A
ADVIES RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT
Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State d.d. 10 augustus
1999 en het nader rapport d.d. 14 oktober 1999, aangeboden aan de Koningin
door de minister van Buitenlandse Zaken. Het advies van de Raad van State
is cursief afgedrukt.
Bij Kabinetsmissive van 25 juni 1999, no. 99.003011, heeft Uwe Majesteit,
op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de Minister
van Verkeer en Waterstaat, bij de Raad van State van het Koninkrijk ter overweging
aanhangig gemaakt het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de
Dominicaanse Republiek inzake luchtdiensten tussen en via hun onderscheiden
grondgebieden, met bijlage; Santo Domingo, 15 december 1998 (Trb. 1999, 11),
met toelichtende nota.
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabient van 25 juni 1999,
nr. 99.003011, machtigde uwe Majesteit de Raad van State van het Koninkrijk
zijn advies inzake het bovenvermelde verdrag rechtstreeks aan mij te doen
toekomen. Dit advies, gedateerd 10 augustus 1999, nr. W09.99.0305/V/K, bied
ik U hierbij aan.
Ingevolge artikel 2 van het verdrag verleent elke verdragsluitende partij
aan de andere een aantal rechten voor het verrichten van internationaal luchtvervoer
door de aangewezen luchtvaartmaatschappij van de andere verdragsluitende partij.
Ingevolge artikel 8 dient echter de door elke verdragsluitende partij aangewezen
luchtvaartmaatschappij steeds zestig dagen tevoren de dienstregeling van voorgenomen
diensten ter goedkeuring voor te leggen aan de luchtvaartautoriteiten van
de andere verdragsluitende partij. De verhouding tussen beide bepalingen is
niet geheel duidelijk. De Raad van State van het Koninkrijk adviseert in de
toelichtende nota uiteen te zetten welke de samenhang is tussen beide bepalingen.
Conform het advies van de Raad van State van het Koninkrijk is aan de
toelichting een alinea toegevoegd waarin de verhouding tussen de artikelen
2 en 8 is aangegeven.
De Raad van State van het Koninkrijk geeft U in overweging goed te vinden
dat bedoelde Verdrag wordt overgelegd aan de beide Kamers der Staten-Generaal,
aan de Staten van de Nederlandse Antillen en aan die van Aruba, nadat aan
het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State,
H. D. Tjeenk Willink
Ik moge U mede namens mijn ambtgenote van Verkeer en Waterstaat verzoeken
mij te machtigen gevolg te geven aan mijn voornemen het verdrag vergezeld
van de gewijzigde toelichtende nota ter stilzwijgende goedkeuring over te
leggen aan de Eerste en aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal en tevens
over te leggen aan de Staten van de Nederlandse Antillen en de Staten van
Aruba.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
J. J. van Aartsen