Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum indiening
Tweede Kamer der Staten-Generaal1999-200026812 nr. 5

26 812
Wijziging van de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en enkele andere wetten in verband met de inwerkingtreding van de Wet beperking export uitkeringen (Wijzigingswet beperking export uitkeringen)

nr. 5
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 3 november 1999

Algemeen; strekking van het wetsvoorstel

Het kabinet is verheugd over de brede instemming die het onderhavige wetsvoorstel heeft bij de leden van de verschillende fracties. Wel geven deze leden aan op onderdelen nog vragen te hebben over het wetsvoorstel dan wel over de voortgang bij de implementatie van de Wet van 27 mei 1999, Stb. 250 (verder: Wet BEU) die op 1 januari 2000 in werking treedt (Besluit van 11 juni 1999, Stb. 251).

De leden van de VVD-fractie vragen of zij het goed begrijpen dat de herlevingsmogelijkheid van het wetsvoorstel tevens geldt ten aanzien van uitkeringsgerechtigden die hun uitkering verliezen (na de overgangstermijn) omdat er wel een verdrag bestaat maar daarin geen handhavingsbepalingen zijn opgenomen, maar die later alsnog aan het bestaande verdrag worden toegevoegd. Dit is inderdaad juist.

Voorts vragen de leden van de VVD-fractie de regering om aan te geven om welke reden er thans wel voor is gekozen de mogelijkheid te creëren op grond van de algemene maatregel van bestuur ministeriële regelingen te treffen. Onlangs heb ik de voorzitter van uw Kamer het ontwerp aangeboden voor het Besluit afwijkende regels beperking export uitkeringen dat, conform mijn toezegging aan uw Kamer tijdens de behandeling van de Wet BEU op 29 oktober 1998, dient te worden voorgehangen. Op grond van dit besluit wordt een uitzondering op de exportbeperking getroffen voor onder meer personen die werkzaamheden verrichten voor een organisatie in het kader van ontwikkelingssamenwerking. Zoals uit de nota van toelichting op dit ontwerpbesluit is opgenomen, zullen deze organisaties door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Ontwikkelingssamenwerking bij ministeriële regeling worden aangewezen. Voor deze ministeriële regeling dient evenwel een grondslag in de wet te worden opgenomen. Het onderhavige wetsvoorstel voorziet hierin.

Tenslotte vragen de leden van de VVD-fractie waarom de gezinsleden van de verzekerde die op de Nederlandse Antillen of Aruba woont nu onder de werkingssfeer van de algemene maatregel van bestuur worden gebracht, terwijl in het eerdere voorstel alleen sprake was van gezinsleden van diegene die niet in Nederland woont en werkzaamheden verricht in het algemeen belang. Op grond van de Wet BEU is in het kader van de ANW en de AKW niet (alleen) de woonplaats van de verzekerde van belang, maar tevens de woonplaats van de nabestaande, de halfwees, de wees of het kind ten behoeve van wie recht op kinderbijslag bestaat. Ook ten aanzien van deze gezinsleden van de verzekerde dient van de exportbeperking te kunnen worden afgeweken, voorzover zij op de Nederlandse Antillen of Aruba wonen. Op basis van de huidige tekst van de Wet BEU zou voor hen echter een absoluut exportverbod gaan gelden. Het onderhavige wetsvoorstel in samenhang met de algemene maatregel van bestuur voorziet erin dat een eventuele exportbeperking ook voor deze personen afhankelijk wordt gemaakt van een te sluiten handhavingsconvenant met de Nederlandse Antillen respectievelijk Aruba.

De leden van de CDA-fractie vragen – aan de hand van een voorbeeld – een nadere uitleg van de zin: «De exportbeperking is tevens niet van toepassing op de verzekerde die in een verdragsland woont maar niet rechtstreeks aan het bilaterale verdrag of de Verordening (EEG) nr. 1408/71 zijn recht op een uitkering kan ontlenen, doordat hij niet onder de personele werking van dat verdrag of besluit valt». Sommige bilaterale verdragen alsmede Verordening (EEG) nr. 1408/71 zijn slechts van toepassing op onderdanen van de verdragsluitende staten respectievelijk onderdanen van de EU/EER. Dit betekent bijvoorbeeld dat het (export)artikel 10 van de Verordening niet geldt ten aanzien van de WAO-gerechtigde Turkse onderdaan die in België woont. Een Turkse onderdaan kan aan de Verordening immers geen rechten ontlenen. Als gevolg van de Wet BEU zou ten aanzien van de genoemde Turk de exportbeperking derhalve van kracht worden. Het kabinet is echter van mening dat dit onderscheid naar nationaliteit een onbedoeld effect van de Wet BEU is. Dit onderscheid houdt namelijk geen enkel verband met de handhavingsdoelstelling van de Wet BEU. Het onderhavige wetsvoorstel maakt dit onderscheid ongedaan.

De leden van de CDA-fractie vragen voorts naar de organisaties voor bijvoorbeeld missie- en zendingswerk en ontwikkelingswerk. Hiervoor zij verwezen naar het bijgevoegde overzicht.1 Deze zal in een nog te actualiseren vorm als bijlage worden gevoegd bij de hiervoor reeds gememoreerde ministeriële regeling.

De leden van de D66-fractie vragen wat als bewijs kan dienen voor verblijf in Nederland langer dan drie maanden. In beginsel staat het belanghebbende vrij om zijn verblijf in welke vorm dan ook aannemelijk te maken. Zo zou dit kunnen gebeuren aan de hand van de datum van binnenkomst in Nederland zoals dit uit het paspoort blijkt.

Deze leden vragen voorts een nadere uitleg waarom ervoor is gekozen om het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering onder meer te laten eindigen indien de verzekerde langer dan drie maanden niet in Nederland verblijft, terwijl dit bij een nabestaandenuitkering niet geldt. In antwoord hierop het volgende. Bij een nabestaandenuitkering is niet de woon- of verblijf-plaats van de verzekerde relevant – deze is immers overleden – maar die van de nabestaande. Ook ten aanzien van de nabestaande geldt de termijn van drie maanden. Verder vragen zij of wezen en halfwezen die op de dag van overlijden van de verzekerde een jaar in het buitenland studeren of stage lopen, geen recht hebben op een (half)wezenuitkering. Deze opmerking is juist. Er bestaat alleen recht op deze uitkeringen indien met het desbetreffende land een handhavingsverdrag van kracht is.Niet overwogen wordt om voor deze groep bij of krachtens algemene maatregel van bestuur afwijkende regels te stellen.

Tenslotte vragen de leden van de D66-fractie hoe de positie is van Turken en Marokkanen die een uitkering in Nederland hebben, maar mogelijk voor ziekte van een familielid langere tijd in hun moederland moeten verblijven, alsmede van AOW-gerechtigde Turken en Marokkanen die hun oude dag in hun moederland willen wonen. Van deze laatste groep wordt gevraagd of zij hun partnertoeslag verliezen. Zoals bekend bestaan met Turkije en Marokko verdragen inzake sociale zekerheid. Op grond van de Wet BEU dient daaraan een handhavingsprotocol te worden toegevoegd. Ten aanzien van Turkije geldt dat inmiddels ambtelijk overeenstemming is bereikt over een handhavingsprotocol. Op korte termijn zal tot ondertekening van het wijzigingsverdrag worden overgegaan. Met Marokko wordt nog onderhandeld over een handhavingsprotocol. Ik verwacht dat hierover op korte termijn ambtelijk overeenstemming wordt bereikt. De positie van zowel Turkse als Marokkaanse onderdanen zal, na de inwerkingtreding van de Wet BEU, derhalve niet afwijken van hun huidige positie, met dien verstande dat de export van toeslagen ingevolge de Toeslagenwet op grond van de Wet BEU wordt afgebouwd. Overigens geldt ten aanzien van Marokko dat het huidige verdrag niet voorziet in export van kinderbijslag. Zolang het wijzigingsverdrag met Marokko, dat zowel voorziet in een handhavingsprotocol als in export van kinderbijslag, niet in werking is getreden, betekent dit dat vanaf 1 januari 2000 geen rechtsbasis bestaat voor de export van kinderbijslag naar Marokko over kwartalen in 2000 of later.

Stand van zaken verdragen

De leden van de fracties van de PvdA, VVD en CDA informeren naar de stand van zaken bij het afsluiten en wijzigen van verdragen. Meer specifiek wordt gevraagd naar Suriname en Indonesië, waarbij de leden van de VVD-fractie verwijzen naar de motie van het lid Schimmel c.s. (Kamerstukken II, 1998/1999, 25 757, nr. 12).

Er zijn nog geen handhavingsverdragen gesloten met Indonesië en Suriname. Met Indonesië zijn hierover in februari 1999 in Jakarta besprekingen gestart. Na enkele schriftelijke rondes zal, zoals thans gepland, eind november 1999 een tweede ronde van besprekingen met Indonesië plaatsvinden. Ik verwacht dat dan ambtelijk overeenstemming kan worden bereikt. Na ondertekening van het verdrag en goedkeuring door de Staten-Generaal respectievelijk goedkeuring aan Indonesische zijde, kan het verdrag in werking treden.

Met Suriname zullen medio november 1999 in Paramaribo besprekingen worden gevoerd.

Hieronder volgt een compleet overzicht van de stand van zaken betreffende de voortgang bij het afsluiten van verdragen c.q. handhavingsprotocollen bij bestaande bilaterale verdragen inzake sociale zekerheid.

Handhavingsverdragen of -protocollen in werking:

Chili

Handhavingsverdragen of -protocollen ondertekend:

Kroatië

Handhavingsverdragen of -protocollen ambtelijk overeengekomen:

Australië, Canada, Israël, Nieuw-Zeeland, Slovenië, Turkije

Onderhandelingen gaande:

Indonesië, Kaapverdië, Marokko, Tunesië, Verenigde Staten, Quebec, Zuid-Korea, Zwitserland

Positieve reactie op voorstel handhavingsverdrag of -protocol:

Bosnië, Hongarije, Malta, Nicaragua, Polen, Suriname, Tsjechië, Uruguay

Handhavingsverdrag voorgesteld:

Algerije, Andorra, Angola, Argentinië, Armenië, Azerbeidjaan, Bahamas, Bahrein, Bangladesh, Barbados, Belarus, Belize, Bolivia, Botswana, Brazilië, Bulgarije, Burkina Faso, Cambodja, Centraalafrikaanse Republiek, China, Colombia, Kongo, Costa Rica, Cuba, Cyprus, Djibouti, Dominicaanse Republiek, Ecuador, Egypte, El Salvador, Eritrea, Estland, Ethiopië, Fiji Eilanden, Filippijnen, FYROM (Macedonië), Gabon, Gambia, Ghana, Grenada, Guadeloupe, Guatemala, Guyana, Haïti, Honduras, India, Iran, Ivoorkust, Jamaica, Japan, Jemen, Jordanië, Kameroen, Kenia, Koeweit, Libanon, Liberia, Liechtenstein, Madagaskar, Malawi, Maleisië, Mali, Martinique, Mauritius, Mexico, Monaco, Mozambique, Namibië, Nepal, Niger, Nigeria, Oeganda, Oekraïne, Oman, Pakistan, Panama, Roemenië, Reunion, Paraguay, Peru, Rusland, Rwanda, Saoedi-Arabië, Senegal, Seychellen, Sierra Leone, Singapore, Slowakije, Soedan, Sri Lanka, Syrië, Tanzania, Thailand, Tonga, Trinidad en Tobago, Venezuela, Vietnam, Zambia, Zimbabwe, Zuid-Afrika.

De leden van de VVD-fractie verzoeken de regering de Kamer uitgebreid te informeren over de voortgang van de verbetering van de handhaafbaarheid binnen de EU.

Binnen de EU pogen zowel de regering als de nationale uitvoeringsorganisaties de controle op de rechtmatigheid voor het verstrekken van uitkeringen verder te verbeteren. Op regerings-niveau gebeurt dat via onderhandelingen in communautair verband die tot versterking van de desbetreffende bepalingen in de Verordeningen (EEG) nr. 1408/71 en nr. 574/72 moeten leiden. Daarbij gaat het om het grensoverschrijdend invorderen van premies en een vereenvoudiging van de regels inzake de terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkeringen. De onderhandelingen worden bemoeilijkt door de verschillen in de rechtssystemen van de lidstaten. Het ziet er echter naar uit dat de conclusies van de Europese Raad, die op 15 en 16 oktober 1999 in Tampere is gehouden, van belang zullen zijn voor de onderhandelingen. In hoofdstuk VI van deze conclusies heeft de Raad uitspraken vastgelegd over de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen, die in dit verband hoogst interessant zijn. Op bilateraal niveau tracht de regering met mede-lidstaten nadere afspraken te maken, die de nationale uitvoeringsorganisaties mogelijkheden bieden om controles te verbeteren. Met Oostenrijk en Duitsland is dat inmiddels rond, met het Verenigd Koninkrijk zijn besprekingen in de eindfase, met België zijn afspraken gemaakt om op korte termijn tot een nadere overeenkomst te komen. De uitvoeringsorganisaties zijn bezig, op basis van de overeenkomsten die tussen de regeringen zijn afgesloten, de samenwerking terzake met hun buitenlandse wederpartijen nader in te vullen voor de dagelijkse praktijk.

De leden van de VVD-fractie wensen uitgebreid te worden geïnformeerd over de naleving van de handhavingsbepalingen die reeds met bilaterale verdragspartners zijn overeengekomen.

Momenteel vinden met alle bestaande verdragspartners onderhandelingen plaats met als doel de bestaande verdragen met handhavingsbepalingen aan te vullen. Deze handhavingsbepalingen zijn dus nog niet van kracht. Het verdrag met Chili is thans het enige verdrag waarvan de handhavingsbepalingen wel in werking zijn getreden. Op dit moment kunnen derhalve nog geen verantwoorde uitspraken worden gedaan over de mate van naleving van deze bepalingen.

Wel is het uiteraard zo dat de effectiviteit van de handhavingsbepalingen in de evaluatie van de Wet BEU zal worden onderzocht. Verwacht mag worden dat ten tijde van deze evaluatie voldoende ervaringen zullen zijn opgedaan, om de effectiviteit van de handhavingsbepalingen te kunnen meten.

Voorlichting

De leden van de PvdA-fractie vragen of inmiddels een plan is uitgewerkt voor adequate voorlichting aan betrokkenen en zo ja, hoe dat plan er uit ziet. Zij vragen verder waarom de Wet BEU niet is aangemeld bij de Voorlichtingsraad voor de voorgenomen grote voorlichtingscampagnes. Ook de leden van de CDA-fractie vragen naar de voorlichtingsactiviteiten. Verder vragen zij of deze Wijzigingswet nog tot extra voorlichtingsactiviteiten zal leiden.

Hiertoe zij opgemerkt, dat het ministerie van SZW in nauwe samenwerking met de uitvoeringsorganisaties de voorlichting heeft opgepakt over de Wet BEU. De inhoud van het onderhavige wetsvoorstel is daarbij meegenomen. De volgende voorlichtingsacties worden uitgevoerd:

De uitvoeringsorganisaties informeren álle uitkeringsgerechtigden in het buitenland persoonlijk over de Wet BEU. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de brochure die het ministerie in zeven talen heeft ontwikkeld. Het zwaartepunt van de voorlichting ligt in november met het aanschrijven van in het buitenland wonende uitkeringsgerechtigden en het informeren van, Nederlandse en buitenlandse, ambassades en organisaties voor buitenlanders. Dat laatste gebeurt door het ministerie. De vervolgactiviteiten in de voorlichting zullen bestaan uit het genereren van perspubliciteit door het ministerie in binnen- en buitenland telkens wanneer een verdrag tot stand komt. De uitvoeringsorganisaties zorgen tezelfdertijd voor informatieverstrekking aan de uitkeringsgerechtigden in het desbetreffende land.

De campagne is niet aangemeld bij de Voorlichtingsraad, omdat geen gebruik wordt gemaakt van massamedia onder de vlag van Postbus 51. Hiervoor is niet gekozen, omdat in principe alle uitkeringsgerechtigden in het buitenland bekend zijn bij de uitvoeringsorganisaties, waardoor een persoonlijke benadering mogelijk is. Uitkeringsgerechtigden die langer dan drie maanden naar het buitenland vertrekken, worden eveneens door hun uitkeringsinstantie geïnformeerd over de Wet BEU op het moment dat zij hun vertrek kenbaar maken.

Financiële aspecten

De leden van de fracties van CDA en VVD vragen de regering aan te geven welk financieel besparingsverlies aan dit wetsvoorstel is verbonden. In financieel opzicht is er geen sprake van een materiële wijziging omdat de vastlegging van de herlevingsmogelijkheid in de wet in de plaats komt van de vastlegging hiervan in de afzonderlijke verdragen, zoals de regering oorspronkelijk voor ogen stond. Er zijn derhalve geen financiële consequenties verbonden aan het onderhavige wetsvoorstel.

De leden van de VVD-fractie vragen vervolgens naar de uitvoeringslasten in verband met het herleven dan wel ontstaan van het uitkeringsrecht. Hiervan is moeilijk een inschatting te maken. Deze leden wordt er echter op gewezen dat reeds op grond van de Wet BEU het uitkeringsrecht kan herleven of ontstaan bij terugkeer naar Nederland. Om die reden is het reeds noodzakelijk om deze uitkeringsgerechtigden in het bestand te houden. De uitbreiding van de herlevings- en ontstaansmogelijkheden in het onderhavige wetsvoorstel brengt derhalve geen wezenlijke verzwaring van de uitvoeringslasten met zich mee.

De leden van de VVD-fractie vragen of er inzicht is in de effecten die de Wet BEU heeft op het gedrag van mensen met een uitkering die overwegen naar het buitenland te verhuizen. Een dergelijk inzicht is er niet. Wel lijkt het voor de hand te liggen dat de voor de toepassing van het overgangsrecht van de Wet BEU relevante datum van 1 januari 2000 een gedragseffect teweegbrengt in die zin dat mensen die overwegen naar het buitenland te verhuizen dat nog voor 1 januari 2000 proberen te doen. Om hoeveel mensen het hierbij gaat is niet te zeggen.

Inwerkingtreding

De leden van de D66-fractie vragen of de inwerkingtreding met terugwerkende kracht tot 1 januari 2000 problemen kan opleveren. De regering stelt voorop te hopen dat de parlementaire behandeling nog voor de jaarwisseling kan worden afgerond, zodat het onderhavige wetsvoorstel tegelijk met de Wet BEU in werking kan treden. Mocht de behandeling onverhoopt pas na de jaarwisseling worden afgerond, dan voorziet het wetsvoorstel in terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2000. Omdat de uitvoeringsorganisaties nu reeds rekening kunnen houden met het wetsvoorstel en het herlevingsrecht begunstigend is voor de betrokkenen, worden geen problemen verwacht ten aanzien van de terugwerkende kracht.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J. F. Hoogervorst


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.