag aan schadevergoeding op de gebruikelijke wijze zal worden uitgekeerd.

Ik neem aan dat ik middels deze brief Uw kamer voldoende heb geïnformeerd omtrent de inhoud van deze uitspraken.

De minister voor Immigratie en Asiel,

G. B. M. Leers


X Noot
1

Rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam van 8 april 2011 Awb 11/11098 (LJN: BQ0844)