Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2004-200527017 nr. 11

27 017
Homo-emancipatiebeleid

nr. 11
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 juli 2005

Hierbij bied ik u als coördinerend bewindspersoon voor het homo- en lesbische emancipatiebeleid namens het kabinet de beleidsbrief homo-emancipatiebeleid 2005–2007 aan.

De gelijke behandeling en acceptatie van homoseksuelen, en vooral de kwetsbaarheid daarvan, zorgt er voor dat de komende jaren homo-emancipatie een aandachtspunt blijft in het kabinetsbeleid. Dat vraagt om het alert blijven in het bestaande beleid; daarnaast stelt het kabinet zich – de komende jaren – drie doelen.

1. Bevorderen van de sociale acceptatie van homoseksuelen in Nederland. Het kabinet wil hiervoor onder andere de dialoog steunen tussen homoseksuelen en verschillende levensbeschouwelijke en etnische groepen en de maatschappelijke ontwikkelingen op de voet blijven volgen.

2. Enkele kwetsbare groepen homoseksuelen moeten een sterkere sociale binding en betere integratie krijgen. Dit geldt vooral voor groepen die alleen staan, niet mee kunnen doen of uitgesloten (dreigen te) worden zoals allochtone homoseksuelen, jonge homoseksuelen en oudere zorgafhankelijke homoseksuelen. Het kabinet wil daarom aandacht besteden aan de leefbaarheid voor homoseksuelen en sociale samenhang op straat, in wijken, op school en op het werk. Het kabinet wil daarbij zelf het goede voorbeeld geven, door overleg, door steun aan bepaalde projecten en door specifieke kennis beschikbaar te stellen aan het veld.

3. Aandacht besteden aan de veiligheid van homoseksuelen en tegengaan van homodiscriminatie.

Een overzicht van de praktische uitwerking van dit kabinetsbeleid treft u aan in de bijlage.

1. Actuele stand van zaken homo-emancipatie

In het Hoofdlijnenakkoord «Meedoen, meer werk, minder regels» onderstreept het kabinet dat «respect, tolerantie en het bestrijden van discriminatie essentieel zijn om de samenhang in onze maatschappij te behouden»1. In de afgelopen decennia is het fundament gelegd voor de gelijke behandeling van homoseksuele mannen, lesbische vrouwen en biseksuele vrouwen en mannen in ons land (hierna te noemen: homoseksuelen). Opeenvolgende kabinetten hebben veel beleid ontwikkeld, in gang gezet en daarmee ook veel bereikt. In het algemeen gesproken gaat het redelijk goed met de homo-emancipatie. Maar dit algemene beeld neemt niet weg dat onder een aantal groepen (jongeren en etnische minderheden) sociale acceptatie van homoseksuelen haperingen vertoont.2

Het kabinet heeft zich beraden en met verschillende partijen gesproken. Eind november 2004 hebben leden van de interdepartementale werkgroep overheidsbeleid en homoseksualiteit overlegd met ambtenaren uit verschillende Europese landen over de gelijke behandeling van homoseksuelen. Wij hebben gesproken met vertegenwoordigers van gemeenten, landelijke kennisinstituten en veldorganisaties (in februari en januari 2005) over knelpunten en mogelijke maatregelen3. De Kamer heeft ook bij de begrotingsbehandeling 20054 gevraagd om extra maatregelen.

2. Homo zijn in Nederland: wat betekent dat tegenwoordig?

Wat is nu de situatie van homoseksuelen in ons land?

Zoals gezegd lijkt het in het algemeen redelijk goed te gaan met de positie van homoseksuelen in ons land. Er zijn vele positieve ontwikkelingen. Deze ontwikkelingen illustreren tegelijkertijd de grote verscheidenheid van deze bevolkingsgroep. Zo hebben homoseksuele senioren in Rotterdam een eigen woonvorm opgezet en ontstaan hier en daar netwerken van homoseksuelen met een andere etnische of culturele achtergrond. De jaarlijkse landelijke demonstratie «Roze Zaterdag» – dit jaar in Nijmegen, de EuroGames 2005 in Utrecht en recente toenaderingen tussen moslims en homoseksuelen zijn ook goede voorbeelden.

De laatste tijd echter verschijnen steeds meer berichten over intolerantie onder groepen jeugdigen en groepen etnische minderheden. De verharding van de samenleving en de groeiende intolerantie ten opzichte van bepaalde groepen burgers die in de afgelopen tijd waarneembaar is, lijkt ook zijn weerslag te hebben op de groep homoseksuelen. Deze ontwikkeling wil het kabinet in de kiem smoren.

Het diverse beeld rond de situatie van homoseksuelen maakt duidelijk dat algemene maatregelen niet effectief zijn. Specifieke acties en maatwerk zijn nodig. Maar dit is niet de enige accentverschuiving die nodig is. Waar in de afgelopen decennia de nadruk lag op gelijke behandeling van homoseksuelen in wetgeving en doelgroepenbeleid, ligt tegenwoordig het accent op thema's als leefbaarheid, veiligheid, integratie, eigen verantwoordelijkheid en op inclusief beleid5.

Het kabinet hanteert vier uitgangspunten voor het beleid in deze:

– Het verbod op discriminatie van homoseksuelen is een ononderhandelbare norm in de Nederlandse samenleving. Uitgangspunt was, is en blijft: «de bescherming van de menselijke waardigheid en het kunnen meedoen aan het maatschappelijke leven op voet van gelijkheid, ongeacht seksuele gerichtheid»6.

– De homo-emancipatie en de gelijke behandeling op grond van seksuele gerichtheid is, sinds de aanwijzing van een coördinerend bewindspersoon in september 19867, vast onderdeel van het beleid van departementen. Dit «inclusief beleid» betekent dat de betrokken bewindslieden bij het voorbereiden van beleidsmaatregelen rekening houden met de eventuele gevolgen van maatregelen voor homoseksuelen. Daarvoor komt de Interdepartementale werkgroep overheidsbeleid en homoseksualiteit (IWOH) regelmatig bijeen. Het onderwerp homo-emancipatie krijgt in het algemene beleid aandacht en waar nodig– tijdelijk – specifieke aandacht of extra accent.

– De rol van de rijksoverheid is vooral: het stellen van regels en kaders – zoals deze beleidsbrief –, anderen stimuleren en aanspreken op hun taak en het volgen van ontwikkelingen in de maatschappij.

– Het kabinet blijft zich in internationaal en Europees verband inzetten voor de aanpak van discriminatie op grond van seksuele geaardheid en het opheffen van verschil in de wettelijke bescherming tussen de verschillende discriminatiegronden. Immers gelijke behandeling is een van de fundamentele waarden die gerespecteerd dient te worden. Het kabinet zal daarbij ondermeer aansluiting zoeken bij de door de Europese Commissie aangekondigde stappen op dit terrein. Dit geld ook voor de Sociale Agenda (de Lissabon agenda).

Bij de gelijke behandeling en acceptatie van homoseksuelen spelen ook anderen in onze samenleving een belangrijke rol.

3. Eigen verantwoordelijkheid van burgers, instellingen en maatschappelijke organisaties

Homoseksuelen zijn over het algemeen in ons land heel goed in staat om voor zichzelf op te komen of – indien nodig – daarbij adequaat advies, hulp of zorg te organiseren of in te roepen. Veel van wat de afgelopen decennia tot stand is gekomen is een verdienste van tientallen actieve en zelfbewuste vrijwilligersorganisaties en initiatieven van homoseksuelen, zoals de stichting Vrienden van de Gay Krant en het in 1946 opgerichte COC1.

Het kabinet vindt dat maatschappelijke organisaties zelf als eerste moeten bijdragen aan de gelijke behandeling van homoseksuelen. Niet alleen zelforganisaties van homoseksuelen maar ook anderen hebben een rol te spelen bij gelijke behandeling. Dat geldt onder andere voor zelforganisaties van etnische minderheden, sociale partners, brancheorganisaties en zorg-, onderwijs- of welzijnsinstellingen. Zij kunnen bijvoorbeeld zelf regels afspreken over kwaliteit van de dienstverlening of over het gedrag binnen de organisatie. Ook de inzet van zelforganisaties en van de vele vrijwilligers op homo-emancipatiegebied levert een breed scala aan landelijke en lokale activiteiten, zoals sportactiviteiten, lotgenotencontact, lokale debatten, voorlichting en advies tot en met specifieke hulpverlening en mantelzorg.

Een aantal concrete initiatieven die genomen zijn en breder toe te passen zijn:

– Voorlichting van het COC op scholen in enkele steden.

– Mantelzorg door vrijwilligers van organisaties als Rotterdam Verkeert en de Schorer stichting aan homoseksuelen die afhankelijk zijn van zorg.

– Dialoog- en debatactiviteiten over homoseksualiteit en levensbeschouwing met islamitische-, christelijke-, joodse- en hindoeïstische levensbeschouwelijke groepen door het Humanistisch Verbond, COC Nederland, stichting Yoesuf en Islam en Burgerschap.

– Specifieke belangenbehartiging door vakorganisaties bij de politie, in het onderwijs, de krijgsmacht en in andere overheidssectoren.

– Een Rotterdams moskeebestuur nodigt het COC uit in hun moskee.

4. Lokaal maatwerk

Het kabinet vindt dat ook andere overheden verantwoordelijk zijn voor de gelijke behandeling en acceptatie van homoseksuelen. De taken op het gebied van bijvoorbeeld de maatschappelijke ondersteuning binnen de Welzijnswet, ook in de aanstaande Wet op de maatschappelijke ondersteuning (Wmo), zijn een zaak van gemeenten en private instellingen. Bevorderen van sociale cohesie, leefbaarheid en veiligheid is een belangrijke taak voor gemeenten. Daarbij ligt de verantwoording op lokaal niveau. Die gemeentelijke autonomie geeft ruimte om – afhankelijk van de specifieke knelpunten – het nodige maatwerk te leveren, zoals het beleid op het gebied van veilige ontmoetingsplaatsen of bij de inzet van algemene voorzieningen. Sommige gemeenten raadplegen lokale holebi organisaties bij het maken en in praktijk brengen van hun beleid. Er zijn ook gemeenten die activiteiten steunen op het gebied van de maatschappelijke dialoog, ontmoeting, opvang en advies, sport, voorlichting aan scholen tot en met veilige ontmoetingsplaatsen. Ook de provincies dragen bij aan de versterking van de sociale infrastructuur. Zij doen dat door projecten te initiëren en te ondersteunen. Ook bij de ontwikkeling, uitwisseling en verspreiding van goede praktijkvoorbeelden spelen provincies een rol. Dat gebeurt ondermeer door projectsubsidies en door de Centra voor Maatschappelijke Ontwikkeling.

Een aantal concrete gemeentelijke maatregelen die breder toegepast kunnen worden, zijn:

– Onderwijswethouders overleggen met schoolbesturen over de aanpak van intolerantie tegenover homoseksuelen onder schooljeugd (o.a. Rotterdam, Nijmegen en Amsterdam).

– Het jaarlijkse «Roze Ontbijt» voor homoseksuele ouderen in de Burgerzaal van het stadhuis (Rotterdam).

– De sportwethouder overlegt met lokale sportclubs over de aanpak van discriminatie en uitsluiting (Nijmegen).

– Experimenten starten met advies, voorlichting en hulpverlening voor allochtone homoseksuelen (o.a. Den Haag en Amsterdam).

– Specifiek maatschappelijk werk in het pand van het COC (Den Haag).

5. Rijksoverheid houdt vinger aan de pols

Zoals gezegd, is de rol van de rijksoverheid op dit terrein vooral het stellen van regels en kaders – zoals deze beleidsbrief –, anderen stimuleren en aanspreken op hun taak en het volgen van ontwikkelingen in de maatschappij. Dat gebeurt bijvoorbeeld door regels over de toegankelijkheid en kwaliteit van voorzieningen of door het algemene discriminatieverbod. Of door specifiek onderzoek te (laten) doen en specifieke kennis beschikbaar te stellen aan het veld. Of door bij te houden hoe de acceptatie en positie is van homoseksuelen binnen de onderdelen van de eigen overheidsorganisatie, zoals bij krijgsmachtonderdelen en politiediensten. Zo houdt de rijksoverheid de vinger aan de pols. Tot slot zorgt de coördinatietaak van de staatssecretaris van VWS voor het effectief en samenhangend uitvoeren van die rollen door de betrokken departementen.

Enkele voorbeelden van maatregelen die het Rijk de komende jaren zal nemen:

– Het SCP onderzoekt de veranderingen in de acceptatie van homoseksuelen onder groepen van de Nederlandse bevolking en hoe deze in de toekomst verder te volgen zijn.

– Deelname van het COC aan de klankbordgroep ter voorbereiding van de aanstaande Wet maatschappelijke ondersteuning.

– Financiële steun aan enkele gemeenten die specifieke hulpverlening, opvang en advies aan allochtone homoseksuelen willen bieden.

– Een financiële impuls geven aan enkele landelijke organisaties voor een verdere dialoog en toenadering tussen homoseksuelen en levensbeschouwelijke groepen en etnische minderheden.

– Op Europees niveau financieel bijdragen aan de verdere opbouw en versterking van de capaciteit van niet gouvernementele homo-organisatie's in Europa.

Het volledige overzicht van concrete maatregelen staat in de bijlage van deze brief. Ze zijn geordend naar de terreinen van de verschillende departementen. Samenvattend is een financieel overzicht bijgevoegd.

Wat betekent nu deze beknopte analyse, uitgangspunten, doelen en rolverdeling voor het kabinet?

6. Beweging vooruit!

Het kabinet vindt dat respect, tolerantie en het bestrijden van discriminatie essentieel zijn om de samenhang in onze maatschappij te behouden. Dat geldt ook voor de gelijke behandeling en positie van homoseksuelen en zoals gezegd hapert de sociale acceptatie op een aantal plaatsen. Daarom zijn extra maatregelen nodig: concrete stappen die de haperende «motor» weer goed in beweging moeten krijgen, een beweging vooruit. Maatschappelijke organisaties, instellingen en gemeenten spelen daarin een belangrijke rol. Het kabinet gaat aan de slag met de voornemens zoals uit deze beleidsbrief en de bijlage van deze brief. En het roept verder iedereen op om ook bij te dragen, om zijn of haar verantwoordelijkheid te nemen op dit terrein.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

C. I. J. M. Ross-van Dorp

Bijlage bij de Beleidsbrief homo-emancipatiebeleid 2005–2007

1 Wetgeving, evaluatie, onderzoek en «monitoring»

Concrete maatregelen:

Op het gebied van bevordering van leefbaarheid en sociale samenhang:

• Gemeenten krijgen kennis aangereikt zodat zij hun eigen veiligheid- en gezondheidsmonitors ook kunnen gebruiken voor hun homo-emancipatiebeleid (via het project «kenniscentrum lokaal beleid en homo-emancipatie»).

Op het gebied van bevordering van sociale acceptatie:

• Het SCP onderzoekt of in de afgelopen jaren de houding van de bevolking tegenover homoseksuele mannen en lesbische vrouwen (hierna te noemen: homoseksuelen) is veranderd en hoe ontwikkelingen in de samenleving op dit terrein in de toekomst gemeten en bijgehouden kan worden. Onderzoek start in het voorjaar van 2005.

• In 2005 wordt de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb) voor de tweede keer geëvalueerd. De centrale vraag bij deze wetsevaluatie is of de Awgb voldoende effectief is in de aanpak van discriminatie, waaronder discriminatie op grond van homo- of heteroseksuele gerichtheid.

• In de nota Grondrechten in de pluriforme samenleving (nota GPS) is vastgesteld dat de onderlinge verhouding tussen grondrechten in juridische zin voldoende ruimte biedt voor het aanpakken van problemen, waaronder discriminatie van homoseksuelen. Door die pluriforme samenleving is het wel noodzakelijk om de waarden van de democratische rechtsstaat, waaronder het discriminatieverbod, actiever uit te dragen. Een «handreiking Grondrechten en Democratie» en een plan van aanpak om de kennis van grondrechten te bevorderen zullen worden ontwikkeld.1

Verder op het gebied van het nodige onderhoud:

• De Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (Wobka) wordt gewijzigd zodat de interlandelijke adoptie ook voor paren van gelijk geslacht mogelijk wordt.

• Afstammingsrechtelijke gelijkstelling van kinderen van een lesbisch ouderpaar: het vereiste van drie jaar samenwoning bij stiefouderadoptie in gevallen waarin er sprake is van een huwelijk of geregistreerd partnerschap wordt geschrapt. Hierdoor kan de adoptieprocedure al voor de geboorte van het kind aanvangen. De verzorgingstermijn van drie jaar bij «éénouderadoptie» wordt verkort naar één jaar. Daardoor kan de totale lengte van deze procedure worden verkort.

• Een jaarlijkse klankbordbijeenkomst met maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen om de ontwikkelingen op het gebied van gelijke behandeling en acceptatie van homoseksuelen te kunnen signaleren en blijven volgen.

• In de veiligheidsmonitor, die voor het voortgezet onderwijs in ontwikkeling is, wordt discriminatie opgenomen (zie ook hoofdstuk 3).

• Meting van de acceptatie van homoseksuelen binnen de verschillende krijgsmachtonderdelen (zie ook hoofdstuk 7).

2 Preventie, langdurige zorg, maatschappelijke ondersteuning, meedoen en sport

Concrete maatregelen:

Op het gebied van de bevordering van leefbaarheid en sociale samenhang:

• Zorgen dat kennis over lokaal homo-emancipatiebeleid beschikbaar komt voor gemeenten opdat zij zelf kunnen «monitoren». Door het project «kenniscentrum lokaal beleid en homo-emancipatie» kunnen gemeenten hun activiteiten op homo-emancipatiegebied beter vergelijken en uitwisselen, en komen thematische handleidingen beschikbaar voor lokale beleidsmakers. Het project «lokaal beleid en homo-emancipatie» wordt ondergebracht bij het Kenniscentrum Maatschappelijke Inzet per 1 maart 2006.

• Een aantal lokale proefprojecten, speciaal gericht op adequate hulp, opvang, voorlichting en advies aan allochtone homoseksuelen en eigen netwerkvorming, krijgen de komende jaren een impuls.

• De landelijke vereniging van homoseksuelen – federatie COC Nederland – wordt betrokken bij de klankbordgroep van cliënten/consumenten bij de voorbereiding van de implementatie van de Wmo.

• Verlenging van het project De Dialoog tot einde 2007, gericht op toenadering tussen homoseksuelen en etnische en levensbeschouwelijke groepen in steden, wijken.

Op het gebied van bevordering van sociale acceptatie:

• Steun geven aan een positief en Europees voorbeeld van maatschappelijke zichtbaarheid van homoseksuelen door een bijdrage aan «EuroGames 2005» in Utrecht.

• De sportsector aanspreken op hun verantwoordelijkheid om een veilige en verdraagzame omgeving te creëren waarin ook homoseksuelen de tak van sport kunnen kiezen die het meest bij hun mogelijkheden en behoeften past. Het kader van sportorganisaties heeft daarin een belangrijke rol. Ik zal er op toezien dat de burgerschapscompetenties een belangrijke plaats krijgen in de nieuwe profielen van sportopleidingen en het sporttechnische kader instrumenten krijgt om jongeren normbesef bij te brengen en onverdraagzaamheid tegen te gaan.

• Bij de Nationale Jeugdraad wordt aandacht gevraagd voor de positie van jonge homoseksuelen (16 minners). In het overleg zal deze aangemoedigd worden om – met de door hen ter beschikking staande middelen zoals een internetpanel – te inventariseren welke oplossingen jonge homoseksuelen zelf hebben gevonden om zelfhulp en lotgenotencontact te organiseren en hoe dit naar deze groep jongeren het beste uitgedragen kan worden.

• Verder uitvoering geven aan de maatregelen in het kader van de Tegoeden Tweede Wereldoorlog1 door bij te dragen aan historisch onderzoek naar de vervolging van homoseksuelen tijdens en na WO-II (IISG, Schorerstichting, Humanistisch Archief), herstellen van het verwoeste cultureel erfgoed (Schorer bibliotheek) en stimuleren dat er een expositie functie tot stand komt over de vervolging van homo's in WO-II (IHLIA). Daardoor komt kennis over de omstandigheden, effecten en gevolgen van homovervolging tijdens en na de Tweede Wereldoorlog (WO-II) beschikbaar.

Verder op het gebied van het nodige onderhoud:

• Vanwege de signalering- en coördinatiefunctie worden gemeenten uit de G30 en de landelijke kenniscentra jaarlijks geraadpleegd in klankbordbijeenkomsten.

• Financiële bijdrage aan het COC voor een landelijke bijeenkomst in 2005 gericht op specifieke deskundigheidsbevordering van professionals in zorginstellingen en bij het algemene ouderenwerk en in het overleg met brancheorganisaties en het landelijke kenniscentrum aandacht vragen voor het belang van deskundigheidsbevordering op dit terrein.

• Uitvoeren van het preventieplan soa en hiv in Nederland (VWS brief aan de Tweede Kamer, 1 december 2004, kenmerk PG/ZP 2.537.024). In het «landelijke preventieprogramma soa en hiv» is de programmeringvoor de doelgroep «mannen met homoseksuele contacten» neergelegd bij Schorer. Schorer krijgt hiervoor een jaarlijkse bijdrage.

• Instellingssubsidie verstrekken aan de stichting IHLIA zodat documentatie en kennis voor het veld behouden en toegankelijk blijft.

3 Onderwijs

Concrete maatregelen:

Op het gebied van veiligheid:

• In het beleid van OCW is veiligheid een onderwerp dat voortdurend aandacht krijgt. Scholen, leerkrachten, ouders en overheid moeten met elkaar duidelijk maken dat psychisch en fysiek geweld en intolerantie op school onder alle omstandigheden ontoelaatbaar is. Om pro-actief op te kunnen treden tegen discriminatie, op alle gronden, is het noodzakelijk dit expliciet te benoemen binnen het kader van een integraal veiligheidsbeleid. Daarom is het beleid van OCW erop gericht scholen in staat te stellen hun eigen verantwoordelijkheid te nemen bij het werken aan een veilig schoolklimaat. Leidend daarbij is het plan van aanpak veiligheid in het onderwijs en de opvang van risicoleerlingen, dat de Minister van OCW in juni 2004 met de Tweede Kamer heeft besproken. Het thema diversiteit wordt bij de uitvoering van de maatregelen uit dit plan meegenomen.

• Het thema veiligheid krijgt een nadrukkelijkere plek in het toezichts-kader van de Onderwijsinspectie. Beoordeeld wordt of scholen zich voldoende inzetten voor de bevordering van een veilig schoolklimaat. Onderdeel hiervan is de aanpak van discriminatie op welke grond dan ook, waaronder homodiscriminatie. Bij alle onderwijssectoren worden dit meegenomen in het reguliere toezicht. Mocht naar aanleiding daarvan nader onderzoek nodig zijn, dan heeft de inspectie aanvullend instrumentarium ontwikkeld. Dit toezicht vindt zijn beslag vanaf augustus 2005 en wordt eerst ingevoerd in het primair onderwijs en het jaar daarna in het voortgezet- en in het beroepsonderwijs. Daarnaast heeft de Inspectie vertrouwensinspecteurs, die fungeren als aanspreekpunt bij klachtmeldingen over (homo)seksuele intimidatie, seksueel misbruik, fysiek en psychisch geweld.

• OCW ontwikkelt in aansluiting op en in samenhang met bestaande voorzieningen een veiligheidsmonitor voor het voortgezet onderwijs. Dit is een van de maatregelen uit het plan van aanpak veiligheid. In de veiligheidsmonitor wordt het thema discriminatie expliciet meegenomen. De resultaten worden in 2005 opgeleverd.

• Verspreiding en behoud van kennis en goede praktijkvoorbeelden zijn van groot belang. De website en helpdesk www.gayandschool.nl is gericht op deskundigheidsbevordering, informatie en advies aan ouders, leerlingen en docenten. Deze website maakt onderdeel uit van het Centrum School en Veiligheid1, dat is belegd bij het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum (APS). Ook binnen de andere delen van het Centrum zoals Pestweb en het Project Preventie Seksuele Intimidatie is expliciet aandacht voor homoseksualiteit. In de Adviesgroep van het Centrum zijn alle onderwijsorganisaties vertegenwoordigd. De ondersteuning van de website en helpdesk www.gayandschool.nl wordt voorgezet. De opbrengsten van de proefprojecten die de afgelopen jaren zijn uitgevoerd worden mede via de website ontsloten. Tevens wordt een vervolg gegeven aan «Een regenboog van kansen» uit 2003 waarin onderwijsorganisaties zich aan de bestrijding van homodiscriminatie hebben gecommitteerd.

• De pilots seksuele diversiteit die door het APS en COC Nederland zijn uitgevoerd laten zien dat een schoolbrede en beleidsmatige aanpak goed werkt. OCW geeft een vervolg aan deze pilots met als doel de resultaten breed te implementeren. Hiermee wordt beoogd de in de pilots ontwikkelde werkwijze ten aanzien van het vergroten van de tolerantie in scholen breed te implementeren. Het uitgangspunt hierbij is hoe scholen zelf vorm kunnen geven aan de bespreekbaarheid van homo-emancipatie en seksuele diversiteit.

• OCW ondersteunt het project «De vrolijke schooldag». Dit project van COC Nederland, Lifestyle Empowerment Services en Forum beoogt scholen te ondersteunen bij het formuleren van een integrale aanpak van omgangsvormenbeleid. Specifieke aandachtspunten in het project zijn multiculturaliteit, het verbinden van o.a. homo- en lesbische netwerken met andere ondersteunende netwerken en het bijdragen aan een vraaggestuurde afstemming met scholen.

• Naast het bevorderen van een tolerant schoolklimaat, dient homoseksualiteit ook in de lesinhoud terug te komen. De leermiddelenscan die in 2003 door het Nationaal Informatiecentrum Leermiddelen is uitgevoerd en de conferenties die vervolgens in 2004 met uitgevers, schrijvers en schoolbesturen zijn gehouden bieden aanknopingspunten voor het bespreekbaar maken van homoseksualiteit in de klas. In vervolg op die conferenties, worden regionale bijeenkomsten georganiseerd. Doel hiervan is de relevante partijen bij elkaar te brengen en te stimuleren tot het benutten van de mogelijkheden die de leermiddelen bieden voor het bespreken van homoseksualiteit in de klas.

4 Veiligheid, rechtshandhaving en integratie

Concrete maatregelen:

Op het gebied van bevordering van leefbaarheid en sociale samenhang:

• Zoals al in het Hoofdlijnenakkoord en in deze brief is aangegeven, staat de aanpak van discriminatie, ook in het licht van de maatschappelijke ontwikkelingen en het Breed initiatief maatschappelijke binding, hoog op de agenda van dit kabinet. Het kabinet heeft dit ook nadrukkelijk geagendeerd bij de lokale overheden.

Op het gebied van bevordering van sociale acceptatie:

• Het bespreekbaar maken van homoseksualiteit in de eigen kring(-en) van etnische minderheden door onder andere bijeenkomsten met de achterban van allochtonenorganisaties.

• Het verankeren van ontwikkelde kennis op het terrein van minderheden en homoseksualiteit bij het landelijke kenniscentrum FORUM.

En verder op het gebied van het nodige onderhoud:

• In de zomer van 2005 komt een speciale werkgroep met een plan van aanpak voor de toekomstige inrichting van de antidiscriminatie bureaus. Daarin zijn vertegenwoordigd: het rijk, de VNG, het IPO, de federatie LBR-LV, de Cgb, het OM en de politie. Daarin zal aandacht besteed worden aan het benoemen van verantwoordelijkheden tussen enerzijds het rijk en anderzijds gemeenten en provincies, het stimuleren van andere overheden om discriminatie effectief aan te pakken, het (verder) professionaliseren van organisaties die zich bezighouden met discriminatiebestrijding en het vormen van een landelijk dekkend netwerk van ADB's.

• In 2005 fuseert de Landelijke Vereniging antidiscriminatiebureaus met het Landelijk Bureau Racisme (LBR), waardoor de discriminatiebestrijding vanuit verschillende hoeken wordt gebundeld en meer slagkracht krijgt.

5 Arbeid

Concrete maatregelen:

Op het gebied van het nodige onderhoud:

• Ondersteunen van gelijke behandeling op de werkvloer en in bedrijven blijft aandachtspunt in beleid. Door voorlichting (via internet, papieren brochures, publicatie van artikelen in (vak)tijdschriften en voorlichtingsbijeenkomsten), door regelmatig overleggen met betrokken organisaties en door subsidiëren van onderzoek en projecten wordt het in de praktijk brengen van gelijke behandeling op de werkvloer gesteund.

• Het Ministerie van SZW heeft door bureau IVA een bedrijvenonderzoek naar gelijke behandeling laten verrichten. In dit onderzoek wordt apart aandacht besteed aan gelijke behandeling van homo-, hetero- of biseksuele werknemers. Het onderzoek zal op korte termijn aan de Tweede kamer worden aangeboden.

• Op 1 december 2004 is de campagne «Discriminatie? Niet met mij!» van start gegaan. Deze campagne richt zich in allereerst instantie op personen die kwetsbaar kunnen zijn voor discriminatie en ongelijke behandeling. Het gaat evenals bij de vorige campagne «Discriminatie? Bel gelijk» om alle discriminatiegronden, waaronder seksuele voorkeur. De campagne verschaft informatie over hoe met discriminerend gedrag kan worden omgegaan zodat dit het slachtoffer zo min mogelijk belemmert in zijn functioneren en biedt tegenwicht aan personen die discriminerend gedrag al dan niet bewust vertonen. Verder richt de campagne zich op de omgeving waarin discriminerend gedrag kan plaatshebben. Hiertoe wordt betrokkenheid van organisaties gezocht op verschillende maatschappelijke terreinen (waaronder arbeid), die als zogenaamde «stakeholders» willen functioneren en willen bijdragen aan het stimuleren van hun achterban om discriminatie en uitsluiting tegen te gaan door actief beleid. Ook bij deze campagne zal worden gebruik gemaakt van het landelijke telefoonnummer van de «Bel gelijk»-campagne en het netwerk van anti-discriminatiebureaus, landelijke NGO's en de CGB. Het LBR voert dit project uit in samenwerking met genoemde organisaties. De campagne wordt voor 80% uit het Europese Actieprogramma ter bestrijding van discriminatie (artikel 13 EG-Verdrag) gefinancierd en voor 20% door de betrokken ministeries.

• SZW heeft een projectsubsidie verstrekt aan COC Nederland voor een project in de banksector, de detailhandel en de onderwijssector. Doel van dit project «1+1» is om arbeidsorganisaties in die sectoren te stimuleren diversiteitsbeleid en gelijke behandeling te verankeren in hun personeels- en organisatiebeleid en hiermee discriminatie op de arbeidsmarkt tegen te gaan. Het project richt zich op het ondersteunen van de managementteams binnen scholen, en de «human resources» managers bij commerciële organisaties (bankinstellingen en detailhandel) bij de aanpak van knelpunten die zij ervaren op het gebied van diversiteit en gelijke behandeling. Tijdens het project worden ook stappen gezet om tot een ondersteunend netwerk te komen voor deze branches. Daarbij zal ook bestaande kennis, instrumenten en methoden op het gebied van veiligheid, diversiteit en gelijke behandeling verder ingezet worden. Deze kennis bestaat ondermeer uit de website www.diversiteitscode.nl, de Scholingsmand gelijke behandeling, de Vrolijke scholentest en de Prior Methode©. Het project loopt aan het eind van 2005 af.

• In Europees verband zet het kabinet zich in voor de gelijke behandeling. Zo neemt SZW deel aan de ambtelijke werkgroep over de uitvoering het Europese Actieprogramma tegen discriminatie.

6 Politie

Concrete maatregelen:

Op het gebied van het nodige onderhoud:

• Homo-emancipatiebeleid is en blijft onderdeel van het bredere diversiteitbeleid. Dit is opgenomen in het «Werkplan diversiteit politie 2001–2005». Voor 2006–2010 is een nieuw beleidsplan in voorbereiding. Voor dit aandachtsgebied ligt het accent op het verder bevorderen van een veilige en plezierige werkorganisatie voor holebi politiepersoneel en een grotere zichtbaarheid in de organisatie.

• Zorgen dat de komende jaren kennis en goede praktijkvoorbeelden beschikbaar komen voor de politiekorpsen, door inzet van het Landelijk Expertise Centrum voor Diversiteit (LECD). Onder andere door geslaagde werving- en selectieactiviteiten te verzamelen en te verspreiden.

• Uitwisseling van ervaringen van holebi politiefunctionarissen in het Landelijk Overleg Homoseksuelen binnen de politie (LOH) en in het Europees netwerk.

• Zichtbaar deelnemen aan onder andere de jaarlijkse 4 mei herdenking bij de homomonumenten in Amsterdam en in Den Haag.

• Politiekorpsen nemen in hun beleids- en beheerscyclus op welk beleid zij hebben ontwikkeld inzake de gelijke behandeling van homoseksuelen. Voor de selectie van personeel en ter voorbereiding van selectiegesprekken toetsen politiekorpsen de houding van selecteurs over homoseksualiteit. In het aanbod van cursussen en opleidingen voor personeelsmedewerkers, vertrouwenspersonen, medewerkers bedrijfsopvang en kaderleden krijgt het onderwerp homoseksualiteit aandacht.

7 Defensie

Concrete maatregelen:

Op het gebied van bevordering sociale acceptatie:

• Als vervolg op het onderzoek naar de acceptatie van homoseksuelen binnen Defensie, uit 1998, is besloten de aandacht voor de gelijke behandeling en acceptatie van homoseksueel defensiepersoneel voort te zetten en de vinger aan de pols te houden. Eind 2005 vindt opnieuw een meting c.q. onderzoek plaats naar de acceptatie onder defensiepersoneel en naar de effectiviteit van het huidige defensiebeleid over de afgelopen periode. Naar verwachting is het onderzoeksrapport gereed in het voorjaar 2006. De Tweede Kamer zal over de resultaten van het onderzoek worden geïnformeerd.

• Bij de vormgeving en uitvoering van het diversiteitsbeleid krijgt de aandacht voor homoseksueel defensiepersoneel ook accent door ondersteuning van de Stichting Homoseksualiteit en Krijgsmacht (SH&K). De SH&K wordt jaarlijks ondersteund zodat de kennis- en signaalfunctie op dit aandachtsgebied behouden blijft voor Defensie.

Op het gebied van het nodige onderhoud:

• In het personeels- en organisatiebeleid voert het Ministerie van Defensie een actief diversiteitsbeleid. Sinds 1993 is daarbij ook aandacht voor de positie van homoseksueel defensiepersoneel. Op drie gebieden krijgt dit beleid accent: in de opleidingen, onderhoud van een actief en effectief hulpverleningsnetwerk en adequate voorlichting.

• De uitkomsten van eerdergenoemd onderzoek naar de effectiviteit van het diversiteitsbeleid voor homoseksueel defensiepersoneel en het onderzoek van het SCP worden gebruikt om indien noodzakelijk het beleid aan te passen en nieuwe concrete maatregelen te treffen.

8 Internationaal homo-emancipatie-, mensenrechten- en diversiteitsbeleid

Concrete maatregelen:

Op het gebied van sociale acceptatie:

• In Europees verband zal het Kabinet zich blijven inzetten voor het opheffen van verschil in de wettelijke bescherming tussen de verschillende discriminatiegronden. Het Kabinet zal daarbij aansluiting zoeken bij de door de Europese Commissie aangekondigde stappen op dit terrein. Dit geld ook voor de Sociale Agenda (de Lissabon agenda).

• Ter bevordering van het vrije verkeer van personen zal het kabinet zich inzetten voor de wederzijdse erkenning van gelijkgeslachtelijke samenlevingsvormen en huwelijken.

• Waar zich in internationaal verband de gelegenheid voordoet, vraagt Nederland in het kader van discriminatiebestrijding ook aandacht voor discriminatie op grond van seksuele voorkeur. Dit gebeurt onder meer tijdens de jaarlijkse zittingen van de VN-Mensenrechtencommissie en de Derde Commissie van de Algemene Vergadering van de VN. Op de jaarlijkse implementatiebijeenkomsten van de Menselijke Dimensie van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) is Nederland penvoerder van de EU voor het onderwerp non-discriminatie.

• Binnen de algemene kaders van het mensenrechtenbeleid ondersteunt Nederland door bijvoorbeeld Kleine Ambassade Projecten, het MATRA programma of de Strategische Mensenrechtenfaciliteit, de opbouw en capaciteit van niet gouvernementele organisaties (NGO's) in het buitenland.

• Overleg wordt gevoerd met het Verenigd Koninkrijk' EU voorzitterschap voor een vervolg op het initiatief tijdens het Nederlands EU Voorzitterschap voor een Europees netwerk van overheidsfunctionarissen met aandacht voor de sociale acceptatie van homoseksuelen binnen Europa, in het najaar van 2005,

Op het gebied van het nodige onderhoud:

• De internationale voortrekkersrol die Nederland tot nu toe op het terrein van de homo-emancipatie heeft gevoerd wordt voortgezet. Dat betekent dat zowel op multilateraal en bilateraal niveau aandacht blijft voor de mensenrechtenpositie van homoseksuelen en voor de uitwisseling van kennis en samenwerking tussen Europese landen. In de praktijk gebeurt dat bijvoorbeeld door consultatie van en kennis uit te wisselen met ILGA-Europa, met het Vlaams ministerie van gelijke kansen en door actuele informatie over het kabinetsbeleid beschikbaar te stellen aan Ambassades, INGO's en andere platforms en netwerken.

• Bijdrage aan projecten van ILGA-Europa en COC-Nederland voor de verdere opbouw en capaciteitsverbetering op Europees niveau door een virtueel Europees netwerk van NGO's.

9 Financieel overzicht

Onderstaande bedragen in duizenden euro's:

VWS200520062007
• Maatschappelijke ondersteuning en zorg650650650
• Specifieke hulp en opvang allochtone homoseksuelen1350350350
• Rechtsherstel homo's WO-II (van 2004 t/m 2007) 1 588  
    
OCW   
• Veiligheid en school2350(1)(1)
    
JUSTITIE/V&I   
• Bespreken van homoseksualiteit in eigen kring van organisaties van etnische minderheden3350(2)(2)
    
SZW   
• Gelijke behandeling in sectoren150PMPM
DEFENSIE   
• Onderzoek en signalering505010

1 Amendement Van der Laan, 12 oktober 2004, TK 29 800 XVI, nr. 6.

2 Amendement Van der Laan, 12 oktober 2004, TK 29 800 VII, nr. 12.

1 Voor 2006 en verder is structureel bijna € 90 miljoen bestemd voor de bevordering van veiligheid in het onderwijs. De bevordering van homo-emancipatie en van de veiligheid van homoseksuele personeelsleden en leerlingen maken hiervan integraal onderdeel uit.

3 Amendement Van der Laan, 12 oktober 2004, TK 29 800 VI, nr. 7.

2 Gedurende de jaren 2006 en 2007 zal Justitie nog wel uitvoering geven aan dit beleid, maar zal het deel uitmaken van de reeds bestaande subsidierelatie met Forum.

4 De SZW bedragen betreffen subsidies. Voor de volgende jaren zijn nog geen subsidies aangevraagd op dit terrein. De kosten die samenhangen met het betrekken van seksuele gerichtheid bij het algemene gelijke behandelingsbeleid zijn hier niet opgevoerd.

In bovenstaand overzicht zijn de activiteiten van en door de landelijke kennisinstellingen buiten beschouwing gelaten, zoals die van het Landelijk Expertisecentrum Diversiteit en Politie (LECD), het Centrum School en Veiligheid (APS), het NIZW, FORUM, het Kenniscentrum Grote Steden, de Nationale Jeugdraad, het Landelijk Bureau aanpak Racisme (LBR) en de kennisinstellingen voor de georganiseerde sport. Dat geldt ook voor de activiteiten Ambassade Projecten, het MATRA programma.

Overzicht van instrumenten die departementen op het gebied van homo-emancipatie inzetten:

Inzet 2005–2007VWSBZKOCWJustitieSZWPolitieDefensieBuiza
Projectenx x x xx
Onderzoekx     x  
Wetgeving & evaluatie x x    
Overlegx   x  x
Landelijke kennisxxxx x  
Toezicht  x     
Monitorx x  xx 
Voorlichtingxxx     
Coördinatiex       

XNoot
1

Hoofdlijnenakkoord van het kabinet Balkenende II, hoofdstuk immigratie en integratie, blz. 11, d.d. 16 mei 2003.

XNoot
2

Stijging aantal homodiscriminatie meldingen bij het Meldpunt Discriminatie Internet, april 2005 en bij onafhankelijke lokale antidiscriminatiebureau's (ADB's), april 2004; Scholieren enquête Noord-Brabant, Stichting Outway, april 2005; Raadpleging maatschappelijke organisaties en grotere steden, VWS, februari 2005; Lezersonderzoek de Gay Krant, augustus 2004; Mulier rapport: «Het gaat om de sport...», oktober 2003; COC rapport: «Potten en flikkers de klas uit», mei 2003; Lokale jeugdmonitors gemeenten Rotterdam en Den Haag, zomer 2002; Sociaal culturele ontwikkelingen in Nederland (SOCON), Katholieke Universiteit Nijmegen, 2000.

XNoot
3

De volledige verslagen van de raadpleging met bijlagen zijn toegankelijk en beschikbaar op http://www.homo-emancipatie.nl/raadplegingen_VWS.html van het Kenniscentrum Lokaal Beleid en homo-emancipatie.

XNoot
4

OCW begroting 2005: TK 29 800 VIII, nr. 12, Justitie begroting 2005: TK 29 800 VI, nr. 7 en VWS begroting 2005: TK 29 800 XVI, nr. 6. Deze drie amendementen zijn in concrete maatregelen omgezet en komen in deze brief terug.

XNoot
5

«Inclusief beleid» wordt ook wel aangeduid met de term «mainstreaming» (zie brief Gelijke behandeling voor mensen met een handicap of een chronische ziekte; TK 29 355 nr. 1, 28 november 2003).

XNoot
6

Beleidsuitgangspunt in Beleidsnota Homo-emancipatiebeleid (TK 27 107, nr. 2, 8 februari 2001, blz. 9).

XNoot
7

Brief van de minister-president, minister van Algemene Zaken, aan de Kamer (TK 19 504, nr. 3. d.d. 11 september 1986).

XNoot
1

1939 startte een groep homoseksuele mannen met het tijdschift Levensrecht, daar kwam in 1946 het Cultuur en Ontspanningscentruum – COC – als vereniging uit voort. COC is sinds 1973 koninklijk goedgekeurd.

XNoot
1

Handreiking en plan van aanpak zijn het vervolg op de nota GPS en ter uitvoering van de motie De Vries die bij de kamerbehandeling van de nota GPS, 22 en 24 februari 2005, was ingediend.

XNoot
1

Voortgangsrapportage Tegoeden Tweede Wereldoorlog, 25 839 nr. 66, d.d 21 januari 2004.

XNoot
1

Voorheen: Transferpunt Jongeren, School en Veiligheid.