nr. 3
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 11 november 1999
Deze zomer verzocht ik de Algemene Rekenkamer een onderzoek in te stellen
naar de beveiliging van vertrouwelijke gegevens bij de Belastingdienst. Dit
naar aanleiding van een incident op de eenheid Particulieren in Utrecht. Door
enkele leden van uw Kamer zijn hier indertijd vragen over gesteld. Bij de
beantwoording van die vragen heb ik het onderzoek ook aangekondigd (zie Aanhangsel
Handelingen II, vergaderjaar 1998–1999, nr. 1712).
Op 11 november 1999 heeft de Algemene Rekenkamer de resultaten van dit
onderzoek in het rapport «Omgaan met vertrouwelijke gegevens bij de
Belastingdienst» aan u toegezonden. Graag wil ik mijn waardering uitspreken
voor de snelheid waarmee het onderzoek is uitgevoerd en voor het bereikte
resultaat.
Ik onderschrijf de eindconclusie en kan mij vinden in de aanbevelingen.
Wel hecht ik eraan de bevindingen van de Rekenkamer te plaatsen in de context
van de ontwikkelingen in de afgelopen jaren. De Belastingdienst besteedt veel
aandacht aan informatiebeveiliging en integriteit. Daarbij heeft de nadruk
vooral gelegen op de beveiliging van het bedrijfsproces en het voorkomen van
inbreuken van buitenaf. Bij een organisatie die zo zwaar op ICT leunt als
de Belastingdienst is dit laatste natuurlijk van zeer groot belang. Wellicht
ten overvloede merk ik op dat bij het stellen van prioriteiten in de afgelopen
jaren het oplossen van de euro- en millenniumproblematiek een grote rol heeft
gespeeld.
De Rekenkamer concludeert dat de aandacht op de werkvloer voor het productieproces
tot gevolg heeft dat informatiebeveiliging en integriteit minder of in bepaalde
gevallen lage prioriteit hebben gekregen, waardoor er een spanningsveld is
ontstaan tussen enerzijds het voldoen aan de productie-eisen en klantgerichtheid
richting belastingplichtigen en anderzijds de beheersing van risico's op het
gebied van informatiebeveiliging en integriteit.
Ik deel deze conclusie, maar merk tevens op dat de medewerkers van de
Belastingdienst in het algemeen gesproken op prudente wijze omgaan met de
vertrouwelijke informatie, waarmee zij in hun werk te maken krijgen.
Ik heb grote waardering voor de vele aanbevelingen die de Rekenkamer doet
om het omgaan met vertrouwelijke gegevens beter te beveiligen. Ook spreekt
mij aan dat rekening is gehouden met een gedifferentieerde aanpak door verschillende
soorten maatregelen aan te geven die elkaar kunnen versterken en soms vervangen.
De aanbevelingen bieden daarmee een uitstekend handvat om het ingezette beleid
binnen de Belastingdienst op het terrein van beveiliging en integriteit verder
uit te bouwen en te verbeteren. De Belastingdienst ontwikkelt op korte termijn
een programma om de gesignaleerde knelpunten aan te pakken. Ik zal u bij het
Beheersverslag van de Belastingdienst over 1999 nader informeren over de gekozen
aanpak.
De Staatssecretaris van Financiën,
W. A. F. G. Vermeend