27 056
Wijziging van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen in verband met het in artikel 90 van die wet opnemen van de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 1998 een andere bestemming te bepalen voor de gehele of gedeeltelijke opbrengst van de heffing van premies ingevolge de Werkloosheidswet over uitkeringen van de overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering

nr. 5
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 9 juni 2000

1. Algemeen

Het kabinet stelt vast dat de fracties die een inbreng voor het verslag inzake het voorliggende wetsvoorstel hebben geleverd, kritische vragen stellen over het voorstel, in het bijzonder over de terugwerkende kracht ervan en over de spoedeisendheid ervan, alsook op onderdelen om een nadere toelichting vragen, maar tevens dat zij geen onoverkomelijke bezwaren ten principale uiten tegen dit voorstel. Met de navolgende beantwoording van de in het verslag opgenomen vragen hoopt het kabinet, waar nodig, verduidelijking te kunnen bieden, alsmede bij te dragen aan een spoedige verdere behandeling van het voorliggende voorstel. Het kabinet heeft de antwoorden geclusterd rondom een aantal thema's die naar voren komen uit het verslag.

2. Doel en aanleiding van het wetsvoorstel

Het kabinet constateert dat het doel en de aanleiding van het wetsvoorstel, alsook het tijdelijke karakter helder zijn voor de in het verslag aan het woord zijnde fracties. Op de vragen ten aanzien van de terugwerkende kracht van het voorstel wordt afzonderlijk ingegaan. De leden van de fractie van het CDA en de leden van de fracties van GPV en RPF ondersteunen in principe de keuze van het kabinet om de invoeringskosten inzake de WW en de ZW voor de overheid door de overheidswerkgevers zelf te laten betalen door daarvoor tijdelijk de opbrengst van de heffing van WW-premies over WAO-uitkeringen van overheidswerknemers te gebruiken. De leden van de GroenLinks-fractie ondersteunen die keuze echter niet op voorhand. Deze leden wijzen op de mogelijkheid van alternatieve financieringsconstructies waarin deze kosten niet voor rekening van de overheidswerkgevers worden gebracht en vragen de reactie van het kabinet daarop. Het kabinet bespeurt bij de leden van de PvdA-fractie een aantal mogelijke misverstanden ten aanzien van doel en aanleiding van het voorstel. Op de eerste plaats lijken deze leden te veronderstellen dat er een relatie bestaat of zou moeten bestaan tussen enerzijds de vermindering van de basispremie WAO voor overheidswerkgevers in verband met de restitutie van de over WAO-uitkeringen van overheidswerknemers ingehouden WW-premies en anderzijds het beleid van het kabinet inzake de WAO. Op de tweede plaats roept de algemene grondslag die in het voorgestelde artikel 90, achtste lid, van de OOW wordt opgenomen voor het bij algemene maatregel van bestuur bepalen van een andere, tijdelijke bestemming voor die WW-premies, bij deze leden de vraag op welke andere, tijdelijke bestemmingen het kabinet nog overweegt voor die premies. Vanwege onduidelijkheid over de duur van de tijdelijkheid van deze bestemmingswijziging alsook over de inhoud van de eventuele andere, tijdelijke bestemmingen, stelden de leden van de PvdA-fractie voor de algemene maatregel van bestuur op grond van het voorgestelde artikel 90, achtste lid, van de OOW middels een voorhangprocedure vooraf aan de Kamer voor te leggen. Ook de leden van de fractie van GroenLinks verzochten om een dergelijke voorhangprocedure ten einde de Kamer zeggenschap te geven over de inhoud van die algemene maatregel van bestuur.

In antwoord op de overwegingen van de leden van de fractie van GroenLinks wordt onderstaand een nadere toelichting gegeven op het voorstel van de regering. Dit, in aanvulling op hetgeen ter zake reeds is opgemerkt in de memorie van toelichting en in het nader rapport naar aanleiding van het advies van de Raad van State. Deze nadere toelichting biedt tevens de kans om mogelijke misverstanden over dit voorstel bij de leden van de PvdA-fractie weg te nemen.

In februari 1999 heeft het kabinet ingestemd met het voorstel van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) tot invoering van de WW en de ZW voor de overheid met ingang van 1 januari 2001. De vraag uit welke bron de invoeringskosten ter zake zouden moeten worden gefinancierd, heeft het kabinet in april 1999 beantwoord. De Tweede Kamer is over deze beslissingen geïnformeerd bij brief van de Minister van BZK van 15 juli 1999 (kamerstukken II 1998/1999, 24 706, nr. 24). Het kabinet heeft in april 1999, na afweging van alternatieven, besloten om de invoeringsuitgaven voor rekening van de overheidswerkgevers te brengen. Het kabinet is bij die beslissing uitgegaan van de algemene praktijk in de marktsector dat de invoeringskosten ter zake van nieuwe regelgeving in de regel voor rekening van de betreffende sociale fondsen en dus voor rekening van de premiebetalers (werkgevers, werknemers) worden gebracht. Aangezien het kabinet heeft gekozen voor het niet laten deelnemen van de overheid aan het premiesysteem WW, lag het niet voor de hand om de invoeringskosten voor rekening van de WW-fondsen van de marktsector te brengen. Aangezien in de marktsector de premiebetalers dit soort kosten in de regel ook zelf moeten betalen, lag het evenmin voor de hand om deze kosten vanuit de algemene middelen te betalen of te vergoeden. Het door de leden van de fractie van GroenLinks genoemde alternatieve financieringsvoorstel komt derhalve voor het kabinet niet in aanmerking.

Op dit moment zijn er geen centrale fondsen op het terrein van de werkloosheid van het overheidspersoneel (binnen of buiten de kring van overheidswerkgevers) waaruit deze invoeringskosten zouden kunnen worden betaald.

Gegeven het besluit om de overheidswerkgevers zelf te laten betalen voor deze invoeringskosten, zijn vervolgens twee alternatieven afgewogen: enerzijds het rechtstreeks bij de overheidswerkgevers declareren van de invoeringskosten en anderzijds het inzetten van de sinds 1 januari 1998 afgedragen en afgezonderde opbrengst van de WW-premies over WAO-uitkeringen van overheidswerknemers. De regering heeft gekozen voor de laatstgenoemde financieringsconstructie, waarin deze werkgevers deze kosten betalen door het niet verkrijgen van een financieel voordeel dat zij zonder de onderhavige wetswijziging wel zouden hebben verkregen. De regering vond deze constructie minder bezwarend voor de overheidswerkgevers dan de declaratie. Ingeval van declaratie zouden de overheidswerkgevers weliswaar in het genot worden gesteld van de sinds 1 januari 1998 bijeengebrachte premieopbrengst van WW-premies over WAO-uitkeringen, maar zij zouden die middelen of andere, eigen middelen dan toch weer moeten inzetten voor de gedeclareerde invoeringskosten. In het kader van de voorbereiding van de OOW zijn in het verleden ervaringen opgedaan met de declaratie van invoeringskosten bij de overheidswerkgevers. De invoeringsuitgaven OOW over de periode tot en met 1998 zijn immers ook voor een deel volgens deze declaratiemethode op overheidswerkgevers verhaald. De ervaringen met die declaraties hebben het kabinet er van overtuigd dat aan het per overheidswerkgever declareren van invoeringskosten aanzienlijke uitvoeringstechnische en juridisch-technische bezwaren zijn verbonden. Voor de uitvoeringsorganisatie (Lisv, USZO) betekent een declaratiesysteem namelijk dat de invoeringsuitgaven per overheidswerkgever gespecificeerd moeten worden geïnd. Dat is omslachtig en kost de nodige tijd en inspanning.

Belangrijker is echter het gegeven dat via een declaratiestelsel niet zeker gesteld kan worden dat alle overheidswerkgevers daadwerkelijk meebetalen. Bij een declaratiestelsel zou door middel van wetgeving een afzonderlijke rechtsgrond tot stand gebracht moeten worden omdat een kabinetsbesluit onvoldoende is om de niet tot de rijkssectoren behorende overheidswerkgevers te dwingen tot betaling van deze invoeringskosten. Bij de niet tot de rijkssectoren behorende overheidswerkgevers is circa 42% van het personeel werkzaam dat onder deze operatie valt.

Mede gelet op de bezwaren die aan declaratie kleven, heeft de regering gekozen voor het inzetten van de opbrengst van de heffing van de WW-premies over WAO-uitkeringen van overheidswerknemers. Op die manier komen de invoeringskosten voor rekening van alle overheidswerkgevers naar rato van hun WAO-premieloonsom.

De voordelen van de door de regering voorgestelde financieringsconstructie zijn:

• één financieringsbron voor de totale invoeringskosten (inclusief de kosten ter zake van het bovenwettelijke deel), in beheer bij de voor de voorbereiding van de invoering van de WW en de ZW voor de overheid verantwoordelijke instantie, het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv); dit betekent dat er niet tussen verschillende budgetten en financiers behoeft te worden verschoven en verrekend;

• de opbrengst van maximaal twee jaartranches WW-premies over WAO-uitkeringen van overheidswerknemers is volgens de huidige inzichten ruim voldoende om alle kosten in verband met de invoering van de WW en de ZW (inclusief bovenwettelijke delen) voor de overheid te financieren;

• het reeds bij het Lisv voorhanden zijn van het benodigde geld, zodat geen declaratie bij de overheidswerkgevers behoeft plaats te vinden waardoor de huidige en toekomstige budgetten van die overheidswerkgevers niet rechtstreeks worden belast met de invoeringskosten;

• het vermijden van het onnodig rondpompen van geld tussen de overheidswerkgevers enerzijds en het Lisv anderzijds.

Het kabinet meent, in antwoord op een vraag ter zake van de leden van de PvdA-fractie, dat zij op deze wijze voorzieningen heeft getroffen om de kosten van de invoering en de daadwerkelijke inwerkingtreding van de OOW te financieren.

De leden van de fracties van GPV en RPF vragen waarom de invoeringskosten uit één bron bekostigd dienen te worden. Is een over verschillende budgetten gespreide bekostiging geen beter alternatief?

Strikt gesproken is het niet noodzakelijk om alle invoeringskosten uit één bron te bekostigen. Zoals uit de bovenstaande opsomming van voordelen van de voorgestelde bekostiging blijkt, heeft het werken met één financieringsbron evenwel bepaalde administratieve en uitvoeringstechnische voordelen. Het werken met verschillende budgetten is daarentegen bewerkelijker omdat alsdan met meerdere financiers en meerdere geldstromen (inclusief verantwoording ter zake) moet worden gewerkt. Dit betekent bij voorbeeld dat bij verschuivingen van bestedingen tussen deelprojecten van het WW/ZW-project mogelijk ook verschuivingen tussen financiers en budgetten zouden moeten plaatsvinden. De keuze welke budgetten op welk moment en in welk tempo dienen te worden aangesproken, levert bovendien conflictgevoelige situaties op. Het kabinet vindt derhalve een over verschillende budgetten gespreide bekostiging geen beter alternatief.

Over de door de leden van de PvdA-fractie mogelijk veronderstelde relatie tussen de oorspronkelijke bestemming van de WW-premies over WAO-uitkeringen (te weten de vermindering van de door de overheidswerkgevers te betalen bedragen van de basispremie WAO) enerzijds en het regeringsbeleid inzake de WAO anderzijds kan het volgende worden opgemerkt. De leden van de PvdA-fractie leggen de oorspronkelijke bestemming van de WW-premies mogelijk uit als daling van de WAO-premie als onderdeel van het beleid van deze regering tot het terugdringen van het WAO-volume. Er bestaat echter geen relatie tussen de vermindering van de betaling van de WAO-premie ingevolge artikel 90 van de OOW en het regeringsbeleid inzake de WAO. Artikel 90 van de OOW leidt niet tot wijziging van de WAO-basispremie (als percentage van het premieloon). Het percentage van de WAO-basispremie wordt voor alle werkgevers, inclusief de overheid, uniform vastgesteld per 1 januari van het kalenderjaar. Het bedrag dat de overheidswerkgever tegemoet komt in verband met de opbrengst van de WW-premie over WAO-uitkeringen, wordt ingevolge artikel 90 van de OOW verrekend met het bedrag dat hij moet betalen in verband met de aan hem opgelegde basispremie van de WAO. Deze vermindering kan in de loop van het kalenderjaar, volgend op het jaar waarin de WW-premies zijn ingehouden, plaatsvinden. Er is in feite sprake van onderlinge verrekening tussen de overheidswerkgever en het Lisv, waarbij het bedrag dat door het Lisv aan de overheidswerkgever zou moeten worden betaald in verband met het ten gunste van die werkgever brengen van de premieopbrengst WW wordt afgetrokken van het bedrag dat de overheidswerkgever in één of meerdere maanden van het betreffende kalenderjaar aan het Lisv zou moeten betalen in de vorm van de WAO-basispremie.

In de marktsector komen de WW-premies over WAO-uitkeringen ten gunste van de fondsen die de WW-lasten opbrengen en dus ten gunste van de premiebetalers. Bij de overheid behoren deze WW-premies naar analogie ten gunste te komen van degenen die de werkloosheidslasten bij de overheid dragen. Dat zijn, in verband met het systeem van eigenrisicodragen, de overheidswerkgevers. Het kabinet onderschrijft die keuze ten principale van destijds nog steeds. In het onlangs bij de Tweede Kamer aanhangig gemaakte voorstel van Aanpassingswet OOW (kamerstukken II 1999/2000, 27 093, nrs. 1–2) wordt de analogie met de marktsector op dit onderdeel nog verder uitgewerkt. Met ingang van 1 januari 2001 zullen de WW-premies over WAO-uitkeringen worden gestort (als bate) in het op te richten Uitvoeringsfonds voor de overheid. De WW-premies over WAO-uitkeringen worden vanaf die datum niet meer gereserveerd in het Arbeidsongeschiktheidsfonds en worden niet meer apart gerestitueerd door vermindering van de betaling van de WAO-basispremie.

De reden om een andere, tijdelijke bestemming te geven aan die WW-premies, ligt dan ook niet in een andere keuze ten principale ten aanzien van wie begunstigde is van de opbrengst van die premies. Er is hier sprake van een zuiver pragmatische aanpak om de voor rekening van de overheidswerkgevers te brengen invoeringsuitgaven op een voor hen zo min mogelijk belastende wijze door hen te laten betalen. Het zo min mogelijk belastende zit dan volgens het kabinet in het feit dat middelen worden ingezet die reeds in het verleden (te weten ingevolge de premieheffing in de kalenderjaren 1998 en 1999) zijn gereserveerd en nog niet eerder aan de overheidswerkgevers ter beschikking zijn gesteld.

Het antwoord op de vraag van de leden van de PvdA-fractie welke gevolgen het voornemen tot het niet verminderen van de betaling van de WAO-basispremie heeft voor de hoogte van de WW-premie van overheidswerknemers, luidt als volgt. Er is geen gevolg voor de hoogte van de WW-premie. De WW-premie wordt er niet hoger of lager door.

Een andere aanleiding tot mogelijk misverstand inzake het voorliggende voorstel betreft het feit dat de voorgestelde wetswijziging in algemene zin de mogelijkheid schept om bij algemene maatregel van bestuur een andere bestemming te bepalen voor de WW-premies over WAO-uitkeringen van overheidswerknemers. Het kabinet heeft echter slechts één andere bestemming, te weten de bedoelde invoeringskosten, voor ogen. Andere mogelijke bestemmingen worden niet overwogen. Gegeven het voorgenomen vervallen met ingang van 1 januari 2001 van de vermindering, bedoeld in artikel 90, eerste lid, van de OOW, is niet goed denkbaar dat alsnog andere bestemmingen in aanmerking zullen komen.

Ten aanzien van de voorgestelde voorhangprocedure met betrekking tot de algemene maatregel van bestuur wordt het volgende opgemerkt. Het kabinet veronderstelt dat het verzoek om een voorhangprocedure met name wordt ingegeven door onduidelijkheid over de omvang en inhoud van de invoeringskosten, over de tijdelijkheid van het gebruiken van de WW-premies voor dat doel en over de eventuele andere tijdelijke bestemmingen. Wat de eerste twee van deze punten betreft, is van belang om te vermelden dat het kabinet heeft besloten dat ten hoogste twee jaartranches WW-premies over WAO-uitkeringen zullen kunnen worden ingezet voor de invoeringsuitgaven (de zojuist genoemde jaren 1998 en 1999). De opbrengst van de jaartranche 2000 alsmede de niet uitgegeven gelden van de jaartranches 1998 en 1999, zullen zo spoedig mogelijk in 2001 worden teruggegeven aan de overheidswerkgevers door middel van verrekening met het door hen in één of meerdere maanden te betalen bedrag aan basispremie WAO. Dit, er vanuit gaande dat de voorgestelde Aanpassingswet OOW in werking zal treden per 1 januari 2001 en dientengevolge de WW en de ZW daadwerkelijk zullen worden ingevoerd per die datum. Hiermee is tevens de vraag van de leden van de PvdA-fractie naar de duur van de tijdelijkheid waar het gaat om de investeringen in de invoeringskosten WW en ZW beantwoord. Deze bestemmingswijziging eindigt volgens planning met ingang van 1 januari 2001. Volgens de huidige inzichten is het uit de jaartranches 1998 en 1999 voortvloeiende bedrag (circa 180 miljoen gulden, rekening houdende met de afdracht van een deel van de totale premieopbrengst over die jaren aan de WW-fondsen van de marktsector ten aanzien van gevallen van samenloop van dienstbetrekkingen bij overheid en marktsector) ruim voldoende voor de kosten in verband met de invoering van de WW en de ZW (inclusief bovenwettelijke delen) voor de overheid. Afgesproken is dat de ministerraad ingeval dit budget ontoereikend zou blijken te zijn voor de invoeringskosten, nader zal besluiten op welke wijze en uit welke bron de extra kosten zullen worden gefinancierd. De Minister van BZK is bereid toe te zeggen dat deze nadere besluitvorming van het kabinet, in voorkomend geval, voorafgaand aan implementatie zal worden voorgelegd aan de Tweede Kamer. De Tweede Kamer is alsdan in de gelegenheid om met de Minister van BZK van gedachten te wisselen over de financiering van die extra kosten.

Langs dezelfde lijnen wil het kabinet graag toezeggen dat eventuele voornemens tot het in de algemene maatregel van bestuur opnemen van andere, tijdelijke bestemmingen van de onderhavige WW-premies, pas tot wijziging van de algemene maatregel van bestuur zal leiden nadat de Tweede Kamer daarover door de Minister van BZK is geïnformeerd en de Kamer daarover heeft kunnen overleggen met deze minister.

Het kabinet meent dat met deze wijze van informeren van de Tweede Kamer inzake de inhoud van de algemene maatregel van bestuur kan worden tegemoet gekomen aan de wensen van de Kamer op dit vlak en dat het dan ook niet nodig zal zijn om de algemene maatregel van bestuur middels een voorhangprocedure tot stand te brengen.

3. De terugwerkende kracht van het voorstel

Afgezien van de CDA-fractie, die de terugwerkende kracht van het onderhavige voorstel ondersteunt, stellen de overige in het verslag aan het woord zijnde fracties kritische vragen over die terugwerkende kracht. Uit hun vragen kan worden afgeleid dat zij de stelling van het kabinet dat de overheidswerkgevers vooraf zijn geïnformeerd over de onderhavige wetswijziging als het voornaamste argument van de regering voor terugwerkende kracht, zelfs tegen de juridische bezwaren blijkens het advies van de Raad van State in, beschouwen. De leden van de fracties van de PvdA, D66, GroenLinks en GPV en RPF zijn vervolgens niet overtuigd door dat argument. Deze leden vragen in feite om een betere onderbouwing van de voorgestelde terugwerkende kracht. Volgens de leden van de fracties van GPV en RPF leidt terugwerkende kracht tot een onduidelijke situatie voor de bekostiger en de ontvanger. De leden van de PvdA-fractie vragen verder welke gevolgen het heeft als de onderhavige wetswijziging geen terugwerkende kracht krijgt tot 1 januari 1998.

Het voornaamste argument voor de terugwerkende kracht is de wens van de regering om de betaling van de invoeringskosten door de overheidswerkgevers te laten plaatsvinden op een wijze waardoor die overheidswerkgevers dit zo min mogelijk als extra belasting zullen ervaren. Zoals nader toegelicht in paragraaf 2 van deze nota, heeft het kabinet gekozen voor het gebruiken van de WW-premies over WAO-uitkeringen die in de kalenderjaren 1998 en 1999 zijn ingehouden en gereserveerd in het Arbeidsongeschiktheidsfonds. Die aanpak heeft de in die paragraaf genoemde voordelen. Met name kan door middel van terugwerkende kracht worden voorkomen dat onnodig geld moet worden rondgepompt tussen de overheidswerkgevers en het Lisv. De regering vond juist het enerzijds teruggeven van de WW-premies en het anderzijds declareren bij de overheidswerkgevers voor hen in administratief en uitvoeringstechnisch opzicht belastender dan het voorliggende voorstel. Het voorstel van de regering heeft het voordeel dat de overheidswerkgevers, maar ook de uitvoeringsorganisatie, niet de administratieve lasten behoeven te ondervinden die aan een declaratiestelsel zijn verbonden.

Het feit dat de overheidswerkgevers vooraf zijn geïnformeerd over deze wetswijziging betekent voor het kabinet dat de overheidswerkgevers wisten dat zij geen restitutie van de WW-premies over de jaren 1998 en 1999 tegemoet konden zien. Dat is op zich geen argument voor terugwerkende kracht, maar geeft wel aan dat die terugwerkende kracht in de praktijk geen problemen voor de overheidswerkgevers zal opleveren. Op deze wijze heeft de regering willen voorkomen dat er overheidswerkgevers zouden zijn die in die jaren daadwerkelijk rekening zouden houden met de opbrengst van die WW-premies.

In het geval de onderhavige wetswijziging niet met terugwerkende kracht zou kunnen worden doorgevoerd, zou dat betekenen dat uitsluitend de premieopbrengst van de WW-premies over WAO-uitkeringen kan worden gebruikt die op het moment van inwerkingtreding van deze wetswijziging nog niet daadwerkelijk is teruggegeven aan de overheidswerkgevers. Alsdan zal naar verwachting maximaal één jaartranche, die betreffende 2000, beschikbaar zijn. Volgens de huidige inzichten in de omvang van de invoeringskosten is niet zeker dat bedoeld bedrag voldoende zou zijn voor die kosten. Dat zou betekenen dat voor een deel van de invoeringsuitgaven alternatieve financiering nodig zou zijn. De enige alternatieve financiering die dan mogelijk is, is het declareren bij de overheidswerkgevers. De bezwaren die daaraan kleven, heeft het kabinet reeds vermeld in paragraaf 2 van deze nota. Het kabinet meent derhalve dat de terugwerkende kracht noodzakelijk is voor de financiering van de invoeringskosten.

De door de leden van de fracties van GPV en RPF veronderstelde onduidelijke situatie voor de bekostiger en de ontvanger die het gevolg zou zijn van de terugwerkende kracht, kan het kabinet niet onderschrijven. De onderhavige WW-premies worden op dit moment door het Lisv, de beoogde financier van de invoeringskosten, beheerd. De overheidswerkgevers, potentiële ontvangers van de resterende premiebedragen, zijn in ieder geval sinds april 1999 op de hoogte van de onderhavige wetswijziging. Zij weten dat zij vóór 2001 geen restitutie van de WW-premies tegemoet kunnen zien. Ik heb geen reden om te veronderstellen dat de betrokken partijen een onduidelijk beeld hebben van de situatie op dit moment. Iets anders is dat de overheidswerkgevers op dit moment niet weten welke resterende premiebedragen zij in 2001 precies mogen verwachten te ontvangen. Zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk in het voorjaar van 2001, zal daarover duidelijkheid moeten worden gegeven door het Lisv.

4. De spoedeisendheid van het voorstel

De rode draad in de reacties van de fracties van het CDA, D66, GroenLinks en GPV en RPF ter zake van de spoedeisendheid van het wetsvoorstel, is de volgende. Deze fracties wijzen er op dat het kabinet de Kamer bij brief van 15 juli 1999 heeft geïnformeerd over het voornemen om de invoeringskosten WW/ZW overheid te financieren door het gebruiken van de WW-premies over WAO-uitkeringen van overheidswerknemers. Deze fracties constateren dat het nog geruime tijd heeft geduurd voor een wetsvoorstel ter zake is ingediend bij de Tweede Kamer. Deze fracties willen van het kabinet vernemen waarom dit zo lang heeft geduurd.

Zoals aangegeven in de eerdergenoemde brief van 15 juli 1999 ging de planning er destijds vanuit dat dit wetsvoorstel rond november 1999 zou kunnen worden ingediend bij de Tweede Kamer. Zonder in te gaan op allerlei details, wil het kabinet in het kort het traject schetsen dat dit wetsvoorstel heeft moeten doorlopen voordat het is ingediend bij de Tweede Kamer.

Op de eerste plaats is dit wetsvoorstel vanwege het technische karakter ervan in nauw overleg met de uitvoeringsorganisatie (Lisv en USZO) voorbereid. Dit heeft geleid tot een concept-wetsvoorstel dat in augustus 1999 voor officieel commentaar is voorgelegd aan de besturen van het Lisv en het College van toezicht sociale verzekeringen (Ctsv). Na ontvangst van de commentaren in september 1999 is het voorstel in oktober 1999 voorgelegd aan de ministerraad. Het wetsvoorstel is vervolgens begin november 1999 voor advies neergelegd bij de Raad van State. Het advies van de Raad van State is begin februari 2000 verzonden naar de Minister van BZK. Het advies van de Raad was van dien aard dat hernieuwde behandeling in de ministerraad noodzakelijk was. Dat heeft in maart 2000 plaatsgevonden. Daarna is het voorstel ingediend bij de Tweede Kamer.

Terugkijkende op dit traject, kan worden geconstateerd dat het technische karakter van dit voorstel maar ook de discussie over de voorgestelde terugwerkende kracht ervan, het tempo van behandeling van het wetsvoorstel hebben bepaald.

Uitgaande van de terugwerkende kracht van de inwerkingtreding van de onderhavige wetswijziging, heeft het de voorkeur dit wetsvoorstel, gelet op de beoogde inwerkingtreding van de voorgestelde Aanpassingswet OOW, ruim vóór 1 januari 2001 kracht van wet te laten verkrijgen en in werking te laten treden. Dit, opdat er voldoende tijd en gelegenheid beschikbaar zal zijn voor het Lisv om alle invoeringskosten die sinds 1 januari 1999 ten laste van de begroting van mijn ministerie zijn voorgeschoten in verband met de invoering van de WW en de ZW voor de overheid over te maken naar de begroting van mijn ministerie. Bovendien gaat ingevolge deze wetswijziging de verantwoordelijkheid voor de betaling van de invoeringskosten ter zake van de WW en de ZW formeel over op het Lisv. Wil het Lisv nog in 2000 de voor dit jaar bestemde gelden kunnen gebruiken, dan zal de wetswijziging ruim vóór 1 januari 2001 moeten kunnen worden geëffectueerd. In dat licht bezien, meent het kabinet dat het wetsvoorstel nog steeds een spoedeisend karakter heeft.

5. Betrokkenheid Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid en overheidswerkgevers

De leden van de PvdA-fractie zouden graag kennis nemen van het standpunt van de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid (ROP) om de kosten van de invoering van de WW en de ZW voor overheidswerknemers te financieren op de wijze waarop de regering het voorstelt.

De leden van de CDA-fractie vragen of er advies is gevraagd aan de ROP of aan de Raad voor de overheidsfinanciën inzake dit wetsvoorstel en hoe dit advies luidt. Deze leden vragen of de overheidswerkgevers en centrales van overheidspersoneel ook hebben ingestemd met dit voorstel.

Ook de leden van de fractie van D66 merken op dat uit de memorie van toelichting niet blijkt of de ROP of de Raad voor de overheidsfinanciën is gevraagd over dit wetsvoorstel advies uit te brengen en zij willen weten of zo'n advies is gevraagd en zo ja, hoe dat luidde.

De leden van de fracties van GPV en RPF vragen ook of er geen adviezen zijn uitgebracht over dit wetsvoorstel (bijvoorbeeld van de ROP). In de memorie van toelichting lezen deze leden over overheidswerkgevers die op de hoogte zijn gebracht van dit wetsvoorstel en zij willen weten of er van deze zijde geen reactie is uitgebracht op de voorstellen.

In bijlagen bij de eerdergenoemde brief van 15 juli 1999 is het advies van de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid (ROP) van 23 juni 1999 over de invoering van de WW en de ZW voor overheidspersoneel meegestuurd, alsmede de reactie van de Minister van BZK daarop.

De reactie van de overheidswerkgevers is verwerkt in het ROP-advies. Er is geen apart advies uitgebracht van die zijde.

De brief aan de Tweede Kamer (inclusief de reactie op het ROP-advies) is toegezonden aan de ROP. Het nu aan de orde zijnde wetsvoorstel is derhalve een (technische) uitwerking van hetgeen eerder met de ROP is besproken en aan de ROP is gemeld.

Voor de volledigheid wordt hieronder de passage uit het advies van de ROP over de invoeringsuitgaven weergegeven alsmede de reactie van de Minister van BZK ter zake.

Advies van de ROP: «De ROP heeft begrepen dat het kabinet een besluit heeft genomen tot vergoeding van alle kosten voortvloeiende uit de invoering van de WW en de ZW. De ROP is van mening dat niet alleen de USZO, maar ook de overheidswerkgevers, met name de zogenaamde «zelfdoeners» (werkgevers die zelf hun wachtgeldregeling uitvoeren), kosten moeten maken voor de door de wetgever gewenste invoering van de WW en ZW. Het ligt derhalve in de rede dat ook de kosten die de overheidswerkgevers moeten maken, worden vergoed. Wat betreft de dekking van deze vergoedingen aan USZO en overheidswerkgevers inzake de invoeringskosten stelt de ROP als randvoorwaarde dat deze niet ten koste gaat van de arbeidsvoorwaardenruimte.»

Reactie van de Minister van BZK:

«Wat de invoeringsuitgaven WW/ZW overheid betreft, heeft het kabinet een keuze gemaakt voor een bepaalde wijze van financiering. In ieder geval zullen, binnen het kader van goed te keuren bestedingsplannen en met verantwoording achteraf, de kosten worden vergoed die de uitvoeringsorganisatie moet maken in verband met de voorbereiding van de uitvoering van de WW en ZW en de bovenwettelijke regelingen voor de overheid. Of ook de kosten die de werkgevers in dat verband moeten maken, moeten of kunnen worden vergoed, is thans onderwerp van studie. De uitkomsten daarvan zullen worden besproken in de Regiegroep OOW. Op de uitkomsten daarvan kan in dit verband niet worden vooruitgelopen.

De vaststelling van de arbeidsvoorwaardenruimte geschiedt, zoals bekend, aan de hand van het referentiemodel.»

De vraag van de CDA-fractie of de overheidswerkgevers en centrales van overheidspersoneel ook hebben ingestemd met dit voorstel, kan als volgt worden beantwoord. De overheidswerkgevers alsook de centrales van overheidspersoneel hebben het voorstel niet voor instemming voorgelegd gekregen. Zij hebben via de ROP advies kunnen uitbrengen over het voorstel. Er is voor het kabinet geen verplichting om het onderhavige voorstel voor instemming aan de ROP voor te leggen. Instemming van de ROP is in het algemeen (en met voorbijgaan aan geldende nuanceringen ter zake) uitsluitend aan de orde bij voorstellen die wijzigingen brengen in individuele rechten en verplichtingen van overheidswerknemers. Het voorliggende voorstel behoort niet tot die categorie.

De leden van de PvdA-fractie vragen of deze maatregel (bekostiging invoeringsuitgaven WW en ZW uit opbrengst WW-premies over WAO-uitkeringen van (gewezen) overheidspersoneel) gevolgen heeft voor de beschikbare loonruimte voor de sectorale arbeidsvoorwaardenovereenkomsten.

De bedoelde maatregel betekent dat de invoeringsuitgaven WW en ZW worden gefinancierd door de overheidswerkgevers. Zoals hiervoor reeds is aangegeven, moeten in de marktsector de premiebetalers in het algemeen ook zelf de kosten van invoering van nieuwe maatregelen opbrengen zonder compensatie vanuit de algemene middelen. Gegeven het besluit om de overheidswerkgevers zelf te laten betalen voor deze invoeringskosten, is gekozen voor de voorgestelde financieringsconstructie, waarin deze werkgevers de invoeringsuitgaven betalen door het tijdelijk niet verkrijgen van een financieel voordeel.

De gekozen maatregel heeft in algemene zin geen invloed op de vaststelling van de arbeidsvoorwaardenruimte. Die geschiedt, zoals reeds is genoemd, aan de hand van het referentiemodel.

Voorts wijzen de leden van de PvdA-fractie erop dat de regering aangeeft dat alle overheidssectoren dienen bij te dragen aan de uitgaven voor de invoering van de WW en de ZW. Deze leden willen weten of de regering kan aangeven hoe zij aankijkt tegen het vereffenen van deze kosten naar publiekrechtelijke organen wier ambtenaren niet onder een sectorgebonden arbeidsvoorwaardenovereenkomst vallen.

In dit kader is het beter om te stellen dat alle overheidswerkgevers dienen bij te dragen aan de uitgaven voor de invoering van de WW en de ZW. Dat is ook precies wat wordt bereikt met de maatregel om de invoeringsuitgaven te bekostigen uit de opbrengst van de WW-premies over WAO-uitkeringen van (gewezen) overheidswerknemers. Door deze keuze betalen alle overheidswerkgevers mee aan de invoeringsuitgaven WW en ZW, ook de werkgevers van wie het personeel niet onder een sectorgebonden arbeidsvoorwaardenovereenkomst valt.

De leden van de fractie van de PvdA wijzen erop dat op bladzijde 3 van de memorie van toelichting wordt aangegeven dat de totale jaartranche van WW-premies circa 100 miljoen gulden bedraagt. Deze leden willen weten of de regering kan aangeven welke bedragen per overheidssector vrij zouden komen wanneer de basispremie voor de WAO wel zou dalen.

Van de genoemde jaartranche van 100 miljoen gulden moet eerst nog een bedrag worden gehaald op grond van artikel 90, tweede lid, van de OOW. Dit bedrag komt ten gunste van de WW-fondsen van de marktsector. Het Lisv moet daarvan nog een berekening maken. Van de zijde van de USZO is bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel een schatting gemaakt, inhoudende dat maximaal 10% van de jaartranche (maximaal 10 miljoen gulden) naar de marktfondsen zouden moeten worden overgeheveld. Van die schatting uitgaande blijft een bedrag over van naar schatting 90 miljoen gulden per kalenderjaar. Om te berekenen welk deel hiervan aan welke overheidssector ten goede zou komen, moet van deze 90 miljoen gulden eerst nog een bedrag worden gehaald ten behoeve van de werkgevers die niet onder een arbeidsvoorwaardelijke sector van het sectorenmodel vallen. Volgens schatting gaat het om een percentage van rond de 14% voor de overheidswerknemers die niet onder een arbeidsvoorwaardelijke sector vallen (inclusief sectorvolgers). Het bedrag dat dan overblijft (ca. 77,4 miljoen gulden), kan over de verschillende overheidssectoren worden verdeeld volgens een verdeelsleutel, die is berekend op grond van het WAO-relevante deel van de loonsom.

Deze verdeelsleutel ziet er als volgt uit:

• Rijk14,6%;
• primair onderwijs, voortgezet onderwijs en BVE34,2%;
• wetenschappelijk onderwijs5,8%;
• hoger beroepsonderwijs2,3%;
• onderzoekinstellingen0,8%;
• rechterlijke macht0,4%;
• politie7,7%;
• defensie11,4%;
• gemeenten20,4%;
• provincies1,5%;
• waterschappen1,1%.

Uitgaande van het genoemde geschatte bedrag van ca. 77,4 miljoen gulden per kalenderjaar, betekent dat de volgende verdeling in bedragen per sector:

• Rijk11,3 miljoen gulden;
• primair onderwijs, voortgezet onderwijs en BVE26,5 miljoen gulden;
• wetenschappelijk onderwijs4,5 miljoen gulden;
• hoger beroepsonderwijs1,8 miljoen gulden;
• onderzoekinstellingen0,6 miljoen gulden;
• rechterlijke macht0,3 miljoen gulden;
• politie6,0 miljoen gulden;
• defensie8,8 miljoen gulden;
• gemeenten15,8 miljoen gulden;
• provincies1,2 miljoen gulden;
• waterschappen0,9 miljoen gulden.

6. Invoeringsuitgaven WW/ZW overheid

De leden van de fractie van de PvdA wijzen erop dat het Arbeidsongeschiktheidsfonds jaarlijks ca. 100 miljoen gulden aan premiegelden ontvangt en willen weten hoe zich deze reservering verhoudt met de geraamde 50 miljoen gulden invoeringskosten voor het WW/ZW-traject.

Ook de leden van de CDA-fractie vragen om welke bedragen het hier gaat. Volgens deze leden moet de hoogte van de invoeringskosten in redelijke verhouding staan tot de zaak waar het om gaat. Voorts willen de leden van de CDA-fractie weten hoe de invoeringsuitgaven zich verhouden tot de premieopbrengsten die hier tijdelijk voor zijn bestemd.

De leden van de fracties van GPV en RPF zijn eveneens benieuwd wat de verwachte kosten zijn die met de invoering zijn gemoeid.

Niet duidelijk is waar het door de PvdA-fractie genoemde bedrag van 50 miljoen gulden vandaan komt. De meest recente raming van de zijde van de USZO van de kosten voor de invoering van de WW en de ZW voor het overheidspersoneel ziet er als volgt uit. Het gaat dan om de kosten in verband met het gereed maken van de uitvoeringsorganisatie voor de uitvoering van de WW en de ZW voor de overheid (inclusief de omzetting van bestaande gevallen).

De totale kosten voor de projecten worden door USZO geraamd op 39,4 miljoen gulden voor ZW en 75,4 miljoen gulden voor WW. In totaal derhalve 114,8 miljoen gulden, exclusief enkele PM-posten bij het WW-project. Het totaalbedrag is wel inclusief de voorbereiding van de uitvoering van de verschillende bovenwettelijke werkloosheidsregelingen. Vanwege de gekozen fasering van de invoering van de WW en de ZW, zullen de te verrichten invoeringsuitgaven in ieder geval doorlopen tot en met 2002.

Voor 1999 en 2000 tezamen gaat het in totaal om een bedrag van 93 miljoen gulden voor de projecten WW en ZW (inclusief het bovenwettelijk deel).

USZO is momenteel bezig met de gedetailleerde uitwerking van de begroting. Eind juni 2000 moet deze gereed zijn. De begroting moet worden goedgekeurd door de opdrachtgevers voor de invoering van de WW/ZW en het bovenwettelijk deel, te weten het Lisv voor de WW en de ZW en de verschillende overheidswerkgevers voor het bovenwettelijk deel.

Naast de invoeringskosten die betrekking hebben op de USZO, komen mogelijk ook andersoortige invoeringskosten in beeld. Op de eerste plaats wordt nog nagegaan of er in verband met de omzetting van lopende ziektegevallen naar de ZW een zekere liquiditeitsbuffer in het Uitvoeringsfonds voor de overheid zou moeten worden aangelegd ten behoeve van de uitbetaling van ZW-uitkeringen in de eerste maand of maanden van 2001 alsook ten behoeve van de bekostiging van invoeringsuitgaven in de loop van de eerste maand of maanden van 2001. Als er daadwerkelijk een liquiditeitsbuffer nodig zou zijn, is een optie om die vormen ten laste van de WW-premies. Op de tweede plaats zal nog een beslissing worden genomen over eventuele compensatie van de kosten die gemaakt moeten worden door overheidswerkgevers die thans zelf hun wachtgeldregeling uitvoeren (de zogenaamde «zelfdoeners») in het kader van de dossieroverdracht aan de USZO inzake lopende wachtgeldgevallen. Als tot een dergelijke compensatie zou worden besloten, zal dat waarschijnlijk ten laste van de invoeringsuitgaven WW/ZW overheid geschieden.

Zoals hiervoor is vermeld, is het de bedoeling om maximaal twee jaartranches aan WW-premies over WAO-uitkeringen van (gewezen) overheidspersoneel te gebruiken voor de financiering van de invoeringsuitgaven WW en ZW. Gezien de totale geraamde kosten moet het totaalbedrag van twee jaartranches (ca. 180 miljoen gulden) ruimschoots genoeg zijn voor de financiering van de invoeringsuitgaven.

Zoals hiervoor is aangegeven, moet hierbij worden bedacht dat de voorgestelde bekostiging slechts geldt voor de uitgaven die vóór 1 januari 2001 worden gedaan. Vanaf die datum is het de bedoeling om de invoeringskosten te financieren ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid, dat bij Aanpassingswet OOW zal worden opgericht. Deze lasten zullen dan moeten worden opgebracht uit de premie die de overheidswerkgevers aan dat fonds verschuldigd zullen zijn. Voor een nadere toelichting op het Uitvoeringsfonds voor de overheid wordt verwezen naar de Aanpassingswet OOW. Eerder in deze nota is opgemerkt dat de op 1 januari 2001 resterende WW-premies uit de jaartranches 1998 tot en met 2000 alsnog in 2001 aan de overheidswerkgevers zullen worden teruggegeven.

Voorts vragen de leden van de PvdA-fractie de regering aan te geven op welke wijze de financiering heeft plaatsgevonden van de voorbereidingsactiviteiten die in 1999 en wellicht al in andere jaren hebben plaatsgevonden.

De voorbereiding en invoering van de WAO voor overheidspersoneel zijn ingaande 1 januari 1998 afgerond. Dit was in de ogen van het kabinet een goed moment om de eerste fase van de begroting van de invoeringsuitgaven OOW/USZO en de realisatie daarvan af te sluiten. Naar aanleiding daarvan is in november 1999 aan de Tweede Kamer een verantwoording gestuurd en inzage gegeven in de besteding van die uitgaven (kamerstukken II 1999/2000, 24 706, nr. 25).

De kosten in de eerste fase van het OOW/USZO-project (tot en met 1998) zijn voor een behoorlijk deel toe te rekenen aan de invoering van de WAO. Er is tevens reeds geïnvesteerd in de voorbereiding van de WW/ZW. Bovendien is het invoeringsbudget niet alleen gebruikt voor informatie- en uitvoeringssystemen. Er is vanuit het invoeringsbudget ook geïnvesteerd in de opbouw van de USZO-organisatie (opbouw uvi). Ook deze uitgaven zijn gedaan in het kader van het OOW-project.

Voor de financiering van de voorbereiding van de invoering van de WW en de ZW voor overheidspersoneel is gekozen voor een andere constructie dan de tot en met 1998 gehanteerde constructie, d.w.z. niet langer door middel van declaraties bij de verschillende opdrachtgevers van USZO, maar door het gebruik van de opbrengst van de WW-premies over de WAO-uitkeringen van (gewezen) overheidswerknemers. Om deze constructie mogelijk te maken is het nodig artikel 90 van de OOW aan te passen, waartoe het nu voorliggende wetsvoorstel dient. Vooruitlopend op het van kracht worden van deze wet, moeten echter reeds uitgaven worden gedaan ten behoeve van de invoering van de WW en de ZW voor overheidspersoneel. Met de voorbereiding is immers reeds in 1999 gestart. Om die reden is afgesproken dat vooruitlopend op het van kracht worden van de wet, de financiering van de noodzakelijke uitgaven wordt voorgeschoten door de Minister van BZK. Zo is voor 1999 aan USZO een bedrag van f 19 935 924,- voorgeschoten. Er wordt slechts voorgeschoten, nadat daartoe toestemming is verkregen van de formele opdrachtgevers: het Lisv voor de invoering van het wettelijk deel en de overheidswerkgevers voor de invoering van het bovenwettelijk deel. Het overmaken van het hiervoor genoemde bedrag voor 1999 is dan ook goedgekeurd door deze opdrachtgevers. Als het nu voorliggende wetsvoorstel kracht van wet krijgt, zal het door de Minister van BZK voorgeschoten bedrag worden teruggestort vanuit de opbrengst van WW-premies over WAO-uitkeringen van (gewezen) overheidswerknemers.

7. Lagere regelgeving

7.1. Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op grond van artikel 90, tweede lid, van de OOW

De leden van de PvdA-fractie vragen waarom de in het tweede lid van artikel 90 van de OOW vermelde regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid nog niet is vastgesteld. Verder vragen deze leden wanneer vaststelling van die regeling wordt voorzien en welke gevolgen de vaststelling van die regeling heeft voor de premiehoogte. Ook de leden van de CDA-fractie vragen waarom de regeling nog niet is vastgesteld en of het voordelen had gehad deze wel vast te stellen.

De in het tweede lid van artikel 90 van de OOW vermelde regeling dient ertoe te bepalen welk deel van de in een kalenderjaar ontvangen premies dient te worden afgedragen aan de wachtgeldfondsen en het Algemeen werkloosheidsfonds. De WAO-uitkering van een (gewezen) overheidswerknemer kan deels ook gebaseerd zijn op een dienstbetrekking in de markt. De WW-premies over dat deel van de uitkering moeten alsnog worden afgedragen aan de fondsen in de markt. Het resterende deel kan vervolgens aangewend worden voor de in genoemd artikel 90 geregelde bestemming. Zoals eerder aangegeven heeft dit derhalve geen invloed op de hoogte van de premie.

Indien de regeling over het kalenderjaar 1998 al was vastgesteld zou dit met name als voordeel hebben gehad dat in ieder geval over dat kalenderjaar, het voor de in artikel 90 genoemde bestemming beschikbare bedrag vast zou staan. Het vaststellen van de regeling is echter enige tijd aangehouden in afwachting van de besluitvorming over de wijziging van artikel 90. Toen hier duidelijkheid over bestond, is het Lisv gevraagd de gegevens te leveren die nodig zijn om te bepalen welk bedrag moet worden afgedragen aan de marktfondsen. Het gaat hierbij om informatie over het aantal WAO-uitkeringen aan (gewezen) overheidswerknemers dat zowel gebaseerd is op een dienstbetrekking in de markt als bij de overheid als wel gegevens met betrekking tot het relatieve aandeel van (het loon verdiend in) die dienstbetrekkingen. Het is moeilijk gebleken deze gegevens te achterhalen. Inmiddels heeft het Lisv aangegeven de gevraagde informatie op korte termijn te zullen leveren.

7.2. Regeling van de Minister van BZK op grond van de algemene maatregel van bestuur krachtens voorgesteld artikel 90, achtste lid, van de OOW

In antwoord op de vraag van de leden van de fracties van GPV en RPF over de mogelijkheid dat de regeling van de Minister van BZK op grond van de algemene maatregel van bestuur krachtens voorgesteld artikel 90, achtste lid, van de OOW afwijkende regels zal kunnen bevatten, kan het kabinet het volgende opmerken. De grondslag die in artikel 90, achtste lid, tweede volzin, van de OOW wordt geschapen voor een regeling van de Minister van BZK omvat de bevoegdheid tot het stellen van nadere regels. Per definitie mogen nadere regels niet afwijken van de bij regeling van hogere orde (in dit geval: de wet of de algemene maatregel van bestuur) gestelde regels en kaders. Nadere regels zijn regels ter nadere invulling of uitwerking binnen die kaders. Zoals verwoord in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel, gaat het in dit geval om een nadere detaillering ter precisering van de bestemming van de WW-premies alsook om de bepaling van de hoogte van de invoeringskosten die op de in het voorliggende voorstel voorziene wijze zullen worden bekostigd.

8. Haalbaarheid invoering WW/ZW per 1 januari 2001

De leden van de CDA-fractie vroegen hoe hard de invoeringsdatum van 1 januari 2001 is en of voldoende is gegarandeerd dat de invoering per 1 januari 2001 zonder problemen kan plaatsvinden. Voorts wilden de leden van de CDA-fractie weten of dit voorstel nog dezelfde prioriteit heeft wanneer de invoeringsdatum wordt uitgesteld.

Wat het kabinet betreft, is de invoeringsdatum van 1 januari 2001 hard te noemen. Een volledige garantie op dit punt is echter nooit te geven. Zoals is aangegeven in de brief van de Minister van BZK aan de Tweede Kamer van 16 maart 2000 (kamerstukken II 1999/2000, 24 706, nr. 26) betekent de keuze van het kabinet om de WW en de ZW voor overheidspersoneel gefaseerd in te voeren dat het risico dat de WW en de ZW helemaal niet kunnen worden ingevoerd per 1 januari 2001 tot een minimum wordt beperkt. Dit betekent niet dat die invoering hiermee is gegarandeerd. Later in 2000 kunnen op basis van rapportages van de in mijn brief van 15 juli 1999 aan de Tweede Kamer genoemde Regiegroep OOW, meer definitieve conclusies worden getrokken over de haalbaarheid van een verantwoorde invoering per 1 januari 2001. De uitgaven die tot dan toe zijn gedaan, moeten echter hoe dan ook worden gefinancierd. Bovendien moeten de in 1999 en 2000 door de Minister van BZK aan de USZO overgemaakte bedragen, kunnen worden terugbetaald door het Lisv aan die minister. Dit betekent dat ook al zou de invoering per 1 januari 2001 (nog) niet kunnen doorgaan, het voorliggende wetsvoorstel dan nog wel moet kunnen worden geïmplementeerd.

Als de invoeringsdatum zou worden uitgesteld, wat naar de huidige inzichten zeker niet de bedoeling is, dan zou dit wetsvoorstel wel een wat lagere prioriteit kunnen krijgen. Een en ander hoeft dan immers niet persé voor 1 januari 2001 rond te zijn. Aan de andere kant is het wel zaak om de financiering van de voorbereiding van de invoering zo snel mogelijk te regelen. Ook al zou de invoeringsdatum worden uitgesteld, de voorbereiding van de invoering gaat ook dan door, evenals de daarmee verband houdende noodzakelijke uitgaven.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

K. G. de Vries

Naar boven