27 061
Meerjarennota emancipatiebeleid

nr. 34
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 16 januari 2006

Hierbij bied ik u de tussenrapportage van de visitatiecommissie emancipatie «Emancipatiebeleid en gender mainstreaming bij het ministerie van Economische Zaken» aan1. Deze tussenrapportage presenteert een voorlopig beeld van de stand van zaken zoals door de visitatiecommissie is vastgesteld. In het najaar van 2006 volgt het definitieve oordeel.

Graag wil ik van de gelegenheid gebruik maken om alvast een korte reactie te geven op deze tussenrapportage van de visitatiecommissie. Onder gender mainstreaming wordt verstaan het (re-)organiseren, verbeteren, ontwikkelen en evalueren van beleidsprocessen op zo’n manier dat het perspectief van gendergelijkheid wordt geïntegreerd in al het beleid. Voor mij staat voorop dat gender mainstreaming als invalshoek moet worden meegenomen met het oog op het realiseren van een betere kwaliteit van het beleid. In de praktijk gebeurt dit veelal door nadrukkelijk het perspectief van de burger, de consument en de ondernemer mee te nemen. Het man/vrouwperspectief komt daardoor in veel gevallen uit zichzelf aan bod.

De visitatiecommissie plaatst kanttekeningen bij zowel het proces als de inhoud van gender mainstreaming bij het ministerie van Economische Zaken (EZ). Hieronder ga ik kort op deze kritiek in.

Gebrek aan coördinatie

De visitatiecommissie signaleert een gebrek aan inbedding van gender mainstreaming binnen de organisatie van EZ (zie onder andere paragraaf 2.3, 3.1 en 3.3 in de tussenrapportage). Dit signaal van de commissie heb ik ter harte genomen. Zo is de coördinatie van gender mainstreaming verplaatst naar de directie Algemene Economische Politiek. Daarmee heeft gender mainstreaming een beleidsmatig wat centralere plaats binnen EZ gekregen. Ik overweeg tevens een diversiteitnetwerk op directeurniveau te installeren met tot doel het (nog) beter onder de pet krijgen van gender mainstreaming bij beleidsmedewerkers. De aanbeveling van de visitatiecommissie om de door Monique Leijenaar ontwikkelde handreiking breder te verspreiden betrek ik daarbij (bijvoorbeeld plaatsing op het EZ-intranet).

Gebrek aan integratie

De visitatiecommissie signaleert tevens dat het tot nu toe moeilijk is geweest om emancipatie te integreren in het beleid (zie o.a. paragraaf 3.2 en 3.4). Over de door de visitatiecommissie aangedragen inhoudelijke verbeter- en/of aandachtspunten heb ik echter een groot aantal opmerkingen. Ik beperk mij hieronder tot een aantal punten die genoemd zijn in paragraaf 3.2, 3.4 en 3.5.

• De visitatiecommissie merkt op dat in de groeibrief wordt gepleit voor verlenging van de werkweek, terwijl dat als consequentie kan hebben dat bepaalde groepen vrouwen juist minder gaan werken (blz. 6). Mijns inziens kan de oproep tot het werken van meer uren nooit los worden gezien van de noodzaak tot adequate voorzieningen voor de opvang van kinderen. EZ is initiërend geweest met de discussie over de ouderschapsval (€ 200 miljoen meer budget voor kinderopvang) en is tevens nauw betrokken bij de uitwerking van de motie Van Aartsen/ Bos over voor- en naschoolse opvang.

• De visitatiecommissie merkt op dat nog te weinig wordt onderkend dat grote verschillen tussen gebruikers van ICT bestaan (blz. 6). Mijns inziens wordt wel degelijk aandacht besteed aan de beleving bij de gebruiker, bijvoorbeeld bij projecten die deel uitmaken van het actieprogramma Maatschappelijke sectoren & ICT. Daarbij wil ik overigens ook opmerken dat het actieprogramma zich voornamelijk richt op het op grotere schaal doen gebruiken van reeds (ook bij gebruikers) succesvol gebleken toepassingen.

• De visitatiecommissie merkt op dat het begrip sociale innovatie bij EZ nog vrij technologisch wordt opgevat (blz. 6). Mijns inziens is deze opmerking onjuist. Zoals de visitatiecommissie zelf in de tussenrapportage al opmerkt, is de definitie van sociale innovatie «het vernieuwen van de arbeidsorganisatie en het maximaal benutten van competenties, gericht op het verbeteren van de bedrijfsprestaties en ontplooiing van talent».

• De visitatiecommissie merkt op dat in het programma ondernemerschap en onderwijs betere resultaten kunnen worden geboekt als meer wordt ingezet op verschillen binnen de doelgroep (blz. 7). Mijns inziens wordt wel degelijk ingezet op verschillen binnen de doelgroep. Zo zijn in het afgelopen jaar vrouwelijke en allochtone ondernemers tijdens de roadshow over Ondernemers voor de klas betrokken geweest (mei 2005). Tevens zijn uit de subsidieregeling Onderwijs en Ondernemerschap diverse projecten als best practices aangewezen, waaronder de projecten «Kleurrijk ondernemen» en «Ventura Innovatief etnisch ondernemerschap» die zich richten op het stimuleren van etnisch ondernemerschap. De resultaten van deze projecten worden breed verspreid.

• De visitatiecommissie merkt op dat de regeling voor kennismigranten kansen biedt voor vrouwen in de ICT-sector, maar dat deze mogelijkheden niet worden onderkend (blz. 7). Mijns inziens is dit onjuist. Nederland kent namelijk een vraaggestuurd kennismigratiesysteem. Dit betekent dat de vraag op de arbeidsmarkt (bedrijven/universiteiten) de behoefte aan kennismigranten bepaalt. Dit migratiesysteem wordt in essentie gereguleerd door één criterium, te weten de hoogte van het salaris. Daarmee bestaan ook voldoende mogelijkheden voor vrouwen in de ICT-sector.

• De visitatiecommissie merkt op dat diversiteit een plek kent binnen maatschappelijk verantwoord ondernemen, maar nog te weinig accent krijgt (blz. 8). Mijns inziens krijgt diversiteit wel degelijk aandacht. Om transparantie te stimuleren heeft EZ de jaarlijkse transparantie-benchmark ingesteld. Hierin worden bedrijven op het gebied van transparantie aan de hand van hun maatschappelijke of duurzaamheidverslagen vergeleken. EZ heeft tevens door de Raad voor de Jaarverslaggeving een Handreiking voor maatschappelijke verslaggeving op laten stellen. In die Handreiking wordt bij «sociale aspecten» aangegeven dat bedrijven in hun maatschappelijke verslag informatie zouden moeten geven over opbouw personeelsbestand, diversiteit, ontplooiingsmogelijkheden.

• De visitatiecommissie merkt op dat vrouwelijk ondernemerschap nog te weinig aandacht krijgt bij de EVD (blz. 8). Mijns inziens krijgt vrouwelijk ondernemerschap wel degelijk aandacht. Periodiek wordt een «vrouwenmissie» georganiseerd, de meest recente missie onder leiding van de staatssecretaris vond plaats in Londen. Voor het najaar van 2006 staat een missie met vrouwelijke ondernemers naar Spanje gepland. Tevens wordt bij een aantal daartoe geëigende instrumenten (m.n. PSOM-programma) gender-aspecten meegenomen in de beoordeling van projectvoorstellen.

Gender mainstreaming is noodzakelijk met het oog op het realiseren van een betere kwaliteit van beleid. Ik ben echter (nog) niet overtuigd van de door de visitatiecommissie aangedragen verbeter- en/of aandachtspunten. Naar mijn mening is een nadere verdieping door de visitatiecommissie van een aantal beleidsthema’s gewenst.

De Minister van Economische Zaken

L. J. Brinkhorst


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Naar boven