A
ADVIES RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT1
Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State d.d. 16 juli
1999 en het nader rapport d.d. 24 september 1999, aangeboden aan de Koningin
door de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Het advies
van de Raad van State is cursief afgedrukt.
Bij Kabinetsmissive van 8 juni 1999, no. 99.002566, heeft Uwe Majesteit,
op voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
mevrouw K.Y.I.J. Adelmund, bij de Raad van State ter overweging aanhangig
gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting tot wijziging van
de wet van 15 mei 1997 tot wijziging van onder meer de Wet op het basisonderwijs,
de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs
en de Wet op het voortgezet onderwijs inzake het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid
(Stb. 237) en de wet van 5 maart 1998, houdende wijziging van enkele
onderwijswetten in verband met het onderwijs in allochtone levende talen en
enkele technische aanpasssingen (Stb. 148), inzake indexering specifieke
uitkeringen.
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 8 juni 1999,
nr. 99.002566, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies inzake
het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen.
Dit advies, gedateerd 16 juli 1999, nr. W05.99.0269/III, bied ik U hierbij
aan.
Met het wetsvoorstel wordt de indexering van specifieke uitkeringen ten
behoeve van het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid en het onderwijs
in allochtone levende talen voor de schooljaren 1999/2000, 2000/2001 en 2001/2002
mogelijk gemaakt. Ingevolge de voorgestelde artikelen I, tweede lid, en II,
vijfde lid, wordt aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
de bevoegdheid toegekend om, indien dat naar zijn oordeel nodig is op grond
van de toestand van 's Rijks kas, bij ministeriële regeling de specifieke
uitkeringen te wijzigen en de aanpassingen waarop de voorgestelde bepalingen
zien achterwege te laten.
Naar het oordeel van de Raad van State creëert de aan de minister
verleende bevoegdheid tot het achterwege laten van de indexering voor de betrokken
onderwijsinstellingen een onduidelijke budgettaire situatie, omdat op deze
wijze aan de minister tevens de mogelijkheid wordt geboden het met dit wetsvoorstel beoogde effect van de indexering geheel te niet te doen.
De bij wet te regelen indexering kan immers weer achterwege worden gelaten
op grond van het oordeel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
over de toestand van 's Rijks kas. Het college wijst er in dit verband echter
op dat de beoordeling van de toestand van 's Rijks kas een verantwoordelijkheid
is van het kabinet als geheel en van de Minister van Financiën in het
bijzonder.
Gelet op het voorgaande adviseert de Raad de artikelen I, tweede lid,
en II, vijfde lid, van het wetsvoorstel aan te passen door de bevoegheid tot
het achterwege laten van de indexering te schrappen en de wijziging van de
specifieke uitkering niet afhankelijk te maken van het oordeel van de Minister
Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen over de toestand van 's Rijks kas.
1. Conform het advies van de Raad van State zijn de artikelen I, tweede
lid, en II, vijfde lid, aangepast in die zin, dat de wijziging van de specifieke
uitkering niet langer afhankelijk wordt gemaakt van het oordeel van de Minister
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen over de toestand van 's Rijks kas.
De bevoegdheid tot het achterwege laten van de indexering indien de toestand
van 's Rijks schatkist dat noodzakelijk maakt, kan naar mijn mening echter
niet geschrapt worden. In zoverre is het advies van de Raad van State derhalve
niet gevolgd. Het oordeel van de Raad van State dat deze bevoegdheid voor
de betrokken onderwijsinstellingen een onduidelijke budgettaire situatie creëert,
deel ik niet. Immers, in de eerste plaats biedt het criterium «voor
zover de toestand van 's Rijks schatkist dat noodzakelijk maakt» aan
de betrokken gemeenten en onderwijsinstellingen een voldoende waarborg dat
niet lichtzinnig zal worden besloten tot het geheel of gedeeltelijk achterwege
laten van de indexering. In de tweede plaats valt niet in te zien waarom de
bevoegdheid tot het geheel of gedeeltelijk achterwege laten van de indexering
zou moeten worden geschrapt, terwijl de (verdergaande) bevoegdheid tot het
wijzigen van de specifieke uitkering in de wet gehandhaafd blijft.
2. Naar aanleiding van de uitvoeringstoets van de Centrale financiën
instellingen (Cfi) van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
is de wijze waarop de indexering van de goa-uitkering wordt berekend, enigszins
vereenvoudigd. In plaats van uit te gaan van twee componenten (enerzijds de
ontwikkeling van de gemiddelde personeelslasten en anderzijds de prijsmutatie
van de netto materiële consumptie zoals opgenomen in de MEV), is ervoor
gekozen nog slechts met één component rekening te houden (de
ontwikkeling van de gemiddelde personeelslasten). Voor de gemeenten betekent
dit geen nadeel en zelfs zij het in beperkte mate een financieel voordeel.
Daartegenover wordt de uitvoeringslast aanzienlijk verminderd.
In de oalt-uitkering zijn, in tegenstelling tot de GOA-uitkering, de componenten
personeel en materieel duidelijk onderscheiden. Indexering aan de hand van
slechts één percentage zou daarom nauwelijks voordelen hebben
voor de uitvoering. Om deze reden is de wijze waarop de indexering van de
oalt-uitkering wordt berekend, ongewijzigd gebleven.
De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden
aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening
zal zijn gehouden.
De waarnemend Vice-President van de Raad van State,
H. D. Tjeenk Willink
Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en
de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal
te zenden.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
K. Y. I. J. Adelmund