nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING
Algemeen
Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het
zonder meer instemmend luidt, dan wel uitsluitend opmerkingen van redactionele
aard bevat (artikel 25a, derde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State).
In het Belastingplan 1999 (Stb. 1998, 725) is, conform het Regeerakkoord,
voorzien in een verhoging van de tarieven van de regulerende energiebelasting
op elektriciteit en aardgas en in een handhaving van het nihiltarief voor
aardgas en voor vervangende minerale oliën die door de glastuinbouw worden
gebruikt. De handhaving van dit nihiltarief, welke was ingegeven door het
ontbreken van goede terugsluismogelijkheden voor de sector, kon toen echter
nog niet de instemming van de Europese Commissie verkrijgen. Bij brief van
29 december 1998 (kamerstukken II 1998/99, 26 200 IXB, nr 13) is de Tweede
Kamer daarover ook ingelicht. Begin 1999 zijn direct besprekingen gestart
met de Commissie die, mede in verband met de verwikkelingen rond het aftreden
van de oude en het aantreden van een nieuwe Commissie medio 1999, eerst vrij
recent konden worden afgesloten.
Op 8 december jl. heeft de Commissie haar goedkeuring gehecht aan een
regeling voor de behandeling van aardgas voor de jaren 1999, 2000 en 2001.
Voor 2002 dient de regeling opnieuw bij de Commissie te worden aangemeld.
Inhoud van de regeling is dat het nihiltarief voor 1999 nog wordt gehandhaafd,
maar dat de glastuinbouw voor de jaren 2000 en 2001 in de heffing wordt betrokken
op een wijze die is gebaseerd op een vergelijking van de glastuinbouwsector
met andere energie-intensieve bedrijven. Ter toelichting merken wij het volgende
op. Het aandeel van de energiekosten in de kostprijs van de glastuinbouwbedrijven
in Nederland ligt tussen de 10 en 20%. Dit energieverbruik is vergeleken met
dat van 180 anderssoortige maar eveneens energie-intensieve bedrijven waarvan
het aandeel van de energiekosten in de kostprijs tussen de 7 en 20% ligt.
Gezamenlijk verbruiken deze 180 bedrijven 1130 PJ per jaar. Dat is gemiddeld
6,3 PJ per bedrijf. Wordt dit gemiddeld gebruik toegepast op de glastuinbouw,
die in totaal 142,4 PJ per jaar verbruikt, dan komt dat overeen met 23 fictieve
glastuinbouwbedrijven. Deze bedrijven zouden dan volgens het dan geldende
schijventarief in 2000 ca 0,75 mln en in 2001 ca 0,92 mln aan regulerende
energiebelasting verschuldigd zijn. Uitgaande van deze opbrengst door de gehele
glastuinbouw bij het genoemde verbruik is vervolgens het nu voorgestelde «glastuinbouwtarief»
berekend. Bij de berekening van de tarieven voor aardgas voor de verschillende
schijven is uitgegaan van een zelfde verhouding als tussen de tarieven die
gelden volgens het gewone schijventarief. In mathematische zin komt het «glastuinbouwtarief»
daarmee in de drie schijven steeds uit op 0,38% van het gewone schijventarief.
Aangezien ook voor bepaalde minerale oliën die door de glastuinbouw
worden gebruikt als geen aardgasaansluiting aanwezig is een nihiltarief geldt,
wordt in dit wetsvoorstel ook voorzien in een «glastuinbouwtarief»
voor die gevallen. Dat tarief is berekend door het hiervoor genoemde percentage
van 0,38 toe te passen op het gewone tarief dat voor die minerale oliën
geldt.
De aldus berekende tarieven voor aardgas en minerale oliën voor 2000
zijn in dit wetsvoorstel opgenomen. De – door de Europese Commissie
al goedgekeurde – tariefwijziging voor 2001 zal onderdeel uitmaken van
de tariefwijzigingen van de regulerende energiebelasting zoals die, als uitvloeisel
van de derde tranche vergroening en verschuiving, zullen worden opgenomen
in het Belastingplan 2001.
Terugwerkende kracht
In het wetsvoorstel is voorzien in terugwerkende kracht tot en met 1 januari
2000. Deze terugwerkende kracht is onvermijdelijk aangezien de Europese Commissie
slechts tot die datum goedkeuring heeft verleend aan het hanteren van het
nihiltarief.
Met de energiebedrijven, die bij inwerkingtreding van deze wet in de loop
van 2000 belasting verschuldigd zijn over het vanaf 1 januari 2000 geleverde
aardgas aan de glastuinbouwbedrijven, en met de glastuinbouwsector, die deze
belasting doorberekend krijgt van de energiebedrijven, is overleg gevoerd
over deze wijziging met terugwerkende kracht. In dat overleg is overeenstemming
bereikt over de te volgen handelwijze ter zake. De energiebedrijven zullen,
met instemming van de glastuinbouwsector (Productschap Tuinbouw en LTO-Nederland),
vooruitlopend op de te verwachten wetswijziging vanaf 1 januari 2000
alvast het in te voeren tarief «doorberekenen» aan de afnemers
en vervolgens ook reeds dat bedrag, te zamen met de overigens verschuldigde
regulerende energiebelasting, aan de Belastingdienst op aangifte voldoen.
Op deze wijze wordt voorkomen dat na inwerkingtreding van de wet alsnog over
de reeds verstreken periode in 2000 belasting moet worden (door)berekend over
de geleverde hoeveelheden aardgas aan de glastuinbouwbedrijven.
Met betrekking tot het geldende nihiltarief voor door de glastuinbouw
gebruikte minerale oliën is de huidige situatie zo dat het volledige
bedrag aan regulerende energiebelasting – samen met en op dezelfde manier
als de accijns – bij uitslag verschuldigd wordt en bij doorlevering
aan in casu glastuinbouwbedrijven ook onderdeel uitmaakt van de kostprijs.
Om het wettelijke nihiltarief te kunnen effectueren kunnen de glastuinbouwbedrijven
na afloop van elk kwartaal een verzoek om teruggaaf van de in de kostprijs
doorberekende regulerende energiebelasting doen. Afgesproken is met de glastuinbouwbedrijven
dat zulke verzoeken om teruggaaf over het eerste kwartaal van 2000, indien
de wet dan nog niet in werking is getreden, met inachtneming van de na inwerkingtreding
van de wet geldende regels zullen worden afgedaan. In concreto houdt dat in
dat alsdan het verschil tussen het gewone en het «glastuinbouwtarief»
op verzoek wordt teruggegeven.
Artikelsgewijze toelichting
Artikel I
In onderdeel A is de wijziging opgenomen ingevolge welke voor halfzware
olie, gasolie en vloeibaar gemaakt petroleumgas als bedoeld in post a 32 van
de bij de Wet op de omzetbelasting 1968 behorende Tabel I het van het gewone
tarief afwijkende tarief wordt geïntroduceerd ter vervanging van het
nihiltarief.
Onderdeel B bevat de overeenkomstige wijziging voor het tarief voor aardgas
als bedoeld in post a 32 van de bij de Wet op de omzetbelasting 1968 behorende
Tabel I.
De tarieven zoals opgenomen in zowel onderdeel A als onderdeel B zijn
berekend door de verschillende gewone tarieven te vermenigvuldigen met 0,38.
De wijziging in onderdeel C strekt ertoe om de aanpassing van het tarief
voor aardgas in gevallen waarin de bovenste verbrandingswaarde afwijkt van
de waarde van 35,17 megajoule per m3, eveneens van toepassing te
doen zijn op het tarief dat thans wordt geïntroduceerd.
De Staatssecretaris van Financiën,
W. A. F. G. Vermeend
De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
L. J. Brinkhorst