nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
De vragen die door de leden van de fracties van de PvdA, de VVD, het CDA,
het GPV, de RPF en de SGP over het wetsvoorstel zijn gesteld, worden door
mij mede namens de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij beantwoord.
De leden van de PvdA-fractie accepteren dat bij gebreke aan toestemming
van de Europese Commissie voor een nihil-tarief, een andere heffingshoogte
gekozen moest worden. Zij vragen echter wel of er geen precedent wordt geschapen
door de invoering van een gemitigeerd tarief voor de glastuinbouw en of er
niet met succes een beroep op het gelijkheidsbeginsel zou kunnen worden gedaan
door andere groepen bedrijven die zich als groep zouden willen laten behandelen
teneinde een lager (individueel) tarief te bedingen.
Naar mijn mening wordt hierdoor geen precedent voor andere groepen van
bedrijven geschapen, omdat het door de unieke structuur van de glastuinbouwsector
veroorzaakte probleem van het niet in evenwicht zijn van de heffing en de
terugsluis bij andere groepen van bedrijven niet speelt. Ik wijs er daarbij
op dat die unieke structuur indertijd ook de reden is geweest voor de invoering
van het nihiltarief uitsluitend voor de glastuinbouw. Ter toelichting merk
ik nog het volgende op.
Bij de invoering van de REB is, vanwege de bijzondere positie van de glastuinbouwsector
en de zich daarbij voordoende onmogelijkheid de terugsluis naar die sector
in evenwicht te brengen met de heffing voor die sector, gekozen voor het nihil-tarief
voor gas en het 100%-tarief voor elektriciteit, waardoor de heffing in de
glastuinbouw globaal wel in evenwicht was met de terugsluis.
De bijzonder positie van de glastuinbouw wordt veroorzaakt door de bijzondere
structuur van deze bedrijfstak: vele duizenden bedrijven met een relatief
gering nominaal energieverbruik per bedrijf maar met een relatief zeer hoog
aandeel van de energiekosten in de totale kosten, waardoor deze bedrijven
vergelijkbaar zijn met de (overige) energie-intensieve bedrijven. Deze laatstgenoemde
bedrijven betalen echter als gevolg van het systeem van de REB (schijven met
een degressief tarief en in het geheel geen belastingheffing boven een bepaald
plafond) per bedrijf over slechts een klein deel van hun energieverbruik REB,
waar de glastuinbouwbedrijven over het algemeen over hun totale verbruik zouden
worden belast.
Omdat de Europese Commissie niet langer akkoord kon gaan met het geldende,
ook in het Regeerakkoord neergelegde, nihiltarief voor de glastuinbouw is
een andere heffingshoogte gekozen gebaseerd op de vergelijking met andere
energie-intensieve bedrijven.
Voorts vragen de leden van de PvdA-fractie naar de verwachte heffingsopbrengst
en de energiebesparingseffecten.
De verwachte heffingsopbrengst bedraagt in 2000 ca f 750 000
(per bedrijf gemiddeld f 75,–). Energiebesparing in de glastuinbouw
wordt gestimuleerd door middel van het instrument van de MeerJarenAfsprakenEnergiebesparing
(MJAE's). Vanaf 2001 worden de tuinders via een nieuwe AMvB Glastuinbouw
gehouden aan individuele energietaakstellingen. De taakstelling dient op sectorniveau
te leiden tot 30% energiebesparing in de periode 2000–2010. Gegeven
deze wettelijke verplichting zal de beperkte REB-heffing op gas naar verwachting
niet extra bijdragen aan de energiebesparing.
De leden van de PvdA-fractie, die aangeven voorstander te zijn van een
voor alle (dus ook grote) verbruikers geldende generieke en gelijke heffing,
vragen hoe de Europese aanpak er momenteel voorstaat en of een generieke aanpak
daardoor dichterbij komt.
Momenteel is er weinig Europese voortgang in de discussies over het richtlijnvoorstel
voor de belasting van energieproducten, vanwege principiële bezwaren
van enkele lidstaten. Een groot aantal andere lidstaten, waaronder Nederland,
hechten echter sterk aan verdergaande Europese afspraken over belastingen
op energieproducten. Deze lidstaten verkennen de mogelijkheden om hun belastingstelsels
te herzien om duurzame economische ontwikkeling te bevorderen, mede met het
oog op de gemaakte afspraken in het Kyoto-protocol. Momenteel worden de mogelijkheden
onderzocht een kopgroep van gelijkgezinde landen te vormen. Middels een dergelijke
kopgroep zou toch een zekere harmonisatie kunnen plaatsvinden.
Verder zal, nog afgezien van de internationale ontwikkelingen, worden
gewerkt aan een zodanige vormgeving van de REB dat bij het aflopen van de
tijdelijke EU-goedkeuring voor het gemitigeerde tarief voor de glastuinbouw
(per 1–1-2002) kan worden voorzien in een generieke aanpak voor energie-intensieve
sectoren, waar de glastuinbouw integraal deel van uitmaakt. Er mag immers
van worden uitgegaan dat een generieke aanpak meer kans van slagen heeft als
het gaat om goedkeuring van de Europese Commissie voor de langere termijn.
Hiermee is ook een antwoord gegeven op de vraag van de leden van de CDA-fractie
die een verduidelijking vragen op het punt van mijn toezegging aan de sector
inzake de inbouw van de uitzonderingspositie van de glastuinbouw in de REB.
Het is echter nog te vroeg, dit in antwoord op een vraag van de leden van
de VVD-fractie, om nu al te kunnen zeggen wat voor soort regeling, zowel qua
heffing als qua terugsluis, voor het jaar 2002 zal worden aangemeld bij de
Commissie.
De leden van de fracties van GPV en RPF en de leden van de SGP-fractie
wijzen op het feit dat het tot nog toe ontbroken heeft aan adequate terugsluismogelijkheden
voor de sector en zij vragen of nu bij beeindiging van het nihiltarief een
uiterste inspanning mag worden verwacht om alsnog terugsluismogelijkheden
te creëren.
Gelet op de zeer beperkte lastenverzwaring (gemiddeld ongeveer f 75,-
per bedrijf per jaar) en in aanmerking nemend dat de generieke terugsluismogelijkheden
in het kader van de tweede tranche verruimd zijn heb ik gemeend af te kunnen
zien van het zoeken naar en het creëren van een specifiek op de glastuinbouw
gerichte terugsluis.
Voorts vragen de leden van de fracties van GPV, RPF en SGP naar de gevolgen
van de introductie van deze heffing voor de sector, waarbij zij vragen naar
de internationale concurrentie en eventuele gedwongen bedrijfsbeëindigingen.
De beperkte heffing (zoals opgemerkt ca f 75,– gemiddeld per
bedrijf per jaar) heeft geen of nagenoeg geen nadelige gevolgen voor de glastuinbouwsector,
zodat hierdoor geen sprake zal zijn van gedwongen bedrijfsbeëindigingen.
Tot slot merk ik op dat een tweede nota van wijziging bij deze nota is
gevoegd. Deze tweede nota van wijziging ziet op het tijdstip van inwerkingtreding
van het bij eerste nota van wijziging toegevoegde artikel IA. Naar het zich
thans laat aanzien zal het tijdstip waarop de wet in het Staatsblad zal worden
geplaatst niet voor 1 mei 2000 liggen. Daarom is voor artikel IA voorzien
in een inwerkingtreding met terugwerkende kracht tot en met 1 mei 2000.
De Staatssecretaris van Financiën,
W. A. F. G. Vermeend