Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal1999-200027056 nr. 4

27 056
Wijziging van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen in verband met het in artikel 90 van die wet opnemen van de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 1998 een andere bestemming te bepalen voor de gehele of gedeeltelijke opbrengst van de heffing van premies ingevolge de Werkloosheidswet over uitkeringen van de overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering

nr. 4
VERSLAG

Vastgesteld 18 mei 2000

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer van haar bevindingen als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de regering de gestelde vragen tijdig zal hebben beantwoord, acht de commissie de openbare beraadslagingen over dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel. Zij staan positief tegenover de mogelijkheid om een structurele bepaling op te nemen, om tijdelijk een andere besteding te geven aan de premiegelden. De constructie om zoals nu de premiegelden voor WW op de WAO-uitkeringen tijdelijk via AMvB te besteden aan de investering van de invoering van de WW/ZW vanuit het oogpunt dat de overheid eigen risicodrager is, roept bevreemding op. Immers de daling van de WAO-basispremie wordt daarmee uitgesteld, zonder dat wordt geëxpliciteerd voor welke periode dat zou gelden. Bovendien verwondert het de leden van de PvdA-fractie dat het juridisch argument van de Raad van State dat conform aanwijzing 167, onder 3, om belastende bepalingen geen terugwerkende kracht te verlenen, door de regering naast zich neer wordt gelegd, met als argument dat betrokken daarover eerder waren geïnformeerd.

In een eerdere fase heeft de regering besloten om de overheidswerknemers onder de werking van de wetten voor sociale zekerheid te brengen zoals die gelden voor werknemers met een arbeidsverhouding volgens het Burgerlijk Wetboek. Gelet op de hoge kosten heeft zij vervolgens besloten om eigen risicodrager te blijven voor de premies op het terrein van sociale zekerheid. Heeft de regering wel voorzieningen getroffen om de kosten van de invoering en de daadwerkelijke inwerkingtreding van de Wet OOW te financieren?

Is de regering vanaf het begin voornemens geweest de basispremie voor de WAO niet te laten dalen? Hoe verhoudt deze gedragslijn zich met het beleid van deze regering om niet alleen het aantal WAO-gerechtigden, maar ook de WAO-premie te drukken?

Welke gevolgen heeft dit voornemen voor de hoogte van de WW-premie van overheidswerknemers, nu de opbrengst van de premiegelden van de WW-premie over WAO-uitkeringen niet leidt tot daling van de basispremie voor de WAO? Heeft deze maatregel gevolgen voor de beschikbare en te besteden loonruimte voor de sectorale arbeidsvoorwaarden overeenkomsten?

De regering geeft aan dat alle overheidssectoren dienen bij te dragen aan de uitgaven voor de invoering van de WW en ZW. Kan de regering aangeven hoe zij aankijkt tegen het vereffenen van deze kosten naar publiekrechterlijke organen wier ambtenaren niet onder een sectorgebonden arbeidsvoorwaardenovereenkomst vallen?

De regering spreekt over het doorvoeren van een structurele wetswijziging, namelijk het bieden van de mogelijkheid om een andere besteding te geven aan premiegelden, om een tijdelijk probleem ten aanzien van de investeringskosten van de invoering van WW en ZW te financieren. Kan de regering aangeven voor welke andere tijdelijke maatregelen zij denkt deze wetswijziging te gebruiken? De leden van de PvdA-fractie wensen graag duidelijk over de duur van de tijdelijkheid waar het gaat om de investeringen in de invoeringskosten WW en ZW. Rekeninghoudend met de omvang van de premiegelden en de controle op en dus de transparantie van besluitvorming bij andere bestedingen van deze middelen, zijn de leden van de Pvda-fractie van mening dat niet de voorgestelde lichte procedure van AmvB, maar een voorhangprocedure meer voor de hand ligt. Is de regering bereid dit voorstel over te nemen?

De leden van de PvdA-fractie zouden gaarne van de regering vernemen welke gevolgen het heeft als de wetswijziging geen terugwerkende kracht krijgt tot 1 januari 1998. Jaarlijks ontvangt het Asf ca. 100 miljoen aan premiegelden. Hoe verhoudt zich deze reservering met de geraamde 50 miljoen invoeringskosten voor het WW/ZW-traject? Heeft de regering al andere voornemens om de resterende bedragen te investeren?

De regering meldt op bladzijde 1 van de memorie van toelichting dat: Er dienen in 1999 en volgende jaren voorbereidingsactiviteiten te kunnen worden verricht en daarvoor is is bekostiging noodzakelijk. De leden van de Pvda-fractie vragen de regering aan te geven op welke de financiering heeft plaatsgevonden van de voorbereidingsactiviteiten die in 1999 en wellicht al in andere jaren hebben plaatsgevonden?

Kan de regering aangeven waarom de in het tweede lid van artikel 90 vermelde regeling van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid nog niet is vastgesteld? Wanneer wordt de vaststelling van die regeling te voorzien? Welke gevolgen heeft de vaststelling van die regeling voor de premiehoogte?

De leden van de PvdA-fractie zouden graag kennis nemen van het standpunt van de ROP om de kosten van de invoering van de WW en ZW voor overheidswerknemers te financieren op de wijze waarop de regering het voorstelt.

Op bladzijde 3 van de memorie van toelichting wordt aangegeven dat de totale jaartranche van WW-premies circa 100 miljoen bedraagt. Kan de regering aangeven welke bedragen per overheidssector vrij zouden komen wanneer de basispremie voor de WAO, conform kabinetsbeleid, wel zouden dalen?

De leden van de CDA-fractie vragen of er advies is gevraagd aan de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid (Rop) of aan de Raad voor de overheidsfinancien inzake dit wetsvoorstel? Zo ja, hoe luidt dit advies en zo nee, waarom is dit advies niet gevraagd. Waarom is dit wetsvoorstel niet veel eerder bij de Kamer ingediend gelet op het spoedeisende karakter?

Reeds in voorgaand overleg met de regering is gesproken de gehele of gedeeltelijke opbrengst van de heffing van premies ingevolge de Werkloosheidswet over uitkeringen van overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers op grond van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering tijdelijk te bestemmen voor voorbereidingskosten in verband met de invoering van de WW en de ZW voor de overheid.

De leden van de CDA-fractie hebben hiertegen in principe geen bezwaar. Wel vragen deze leden om welke bedragen het gaat. Het moet toch duidelijk zijn dat hiervoor bepaalde ramingen van kosten bestaan. De hoogte van de invoeringskosten moet toch in redelijke verhouding staan tot de zaak waar het omgaat. De leden van de CDA-fractie wensen op dit punt verduidelijking met betrekking tot de hoogte van de bedragen die gemoeid zijn met de invoering WW en ZW. Wellicht ten overvloede merken deze leden op dat voor individuele gevallen de opgebouwde rechten naadloos vanuit de oude naar de nieuwe situatie overgaan.

De regering merkt op dat dit voorstel zo veel haast heeft in verband met de invoeringsdatum van 1 januari 2001. De leden van de CDA-fractie vragen hoe hard deze invoeringsdatum is. Is voldoende gegarandeerd dat de invoering per 1 januari 2001 zonder problemen kan plaatsvinden. Heeft dit voorstel nog dezelfde prioriteit wanneer de invoeringsdatum wordt uitgesteld?

Het advies van de Raad van State met betrekking tot de terugwerkende kracht van deze wetswijziging wordt niet door de regering gevolgd. De leden van de CDA-fractie begrijpen dat het opvolgen van het advies van de Raad van State voor 1998 en 1999 en deels 2000 voor gemeenten een voordeel oplevert. De gemeenten moeten echter later toch deze invoeringskosten betalen, hetgeen betekent dat het volgen van de Raad van State in deze gemeenten geen netto voordeel oplevert. Daarom zijn de leden van de CDA-fractie het op dit punt met de regering eens. Is de terugwerkende kracht tot 1998 ook nodig wanneer de invoeringsdatum later wordt dan 1 januari 2001.

In de memorie van toelichting staat dat regeling bij algemene maatregel van bestuur het voordeel heeft van de nodige flexibiliteit. De leden van de CDA-fractie begrijpen dat, maar zouden op dit moment wel een duidelijke indicatie willen hebben van de invoeringsuitgaven en hoe deze invoeringsuitgaven zich verhouden tot premieopbrengsten die hier tijdelijk voor zijn bestemd.

De afgedragen premies zijn nog niet gebruikt conform artikel 90, eerste lid, van de Wet OOW , omdat de in het tweede lid van artikel 90 bedoelde regeling van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid nog niet is vastgesteld. Kan de regering verklaren wat de reden is dat dit nog niet is gebeurd, had het niet voordelen gehad dit wel eerder te doen en zo ja, welke voordelen?

De overheidswerkgevers zijn op de hoogte gebracht via de Raad voor het Overheidsbeleid. De leden van de CDA-fractie vragen of de overheidswerkgevers en de vakbonden voor overheidspersoneel ook hebben ingestemd met dit voorstel.

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Het wetsvoorstel geeft deze leden aanleiding om de volgende opmerkingen te maken.

De Raad van State adviseert om geen terugwerkende kracht te regelen in het wetsvoorstel. De regering heeft hier toch voor gekozen, omdat omdat de overheidswerkgevers reeds op de hoogte waren van dit voornemen en daar financieel rekening mee hebben gehouden.

Zij vragen de regering hierop in te gaan.

Ook zij merken op dat uit de memorie van toelichting niet blijkt of de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid of de Raad voor de overheidsfinanciën is gevraagd over dit wetsvoorstel advies uit te brengen. Is zo'n advies gevraagd? Zo ja, hoe luidt het advies? Zo nee, waarom is geen advies gevraagd?

Tenslotte willen de leden van de D66 fractie een opmerking maken over het spoedeisende karakter van het wetsvoorstel. Al in juli 1999 was bekend hoe een en ander vorm zou gaan krijgen. Negen maanden later moet de Tweede Kamer zo spoedig mogelijk reageren. Als er zoveel haast is gemoeid met dit wetsvoorstel, waarom, zo vragen de leden van de D66 fractie, heeft het dan nog negen maanden geduurd voordat de wetswijziging is ingediend?

De leden van de GroenLinksfractie zijn verbaasd over de plostelinge haast waartoe de regering oproept, terwijl het toch negen maanden duurde voordat een wetswijziging werd ingediend. Wat is de reden dat de wetswijziging zolang op zich heeft laten wachten?

Het voorstel van wet regelt alleen de invoeringskosten. De leden van de GroenLinksfractie vragen of het in dit soort kwesties met hoge invoeringskosten gebruikelijk is om de kosten te verhalen op de werkgevers zelf?

Zij vragen ook wat de terugwerkende kracht van het onderhavige wetsvoorstel rechtvaardigt. Zo kan naar het oordeel van de Raad van State slechts bij uitzondering terugwerkende kracht worden verleend aan belastende bepalingen. De leden van deze fractie zijn niet overtuigd van de juistheid van de door de regering bewandelde weg in deze. Het feit dat werkgevers vooraf geinformeerd waren over de ophanden zijnde wijziging, doet naar overtuiging van deze leden ook niets af aan het oordeel van de Raad van State.

De leden van de GroenLinksfractie zijn dus niet overtuigd van de door de regering aangedragen argumenten. Er zijn toch ook andere mogelijkheden om de invoeringskosten van deze wijziging te betalen? Wat vindt de regering van het alternatief om de huidige begrotingsoverschotten aan te wenden voor het bekostigen van de invoering van de wet?

De GroenLinks fractieleden vragen de minister tenslotte of het mogelijk is om deze Amvb middels een voorhangprocedure naar de Kamer te doen toekomen? Op die manier heeft de Kamer nog zeggenschap over de inhoud ervan.

De leden van de fracties van GPV en RPF hebben met gemengde gevoelens kennis genomen van onderhavig wetsvoorstel. De leden van de fracties van GPV en RPF zijn het eens met de spoed die achter dit wijzigingsvoorstel wordt gezet. Het lijkt logisch dat de overheidswerkgevers zelf de kosten van de invoering van de WW en ZW dragen. De leden van de fracties van GPV en RPF lezen in de memorie van toelichting de aanbeveling om alle invoeringsuitgaven uit één bron te financieren. De leden vragen waarom deze kosten uit één bron bekostigd dienen te worden. Is een over verschillende budgetten gespreide bekostiging geen beter alternatief?

De leden van de fractie van GPV en RPF ondersteunen de tijdelijkheid van de maatregel om de bekostiging mogelijk te maken. Deze kosten zijn na inwerkingtreding van WW en ZW immers niet meer nodig.

De leden van de fracties van GPV en RPF hebben, evenals de Raad van State, echter problemen met het voorstel om de andere bestemming van de WW-premies met terugwerkende kracht in te laten gaan. Hoewel de overheidswerkgevers al enige tijd waren geïnformeerd over deze veranderde bestemming van de WW-premies, is het onduidelijk wat de gevolgen zijn van deze ingreep. De verklaring dat er op deze manier zoveel mogelijk geld kan worden ingezet, overtuigt de leden van de fracties van GPV en RPF niet.

Daarnaast bevreemdt het de leden van de fracties van GPV en RPF waarom dit technische wijzigingsvoorstel zo lang op zich heeft laten wachten. Waarom is niet sneller een voorstel gedaan om de opbrengsten van de WW-premies tijdelijk een andere bestemming te geven? De leden zijn benieuwd wat de verwachte kosten zijn die met de invoering gemoeid zijn. Invoering van dit wijzigingsvoorstel met terugwerkende kracht, leidt tot een onduidelijke situatie voor de bekostiger en ontvanger.

De leden van de fracties van RPF en GPV hebben vragen bij de laatste zin van artikel 1 van het voorstel van wet. Hier staat namelijk dat nadere regels kunnen worden gesteld met betrekking tot de bekostiging. Betekent dit dat er ook afwijkende regels gesteld kunnen worden?

De leden van de fracties van GPV en RPF vragen ook of er geen adviezen zijn uitgebracht over dit wetswijzigingsvoorstel (bijvoorbeeld van de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid (ROP). De leden missen dergelijke adviezen in de memorie van toelichting op dit voorstel. In de memorie van toelichting lezen de leden over overheidswerkgevers die op de hoogte zijn gebracht van dit wetsvoorstel. Is van deze zijde geen reactie uitgebracht op de voorstellen?

De voorzitter van de commissie,

De Cloe

De griffier van de commissie,

Coenen


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Schutte (GPV), Te Veldhuis (VVD), ondervoorzitter, De Cloe (PvdA), voorzitter, Van de Camp (CDA), Van den Berg (SGP), Scheltema-de Nie (D66), Van der Hoeven (CDA), Van Heemst (PvdA), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Rijpstra (VVD), Noorman-den Uyl (PvdA), Hoekema (D66), Dankers (CDA), Cornielje (VVD), O. P. G. Vos (VVD), Rehwinkel (PvdA), Wagenaar (PvdA), Luchtenveld (VVD), De Boer (PvdA), Verburg (CDA), Rietkerk (CDA), Halsema (GroenLinks), Kant (SP), Duijkers (PvdA), Balemans (VVD).

Plv. leden: Rouvoet (RPF), Van Beek (VVD), Zijlstra (PvdA), Van Wijmen (CDA), Ravestein (D66), Augusteijn-Esser (D66), Balkenende (CDA), Barth (PvdA), Rabbae (GL), Cherribi (VVD), Gortzak (PvdA), Dittrich (D66), Wijn (CDA), Nicolaï (VVD), Van den Doel (VVD), Van Oven (PvdA), Apostolou (PvdA), Vacature VVD, Kuijper (PvdA), Mosterd (CDA), Eurlings (CDA), Van Gent (GroenLinks), Poppe (SP), Belinfante (PvdA), Essers (VVD).