Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2003-200426956 nr. 17

26 956
Beleidsnota Rampenbestrijding 2000–2004

nr. 17
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 18 oktober 2003

Inleiding

Op 20 december 2002 heeft de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties u het rapport van de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid (IOOV) over de gemeentelijke actieprogramma's brandveiligheid (Niet-dossierstuk 2002–2003, bzk0300004) doen toekomen. Dit rapport is een uitvloeisel van het kabinetsstandpunt Nieuwjaarsbrand Volendam (actiepunt 14). Bij de aanbieding van het rapport heeft hij aangegeven dat eerst de direct betrokkenen om hun visie zouden worden gevraagd voordat met een definitief oordeel zou worden gekomen. Inmiddels zijn de reacties van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Inter Provinciaal Overleg (IPO) en de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR) ontvangen.

Opbouw van deze brief

Als eerste geef ik aan waarom er vanaf wordt gezien om, zoals eerder aangekondigd, in de reactie het IOOV-rapport in samenhang met de rapportage van het Inspectoraat-generaal Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM-inspectie) te behandelen.

Vervolgens worden het onderzoek en bevindingen van de IOOV kort weergegeven. Om de context en betekenis van de bevindingen te verhelderen, wordt daaraan voorafgaand het instrument gebruiksvergunning in het wettelijke kader verklaard.

Voordat ik met mijn beleidsreactie kom, worden de reacties van VNG, IPO en NVBR weergegeven.

VROM-inspectie

In zijn boven vermelde brief meldde de staatssecretaris u dat hij het IOOV-rapport ziet als een nuttige aanvulling op de uitkomsten van de onderzoeken van de VROM-inspectie waar in beeld is gebracht of gemeenten de bouwregelgeving, waarop de gebruiksvergunning is gebaseerd, juist uitvoeren. Oorspronkelijk zouden in de uiteindelijke reactie de rapporten van de IOOV en van de VROM-inspectie in samenhang worden behandeld.

Het VROM-inspectie voert jaarlijks onderzoek uit naar de wijze waarop en de mate waarin gemeenten hun handhavingstaak op het gebied van de bouwregelgeving uitvoeren. Dit rapport is aan u aangeboden op 22 mei jl. De nadruk bij VROM-inspectie ligt op de juiste uitvoering van de desbetreffende regelgeving. Aan de Kamer is toegezegd dat voor 2004 alle gemeenten zullen zijn geïnspecteerd. Volgens planning zijn in 2002 150 gemeenten geïnspecteerd en in 2003 zullen nog eens 142 gemeenten volgen. Om dubbele inspectiebelasting voor de onderzochte gemeenten te voorkomen, is afgesproken, dat de gemeenten die de VROM-inspectie in 2002 zou onderzoeken, geen onderdeel zouden vormen van de steekproef van IOOV. De onderzoeken van de IOOV en de VROM-inspectie hebben ook een andere invalshoek. De IOOV heeft zich meer op de beleidsmatige organisatie van de verlening van de gebruiksvergunningen gericht en de wijze waarop gemeenten de achterstanden willen inlopen. De VROM-inspectie richt zich meer op de kwaliteit van de vergunningverlening en de handhaving. Hierdoor kunnen er uit beide onderzoeken verschillende beelden ontstaan.

Een van de onderwerpen van het VROM-onderzoek is het verlenen en handhaven van gebruiksvergunningen. Op dit onderdeel worden de kwaliteit van de aanvraag en melding in verband met de volledigheid, de deskundige advisering over de aanvragen, het verbinden van voorwaarden aan de gebruiksvergunning en de procedurele aspecten getoetst en beoordeeld. Het complete rapport van de VROM-inspectie bestrijkt echter een veel breder terrein dan alleen de verlening van gebruiksvergunningen. Het IOOV-rapport behandelt exclusief de gebruiksvergunningen. Hoewel er een groot verband bestaat tussen beide rapportages en de samenhang tussen beide in de reactie aandacht vraagt en krijgt, is er vanwege eerder genoemde argumenten van afgezien beide rapportages gebundeld aan te bieden.

Context

Achtergrond gebruiksvergunningenstelsel

Het stelsel van gebruiksvergunningen bestaat al sinds 1974, aanvankelijk via de Brandweerwet en sinds 1991 is het stelsel van gebruiksvergunningen in de Woningwet opgenomen. In artikel 8 van de Woningwet 1991 is bepaald dat de gemeenteraad een bouwverordening vaststelt, die voorschriften bevat over het gebruik van woningen, andere gebouwen, etc., waaronder in elk geval voorschriften begrepen zijn met betrekking tot de brandveiligheid. De VNG heeft een modelbouwverordening (MBV) opgesteld die door de gemeenten als basis wordt gebruikt voor de eigen bouwverordening. Gemeenten bepalen zelf in welke mate de MBV wordt overgenomen. Volgens de MBV dient vóór het in gebruik nemen een gebruiksvergunning te zijn verleend voor bouwwerken waar meer dan 50 personen tegelijk aanwezig kunnen zijn, aan kinderen of gehandicapten dagverblijf wordt verschaft, brandgevaarlijke stoffen opgeslagen kunnen worden, bedrijfsmatig woonverblijf wordt verschaft, of bedrijfsmatig, of in het kader van verzorging, nachtverblijf wordt verschaft. Op grond daarvan is het totale aantal vergunningplichtige gebouwen becijferd op ca. 180 000. De gebruiksvergunning moet tevens opnieuw worden aangevraagd als een bouwwerk is gewijzigd, of als het gebruik van het bouwwerk verandert, of de bestaande vergunning om andere redenen moet worden geactualiseerd.

Inhoud en betekenis gebruiksvergunning

Gemeenten kunnen aan de gebruiksvergunning beperkende voorwaarden verbinden om in samenhang met de bouwtechnische voorschriften in het Bouwbesluit het voor een specifiek gebruik vereist niveau van brandveiligheid te realiseren. Indien het niet mogelijk is om door middel van het stellen van gebruiksvoorwaarden het niveau te halen dat aansluit bij het door de aanvrager beoogde gebruik, zal de gemeente de vergunning moeten weigeren. Aan een gebruiksvergunning mogen geen bouwkundige voorwaarden worden verbonden. Gemeenten dienen daarnaast in elk geval het bouwtechnische brandveiligheidniveau voor bestaande bouw als bedoeld in het Bouwbesluit te handhaven. Wanneer gebouwen onder dit niveau komen, kan de gemeente aanschrijven tot het treffen van voorzieningen of uiteindelijk bestuursdwang toepassen. Vooral voor bestaande gebouwen kan het gewenst zijn het bouwkundige veiligheidsniveau op te hogen. In bijzondere gevallen kunnen gemeenten aanschrijven tot het treffen van voorzieningen die uitgaan boven het niveau bestaande bouw tot maximaal het niveau nieuwbouw. In deze gevallen geldt per geval wel een zware motiveringsplicht.

Het uiteindelijke veiligheidsniveau is het resultaat van in samenhang toegepaste bouw- en gebruiksvoorschriften. Daarom is het van belang dat gemeenten op dit punt een actief en zeer bewust beleid voeren.

Onderzoek en bevindingen IOOV

Onderzoeksvraag

Het inspectierapport biedt inzicht in de relatieve prestaties van gemeenten bij het invulling geven aan en uitvoeren van de (eigen) gemeentelijke actieprogramma's brandveiligheid. De onderzoeksopdracht luidde: «beoordeel de kwaliteit van de gemeentelijke actieprogramma's brandveiligheid en geef een kwantitatief overzicht van de implementatie ervan. Betrek bij het onderzoek het toezicht dat de provincies uitoefenen op de daadwerkelijke invulling van de gemeentelijke actieprogramma's brandveiligheid.»

Bevindingen IOOV

De IOOV komt met de volgende bevindingen. De bestuurlijke aandacht voor brandveiligheid in het algemeen en het instrument van de gebruiksvergunning in het bijzonder is na de cafébrand in Volendam aanmerkelijk toegenomen.

Een beleid met betrekking tot de inhaalslag is in gang gezet. De achterstanden bij de verstrekking van gebruiksvergunningen worden langzaam maar zeker ingelopen.

De meerderheid van de gemeenten heeft een ontwikkeling doorgemaakt naar een meer structurele aanpak van het stelsel van gebruiksvergunningen.

Tussen gemeenten onderling is sprake van een verschil in bewustzijn ten aanzien van de onderliggende problematiek en van ambitieniveau.

Conclusies IOOV

De IOOV concludeert dat het overgrote deel van de gemeenten systematisch bezig is de achterstanden op het gebied van het verstrekken van gebruiksvergunningen weg te werken en ziet dat als een positieve ontwikkeling. De achterstanden op het gebied van het verlenen van gebruiksvergunningen zijn desalniettemin erg groot. Op 1 januari 2002 was slechts 29% van de gebouwen die daarvoor op grond van gemeentelijke ambities in aanmerking komen, voorzien van een gebruiksvergunning. De restopgave bedraagt dan nog ongeveer 127 600 vergunningen. Volgens berekening van de IOOV bedraagt de termijn om de achterstanden in het verstrekken van gebruiksvergunningen weg te werken dertien jaar, terwijl de gemeenten zelf zeggen daar drieëneenhalf jaar voor nodig te hebben.

Niet alleen het inhalen van de achterstanden bij het verlenen van gebruiksvergunningen, maar ook de periodieke controles op het gebruik en handhaving blijven achter bij de door de gemeenten gemaakte planningen. Vaak wordt hiervoor een tekort aan geschoold en ervaren brandpreventiepersoneel als oorzaak genoemd.

Grotere gemeenten scoren beter op de drie onderzochte onderwerpen (inhaalslag, structurele beleid en uitvoering gebruiksvergunningen) dan kleinere. De grotere gemeenten, zo meent de IOOV, zijn blijkbaar beter in staat om het stelsel van gebruiksvergunningen te organiseren. De IOOV neemt een toenemende bereidheid bij gemeenten waar om het gemeentelijke brandveiligheidsbeleid in regionaal verband af te stemmen, bindend vast te leggen en ook de uitvoering regionaal te organiseren.

Het door de staatssecretaris gevraagde toezicht van de provincies op de gemeenten voor wat betreft het daadwerkelijk invulling geven aan het actieprogramma brandveiligheid, heeft zich tot dusverre beperkt tot het verzamelen van informatie, zo constateert de IOOV. Enerzijds omdat de provincies op formele gronden niet goed uit de voeten konden met het verzoek. De toezichtrelatie op het gebied van brandveiligheid is namelijk nog niet volledig uitgekristalliseerd (zie ook de reactie van het IPO). Anderzijds is bij de provincies vaak niet de inhoudelijke kennis aanwezig om te oordelen over brandveiligheidsaangelegenheden.

Reacties VNG, IPO en NVBR

In zijn aanbiedingsbrief sprak de staatssecretaris zijn zorg uit over het grote verschil tussen gemeentelijke ambities en geleverde prestaties én over het vermogen van gemeenten om ambities en prestaties op korte termijn beter op elkaar aan te laten sluiten. Aan de aangeschreven organisaties is in het bijzonder gevraagd te reageren op de verwachting van de onderzoekers dat het in dit tempo dertien jaar zal duren voordat alle gebruiksvergunningen zijn verstrekt, terwijl de eigen inschatting van de gemeenten van een aanzienlijk kortere termijn uitgaat.

VNG

De VNG waardeert de constructieve wijze waarop invulling wordt gegeven aan het stimulerend toezicht van de IOOV, omdat inzicht wordt gegeven aan de gemeenten over de eigen prestaties in relatie tot die van andere gemeenten. Wel meent de VNG dat de wijze van rapporteren de doelstelling van het rapport, het stimuleren van gemeenten, op diverse punten ondermijnt. Vooral de in de ogen van de VNG niet geringe plaats die het provinciale toezicht in het rapport van de Inspectie krijgt, geeft de bevindingen het karakter van een monitor, gericht op afrekening van de gemeentelijke inspanningen.

De VNG herkent zich in het beeld dat het handhavingsbeleid van de brandveiligheid goed is opgepakt en ziet een toename van de bestuurlijke aandacht daarvoor. De VNG spreekt van een inhaalslag die echter wordt gehinderd door een tekort aan capaciteit. Weliswaar zijn door alle betrokken partijen initiatieven ontplooid om de werving van personeel te bevorderen, maar de effecten zijn nog niet in alle gevallen merkbaar. Ook brengt de VNG de toenemende regionale samenwerking op dit terrein onder de aandacht.

De VNG ondersteunt haar leden bij de uitvoering van hun taken op het terrein van brandveiligheid. Genoemd worden het Steunpunt Handhaving en het programma Slagen voor Veiligheid, die in samenwerking met onder andere het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn opgezet. De gemeenten, aldus de VNG, zijn bezig met de noodzakelijke inhaalslag en de genomen maatregelen zullen enige tijd nodig hebben om het gewenste effect te brengen.

IPO

Het IPO vindt dat het onderzoek een goed beeld geeft van de inspanningen en de inhaalslag van de gemeenten. Het is in hun ogen evident dat nog een grote inspanning geleverd dient te worden. Het is voor het IPO niet duidelijk waarop het toezicht is gebaseerd dat de provincies hadden moeten uitoefenen op de gemeentelijke actieprogramma's. Wel spreekt het IPO zijn bereidheid uit om in gezamenlijkheid met de VNG te onderzoeken hoe de provincies een rol kunnen spelen in de monitoring, stimulering en ook het toezicht op de (brand)veiligheid bij gemeenten.

NVBR

Ook de NVBR herkent het door de IOOV geschetste beeld van een grote inzet en betrokkenheid van gemeenten op het gebied van het brandveiligheidtoezicht. De gemeenten zijn, aldus de NVBR, duidelijk op de goede weg. De NVBR meent wel dat, gezien de peildatum van 1 januari 2002, de achterstanden inmiddels zijn verkleind. De NVBR schat dat met de inzichten van thans de achterstanden in vijf jaar zullen zijn weggewerkt in plaats van de eerder geschatte drieëneenhalf jaar. Een reden voor de iets langere termijn is de noodzakelijke inhaalslag om de capaciteit op peil te brengen. Ook ziet de NVBR de huidige lokale wijze van organisatie van preventietaken mede als een probleem. De NVBR wil een kwaliteitsslag op het gebied van preventie. Gelet op de omvang van het takenpakket en de beperkte omvang van gemeentelijke afdelingen preventie pleit de NVBR er daarom voor om onderdelen van preventie op bovenlokaal niveau te organiseren.

Beleidsreactie

Tevredenheid en zorg

In de brief van 20 december jl. is al geconstateerd dat de gemeenten de kwantitatieve achterstand met grote betrokkenheid en inzet te lijf gaan en daarmee op de goede weg zijn. Dit beeld wordt door alle hierboven genoemde organisaties bevestigd. De toenemende bereidheid van gemeenten om in regionaal verband gestalte te geven aan het brandveiligheidsbeleid acht ik een bemoedigend teken. De komst van het regionale beheersplan voor rampenbeheersing zal dit proces in mijn ogen alleen maar stimuleren.

Toch is mijn zorg over het tempo waarin de vergunningen zullen worden afgegeven en gehandhaafd op basis van de onderzoeksresultaten niet weggenomen. Uit de reacties en aanvullingen van de VNG en van de NVBR maak ik op dat de oorspronkelijk genoemde termijn van drieëneenhalf jaar niet haalbaar is, maar wel dat er bij de aangeschreven organisaties een gematigd optimisme bestaat dat op de middellange termijn de doelstelling op het gebied van de vergunningverlening wordt gehaald. De NVBR noemt een termijn van vijf jaar. Beslissend hierbij is volgens de binnengekomen reacties de beschikbaarheid van voldoende, goed opgeleid personeel dat de gebruiksvergunningen kan afgeven en handhaven. Bij het waarmaken van deze bijgestelde ambitie is een adequate prioritering door gemeenten van groot belang. Het is immers niet acceptabel dat gebouwen met een relatief hoog brandveiligheidsrisico (ik denk daarbij aan bijvoorbeeld gebouwen met een gezondheidszorgfunctie, kamerverhuur, discotheken en café's) nog langer dan de oorspronkelijk genoemde termijn van drieëneenhalf jaar verstoken blijven van de gebruiksvergunning.

Wat bijdraagt aan mijn zorg, is het feit dat uit de resultaten van de onderzoeken van de VROM-inspectie naar voren komt dat gemeenten de ambities ten aanzien van de kwaliteit van de verleende gebruiksvergunning en van de handhaving, nog niet kunnen waarmaken.

Maatregelen

Ik heb me ingespannen voor en een bijdrage geleverd aan de werving van preventiepersoneel. De verantwoordelijkheid voor het organiseren van de benodigde capaciteit berust echter bij gemeenten zelf – al dan niet in regionaal verband. De kosten voor vergunningverlening kunnen grotendeels worden bestreden door middel van leges die moet worden voldaan bij het aanvragen van de vergunning. Voor controle en handhaving moet echter worden geput uit de reguliere middelen. Inmiddels worden in het kader van de handhaving door de diverse partijen initiatieven ontwikkeld om het handhavinginstrumentarium van gemeenten te verbeteren. Zo zijn op dit moment onder meer de bestuurlijke boete en de mogelijkheid van een gebruiksvergunning voor bepaalde tijd en vormen van certificering onderwerp van gesprek en verkenning. Deze initiatieven kunnen mede een oplossing bieden voor de in het rapport geconstateerde knelpunten.

Daarnaast is in het kader van het Project Versterking Pro-actie en Preventie de uitbreiding van de capaciteit en deskundigheid bij de regionale brandweerkorpsen op het gebied van pro-actie en preventie gestimuleerd (dit project is een gevolg van het actiepunt 34 Vuurwerkramp Enschede). Het project heeft inmiddels resultaten geboekt. In februari 2003 is de eerste groep van circa 25 kandidaten aan de opleiding tot Veiligheidsmanager begonnen. Er zijn flankerend beleid en instrumenten ontwikkeld. Begin september 2003 is het BrandweerKennisNet als pilot van gestart, een landelijk toegankelijk kennisnet voor informatieverspreiding over pro-actie en preventie. Samen met de NVBR en de VNG heeft BZK de Kwaliteitshandreiking Pro-actie en Preventie ontwikkeld waarin alle taken met betrekking tot pro-actie(ve preventie), preventie, controle en handhaving zijn opgenomen. De handreiking is te gebruiken bij de ontwikkeling van beleid, het bepalen van de gewenste kwaliteit en de daarbij behorende capaciteit.

Bij het ministerie van VROM loopt een project om de samenwerking tussen gemeenten op het terrein van bouw- en woningtoezicht (vergunningverlening en handhaving) te bevorderen. Dit kan gemeenten helpen om eventuele belemmeringen voor het versneld inlopen van achterstanden weg te werken.

De gemeenten (kunnen) verschillen in hun ambitieniveau, schreef de staatssecretaris u in december 2002. Wanneer samenwerking in regionaal verband wordt gezocht, waartoe de noodzaak en de wil breed wordt gevoeld, zal dit soort verschillen naar alle waarschijnlijkheid gaan afnemen. In alle gevallen lijkt het raadzaam om een gerichte aanpak te volgen. Al naar gelang de samenstelling van de aan de vergunning onderhevige bebouwing, is het verstandig om de energie eerst te richten op die objecten die lokaal of regionaal als het meest risicovol worden beschouwd. Die gerichtheid kan logischerwijs per gebied verschillen. Als gevolg van de cafébrand in Volendam is recent veel aandacht gegaan naar horecabedrijven, zoals in het verleden als gevolg van de brand in pension De Vogel in Den Haag veel energie werd gericht op pensions. De gemeenten (en regio's) doen er verstandig aan om prioriteiten te stellen en die prioriteitstelling bestuurlijk vast te stellen. Dit mede in het licht van de verwachting van de NVBR dat het proces van verlening van gebruiksvergunningen een tijdspanne van circa vijf jaar gaat bedragen. De VROM-inspectie maakt naar aanleiding van haar inspecties verbeterafspraken met de individuele gemeenten, die ook de inhaalslag voor het verlenen van gebruiksvergunningen betreffen. Er wordt bij die afspraken naar gestreefd om – gelet op de veiligheidsrisico's – de termijn van de inhaalslag zo kort mogelijk te houden.

Het IPO adviseert om in gezamenlijkheid met de VNG te onderzoeken hoe de provincies een rol kunnen spelen in de monitoring, stimulering en ook het toezicht op de (brand)veiligheid bij gemeenten. Ik zal in overleg treden met het IPO en de VNG over de vraag hoe hier gestalte aan te geven.

Handhaving

De handhaving blijft in de cijfers achter, constateert ook de IOOV. In iets meer dan een derde van de gemeenten is een bestuurlijk vastgestelde strategie voorhanden waarin is bepaald wanneer en hoe na controle handhavend wordt opgetreden. Veel gemeenten zijn (nog) bezig om het gedoogbeleid om te buigen naar een meer stringente handhaving. Ik besef dat een in jaren gegroeide praktijk niet onmiddellijk is om te buigen, maar in mijn ogen is dit een zorgpunt.

De kwaliteit is uitgedrukt in een waardering van het beleid inzake de inhaalslag bij het verlenen van én de structurele aanpak van gebruiksvergunningen. De inhaalslag (83% matig of beter) wordt aanmerkelijk positiever gewaardeerd dan de structurele aanpak (55% matig of beter). Veel energie gaat blijkbaar thans zitten in het dichten van de geconstateerde gaten en nog te weinig in een structurele aanpak. Het eerder gememoreerde tekort aan deskundig personeel kan daarvoor een reden zijn.

Het afgeven en handhaven van gebruiksvergunningen is een arbeidsintensief proces waarvan de resultaten niet direct afleesbaar zijn. Dit bergt het risico in zich dat op het moment, dat de aandacht van gemeenten en hun instellingen op andere zaken wordt gericht, de inspanningen kunnen afnemen. Daarom zal ik in 2004 door middel van een representatieve, kwantitatieve steekproef beproeven of het geuite optimisme bij de respondenten over de voortgang gegrond is. Dan kan in overeenstemming met mijn collega van VROM worden vastgesteld of aanvullend instrumentarium noodzakelijk is. Tevens kunnen deze inzichten dienen als input voor de nieuwe Bouwwet, die voor 2006 is voorzien.

In dit kader is van belang dat bij het Ministerie van VROM op dit moment een voorstel tot wijziging van de Woningwet in voorbereiding is, waarvan de invoering voor medio 2004 is voorzien. In dit voorstel is onder andere een element opgenomen dat van invloed kan zijn op een verbeterde uitvoering van de gemeentelijke taken rond de gebruiksvergunning. Gemeenten worden in dat voorstel verplicht een handhavingplan op te stellen. In dit plan zal ook aandacht gegeven moeten worden aan de verlening en handhaving van gebruiksvergunningen. Tevens zal volgens het ontwerp het college van burgemeester en wethouders jaarlijks verantwoording aan de gemeenteraad af moeten leggen over de uitvoering van het plan.

Toezicht provincies

Het huidige toezicht door de provincie bestaat uit bepaalde aspecten van de voorbereiding van de rampenbestrijding door de gemeenten, met name het rampenplan en de rampbestrijdingsplannen. Het provinciale toezicht op brandveiligheid wordt in de huidige wet niet met naam en toenaam vermeld. Brandveiligheidsbeleid is een autonome gemeentelijke bevoegdheid. De constatering van de IOOV dat het provinciale toezicht nog niet is uitgekristalliseerd, slaat hierop terug. Ten tijde van het onderzoek van de IOOV was de discussie over het toezicht van de provincie, dat nader is uitgewerkt in de ontwerpwet kwaliteitsbevordering rampenbestrijding, immers nog gaande. Dat laat onverlet dat door het vragen om (aanvullende) informatie en door het gesprek aan te gaan met de gemeenten over alle aspecten met betrekking tot de fysieke veiligheid de provincies een stimulerende rol op dit terrein hebben kunnen spelen. De IOOV noemt als voorbeeld de provincie Utrecht die direct na de Nieuwjaarsbrand in Volendam actie heeft ondernomen en de komst van een regionale pool van medewerkers brandveiligheid heeft bewerkstelligd.

In het Wetsvoorstel kwaliteitsbevordering rampenbestrijding (Kamerstukken II, 2002–2003, 28 644, nr. 3) is het voornemen opgenomen om het toezicht door de provincies te versterken. Dit heeft niet specifiek betrekking gehad op de brandveiligheid. Het regionale beheersplan zal door de provincie worden getoetst. Het beheersplan dient er toe om de multidisciplinaire samenwerking tussen brandweer, politie en geneeskundige hulpverleningsdiensten en de afstemming met andere gemeentelijke diensten te verbeteren. Ook dient het beheersplan de onderlinge afstemming van de schakels van de veiligheidsketen te bevorderen. Daarbij wordt met name gedacht aan de afstemming met het beleid in het kader van het voorkomen en beperken van rampen (pro-actie en preventie). Brandveiligheid is daar een onderdeel van.

Tenslotte

Alles overziende, ben ik op basis van de mij thans beschikbare gegevens positief en tegelijkertijd kritisch en bezorgd over de kwantitatieve vooruitgang die gemeenten hebben geboekt bij het verlenen van gebruiksvergunningen. Het zal echter nog geruime tijd duren voor alle achterstanden bij de vergunningverlening zijn weggewerkt. Een zorgpunt, blijkt ook uit de jaarrapportage 2002 van de VROM-inspectie, blijft de handhaving van de verleende gebruiksvergunningen. Er zal in toenemende mate energie moeten worden gestopt in de controle op en de handhaving van de verleende gebruiksvergunningen.

Ik zal u in 2004 rapporteren over de dan gemaakte vorderingen en dan kunnen in overeenstemming met mijn collega van VROM uitspraken worden gedaan over eventuele aanvullende maatregelen, naast de maatregelen die al in gang zijn gezet.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J. W. Remkes