Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal1999-200026941 nr. 4

26 941
Wijziging van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, de Wet op de loonbelasting 1964, de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de Coördinatiewet Sociale Verzekeringen (maatregelen aangaande het loon 2000)

nr. 4
VERSLAG

Vastgesteld 28 februari 2000

De vaste commissie voor Financiën1, belast met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de regering de vragen en opmerkingen in dit verslag tijdig en afdoende zal beantwoorden, acht de commissie hiermee de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

1. Algemeen

De leden van de fracties van de PvdA, de VVD, D66, GroenLinks en de SGP hebben met belangstelling kennis genomen van bovengenoemd wetsvoorstel. De leden van de PvdA-fractie hebben bij elk van de drie onderdelen van de voorstellen nog de nodige vragen. Ook de leden van de VVD-fractie hebben een aantal vragen.

De leden van de CDA-fractie zijn content met het besluit van de regering de belastingmaatregelen die zijn voorgesteld in het kader van de begroting 2000 conform het advies van de Raad van State in vier verschillende wetsvoorstellen onder te brengen. Dit geeft rust en komt de overzichtelijkheid van de te nemen beslissingen en keuzes ten goede. Echter, is het niet een vreemde en ongewone zaak dat in februari nog beslist moet worden over maatregelen die zijn voorgesteld in het kader van de begroting 2000. Voor deel vier van het Belastingplan 2000 geldt zelfs dat het wetsvoorstel nog niet eens bij de Tweede Kamer is ingediend. De leden van de CDA-fractie nemen aan dat de werkzaamheden rondom de Belastingherziening 2001 daaraan debet zijn. Zij wijzen – wellicht ten overvloede – op de verantwoordelijkheid die de Tweede Kamer heeft met betrekking tot de behoefte aan rechtszekerheid van belastingplichtigen over «hangende belastingvoorstellen».

Uit de stukken blijkt dat de verschillende elementen uit het wetsvoorstel tot aan het moment van indiening in beweging zijn geweest. Zo wordt duidelijk dat het keuzeregime voor optieregelingen verschoven is van een aanvullende regeling in art. 22a Wet IB naar een aanvullende regeling in art. 10a Wet LB. Voor het verlofsparen geldt dat er een stelsel van onbelaste aanspraken is opgezet. Daarbij is vervolgens om verzekerings-technische redenen welbewust gediscoördineerd. Voor werkgevers betekent dit een extra administratieve last nu ook ten aanzien van aanspraken op verlofsparen met twee verschillende loonbegrippen moet worden gewerkt. Dat de werkgevers vervolgens in de uitkeringsfase van het verlofsparen geen premies werknemersverzekeringen hoeven te berekenen en af te dragen is in de ogen van de leden van de CDA-fractie nauwelijks een verlichting te noemen. Voor de loonheffing moet immers toch al worden ingehouden en afgedragen. Ook VakstudieNieuws wijst hierop (VN 1999, p. 4920). Voorts, hoe verhoudt deze discoördinatie zich met de breed-geuite wens van de Tweede Kamer tijdens de behandeling van de Belastingherziening 2001 om juist te komen tot meer looncoördinatie?

De leden van de fractie van GroenLinks willen enkele vragen stellen ten aanzien van de aanpassing regeling belastingheffing opties.

De leden van de fracties van GPV en RPF hebben kennis genomen van onderhavig wetsvoorstel, waarin drie verschillende en los van elkaar staande onderwerpen zijn opgenomen. Bij eerdere gelegenheden hebben zij zich over deze wijze van wetgeving al eens kritisch uitgelaten. Zij beperken zich daarom nu tot de opmerking dat het wetgevingstraject hierdoor kwetsbaar kan zijn, omdat instemming met het ene onderwerp geen reden hoeft te zijn het volledige wetsvoorstel te steunen.

De leden van de SGP-fractie constateren dat met dit wetsvoorstel een keuzeregime wordt geïntroduceerd ter zake van werknemersopties, een fiscale faciliteit wordt geboden voor het zogenoemde verlofsparen en het in Nederland genoten inkomen van niet in Nederland wonende beroepssporters onder de loonheffing wordt gebracht. In hun bijdrage ten behoeve van het verslag wensen zij nader op genoemde drie onderdelen in te gaan.

2. Aanpassing regeling belastingheffing opties

De leden van de PvdA-fractie stemmen op hoofdlijnen in met de voorstellen voor het keuzeregime belastingheffing aandelenopties. Zij doen dit vooral omdat de voorstellen zullen bijdragen aan het gebruik van opties als beloningsinstrument bij startende ondernemingen. In het licht van eerdere uitlatingen van de minister van Economische Zaken over het inzetten van fiscale instrumenten bij het verbeteren van de mogelijkheden voor starters in de IT-sector vragen deze leden of met deze voorstellen invulling is gegeven aan die beleidsambitie, of dat er nog meer voorstellen te verwachten zijn. Is het Nederlandse regime in vergelijking met andere landen internationaal concurrerend?

Deze leden zouden voorts graag vernemen op welke wijze de heffing met betrekking tot opties zoals thans voorgesteld, zal plaatsvinden onder de wet Inkomstenbelasting 2001 als deze door beide Kamers der Staten Generaal is aangenomen, zowel als gekozen wordt voor een directe heffing als voor een uitstelheffing. Kan daarbij verduidelijkt worden of en hoe de waarde van de opties al dan niet in de boxen wordt betrokken?

Het voorgestelde art. 10a, eerste lid, definieert de intrinsieke waarde als het verschil tussen waarde en de te betalen prijs van de aandelen. Hoe moet deze bepaling worden toegepast als de te betalen prijs nog niet vaststaat, maar afhankelijk is van een toekomstige gebeurtenis, zoals bijvoorbeeld de winst van het bedrijf of de prestaties van de werknemer of zijn afdeling? In art. 10a, tweede lid, wordt een ministeriële regeling in het vooruitzicht gesteld. De leden van de PvdA-fractie vragen de regering toe te lichten wat in die regeling zal worden geregeld. De nieuwe regeling is van toepassing naar keuze van de werknemer (het voorgestelde art. 10a, eerste lid), maar het verzoek moet gezamenlijk met de inhoudingsplichtige worden gedaan (art. 10a, tweede lid). Deze leden vragen de regering hoe te handelen als de inhoudingsplichtige niet aan dat verzoek wenst mee te werken.

De voorgestelde verruiming van het belastingregime op aandelenopties komt tegemoet aan wensen uit de markt, zo vervolgen de leden van de VVD-fractie. Liquiditeitsproblemen die voortkwamen uit het feit dat met de Belastingdienst moest worden afgerekend voordat er een opbrengst werd gegenereerd, behoren hiermee tot het verleden volgens de regering. In dit verband vragen deze leden of het nieuwe regime ook gaat gelden voor reeds afgesloten, maar nog voorwaardelijke, optiecontracten die onvoorwaardelijk worden. Kan of zal voorts het blijven bestaan van belastingheffing over de intrinsieke waarde volgens de regering nog steeds tot liquiditeitsproblemen leiden? Ontstaan er geen liquiditeitsproblemen indien aandelenopties na enkele jaren onvoorwaardelijk worden en zich tot op dat moment een stijging van de waarde van de achterliggende aandelen heeft voorgedaan?

Een bezwaar is dat er indien gekozen wordt voor heffing bij uitoefening, twee betalingsmomenten ontstaan. De leden van de VVD-fractie vragen de regering in te gaan op de extra administratieve lastendruk die dit meebrengt. Kan dit in het bijzonder voor startende ondernemingen niet ontmoedigend werken? In de memorie van toelichting staat dat aansluiting wordt gezocht bij de internationale praktijk waar immers belastingheffing bij realisatie gebruikelijker is. Dit, gecombineerd met de mogelijkheid dat liquiditeitsproblemen blijven bestaan, brengt deze leden tot de vraag waarom de regering niet heeft gekozen voor één heffingsmoment, al dan niet naar keuze. Het is de vraag of de opmerkingen van de regering over «vrijwel zeker realiseerbaar voordeel» afdoende argumenten zijn.

Kan de regering ook daadwerkelijk ingaan op het commentaar van de Raad van State dat de voorgestelde mengvorm tweeslachtig is? Zij antwoordt op de suggestie van de Raad voor een apart tarief in het nader rapport dat de noodzaak van gelijkwaardigheid voor een evenwichtig keuzesysteem een apart tarief in de weg staat. In haar brief van 10 februari 2000 aan de Tweede Kamer wijst de NOB erop dat deze opmerking zich niet goed lijkt te verhouden met hetgeen in de memorie van toelichting (paragraaf 1.2.1) wordt gezegd over het optredende budgettaire effect. In dat verband wordt gezegd dat de wettelijke waarderingsformule tot een matige waardering leidt en dat de werknemers belastingheffing vooraf problematisch vinden en zullen kiezen voor heffing bij realisatie, ook indien dit leidt tot hogere belastingheffing. Nu de regering zelf stelt dat van economische gelijkwaardigheid geen sprake is, vraagt de Orde zich af of er geen aanleiding bestaat het standpunt dat een bijzonder tarief dit evenwicht niet ten goede komt, te heroverwegen. De leden van de VVD-fractie vragen de regering hierop te reageren.

Waarom heeft de regering ervoor gekozen deze keuzemogelijkheid alleen voor aandelenopties van de eigen werkgever of een met de werkgever verbonden vennootschap van toepassing te laten zijn?

De NOB wijst erop dat «als gevolg van de gekozen systematiek een ongewenste inbreuk wordt gemaakt op het uitgangspunt dat hetgeen als loon voor de loonheffing wordt aangemerkt tevens als loonkosten aftrekbaar is voor de vennootschapsbelasting». De leden van de VVD-fractie vragen de regering ook te reageren op de vraag van de Orde of het gevolg van deze inbreuk, namelijk dat, bezien vanuit fiscale optiek, het toekennen van regulier (voor de vennootschapsbelasting aftrekbaar) loon aantrekkelijker is dan het toekennen van werknemersopties, het beoogde gevolg van het onderhavige wetsvoorstel is.

Ten slotte vragen deze leden de regering of ook met het keuzerecht het antwoord zoals gegeven in de nota naar aanleiding van het verslag (26 727, nr. 7, blz. 290) bij de Belastingherziening 2001, van kracht blijft. Zo ja, is het dan een overweging om de additionele heffing bij uitoefening binnen drie jaar te laten vervallen? Tenslotte valt het met de optie behaalde resultaat onder de Wet IB2001 volledig onder de belastingheffing.

De leden van de CDA-fractie zijn een groot voorstander van een gedegen en betrouwbare fiscale behandeling van aandelenopties. Zij zien opties als een goed bindings- en beloningsinstrument. Het is voor deze leden echter van essentieel belang dat deze opties ook voor die doelen worden ingezet. Het mag niet zo zijn dat groepen uit het hoger management belastingvrij kunnen profiteren van de maatregelen.

Deze leden merken op dat de thans voorgestelde aanpassingen niet alleen zijn voorgesteld om tot een meer evenwichtige belastingheffing en – heel belangrijk – tot een positief effect voor 's Rijks schatkist te komen, maar ook omdat er behoefte was het systeem meer in overeenstemming te brengen met de internationale praktijk, waar immers belastingheffing bij realisatie gebruikelijk is. Met het oog op deze laatste achtergrond vragen zij hoe houdbaar de voorgestelde maatregelen zijn in het kader van de straks in te voeren fictieve rendementsheffing. Is het wel mogelijk om het voorgestelde systeem (toevoegen van de mogelijkheid pay-as-you earn) in te passen in een belastingsysteem waarin ook een fictieve rendementsheffing zit? Overigens merken deze leden op dat de regering in dit wetsvoorstel het pay-as-you-earn-beginsel met verve verdedigt, terwijl dat principe bij de behandeling van de forfaitaire rendementsheffing nog werd afgewezen.

Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van de fiscale behandeling van personeelsopties heeft de staatssecretaris gezegd dat zogenaamde «stock appreciation rights» (SAR's) als een recht soortgelijk aan een aandelenoptie kunnen worden aangemerkt indien deze voor uitoefening «loskomen van de dienstbetrekking». Met name voor ondernemingen die niet-beursgenoteerd zijn of anderszins belemmerd worden in de introductie van een werknemersparticipatie-regeling, is dit van belang. Kan de regering bevestigen dat de SAR's ook onder het voorliggende regime zullen vallen?

De leden van de CDA-fractie vinden het een goede zaak dat er meer evenwicht komt in het belastingregime met betrekking tot aandelenopties. Zij zijn benieuwd welke liquiditeitsproblemen zich thans voordoen. Welke signalen zijn hierover binnengekomen? Betreft dit ook andere belastingplichtigen dan starters? Om hoeveel belastingplichtigen gaat het en in welke orde van grootte zijn de liquiditeitsproblemen?

De leden van de fractie van D66 hebben kennisgenomen van de voorstellen tot aanpassing regeling belastingheffing opties die tot doel hebben de regeling meer te verfijnen met als resultaat een meer evenwichtige belastingheffing. Deze leden begrijpen dat behoefte bestaat aan een systeem dat meer in overeenstemming is met de internationale praktijk waar immers belastingheffing bij realisatie gebruikelijk is. Deze leden vernemen graag waarom niet uitsluitend gekozen is voor een systeem van belastingheffing bij realisatie.

De leden van de fractie van D66 merken op dat in de nota naar aanleiding van het verslag bij de herziening inkomstenbelasting 2001 (26 727, nr.7 blz. 290) is vermeld dat het systeem van de wet IB 2001 betekent dat de optie gedurende de periode van drie jaar in de loonsfeer zit, en door de rangorderegeling buiten de vermogensrendementsgrondslag valt. Deze leden willen graag weten of dit ook geldt onder het in onderhavig voorstel geïntroduceerde keuzerecht. Kan de regering verduidelijken of een aandelenoptie na drie jaar onder de vermogensrendementsgrondslag valt als gekozen wordt voor belastingheffing op het moment dat de optie wordt gerealiseerd? Deze leden willen voorts graag weten hoe de waarde van opties bepaald dient te worden voor de vermogensrendementsgrondslag. Zij merken op dat bij de behandeling van het wetsvoorstel aanpassing heffing ter zake van aandelenoptierechten (nummer 25 721) nog werd gesteld dat het niet heffen bij toekennen ten koste zou gaan van de schatkist. Deze leden willen graag weten waarom dit nu niet meer geldt.

De leden van de fractie van D66 verzoeken de regering vervolgens in te gaan op het Nederlandse heffingsrecht in de situatie dat een werknemer binnen het concernverband wisselt van werkgever (van buitenlandse werkgever naar Nederlandse werkgever). Verleden of toekomst lijken in een dergelijke situatie niet relevant voor de bepaling van een Nederlands heffingsrecht.

Evenals de Raad van State hebben de leden van de fractie van GroenLinks moeite met de keuzevrijheid die de belastingplichtige geboden krijgt en het feit dat niet de wetgever bepaalt wanneer de belastingheffing over opties plaatsvindt. Deze leden hebben wel oog voor het feit dat het huidige systeem tot nadelige liquiditeitsproblemen kan leiden en dat heffing bij realisatie hiervoor een oplossing kan bieden. Zij vragen zich dan ook af of de regering niet had moeten kiezen voor een wijziging waardoor de belastingheffing altijd plaatsvindt bij realisatie, met daarnaast directe heffing over de intrinsieke waarde. Welke argumenten pleiten tegen deze keuze? Hebben de leden van de fractie van GroenLinks het bij het rechte eind als zij constateren dat met de invoering van een heffing bij realisatie er een, zij het beperkte, vermogenswinstbelasting in de loon- en inkomstenbelasting wordt ingevoerd? Kan de regering nogmaals uiteenzetten waarom zij bij de Wet van 24 juni 1998 voor een forfaitaire waarderingsformule heeft gekozen die tot een matige waardering leidt?

Kan de regering voorts meedelen hoeveel belastinggeld jaarlijks geïnd wordt met de aangepaste heffing van aandelenoptierechten? Levert de nu voorliggende aanpassing behalve in nominale termen, ook in reële termen een positief schatkistresultaat op? Indien het antwoord bevestigend luidt, ligt een aanpassing van de matige waarderingsformule dan niet voor de hand?

De leden van de fracties van GPV en RPF kunnen het beoogde doel van de voorgestelde aanpassing, het voorkomen dat een werknemer die opties krijgt aangeboden als gevolg van het vaststaande afrekeningmoment in financieringsproblemen komt, onderschrijven. De invoering van een keuzemogelijkheid is duidelijk een verbetering. Desondanks hebben genoemde leden de indruk dat het wetsvoorstel de heffing van optierechten onnodig complex maakt en maar gedeeltelijk tegemoetkomt aan de beoogde doelstelling. Zij vinden het niet zo consistent, dat in het geval de uitoefenprijs van de optie ligt onder de prijs van het bijbehorende aandeel, over dit verschil direct wordt geheven. Hier is dus geen sprake van een keuzemogelijkheid. Deelt de regering de mening van de genoemde leden dat problemen met de voorfinanciering in deze situaties kunnen blijven bestaan? Waarom heeft de regering niet gekozen voor een systematiek waarbij gekozen kan worden tussen afrekening over het gerealiseerde resultaat en afrekening over de waarde van het optierecht bij toekenning, waarbij uiteraard zowel de intrinsieke als de verwachtingswaarde worden meegenomen? Zou daarmee de doelstelling niet beter bereikt worden?

De leden van de fracties van GPV en RPF begrijpen dat de belastingheffing bij het uitoefenen van de optierechten plaatsvindt via de loonbelasting. Is de verwachting van genoemde leden gerechtvaardigd dat dit zal leiden tot een verzwaring van de administratieve lastendruk voor werkgevers? Zo ja, wordt het daarmee voor werkgevers niet minder aantrekkelijk werknemers aandelenopties aan te bieden?

De leden van de SGP-fractie constateren dat in het voorliggende wetsvoorstel wordt voorgesteld dat de keuze voor belastingheffing uiterlijk op het eerste moment van belastingheffing moet worden gemaakt. Zij vragen de regering dit nader toe te lichten, mede gelet op het feit dat in de praktijk volgens de NOB altijd een zekere periode verstrijkt tussen de toekenning van de optie en de acceptatie daarvan door de werknemer. Ook de aan het woord zijnde leden vragen in hoeverre de in het voorliggende wetsvoorstel voorgestelde regeling leidt tot een administratieve lastenverzwaring, aangezien ervoor wordt gekozen om de belastingheffing bij uitoefening via de loonbelasting te laten geschieden.

3. Verlofspaarregeling

De leden van de PvdA-fractie ondersteunen de doelstelling van de voorstellen inzake het verlofsparen, maar vragen zich af of de voorgestelde regeling de meest gelukkige vormgeving is. Het komt op hen over dat zowel de voorgestelde regeling voor tijd- als voor geldsparen in de praktijk de mogelijkheden beperken in vergelijking met de situatie van vandaag, hetgeen in strijd zou zijn met de doeleinden van het regeringsbeleid. Ook zijn deze leden er niet van overtuigd dat het zinvol is een tijd-voor-tijd-regeling onder de verlofspaarregeling te brengen, mede gezien de eenduidige opinie die de partijen verenigd in de STAR in dezen hebben.

Het lijkt deze leden buiten kijf te staan dat de opname van tijd-voor-tijd-sparen in de regeling in de praktijk zal leiden tot een geweldige administratieve last (omdat er tevens aanvullende regels voor regulier verlof opgesteld moeten worden) en tot onbedoelde effecten. In dit opzicht vragen deze leden commentaar op de zienswijze van de STAR (brief van 6 december 1999), waarin zij erop wijzen dat «met het onder de fiscale paraplu brengen van gespaarde tijd (..) een fiscaal regime van toepassing (wordt) op een laagdrempelige vorm van verlofsparen die reeds jaren ingang heeft gevonden in het bedrijfsleven en die relatief weinig administratieve lasten met zich brengt (..)Van het beperken van het vooruitschuiven van belasting- en premieheffing, zoals de regering stelt, is naar het oordeel van de Stichting geen sprake omdat de reguliere loonbetaling in enig jaar op geen enkele wijze wordt beïnvloed door het tijdsparen.»

Is de indruk van de leden van de PvdA-fractie juist dat de voorstellen er feitelijk toe leiden dat er sprake is van extra belastingheffing op het moment dat tijd gespaard wordt zonder dat aan de nieuwe strikte voorwaarden wordt voldaan? Is er daarmee niet feitelijk sprake van een verkrapping van de mogelijkheden tot tijdsparen? Worden bijvoorbeeld niet de mogelijkheden beperkt voor werknemers om «normale verlofdagen» door te schuiven? Welk nut dient de hier voorgestelde regeling? Kan de regering ook uitleggen hoe de voorgestelde mogelijkheden tot geldsparen zich verhouden tot wat thans mogelijk is bij gebruikmaking van de zogeheten RUS-bepaling?

Ook hebben de leden van de PvdA-fractie vragen bij het enerzijds in artikel 11, lid 12 verbieden van het opnemen van spaarverlof direct voorafgaand aan het pensioen, terwijl anderzijds lid 14 de mogelijkheid biedt om de spaarverlofregeling in te bedden in de (pre)pensioenregeling. Hoe dient deze inbedding precies te geschieden? Daarnaast vragen zij of het mogelijk is opnieuw met verlofsparen te beginnen als het reeds gespaarde verlof (ter waarde van 12 maanden) in de pensioenregeling is opgenomen.

Van verschillende kanten (STAR, FNV, VNO) wordt gesuggereerd, zo merken de leden van de VVD-fractie op, dat er geen reden is het tijdsparen onder een fiscale regeling te brengen; dat voor zover tijd-voor-tijdsparen nu niet is belast dit buiten de verlofparaplu moet blijven. Het argument van de regering dat dit het vooruitschuiven van belasting en premieheffing tegengaat, zou geen opgeldt doen omdat de reguliere loonbetaling in enig jaar op geen enkele wijze wordt beïnvloed door het tijdsparen. Daarnaast brengt het voorstel op dit gebied een administratieve lastenverzwaring mee. De NOB en VNO-NCW stellen dat volstaan zou moeten worden met een wettelijk kader voor verlofspaarregelingen en dat het in de belastingheffing betrekken van aanspraken op verlof en het fiscaal regelen van tijdsparen achterwege moeten blijven. De leden van de VVD-fractie zouden hierover graag de reactie van de regering horen. Is de voorgestelde regeling niet nodeloos ingewikkeld?

Deze leden vragen de regering ook een reactie te geven op de door de NOB gesignaleerde knelpunten bij het fiscaliseren van ander verlof dan dat ingevolge een verlofspaarregeling. Nu aanspraken op vakantieverlof expliciet als belaste aanspraken worden aangemerkt, trekt de NOB de conclusie dat dergelijke rechten voorheen niet als (belaste) aanspraken konden worden aangemerkt en dat de huidige wetgeving aan verlofspaarregelingen niet in de weg staat. Het onderhavige wetsvoorstel kan volgens de NOB dus niet anders worden gezien dan een beperking van de mogelijkheden die de huidige wetgeving op dit punt biedt. Ook de STAR (brief van 6 december 1999) wijst op een beperking van de huidige regelingen door het fiscaliseren van het tijdsparen. De leden van de VVD-fractie vragen de regering te reageren op deze door NOB en STAR geconstateerde beperkingen.

De opmerkingen in de memorie van toelichting dat extra verlof niet kan worden opgenomen binnen een jaar voorafgaand aan de pensionering of vervroegde uittreding, maar dat wel de mogelijkheid wordt geboden de verlofspaarregeling in te bedden in een pensioenregeling mits daarmee de aan pensioenen gestelde begrenzingen niet worden overschreden, zijn niet erg duidelijk. Kan de regering voor de leden van de VVD-fractie verduidelijken wat nu wel en wat niet is toegestaan?

VNO-NCW plaatst vraagtekens bij de bepaling dat na een jaar afrekening dient plaats te vinden indien de aanspraken op verlof aan het einde van het kalenderjaar groter zijn dan wat overeenkomt met het in dat jaar toegekende vakantieverlof. Deze fiscale regeling staat, volgens VNO-NCW, haaks op het arbeidsrecht. In het Burgerlijk Wetboek (7: 642) zou thans bepaald zijn dat de verjaringstermijn van vakantierechten twee jaar bedraagt. Er is momenteel een wetsvoorstel in de Eerste Kamer in behandeling op grond waarvan deze verjaringstermijn wordt uitgebreid van twee naar vijf jaar (Kamerstuk 26 079). De reden van de verlenging van de verjaringstermijn is dat dit de mogelijkheden om voor verlof te sparen verruimt, waardoor meer ruimte kan ontstaan voor werknemers om betaalde arbeid en zorgtaken, educatie of anderszins te combineren (Tweede Kamer, vergaderjaar 1997–1998, 26 079, nr. 3, blz. 8). De leden van VVD-fractie zouden hierop graag de reactie van de regering vernemen.

Deze leden vragen de regering ook te reageren op de door VNO-NCW voorziene verzwaring van de administratieve lasten ten gevolge van onder andere:

– nadere regels die aan de administratie zullen worden gesteld (artikel 11, twaalfde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964);

– het verplicht registreren van «oude» (d.w.z. vóór 1 april 2000 opgebouwde) en nieuwe verlofsaldi en het bijhouden van welk saldo verlofdagen worden afgeboekt;

– het jaarlijks voor elke werknemer berekenen van de opgebouwde rechten;

– het tot in de lengte van jaren bijhouden welke aanspraken reeds in de heffing zijn betrokken en dus welk loon in enig jaar niet meer in de loonbelasting wordt betrokken;

– het apart bijhouden van het loon dat reeds belast is/nog dient te worden belast voor de fiscaliteit en het loon voor de sociale verzekeringen;

– het omrekenen van aanspraken in tijd volgens bepaalde regels;

– het op verschillende tijdstippen moeten berekenen van het bovenmatige deel van de opgebouwde vakantierechten vanwege de afwijking ten opzichte van het arbeidsrecht.

Het verheugt de leden van de CDA-fractie dat de regering bereid is de fiscale regels aangaande het loon aan te passen aan maatschappelijke ontwikkelingen. De mogelijkheid van verlofsparen is wenselijk. Daarbij hoort een faciliterend fiscaal regime. De regeling voor verlofsparen biedt de mogelijkheid in een jaar maximaal 10% van het loon van dat jaar of daarmee corresponderende verlofuren naar een tijdstip in de toekomst te verschuiven. Waarop is het percentage van 10% gebaseerd? Waarom is het verlofsparen op deze wijze geclausuleerd? Ligt het in de rede het percentage van 10% in de toekomst nog te verhogen? De verlofregeling mag niet worden vormgegeven als een soort pre-pensioen en mag niet cumuleren met de regelingen inzake pensioenen Wat is daarvan de achterliggende gedachte en op welke wijze wordt dat gecontroleerd?

De leden van de CDA-fractie zijn bevreesd dat van de regeling voor verlofsparen in de praktijk niet veel gebruik zal worden gemaakt, omdat belastingplichtigen een (morele) druk zal worden opgelegd van de regeling maar geen gebruik te maken. Immers het probleem is reëel dat een jaar uit de roulatie de carrièrekansen kan verminderen of de terugkeer in de huidige functie in gevaar kan brengen. Heeft de regering over dit probleem nagedacht? Wat is haar reactie? Kan zij bevestigen dat het nooit de bedoeling is geweest dat een teveel aan opgespaarde vrije dagen zou worden belast bij de werknemer alsof deze dagen in geld zijn uitbetaald, zoals de berichtgeving begin januari deed vermoeden? Waarom heeft de regering het wetsvoorstel niet aangepast conform de uitlatingen in de media? Genoemde leden hebben hierover schriftelijke vragen gesteld, die pas op 17 februari jl. zijn beantwoord. Wat is de reden dat deze beantwoording zo lang op zich laat wachten? De leden van de CDA-fractie wensen over dit onderwerp volstrekte helderheid en bepleiten aanpassing van dit wetsvoorstel. Het fiscale regime over gespaarde dagen mag niet worden verzwaard. Tevens vragen zij een nadere uiteenzetting over het overgangsregime. Hoe ziet die regeling er uit?

De leden van de CDA-fractie wensen een reactie van de regering te ontvangen over de bezwaren die worden aangedragen uit de Rederij- en Scheepvaartsector met betrekking tot de aanspraken op vakantieverlof en compensatie verlof. Wordt hier het maximum van een jaar toegekend vakantieverlof niet een groot probleem? Is de regeling wel voldoende toegespitst op deze sector? Waarom houdt de regering niet meer rekening met de aard van de bedrijfstakken?

Deze leden vragen de regering voorts toe te lichten waarom is gekozen voor fiscalisering van verlof. Betekent het onderhavige wetsvoorstel een beperking van de mogelijkheden die de huidige wetgeving kent? Waarom staat er in de memorie van toelichting dat de nieuwe verlofspaarfaciliteit aantrekkelijker is dan de huidige regelingen? Kan de regering ingaan op de knelpunten die de NOB naar voren brengt (vakantiebonnen, belasten van regulierverlof en compensatieverlof, erkende feestdagen etc.)? Waarom heeft de regering de eis gesteld dat de regeling voor tenminste driekwart van de werknemers van een inhoudsplichtige dient open te staan? Leidt dit niet tot een forse beperking van het gebruik van de regeling? Waarom geldt deze driekwart-eis niet per organisatie of functionele eenheid?

De leden van de fractie van D66 stemmen van harte in met het principe van verlofsparen. Zoals deze leden ook al bij het belastingplan 2000 hebben gezegd, wordt met deze regeling de mogelijkheid om arbeid en zorg te combineren en van loopbaanontwikkeling meer divers invulling te geven, verruimd. De leden van de fractie van D66 hebben vragen over de regeling met betrekking tot de vrijstelling van vakantieverlof en compensatieverlof. Zij begrijpen dat de vrijstelling geldt voor zover de totale aanspraken op vakantieverlof en compensatieverlof aan het einde van een kalenderjaar het in dat jaar toegekende vakantieverlof niet te boven gaan. Hoe verhoudt het onderhavige wetsvoorstel zich tot het wetsvoorstel tot wijziging van titel 7.10 van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot vakantie en ouderschapsverlof (26 079. Nr. 3, blz. 8), waarin de verjaringstermijn voor vakantierechten wordt verlengd van twee naar vijf jaar? Het komt deze leden voor dat het onderhavige wetsvoorstel niet in lijn ligt met hetgeen met de wijziging van de vakantiewetgeving is beoogd.

Voorts verzoeken de leden van de fractie van D66 de regering het voorstel om een grotere aanspraak dan overeenkomt met een jaar vakantieverlof voor het bovenmatige deel bij het einde van het kalenderjaar in de belastingheffing te betrekken, nader te onderbouwen en daarbij tevens in te gaan op de verzwaring van de administratieve lasten die voor werkgevers en werknemers uit een dergelijke regeling voortvloeien. Deze leden verzoeken de regering eveneens in te gaan op de specifieke ongemakken voor zeevarenden, zoals aangegeven in de gezamenlijke brief van de Koninklijke Vereniging van Nederlandse Reders en de Federatie van Werknemers in de Zeevaart van 11 februari jl. Zij verzoeken de regering ook nader te onderbouwen waarom ervoor is gekozen de regeling met betrekking tot geclausuleerd verlof en verlof tijdens algemeen erkende feestdagen te fiscaliseren.

Heeft de regering de mogelijkheid overwogen om de reserveringen in het kader van verlofsparen, analoog aan de spaar- en premiespaarregeling, aan te wenden voor stortingen in bijvoorbeeld beleggingsfondsen of in aandelen in het kapitaal van de werkgever? Voorts willen deze leden graag een toelichting op het gehanteerde loonbegrip in de regeling verlofsparen. Waarom is voorgesteld dat opname van gespaard verlof niet direct voorafgaande het ingaan van pensioen is toegestaan? De leden van de fractie van D66 onderschrijven de redenering dat het hanteren van een lager belasting- en premiepercentage bij het belasten van uitkeringen in het kader van verlofsparen tot budgettaire consequenties leidt. Zij verzoeken de regering inzicht te verschaffen in de verschillende budgettaire consequenties indien voor de heffing van de uitkering gekozen wordt voor vaste heffingspercentages zoals die gelden voor de huidige tariefschijven. Ook de leden van de fractie van D66 verzoeken de regering de verschillende vragen in de brief van de NOB van 10 februari jl. ten aanzien van het fiscaliseren van ander verlof dan verlofsparen te betrekken in de nota naar aanleiding van het verslag.

Het verheugt de leden van de fractie van GroenLinks dat er eindelijk een wettelijk kader voor verlofsparen wordt ingevoerd. Wel zijn zij erover bezorgd dat de huidige vormgeving vooral aantrekkelijk zal zijn voor de midden- en hogere inkomens. Zij herinneren de regering aan de aangenomen motie-Van Gent (Kamerstuk 26 447, nr. 11) bij de Nota Arbeid en Zorg betreffende dit thema en vragen wanneer de regering verwacht dat een inkomenseffectenonderzoek naar de Kamer wordt gestuurd. Ten aanzien van het verlofsparen in geld zijn de leden van de fractie van GroenLinks positief; zij menen dat het voorstel past bij de huidige maatschappelijke ontwikkelingen. Ten aanzien van het voorstel ten aanzien van tijdsparen hebben deze leden meer kanttekeningen. Waarom heeft de regering niet het STAR-voorstel gevolgd om tijdsparen buiten de verlofparaplu te houden? Ook is het deze leden niet geheel duidelijk wat de wijzigingen ten opzichte van de huidige situatie voor werknemers betekenen en in hoeverre de huidige regelgeving gewijzigd moet worden. Kan de regering hier uitgebreid op in gaan? Welke argumenten heeft zij om de oplossing van de STAR de aanwending van de verlofspaarrekening voor prepensioenering toe te staan voorzover de bestaande wettelijke ruimte van het Witteveen-kader niet volledig wordt benut, niet over te nemen?

De leden van de fracties van GPV en RPF hebben bij de behandeling van de nota «naar een nieuw evenwicht tussen arbeid en zorg» een positieve houding ingenomen ten aanzien van het voorstel van de regering om tegen gunstige fiscale voorwaarden verlofsparen mogelijk te maken. In voorliggend wetsvoorstel ervaren genoemde leden echter een tweeslachtige houding van de regering. Enerzijds een stimulans om binnen een verlofspaarregeling loon en tijd te sparen voor verlof dat in de toekomst kan worden opgenomen en anderzijds een ontmoediging om regulier verlof op te sparen.

De leden van de fracties van GPV en RPF constateren dat met de voorgestelde beperking van de fiscale vrijstelling van verlofaanspraken het opnemen van opgespaarde vakantiedagen fiscaal wordt gereguleerd. Kan de regering meedelen op basis van welke overwegingen zij dit noodzakelijk vindt? Hoe verhoudt zich dit met het wetsvoorstel vakantie en ouderschapsverlof (kamerstuknr. 26 079) dat vorig jaar door de Tweede Kamer is aanvaard en erin voorziet dat 5 jaar lang alle vakantiedagen opgespaard mogen worden en dus een verruiming van de bestaande mogelijkheden biedt, vragen ook deze leden. Zal voorliggend wetsvoorstel hierop niet een remmende werking hebben? Is voorliggend wetsvoorstel wellicht mede ingegeven door de overtuiging dat het uit oogpunt van recuperatie niet goed is dat werknemers meer dan een jaar afzien van het opnemen van vakantiedagen?

De leden van de fracties van GPV en RPF begrijpen dat alleen moet worden afgerekend over de aanspraken op vakantie- en compensatieverlof die het in dat jaar toegekende vakantieverlof te boven gaan. Is het juist dat de omvang van dit vakantieverlof wordt bepaald door datgene wat in de arbeidsovereenkomst als reguliere vakantiedagen is overeengekomen? Vindt de regering het niet redelijk dat in het geval van meerwerk of gemaakte overuren, het toegekende vakantieverlof dat als norm voor de fiscale afrekening geldt, wordt verhoogd met in ieder geval een deel van het in dat jaar toegekende compensatieverlof? Kan de regering uiteenzetten over welke vormen van verlof moet worden afgerekend? Er wordt gesproken over compensatieverlof, maar onduidelijk blijft wat hieronder allemaal valt? Kan de regering hiervan een limitatieve opsomming geven? Behoort hierbij ook ADV/ATV-verlof?

Genoemde leden lezen in de artikelsgewijze toelichting dat het aan werkgevers en werknemers is te bepalen in welke volgorde de verlofdagen worden genoten. Is het juist dat indien er niets is geregeld de fiscus ervan uitgaat dat het verlof is genoten volgens het Lifo-stelsel? De leden van de fracties van GPV en RPF wijzen erop dat dit ertoe leidt dat als vijf jaar achtereen het jaarlijks opgenomen verlof minder is dan het jaarlijks toegekende vakantieverlof, in het zesde jaar de nog bestaande verlofrechten uit het eerste jaar zijn vervallen. Is dat wel de bedoeling? Wat is erop tegen dat de werknemer het recht krijgt te bepalen in welke volgorde de verlofdagen worden genoten? De leden van de fracties van GPV en RPF wijzen er in dit kader ook op dat een werknemer maar een beperkte mogelijkheid heeft om zelfstandig te beslissen vakantiedagen op te nemen. In de meeste gevallen moet de werkgever zijn goedkeuring geven. Waarom vindt de regering het blijkbaar redelijk dat een werknemer wordt afgerekend over vakantiedagen, waarvoor niet de mogelijkheid bestond deze op te nemen?

Ook de leden van de fracties van GPV en RPF voorzien dat het voorstel om reguliere velofaanspraken fiscaal te regelen zal leiden tot een administratieve rompslomp. Heeft de regering enige indicatie van de administratieve lastenverzwaring die hiervan voor het bedrijfsleven het gevolg zal zijn?

De leden van de fracties van GPV en RPF vragen vervolgens waarom de regering de mogelijkheid tot verlofsparen binnen een verlofspaarregeling niet heeft beperkt tot geldsparen. Wordt daarmee de regeling vanuit uitvoeringsoogpunt niet veel eenvoudiger?

Deze leden wijzen erop dat zonder verlofspaarregeling op basis van eerder genoemd, en door de Tweede Kamer aanvaard, wetsvoorstel (26 079) het mogelijk is 5 jaar lang vakantiedagen op te sparen en deze dagen op te nemen voorafgaand aan de pensioen- of prépensioendatum. Als gekozen wordt voor het onderbrengen van deze verlofdagen in een verlofspaarregeling is dit niet mogelijk. Wordt met de voorgestelde regeling feitelijk niet een beperking aangebracht in de mogelijkheden waarvoor het opgespaarde verlof kan worden aangewend? De leden van de fracties van GPV en RPF begrijpen dat bij verlofsparen het loon voor de premieheffing werknemersverzekeringen hoger ligt dan het loon voor de loonheffing. Kan de regering uitleggen of het voor de heffing in dit kader uitmaakt of er sprake is van geldsparen of van tijdsparen? De genoemde leden wijzen erop dat met dit wetsvoorstel verlofaanspraken tot het fiscale loon kunnen worden gerekend. Kan de regering in dat kader verduidelijken hoe de maximering van 10% van het loon moet worden bepaald? Is dat inclusief of exclusief de niet vrijgestelde opgespaarde verlofaanspraken?

Met betrekking tot het scheppen van een wettelijk kader voor verlofspaarregelingen merken de leden van de SGP-fractie op, dat er met het voorliggende wetsvoorstel beduidend meer wordt geregeld dan noodzakelijk is om de door de regering beoogde rechtszekerheid te creëren. Zij wijzen in dit verband op het feit dat de voorgestelde fiscalisering tot een veelheid van vragen en onduidelijkheden leidt, alsmede tot ongewenste lastenverzwaring.

De leden van de SGP-fractie constateren dat vakantierechten die worden opgebouwd aan de hand van vakantiebonnen onder de huidige wetgeving niet als een belastbare aanspraak worden beschouwd. Het is hun echter niet geheel duidelijk of en in hoeverre dat ook in het voorliggend wetsvoorstel het geval is. Zij vragen op dit punt dan ook een toelichting.

Met betrekking tot de voorgestelde maatregelen voor regulier verlof en compensatieverlof vragen ook deze leden of hier ook het ADV/ATV-verlof onder valt. Daarnaast vragen zij zich af, of deze maatregelen ook voor bijvoorbeeld zeevarenden zouden moeten gelden. Ook zij wijzen in dit verband op het commentaar van de Koninklijke Vereniging van Nederlandse Reders en de Federatie van Werknemers in de Zeevaart en vragen de regering hierop, alsmede op het commentaar van de NOB op dit punt te reageren.

4. Buitenlandse sporters

De leden van de PvdA-fractie stemmen in grote lijnen in met de voorgestelde regeling om buitenlandse sporters die in Nederland verdiensten hebben, te belasten voor hun te lande verrichte werkzaamheden. Wel vragen deze leden waarom in de invoeringswet IB'01 alleen sprake is van artiesten (en niet van sporters) en waarom daar alleen sprake is van een tarief van 20% (en niet van het mogelijke lage tarief van 15%)? In hoeverre beoogt de regeling artiesten en topsporters gelijk te behandelen en in welke gevallen zal het verlaagde tarief van 15–20% van toepassing zijn?

De regering stelt dat het tarief van 20% voor sommige groepen arbitrair kan uitpakken en dat er daarom voor gekozen is om de loonheffing geen eindheffing te laten zijn, maar de mogelijkheid te laten bestaan aangifte inkomstenbelasting te doen. De leden van de VVD-fractie vragen of dit de problemen die volgens de NOB met Europese regelgeving zouden kunnen ontstaan, ondervangt.

De regering antwoordt op opmerkingen van de Raad van State (Nader Rapport, blz. 9) over aanvullingen op artikel 7, Wet LB'64, dat gezien de complexiteit van deze problematiek nader onderzoek noodzakelijk is. Wanneer verwacht de regering meer duidelijkheid en hoe staat zij in dit verband staat tegenover de oproep van de NOB tot uitstel van dit deel van het onderhavige wetsvoorstel?

De leden van de CDA-fractie zijn verheugd over de voorgestelde regeling voor buitenlandse sporters. In de praktijk was behoefte aan een dergelijke regeling.

Het nieuw in te voeren bijzondere heffingspercentage van 20% – te berekenen over een ruimere grondslag dan de gebruikelijke – krijgt pas per 1 april 2000 kracht van wet. Zullen sporters in het 1e kwartaal van het jaar 2000 daarmee aan de normale inhoudingsbepalingen zijn onderworpen?

Het nieuwe sportersregime wijkt af van het bestaande regime voor buitenlandse artiesten, zo vervolgen deze leden. Voor hen is het inhoudingsregime tevens eindheffing, voor sporters is dat niet het geval. In punt 8 van het nader rapport wordt daarover gemeld dat het nieuwe sportersregime ook wordt overwogen voor de artiesten en wel in het kader van de herziening van de belastingwetgeving in de Wet IB'01. Wanneer zal deze herziening in de – overigens reeds door de Tweede Kamer aanvaarde – Belastingherziening 2001 alsnog worden geïntegreerd en hoe zal deze herziening vorm krijgen?

De regering is het eens met de Raad van State dat de huidige professionele sportbeoefening complex is en dat daardoor twijfel kan bestaan over het aanwijzen van een inhoudingsplichtige. Thans wordt een wijziging bezien op de wet LB. Wanneer verwacht de regering dat deze wijziging de kamer zal bereiken? Hoe zullen de complexe gevallen worden behandeld voor de Wet LB, zodra onderhavige wet is aangenomen?

De regering geeft toe dat een nader onderzoek naar de fiscale behandeling van professionele sportbeoefening noodzakelijk is. Wanneer zal dit onderzoek plaatsvinden, hoe lang zal dit onderzoek in beslag nemen en zal dit onderzoek nog betrokken worden bij de hierboven genoemde wijziging LB? Heeft de regering inmiddels overeenstemming bereikt met het NOC-NSF betreffende de voorstellen die zij in het najaar van 1999 hebben gedaan? De leden van de CDA-fractie hebben daar tijdens de plenaire behandeling van het belastingplan 2000 reeds op gewezen. Wat heeft het overleg tot op heden opgeleverd?

De leden van de fractie van D66 willen graag weten wanneer sprake is van beroepsmatige sportbeoefening en of onder het criterium «een tak van sport beoefenen»ook trainers, begeleiders en coaches vallen. Deze leden vernemen graag de relatie van het hanteren van bijzondere tarieven voor buitenlandse sporters met de inkomstenbelasting 2001, waarin de bijzondere tarieven zijn geschrapt. Zij verzoeken de regering voorts in te gaan op mogelijke strijdigheid van het hanteren van een bijzonder tarief voor buitenlandse sporters met Europese wetgeving als gevolg van ongelijke behandeling. De leden van de fractie van D66 verzoeken de regering ook in te gaan op het commentaar van Pricewaterhouse Coopers (brief van 31 januari 2000), waarin wordt gesteld dat de voorgestelde maatregelen om inkomsten van buitenlandse sporters te belasten met een speciaal tarief vanuit fiscaal theoretisch oogpunt gerechtvaardigd lijken, maar toch tot een achteruitgang van de internationale fiscale concurrentiepositie van Nederland op het terrein van topsport leiden. Voorts verzoeken deze leden de regering in te gaan op de in deze brief gedane fiscale aanbevelingen om topsport in Nederland te stimuleren.

De leden van de fractie van GroenLinks hebben zeer veel moeite met het voorstel dat bij ministeriële regeling het tarief ten behoeve van uniforme heffing met maximaal 5%-punten naar beneden kan worden aangepast. De zwaarte van het argument dat het als onwenselijk kan worden ervaren dat beroepssporters die meedoen aan hetzelfde evenement per land met een, overigens beperkte, afwijkende heffing worden geconfronteerd, weegt naar de mening van deze leden absoluut niet op tegen het argument dat de vaststelling van het tarief tot de belastinghoogheid van een staat behoort. Hierin delen deze leden het oordeel van de Raad van State.

Voor de leden van de fracties van GPV en RPF is onduidelijk in welke gevallen bij buitenlandse sporters sprake kan zijn van een fictieve dienstbetrekking. Een van de voorwaarden is dat als beroep een tak van sport wordt uitgeoefend. Wanneer is er sprake van beroepsmatige sportbeoefening? Kan een zogenaamde semi-prof ook hieronder vallen? Vallen ook professionele sportbegeleiders onder de voorgestelde regeling?

In het Nader Rapport lezen genoemde leden dat niet in alle gevallen volledige duidelijkheid bestaat welke instantie als inhoudingsplichtige kan worden aangemerkt. Deelt de regering de mening van genoemde leden dat zolang dit niet afdoende is geregeld dit onderdeel van het wetsvoorstel niet tot wet verheven moet worden?

De leden van de SGP-fractie vinden dat de in voorliggend wetsontwerp voorgestelde regeling om het in Nederland verworven inkomen van niet in Nederland wonende beroepssporters onder de loonheffing te brengen zodanig onduidelijk is, dat zij zich afvragen in hoeverre als gevolg daarvan complicaties bij de uitvoering zullen ontstaan. Deze leden wijzen onder meer op de onduidelijkheden bij de definiëring van het begrip «degene die als beroep een tak van sport beoefent». Zij constateren dat het onderscheid tussen professionele en amateursportbeoefening niet altijd even duidelijk te maken valt. Op welke wijze denkt de regering hiermee om te gaan?

Ook zij vragen in hoeverre trainers, begeleiders, coaches, maar ook beroepssporters die activiteiten op basis van sponsorcontracten verrichten, binnen de reikwijdte van de voorgestelde regeling vallen. Hoe verhoudt de voorgestelde regeling met betrekking tot de fiscale behandeling van het in Nederland verkregen inkomen voor niet in Nederland wonende beroepssporters zich met de fiscale behandeling van andere takken van beroep waarbij personen buiten Nederland wonen, maar tijdelijk inkomen in Nederland verwerven? Zij denken in dit verband bijvoorbeeld aan ontwikkelingswerkers.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel II, onderdeel C (artikel 11 van de Wet op de loonbelasting 1964)

Artikel 11, eerste lid

De leden van de VVD-fractie vragen de regering een reactie te geven op een aantal uitvoeringstechnische vragen en opmerkingen (die VNO-NCW in de bijlage bij hun brief van 8 februari '00 heeft gesteld).

– Het is niet duidelijk waarom de aanspraken op vakantieverlof en compensatieverlof worden gemaximeerd tot het in dat jaar toegekende vakantieverlof. Een toelichting is gewenst.

– Het bevreemdt VNO-NCW hoe dan ook dat aansluiting wordt gezocht bij het vakantieverlof dat in het kalenderjaar is toegekend, omdat dit een binnen het jaar en van jaar tot jaar fluctuerend gegeven kan zijn.

– Wanneer er sprake is van «bovenmatigheid» dient de aanspraak voor het bovenmatige deel bij het einde van het kalenderjaar in de belastingheffing te worden betrokken. VNO-NCW wijst erop dat eerst helemaal aan het eind van het kalenderjaar duidelijk zal zijn of er sprake is van een fiscaal bovenmatig verlofsaldo. Dit kan in vrijwel alle gevallen niet in de heffing over het decembersalaris worden meegenomen.

– Tegen welke waarde moet een eventuele bovenmatige aanspraak op «toekomstig» verlof fiscaal worden afgerekend? Tegen het op dat moment (dat wil zeggen: bij afrekening) geldende loon of tegen het loon op moment van toekenning van de verlofaanspraken?

– Men vraagt zich af hoe dient te worden gehandeld in de situatie dat iemand over een aantal jaren aanspraken op verlof heeft opgebouwd die groter zijn dan het in enig kalenderjaar toegekende verlof, dat in dat jaar bijvoorbeeld laag is vanwege genoten ouderschapsverlof (waardoor in dat jaar minder vakantierechten zijn opgebouwd). Moet er in dat geval ook worden afgerekend of mag men in dit geval uitgaan van het verlof dat zou zijn toegekend indien er geen sprake zou zijn geweest van bijzonder verlof?

– Is rekening gehouden met het feit dat in geval van ziekte en arbeidsongeschiktheid al snel sprake kan zijn van bovenmatigheid, omdat de werknemer zijn verlofdagen niet kan opnemen?

– Zijn onder artikel 11, eerste lid, onderdeel i, onder 5° van de Wet op de loonbelasting 1964 ook bijdragen in natura, zoals verlofdagen, te begrijpen? (blz. 6)

– Wat wordt verstaan onder compensatieverlof? Zijn onder dit begrip ook te begrijpen atv-/adv-uren en -dagen, overwerk en zogenoemd meerwerk?

– Mocht deze vraag bevestigend worden beantwoord, hoe dient dan gehandeld te worden, indien een werknemer aan het begin van een jaar aangeeft de atv-dagen te willen sparen voor verlof en hij spaart deze dagen daadwerkelijk en vervolgens de werkgever of de Ondernemingsraad in de loop van het jaar de atv-dagen vastzet door te besluiten dat deze in bepaalde perioden opgenomen dienen te worden?

Verder zouden de leden van de VVD-fractie graag antwoord krijgen op de volgende vragen van VNO-NCW:

– Op 1 januari van jaar 1 worden op de verlofkaart van een werknemer 24 vakantiedagen en 30 ATV-dagen bijgeschreven. Bij beëindiging van de dienstbetrekking in de loop van het kalenderjaar vindt tijdsevenredige vermindering plaats. Wordt in beginsel maandelijks de loonwaarde van (2 + 2,5 =) 4,5 dag tot het loon gerekend of maar de loonwaarde van 2,5 dag, gelet op artikel 11, eerste lid, onderdeel x van de Wet op de loonbelasting 1964? Of ontstaat de aanspraak eerst aan het einde van het kalenderjaar? Zo ja, moet dit afwijkende moment van het genieten van een aanspraak dan niet wettelijk worden geregeld?

– Aan het begin van jaar 2 staan op de kaart van voornoemde werknemer nog 10 vakantie- en 15 atv-dagen uit jaar 1. Er bestaat geen regeling voor verlofsparen binnen de onderneming of er is wel een regeling, maar die voldoet niet aan de wettelijke eisen. De werknemer heeft in het kalenderjaar de 15 atv-dagen uit het voorafgaande kalenderjaar als verlof opgenomen. Is nu aan het einde van het kalenderjaar de loonwaarde van 10 vakantiedagen (uit het voorafgaande kalenderjaar) en 30 atv-dagen (van het lopende kalenderjaar) belast? Zo ja, is dat dan niet in strijd met het uitgangspunt dat de loonheffing aanknoopt bij realisatie van loon (opname verlofdag c.q. verkoop)?

De memorie van toelichting stelt dat indien de aanspraak voor het bovenmatige deel in de belastingheffing is betrokken, ten tijde van het uit de belaste aanspraken voortvloeiende verlof een netto-inkomen wordt genoten (MvT, blz. 6). VNO-NCW maakt hieruit op dat wanneer de aanspraak voor het bovenmatige deel in de belastingheffing is betrokken, tijdens het opnemen van dit «bovenmatige» verlof het bruto-inkomen als netto-inkomen wordt uitbetaald, omdat er reeds is geheven. Dient er in het wetsvoorstel geen bepaling te worden opgenomen op grond waarvan reeds belaste aanspraken op verlof als negatief loon worden aangemerkt, om aldus te bereiken dat per saldo eenmaal belasting wordt betaald, zo vragen de leden van de VVD-fractie.

Artikel 11, twaalfde lid, onderdeel a

De leden van de VVD-fractie vragen of deze regeling ook geldt in geval de pensioenleeftijd in een pensioenregeling wordt verlaagd of dat een regeling voor vervroegde uittreding wordt getroffen, terwijl dit voor de werknemer niet te voorzien was en hij zijn verlof juist in het voorafgaande jaar had gepland.

Onduidelijk is voorts hoe omgegaan dient te worden op het moment van inwerkingtreding van deze voorgestelde wetswijzigingen met reeds bestaande regelingen waarin is bepaald dat verlofdagen mogen worden gespaard om eerder met pensioen te kunnen gaan, zo constateren deze leden .

Artikel 11, twaalfde lid, onderdeel b

Het schijnt de leden van de PvdA-fractie toe dat op grond van het voorgestelde art. 11, twaalfde lid, onderdeel b, de aanspraken ingevolge de verlofspaarregeling niet meer mogen bedragen dan 10% van het loon. Hoe moet deze bepaling worden gelezen als het gaat over een regeling met tijdsparen? Hoeveel dagen zijn 10% van het loon? Hoe wordt de waarde van een dag bepaald?

Op grond van het voorgestelde in art. 11, twaalfde lid, onderdeel b, mogen de totale aanspraken niet meer bedragen dan een jaar. Hoe moet deze bepaling worden toegepast bij geldsparen? Om welk loon over welke periode gaat het, zo vragen deze leden.

De leden van de VVD-fractie willen weten of het juist is dat sparen in geld en sparen in tijd gelijktijdig kan plaatsvinden.

Vervolgens stellen deze leden de volgende vragen.

– Wordt hier gedoeld op het brutoloon, op het fiscale loon of op het sv-loon van de werknemer?

– Telt het rendement op de verlofspaarrekening (in geld) mee voor de 10%? Hoe wordt dit rendement behandeld voor de werknemersverzekeringen? Wordt eventuele rente als loon aangemerkt?

– Hoe verloopt een en ander indien een werknemer in de loop van de spaarperiode van voltijd- naar deeltijdwerk gaat?

– Hoe wordt dit spaarsaldo fiscaal behandeld onder de Wet Inkomstenbelasting 2001?

Artikel 11, twaalfde lid

In het twaalfde lid van artikel 11 is een delegatiebepaling opgenomen, op grond waarvan nadere regels kunnen worden vastgesteld met betrekking tot de definitie van verlofsparen, zo vervolgen de leden van de CDA-fractie. De regering noemt al enkele voorbeelden van regels die in de ministeriële regeling kunnen worden opgenomen. Deze leden zouden graag hun goedkeuring geven over de ministeriële regeling alvorens inwerkingtreding. Is dat mogelijk? Waarom heeft de regering deze regeling niet meteen bij het wetsvoorstel gevoegd?

Voorts merken deze leden op dat In het twaalfde lid als voorwaarde is opgenomen dat de regeling voor ten minste driekwart van de werknemers openstaat. Waarom zou de verlofspaarregeling niet voor alle werknemers openstaan? Waarom moet iemand die aan het einde van het kalenderjaar een bovenmatige aanspraak op vakantieverlof heeft, belasting betalen aan dat einde van het kalenderjaar? Is daar geen andere oplossing voor te bedenken? De omkeerregel blijft toch steeds van toepassing?

Ook de leden van de PvdA fractie constateren dat het voorgestelde art. 11, twaalfde lid, een ministeriële regeling aankondigt. De memorie van toelichting schrijft dat daarin regels kunnen worden opgenomen die zijn gericht op handhaving van de in het twaalfde lid opgenomen begrenzingen. Aan welke regels denkt de regering? Voorts schrijft zij dat een waarderingsvoorschrift kan worden gegeven. Wat zal dat voorschrift inhouden? Waarom wordt dat voorschrift niet gebaseerd op art. 13, tweede lid?

Ook vragen deze leden of hun indruk juist is dat indien in een jaar een recht op verlof wordt toegekend dat groter is dan 10% van het loon, de regeling geen (zuivere) verlofspaarregeling (meer) is. Ingevolge het voorgestelde art. 11, dertiende lid, behoort dan de gehele aanspraak tot het loon. Waarop is de stelling in de memorie van toelichting (blz. 7) gebaseerd dat slechts het bovenmatige deel van de aanspraak belast is?

Ook de leden van de VVD-fractie constateren dat bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld aan verlofspaarregelingen (artikel 11, twaalfde lid, Wet op de loonbelasting 1964; «Gedacht kan worden aan het stellen van regels met betrekking tot de administratie van verlofspaargelden, etc.» MvT, blz. 8). Denkt de regering hierbij – zoals bij de werknemersspaarregelingen – ook aan regels voor het beleggen van spaarsaldi?

Artikel 11, dertiende lid

Indien de aanspraak die is afgekocht of vervreemd als loon uit vroegere dienstbetrekking wordt aangemerkt, dient de groene tabel te worden toegepast, zo vervolgen de leden van de VVD-fractie. Dit terwijl bij beëindiging van de dienstbetrekking over de overige loonbestanddelen de witte tabel dient te worden toegepast. Is het logisch dat in een vergelijkbare situatie, namelijk het afkopen van vakantiedagen, een andere tabel moet worden toegepast?

VNO-NCW vraagt aandacht voor de situatie waarin een werknemer van werkgever verwisselt, aldus deze leden. Teneinde de mobiliteit van werknemers niet te belemmeren zou het mogelijk moeten zijn om een verlofspaartegoed mee te kunnen nemen naar een nieuwe werkgever. Daarbij zou een bepaalde tussenperiode moeten worden toegestaan. Het is immers niet ondenkbaar, dat de ene arbeidsovereenkomst niet onmiddellijk wordt gevolgd door de volgende en dat de nieuwe werkgever enige tijd nodig heeft om een verlofspaarregeling tot stand te brengen waar de opgebouwde aanspraken onder kunnen worden gebracht. Indien de aanspraak op verlof belast is geweest en het verlof wordt later afgekocht door de werkgever (arbeidsrechtelijk bestaan de verlofdagen immers nog) terwijl de waarde van de verlofdagen is gestegen in de loop der tijd, is dan de saldomethode in de inkomstenbelastingsfeer van toepassing? Zo ja, hoe houdt de werknemer dat bij?

Artikel II, onderdeel C (artikel 12 van de Wet op de loonbelasting 1964)

De leden van de PvdA-fractie merken op dat het voorgestelde art. 12, onderdeel a, bepaalt dat het gespaarde verlof niet kan worden opgenomen binnen een jaar voorafgaand aan de ingang van pensioen of VUT. Hoe moet deze bepaling worden uitgelegd bij een flexibele pensioenregeling, waarbij de ingangsdatum van het pensioen op verzoek van de werknemer kan worden vervroegd?

Artikel II, onderdeel D (artikel 13 van de Wet op de loonbelasting 1964)

In artikel 15 uitvoeringsregeling LB zullen ook waarderingsvoorschriften worden opgenomen met betrekking tot de begrippen verwachtingswaarde en intrinsieke waarde. Hoe zullen deze voorschriften komen te luiden, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

Artikel II, onderdeel E (artikel 13a van de Wet op de loonbelasting 1964)

Vervolgens vragen de leden van de PvdA-fractie of er, indien een verlofspaarregeling niet kwalificeert en de daaruit voortvloeiende rechten derhalve tot het loon behoren, sprake kan zijn van loon dat op een ongebruikelijk tijdstip wordt genoten. Als het recht minder dan 10% (een bijkomstig gedeelte) van het loon omvat, zal het dan op grond van art. 13a, tweede lid, alsnog zijn vrijgesteld?

Op welk moment kan redelijkerwijs worden bepaald wat in de toekomst zal worden genoten, zo vragen de leden van de VVD-fractie.

Artikel II, onderdeel H (artikel 35 van de Wet op de loonbelasting 1964)

Het voorgestelde art. 35 spreekt van «op 31 maart 2000 reeds overeengekomen regelingen voor verlofsparen». Wat wordt daaronder verstaan, nu de wet op die datum het begrip verlofsparen niet kende? Wat zal de overgangsregeling precies in zal houden en waarom is de bewuste datum gekozen, zo vragen de leden van de PvdA-fractie. Is de indruk van deze leden juist dat volgens de MvT werknemers met op 1 april 2000 reeds bestaande verlofstuwmeren niet geconfronteerd worden met een belaste aanspraak? Hoe verhoudt zich dit tot het voorgestelde art. 11, vijftiende lid, dat bepaalt dat aan het einde van elk kalenderjaar een te groot verlofstuwmeer wordt belast? Hoe zal de regering gevolg geven aan de uitspraak van de staatssecretaris van Financiën dat het niet de bedoeling is om belasting te heffen op vrije dagen?

De leden van de VVD-fractie vragen om welke bestaande regelgeving het momenteel gaat. Wordt hier alleen gedoeld op het feit dat verlofrechten nu niet worden belast, maar dat het loon dat wordt betaald tijdens de verlofperiode in de heffing wordt betrokken? Hoe verhoudt zich deze overgangstermijn tot het feit dat werknemers met bestaande verlofaanspraken niet worden geconfronteerd met een belaste aanspraak, omdat hiervoor het regime van toepassing blijft zoals dat gold tot de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel (MvT, blz. 9 en 10)? Kunnen bestaande verlofspaarregelingen blijven bestaan naast een verlofspaarregeling op grond van deze nieuwe wetgeving? Zo ja, worden daar nog nadere voorwaarden aan verbonden?

De voorzitter van de commissie,

Van Gijzel

De griffier van de commissie,

Janssen


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Schutte (GPV), Reitsma (CDA), Rosenmöller (GL), Van Zijl (PvdA), Van Gijzel (PvdA), voorzitter, Witteveen-Hevinga (PvdA), Voûte-Droste (VVD), Noorman-den Uyl (PvdA), Giskes (D66), Kamp (VVD), Marijnissen (SP), Crone (PvdA), Van Dijke (RPF), Bakker (D66), De Vries (VVD), Hofstra (VVD), De Haan (CDA), ondervoorzitter, Stroeken (CDA), Van Beek (VVD), Balkenende (CDA), Vendrik (GL), Bos (PvdA), Remak (VVD), Wijn (CDA) en Kuijper (PvdA).

Plv. leden: Van der Vlies (SGP), Verburg (CDA), Harrewijn (GL), Smits (PvdA), Duijkers (PvdA), Koenders (PvdA), Balemans (VVD), Van Oven (PvdA), Schimmel (D66), Patijn (VVD), De Wit (SP), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Hoekema (D66), Van Walsem (D66), Wilders (VVD), Dankers (CDA), Hillen (CDA), Blok (VVD), Weekers (VVD), Bijleveld-Schouten (CDA), Rabbae (GL), Hindriks (PvdA), Hessing (VVD), Van den Akker (CDA) en Timmermans (PvdA).