26 975
Invoering van de Vreemdelingenwet 2000 en daarmee verband houdende wijziging van diverse wetten alsmede intrekking van de Wet gemeentelijke zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (Invoeringswet Vreemdelingenwet 2000)

nr. 8
TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 5 juni 2000

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

Hoofdstuk 11, artikel 5, tweede lid, komt te luiden:

2. In afwijking van artikel 4 van hoofdstuk 2 kan de toepassing van de Wet gemeentelijke zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf worden voortgezet ten aanzien van een vreemdeling die op de dag, voorafgaande aan de inwerkingtreding van dat artikel, niet langer houder is van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf maar wel de verstrekkingen op grond van die wet geniet.

Deze verstrekkingen eindigen vier weken na de dag waarop de beschikking bekend is gemaakt waarbij de voorwaardelijke vergunning tot verblijf is ingetrokken of de geldigheidsduur van de voorwaardelijke vergunning tot verblijf is geëindigd.

Indien de werking van de beschikking waarbij de voorwaardelijke vergunning tot verblijf is ingetrokken of de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur is afgewezen, is opgeschort, eindigen de verstrekkingen vier weken na de dag waarop de opschorting eindigt en uitzetting om die reden niet langer achterwege hoeft te blijven. Indien daarvan sprake is vóór de inwerkingtreding van deze wet, dan eindigen de verstrekkingen vier weken na de dag waarop deze wet in werking is getreden.

Toelichting

De hier voorgestelde wijziging van hoofdstuk 11, artikel 5, heeft een tweeledig doel.

In de eerste plaats verduidelijken dat er voor de beëindiging van de verstrekkingen geen beschikking nodig is; de verstrekkingen eindigen van rechtswege.

In de tweede plaats verduidelijking van het moment waarop die verstrekkingen van rechtswege eindigen.

Beëindiging van rechtswege

Deze wijziging houdt in dat er geen afzonderlijke beschikking kan worden genomen voor de beëindiging van de verstrekkingen ingevolge de Zorgwet. Dat volgt uit de systematiek en de woorden «de verstrekkingen eindigen». Anders gezegd: het bestuursorgaan, in de praktijk de gemeente, kan geen rechtsgevolgen toevoegen aan de beschikking van de Minister van Justitie waarbij de vvtv wordt ingetrokken of de aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur is afgewezen. Als er geen rechtsgevolgen worden toegevoegd is niet voldaan aan een van de vereisten voor een beschikking (vgl. artikel 1:3 Awb). In dit opzicht is de voorgestelde regeling vergelijkbaar met de beëindiging van voorzieningen door het COA krachtens artikel 8, eerste lid, onder c, van de Rva. Ter uitvoering van de beëindiging van rechtswege van de verstrekkingen blijven feitelijke handelingen nodig.

Moment eindigen verstrekkingen

Uitgangspunt is dat de verstrekkingen eindigen van rechtswege vier weken na de dag waarop de beschikking waarbij de voorwaardelijke vergunning tot verblijf is ingetrokken bekend is gemaakt of de geldigheidsduur is geëindigd. De termijn van vier weken houdt verband met de termijn die ingevolge de Vreemdelingenwet aan de vreemdeling wordt gegund om Nederland uit eigen beweging te verlaten.

In de praktijk zal de vreemdeling tijdens de vertrektermijn van vier weken rechtsmiddelen instellen tegen de intrekking of niet verlenging van de vvtv. Overeenkomstig de hoofdregel van de Algemene wet bestuursrecht heeft het instellen van rechtsmiddelen (bezwaar, beroep op de rechtbank, hoger beroep op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State) tegen een beschikking geen schorsende werking (artikel 6:16 Awb). Met schorsende werking wordt bedoeld dat de gevolgen van een beschikking niet intreden voordat de schorsing is geëindigd. Voor de Zorgwet betekent dit, dat intrekking van de vvtv tot beëindiging van de voorzieningen leidt indien er niet of niet langer schorsende werking van rechtsmiddelen is.

In die gevallen waarin er toch schorsende werking aan bezwaar of beroep op de rechter (rechtbank en Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State) is verbonden, eindigen de verstrekkingen van rechtswege op dat dag waarop die schorsende werking afloopt en uitzetting om die reden niet langer achterwege blijft. Schorsende werking onder de huidige Vreemdelingenwet is mogelijk op grond van artikel 32, eerste lid, onder b, indien het bezwaarschrift tegen de intrekking vvtv een redelijke kans van slagen heeft. Schorsende werking kan op een ander moment eindigen dan dat waarop de beschikking tot intrekking van de vvtv of afwijzing van de aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur onherroepelijk wordt. In de praktijk eindigt de schorsende werking vaak op een eerder moment.

Met de formulering «Indien de werking van de beschikking waarbij de voorwaardelijke vergunning tot verblijf is ingetrokken of de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur is afgewezen, is opgeschort» wordt de schorsende werking van het bezwaar of het beroep op de rechter bedoeld.

Na afloop van de schorsende werking, gaat de vertrektermijn opnieuw lopen. In de praktijk betekent dat, dat de verstrekkingen worden beëindigd vier weken na afloop van de schorsing.

Voor de beëindiging van rechtswege van de verstrekkingen is niet van belang of de vreemdeling inmiddels op een andere grond van artikel 8 van het wetsvoorstel Vreemdelingenwet 2000 rechtmatig verblijf heeft. Te denken valt aan de situatie waarin de vreemdeling nog in procedure is over een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning in het kader van gezinshereniging. Dat kan rechtmatig verblijf ingevolge artikel 8, onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 tot gevolg hebben. Voor de Zorgwet is dat niet relevant. De Zorgwet heeft immers alleen betrekking op de vraag of de vreemdeling verblijft op grond van een vvtv en niet op een andere grond. Om die reden wordt in het tweede lid alleen verwezen naar de schorsende werking van het bezwaar of beroep tegen de intrekking of niet-verlenging van de vvtv. Datzelfde geldt voor de toevoeging dat «uitzetting om die reden niet langer achterwege hoeft te blijven».

Voor het geval de uitzetting niet langer achterwege blijft voordat de Vreemdelingenwet 2000 en de Invoeringswet Vreemdelingenwet 2000 in werking treden, is bepaald dat de verstrekkingen in ieder geval van rechtswege eindigen vier weken na de dag waarop beide wetsvoorstellen in werking treden. Daarmee wordt voorkomen dat de verstrekkingen met terugwerkende kracht zouden eindigen, wat een wijziging met terugwerkende kracht van het thans gevoerde beleid voor het eindigen van de verstrekkingen krachtens de Zorgwet vvtv zou inhouden. Naast deze nota van wijziging zal op andere wijze bekendheid worden gegeven aan de wijziging van het beleid terzake.

Tot 1 januari 2001 kan voor het beëindigen van de verstrekkingen het bestaande beleid worden voortgezet. Ten overvloede merken wij op, dat de voorgestelde wijziging vanzelfsprekend niet betekent dat met beëindiging van de verstrekkingen moet worden gewacht tot vier weken na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel indien de verstrekkingen overeenkomstig het huidige beleid al vóór 1 januari 2001 kunnen worden beëindigd.

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

De Staatssecretaris van Justitie,

M. J. Cohen

Naar boven