nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 10 februari 2000
Het verheugt ondergetekende dat de vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat,
onder het voorbehoud dat de gestelde vragen en gemaakte opmerkingen afdoende
worden beantwoord, de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende
voorbereid acht.
Algemeen
De leden van de VVD-fractie hebben een aantal vragen met betrekking tot
het toepassingsbereik van de richtlijn. Zij wensen te vernemen of de richtlijn
ook van toepassing is op uitrusting bestemd voor «niet-communautaire»
schepen die uitsluitend in communautaire wateren varen, uitrusting voor passagiersschepen
(in het bijzonder Griekse en Italiaanse veerboten die voornamelijk eigen havens
aandoen) en uitrusting voor binnenschepen. Voorzover de richtlijn ten aanzien
van deze schepen niet van toepassing is, wensen zij te vernemen aan welke
regels de uitrusting van die schepen dan wel is onderworpen.
Met betrekking tot het toepassingsbereik van de richtlijn kan in algemene
zin worden geantwoord dat de richtlijn uitsluitend van toepassing is op uitrusting
bestemd voor zeegaande schepen waarvoor op grond van de in de richtlijn genoemde
internationale scheepvaartverdragen certificaten zijn afgegeven door of namens
een lidstaat van de Europese Unie (of een staat die partij is bij de Overeenkomst
inzake de Europese Economische Ruimte; zie artikel 31 van het wetsvoorstel).
Uitrusting bestemd voor schepen waarvoor op grond van de in de richtlijn genoemde
verdragen geen certificaten zijn vereist, of voor schepen waarvoor de op grond
van die verdragen vereiste certificaten niet zijn afgegeven door of namens
een lidstaat van de Europese Unie, valt niet onder de richtlijn.
De op grond van de internationale scheepvaartverdragen vereiste certificaten
worden afgegeven door of namens de staat wiens vlag een schip gerechtigd is
te voeren, de vlaggenstaat. Aangezien de richtlijn aanknoopt bij de afgifte
van deze certificaten, vallen schepen die niet onder een vlag van één
van de lidstaten van de Europese Unie varen, buiten de werkingssfeer van de
richtlijn. De omstandigheid dat deze – in de memorie van toelichting
bij het wetsvoorstel gemakshalve als «niet-communautair» aangeduide – schepen wellicht mede of zelfs uitsluitend in communautaire
wateren varen, is voor de toepasselijkheid van de richtlijn niet van belang.
Op uitrusting bestemd voor«niet-communautaire» schepen is de wetgeving
van de desbetreffende vlaggenstaten van toepassing.
De internationale verdragen waarbij de richtlijn aanknoopt, gelden in
beginsel zowel voor vrachtschepen als voor passagiersschepen. De richtlijn
is derhalve ook van toepassing op de uitrusting van passagiersschepen. Wel
is voor de toepasselijkheid van de richtlijn vereist dat het gaat om passagiersschepen
waarmee ook «internationale reizen» worden ondernomen, omdat de
verdragen niet van toepassing zijn op passagiersschepen die – zoals
vaak het geval is bij de door de leden aan het woord aangehaalde Griekse en
Italiaanse veerboten – uitsluitend op trajecten tussen nationale havens
worden ingezet. Dergelijke schepen vallen echter weer onder een andere richtlijn,
te weten de richtlijn «passagiersschepen in nationale vaart» (richtlijn
nr. 98/18/EG van de Raad van de Europese Unie van 17 maart 1998 inzake veiligheidsvoorschriften
en -normen voor passagiersschepen; PbEG L 144), die eveneens uitrustingsregels
bevat. Overigens kan de richtlijn scheepsuitrusting wel indirect van toepassing
zijn op de uitrusting van passagiersschepen in nationale vaart. In richtlijn
nr. 98/18/EG is namelijk geregeld dat scheepsuitrusting die overeenkomstig
richtlijn nr. 96/98/EG is goedgekeurd, zonder meer geschikt moet worden geacht
voor plaatsing aan boord van passagiersschepen in nationale vaart (zie de
artikelsgewijze toelichting bij artikel 2 van het wetsvoorstel).
Ook uitrusting bestemd voor plaatsing aan boord van binnenschepen valt
niet onder de richtlijn. De in de richtlijn genoemde verdragen zijn uitsluitend
van toepassing op zeegaande schepen. Voor binnenschepen gelden de uitrustingseisen
op grond van de Binnenschepenwet en, voorzover het gaat om schepen die de
Rijn bevaren, de uitrustingseisen van het Reglement onderzoek schepen op de
Rijn. Of ook de door de leden van de VVD-fractie aangehaalde binnen/buitenschepen
onder de richtlijn vallen, zal afhangen van de trajecten waarop die schepen
worden ingezet en de voor die trajecten vereiste certificaten. De richtlijn
zal op deze schepen alleen dan van toepassing zijn, indien voor die schepen
(tevens) certificaten zijn afgegeven op grond van de in de richtlijn genoemde
internationale verdragen, hetgeen overigens doorgaans het geval zal zijn.
De leden van meergenoemde fractie wensen tevens te vernemen voor welke
schepen geen certificaten vereist zijn. Naar ondergetekende aanneemt, houdt
deze vraag verband met het feit dat de internationale verdragen doorgaans
pas vanaf een bepaalde lengte of een bepaald tonnage van toepassing zijn,
zoals in paragraaf 3, onderdeel d, van de memorie van toelichting is
opgemerkt.
Het is niet eenduidig aan te geven, voor welke schepen geen certificaatsvereiste
geldt op grond van de verdragen. De ondergrenzen verschillen per verdrag en
kunnen ook binnen de verdragen per onderwerp verschillen. Voor de toepassing
van de richtlijn zijn echter met name het SOLAS-verdrag en – zij het
in aanzienlijk mindere mate – het MARPOL-verdrag van belang, omdat de
richtlijn (vooralsnog) slechts betrekking heeft op door deze twee verdragen
voorgeschreven uitrusting. SOLAS, dat ziet op de veiligheid van het schip
en zijn opvarenden, is in beginsel van toepassing op alle passagiersschepen
met meer dan 12 passagiers en voorts op alle vrachtschepen vanaf 500
ton. Bepaalde voorschriften gelden echter ook al voor vrachtschepen vanaf 300
ton of zelfs vanaf 150 ton. MARPOL, dat strekt ter voorkoming van mariene
verontreiniging door schepen, kent wat betreft de voorkoming van olieverontreiniging
een ondergrens van 150 ton voor olietankschepen en 400 ton voor
alle overige schepen. Voor de overige vormen van verontreiniging die het verdrag
beoogt tegen te gaan – o.a. schadelijke stoffen en vuilnis – gelden
in beginsel geen ondergrenzen. Factoren als tonnage kunnen dan echter wel
weer bepalend zijn voor de mate waarin aan boord van een schip bepaalde voorzieningen
ter voorkoming van verontreiniging aanwezig moeten zijn, en voor de aard van
die voorzieningen.
Voor de volledigheid zij nog opgemerkt dat het ontbreken van een internationaal
certificaatsvereiste voor bepaalde categorieën vaartuigen niet betekent
dat deze vaartuigen in het geheel niet certificaatsplichtig zouden zijn. In
Nederland geldt doorgaans ook voor deze schepen een certificaatsvereiste.
In het kader van die certificering worden eveneens eisen gesteld aan de uitrusting;
eisen die in beginsel identiek zijn aan de eisen die worden gesteld aan de
uitrusting van schepen die wel onder de verdragen vallen.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
T. Netelenbos