Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2001-200226900 nr. 55

26 900
Defensienota 2000

nr. 55
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 21 juni 2002

De vaste commissie voor Defensie1 heeft op 13 juni 2002 overleg gevoerd met staatssecretaris Van Hoof van Defensie over:

de brief van de staatssecretaris van Defensie d.d. 28 mei 2002 inzake 17-jarigen (26 900, 52).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De heer De Vries (CDA) heeft waardering voor het feit dat de staatssecretaris hiermee een hernieuwde poging doet om de Kamer tegemoet te komen waar het gaat om de positie van 17-jarigen. Hij hecht, evenals de staatssecretaris, aan een directe aansluiting tussen afstuderen in vmbo of vo en instroom in de krijgsmacht, zij het dat daarvoor – de CDA-fractie heeft dit eerder bepleit – strikte waarborgen moeten worden gehanteerd. Met name de aanwezigheid van een wettelijke status voor de aspirant-militair vindt de heer De Vries van groot belang. Wordt de aspirant-militair in internationale verdragen nu wel of niet gezien als militair en, zo ja, kan deze dan wel of niet legitiem doelwit zijn in oorlogstijd? Leidt indeling van de aspirant-militair na zijn opleiding in een eenheid en niet in een functie – hij vindt het laatste van groot belang – niet tot een tweedeling binnen die eenheid? De heer De Vries benadrukt dat bij de wettelijke waarborgen beperking van de inzetbaarheid een kernpunt is; hetzelfde geldt voor het wapengebruik en de cesuur bij 18 jaar. Waarom heeft de staatssecretaris de in het protocol genoemde extra voorwaarde voor 17-jarigen in de krijgsmacht, namelijk de toestemming van ouders, niet opgenomen?

De heer De Vries meent dat het voorstel in ruimte mate tegemoetkomt aan het protocol en aan de intentie van de Kamer. Als het gaat om «straight 18» benadrukt hij dat het van belang is of iemand volwaardig militair zou zijn, dus inclusief de daarbij behorende inzetbaarheid. Er is sprake van een nieuwe, wettelijke status, volledig omkleed met waarborgen, waardoor niet meer kan worden gesproken van «kindsoldaten».

Mevrouw Karimi (GroenLinks) vindt dat de motie-Harrewijn niet op de juiste manier is ingevuld en dus niet door de staatssecretaris wordt uitgevoerd. Zij zal hierop terugkomen als er nieuwe voorstellen op dit punt komen.

Mevrouw Van Velzen (SP) meent dat aangenomen moties moeten worden uitgevoerd. De wens van de Kamer om de leeftijdsgrens voor vrijwillige rekrutering te verhogen naar 18 jaar is al tweeënhalf jaar geleden uitgesproken. Zij vindt het een regelrechte schoffering van de Kamer dat daarover nu nog moet worden gediscussieerd, en dan ook nog over een halfslachtig compromis. Verhoging van de leeftijd opent de mogelijkheid, het optioneel protocol bij het Verdrag voor de rechten van het kind te ratificeren en te pleiten voor een echt «straight 18». In het voorstel van de staatssecretaris vallen 17-jarigen onder de Krijgs- en tuchtwet en worden zij onder het humanitair oorlogsrecht als combattant bestempeld. 17-jarigen zijn volgens haar kinderen, die onder het genoemde verdrag recht hebben op extra bescherming. Het voorstel van de staatssecretaris vindt zij daarom niet acceptabel. Er kan een voorbeeld worden genomen aan de politie. Als de krijgsmacht met een minimum rekruteringsleeftijd van 18 jaar haar ambities niet kan waarmaken, moeten die ambities maar neerwaarts worden bijgesteld. Kan de staatssecretaris inzicht geven in uitgevoerde onderzoeken? Zij doet een beroep op het volgende kabinet om de motie uit te voeren.

De heer Palm (LPF) meent dat sprake is van een zeer zorgvuldige brief, waarin hij zich heel goed kan vinden. Het ontgaat hem enigszins dat 17-jarigen in de Nederlandse krijgsmacht, met alle ingebouwde zorgvuldigheid, als «kindsoldaten» worden aangemerkt. Hij beschouwt dit als spijkers op laag water zoeken.

Mevrouw Voûte-Droste (VVD) benadrukt dat de brief van de staatssecretaris van 28 mei een aantal punten bevat die zij van belang vindt. Het is een zorgvuldige afweging tussen het belang en de verantwoordelijkheden van jongeren, en de kwalitatieve invulling van de personeelsbehoefte van de krijgsmacht. De vier toegevoegde extra waarborgen bieden genoeg zekerheid dat een en ander zorgvuldig wordt uitgevoerd. Zij steunt derhalve het voorstel.

De heer Teeven (LN) is aangenaam verrast door de brief van de staatssecretaris, waarin sprake is van een weloverwogen afweging. Het woord «kindsoldaten» verwijst toch naar andere zaken dan 17-jarigen in de Nederlandse krijgsmacht. Een punt van zorg is het geven van toestemming door de wettelijk vertegenwoordiger. Het gaat niet aan, gelet op de moeilijke personele situatie in de krijgsmacht, zo'n weloverwogen voorstel zo kritisch te benaderen.

Mevrouw Albayrak (PvdA) meent dat de Kamer tot tweemaal toe een duidelijk signaal heeft afgegeven. Aangenomen moties moeten worden uitgevoerd. Dit algemeen overleg is het resultaat van het feit dat de aangenomen moties niet worden uitgevoerd. Zolang Nederland 17-jarigen in dienst neemt, kan het internationaal helemaal niets voor elkaar krijgen. Het debat gaat volgens haar niet over 17-jarigen, maar over kindsoldaten. De internationale werkelijkheid wordt door de houding van de staatssecretaris veronachtzaamd. Wat er nu ligt, is niet genoeg; in de brief van 28 mei staat helemaal niets nieuws. Daarmee laat de staatssecretaris een aantal kansen liggen om problemen bij de werving goed aan te pakken. Het is niet juist dat de 17-jarigen de wervingsproblemen bij Defensie gaan oplossen. De wettelijke waarborgen zijn een wassen neus. De burgervariant is voor mevrouw Albayrak de enige optie. De Kamer mag zich niet met dit kluitje in het riet laten sturen.

Mevrouw Lambrechts (D66) vindt dit punt aangelegen, aangezien het internationale probleem van de kindsoldaten buitengewoon belangrijk is, waarover internationaal gezien een goed signaal moet worden afgegeven. Zij vindt het buitengewoon opvallend om te zien, hoe één en dezelfde brief verschillend kan worden geïnterpreteerd. Een heel belangrijk punt zou moeten zijn, of het met het voorstel van de staatssecretaris mogelijk wordt, het protocol, inclusief de «straight 18 rule», te ratificeren. Hoe kijkt de staatssecretaris daartegenaan? Hoewel zij buitengewoon gevoelig is voor het argument van het personeelstekort, is zij er niet helemaal van overtuigd of de aspirant-status van militair daarvoor nodig is. Moet niet veel meer worden gedaan aan het aantrekkelijker maken van de opleiding en de status daarvan?

Antwoord van de regering

De staatssecretaris onderstreept dat de regering tegenstander is van kindsoldaten. De situatie in Nederland is op dat punt niet vergelijkbaar met die in een land als Sierra Leone. Het gaat om de vraag in hoeverre Nederland internationaal hierop kan worden aangesproken. Er is gekozen voor een inzet, waarbij in ieder geval een protocol tot stand komt. Daarbij ligt een wat pragmatische benadering voor de hand. Over de invulling van Nederlandse kant is vele malen gesproken, waarbij ook aandacht is besteed aan het effect van het niet meer kunnen werven van 17-jarigen. Tegen mevrouw Albayrak zegt hij dat haar motie over de inzet van Turkse dienstplichtigen inmiddels volledig is uitgevoerd. De staatssecretaris benadrukt, heel graag meer vrouwen in dienst te nemen.

Dit neemt allemaal niet weg dat de groep van 17-jarigen 30% van de instroom uitmaakt. Als het aannemen van 17-jarigen niet meer mogelijk is, zal dat een enorm gat slaan in de noodzakelijke invulling van de krijgsmacht. Volgens de staatssecretaris is dit de reden geweest van zijn opstelling. Het laatste algemeen overleg liet bij hem de indruk achter dat de Kamer vond dat de ingeslagen weg mogelijkerwijze tot een oplossing kan leiden. Er is gekozen voor een weg die maximaal tegemoetkomt aan de wensen van de Kamer. In hoeverre gaat het hierbij om 17-jarigen die kunnen worden ingezet in oorlogssituaties? De staatssecretaris herhaalt dat, op het moment dat Nederland betrokken zou raken bij gevechtssituaties, de 17-jarigen naar huis worden gestuurd, dat wil zeggen dat hun contract wordt verbroken. Een militair van 17 jaar kan dus geen doelwit zijn. Op oorlogssituaties kan ruimschoots worden geanticipeerd. Voor militairen in het buitenland kan hij zich alleen maar een oefensituatie voorstellen.

De staatssecretaris benadrukt, in reactie op de vraag of er door de voorgestelde maatregel een tweedeling bij eenheden zal ontstaan, dat er nu ook al allerlei delingen bij eenheden zijn. Instemming van de ouders – hij vat dit op als «wettelijk vertegenwoordigers» in de ruimste zin van het woord – zal expliciet worden opgenomen in de rechtspositieregelingen. Gezien het huidige protocol, de waarborgen en dat wat de staatssecretaris in het debat heeft gezegd, vindt hij dat het protocol door Nederland kan worden ondertekend. Er is echter geen protocol met een «straight 18»-element. Volgens het protocol mogen kinderen boven de 15 jaar en onder de 18 jaar militair zijn, zij het met de nodige beschermingsmaatregelen, welke zijn neergelegd in de waarborgen. In die zin voldoet Nederland aan de in het protocol genoemde eisen. Er is op dit moment geen praktische mogelijkheid om «straight 18» te verwoorden in het protocol. De staatssecretaris zal internationaal proberen uit te leggen dat Nederland de intentie van het niet-inzetten van kindsoldaten in gevechtssituaties steunt en daaraan maximaal tegemoetkomt door de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de tekst van het protocol. Hiermee wordt de motie van de heer Harrewijn niet volledig uitgevoerd en wordt maximaal tegemoetgekomen aan de mogelijkheden in Nederland, rekening houdend met praktische omstandigheden in het kader van de werving. Commissieleden die vinden dat «straight 18» de enige uitvoering van de motie-Harrewijn is, hebben gelijk als zij zeggen dat die motie in die zin door de staatssecretaris niet wordt uitgevoerd. Bruikbare creatieve ideeën zullen worden bekeken. De burgervariant komt daarvoor niet in aanmerking. In antwoord op de vraag van mevrouw Van Velzen om inzicht in onderzoeken, verwijst de staatssecretaris naar de verslagen van eerder hierover gehouden algemene overleggen. Desondanks zal hij bezien of het mogelijk is daarover nog additionele schriftelijke informatie te sturen.

De fng. voorzitter van de vaste commissie voor Defensie,

Melkert

De wnd. griffier van de vaste commissie voor Defensie,

Kok


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Melkert (PvdA), fng. voorzitter, Voûte-Droste (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Verhagen (CDA), Vos (GroenLinks), Bakker (D66), B. M. de Vries (VVD), Hofstra (VVD), De Haan (CDA), Koenders (PvdA), Van Beek (VVD), Karimi (GroenLinks), Timmermans (PvdA), Albayrak (PvdA), Hoogendijk (LPF), Van Winsen (CDA), Palm (LPF), Mastwijk (CDA), Herben (LPF), Ormel (CDA), Kortenhorst (CDA), Teeven (LN), Huizinga-Heringa (ChristenUnie), Van Velzen (SP) en Wijnschenk (LPF).

Plv. leden: J. M. de Vries (CDA), Van den Brand (GroenLinks), Lambrechts (D66), Groenink (LPF), Wiersma (LPF), Bruls (CDA), Smolders (LPF), Jense (LN), Van der Staaij (SGP), Van Bommel (SP) en Janssen van Raay (LPF).