Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal1999-200026905 nr. 5

26 905
Wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met onder meer de wijziging van de termijn van vaststelling van het hoger onderwijs- en onderzoeksplan

nr. 5
NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 8 februari 2000

In het voorstel van wet wordt artikel I, onderdeel D, als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van de onderdelen 1 en 2 tot de onderdelen 2 en 4 wordt een nieuw onderdeel 1 ingevoegd, luidende:

1. In onderdeel a wordt na «scheikundige technologie,» ingevoegd: technische bedrijfskunde, technische bestuurskunde, en wordt na «technische informatica,» ingevoegd: techniek en maatschappij,.

2. Na onderdeel 2 wordt een nieuw onderdeel 3 ingevoegd, luidende:

3. Onderdeel c wordt vervangen door:

c. biologie, biotechnologie, bodem, water en atmosfeer, bos- en natuurbeheer, dierwetenschappen, landinrichting, levensmiddelentechnologie, milieukunde, moleculaire wetenschappen, plant- en gewaswetenschappen, en technologie en milieumanagement aan de openbare universiteit te Wageningen,

3. In onderdeel 4 wordt in onderdeel g «informatiekunde» vervangen door: informatica.

TOELICHTING1

1. Algemeen

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het zonder meer instemmend luidt (artikel 25a, vierde lid, van de Wet op de Raad van State).

Deze nota van wijziging, die ik mede namens mijn ambtgenoot van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij onderteken, bevat onder meer een uitbreiding van de opleidingen waarvoor op grond van artikel 7.4, zesde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) de studielast 210 studiepunten bedraagt. Daarnaast wordt een herordening aangebracht in de opleidingen met een studielast van 210 studiepunten die door de openbare universiteit Wageningen worden aangeboden (artikel 7.4, zesde lid onderdeel c). Tenslotte is van de gelegenheid gebruik gemaakt een omissie in het wetsvoorstel te herstellen. Bij de opleidingen met 210 studiepunten die door de bijzondere universiteit te Amsterdam worden aangeboden (artikel 7.4, zesde lid onderdeel g), was abusievelijk de opleiding informatiekunde vermeld. Dit moet zijn de opleiding informatica.

In artikel 7.4, tweede lid, van de WHW is vastgelegd dat opleidingen in de regel een studielast van 168 studiepunten hebben. Hierop zijn uitzonderingen geformuleerd. De wet bevat een aantal opleidingen waarvoor een afwijkende omvang is bepaald. In het zesde lid is bepaald dat een aantal opleidingen op het gebied van de techniek, de natuur en de landbouw en natuurlijke omgeving 210 studiepunten omvat. In de regel heeft een student aanspraak op gemengde studiefinanciering gedurende vier studiejaren; voor de in het zesde lid genoemde opleidingen geldt een aanspraak van vijf jaar. Voorts kunnen universiteiten op grond van het zevende lid van dat artikel zelf bepalen dat een bepaalde opleiding een studielast heeft die groter is dan 168 studiepunten. Daar waar het universiteitsbestuur besluit de studielast van een opleiding hoger vast te stellen ( artikel 7.4, zevende lid WHW) heeft de student geen aanspraak op studiefinanciering gedurende een langere periode; de instelling moet dan zorgdragen voor adequate financiële ondersteuning van die student.

De beschikbaarheid van een voldoende aantal afgestudeerden in de technisch-wetenschappelijke en natuurwetenschappelijke opleidingen is van groot belang voor de groei van de Nederlandse economie. Herhaaldelijk is gewezen op de bestaande en verwachte tekorten op deze terreinen. Een belangrijk doel in mijn beleid is dan ook het stimuleren van de aantrekkelijkheid van deze opleidingen. In het HOOP 1998 en in het HOOP 2000 is in algemene zin het beleid terzake uiteengezet. Met de universiteiten zijn afspraken gemaakt over vernieuwing en verbreding van het opleidingenaanbod in de natuurwetenschappen, met het oog op vergroting van de aantrekkelijkheid van de bèta opleidingen en een betere aansluiting op de arbeidsmarkt (bèta convenant 1998). In het cursusjaar 1999/2000 is een groot aantal vernieuwde opleidingen reeds van start gegaan. Onderdeel van de discussie over deze problematiek is de cursusduur van de wetenschappelijke opleidingen. Hoewel niet onbelangrijk, doet de bij wet geregelde studielast van een opleiding als zodanig niet toe of af aan de aantrekkelijkheid van een opleiding voor aanstaande studenten. Alleen als van een opleiding de feitelijke studielast die nodig is om de eindtermen te realiseren, niet in overeenstemming is met de formele studielast van die opleiding, ontstaan problemen voor de student. De te grote feitelijke studielast wordt dan één van de factoren die een opleiding minder aantrekkelijk maken voor aanstaande studenten. Dan is ook de vraag aan de orde of het wettelijk kader een belemmering vormt om de aantrekkelijkheid van een opleiding te verbeteren.

Reeds in 1995 heeft een aantal technische opleidingen en opleidingen op het gebied van de landbouw en natuurbeheer een studielast gekregen van 210 studiepunten, en heeft daarbij de student een aanspraak op 5 jaar studiefinanciering gekregen (wet van 18 mei 1995, Stb. 306). In 1999 is ook de duur en daarmee de aanspraken op studiefinanciering van een groot aantal bèta-opleidingen verlengd (Tijdelijke wet aanwijzing bèta-opleidingen, Stb. 1999, 180). Beide keren is dit voorafgegaan door een uitgebreide beoordelingsronde. Daarmee was in beginsel de discussie over de gewenste studielast gesloten.

Inmiddels is echter gebleken dat voor een aantal opleidingen, te weten technische bedrijfskunde, technische bestuurskunde en techniek en maatschappij, de opbouw van het curriculum is gewijzigd. De betrokken universiteitsbesturen, te weten de openbare universiteiten te Delft, Eindhoven en Enschede hebben zelf de studielast van die opleidingen vastgesteld op 210 studiepunten, maar hebben een verzoek ingediend om ook voor deze opleidingen in de WHW de studielast op 210 studiepunten vast te stellen, opdat voor het vijfde studiejaar wèl het recht op studiefinanciering zou ontstaan. De argumentatie voor de aanpassing van het curriculum is de noodzaak om te kunnen voldoen aan internationaal geldende opvattingen over de eindtermen voor opleidingen op deze vakgebieden.

Ik heb mij laten adviseren over de gewenste studielast van deze vier opleidingen door een daartoe ingestelde commissie, de tijdelijke adviescommissie inzake de studielast van enkele technische opleidingen onder leiding van prof. dr. ir. B.P.Th. Veltman. In de instellingsbeschikking van de commissie is vastgelegd dat de commissie haar advies zal baseren op de volgende criteria:

a. De voorgestelde opleiding is niet studeerbaar binnen de gegeven cursusduur. Aangetoond moet zijn dat de instelling het maximale heeft gedaan om de organisatie van het onderwijs te verbeteren; eveneens moet zijn aangetoond dat de inzet van de studenten maximaal is.

b. De eindtermen van de opleiding zijn, ook in internationaal perspectief, niet overdreven zwaar. Verlaging van het niveau zou betekenen dat de eindtermen niet meer voldoen aan de eisen die daaraan nationaal en internationaal verband worden gesteld.

c. Er is sprake van een aantoonbaar tekort op de arbeidsmarkt aan afgestudeerden van deze opleiding.

d. Daar het opleidingen betreft die afgesloten worden met een ingenieursdiploma, gelden voor de eindtermen dezelfde eisen als in 1993 door de Raad van de centrale Ondernemingsorganisaties (RCO) zijn gehanteerd bij de beoordeling van de overige ingenieursopleidingen.

e. De voorstellen betreffen bestaande opleidingen.

De commissie heeft de opleidingen getoetst aan de genoemde criteria. Zij is in haar advies van 7 september 1999 tot een positief oordeel gekomen over de vier voorstellen en ik heb besloten dit advies te volgen.

De opleidingen technische bedrijfskunde aan de openbare universiteiten te Eindhoven en Enschede, technische bestuurskunde aan de openbare universiteit te Delft en techniek en maatschappij aan de openbare universiteit Eindhoven worden opgenomen in artikel 7.4, zesde lid. Omdat de instellingen deze opleidingen al aanbieden als opleidingen met 210 studiepunten op grond van het zevende lid van artikel 7.4, WHW, heeft deze wetswijziging geen gevolgen voor het Centraal register opleidingen hoger onderwijs (CROHO).

De openbare universiteiten te Enschede en te Wageningen hebben inmiddels ook een verzoek voorgelegd om voor enkele opleidingen op het gebied van de techniek respectievelijk landbouw en natuurlijke omgevingeveneens op te nemen in artikel 7.4, zesde lid, WHW. Ook hiervoor is het advies van de commissie Veltman ingewonnen. Naar aanleiding van het advies, voorzover dit advies mij aanleiding geeft tot verdere voorstellen omtrent verhoging van de studielast, zal ik mij beraden over de conclusies en het te volgen wetgevingstraject.

In de nota van wijziging is verder de bepaling betreffende de opleidingen op het gebied van de landbouw en natuurlijke omgeving opnieuw opgenomen. Door naamswijziging en herordening van het opleidingenaanbod binnen de openbare universiteit te Wageningen spoorde de naamgeving in artikel 7.4, zesde lid onderdeel c, niet meer met de namen in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs (CROHO).

De kosten van de in deze nota opgenomen maatregel belopen f 4 mln per jaar vanaf 2006. De kosten van de eerdere besluiten met betrekking tot verhoging van de studielast van de bèta-opleidingen (inclusief biologie en medische biologie) zijn geraamd op f 13,5 mln per jaar vanaf 2004. Beide bedragen zijn is uitsluitend opgebouwd uit de kosten van studiefinanciering; aanpassing van de rijksbijdrage aan de universiteiten voor deze maatregel is niet aan de orde. Bij elkaar levert dit een niet onaanzienlijke en structurele belasting op voor de rijksbegroting. Onder verwijzing naar mijn brieven inzake de cursusduur in het wetenschappelijk onderwijs van 15 april 1999, 21 juni 1999 en 12 oktober 1999 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer (kamerstukken II 1998/99, 26 339, nrs. 11 en 12 en kamerstukken II 1999/2000, 26 399, nr. 14) kom ik tot de conclusie dat de overheid na het treffen van bovengenoemde maatregelen, redelijke voorzieningen heeft getroffen voor de studielast en de daarmee samenhangende aanspraken op studiefinanciering voor alle bestaande opleidingen in het wetenschappelijk onderwijs.

2. Financiële gevolgen

Omdat de uitbreiding van de opleidingen in onderdeel a van artikel 7.4, zesde lid, in werking treedt met ingang van het studiejaar 2000–2001, zullen de extra kosten aan studiefinanciering die als gevolg van dit wetsvoorstel zullen optreden zich voor het eerst voordoen in 2006 als gevolg van de systematiek van studiefinanciering. Zij zullen worden opgevangen binnen de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

L. M. L. H. A. Hermans