Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2000-200127030 nr. 11

27 030
Wijziging van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, de Natuurschoonwet 1928, de Wet op de loonbelasting 1964, de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de Coördinatiewet Sociale Verzekering

nr. 11
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 november 2000

Tijdens het wetgevend overleg van 1 november jl. over het belastingplan IV 2000 (Kamerstukken II 27 030) heb ik toegezegd een aantal van de daarbij gestelde vragen schriftelijk te beantwoorden. Bij deze doe ik deze toezegging gestand.

VERLOFSPAREN

1. Welke voorwaarden worden gesteld aan het beheer van de verlofspaargelden?

Bij ministerële regeling zullen nadere regels worden gegeven met betrekking tot de administratie van verlofspaargelden en de instellingen waar het verlofspaargeld kan worden ondergebracht. Indien ingevolge een verlofspaarregeling gelden worden afgezonderd, is het in het belang van werknemer en werkgever dat deze gelden buiten hun beschikkingsmacht worden gebracht. Gedacht wordt aan een regeling waarbij het spaargeld voor iedere werknemer afzonderlijk op een bijzondere geblokkeerde rekening moet worden geadministreerd bij een nader aan te wijzen financiële instelling of een bij collectieve arbeidsovereenkomst ingesteld fonds. Dit om de rechtszekerheid voor werknemer en werkgever te bevorderen dat het gespaarde geld ook daadwerkelijk ter financiering van verlof tot uitkering kan komen. Werkgevers en werknemers kunnen, indien zij dat wenselijk achten, hiervan bij collectieve arbeidsovereenkomst afwijken. Op welke wijze het beheer van deze fondsen wordt geregeld is eveneens een zaak van werkgevers en werknemers. In de meest waarschijnlijke situatie betreft het een gezamenlijk beheer van werkgever en werknemer.

2. Wat zijn de gevolgen van het wisselen van dienstbetrekking?

Verlofsparen ingevolge een verlofspaarregeling kan onder het nieuwe regime globaal gezegd plaatsvinden door middel van het sparen van bruto loon, de geldswaarde van verlof of door middel van het zuivere tijd-voor-tijd sparen. Zoals ik hiervoor heb aangegeven wordt bij verlofsparen door middel van het sparen van bruto-loon of de geldswaarde van verlof, de voorwaarde gesteld (tenzij anders bij CAO is overeengekomen) dat deze gelden zodanig worden geadministreerd bij een nader aan te wijzen financiële instelling dat de individuele werknemer daarop een aanspraak heeft. Het aantrekkelijke van dit nieuwe regime is derhalve dat sprake kan zijn van een (geblokkeerde) spaarpot voor de werknemer. Door deze individuele aanspraak van de werknemer worden aan een wisseling van een dienstbetrekking op zichzelf geen fiscale consequenties verbonden. De gelden mogen ondergebracht blijven bij die financiële instelling. Het is ook mogelijk deze verlofspaarpot, zonder fiscale gevolgen, in te brengen in een verlofspaarregeling bij de nieuwe werkgever. Fiscaal worden derhalve geen belemmeringen opgeworpen. Wel is op dit punt van belang hetgeen werkgevers en werknemers in de collectieve verlofspaarregeling op dit punt zijn overeengekomen. Daarnaast is het van belang of bij de nieuwe werkgever de mogelijkheid bestaat het verlofspaargeld in te brengen in een verlofspaarregeling. Indien de werknemer ervoor zou kiezen het verlofspaargeld tot uitkering te laten komen bij het einde van de dienstbetrekking wordt dit aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking en als zodanig in de belastingheffing betrokken.

Het voorgaande is eveneens van toepassing indien sprake is van het zuivere tijd-voor-tijdsparen, met dien verstande dat dan geen sprake is van een afzondering van een spaarpot waarop de werknemer een aanspraak heeft. De werknemer heeft in dit geval aanspraak op gespaarde verlofdagen. Of dit verlof bij de oude werkgever nog kan worden opgenomen dan wel tegen betaling van een vergoeding door die werkgever aan de nieuwe werkgever kan worden meegegeven naar een nieuwe werkgever is eveneens afhankelijk van de in de verlofspaarregeling of met de nieuwe werkgever daarover gemaakte of te maken afspraken. Het is tevens denkbaar dat het tot een belaste uitbetaling van de gespaarde verlofdagen komt.

3. Fiscale behandeling van het verlofspaargeld

Ingevolge het nieuwe fiscale regime voor verlofsparen wordt het mogelijk gemaakt ten hoogste 10% van het bruto loon te reserveren voor verlof ingevolge een verlofspaarregeling. Het betreft derhalve – net als bij pensioenen – uitstel van loon waarvoor de omkeerregel geldt (aanspraak onbelast en uitkering belast). Ook bij een verdere oprenting betreft het nog steeds uitgesteld loon dat in de sfeer van de dienstbetrekking blijft. Zodra het verlof daadwerkelijk wordt genoten en het verlofspaargeld tot uitkering komt vindt belastingheffing in box I plaats (zoals ook bij pensioenen het geval is).

4. Verdere oprenting mogelijk

De opbouwmogelijkheden zijn begrensd tot een jaarlijkse opbouw van maximaal 10% van het inkomen. Het totale verlofspaargeld mag ten hoogste de geldswaarde van een jaar verlof bedragen. Zodra deze grens is bereikt mag geen verdere opbouw plaatsvinden. Een verdere oprenting is echter wel toegestaan. Voor deze benadering is gekozen om de werknemer in staat te stellen zelf te bepalen wanneer hij het verlof wenst op te nemen zonder daar direct het gevolg aan te verbinden dat de spaarpot door oprenting bovenmatig zou worden met de fiscale consequentie van een belastingheffing over het meerdere. In de opbouwfase is immers geen sprake geweest van een bovenmatigheid. Het kan derhalve voorkomen dat, indien de oprenting meer bedraagt dan de loonstijgingen van de werknemer, uiteindelijk meer dan een jaar verlof kan worden gespaard.

NATUURSCHOONWET

1. Cumulatie van de bezitseis met de instandhoudingseis

Allereerst is een vraag gesteld over het cumuleren van de bezitseis met de instandhoudingseis zoals die in de huidige Natuurschoonwet al geldt. Daarover merk ik het volgende op. Als een landgoed binnen de 25-jaarstermijn wordt vervreemd, wordt een evenredig gedeelte van de fiscale claim ingevorderd. Dit gebeurt op basis van het aantal nog niet verstreken volle jaren van de bezitstermijn. Als daarna het landgoed wordt onttrokken, dat wil zeggen de NSW-status verliest, worden de lopende fiscale claims alsnog ingevorderd. Teneinde te voorkomen dat hierbij cumulatie met de bij vervreemding ingevorderde belasting ontstaat, regelt het wetsvoorstel dat de op grond artikel 8a ingevorderde belasting in mindering komt op de ingevolge artikel 8 verschuldigde belasting. In zoverre kan dus geen samenloop tussen de bezitseis en instandhoudingseis ontstaan.

2. Lengte bezitstermijn

Omtrent de lengte van de bezitstermijn is aan de orde gesteld dat een verkoop binnen de 25-jaarstermijn om moverende redenen kan plaatsvinden, zonder dat sprake is van beoogd oneigenlijk gebruik. Genoemd wordt een belastingplichtige die reeds op leeftijd is en besluit om na bijvoorbeeld 24 jaar een landgoed te vervreemden aan een derde. Het alsnog invorderen van het volledige bedrag aan schenkings- of successierecht zou in dergelijke gevallen leiden tot overkill.

In reactie op deze casus merk ik op dat de bezitseis de vorm van een aflopende claim heeft. Voor elk jaar dat het landgoed in bezit is bij de belastingplichtige, wordt de fiscale claim verminderd met 1/25e deel. In de geschetste casus, waarin verkoop plaatsvindt na 24 jaar, betekent dit dat slechts 1/25e deel van de totale fiscale claim wordt ingevorderd (zonder invorderingsrente!). Het wetsvoorstel voorziet derhalve in proportionaliteit tussen de bezitsperiode c.q. de ten behoeve van het natuurschoon geleverde inspanning en de genoten fiscale faciliteit. De lengte van de bezitstermijn zal in de geschetste gevallen dan ook niet tot overkill leiden.

Uit het bovenstaand blijkt dat de bepalingen rondom de bezitstermijn zodanig uitwerken, dat bij verkoop na een lange bezitsperiode niet het geheel, maar slechts een evenredig deel van de genoten faciliteit wordt teruggenomen.

ONROERENDE-ZAAKBELASTINGEN

Gevraagd is of de vrijstelling in de onroerende-zaakbelastingen (OZB) die wordt genoemd in de LNV-begroting ook betrekking heeft op de OZB-vrijstelling in het kader van de Natuurschoonwet. Deze twee vrijstellingen staan los van elkaar. In het kader van de NSW gaat het om de vrijstelling voor landgoederen die is opgenomen in artikel 220d, eerste lid, onderdeel d, van de Gemeentewet. In de LNV-begroting betreft het de vrijstelling van OZB voor natuurterreinen die beheert worden door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen (artikel 220d, eerste lid, onderdeel e, van de Gemeentewet). Het gaat daarbij om het in voorbereiding nemen van de verruiming van die vrijstelling tot natuurterreinen in beheer van natuurlijke personen. Hierbij worden enkele aspecten, zoals het gelijkheidsbeginsel en uitvoerbaarheid van de regeling nog nader onderzocht.

De Staatssecretaris van Financiën,

W. J. Bos