Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2001-200226900 nr. 52

26 900
Defensienota 2000

nr. 52
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 mei 2002

Inleiding

Tijdens het algemeen overleg op 7 maart 2002 is uitvoerig van gedachten gewisseld over de zogenaamde zeventienjarigen problematiek. Daarbij zijn de mogelijkheden en onmogelijkheden besproken van mijn voorstel om zeventienjarigen, tot het moment dat ze 18 jaar worden, als aspirant-militair bij Defensie aan te stellen. Na afloop van dit overleg heb ik toegezegd dat ik mijn standpunt naar aanleiding van uw opmerkingen en suggesties op korte termijn nader zal bezien.

In deze brief licht ik mijn standpunt verder toe en schets enkele aanpassingen van mijn eerdere voorstel. Hierbij heb ik een zorgvuldige afweging moeten maken tussen twee belangen. Ten eerste is het de wens van de Tweede Kamer om de motie Harrewijn (TK 1999–2000, 26 900, nr. 15) uit te voeren. In deze motie wordt de regering verzocht ernaar toe te werken jongeren pas daadwerkelijk in dienst te laten treden als zij de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt. Deze wens, waar ik zo veel mogelijk gevolg aan wil geven, heb ik af moeten wegen tegen het tweede belang, namelijk de verantwoordelijkheid die ik draag voor het vullen van de eigen defensieorganisatie met geschikt personeel.

Zeventienjarigen onmisbaar vanuit wervingsoogpunt

In twee eerdere brieven aan de Tweede Kamer (TK 2001–2002, 26 900, nrs. 45 en 48), heb ik echter benadrukt dat zeventienjarigen een belangrijke doelgroep zijn voor de werving en de huidige en toekomstige vulling van de krijgsmacht. Defensie heeft immers een grote behoefte aan personeelsleden die op vmboen mbo-niveau functioneren. Deze groep komt op een leeftijd van 17 jaar van school en moet dan een keuze voor een baan bij Defensie kunnen maken. Het afgelopen jaar bijvoorbeeld zijn ruim 1800 jongeren in de leeftijd van 17 jaar als beroepsmilitair met een contract voor bepaalde tijd (zogenaamde BBT-militairen) aangesteld.

Dit was circa 27 procent van het totaal aantal aangestelde BBT'ers. De verwachting is dat dit aandeel de komende jaren op zijn minst gelijk zal blijven.

Indien zeventienjarigen, als de genoemde motie naar de letter wordt uitgevoerd, voor Defensie als doelgroep verloren gaan, betekent dit een forse vermindering van het wervings- en aanstellingsresultaat. Een groot aantal zeventienjarigen, die geïnteresseerd zijn in een baan bij Defensie, zal niet een jaar lang willen wachten, voordat zij militair mogen worden. Velen van hen zullen een baan elders zoeken. Voor 2001 zou dit bijvoorbeeld een terugval van 84 naar 64 procent in het aanstellingsresultaat hebben betekend. De conclusie luidt dat zeventienjarigen onmisbaar zijn voor een goed gevulde en adequaat functionerende defensieorganisatie.

Overbruggen tot 18 jaar: burgervariant valt af

Om voor zeventienjarigen de periode tot het 18e jaar te overbruggen, zijn er twee varianten denkbaar, te weten een aanstelling als aspirant-militair en als burger. Deze laatste optie valt zoals ik in het overleg op 7 maart al aangaf, voor mij af. Een burgerstatus zal voor veel zeventienjarigen het aangaan van een dienstverband met Defensie onaantrekkelijk maken. Ze willen immers bij Defensie komen werken om militair te kunnen worden. Uit onderzoek blijkt dat jongeren die eenmaal voor een baan bij Defensie als militair hebben gekozen, ook zo veel mogelijk de bij het beroep van militair behorende status willen krijgen. Zaken als het dragen van een uniform (en hier trots op kunnen zijn), fysieke inspanning leveren, teamvorming en discipline, spelen hierbij een niet te onderschatten rol. Het vooruitzicht eerst een jaar als burger te moeten dienen en daarna pas militair te mogen worden, zal bij de werving weinig zeventienjarigen over de streep trekken.

Een burgerstatus zal mogelijk ook gevolgen hebben voor de tussentijdse uitstroom. Indien zeventienjarigen als burger tussen hun oudere militaire collega's moeten vertoeven, hebben ze in veel gevallen het gevoel er niet echt bij te horen. Dit kan een negatieve invloed hebben op het tussentijds verloop.

Status van aspirant-militair

De enige werkbare en ook realistische overbruggingsvariant, die maximaal tegemoet komt aan de intentie van de motie en tegelijkertijd zo min mogelijk ten koste zal gaan van de werving, is de zeventienjarigen de status van aspirant-militair te geven tot het moment dat ze 18 jaar worden. Deze status, die separaat zal worden vastgelegd in de Militaire Ambtenarenwet, verschaft de zeventienjarigen wel een militaire status, doch bevat evenwel een aantal zorgvuldige waarborgen in de vorm van beperkingen ter bescherming van de zeventienjarigen.

Ten eerste zullen aspirant-militairen niet als combattant worden ingezet. Ook is een deelname aan crisisbeheersings- en vredehandhavende operaties uitgesloten. Deze groep jongeren kan en mag dus in geen enkele vorm van militair conflict worden ingezet.

Ten tweede mogen aspirant-militairen geen wapens dragen. Uitzondering wordt gemaakt voor exercitie, oefeningen, schietopleidingen en (incidenteel voorkomende) ceremoniële taken, zoals erewachten. Bij deze uitzonderingen wordt geen gebruik gemaakt van scherpe munitie, behalve bij de schietopleiding, waarbij dus uitsluitend in een afgeschermde en volledig gecontroleerde omgeving met scherp wordt geschoten.

De derde beperking heeft betrekking op het keuzemoment. De status van aspirant-militair gaat bij het bereiken van het 18e jaar over in die van – regulier – militair. Op dat moment krijgen de aspirant-militairen een expliciete keuze voorgelegd om hetzij als militair in dienst te treden hetzij terug te keren in de burgermaatschappij. Overigens zullen aspirant-militairen als zij dit wensen de dienst te allen tijde kunnen verlaten.

De vierde beperking betreft de instroom bij de eenheden. Een deel van de aspirant-militairen is na het voltooien van de initiële opleiding nog geen 18 jaar. Afgelopen jaar waren dat er bijvoorbeeld 800. Deze groep jongeren bracht gemiddeld nog drie maanden door bij de operationele eenheden voordat ze 18 jaar werden. In tegenstelling tot mijn eerdere voorstel stel ik nu voor dat deze aspirant-militairen wel binnenstromen bij de eenheden, maar niet op een functie worden geplaatst. Hun verblijf bij de eenheid staat tot hun 18e verjaardag in het teken van kennismaken met het bedrijf en het opdoen van zoveel mogelijk werkervaring. Deze groep zeventienjarigen wordt per eenheid apart begeleid.

Afsluitend

Met dit voorstel wordt naar mijn mening zo veel mogelijk tegemoet gekomen aan de wensen van de Tweede Kamer en gevolg gegeven aan de motie Harrewijn, terwijl tegelijkertijd een optimale vulling van de defensieorganisatie nu en in de toekomst wordt zeker gesteld. Tevens geeft Defensie hiermee volledig invulling aan het facultatief Protocol «Kinderen in een gewapend conflict» en wordt de bescherming van zeventienjarigen bij wet verwezenlijkt.

De Staatssecretaris van Defensie,

H. A. L. van Hoof