nr. 11
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 19 september 2000
Op 14 september jl. heeft de Tweede Kamer de motie inzake Irak (kamerstuk
26 949, nr. 9) van de leden Koenders en Hoekema aanvaard. De motie stelt
«dat het huidige beleid in onvoldoende mate heeft geleid tot de gewenste
resultaten en dat in Irak sprake is van een ernstige humanitaire situatie».
In de motie wordt de regering verzocht «met het oog op discussies
in de Veiligheidsraad en waar mogelijk met andere landen plannen te ontwikkelen
voor ontwerp en uitvoering van intelligente sancties die de machthebbers harder
en rechtstreekser raken onder gelijktijdige uitbreiding van het olie-voor-voedsel-programma
middels bijvoorbeeld de instelling van een effectief en gecontroleerd investeringsfonds
van waaruit de opbouw van de infrastructuur in Irak kan worden gefinancierd».
Ik heb deze motie bij haar indiening ontraden om redenen die nog steeds
onverminderd geldig zijn en die voor de regering de overweging vormen om de
motie niet te kunnen uitvoeren.
Ik ben ervan overtuigd dat de motie is geïnspireerd door de wens
de noden van de Iraakse bevolking te verlichten. Die intentie deelt de regering.
Nederland heeft dan ook als lid van de Veiligheidsraad en als Voorzitter
van het Sanctiecomité bij voortduring alles in het werk gesteld om
de uitvoering van het «Olie-voor-Voedsel»-programma te verbeteren.
Deze inspanningen hebben positieve resultaten opgeleverd, zo blijkt ook uit
diverse rapportages van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties. Nederland
zal zich binnen het kader van het «Olie-voor-Voedsel»-programma
met onverminderde kracht blijven inzetten voor verbeterde levensomstandigheden
van het Iraakse volk.
Zoals ik tijdens het debat met uw Kamer heb benadrukt, is het doel van
de sancties te voorkomen dat Irak financieel de gelegenheid krijgt zijn arsenaal
aan biologische, chemische of nucleaire wapens weer op te bouwen en
zo opnieuw een gevaar te vormen voor de regio. Daarin is de internationale
gemeenschap tot nu toe geslaagd. Immers, de gelden die Irak genereert uit
de export van olie worden gestort op een door de VN gecontroleerde rekening.
In die zin is het sanctieregime wel degelijk effectief. Ik stel in dit
verband vast dat uw Kamer heeft ingestemd met het terzake voorliggend wetsontwerp.
Dit laat onverlet dat, zoals door vrijwel alle woordvoerders in uw Kamer
terecht werd opgemerkt, effectieve wapeninspecties de beste garantie zijn
tegen hernieuwde bewapening van Irak. Alle leden van de Veiligheidsraad onderschrijven
de noodzaak van wapeninspecties en het is daarom dat Veiligheidsraadresolutie
1284 Irak opschorting van de sancties aanbiedt in ruil voor medewerking bij
wapeninspecties. Zoals u bekend, verwerpt het Iraakse regime tot op heden
ook deze handreiking.
Ontwikkeling van «intelligente sancties»
Als ik de Tweede Kamer goed heb beluisterd, ondersteunen alle fracties
het doel van het sanctieregime, namelijk het voorkomen dat Irak zich weer
gaat toeleggen op de opbouw van zijn arsenaal aan massavernietigingswapens.
Alternatieven voor het huidige sanctieregime zullen, zolang Irak niet
aan inspecties meewerkt, tenminste op dat punt doeltreffend moeten zijn. Vooralsnog
zijn dergelijke alternatieven niet in zicht.
Hieruit mag niet worden geconcludeerd dat de regering de discussie inzake
«intelligente sancties» uit de weg zou gaan. Integendeel. Een
bewijs voor het belang dat de regering hieraan hecht vormt de VR-werkgroep
Sancties die mede op Nederlands initiatief is opgericht. Deze werkgroep die
onder leiding staat van de Permanente Vertegenwoordiger van Bangladesh, Chowdhury,
buigt zich momenteel over de algemene problematiek van sancties en hun effecten.
Speciale aandacht zal hierbij uitgaan naar de sancties met betrekking tot
Irak.
Deze werkgroep, waarin naast alle Veiligheidsraadleden ook onafhankelijke
deskundigen zitting hebben, zal eind november verslag uitbrengen aan de Veiligheidsraad.
Aan de door de motie Koenders/Hoekema gevraagde discussie over de ontwikkeling
en uitvoering van «intelligente sancties» wordt op deze wijze
dus reeds inhoud gegeven. Aan een discussie parallel daaraan bestaat geen
behoefte.
Bevordering van een investeringsfonds
Uitbreiding van het «Olie-voor-Voedsel»-programma door middel
van de instelling van een investeringsfonds is een interessante gedachte.
Gevreesd moet echter worden dat dit idee in de praktijk op onoverkomelijke
bezwaren stuit.
In 1996 werd het «Olie-voor-Voedsel»-programma ingesteld onder
de uitdrukkelijke voorwaarde dat niet getornd zou worden aan de Iraakse soevereiniteit.
Derhalve werd vastgelegd dat Irak verantwoordelijk zou zijn voor de opstelling
van het distributieplan (waarin het Iraakse regime aangeeft welke contracten
het in welke sectoren wil afsluiten) en de interne distributie van humanitaire
goederen.
Het Iraakse regime zal niet willen meewerken aan de instelling van een
investeringsfonds dat onder strikte controle staat van de VN met het argument
dat dit inbreuk maakt op haar soevereiniteit.
Overigens heeft Irak onder het huidige «Olie-voor-Voedsel»-programma
reeds de mogelijkheid om contracten af te sluiten ten behoeve van de wederopbouw
van de infrastructuur.
Conclusie
De aan de motie klevende suggestie als zou het huidige systeem van sancties
de oorzaak zijn van de zorgwekkende humanitaire situatie in Irak is onjuist
en doet onrecht aan de humanitaire maatregelen die de Veiligheidsraad, met
name door de aanvaarding van Resolutie 1284, heeft getroffen teneinde het
lot van de Iraakse bevolking te verbeteren. De motie gaat voorbij aan de tegenwerking
door het Iraakse regime van het «Olie-voor-Voedsel»-programma.
In het rapport van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties (S/2000/857,
d.d. 8 september jl.) worden daarvan sprekende voorbeelden gegeven. Zo weigert
Irak in te stemmen met de instelling van een «cash component»
en weigert het medewerking te verlenen aan een groep van onafhankelijke experts,
die op basis van een studie in Irak met aanbevelingen zou moeten komen ter
verbetering van de humanitaire situatie.
Mijn Franse ambtgenoot Védrine verklaarde na diens recente ontmoeting
met de Iraakse vice-premier Tariq Aziz dat Irak geen andere keuze heeft dan
volledige uitvoering van Veiligheidsraadresolutie 1284.
Met de andere leden van de Veiligheidsraad blijft de regering van mening
dat Resolutie 1284 het enige internationaal aanvaarde raamwerk biedt waarbinnen
naar een oplossing voor het Irak-probleem moet worden gezocht. Nieuwe initiatieven
als voorgesteld in de motie Koenders/Hoekema leiden de aandacht af van het
werkelijke probleem.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
J. J. van Aartsen