A
ADVIES RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT1
Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State d.d. 4 februari
2000 en het nader rapport d.d. 15 maart 2000, aangeboden aan de Koningin
door de minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid. Het advies van de
Raad van State is cursief afgedrukt.
Bij Kabinetsmissive van 5 november 1999, no.99.005124, heeft Uwe Majesteit,
op voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F.
Hoogervorst, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel
van wet met memorie van toelichting, houdende wijziging van de Wet overheidspersoneel
onder de werknemersverzekeringen in verband met het in artikel 90 van die
wet opnemen van de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur tijdelijk
en met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 1998 een andere bestemming
te bepalen voor de gehele of gedeeltelijke opbrengst van de heffing van premies
ingevolge de Werkloosheidswet over uitkeringen van overheidswerknemers en
gewezen overheidswerknemers op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Het wetsvoorstel strekt ertoe in de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen
(Wet OOW) de mogelijkheid op te nemen om bij algemene maatregel van bestuur
tijdelijk en met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 1998 een andere
bestemming te geven aan de opbrengst van de heffing van WW-premie over WAO-uitkeringen.
De Raad van State heeft bezwaren tegen de in het voorstel opgenomen terugwerkende
kracht tot 1 januari 1998.
In het voorgestelde achtste lid van artikel 90 wordt bepaald dat de opbrengst
van de heffing van WW-premie kan worden gebruikt voor de bekostiging van uitgaven
in verband met het onder de werkingssfeer van de Werkloosheidswet en de Ziektewet
brengen van het overheidspersoneel.2 Indien van
deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt, is dit voor overheidswerkgevers belastend,
omdat de vermindering van de basispremie WAO – waarop zij ingevolge
artikel 90, eerste lid, aanspraak hebben – in dat geval niet doorgaat. Volgens aanwijzing 167, onder 3, van de Aanwijzingen voor de regelgeving
wordt aan belastende bepalingen, behoudens in uitzonderlijke gevallen, geen
terugwerkende kracht verleend.
De terugwerkende kracht is volgens de toelichting noodzakelijk om zoveel
als mogelijk reeds beschikbare middelen te kunnen inzetten voor de invoeringsuitgaven
WW/ZW overheid. Die enkele omstandigheid kan echter naar de mening van de
Raad niet worden aangemerkt als een uitzonderlijk geval waarin terugwerkende
kracht gerechtvaardigd is. Het college adviseert daarom het wetsvoorstel op
dit punt te heroverwegen.
Nader rapport inzake het voorstel van wet houdende wijziging van de Wet
overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen in verband met het in
artikel 90 van die wet opnemen van de mogelijkheid om bij algemene maatregel
van bestuur tijdelijk en met terugwerkende kracht tot en met 1 januari
1998 een andere bestemming te bepalen voor de gehele of gedeeltelijke opbrengst
van de heffing van premies ingevolge de Werkloosheidswet over uitkeringen
van overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers op grond van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 5 november
1999, nr. 99.005124, machtigde Uwe majesteit de Raad van State zijn advies
inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen.
Dit advies, gedateerd 4 februari 2000, nr. WO4.99.0547/1 bied ik U hierbij
aan.
De Raad van State heeft bezwaren tegen de in het voorstel opgenomen mogelijkheid
om met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 1998 een andere bestemming
te geven aan de opbrengst van de heffing van premies op grond van de Werkloosheidswet
(WW) over uitkeringen op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO). De raad acht gebruikmaking van deze mogelijkheid belastend voor overheidswerkgevers,
omdat zij hierdoor tijdelijk geen vermindering van de basispremie WAO zullen
krijgen. Aan belastende bepalingen kan naar het oordeel van de Raad geen terugwerkende
kracht worden verleend, behoudens in uitzonderlijke gevallen.
Het advies van de Raad van State om het wetsvoorstel op dit punt te heroverwegen,
neem ik niet over om de volgende redenen. Door het kabinet is besloten dat
de overheidswerkgevers als eigenrisicodragers de uitgaven in verband met de
invoering van de WW en Ziektewet zelf financieren.
In de voorgestelde financieringsconstructie gebeurt dat doordat gebruik
wordt gemaakt van middelen die thans al worden beheerd door de verantwoordelijke
instantie voor de voorbereiding van de invoering van de WW en Ziektewet, het
Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). Een voordeel is dat het
Lisv op deze manier tijdig over voldoende budget kan beschikken. De premiebaten
WW over WAO-uitkeringen van overheidswerknemers krijgen aldus een andere bestemming,
waardoor de overheidswerkgevers tijdelijk een voordeel (de vermindering van
de basispremie WAO) moeten missen. Hier staat tegenover dat de invoeringsuitgaven
niet apart in rekening behoeven te worden gebracht bij de overheidswerkgevers,
hetgeen uitvoeringstechnisch minder belastend is voor zowel de overheidswerkgevers
als de uitvoeringsorganisatie. Voorts zijn de overheidswerkgevers vooraf en
aan het begin van het wetgevingstraject geïnformeerd over de voorgenomen
andere bestemming van de WW-premies. Zij houden dus al rekening met deze financieringsconstructie
en hebben de daarmee gemoeide middelen niet belegd. Daardoor is
de voorgestelde financieringsconstructie voor hen per saldo minder belastend
dan alternatieve constructies.
De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet niet te zenden
aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal dan nadat met het vorenstaande rekening
zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State,
H. D. Tjeenk Willink
De redactionele kanttekening bij het advies van de Raad van State heb
ik overgenomen en verwerkt in het wetsvoorstel. Ik moge U, mede namens mijn
ambtsgenoot van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verzoeken het hierbij gevoegde
gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de
Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninrijksrelaties,
R. H. L. M. van Boxtel