Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 1999-2000
Kamerstuk 26800-X nr. 2

Gepubliceerd op 24 september 1999
Toon volledige inhoudsopgave

Gerelateerde informatie


Toon alle stukken in dossier



26 800 X
Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Defensie (X) voor het jaar 2000

nr. 2
MEMORIE VAN TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE

A.ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL6
   
B.ALGEMENE TOELICHTING BIJ DE BEGROTING7
   
INLEIDING7
   
HOOFDSTUK 1: INTERNATIONALE ASPECTEN VAN HET VEILIGHEIDSBELEID9
1.1Inleiding9
1.2Internationale samenwerking9
1.2.1De Top van Washington9
1.2.2De Europese veiligheids- en defensie-identiteit10
1.2.3Defensiesamenwerking met Midden- en Oost-Europese landen en Rusland10
1.3Wapenbeheersing11
1.3.1CSE-verdrag11
1.3.2Landmijnen11
1.4Vredesoperaties EN humanitaire hulp12
1.4.1Algemeen12
1.4.2Nederlandse bijdrage aan vredesoperaties13
1.4.3Voormalig Joegoslavië en Albanië13
1.4.4Overige missies14
1.5Caribisch gebied15
   
HOOFDSTUK 2: DE KRIJGSMACHT16
2.1Algemeen16
2.2Koninklijke marine16
2.2.1Algemeen16
2.2.2Voortgang herstructurering16
2.3Koninklijke landmacht17
2.3.1Algemeen17
2.3.2Voortgang herstructurering17
2.4Koninklijke luchtmacht17
2.4.1Algemeen17
2.4.2Voortgang herstructurering17
2.5Koninklijke marechaussee18
2.5.1Voortgang herstructurering18
2.5.2Intensivering vreemdelingentoezicht18
2.5.3Accommodatie18
2.6Defensie Interservice Commando (Dico)18
2.6.1Algemeen18
2.6.2Voortgang herstructurering19
   
HOOFDSTUK 3: HET PERSONEELSBELEID20
3.1Voortgang herstructurering20
3.2Personeelsvoorziening21
3.3Arbeidsvoorwaarden22
3.4Personeelsontwikkeling22
3.4.1.Arbeidsomstandigheden22
3.4.2.Emancipatie23
3.4.3.Minderheden24
3.5Beleid voor postactieven24
   
HOOFDSTUK 4: HET MATERIEELBELEID25
4.1Algemeen25
4.2Internationale materieelbetrekkingen25
4.2.1Europese samenwerking25
4.2.2Transatlantische samenwerking25
4.3Defensie-industrie26
4.4Afstoting26
4.5Wetenschappelijk onderzoek en ontwikkeling (WOO)26
4.6Luchtvaartcluster27
4.7Materieelprojecten27
4.7.1Koninklijke marine27
4.7.2Koninklijke landmacht27
4.7.3Koninklijke luchtmacht28
4.7.4Koninklijke marechaussee29
4.7.5Multi-service projecten29
   
HOOFDSTUK 5: RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEU30
5.1Defensie, Ruimtelijke Ordening en Milieu30
5.2Ruimtelijke ordening en milieu31
5.3Geluidszonering31
5.4Bodemsaneringsprogramma32
   
HOOFDSTUK 6: DE DEFENSIE-ORGANISATIE EN BEDRIJFS- VOERING33
6.1Veranderingsproces33
6.2Militaire Inlichtingendienst33
6.2.1Reorganisatie33
6.2.2Voortgang plan van aanpak MID-archieven34
6.3Beleid Bedrijfsvoering Defensie (BBD) 200034
6.4Informatievoorziening35
6.5Audits35
6.6Millennium35
6.7Financieel beleid en beheer36
   
HOOFDSTUK 7: FINANCIEEL KADER37
7.1Inleiding37
7.2Invulling 200037
7.3Verdeling over de bestedingscategoriën 1998–200039
   
C. TOELICHTING PER BEGROTINGSARTIKEL40
   
Wetsartikel 1 (uitgaven/verplichtingen)40
   
Inleiding40
 – Begrotingsindeling40
 . Verplichtingen-kassystematiek40
 – Nieuwe mutaties41
 – Personele ramingen41
 . WAO en Bovenwettelijke arbeidsongeschiktheid41
 – Loon- en prijspeil42
 – Loonbijstelling 199942
 – Prijsbijstelling 199942
 – Doelstellingen en operationele gereedheid42
 . Beleidsevaluaties42
 . Kengetallen43
   
Beleidsterrein Algemeen43
   
Algemeen43
   
Artikel 01.20 Personeel en materieel44
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid44
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen45
 – Het ressort Kerndepartement47
 – Het ressort Militaire Inlichtingendienst51
 – Artikelonderdeel 01.20.09 Wachtgelden53
   
Artikel 01.21 Subsidies en bijdragen55
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid55
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen56
   
Artikel 01.22 Geheime uitgaven58
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid58
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen58
   
Artikel 01.23 Internationale verplichtingen58
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid58
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen59
   
Artikel 01.24 Garanties61
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid61
   
Artikel 01.25 Milieumaatregelen61
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid61
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen62
   
Artikel 01.26 Technologie-ontwikkeling63
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid63
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen64
Artikel 01.27 Loonbijstelling67
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid67
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen68
   
Artikel 01.28 Prijsbijstelling68
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid68
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen69
   
Artikel 01.29 Overige departementale uitgaven70
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid70
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen71
   
Beleidsterrein Pensioenen en uitkeringen76
   
Artikel 02.02 Militaire pensioenen en uitkeringen76
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid76
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen77
   
Beleidsterrein Koninklijke marine82
   
Algemeen82
   
Artikel 03.20 Personeel en materieel82
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid82
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen83
 – Het ressort Commandant der zeemacht in Nederland85
 – Activiteitentoelichting89
 – Het ressort Commandant der zeemacht in het Caribisch gebied90
 – Activiteitentoelichting94
 – Het ressort Commandant van het Korps Mariniers95
 – Activiteitentoelichting97
 – Het ressort Ondersteunende eenheden98
 – Activiteitentoelichting101
 – Het ressort Admiraliteit103
 – Activiteitentoelichting106
 – Artikelonderdeel 03.20.21 Wachtgelden en inactiviteitswedden107
   
Artikel 03.21 Subsidies en bijdragen109
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid109
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen109
   
Artikel 03.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur110
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid110
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen111
 – Artikelonderdeel Schepen113
 – Project fregatten van de De Zeven Provinciën-klasse113
 – Project Aanpassing Mijnenbestrijdingscapaciteit114
 – Project Tweede Landing Platform Dock (LPD)114
 – Project Hydrografische Opnemingsvaartuigen115
Artikelonderdeel vliegtuigen115
 – Project NH-90115
 – Project Capability Upkeep Program voor de P3-C Orions116
Artikelonderdeel elektronisch materieel117
 – Project Verbeterd Actief Onderzeeboot Bestrijdingssysteem ATAS117
 – Project Theatre Missile Defence (TMD)117
 – Project MILSATCOM118
 – Project Vervanging verbindingsapparatuur mariniers118
Artikelonderdeel munitie119
Artikelonderdeel overig groot materieel119
 – Project vorming één marinebedrijf119
 – Project Millennium120
Artikelonderdeel Infrastructuur120
Beleidsterrein Koninklijke landmacht121
   
Algemeen121
   
Artikel 04.20 Personneel en materieel121
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid121
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen122
 – Het ressort 1(GE/NL) Legerkorps123
 – Activiteitentoelichting127
 – Het ressort Nationaal Commando128
 – Activiteitentoelichting en prestatie-indicatoren131
 – Het ressort Commando opleidingen Koninklijke Landmacht132
 – Activiteitentoelichting en prestatie-indicatoren134
 – Het ressort Overige eenheden Bevelhebber der Landstrijdkrachten135
 – Activiteitentoelichting138
 – Het ressort Landmachtstaf139
 – Activiteitentoelichting141
 – Artikelonderdeel 04.20.21 Wachtgelden en inactiviteitswedden141
   
Artikel 04.21 Subsidies en bijdragen145
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid145
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen145
   
Artikel 04.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur146
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid146
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen146
 – Artikelonderdeel Automatisering150
 – Artikelonderdeel Logistiek151
 – Artikelonderdeel Commandovoering, verbindingen en gevechtsinlichtingen151
 – Project Remotely Piloted Vehicle (RPV)152
 – Project Single Channel Radio Access (SCRA)152
 – Project Midlife Upgrade Zodiac153
 – Artikelonderdeel Elektronisch materieel153
 – Project EOV-fase 1153
 – Project EOV-fase 2154
 – Artikelonderdeel NBC materieel154
 – Artikelonderdeel Luchtverdediging154
 – Project Gevechtswaarde instandhouding PRTL155
 – Project SHORAD155
 – Artikelonderdeel Manoeuvre156
 – Project Verbetering Leopard 2156
 – Project Pantservoertuigen vredesoperaties157
 – Project Vervanging Pantservoertuigen157
 – Project Duelsimulatoren en instrumentatie157
 – Artikelonderdeel Vuursteun158
 – Project Vuist fase 1158
 – Artikelonderdeel Gevechtssteun159
 – Artikelonderdeel Infrastructuur159
   
Beleidsterrein Koninklijke luchtmacht161
Algemeen161
   
Artikel 05.20 Personeel en materieel161
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid161
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen162
 – Het ressort Tactische Luchtmacht164
 – Activiteitentoelichting167
 – Het ressort Decentrale Ondersteunende eenheden168
 – Activiteitentoelichting169
 – Het ressort Hoofdkwartier Koninklijke Luchtmacht (HKKLu)171
 – Activiteitentoelichting174
 – Artikelonderdeel 05.20.13 Wachtgelden en Inactiviteitswedden176
Artikel 05.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur177
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid177
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen178
 – Artikelonderdeel Vliegtuigmaterieel182
 – Project MLU ontwikkeling, productie en inbouw182
 – Project MLU Gerelateerde Projecten183
 – Project Vervanging F-16183
 – Project Simulatorcapaciteit transporthelikopters183
 – Project Diverse Modificaties Luchttransport184
 – Project Apache Longbow (Radar en Missiles)184
 – Project vervanging Bo-105 en Al III184
 – Artikelonderdeel Vervoermiddelen184
 – Project Motortransportmaterieel (algemeen)185
 – Project Overig transportmaterieel (brandweermaterieel en vervanging containers)185
 – Artikelonderdeel Elektrisch en elektronisch materieel185
 – Project vervanging Luchtverkenningssysteem ten behoeve van F-16's186
 – Project Integrated Electronic Warfare Management System (IEWMS)186
 – Project Automatic Target Handover System (ATHS)187
 – Project Software M3/M4-tape187
 – Project Naderingsappartuur187
 – Project Landingsapparatuur (GCA systemen/MLS)187
 – Project MILSATCOM188
 – Project Nafin188
 – Project Millennium188
 – Project Kluim189
 – Project Mode S apparatuur189
 – Project MLU Lokale Transmissie Netwerken189
 – Project Nationale C2-component190
 – Project Receiver Processor ALQ 131190
 – Project NIMICS fase 2190
 – Artikelonderdeel Bewapeningsmaterieel190
 – Project SHORAD190
 – Project Patriot PAC III191
 – Project Patriot modificaties191
 – Project Stinger (Voorwaarschuwing, MANPAD, simulator)191
 – Artikelonderdeel Springstoffen en munitie192
 – Project ARM (Anti Radiation Missiles)192
 – Project IRLLGW/ASRAAM192
 – Project Radar LLGW AMRAAM193
 – Project vervanging Hawk193
 – Project Verbetering Lucht-grond Bewapening193
 – Project Passieve Verdediging (voorheen: EOD-behoeften)193
 – Artikelonderdeel Overig materieel194
 – Artikelonderdeel Infrastructuur194
   
Beleidsterrein Koninklijke marechaussee195
   
Algemeen195
Artikel 06.20 Personeel en materieel195
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid195
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen196
 – Activiteitentoelichting200
 – Artikelonderdeel 06.20.05 Wachtgelden en inactiviteitswedden201
   
Artikel 06.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur202
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid202
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen202
 – Artikelonderdeel Vervoermiddelen en vaartuigen204
 – Artikelonderdeel Elektrisch en Elektronisch materieel204
 – Artikelonderdeel Automatiseringsmiddelen204
 – Artikelonderdeel Bewapeningsmaterieel205
 – Artikelonderdeel Telefooninstallaties205
 – Artikelonderdeel Overig materieel205
 – Artikelonderdeel Infrastructuur205
   
Multi-service projecten en activiteiten206
   
Algemeen206
   
Artikel 08.01 Luchtmobiele brigade206
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid206
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen207
 – Artikelonderdeel Bewapende helikopter208
 – Artikelonderdeel Transporthelikopter208
 – Artikelonderdeel Luchtmobiel speciaal voertuig209
 – Artikelonderdeel Persoonsgebonden uitrusting209
 – Artikelonderdeel Overige, specifieke materieelprojecten209
 – Artikelonderdeel Infrastructuur grondcomponent209
 – Artikelonderdeel Infrastructuur luchtcomponent210
   
Artikel 08.02 Vredesoperaties210
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid210
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen211
   
Artikel 08.04 Overige uitgaven Internationale Samenwerking212
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid212
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen213
   
Artikel 08.05 Efficiencybesparingen/kwaliteitsverveteringen214
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid214
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen215
   
Beleidsterrein Defensie Interservice Commando216
   
Algemeen218
   
Artikel 09.02 Personeel en materieel218
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid218
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen219
 – Het ressort Staf Defensie Interservice Commando220
 – Het ressort Defensie Verkeers- en Vervoersorganisatie222
 – Activiteitentoelichting en prestatie-indicatoren224
 – Het ressort Defensie Werving en Selectie225
 – Activiteitentoelichting227
 – Het ressort Instituut Defensie Leergangen228
 – Activiteitentoelichting229
 – Het ressort Militair Geneeskundig Facilitair Bedrijf230
 – Activiteitentoelichting232
 – Het ressort Overige Interservice Diensten233
 – Activiteitentoelichting235
 – Artikelonderdeel 09.02.25 Wachtgelden en inactiviteitswedden237
 – Artikel 09.03 Investeringen groot materieel en infrastructuur239
 – Grondslag van het artikel en het te voeren beleid239
 – Verplichtingen, uitgaven en begrotingswijzigingen240
 – Artikelonderdeel Groot materieel241
 – Artikelonderdeel Infrastructuur241
   
Wetsartikel 2 (ontvangsten)242
   
Inleiding242
   
Beleidsterrein Algemeen242
   
Algemeen242
   
Artikel 01.20 Verrekenbare ontvangsten242
 – Grondslag van het artikel242
 – Ontvangsten242
 – Artikelonderdeel Personele ontvangsten243
 – Artikelonderdeel Materiële en specifieke ontvangsten243
 – Artikelonderdeel Ontvangsten voortvloeiend uit internationale verplichtingen in verband met Navo-infrastructuur243
   
Artikel 01.21 Niet-verrekenbare ontvangsten244
 – Grondslag van het artikel244
 – Ontvangsten244
   
Beleidsterrein Pensioenen en uitkeringen244
   
Algemeen244
   
Artikel 02.01 Verrekenbare ontvangsten245
 – Grondslag van het artikel245
 – Ontvangsten245
   
Artikel 02.02 Niet-verrekenbare ontvangsten245
 – Grondslag van het artikel245
 – Ontvangsten245
   
Beleidsterrein Koninklijke marine246
   
Algemeen246
   
Artikel 03.20 Verrekenbare ontvangsten246
 – Grondslag van het artikel246
 – Ontvangsten246
 – Artikelonderdeel Personele ontvangsten247
 – Artikelonderdeel Materiële en specifieke ontvangsten249
   
Artikel 03.21 Niet-verrekenbare ontvangsten250
 – Grondslag van het artikel250
 – Ontvangsten250
   
Beleidsterrein Koninklijke landmacht251
   
Algemeen251
   
Artikel 04.20 Verrekenbare ontvangsten251
 – Grondslag van het artikel251
 – Ontvangsten251
 – Artikelonderdeel Personele ontvangsten251
 – Artikelonderdeel Materiële en specifieke ontvangsten252
   
Artikel 04.21 Niet-verrekenbare ontvangsten252
 – Grondslag van het artikel252
 – Ontvangsten252
   
Beleidsterrein Koninklijke luchtmacht253
   
Algemeen253
   
Artikel 05.20 Verrekenbare ontvangsten253
 – Grondslag van het artikel253
 – Ontvangsten253
 – Artikelonderdeel Personele ontvangsten254
 – Artikelonderdeel Materiële en specifieke ontvangsten255
   
Artikel 05.21 Niet-verrekenbare ontvangsten255
 – Grondslag van het artikel255
 – Ontvangsten256
   
Beleidsterrein Koninklijke marechaussee256
   
Algemeen256
Artikel 06.20 Verrekenbare ontvangsten256
 – Grondslag van het artikel256
 – Ontvangsten257
 – Artikelonderdeel Personele ontvangsten257
 – Artikelonderdeel Materiële en specifieke ontvangsten257
   
Artikel 06.21 Niet-verrekenbare ontvangsten258
 – Grondslag van het artikel258
 – Ontvangsten258
   
Beleidsterrein Multi-service projecten en activiteiten258
   
Artikel 08.01 Ontvangsten luchtmobiele brigade258
 – Grondslag van het artikel258
Artikel 08.02 Ontvangsten naar aanleiding van vredes- operaties259
 – Grondslag van het artikel259
 – Ontvangsten259
   
Artikel 08.03 Overige ontvangsten Internationale Samenwerking259
 – Grondslag van het artikel259
 – Ontvangsten260
   
Beleidsterrein Defensie Interservice Commando260
   
Algemeen260
   
Artikel 09.02 Verrekenbare ontvangsten260
 – Grondslag van het artikel260
 – Ontvangsten260
 – Artikelonderdeel Personele ontvangsten261
 – Artikelonderdeel Materiële en specifieke ontvangsten262
   
D. TOELICHTING OP DE AGENTSCHAPSBEGROTINGEN263
   
Wetsartikel 4 (agentschapsbegrotingen)263
   
 – Defensie Telematica Organisatie (DTO)263
   
 – Dienst Gebouwen, Werken & Terreinen (DGW&T)272

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL

Wetsartikelen 1 en 2 (uitgaven/verplichtingen en ontvangsten)

De begrotingen die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begroting van het ministerie van Defensie voor het jaar 2000 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2000. Een toelichting op de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2000.

Met de vaststelling van deze wetsartikelen wordt de in de begrotingsstaat opgenomen begroting van de uitgaven en de ontvangsten voor het jaar 2000 vastgesteld. De in de begroting opgenomen begrotingsartikelen worden door middel van een algemene toelichting en een toelichting per begrotingsartikel toegelicht in de onderdelen B en C van deze memorie van toelichting.

Wetsartikelen 4 (agentschapbegroting)

Met de vaststelling van dit wetsartikel wordt de in de begrotingsstaat opgenomen begroting van baten en lasten en van kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de agentschappen Defensie Telematica Organisatie (DTO) en Dienst Gebouwen, Werken & Terreinen (DGW&T) voor het jaar 2000 vastgesteld. De in die begroting opgenomen begrotingsartikelen worden door middel van een toelichting per begrotingsartikel toegelicht in onderdeel D van deze memorie van toelichting.

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van het bepaalde in artikel 25a, derde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State.

De Minister van Defensie,

mr. F. H. G. de Grave

B. ALGEMENE TOELICHTING BIJ DE BEGROTING

INLEIDING

In de Hoofdlijnennotitie zijn de uitgangspunten en de richtlijnen beschreven voor de Defensienota. Het streven is erop gericht deze nog in 1999 te publiceren. De Defensienota zal als richtsnoer dienen voor de ontwikkeling van de krijgsmacht in het begin van de volgende eeuw. De opeenvolgende bezuinigingen op Defensie in de afgelopen jaren hebben geleid tot ingrijpende reorganisaties en een forse inkrimping van de krijgsmacht. De Strategische Toekomstdiscussie die over defensie is gevoerd, heeft nog eens onderstreept dat er in Nederland een breed draagvlak bestaat voor de krijgsmacht. De Defensienota heeft ten doel, op basis van heldere doelen en taken, gestalte te geven aan de krijgsmacht voor de komende tien jaar.

In deze begroting zijn de uit het regeerakkoord voortvloeiende bezuinigingen en de in de voorjaarsnota gemaakte afspraken verwerkt. Een deel van de bezuinigingen is gevonden in het uitstel of de vertraging van investeringen. Daarnaast zijn, vooruitlopend op de verschijning van de Defensienota, enkele maatregelen genomen op basis van de voornemens uit de Hoofdlijnennotitie. In Hoofdstuk 7 van de memorie wordt nader ingegaan op het financiële kader.

Het spreekt vanzelf dat deze voornemens slechts de opmaat vormen tot de definitieve uitwerking van de plannen in de Defensienota. Het met de Kamer gevoerde overleg over deze voornemens en de voorstellen die zijn gedaan in de Strategische Toekomstdiscussie kunnen aanleiding geven tot bijstelling van de plannen. Ook de ervaringen met de militaire operaties rond Kosovo zullen een rol spelen bij de toekomstige inrichting van de krijgsmacht. De Defensienota zal de uitkomst van deze heroverwegingen bevatten. Zo nodig zal de begroting voor 2000 dienovereenkomstig worden aangepast.

De ontwikkelingen dit voorjaar in voormalig Joegoslavië tonen aan hoezeer in Europa integrerende en fragmenterende krachten naast elkaar optreden. Terwijl de meeste landen op het continent zich richten op integratie in Euro-Atlantische instellingen, is op de Balkan opnieuw een bevolkingsgroep ten prooi gevallen aan etnische haat. Het optreden van de Navo kon niet verhinderen dat honderdduizenden Albanese Kosovaren van huis en haard werden verdreven. De omvang van de misdrijven die in Kosovo zijn gepleegd is inmiddels duidelijk geworden. Dankzij de eensgezindheid en de volharding van het bondgenootschap werd president Milosevic uiteindelijk gedwongen in te stemmen met de ontplooiing in Kosovo van ruim 50 000 militairen onder Navo-bevel. Deze militairen, onder wie ongeveer 2000 Nederlandse mannen en vrouwen, staan voor de moeilijke taak de voorwaarden te scheppen voor de wederopbouw van het gebied.

De crisis in Kosovo bevestigt het belang van de besluiten die dit voorjaar werden genomen op de Navo-Top in Washington. In het nieuwe Strategische Concept van het bondgenootschap is een nieuwe kerntaak inzake crisisbeheersingsoperaties opgenomen. Landen die tot het bondgenootschap willen toetreden kunnen, behalve aan het Partnerschap voor de Vrede, nu deelnemen aan een intensief samenwerkingsprogramma, het «Membership Action Plan». Voorts is met het «Defence Capabilities Initiative» de ontwikkeling van de Navo-strijdkrachten naar meer flexibiliteit, inzetbaarheid en interoperabiliteit hoog op de agenda geplaatst.

In Europa heeft de Kosovo-crisis de – oorspronkelijk Brits-Franse – plannen voor meer defensiesamenwerking een krachtige impuls gegeven. Komend jaar worden voorstellen gedaan over de totstandkoming van nauwere Europese samenwerking op defensieterrein. Onnodige duplicatie met Navo-structuren dient hierbij te worden vermeden. Op deze en andere internationale ontwikkelingen wordt kort ingegaan in Hoofdstuk 1.

De evaluatie van vredesoperaties zal u separaat worden aangeboden vóór de behandeling in de Tweede Kamer van de defensiebegroting voor het jaar 2000. Tevens wordt de Kamer bericht over de in de Motie Van den Doel/Van 't Riet gevraagde evaluatie van de personele aspecten van deelneming aan vredesoperaties.

Defensie moet een meer transparante en doelgerichte organisatie worden. In het kader van het veranderingsproces zijn belangrijke besluiten genomen voor een verbetering van de werkwijze. De maatregelen hebben onder meer betrekking op een goede interne en externe communicatie en een heldere toedeling van bevoegdheden. De beoogde resultaten zullen in het functioneren van Defensie zichtbaar moeten worden.

De krijgsmacht is in staat met goed geoefend en opgeleid personeel een kwalitatief hoogwaardige bijdrage te leveren aan vredesoperaties. De inzet van een aanzienlijk deel van de krijgsmacht voor humanitaire en vredesoperaties en de voortdurende reorganisatie van de defensieorganisatie vergen veel van het personeel. Defensie zal daarom ook de komende jaren veel moeten investeren in haar personeel.

HOOFDSTUK 1: INTERNATIONALE ASPECTEN VAN HET VEILIGHEIDSBELEID

1.1 Inleiding

In 1999 is opnieuw een belangrijke stap gezet naar de opheffing van de deling van het Europese continent door de uitbreiding van de Navo met drie landen uit het voormalige Warschaupact. Ook zijn de veranderde inzichten van het bondgenootschap vastgelegd in een nieuw Strategisch Concept. Hierin zijn de kerntaken van de Navo, zoals de collectieve verdediging, uitgebreid met nieuwe taken op het gebied van crisisbeheersing en samenwerking met Navo-partners.

De internationale gemeenschap is in Kosovo geconfronteerd met de gewelddadige en massale verdrijving van de Albanese Kosovaren van hun geboortegrond. De etnische zuiveringen en de massadeportaties riepen herinneringen op aan de meest duistere perioden in de Europese geschiedenis. Om hieraan een halt toe te roepen en het gevaar van verdere destabilisering van de regio tegen te gaan, hebben de negentien Navo-landen Servië met geweld gedwongen zich uit Kosovo terug te trekken. Nederland neemt met ongeveer 2000 militairen deel aan Kfor, de Navo-geleide vredesmacht in Kosovo.

1.2 Internationale samenwerking

1.2.1 De Top van Washington

Het afgelopen jaar hebben zich voor de Navo belangrijke ontwikkelingen voorgedaan. Op 12 maart jl. zijn Hongarije, Polen en Tsjechië tot het bondgenootschap toegetreden. Voorts heeft de Navo-Top in Washington van april 1999 belangrijke interne en externe aanpassingen van het bondgenootschap bezegeld. Tijdens de Top heeft de Navo een nieuw Strategisch Concept aangenomen, dat de komende jaren de politiek-militaire leidraad vormt voor het bondgenootschap. Daarin is naast de bondgenootschappelijke verdediging, mede op Nederlands aandringen, een nieuwe kerntaak opgenomen op het gebied van crisisbeheersing en vredesoperaties. Ook de bevordering van de samenwerking met niet-Navo-landen is voortaan een kerntaak. De oude kerntaak gericht op het behoud van het strategische evenwicht in Europa is vervallen. Het Strategisch Concept biedt ook een goede basis voor het voor Defensie belangrijke «Defence Capabilities Initiative». Dit van oorsprong Amerikaanse initiatief is gericht op het vergroten van de flexibiliteit, de mobiliteit, de interoperabiliteit en de inzetbaarheid van de strijdkrachten en van het vermogen operaties gedurende langere tijd vol te houden.

Op enkele andere terreinen heeft de Navo-Top eveneens belangrijke resultaten opgeleverd. Het bondgenootschap besteedt nu meer aandacht aan de risico's die samenhangen met de voortgaande verspreiding van massavernietigingswapens. Voorts leverde de Top een belangrijke bijdrage aan de verdere ontwikkeling van de Europese veiligheids- en defensie-identiteit en van het «open deur»-beleid van de Navo. Landen die hebben laten weten lid te willen worden van de Navo, kunnen nu deelnemen aan een speciaal programma, het «Membership Action Plan». Samen met het versterkte en meer operationele Partnerschap voor de Vrede stelt dit programma de betrokken landen in staat zich beter voor te bereiden op een lidmaatschap van het bondgenootschap.

1.2.2 De Europese veiligheids- en defensie-identiteit

De Europese Raad van 3 en 4 juni 1999 in Keulen heeft een krachtige impuls gegeven aan de verdere ontwikkeling van de Europese veiligheids- en defensie-identiteit. De Europese Raad stelde vast dat de Unie over de nodige middelen moet beschikken om de «Petersberg-taken» te kunnen uitvoeren. Dit vergt de ontwikkeling van een goede politiek-militaire besluitvormingsstructuur binnen de EU, waarbij vanzelfsprekend ook de ministers van Defensie ten volle zijn betrokken. Uiterlijk eind 2000 zal de EU hierover besluiten moeten nemen.

Naar de mening van het kabinet kunnen bestaande organen van de West-Europese Unie, zoals het militair comité, de planningcel, het situatiecentrum en het satellietcentrum, in de EU worden opgenomen. Voor andere operationele behoefte, onder meer op het gebied van planning, bevelvoering, communicatie en logistieke ondersteuning zal de EU zo veel mogelijk gebruik moeten maken van middelen en faciliteiten van de Navo.

Bij de ontwikkeling van een gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid zullen tal van politieke en praktische vraagstukken moeten worden opgelost, zoals:

– de toekomst van de militaire bijstandsverplichting uit artikel V van het Weu-verdrag;

– de inpassing van de genoemde Weu-organen in de institutionele structuur van de EU;

– de verhouding tussen de EU en de Navo en de wijze waarop de Europese bondgenoten die geen EU-lid zijn, betrokken kunnen worden bij het gemeenschappelijke defensiebeleid.

Voor Nederland was de uitkomst van de Europese Raad in Keulen van bijzonder belang. Het is een goede impuls voor de Europese samenwerking, die borg staat voor samenhang tussen de ontwikkelingen in de EU en de Navo en onnodige duplicatie van activiteiten voorkomt.

1.2.3 Defensiesamenwerking met Midden- en Oost-Europese landen en Rusland

Sinds begin jaren negentig werkt Defensie nauw samen met landen in Midden- en Oost-Europa. Met veertien landen is thans een «Memorandum of Understanding» (MoU) ondertekend, die het algemene raamwerk voor de samenwerking vaststelt. Het gaat om Albanië, Bulgarije, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Macedonië, Oekraine, Polen, Roemenië, de Russische Federatie, Slovenië, Slowakije en Tsjechië. Voor 1999 zijn ongeveer 400 bilaterale activiteiten voorzien. De intensiteit van de samenwerking verschilt uiteraard per land en is mede afhankelijk van de wensen en mogelijkheden van het betrokken land. Zo richt het programma voor Albanië zich vooral op de militair-geneeskundige zorg door middel van managementtrainingen en schenking van materieel. In maart 1999 is met Slovenië een MoU ondertekend over samenwerking tussen de luchtmachten. Nederland levert ook een bijdrage aan multilaterale samenwerkingsprogramma's met de drie Baltische staten en blijft actief deelnemen aan het Partnerschap voor de Vrede (PvV). Voor 1999 is de deelneming voorzien aan zeventien multilaterale PvV-oefeningen.

Het is van belang dat de reorganisatie van de Poolse, Hongaarse en Tsjechische strijdkrachten wordt voortgezet en de interoperabiliteit met de overige Navo-strijdkrachten verder wordt vergroot. De bilaterale samenwerking moet erop gericht zijn deze bondgenoten te helpen een volwaardige bijdrage te leveren aan de uitvoering van Navo-taken. Op langere termijn dient een samenwerkingsrelatie te ontstaan die overeenkomt met die met andere Navo-lidstaten.

Het bescheiden samenwerkingsprogramma met de Russische Federatie, dat in 1998 is begonnen, wordt voortgezet. Het betreft samenwerking bij de vernietiging van het chemische strijdmiddel lewisiet bij het plaatsje Kambarka en, in samenwerking met de Verenigde Staten en Noorwegen, steun bij de ontmanteling van nucleaire militaire installaties in de Russische Federatie.

1.3 Wapenbeheersing

1.3.1 CSE-verdrag

Sinds begin 1997 onderhandelen de dertig verdragsstaten in Wenen over de aanpassing van het in 1991 gesloten verdrag inzake de Conventionele Strijdkrachten in Europa (CSE) aan de veranderde Europese veiligheidssituatie. Een herzien verdrag zal uitgaan van nationale en territoriale plafonds, zo mogelijk op een lager niveau. De nationale plafonds hebben betrekking op de zware wapens (tanks, pantsergevechtsvoertuigen, artillerie, gevechtsvliegtuigen en aanvalshelikopters) die landen binnen het verdragsgebied mogen bezitten. De territoriale plafonds betreffen de grondgebonden zware wapens, zowel eigen systemen als die van derde landen.

In maart 1999 hebben de verdragspartners een CSE-aanpassingsbesluit bereikt, dat mede berust op eerdere Navo-voorstellen over situaties waarin de bovengenoemde plafonds tijdelijk mogen worden overschreden. Ook is er overeenstemming bereikt over de intensivering van het inspectieregime en over specifieke beperkingen van zware wapens in de landen aan de noord- en zuidflank (de zogenaamde flankbepalingen). Verwacht wordt dat een herzien CSE-verdrag tijdens de OVSE-top in Istanbul (november 1999) getekend kan worden.

1.3.2 Landmijnen

Het Verdrag van Ottawa over antipersoneelmijnen, dat inmiddels door Nederland is geratificeerd, is op 1 maart 1999 in werking getreden. Dit voorjaar is in Maputo (Mozambique) de eerste conferentie van verdragspartijen gehouden. Om het verdrag zo doeltreffend mogelijk uit te voeren, heeft de conferentie besloten vijf commissies van deskundigen in te stellen die zich gaan buigen over respectievelijk mijnenruiming, slachtofferhulp en voorlichting, de vernietiging van voorraden, technologie, en de werking van het verdrag. Nederland is rapporteur van de commissie van deskundigen inzake mijnenruiming. Tijdens de conferentie werd de 80ste ratificatie, door Tsjaad, bekendgemaakt, wat de snelle acceptatie van het verdrag onderstreept.

In december 1999 komt in Genève de jaarlijkse conferentie van verdragspartijen van het Tweede Protocol bij het Conventionele-Wapensverdrag bijeen. In ons land was de parlementaire goedkeuring van dit protocol inzake het gebruik van landmijnen op 25 maart jl. een feit. Met het oog op de toetsingsconferentie in 2001 zal Nederland in Genève, onder meer in samenwerking met de Verenigde Staten, peilen of steun bestaat voor versterking van het protocol door het gebruik van antitankmijnen aan scherpere regels te binden.

Lange tijd was voorzien dat het gemengdemijnsysteem CBU-89 «Gator» van de Koninklijke luchtmacht zou worden ontdaan van antipersoneelmijnen, waarna uitsluitend antitankmijnen zouden resteren en de inzet niet langer in strijd zou zijn met het Verdrag van Ottawa. Als onderdeel van de reducties die uit het regeerakkoord voortvloeien, is besloten de 272 clusterbomsystemen niet aan te passen maar te vernietigen. De Tweede Kamer is hierover op 8 september jl. per brief ingelicht (nr. D99002823).

Hom-2000, het project voor de ontwikkeling van betere middelen voor de opsporing en de ruiming van landmijnen, verkeert in de tweede en laatste fase. Hierin worden sensoren die in de eerste fase zijn beproefd, verbeterd en geïntegreerd in een demonstratiemodel dat voor specifieke toepassingen kan worden gereedgemaakt. Besloten is het vizier te richten op toepassingen die geschikt zijn voor «area reduction», dat wil zeggen: hulpmiddelen waarmee de omvang en de samenstelling van een mijnenveld veilig, snel en nauwkeurig in kaart kunnen worden gebracht. Als kan worden vastgesteld waar mijnen liggen en waar niet, kan het eigenlijke detecteren vervolgens veiliger en sneller worden uitgevoerd.

1.4 Vredesoperaties en humanitaire hulp

1.4.1 Algemeen

De inzet van militairen voor internationale humanitaire en vredesoperaties neemt een belangrijke plaats in in het Nederlandse veiligheidsbeleid. In 1999 is de deelneming van Nederlandse militairen aan deze operaties, vooral door de ontwikkelingen in Kosovo, fors toegenomen.

Het belang van goede civiel-militaire samenwerking is het afgelopen jaar opnieuw onderstreept, onder meer in Bosnië-Herzegowina. Door de ministers van Buitenlandse Zaken, Ontwikkelingssamenwerking en Defensie is overeenstemming bereikt over een gemeenschappelijk beleidskader voor civiel-militaire samenwerking. Bij de humanitaire crisis in Kosovo, Albanië en Macedonië heeft Defensie, na een verzoek van het ministerie van Buitenlandse Zaken, een wezenlijke bijdrage geleverd aan de internationale humanitaire hulpverlening. Zorgvuldige afstemming tussen Defensie en de vele internationale gouvernementele en non-gouvernementele hulporganisaties bleek ook hier van groot belang.

Nederland ondersteunt de versterking van de snelle reactiecapaciteit van de VN. De multinationale «Stand-by High Readiness Brigade» (Shirbrig), waarin op dit ogenblik dertien landen nationale bijdragen aan het «United Nations Stand-by Arrangements System» (Unsas) hebben gebundeld, wordt in 2000 ter beschikking gesteld van de VN. De brigade zal, binnen vijftien tot dertig dagen na een politiek besluit van de deelnemende landen, kunnen worden ingezet voor VN-operaties onder Hoofdstuk VI van het VN-Handvest. De Shirbrig kan voor maximaal zes maanden worden ontplooid. Vanaf 1 januari 2000 levert Nederland de commandant van de Shirbrig.

1.4.2 Nederlandse bijdrage aan vredesoperaties

In totaal zijn nu 3196 militairen uitgezonden voor humanitaire en vredesoperaties. De onderstaande tabel bevat een overzicht van de Nederlandse bijdragen.

Overzicht Nederlandse bijdrage

OPERATIEPERSONEEL
1. Voormalig Joegoslavië  
a. Stabilisatiemacht (Sfor)955
b. Contingentscommando Sfor 41
c. Kosovo Force (Kfor)1 875
d. Contingentscommando Kfor29
e. Sfor/Kfor luchtcomponent90
f. UN International Police Task Force (UNIPTF)55
g. European Community Monitoring Mission (ECMM)17
h. Bosnia Herzegowina Mine Action Centre (BHMAC)1
i. UN Mission in Bosnia Herzegowina (UNMiBH)1
j. OVSE-missie in Kosovo1
SUBTOTAAL3 065
  
2. UN Peacekeeping Force in Cyprus (Unficyp)103
3. Weu Multinational Police Advisory Element (Mape)9
4. OVSE-missie in Albanië2
5. UN Truce Supervision Organisation (Untso)12
6. UNDP/Cambodian Mine Action Centre (CMAC)3
7. OVSE-missie in Moldavië1
8. UN Special Commission (Unscom)1
TOTAAL3 196

1.4.3 Voormalig Joegoslavië en Albanië

Het mandaat van de door de Navo-geleide stabilisatiemacht (Sfor), die in Bosnië-Herzegowina toeziet op de naleving van de militaire bepalingen van het Dayton-akkoord, is in juni 1998 verlengd. De duur van de missie is niet langer aan een einddatum verbonden, maar aan een te bereiken eindstadium. Stapsgewijze reducties vormen een belangrijk element van de overgangsstrategie. In het voorjaar van 1999 is tot een doelmatigheids-reductie besloten: de omvang van Sfor is met 3000 militairen teruggebracht tot 30 000. In dit verband is de Nederlandse bijdrage teruggebracht van 1260 tot ongeveer 1000 militairen. Voor het overige is de Nederlandse bijdrage aan Sfor, met inbegrip van de bijdrage aan de tactische en strategische reserve, niet gewijzigd. Nederlandse militairen blijven in Bosnië-Herzegowina, op grond van door de minister van Ontwikkelingssamenwerking beschikbaar gestelde middelen, actief in het ondersteunen van wederopbouwactiviteiten in het operatiegebied. Ook de Nederlandse bijdragen aan de «United Nations International Police Task Force» (UNIPTF) en aan de «European Community Monitor Mission in Former Yugoslavia» zijn op hetzelfde niveau gehandhaafd. Waarschijnlijk besluit de Navo nog in 1999 tot een verdere, ingrijpende reductie van Sfor. Nederland ondersteunt dit voornemen van de Navo.

Op 10 juni 1999 heeft de VN-Veiligheidsraad het mandaat goedgekeurd voor een internationale vredesmacht voor Kosovo (Kfor). Deze door de Navo geleide vredesmacht ziet toe op de naleving van het akkoord dat de Russische gezant Tsjernomyrdin en de Finse EU-gezant Ahtisaari begin juni hebben gesloten met de voormalige republiek Joegoslavië. Het omvat afspraken over de terugtrekking van alle Servische (para-)militaire en politie-eenheden uit Kosovo, de demilitarisering van het Kosovo Albanese bevrijdingsleger, de veilige terugkeer van vluchtelingen en een tijdelijk internationaal bestuur van Kosovo. Dit akkoord is tot stand gekomen onder druk van de luchtaanvallen die de Navo in de operatie «Allied Force» van 24 maart tot 9 juni heeft uitgevoerd. De Koninklijke luchtmacht heeft, in het kader van het gezamenlijke Belgisch-Nederlands DATF-detachement, bij deze operatie luchtverdedigings-, verkennings- en offensieve missies uitgevoerd. Nederland heeft met zijn gemoderniseerde F-16 jachtvliegtuigen en het vernieuwde wapenpakket een waardevolle bijdrage kunnen leveren aan «Allied Force».

Kfor bestaat uit ruim 50 000 militairen en is verdeeld in vijf sectoren. Nederland draagt bij met ongeveer 2000 militairen, die zijn geïntegreerd in een Duitse brigade. Nederland levert een afdeling veldartillerie, een mortieropsporingsradarbatterij, een helikopterdetachement, brigadestafpersoneel en een geniehulpbataljon dat bestaat uit een genie-eenheid, een transporteenheid, explosieven-opruimingscapaciteit en algemene ondersteuningscapaciteit. Het mariniersbataljon voor de strategische reserve van Sfor is tevens aan Kfor toegewezen. De Nederlandse F-16's van het DATF-detachement op Amendola voeren luchtsteunoperaties uit voor zowel Sfor als Kfor. Voorts opereren in de Adriatische zee een fregat en een mijnenjager, die beide deel uitmaken van Navo-vlootverbanden.

Nederland heeft in Albanië van midden april tot midden juli 1999 een «Netherlands Joint Task Force» (NLJTF) ontplooid als onderdeel van de Navo-geleide «Albania Force» (Afor). In dit verband werd steun verleend aan de Albanese autoriteiten en internationale hulporganisaties bij de opvang en de terugkeer van vluchtelingen uit Kosovo. De NLJTF was als onderdeel van de multinationale «Task Force Romeo» onder meer belast met het beveiligde vervoer van vluchtelingen en goederen. De Nederlandse bijdrage bestond uit een hoofdkwartier, een transporteenheid, een beveiligingscompagnie en een helikopterdetachement. Het amfibisch transportschip Hr.Ms. Rotterdam is ingezet voor transporttaken en logistieke ondersteuning.

Op 26 april jl. heeft de Weu ingestemd met een nieuw mandaat voor de adviserende politiemissie in Albanië (Mape). Dit voorziet in een uitbreiding van de missie tot 170 functies en in de oprichting van een operationeel hoofdkwartier in Brussel. Nederland heeft zijn bijdrage aan het Mape verhoogd tot negen functionarissen van de Koninklijke marechaussee.

1.4.4 Overige missies

Nederland neemt sinds juni 1998 met ongeveer 100 militairen deel aan de «United Nations Peacekeeping Force in Cyprus» (Unficyp). De vredesmacht bestaat uit ongeveer 1200 militairen. Een compagnie van de Koninklijke landmacht is onderdeel van het Britse contingent, maar beschikt sinds deze zomer binnen de Britse sector over een eigen gebied van verantwoordelijkheid. De Nederlandse bijdrage wordt in beginsel na drie jaar beëindigd.

Sinds 1996 levert Nederland jaarlijks enkele maanden een bijdrage aan de «Multinational Interception Force», die toeziet op naleving van het handelsembargo tegen Irak. In 1999 zijn Hr.Ms. Jacob van Heemskerck en een maritiem patrouille-vliegtuig Orion ingezet.

In het Midden-Oosten draagt Nederland twaalf waarnemers bij aan de «United Nations Truce Supervision Organisation» (Untso), die toeziet op het handhaven van de bestandslijnen tussen Israël en zijn buurstaten. Nederland draagt, met één officier elk, ook bij aan de OVSE-missie in Moldavië en aan de «United Nations Special Commission» (Unscom). Voorts ondersteunt Defensie het ruimen van mijnen in Bosnië-Herzegowina en Cambodja. Een Nederlandse officier werkt als technisch adviseur bij een onderdeel van het «Bosnia Herzegowina Mine Action Centre». In Cambodja werken drie mijnenruimdeskundigen van de explosievenopruimingsdienst bij het «Cambodian Mine Action Centre» (CMAC).

1.5 Caribisch gebied

De versterking van de Kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba is bijna voltooid. Op 13 januari 1999 is het Kustwachtcentrum te Curaçao geopend. De aanwezigheid van de Kustwacht op het water is toegenomen door de inzet van nieuw materieel. De samenwerking tussen de commandant Kustwacht en de vertegenwoordigers van de landsdiensten is goed. Eenheden van de Koninklijke marine en de Kustwacht werken in het kader van de internationale drugsbestrijding vooral samen met de Verenigde Staten. Begin april is met de Verenigde Staten overeenstemming bereikt over de vestiging van «Forward Operating Locations» (FOL's) op Curaçao en Aruba. De Verenigde Staten voeren van hieruit drugsbestrijdings-operaties uit. Nederland blijft zich inspannen voor een multilaterale overeenkomst inzake maritieme samenwerking in het Caribische gebied, ter uitvoering van het Verdrag van Wenen van 1988 inzake de bestrijding van de drugshandel.

HOOFDSTUK 2: DE KRIJGSMACHT

2.1 Algemeen

De herstructurering van de krijgsmacht wordt in 2000 voortgezet. De krijgsmacht wordt steeds vaker ingezet voor vredesoperaties, in het bijzonder in Kosovo en Bosnië. De grote betrokkenheid bij vredesoperaties trekt, samen met de voortgaande herstructurering bij Defensie, een grote wissel op het personeel.

Zoals met de Tweede Kamer is overeengekomen, zal één van beide halfjaarlijkse rapportages over de Luchtmobiele brigade voortaan in de defensiebegroting worden opgenomen. De Luchtmobiele brigade bevindt zich ook in 2000 nog in de voorbereidende fase gericht op het bereiken van volledige operationele inzetbaarheid in 2003. De ingebruikneming van helikopters ten behoeve van de brigade verloopt volgens plan (zie ook de artikelsgewijze toelichting). De grondcomponent is aanwezig en voldoende gevuld. Twee infanteriebataljons zullen in dit begrotingsjaar op de Balkan worden ingezet. Wat betreft de luchtcomponent zijn (tot 1 oktober 1999) twee Apache helikopters ingedeeld bij een Amerikaanse Sfor-eenheid in Bosnië. Een detachement van drie Chinook-helikopters is vanaf december 1998 enkele maanden ingezet bij de «Kosovo Extraction Force» in Macedonië en vervolgens bij Afor. Het detachement is sinds juni onderdeel van de Nederlandse bijdrage aan Kfor en is uitgebreid met enkele Bölkow-helikopters.

In het kader van het vernieuwde Beleid Bedrijfsvoering Defensie (BBD-2000) worden defensiebrede doelstellingen inzake operationele gereedheid ontwikkeld, die binnenkort gereed zijn. In deze begroting zijn in de artikelsgewijze toelichting voor het eerst op ressortniveau doelstellingen en activiteiten vermeld die verband houden met de operationele gereedheid.

2.2 Koninklijke marine

2.2.1 Algemeen

Het optreden en samenwerken in internationale verbanden blijft voor de Koninklijke marine van groot belang. Dit blijkt onder meer uit de inpassing van een expeditionaire module bestaande uit één bataljon met bijbehorende ondersteuning, een amfibisch transportschip en escorteschepen als geïntegreerd eskader in de «UK/NL Amphibious Force» en in het Navo-commando «Strikefleet Atlantic».

2.2.2 Voortgang herstructurering

De in de Defensienota en de Prioriteitennota aangekondigde herstructu- rering verkeert in de eindfase. Door natuurlijk verloop en door maatregelen die de instroom beperken verloopt de verkleining van de personeelsomvang volgens plan. Het project «vorming één Marinebedrijf» nadert in 2000 zijn voltooiing. Hetzelfde geldt voor reorganisaties bij de walorganisatie van de verbindingsdienst, bij scholen en bij verschillende bevoorradingsdiensten.

2.3 Koninklijke landmacht

2.3.1 Algemeen

De Koninklijke landmacht zet de komende jaren de voorgenomen reorganisaties voort. De herschikking van de gevechtskracht, die vooral is gericht op de verbetering van het voortzettingsvermogen voor vredesoperaties, zal in 2002 worden voltooid. De deelneming aan vredesoperaties met goed opgeleid en geoefend personeel behoudt prioriteit.

De internationale samenwerking richt zich vooral op het Duits-Nederlandse legerkorps en de Multinational Division (Central). De samenwerking met het Verenigd Koninkrijk wordt geïntensiveerd, vooral op het gebied van vredesoperaties en luchtmobiel optreden.

2.3.2 Voortgang herstructurering

Veel van de projecten die worden uitgevoerd in het kader van de herschikking van de gevechtskracht hebben betrekking op het Duits-Nederlandse Legerkorps. Een groot aantal wordt thans uitgevoerd. De staf van de 43ste gemechaniseerde brigade is inmiddels paraat. De brigade als geheel wordt in 2000 gevormd. De overige gemechaniseerde brigades worden verder gereorganiseerd en de restanten van de mobilisabele 52ste gemechaniseerde brigade zullen worden opgeheven.

De oprichting van nieuwe eenheden zoals de RPV-compagnie, een inlichtingeneenheid uitgerust met onbemande verkenningsvliegtuigjes, is voorbereid. Deze eenheden zullen omstreeks januari 2000, zodra zij het vereiste opleidings- en trainingsniveau hebben bereikt, paraat zijn.

Op grond van de resultaten van evaluaties en oefeningen zal worden besloten of de staf en de eenheden van de Divisie «7 December» moeten worden gereorganiseerd. Delen van de staf 1e Divisie en van het «Support Command» zullen worden samengevoegd in een Divisie verzorgingscommando om de logistieke eenheden beter te kunnen aansturen.

2.4 Koninklijke luchtmacht

2.4.1 Algemeen

De Koninklijke luchtmacht neemt vanaf medio 1999 deel aan de «Extended Air Defence Task Force» (EADTF), een samenwerkingsverband van de Verenigde Staten, Duitsland en Nederland. Doel van de EADTF is de verbetering van de planning en van de coördinatie van gezamenlijke luchtverdedigingsactiviteiten, opleidingen en oefeningen. Voorts is de Koninklijke luchtmacht voornemens lid te worden van de European Air Group (EAG). Dit Frans-Britse initiatief is vooral gericht op de verbetering van de interoperabiliteit tussen de betrokken luchtmachten en past binnen het streven de Europese veiligheids- en defensie-identiteit binnen de Navo te bevorderen.

2.4.2 Voortgang herstructurering

Het streven is in 2000 de reorganisatie en de verkleining van het Hoofdkwartier Koninklijke Luchtmacht te voltooien. Ook de bestuurlijke integratie van het Depot elektronisch materieel en van het Depot mechanisch vliegtuigmaterieel en straalmotoren in het Logistiek centrum Koninklijke luchtmacht wordt afgesloten. Er komt één opleidingscentrum voor de gehele Koninklijke luchtmacht in Woensdrecht. Met deze maatregelen wordt de nog te verwezenlijken reductie van functies bij de Koninklijke luchtmacht grotendeels ingevuld. De achterstand bij de reductie van het burgerpersoneel is bijna ingelopen. De in de Prioriteitennota afgesproken verkleining van het totale personeelsbestand wordt uiterlijk in 2001 voltooid.

2.5 Koninklijke marechaussee

2.5.1 Voortgang herstructurering

In 1998 is het interdepartementaal onderzoek naar de bedrijfsvoering van de Koninklijke marechaussee afgesloten. De aanbevelingen van het onderzoek worden uitgewerkt in het project Beleid en Bedrijfsvoering Koninklijke Marechaussee 2000 (zie brief F/99 004 204, 12 juli 1999). In 2000 wordt de reorganisatie van de militaire politiedienst, die dan 966 marechaussees zal omvatten, voltooid.

2.5.2 Intensivering vreemdelingentoezicht en grensbewaking

De minister van Justitie heeft naar aanleiding van de verwachte stijging van het aantal asielzoekers in Nederland de benodigde formatiesterkte van de politie en van de Koninklijke marechaussee laten onderzoeken voor de bestaande aanmeldcentra (Zevenaar, Rijsbergen en Schiphol) en het op te richten aanmeldcentrum Ter Apel. Als gevolg hiervan is in 1999 het functiebestand van de Koninklijke marechaussee bij de bestaande aanmeldcentra structureel uitgebreid met ongeveer veertig personen. In 2000 zal de formatie van het mobiel toezicht vreemdelingen (MTV) en van de grensbewaking geheel zijn gevuld. In totaal zijn dan ruim 600 marechaussees werkzaam in het MTV en worden ruim 770 marechaussees ingezet voor de grensbewaking.

2.5.3 Accommodatie

Er wordt onderzoek gedaan naar een alternatieve werk- en woonaccommodatie voor de Koninklijke marechaussee op of nabij de luchthaven Schiphol. Het huurcontract voor de huidige accommodatie op de luchthaven loopt af in 2004.

2.6 Defensie Interservice Commando (Dico)

2.6.1 Algemeen

In 1999 worden de voorbereidingen getroffen voor de organisatorische overheveling van het Koninklijk tehuis voor oud-militairen en van Museum Bronbeek van de Koninklijke landmacht naar het Dico. Ook wordt begonnen met de voorbereidingen voor de overdracht van het Bureau vorderingen, inhoudingen en kortingen vanuit de Centrale organisatie. In 2000 zullen de Dienst militaire pensioenen en het Team gegevensbeheer verzekerden-administratie (dat nu behoort tot het Defensie archieven-, registratie- en informatiecentrum) naar het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds overgaan. De budgetten van beide eenheden worden vanaf dat moment aan de Dico-begroting onttrokken.

2.6.2 Voortgang herstructurering

Bij de meeste diensten en bedrijven van het Dico is de initiële herstructurering na opneming in het Dico voltooid. De reorganisatie in het kader van de doelmatigheidsoperatie ligt op schema en wordt in 2001 afgerond. Met de herstructurering wordt in belangrijke mate voldaan aan de voorwaarden voor een klantgericht en doelmatig Dico.

Begin 1999 zijn op grond van aanbevelingen van de Defensie accountantsdienst en van de Algemene rekenkamer binnen het Dico verbeteringen aangebracht in de administratieve organisatie, vooral op het gebied van financieel en materieelbeheer.

HOOFDSTUK 3: HET PERSONEELSBELEID

3.1 Voortgang herstructurering

De reductie van het personeelsbestand die voortvloeit uit de Defensienota en de Prioriteitennota zal volgens plan vóór 2003 een feit zijn. Het gaat om een reductie van 1290 beroepsmilitairen-onbepaalde-tijd (BOT) en 849 burgerpersoneelsleden. Het bestand beroepsmilitairen-bepaalde-tijd (BBT) kan in diezelfde periode nog met 3378 groeien.

Onderstaand overzicht geeft een beeld van de situatie per beleidsterrein en per personeelscategorie:

Vergelijking Begroting 2000 versus de stand van de Prioriteitennota in 2003

 Begroting 2000Geactualiseerde PrioriteitennotaVerschil 2003–2000
 aantallen volgens de Begroting 20001gewenste sterkte voor 20032absolute aantallenprocentueel
Koninklijke marine    
Beroepsmilitairen OT8 1287 972– 157– 1,9%
Beroepsmilitairen BT4 4314 360– 71– 1,6%
Totaal militair personeel12 55912 332– 228– 1,8%
Burgerpersoneel 4 1814 092– 89– 2,1%
Totaal personeel16 74016 424– 317– 1,9%
Koninklijke landmacht    
Beroepsmilitairen OT10 92710 390– 537– 4,9%
Beroepsmilitairen BT12 18915 2503 06125,1%
Totaal militair personeel23 11625 6402 52410,9%
Burgerpersoneel 9 0648 504– 560– 6,2%
Totaal personeel32 18034 14419646,1%
Koninklijke luchtmacht    
Beroepsmilitairen OT7 7677 340– 427– 5,5%
Beroepsmilitairen BT3 5353 6931584,5%
Totaal militair personeel11 30211 033– 269– 2,4%
Burgerpersoneel1 6981 666– 32– 1,9%
Totaal personeel13 00012 699– 301– 2,3%
Koninklijke marechaussee    
Beroepsmilitairen OT3 2973 220– 77– 2,3%
Beroepsmilitairen BT1 9172 0511347,0%
Totaal militair personeel5 2145 271571,1%
Burgerpersoneel 254 25400,0%
Totaal personeel5 4685 525571,0%
Centrale Organisatie    
Beroepsmilitairen OT608602– 6– 1,0%
Beroepsmilitairen BT     26  2600,0%
Totaal militair personeel634628– 6– 0,9%
Burgerpersoneel 984 899– 85– 8,6%
Totaal personeel1 6181 527– 91– 5,6%
DICO    
Beroepsmilitairen OT1 008922– 86– 8,5%
Beroepsmilitairen BT 377 473 9625,5%
Totaal militair personeel1 3851 395100,7%
Burgerpersoneel1 2401 157– 83– 6,7%
Totaal personeel2 6252 552– 73– 2,8%
Homogene groep    
Beroepsmilitairen OT16716700,0%
Beroepsmilitairen BT  10  1000,0%
Totaal militair personeel17717700,0%
Burgerpersoneel  27  27  00,0%
Totaal personeel20420400,0%
Totaal overzicht Defensie    
Beroepsmilitairen OT31 90230 613– 1 290– 4,0%
Beroepsmilitairen BT22 48525 8633 37815,0%
Totaal militair personeel54 38756 4762 0893,8%
Burgerpersoneel17 44816 599– 849– 4,9%
Subtotaal71 83573 074  
     
Agentschappen
Defensie Telematica Organisatie    
Beroepsmilitairen163  
Burgerpersoneel1 122  
Totaal personeel1 285  
Dienst Gebouwen, Werken en Terreinen    
Beroepsmilitairen70  
Burgerpersoneel1 007  
Totaal personeel1 077  
Subtotaal2 362   
Totaal-generaal74 197   

1 Sterktes uitgedrukt in volle tijd equivalenten (VTE) en: burgerpersoneel: incl. A&O en niet-Nederlands hulppersoneel; excl. uitzendkrachten en niet-actief personeel; militair personeel: incl. BV-LOM en A&O; excl. herhalingsoefeningen.

2 De gewenste sterkte 2003 is afgeleid van de Prioriteitennota en geactualiseerd voor overhevelingen en andere aanpassingen. Het betreft het maximale aantal personeelsleden dat een beleidsterrein in 2003 in dienst mag hebben (personeelsplafond). De begrotingssterkte is het aantal personeelsleden dat een beleidsterrein planmatig in dienst denkt te hebben in een bepaald jaar. De begrotingssterkte kan om diverse redenen afwijken van de gewenste sterkte, bijvoorbeeld door tegenvallende wervingsresultaten.

3.2 Personeelsvoorziening

De werving van technisch en specialistisch personeel en van personeel voor gevechtsfuncties verloopt moeizaam als gevolg van de krappe arbeidsmarkt. Een uitgebreide rapportage over de personeelsvoorziening van de krijgsmacht is op 25 februari jl. aan de Tweede Kamer aangeboden (nr. P99 001 167).

Defensie streeft naar een hechte samenwerking met overheidsinstanties, werkgevers, onderwijsinstellingen en andere actoren op de arbeidsmarkt om meer jongeren te bereiken en te interesseren voor de krijgsmacht. Tegelijk bevordert deze samenwerking dat militairen met een tijdelijke aanstelling gericht worden geschoold en met een meerwaarde terugkeren op de arbeidsmarkt.

De herstructurering, de financiële en personele reducties en de blijvende aandacht voor de verbetering van de doelmatigheid hebben ingrijpende gevolgen voor het personeel. Veel functies vervallen, loopbaanmogelijkheden worden minder gunstig en er moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid van gedwongen ontslag. Ook vraagt de operationele inzet veel van het personeel en van het thuisfront. Het personeel voelt zich niet altijd voldoende gewaardeerd. Dit draagt bij tot het verloop. Het bieden van toekomstperspectief aan het personeel heeft dan ook hoge prioriteit.

Om te voorkomen dat militair personeel vroegtijdig de organisatie verlaat, worden maatregelen getroffen die de belastende elementen in het militaire beroep moeten terugdringen. In dat verband is onlangs de periode dat fregatten zijn ingedeeld in permanente Navo-eskaders teruggebracht van zes naar vier maanden (vergaderjaar 1998/1999, Aanhangsel van de Handelingen 1395) en zijn met de centrales voor overheidspersoneel afspraken gemaakt die een halt moeten toeroepen aan de uitstroom van vliegers bij de Koninklijke luchtmacht.

Sinds eind 1994 geldt voor burgerfuncties bij Defensie een vacaturestop. Defensie werft alleen nieuw personeel buiten de organisatie als vacatures niet intern kunnen worden gevuld. Om Defensie als werkgever voor burgerpersoneel interessant te houden, vooral onder hoger opgeleide jongeren, worden op financieel-economisch, ICT- en verwervingsgebied, waar knelpunten bestaan, traineeprojecten georganiseerd.

Defensie heeft de problematiek van de wachtgelden BBT onderzocht. De belangrijkste conclusie is dat een toereikende registratie van de inspanningen op het gebied van scholing en bemiddeling ontbreekt. Er zal hiertoe een registratiesysteem worden opgezet. Aansluitend zal een vervolgonderzoek worden gedaan naar de relatie tussen de instroom van BBT'ers in het wachtgeld en de inspanningen van Defensie.

3.3 Arbeidsvoorwaarden

Tegen de achtergrond van de aanzienlijke jaarlijkse wervingsbehoefte is het van groot belang dat Defensie een aantrekkelijke werkgever blijft. Daarom is in de arbeidsvoorwaardenovereenkomst 1999–2000 een met andere sectoren vergelijkbare algemene loonontwikkeling vastgelegd en aandacht besteed aan de secundaire arbeidsvoorwaarden. Het gaat onder meer om scholing, maatregelen ter bevordering van de mobiliteit, meer kinderopvang en een uitbreiding van de vergoeding voor woon-werkverkeer. Tegelijk wordt, overeenkomstig het regeerakkoord, de ziektekostenregeling voor het defensiepersoneel versoberd.

In de arbeidsvoorwaardenovereenkomst is de ontwikkeling van een volwaardig seniorenbeleid voor burgerambtenaren afgesproken om de deelneming aan het arbeidsproces van burgerambtenaren van 50 jaar en ouder te bevorderen. Het voornemen is hierover uiterlijk 1 augustus 2000 afspraken te maken met de centrales van overheidspersoneel.

Separaat zullen in het najaar van 1999 afspraken worden gemaakt over de in de Hoofdlijnennotitie aangekondigde vernieuwing van het personeelsbeleid en de versobering van de diensteinderegeling voor het militaire personeel (Uitkeringswet gewezen militairen).

3.4 Personeelsontwikkeling

3.4.1 Arbeidsomstandigheden

Het arbeidsomstandighedenbeleid bij Defensie is in 1999 geïntensiveerd. Aanleiding daartoe waren verschillende incidenten en het groeiend maatschappelijk bewustzijn dat aandacht voor arbeidsomstandigheden een belangrijke verantwoordelijkheid is van de werkgever. Inmiddels is een begin gemaakt met de evaluatie van de arbeidsomstandigheden en is een onderzoek begonnen naar de risico's op de werkvloer. De termijn waarbinnen een en ander wordt uitgevoerd is vastgelegd in het beleidsplan arbeidsomstandigheden Defensie. De hoofdlijnen van dit plan worden opgenomen in de Defensienota. Op basis van de evaluatie- en onderzoeksresultaten wordt een plan van aanpak opgesteld om de knelpunten te verhelpen. Hieronder vallen ook de onderwerpen waarover aan de Tweede Kamer rapportages zijn toegezegd.

Uit een onderzoek is gebleken dat voor een deel van het personeel van de Koninklijke luchtmacht de werkdruk is toegenomen door de nieuwe taken, de uitzendingen en de oefeningen. De Tweede Kamer is hierover per brief (P98 063 889) ingelicht op 30 september 1998. De Koninklijke luchtmacht heeft in overleg met de centrales van overheidspersoneel maatregelen genomen om de werkdruk te verlagen. De maatregelen zijn toegespitst op het dagelijks functioneren van het personeel en waarborgen blijvende aandacht voor de werkdruk. Bij de andere krijgsmachtdelen wordt op vergelijkbare wijze aandacht besteed aan de werkdruk.

3.4.2 Emancipatie

Defensie heeft, evenals de andere departementen, een actieplan opgesteld met doelstellingen op het terrein van het emancipatiebeleid (zie de brief aan de Tweede Kamer van de Staatssecretaris van Emancipatiezaken, Kamerstuk 26 206, nr. 12). Defensie heeft onder meer de taak om het percentage vrouwelijke beroepsmilitairen voor 2002 te verhogen van zeven tot acht. In 2010 moet dit percentage zijn gestegen naar twaalf. Er is inmiddels sprake van een gestage groei van het aantal vrouwen. De situatie per 1 juli 1999 is als volgt:

Vrouwen in de krijgsmacht

 Totaal
 man vrouw
 aantalpercentageaantalpercentage
Koninklijke marine11 68090,8%1 1809,2%
Koninklijke landmacht22 78193,3%1 6386,7%
Koninklijke luchtmacht10 54492,7%8297,3%
Koninklijke marechaussee4 51391,7%4088,3%
Totaal49 51892,4%4 0557,6%

Een andere taak betreft de voltooiing van het project «Vrouwen en ergonomie». Op grond hiervan kunnen de krijgsmachtdelen maatregelen nemen om de fysieke belasting in het werk te verminderen, waardoor de inzetbaarheid van vrouwen wordt verhoogd.

Het emancipatiebeleid van Defensie is er mede op gericht het aantal vrouwen dat Defensie verlaat te beperken. Er wordt gewerkt aan plannen om de mogelijkheden tot het combineren van arbeid en zorg te verruimen. Hierop wordt in de Defensienota nader ingegaan.

3.4.3 Minderheden

Defensie wil een afspiegeling van de maatschappij zijn. De normen die zijn gesteld in de Wet stimulering arbeidsdeelname minderheden worden ruim gehaald. Momenteel is 7,9% van de defensiemedewerkers van allochtone afkomst. De groei van het aantal allochtone personeelsleden is voornamelijk toe te schrijven aan de instroom van lager opgeleiden. Er zal in 2000 extra aandacht worden besteed aan de instroom van hoger opgeleide allochtonen en aan de doorstroom van allochtone werknemers binnen de organisatie. De werving onder allochtonen zal zo nodig worden aangepast naar aanleiding van het onderzoek naar het imago van Defensie onder etnische minderheden, dat binnenkort wordt voltooid.

3.5 Beleid voor postactieven

De Stichting dienstverlening veteranen, de Stichting veteranenplatform, de Bond van Nederlandse militaire oorlogs- en dienstslachtoffers en Defensie hebben een uitwerkingsconvenant gesloten voor de oprichting van het Veteraneninstituut. Waarschijnlijk zal het Veteraneninstituut omstreeks april 2000 worden geopend. Het instituut beoogt de intensivering van de onderlinge samenwerking en de afstemming van de zorg, met behoud van de eigen kenmerken van de betrokken organisaties. De activiteiten inzake lotgenotencontact, dienstverlening en nazorg worden gebundeld. Het instituut zal tevens de samenhang met de zorgstructuur voor actief dienende militairen bewaken. Ook jonge veteranen zullen gebruik kunnen maken van de diensten van het instituut, omdat gebleken is dat juist zij daaraan behoefte hebben.

Op grond van de aanpassing eind 1998 van de «Uitkeringswet twee tot vijfjarige diensttijd veteranen» hebben inmiddels bijna 30 000 veteranen met een overheidspensioen de eenmalige uitkering van f 1000 netto alsnog ontvangen. Dat brengt het totaal aantal veteranen voor wie op deze wijze de erkenning voor hun langdurige inzet is onderstreept, op ruim 100 000. De verwachting is dat uiteindelijk zo'n 110 000 veteranen de uitkering zullen ontvangen. De Dienst veteranenuitkering streeft ernaar zijn werkzaamheden midden 2000 af te sluiten.

HOOFDSTUK 4 : HET MATERIEELBELEID

4.1 Algemeen

Defensie blijft streven naar de intensivering van nationale en internationale materieelsamenwerking. Een belangrijke stap wordt mogelijk gezet met de toetreding tot het materieelagentschap «Organisme Conjoint de Coopération en Matière d'Armement» (Occar).

Het Defensie Materieelkeuze Proces (DMP) zal in 2000 worden geëvalueerd. Hierbij zal onder meer worden ingegaan op de relatie met de regeling Grote projecten van de Kamer en met de mogelijke effecten van internationale ontwikkelingen, zoals de toetreding tot Occar, op de besluitvormingsprocedures.

Defensie heeft deelgenomen aan een project onder leiding van Economische zaken waarin wordt nagegaan hoe innovatief aanbesteden bij de overheid kan worden bevorderd. Binnen Defensie zullen hiertoe dit begrotingsjaar twee proefprojecten worden uitgevoerd. De ervaringen zullen worden gebruikt om in de komende jaren deze vorm van aanbesteden zoveel mogelijk toe te passen.

4.2 Internationale materieelbetrekkingen

4.2.1 Europese samenwerking

Het door Duitsland, Frankrijk, Italië en het Verenigd Koninkrijk opgerichte materieelagentschap Occar is een belangrijke bouwsteen voor de Europese samenwerking bij de ontwikkeling en de productie van defensiematerieel. Het voornemen de Weu te integreren in de EU zal ook gevolgen hebben voor de «Western European Armaments Group» (Weag). In Weag-verband worden ook de mogelijkheden verkend van informatie-uitwisseling over «Unmanned Aerial Vehicles» (UAV's), «Future Combat Aircraft» en «Direct Firing Platform», met het oog op mogelijke toekomstige samenwerking.

De ministers van Defensie van Weag-landen hebben in november 1998 een plan goedgekeurd voor nauwere samenwerking. Ook is besloten samen te werken met Zweden, Finland en Oostenrijk, die niet tot de Weag behoren. Zo zullen deze landen aan Weag-vergaderingen kunnen deelnemen. In het kader van het «European Armaments Partnership» is een MoU opgesteld dat de toetreding regelt van Finland en Zweden als waarnemer tot de «WEAG Research and Technology»-programma's.

Nederland onderhoudt intensieve bilaterale materieelbetrekkingen met Europese partners, vooral met Duitsland en in toenemende mate met Frankrijk. Ook de samenwerking met de Scandinavische landen ontwikkelt zich voorspoedig. De contacten met de Midden- en Oost-Europese landen worden geleidelijk uitgebreid, met name op het gebied van wetenschappelijk onderzoek en ontwikkeling.

4.2.2 Transatlantische samenwerking

De «Conference of National Armaments Directors» (CNAD) van de Navo heeft aanbevelingen gedaan om de bondgenootschappelijke materieelsamenwerking te verbeteren. Deze moeten in 2000 leiden tot de stroomlijning van relevante procedures. Een belangrijk transatlantisch samenwerkingsproject is het «Theater Missile Defence»(TMD)-programma, waaraan Nederland deelneemt. Transatlantische materieelsamenwerking bestaat overigens al jaren binnen het «NATO Maintenance and Supply Agency» (Namsa). Het gebruik van de Namsa-faciliteiten is doelmatig dankzij een goede beheersing van voorraden voor wapensystemen en door het gebruik van raamcontracten voor de gezamenlijke aanschaf van goederen.

4.3 Defensie-industrie

Het materieelbeleid is mede gericht op de instandhouding en de versterking van de defensiegerelateerde kennis en kunde in Nederland. Deze moeten deel gaan uitmaken van de Europese defensietechnologische en -industriële basis. Veel defensie-opdrachten komen terecht bij het Nederlandse bedrijfsleven. Defensie ondersteunt ook de deelneming van nationale defensiegerelateerde bedrijven aan internationale materieelsamenwerkingsprojecten.

4.4 Afstoting

In de begroting is voor 2000 een verkoopopbrengst geraamd van f 130 miljoen. Voor de periode 1999–2005 is met een verkoopopbrengst rekening gehouden van in totaal f 1000 miljoen. Dit bedrag bestaat voor een deel uit termijnbetalingen voor materieel dat op grond van de Defensienota en de Prioriteitennota overtollig werd verklaard en is verkocht. Voorts is op basis van de Hoofdlijnennotitie rekening gehouden met inkomsten uit de verkoop van af te stoten materieel. Het betreft Leopard-2 tanks, YPR-765 pantservoertuigen, wielvoertuigen, S-fregatten, Orion- en F-27M patrouillevliegtuigen en F-16 jachtvliegtuigen.

Op grond van de met het ministerie van Financiën gemaakte middelenafspraak wordt de defensiebegroting verhoogd met de geraamde verkoopopbrengsten minus een bedrag van f 30 miljoen dat ten gunste komt van de algemene middelen.

4.5 Wetenschappelijk onderzoek en ontwikkeling (WOO)

Door onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten bevordert Defensie een verantwoorde besluitvorming, vooral op het gebied van investeringen. Defensie voert ontwikkelingsprojecten uit en laat door derden onderzoek verrichten. De defensieonderzoeksinstituten van de Nederlandse organisatie voor toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO), het Nationaal lucht- en ruimtevaartlaboratorium (NLR) en het Maritiem research instituut Nederland (MARIN) bieden Defensie toegang tot de nationale en internationale onderzoekswereld. In beperkte mate stimuleert Defensie ook de ontwikkeling van relevante technologieën of materieel bij het Nederlandse bedrijfsleven. Het ministerie van Economische Zaken zal, in het kader van het CODEMA-instrument, financieel bijdragen aan een project als dit naar verwachting voldoende positieve gevolgen heeft voor de Nederlandse economie.

Nederland verwerft ook kennis door internationale samenwerking, bijvoorbeeld door informatie-uitwisseling of gezamenlijk onderzoek. Naast de samenwerking in de Navo of de Weag worden hiertoe ook bilaterale of multilaterale overeenkomsten gesloten. Bijzondere aandacht gaat uit naar de intensivering van de Europese samenwerking, ook met de Noordse en de Midden- en Oost-Europese landen.

4.6 Luchtvaartcluster

Het regeringsbeleid inzake de herstructurering en de stimulering van het Nederlandse luchtvaartcluster is erop gericht de partijen in het luchtvaartcluster kansen te bieden voor aansluiting bij internationale vliegtuigprogramma's. Naast een civiel programma voor deelneming aan Airbus is er een militair programma om de Nederlandse industrie en de nationale kennisinstituten in een goede positie te brengen voor mogelijke deelneming aan het «Joint Strike Fighter»-project. Defensie levert aan dit programma, waar een bedrag van f 150 miljoen mee is gemoeid, een bijdrage van f 50 miljoen over de jaren 1999 tot en met 2003.

4.7 Materieelprojecten

4.7.1 Koninklijke marine

Het project «Aanpassing mijnenbestrijdingscapaciteit» (PAM) behelst de «midlife update» van de mijnenbestrijdingsvaartuigen van de Alkmaar-klasse en de ontwikkeling en de bouw van mijnenveegdrones. Het PAM-project is in de begroting voor 1999 met een jaar vertraagd en wordt, als gevolg van de financiële uitwerking van de voorstellen in de Hoofdlijnennotitie, met nog een jaar vertraagd.

Het project «Hydrografische Opnemingsvaartuigen» voorziet in de instandhouding van de hydrografische opnamecapaciteit. Tot voor kort maakte dit project deel uit van het PAM-project. Inmiddels bestaat het voornemen geen levensverlengend onderhoud aan de hydrografische opnemingsvaartuigen uit te voeren, maar twee nieuwe schepen te bouwen. De Tweede Kamer zal hierover afzonderlijk worden ingelicht.

Het NH-90 project voorziet voor Nederland in de ontwikkeling en de verwerving van twintig maritieme helikopters van het type NH-90 ter vervanging van de huidige Lynx-helikopters. Het project wordt uitgevoerd in samenwerking met Duitsland, Frankrijk en Italië. Duitsland heeft onlangs kenbaar gemaakt dat het zijn behoefte aan maritieme en transporthelikopters wil herfaseren. Dit maakt hernieuwd overleg met de partnerlanden en de industrie nodig om vast te stellen wat de gevolgen van de Duitse voornemens zijn voor het productie-MoU en het productiecontract. Als Duitsland bij zijn voornemen blijft, is ondertekening van het MoU en het contract in 1999 niet langer haalbaar. Voor Nederland zou dat aanleiding zijn een «Request for Information» te doen uitgaan om alternatieven voor de NH-90 in beschouwing te kunnen nemen. De Kamer is over de recente ontwikkelingen ingelicht met de brief van 3 september jl. (nr. M 99004528).

De taken van het maritieme patrouille-vliegtuig Orion zijn aangepast aan de nieuwe veiligheidssituatie. Dit noopt, samen met de technische en operationele veroudering van de aan boord geïnstalleerde apparatuur, tot aanpassing van het missie-systeem door middel van een «Capability Upkeep Programme».

4.7.2 Koninklijke landmacht

Het Licht Verkennings- en Bewakingsvoertuig (LVB) zal de verkenningsvoertuigen van het type Landrover (verkenningsversie) en de M 113 C&V vervangen (Kamerstuk 26 637, nr. 1). De LVB-voertuigen worden uitgerust met beschermingsmiddelen en met waarnemingsmodules met moderne warmtebeeldapparatuur.

In het kader van de vervanging van de pantservoertuigen van het type M577 en YPR is voor de ontwikkeling en de verwerving van de eerste behoefte aan 210 gepantserde wielvoertuigen gekozen voor aansluiting bij een Duits-Frans-Brits ontwikkelingsproject (Nederlandse benaming: PWV-project). Door vertraging in de internationale besluitvorming kon Nederland in 1998 niet tot het project toetreden. Het voornemen is deze toetreding in dit begrotingsjaar alsnog te bewerkstelligen. Zodra de onderhandelingen zijn afgerond, zal de Tweede Kamer worden ingelicht. Het project zal in beginsel worden ondergebracht bij het materieelagentschap Occar.

De gevechtswaardeverbetering van 180 Leopard-2A5 tanks leidt tot grotere bescherming en een betere commandovoering, met inbegrip van de vuurleiding. Voor de verbetering van de vuurkracht van de Leopard-2 tanks is samen met Duitsland een ontwikkelingsproject begonnen: de tanks worden van een langere schietbuis en verbeterde kinetische energiemunitie voorzien. Zodra de ontwikkelingsfase is voltooid, zal de Tweede Kamer hiervan op de hoogte worden gesteld.

4.7.3 Koninklijke luchtmacht

De «midlife update» (MLU) van het F-16 jachtvliegtuig wordt in 2002 voltooid. Inmiddels zijn twee squadrons gemoderniseerde F-16 jachtvliegtuigen operationeel. Bij de operaties boven voormalig Joegoslavië zijn gemoderniseerde F-16's ingezet. In verband met de verwijdering van asbest in hechtgebonden vorm is het MLU-programma eind 1998 bijgesteld (Kamerstuk 26 200 X, nr. 8). De modernisering van 18 vliegtuigen is voorlopig aangehouden. Vanaf 2001 zal de Koninklijke luchtmacht door de invoering van laserdoelaanstralingsapparatuur precisieaanvallen kunnen uitvoeren met lasergeleide wapens (Kamerstuk 24 400 X, nr. 6). Boven voormalig Joegoslavië is al op beperkte schaal van dergelijke apparatuur gebruik gemaakt.

Voor de vervanging van de F-16 is begonnen met het Defensie Materieelkeuze Proces. Sinds 16 april 1997 neemt Nederland samen met Denemarken en Noorwegen deel aan het «requirement validation project» van het Amerikaanse «Joint Strike Fighter» (JSF)-programma (Kamerstuk 25 000 X, nr. 44). Hiermee wordt niet vooruitgelopen op de uiteindelijke keuze. Inmiddels is op basis van de operationele behoeftestelling (Kamerstuk 26 488, nr. 1) begonnen met een gecombineerde voorstudie-/studiefase. In deze fase, die eind 2000 wordt afgesloten, wordt onder meer informatie verzameld die nodig is voor een besluit over deelneming aan de «Engineering, Manufacturing and Development»-fase van de JSF.

De capaciteit van de Patriotsystemen van de Koninklijke luchtmacht zal in de komende jaren worden verbeterd. Het gaat vooral om het modificeren van deze systemen overeenkomstig de PAC-III standaard (Kamerstuk 25 000 X, nr. 99). De samenwerking met de Verenigde Staten en Duitsland wordt geïntensiveerd in het kader van de EADTF.

4.7.4 Koninklijke marechaussee

In 1996 heeft de regering in beginsel ingestemd met het project «C-2000», dat de invoering omvat van een landelijk netwerk voor mobiele communicatie voor de brandweer, de ambulancezorg, de politie en de Koninklijke marechaussee. Het district Koninklijke marechaussee luchtvaart op Schiphol neemt deel aan een proefproject met dit netwerk in de regio Amsterdam, dat in 2000 begint. Als de proef succesvol is, zal het in heel Nederland worden ingevoerd. Bij de Koninklijke marechaussee zal dit tussen 2002 en 2004 gebeuren.

4.7.5 Multi-service projecten

Het project V-kaart is onderdeel van het Technisch informatiebeveiligings- initiatief (Tibi) van de overheid. Defensie heeft bij dit project, dat in overleg met de overige ministeries wordt uitgevoerd, het voortouw. Het betreft een integrale beveiliging van geheime en vertrouwelijke informatie in overheidscomputers en computernetwerken. Het project ligt op schema. In juli 1997 is met Philips Crypto een ontwikkelingscontract ter grootte van f 14,5 miljoen gesloten. Eind 1999 worden de gebruikerstesten met de V-kaart voltooid en begin 2000 wordt begonnen met de verwerving van de V-kaart.

HOOFDSTUK 5: RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEU

5.1 Defensie, Ruimtelijke Ordening en Milieu

Naast personeel en materieel heeft de krijgsmacht ruimte en infrastructuur nodig om zich voor te bereiden op haar taken. Het gaat om vlootbases, kazernes, vliegbases, oefen- en schietterreinen, werkplaatsen, kantoren, opslagdepots, enz. Het is van groot belang in Nederland te kunnen beschikken over geschikte oefenfaciliteiten, waar eenheden vertrouwd kunnen raken met specifieke omstandigheden waarmee ze bij uitzending te maken kunnen krijgen. Het milieubeleid van Defensie richt zich op het voortdurend verbeteren van de milieuprestaties van de defensieorganisatie. Bij het gebruik van defensie-inrichtingen en -terreinen houdt Defensie zich aan de geldende weten regelgeving op het gebied van ruimtelijke ordening en milieu. Dit is niet altijd eenvoudig voor een bedrijf als Defensie, dat veel geluid produceert en waarvan de belangrijkste inrichtingen in of nabij natuurgebieden zijn gelegen.

Het gebruik van oefenfaciliteiten en inrichtingen wordt onder meer gereguleerd door bepalingen in de ruimtelijke en milieuregelgeving. Het defensiebeleid terzake (bijvoorbeeld het Structuurschema Militaire Terreinen (SMT) en het Defensie Meerjarenplan Milieu (DMPM)) en het beleid van andere departementen (bijvoorbeeld het Structuurschema Groene Ruimte of de PKB Waddenzee) stellen voorwaarden aan nieuwe ontwikkelingen. Er is een ontwikkeling zichtbaar om bepaalde voor de omgeving gevoelige activiteiten, ook van Defensie, aan steeds strengere vergunningenregimes (nationaal en in EU-verband) te onderwerpen. Voorbeelden zijn de EU Habitat- en de Vogelrichtlijn, de nieuwe Natuurbeschermingswet, de PKB-Waddenzee en allerlei milieuvergunningen en overeenkomsten (convenanten) met andere overheden over gebruik en beheer. Ook het bestaande instrument bestemmingsplan legt hier en daar beperkingen op aan het gebruik van gronden. Tenslotte legt Defensie zichzelf geregeld beperkingen op: het kan gaan om bepaalde perioden (toeristenseizoen, broedseizoen, avonden) waarin een inrichting niet of beperkt wordt gebruikt of om het mijden van een gebied vanwege de aanwezigheid van bebouwing of zeldzame fauna.

De spanning tussen sommige militaire activiteiten in Nederland, zoals (laag)vliegen en schieten, en enkele uitgangspunten in het beleid op het gebied van ruimtelijke ordening en milieu is evident. Defensie spant zich in om te komen tot een verantwoord milieu- en ruimtelijk beleid. Ondanks die inspanningen is het niet in alle gevallen mogelijk uiteenlopende belangen met elkaar te verenigen. De algemene verdedigingstaak, zowel nationaal als internationaal, en het vastgestelde ambitieniveau wat betreft vredes- en crisisbeheersingsoperaties vergen een goed voorbereide krijgsmacht. Dat betekent dat alle facetten van de krijgsmachttaken moeten worden beoefend. Alleen zo kan de vereiste maximale beschikbaarheid, geoefendheid, en professionaliteit worden bereikt. Dat is niet alleen nodig voor een succesvolle operationele inzet, maar ook voor de veiligheid van de betrokken militairen en de burgers in het gebied waarin wordt geopereerd. Aan het niveau van geoefendheid kan niet worden getornd. Dat maakt het in voorkomend geval nodig keuzes te maken en prioriteiten te stellen. Het betekent dat in specifieke gevallen het defensiebelang zal kunnen prevaleren boven het milieu- of het ruimtelijk belang. Bij de keuzes en prioriteitsstelling is een voortdurende zorgvuldige afweging van belangen, binnen Defensie én met andere betrokken overheden, vanzelfsprekend.

5.2 Ruimtelijke ordening en milieu

De ministeries van Defensie, VROM en LNV zijn gezamenlijk begonnen met de voorbereiding van de herziening van het Structuurschema Militaire Terreinen. In het herziene SMT zullen de ruimtelijke gevolgen van de maatregelen uit de Defensienota worden verwerkt. Omdat de Defensienota naar verwachting eind 1999 verschijnt, zijn deze maatregelen nog niet geheel te overzien. Het eerste deel van het SMT, het beleidsvoornemen, kan daarom vermoedelijk pas in het voorjaar van 2000 worden uitgebracht. Overigens is het SMT door de partiële herziening uit 1996 en de PKB-reparatiewet geldig tot eind 2003.

In het najaar van 1999 zal de Defensie Milieubeleidsnota 2000 (DMB) verschijnen, de opvolger van het DMPM uit 1993. Hierin zal het milieubeleid voor de komende vijf jaren worden uiteengezet. Het nieuwe plan is meer toegesneden op de defensieorganisatie en de milieurelevante bedrijfsvoeringaspecten (zoals bedrijfsinterne milieuzorg en duurzaam inkopen) dan het vorige. In 2000 is f 5 miljoen extra beschikbaar voor milieumaatregelen. Het zal worden besteed aan duurzame energie.

De asbestinventarisatie van het onroerend goed verloopt voorspoedig en zal vóór de voorziene einddatum van 1 oktober 1999 gereed zijn. De resultaten worden binnenkort aan de Tweede Kamer aangeboden, met inbegrip van een raming van de kosten voor de totale asbestsanering bij het vastgoed in beheer bij Defensie. Dankzij de inventarisatie heeft Defensie op een aantal tot dan toe onbekende plaatsen asbest aangetroffen. Dit onderstreept het nut van het defensiebreed uitgevoerde onderzoek. Ongeveer twee procent van de gevallen was zó urgent dat sanering onmiddellijk ter hand moest worden genomen. De plaatsen waar asbest is gevonden zonder dat er gevaar voor de gezondheid bestaat zijn gemarkeerd met waarschuwingsstickers. Sanering volgt later. De kosten van de inventarisatie zijn lager uitgevallen dan op grond van kengetallen werd verwacht.

Duurzaam bouwen (Dubo) wint binnen Defensie terrein. In 1998 zijn in ongeveer zeventig procent van de nieuwbouw- en grootonderhoudsprojecten Dubo-maatregelen genomen. Ook wordt verder gewerkt aan de uitbreiding en de uitwisseling van kennis over en ervaring met duurzaam bouwen, zowel nationaal als internationaal, onder meer door een door Nederland en Canada te organiseren Navo-congres. Duurzaam bouwen is duurder dan conventioneel bouwen: geschat wordt dat de bouwsom ongeveer twee procent hoger uitvalt. De hogere investeringen worden echter tijdens de exploitatie en sloop van het gebouw terugverdiend. Er zijn geen speciale Dubo-budgetten in de defensiebegroting. De meerkosten maken deel uit van de infrastructuurbudgetten.

5.3 Geluidszonering

Voor zeven van de elf militaire luchtvaartterreinen is de geluidszone voor startende en landende vliegtuigen (Luchtvaartwet) wettelijk vastgesteld. Het betreft Leeuwarden, Twenthe, Deelen, Soesterberg, De Kooy, Valkenburg en Gilze-Rijen. De zone die rondom Volkel was vastgesteld, is door de rechter geschorst. Daarmee geldt voor Volkel nu weer de indicatieve geluidszone uit het SMT. In 1999 zijn de lopende zoneringsprocedures voor het vaststellen van de vier geluidszones voor Eindhoven, Volkel, Woensdrecht en De Peel, beëindigd. Voor deze vier bases zijn of worden nieuwe aanwijzings- en zoneringsprocedures begonnen, voorafgegaan door een milieu-effectrapportage. Met het oog op een goede regeling van het civiele medegebruik wordt voorrang gegeven aan Eindhoven. Waarschijnlijk zullen deze procedures kunnen worden afgesloten in 2001–2002.

De geluidsisolatieprojecten rondom de militaire luchtvaartterreinen worden voortgezet. Het totale programma zal waarschijnlijk in 2000 zijn voltooid.

5.4 Bodemsaneringsprogramma

Het bodemsaneringsprogramma van Defensie verloopt volgens plan. Overeenkomstig de gedane toezeggingen zal in 2010 elke ernstige verontreiniging op defensieterreinen zijn gesaneerd of beveiligd. Door het invoeren van nieuwe «terugsaneerwaarden», die afhankelijk zijn van de functie van het terrein, en de toenemende kennis op het gebied van goedkopere, biologische saneringstechnieken, kunnen de saneringskosten op middellange termijn dalen. De onderzoekskosten zullen daarentegen wat toenemen doordat bij in situ saneringstechnieken de afbraak van de vervuiling in de grond vaker moet worden gemeten dan bij de tot dusver gebruikelijke ontgravingstechnieken. Per saldo zullen de kosten van het bodemsaneringsprogramma dalen. Voor 2000 is f 3,7 miljoen begroot voor bodemonderzoeken en f 33,6 miljoen voor bodemsaneringen.

HOOFDSTUK 6: DE DEFENSIE-ORGANISATIE EN BEDRIJFSVOERING

6.1 Veranderingsproces

Het veranderingsproces bij Defensie dient te leiden tot een meer transparante en doelgerichte werkwijze bij Defensie. Begin 1999 is besloten de werkwijze bij Defensie te verbeteren. De maatregelen zijn genomen naar aanleiding van het rapport «Omtrent Srebrenica» van dr. J.A. van Kemenade. De Kamer is hierover uitvoerig ingelicht (Kamerstuk 26 237, nr. 3). Het onderzoek onder leiding van de minister van Justitie naar de opsporingsfunctie van de Koninklijke marechaussee is nagenoeg voltooid.

Het Politiek beraad is inmiddels uitgebreid met de bevelhebbers om de betrokkenheid van en de communicatie tussen de eerstverantwoordelijke functionarissen te vergroten. De huidige samenstelling van dit college onderstreept de eenheid van Defensie als organisatie en de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor het beleid. Om het functioneren van de organisatie, mede gezien het uitgangspunt van «decentraal, tenzij», goed te kunnen beoordelen is een goede informatievoorziening ten behoeve van de bewindslieden noodzakelijk. Sinds 1 juni jl. dienen de bevelhebbers, de commandant van het Dico en de CDS (voor vredesoperaties) periodiek een toprapportage in. Het moment waarop dit gebeurt, is gekoppeld aan de begrotingscyclus. De belangrijkste aandachtspunten zijn de taakuitvoering, de operationele gereedheid, de bedrijfsvoering en actuele thema's. Zij dienen vergezeld te gaan van het oordeel van de eerstverantwoordelijken of is voldaan aan de hen opgedragen doelstellingen, van de genomen of te nemen maatregelen in het geval van tekortkomingen en welke acties van de bewindslieden worden verwacht. De functionarissen van het kerndepartement rapporteren over relevante beleidsontwikkelingen. Het is vanzelfsprekend dat de toprapportages een belangrijke rol spelen in het afleggen van verantwoordelijkheid door de desbetreffende functionarissen. Een goede interne informatievoorziening is voor de bewindslieden ook van groot belang met het oog op het afleggen van verantwoordelijkheid aan het parlement.

Wat betreft de externe communicatie wordt gewerkt aan een richtinggevend kader. De interne informatie- en nieuwsvoorziening wordt verbeterd. Het Crisis onderzoeksteam van de Universiteit van Leiden heeft een draaiboek «Calamiteiten en incidenten management Defensie» opgesteld en aanbevelingen gedaan hoe Defensie beter kan omgaan met incidenten en calamiteiten. Er is een raamwerk voor de afhandeling van vredesoperaties opgesteld waarin alle activiteiten op het gebied van debriefings, evaluaties en nazorg zijn beschreven. Dit raamwerk is inmiddels vastgelegd in een Aanwijzing CDS. De in de brief genoemde maatregelen ter versterking van de mobiliteit van het personeel zullen omstreeks januari 2000 in werking treden.

6.2 Militaire Inlichtingendienst

6.2.1 Reorganisatie

In 1998 heeft de directie Organisatie en Informatie van het directoraat-generaal Economie en Financiën van Defensie de in 1997 voltooide reorganisatie en afslanking van de MID geëvalueerd. Het evaluatierapport «Nieuw Evenwicht» is op 15 maart jl. aan de Tweede Kamer aangeboden (DIS/99 001 341). De minister heeft de conclusies en de aanbevelingen overgenomen. Inmiddels zijn de aanbevelingen uitgewerkt in concrete maatregelen en is begonnen met de reorganisatie en de invoering van een nieuwe werkwijze.

6.2.2 Voortgang plan van aanpak MID-archieven

Tijdens het Algemeen overleg met de Vaste Commissies voor Binnenlandse Zaken, Defensie en OC&W van de Tweede Kamer op 17 december 1997, heeft de minister een plan van aanpak gepresenteerd voor een beter archiefbeheer van de MID.

De Algemene Rijksarchivaris heeft op 6 oktober 1998 het inspectierapport «Archiefbeheer van de Militaire Inlichtingendienst» aangeboden aan de minister. Hierin concludeert de Algemene Rijksarchivaris op grond van de inmiddels getroffen maatregelen dat de noodzakelijke verbetering van het MID-archief in de loop van 1999 kan worden bereikt. Het rapport is, vergezeld van een voortgangsrapportage over het archiefbeheer van de MID en van het rapport over het institutioneel onderzoek naar het handelen van de overheid op het gebied van de militaire inlichtingendiensten 1945–1999, op 15 maart jl. aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstuk 25 809, nr. 11 en DIS/99 001 343).

De Centrale archief selectiedienst werkt thans aan het ordenen van het papieren archief. De werkzaamheden om de archieven van de MID te beschrijven verlopen volgens plan. Er is een begin gemaakt met het vergroten van de toegankelijkheid van archiefbescheiden die op microfilm zijn vastgelegd. Voor eind 1999 zal de mogelijke bewerking van de elektronische bestanden binnen de MID in kaart zijn gebracht. Daarna kan worden begonnen met de bewerking. De opleiding van het MID-personeel op archiefgebied is grotendeels afgerond.

De invoering van één postregistratiesysteem voor de MID is in het voorjaar van 1999, toen een standaard postregistratiesysteempakket ter beschikking kwam, begonnen. De plannen voor de reorganisatie van de MID en voor de toekomstige huisvesting van de MID-staf op het Van Alkemadecomplex in Den Haag bepalen het tempo en de volgorde waarin het systeem wordt ingevoerd. Na de verhuizing zal er voldoende ruimte beschikbaar zijn voor de opslag van de MID-archieven.

6.3 Beleid Bedrijfsvoering Defensie (BBD) 2000

In de financiële verantwoording over 1998 is de Tweede Kamer ingelicht over het BBD-2000. De invoering van dit beleid strekt zich uit over enkele jaren en gebeurt aan de hand van negen doelstellingen. Conform de toezegging in de financiële verantwoording, worden hier de doelstellingen die van belang zijn voor 2000 nader toegelicht:

– mandatering van bevoegdheden.

In de loop van 2000 dienen de eenheden op ressortniveau en op het niveau van de resultaat verantwoordelijke eenheden (RVE) te beschikken over formeel vastgelegde bevoegdheden en middelen die het mogelijk maken de leidinggevenden op die niveaus de integrale verantwoordelijkheid te laten dragen voor de uitvoering van de hun opgedragen taken;

– transparantie van doelstellingen.

In de begroting voor 2001 dient sprake te zijn van transparantie van doelstellingen. Hiervan is in deze begroting al sprake bij de doelstellingen inzake de operationele gereedheid. Deze zijn op ressortniveau tot uitdrukking gebracht in de artikelsgewijze toelichting;

– transparantie van doelbereiking.

In 2000 wordt begonnen met het ontwikkelen van een systeem dat inzicht biedt in de mate waarin de doelstellingen inzake operationele gereedheid zijn bereikt. De invoering van zo'n systeem kost veel tijd en moet zorgvuldig gebeuren;

– de inrichting van de auditfunctie.

De inrichting van de auditfunctie, met inbegrip van de daaraan verbonden auditcapaciteit, is de verantwoordelijkheid van het lijnmanagement. Met ingang van 2001 dienen alle organisatie-eenheden over een auditplan te beschikken. In 2000 zullen hiervoor de nodige maatregelen worden getroffen (zie ook paragraaf 6.5);

– integrale kwaliteitszorg.

Voor 2000 moet tot op RVE-niveau worden aangegeven in welke fase van integrale kwaliteitszorg men zich bevindt en wanneer de volgende fase van ontwikkeling wordt bereikt. Hieraan moet een verbeterplan ten grondslag liggen. In de verantwoording over 1999 zal de Tweede Kamer hierover nader worden ingelicht.

6.4 Informatievoorziening

Voor een goede bedrijfsvoering is een toereikende informatievoorziening van groot belang. De komende jaren wordt hiertoe een verbeterprogramma uitgevoerd. De eerste stap behelst de gefaseerde invoering van een gestandaardiseerde infrastructuur op het gebied van informatie- en communicatietechnologie (ICT). In 2000 wordt de eerste fase, die als basis dient voor de verdere ontwikkeling van de ICT-infrastructuur, voltooid. Daarnaast wordt gewerkt aan het realiseren van een integrale en gestandaardiseerde informatievoorziening, die vervolgens zal worden ingevoerd bij de materieel-logistieke bedrijven. De Europese aanbesteding van de benodigde software is voorzien voor 2000. In het Defensie-informatievoorzieningsplan, dat zal dienen als toetssteen van de bereikte resultaten, komt meer nadruk te liggen op het defensiebrede gebruik van dezelfde ICT-voorzieningen.

6.5 Audits

Binnen Defensie wordt het verzamelbegrip audits gebruikt voor verschillende soorten onderzoeken, zoals beleidsevaluaties, bedrijfsvoeringsaudits en financiële audits. Audits zijn bij Defensie volledig ingebed in de jaarlijkse begrotingscyclus.

De auditfunctie kent een gelaagde structuur die aansluit op de decentrale bedrijfsvoering bij Defensie. Op centraal niveau worden ten behoeve van de ambtelijke en politieke leiding van Defensie onderzoeken uitgevoerd die inzicht bieden in de effectiviteit en de doelmatigheid van het beleid. Op decentraal niveau worden audits gebruikt om de beheersing van de decentrale bedrijfsvoering te verbeteren. In beginsel worden alle bedrijfsprocessen regelmatig aan een audit onderworpen. De prioriteit bij het uitvoeren van audits ligt bij de meest risicovolle processen.

6.6 Millennium

De aanpak van het millenniumprobleem heeft ertoe geleid dat midden 1999 de continuïteit van de belangrijke maatschappelijke diensten die Defensie levert, van crisisbeheersingsoperaties en van andere belangrijke defensieactiviteiten, is gewaarborgd. Behalve aan het oplossingstraject heeft Defensie veel aandacht besteed aan de tijdige voltooiing van de «Millennium contingency plannen».

Het zogenaamde oplossingstraject (het identificeren en oplossen van problemen) verloopt volgens plan. Hierdoor zal het overgrote deel van de vitale en de niet-vitale objecten vóór 1 januari 2000 millenniumbestendig zijn. Het restant (voornamelijk niet-vitale objecten) wordt in de eerste helft van 2000 opgelost. Het betreft vooral materieel van de reserve-eenheden. Gelet op de waarschuwingstijd van deze eenheden, is aan het oplossen van deze objecten een lagere prioriteit toegekend. Ondanks de getroffen maatregelen kan niet volledig worden uitgesloten dat zich begin 2000 problemen zullen voordoen bij verschillende (wapen)systemen. Er wordt daarom rekening gehouden met de nazorg en het herstel van (wapen-) systemen die, hoewel zij nu als millenniumbestendig zijn aangemerkt, toch niet correct blijken te functioneren. Als noodscenario's in werking moeten treden, zal dit tot extra uitgaven leiden.

6.7 Financieel beleid en beheer

De financiële administratie bij Defensie is «millenniumproof». Nu zal de aanpassing van de basisvaluta, van gulden naar euro, worden voorbereid. Overigens worden internationale betalingen ten dele reeds in euro's verricht. Tevens wordt bezien in hoeverre de financiële administratie moet worden geïntegreerd met de overige bedrijfsvoeringssystemen. De financiële administratie voldoet aan de eisen in het Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst 1994. De ordelijkheid van het financieel beheer wordt door middel van een planmatige aanpak verbeterd. In het jaar 2000 zal op het Opleidingscommando Logistiek van de Koninklijke landmacht een defensiebreed opleidingsprogramma van start gaan, dat moet leiden tot kwaliteitsverbetering van de financiële functie.

Naar het oordeel van de Departementale Accountantsdienst was er in 1998 in het algemeen sprake van een ordelijk en controleerbaar financieel beheer. Wel kunnen verscheidene onderwerpen en aspecten nog worden verbeterd.

HOOFDSTUK 7: FINANCIEEL KADER

7.1 Inleiding

In deze begroting wordt een aanzet gegeven tot de invulling van de structurele bezuiniging van f 375 miljoen die uit het regeerakkoord voortvloeien en de bezuiniging op de «uitkeringswet gewezen militairen» (UKW). De beleidsvoornemens waarop de invulling berust, zijn vervat in de Hoofdlijnennotitie en worden definitief uitgewerkt in de Defensienota. De volgende financiële mutaties hebben tot bijstelling van de beschikbare begrotingsbedragen geleid:

 2000200120022003
Regeerakkoord 1998    
structurele taakstelling375375375375
uitkeringswet gewezen militairen (UKW)29588787
Totaal 404 433 462 462

In de volgende paragraaf is toegelicht op welke wijze de taakstelling die uit het regeerakkoord voortvloeit in de begroting 2000 is verwerkt.

7.2 Invulling 2000

De Hoofdlijnennotitie bevat naast de invulling van de taakstelling uit het regeerakkoord maatregelen om ruimte te scheppen voor beleidsintensiveringen. De intensiveringen – in het jaar 2000 f 60 miljoen – betreffen de vorming van een interservice Cimic-eenheid (f 5 miljoen), extra investeringen voor nieuw milieubeleid (f 5 miljoen) en nieuw personeelsbeleid (f 50 miljoen).

Om de taakstellingen en de beleidsintensiveringen te verwezenlijken, zijn aanvullende maatregelen tot een totaal van f 464 miljoen onvermijdelijk. Enerzijds is daarbij sprake van beleidsextensiveringen, anderzijds moeten opnieuw projecten worden vertraagd en/of verkleind. De maatregelen in 2000 zijn bezien in samenhang met de beleidsvoornemens uit de Hoofdlijnennotitie en doen geen afbreuk aan de dagelijkse bedrijfsvoering en de bijdragen aan crisbeheersings- en humanitaire operaties. De volgende maatregelen zijn verwerkt:

Maatregelen 2000 (in miljoenen guldens)

Maatregelen Koninklijke marine
herfaseren project de De Zeven Provinciën klasse25,8
vertragen project aanpassing mijnenbestrijding112,4
vertragen vervanging Zuiderkruis0,8
vertragen Active Towed Array System (Atas)5,5
herfaseren Theatre Missile Defence System (TMD)– 5,0
vertragen CUP Orion 22,4
herfaseren verbindingen mariniers1,4
herfaseren project vorming één marinebedrijf11,6
herfaseren munitie 22,2
overige maatregelen, met name diverse kleine projecten4,5
Totaal Koninklijke marine201,6
  
Maatregelen Koninklijke landmacht
verkleinen en vertragen Shorad27,8
afzien 2e fase Single Service Radio Access8,0
herfaseren pantserbestrijding lange dracht7,5
herfaseren gevechtsveld controle radar9,7
vertragen duelsimulatoren en instrumentatie18,0
herfaseren vervanging brugleggende tank2,0
reductie mobilisabele component1,5
overige maatregelen, met name diverse kleine projecten20,6
Totaal Koninklijke landmacht95,1
  
Maatregelen Koninklijke luchtmacht
verkleinen en vertragen Shorad25,0
herfaseren MLU-F16 en MLU-gerelateerde projecten 57,4
vertragen naderingsapparatuur7,7
verkleinen en vertragen verbetering lucht-grond bewapening4,8
verkleinen en vertragen inbouw MLU-kits4,0
overige maatregelen, met name diverse kleine projecten13,7
Totaal Koninklijke luchtmacht112,6
  
Maatregel Koninklijke marechaussee
aanpassing Milsatcom project 1,8
  
Maatregelen overige beleidsterreinen2,9
Efficiencybesparingen*50
Totaal464

* De efficiency-besparing van f 50 miljoen en de met de begrotingsvoorbereiding 2000 doorgevoerde maatregel «te genereren efficiencybesparing» van f 25 miljoen, zullen vooral worden bereikt door een doelmatigere werkwijze en meer samenwerking tussen de materieeldiensten, mogelijke wijzigingen in de kosten van het compensatiebeleid, de beperking van de omvang van technologisch onderzoek voor wapensystemen en de mogelijke financiële voordelen van uitbesteding. Voor het jaar 2000 is de f 75 miljoen op voorlopige basis over de beleidsterreinen verdeeld en zichtbaar gemaakt op de artikelen «Personeel en materieel». Vanaf 2001 zijn de efficiency-besparingen ondergebracht bij het begrotingsartikel U08.05 «efficiency-besparingen / kwaliteitsverbetering». Een taakgroep buigt zich over de invulling van de efficiency-taakstelling. In de Defensienota zal hierop nader worden ingegaan.

Uitkeringswet gewezen militairen (UKW)

De maatregelen in UKW-kader zullen f 87 miljoen structureel moeten opleveren. Omdat de verhoging van de ontslagleeftijd gefaseerd zal worden ingevoerd, zal een deel van de besparingen op de korte termijn elders moeten worden opgebracht. De beoogde besparing van f 29 miljoen in het jaar 2000 is dan ook verdisconteerd in de bovengenoemde maatregelen.

Aanpassing kasritmes investeringen

Tijdens de begrotingsvoorbereiding 2000 is een taakstellende korting met een incidenteel karakter vastgesteld tot en met 2003 (f 100 miljoen in het jaar 2000 tot f 25 miljoen in 2003). De taakstelling berust op de veronderstelling dat projecten in het algemeen langzamer worden verwezenlijkt dan voorzien. Deze maatregel heeft bij de drie grote krijgsmachtdelen tot ramingsbijstellingen geleid.

In de artikelsgewijze toelichting, in het bijzonder de investeringsartikelen «Groot materieel» en «infrastructuur van de krijgsmachtdelen», zijn de mutaties zichtbaar gemaakt die verband houden met de taakstellingen uit het regeerakkoord en de begrotingsvoorbereiding 2000.

7.3 Verdeling over de bestedingscategorieën 1998–2000

De verdeling van het totale defensiebudget over de bestedingscategorieën is hieronder weergegeven:

      
OmschrijvingPersonele explotatieMateriële exploitatieInvesteringenPensioenen en wachtgeldenTotaal
Totaal realisatie 19986 236,82 974,22 900,81 876,713 988,5
in %44,5821,2620,7413,42100,00
      
OmschrijvingPersonele explotatieMateriële exploitatieInvesteringenPensioenen en wachtgeldenTotaal
Totaal vermoedelijke uitkomsten 19996 522,23 263,43 241,22 003,215 030,0
in %43,3921,7121,5713,33100,00
      
OmschrijvingPersonele explotatieMateriële exploitatieInvesteringenPensioenen en wachtgeldenTotaal
Totaal ontwerpbegroting 20006 444,82 879,62 947,01 919,114 190,5
in %45,4220,2920,7713,52100,00

C. TOELICHTING PER BEGROTINGSARTIKEL

Wetsartikel 1 (uitgaven/verplichtingen)

INLEIDING

Begrotingsindeling

Het verbeterd economisch beheer (Kamerstukken II 1995/96, 24 400 X, nr. 113) heeft geleid tot een nieuwe begrotingsindeling, die vanaf de begroting voor het jaar 1998 worden toegepast. Bij de beleidsterreinen Algemeen, de krijgsmachtdelen en het Defensie Interservice Commando, worden de bedrijfsvoeringsbudgetten in de begrotingsartikelen Personeel en materieel zichtbaar gemaakt en worden alle investeringen op één begrotingsartikel Investeringen groot materieel en infrastructuur geraamd. In verband hiermee (en vanwege de comptabele voorschriften) is sinds de begroting voor 1998 tevens een nieuwe nummering van begrotingsartikelen bij de beleidsterreinen gehanteerd.

Verplichtingen-kassystematiek

In de Comptabiliteitswet, artikel 4, vijfde lid, is de bepaling opgenomen dat als verplichting van een jaar wordt geraamd het bedrag van de juridische verplichting die in dat jaar rechtstreeks ontstaat op grond van een verdrag, een wet, een koninklijk besluit, een ministeriële regeling, een beschikking of een verbintenis en die in dat jaar of in een later jaar tot uitgaven leidt of kan leiden.

Het zesde lid van dit artikel biedt echter de mogelijkheid voor een beperkt aantal categorieën niet de juridische verplichting als uitgangspunt te nemen voor de verplichtingenraming, maar het bedrag dat in dat jaar als uitgaaf wordt geraamd. Dit betreft onder andere:

– salarissen, wachtgelden en soortgelijke periodieke verplichtingen (lid 6, punt a);

– huren, pachten en soortgelijke verplichtingen (lid 6, punt d);

– andere door de minister van Financiën aan te wijzen categorieën (lid 6, punt e).

Dit laatste is ingevuld door de «Aanwijzingsregeling verplichtingen-kas 1991» van 6 juli 1993, laatstelijk gewijzigd 10 september 1997. Hierin worden algemene categorieën onderscheiden waarbij het niet noodzakelijk is voorafgaand aan iedere betaling eerst de bijbehorende individuele verplichting te boeken. Indien het doelmatig is, kan worden volstaan met het vooraf boeken van collectieve verplichtingen die bijvoorbeeld overeenkomen met het uitgavenbudget van de betrokken post. Ook is het mogelijk dat op het moment van betalen de corresponderende verplichting, ter grootte van het kasbedrag, wordt geboekt.

In algemene termen worden onder andere de verplichtingen vermeld die:

– voortvloeien uit privaatrechtelijke rechtshandelingen, met uitzondering van deelnemingen, krediet- of garantieverleningen, tot een door de minister van Financiën vast te stellen bedrag (categorie 1.a). Te denken valt daarbij aan verbruiksgoederen, telefoon- en energiekosten;

– samenhangen met declaraties die rijksambtenaren, arbeidscontractanten en derden op grond van geldende personele en organieke rijksregelingen bij het Rijk kunnen indienen (categorie 1.b). Hieronder vallen vergoedingen voor dienstreizen, verplaatsingskosten en andere emolumenten.

Specifiek genoemd worden voorts de artikelen voor onvoorziene uitgaven (categorie 2.a), voor geheime uitgaven (categorie 2.b) en voor loon- en prijsbijstelling (beide categorie 2.c).

Indien het bovenstaande bij een artikel van toepassing is, wordt daarvan in de artikelsgewijze toelichting melding gemaakt. Daarbij wordt tevens aangegeven welke formele regeling in dat geval van kracht is.

Nieuwe mutaties

Bij de begrotingsartikelen personeel en materieel van de beleidsterreinen worden de nieuwe verplichtingen- en uitgavenmutaties naar aard en oorzaak toegelicht op het niveau van organisatorische groep van resultaatverantwoordelijke eenheden, het zogenoemde begrotingsressort.

Personele ramingen

De uitgaven van het actief dienende personeel zijn geraamd met behulp van het Systeem Nieuwe Integrale Personeelsbegroting (SNIP). De uitkomst hiervan is aangepast voor ontwikkelingen in de komende jaren en voor de categorieën die niet in het SNIP zijn opgenomen, zoals niet-actief dienend personeel, NATRES, zakgelders en niet-Nederlands hulppersoneel.

WAO en Bovenwettelijke arbeidsongeschiktheid

Omdat Defensie een relatief jonge populatie heeft, is ervoor gekozen per 1 januari 1999 gebruik te maken van de in de WAO geboden mogelijkheid om de WAO-lasten van nieuwe instroom, te rekenen vanaf de instroom in 1998, tot een maximum van vijf WAO-uitkeringsjaren in eigen risico te dragen. Het gedifferentieerde deel van de WAO-premie is hiermede per 1 januari 1999 vervallen. Het gaat zowel om het militaire personeel als om het burgerpersoneel.

Voorzover de WAO-uitkeringen betrekking hebben op de periode na ontslag worden deze op declaratiebasis door USZO in rekening gebracht bij Defensie. Verantwoording van de betrokken uitkeringen vindt vanaf 1999 plaats onder het artikelonderdeel Wachtgelden en inactiviteitswedden. In verband met het feit dat het gaat om nieuwe instroom is sprake van een stijgend bestand totdat in 2003 (vijf jaar na 1998) het structureel niveau is bereikt. Voor de periode tussen datum ingang WAO en ontslag is geen sprake van een declaratiestelsel maar van doorbetaling van de bezoldiging.

In verband met de keuze voor eigen risicodragerschap voor de WAO ligt het in de rede dat gedurende de eigen risicoperiode ook de na ontslag aan de orde zijnde bovenwettelijke aanvullingen op de WAO ten laste van het betrokken beleidsterrein komen. Tot op heden werden de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkeringen voor militair personeel in zijn geheel verantwoord op beleidsterrein 2. De betrokken uitkeringsbedragen zijn – voorzover betrekking hebbend op de eigen risicoperiode – vanuit beleidsterrein 2 overgeheveld.

Loon- en prijspeil

De ramingen staan in loon- en prijspeil 1999. De ramingen voor het jaar 2004 worden verkregen door de extrapolatie van de verwachte realisatie in 2003, rekening houdend met de ontwikkelingen van de aantallen personeel en de mutaties in het activiteitenprogramma ten opzichte van het jaar 2003.

Loonbijstelling 1999

De aan Defensie toegekende loonbijstelling 1999 in de arbeidskosten 1999 is verantwoord op artikel 01.27 Loonbijstelling. De kabinetsbijdrage is aangewend voor de financiering van de in 1999 overlopende kosten van de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst 1997–1999 en – tezamen met de binnen de Defensiebegroting beschikbaar gestelde middelen – voor de financiering van de uit de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst 1999–2000 voortkomende maatregelen. De overloop 2000 van die overeenkomst zal ten dele (0,85%-punt van de loonsom) uit de kabinetsbijdrage 2000 worden gefinancierd.

In de toelichting bij de desbetreffende begrotingsartikelen en ressorts van de beleidsterreinen zijn de loonbijstellingsbedragen, samen met de uitgedeelde prijsbijstelling, gespecificeerd.

Prijsbijstelling 1999

In de ontwerpbegroting 2000 is rekening gehouden met de ontwikkeling naar het prijsniveau 1999. De prijsstijging van 1998 naar 1999 bedraagt 1,9% voor de materiële overheidsconsumptie en 1,7% voor de bouw. De prijsbijstelling 1999 is via het begrotingsartikel 01.28 Prijsbijstelling over de begrotingsartikelen van de beleidsterreinen verdeeld. In de toelichting bij de betreffende begrotingsartikelen en ressorts van de beleidsterreinen zijn de prijsbijstellingsbedragen, samen met de bedragen voor de loonbijstelling, nader gespecificeerd.

Doelstellingen en operationele gereedheid

In het kader van het vernieuwde Beleid Bedrijfsvoering Defensie 2000 (BBD-2000) zijn met deze begroting voor het eerst bij de ressorts Commandant der Zeemacht in Nederland, Commandant der Zeemacht in het Caribisch gebied, Commandant van het Korps Mariniers, het 1(GE/NL) Legerkorps en Tactische Luchtmacht doelstellingen en activiteiten vermeld die verband houden met de operationele gereedheid. Defensie onderzoekt op welke wijze in volgende begrotingen, met behulp van kengetallen en prestatie-indicatoren, de mate van doelbereiking inzichtelijk kan worden gemaakt.

Beleidsevaluaties

Beleidsevaluaties, zowel ex-ante als ex-post worden binnen Defensie uitgevoerd om de inhoud, de uitvoering en/of de effecten van het gevoerde beleid te kunnen beoordelen. Waar zinvol en relevant worden de resultaten van de evaluaties met deze begroting voor het eerst in de artikelsgewijze toelichting opgenomen. In bijlage 7 bij deze begroting is een volledig overzicht van de afgeronde en voorziene beleidsevaluaties opgenomen.

Kengetallen

Met behoud van de prestatie-indicatoren en de doelmatigheidskengetallen uit de begroting 1999, zijn in deze artikelsgewijze toelichting voor het eerst opgenomen de doelstellingen en activiteiten die met de operationele gereedheid verband houden en de resultaten van beleidsevaluaties. Met deze instrumenten wordt een meer resultaatgerichte sturing nagestreefd met nadrukkelijke aandacht voor doelmatigheid en doeltreffendheid.

Het uitgebreid vermelden van ramingskengetallen past daar niet goed bij. Om het inzicht in de relatie tussen input en uitgaven te behouden, heeft Defensie gekozen voor een samenvattend overzicht van de belangrijke ramingskengetallen op het niveau van beleidsterrein. Dit overzicht is als bijlage 13 opgenomen. Met deze wijze van presenteren van de belangrijkste ramingskengetallen in een bijlage en het toelichten van de ontwikkeling van de personeelsaantallen (burgers en militairen) op beleidstereinniveau, is het inzicht en de leesbaarheid van de ramingen van de beleids- terreinen bevorderd. In dit kader worden ook de aantallen gerechtigden inzake de te onderscheiden uitkeringen voor wachtgelden en inactiviteitswedden meerjarig opgenomen.

01. BELEIDSTERREIN ALGEMEEN

Algemeen

De totale uitgavenramingen van het beleidsterrein Algemeen voor de jaren 1998 tot en met 2004 zijn als volgt te specificeren:

 
 1998199920002001200220032004
Uitgaven       
01.20 Personeel en materieel       
– Kerndepartement (KD)196 239200 166192 586163 658161 701143 453157 692
– Militaire inlichtingendienst (MID)101 12190 74587 80696 049103 031103 123103 123
– Wachtgelden en inactiviteitswedden9 7638 3178 1607 8627 1306 1315 307
Totaal 01.20 Personeel en materieel307 123299 228288 552267 569271 862252 707266 122
01.21 Subsidies en bijdragen127 530132 819131 774131 464131 480131 696131 900
01.22 Geheime uitgaven1 3001 1001 1001 1001 1001 1001 100
01.23 Internationale verplichtingen104 759146 522152 615152 818152 282152 282152 282
01.24 Garanties0000000
01.25 Milieumaatregelen4 0009 3607 86012 86017 86022 86022 860
01.26 Technologie-ontwikkeling35 47332 17744 99444 81044 61034 51030 010
01.27 Loonbijstelling06 82330 56533 44357 37861 08660 910
01.28 Prijsbijstelling0050 00086 00072 00055 00039 000
01.29 Overige departementale uitgaven101 686115 00297 89796 92596 62595 32995 129
Totale uitgaven (x NLG 1000)681 871743 031805 357826 989845 197806 570799 313
Totale uitgaven (x EUR 1000)309 420337 173365 455375 271383 534366 006362 712

01.20 Personeel en materieel

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

In dit artikel zijn de verplichtingen en uitgaven opgenomen die nodig zijn voor het functioneren van het Kerndepartement en de Militaire Inlichtingendienst (MID).

Deze ressorts zijn opgebouwd uit de volgende artikelonderdelen:

– ambtelijk burgerpersoneel, waarin begrepen de loonkosten en overige tot het loon te rekenen kosten van de bewindslieden en het burgerpersoneel;

– militair personeel;

– overige personele uitgaven;

– materiële uitgaven.

Daarnaast worden nog bedragen voor wachtgelden voor het burgeren militair personeel en het aandeel in de uitvoeringskosten USZO op het artikelonderdeel 01.20.09 geraamd en verantwoord.

Het budgettaire beslag dat is gemoeid met de uitbesteding van werkzaamheden bedraagt f 29,272 miljoen. Dit wordt voornamelijk gebruikt voor inhuur van organisatie-, informatie- en advieswerkzaamheden en met name voor de bestrijding van de gevolgen van het millenniumprobleem. Hiermee is een bedrag van f 12,7 miljoen in 2000 gemoeid.

De uitgaven voor het actief dienende personeel zijn geraamd met behulp van het Systeem Nieuwe Integrale Personeelsbegroting (SNIP). De uitkomst hiervan is aangepast voor de categorieën die niet in het SNIP zijn opgenomen en voor ontwikkelingen in de komende jaren.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999  280 242262 970259 611266 666241 782 
Mutaties 1e suppletore wet 1999  4 377– 5 542– 5 558– 5 562– 5 562 
Stand 1e suppletore wet 1999  284 619257 428254 053261 104236 220 
Nieuwe mutaties:         
– Kerndepartement (KD)  – 12 86621 12620 6593 47412 472 
– Militaire Inlichtingendienst (MID)  2 8082 6092 4952 4782 570 
– wachtgelden en inactiviteitswedden  3381 2751 3041 012898 
Totaal nieuwe mutaties  – 9 72025 01024 4586 96415 940 
Stand ontwerpbegroting 200030 976326 499274 899282 438278 511268 068252 160252 692
Stand ontwerpbegroting 2000 (in EUR 1000)14 056148 159124 744128 165126 383121 644114 425114 667
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999  281 163263 463259 578265 666245 982 
Mutaties 1e suppletore wet 1999  3 910– 5 542– 5 558– 5 562– 5 562 
Stand 1e suppletore wet 1999  285 073257 921254 020260 104240 420 
Nieuwe mutaties:         
– Kerndepartement (KD)  11 00926 7479 7508 2688 819 
– Militaire Inlichtingendienst (MID)  2 8082 6092 4952 4782 570 
– wachtgelden en inactiviteitswedden  3381 2751 3041 012898 
Totaal nieuwe mutaties  14 15530 63113 54911 75812 287 
Stand ontwerpbegroting 2000 307 123299 228288 552267 569271 862252 707266 122
Stand ontwerpbegroting 2000 (in EUR 1000) 139 366135 784130 939121 418123 366114 673120 761

Toelichting op de nieuwe verplichtingen- en uitgavenmutaties

De overige mutaties worden bij de onderscheiden ressorts en het artikelonderdeel Wachtgelden en inactiviteitswedden toegelicht.

Bij de bovenstaande ramingen behoren de volgende aantallen vte'n.

Opbouw begrotingssterkte (vte'n op basis van 38-urige werkweek)
Omschrijving199920002001200220032004
Burgers – stand begroting 199911 001973946925925 
Burgers – mutaties13411– 6– 15– 15 
Burgers – stand ontwerpbegroting 200011 035984940910910910
MP/BOT – stand begroting 1999624619611608608 
MP/BOT – mutaties– 41– 11– 6– 6– 6 
MP/BOT – stand ontwerpbegroting 2000583608605602602602
MP/BBT – stand begroting 19993838383838 
MP/BBT – mutaties– 13– 12– 12– 12– 12 
MP/BBT – stand ontwerpbegroting 2000252626262626
Totale sterkte – stand begroting 19991 6631 6301 5951 5711 571 
Totale sterkte mutaties– 20– 12– 24– 33– 33 
Totale sterkte – stand ontwerpbegroting 20001 6431 6181 5711 5381 5381 538

1exclusief niet-actief burgerpersoneel (zie tevens bijlage 13)

Toelichting

Burgerpersoneel

De uitbreiding betreft de instelling van een projectenpool met trainees voor het functiegebied economie en financiën voor de jaren 1999 en 2000. Dit tijdelijk project heeft een looptijd van twee jaar. Daarnaast heeft bij de MID een omzetting van militair naar burgerpersoneel plaatsgevonden op basis van de feitelijke bezetting. De mutatie is voorshands beperkt tot 1999. Na afronding van een organisatie-onderzoek bij de MID kan de definitieve personeelsstructuur naar verwachting in 2000 worden ingevuld.

Tevens zijn kleine bijstellingen verwerkt in verband met de lopende taakstelling voor de reductie-operatie Centrale organisatie/Haagse Staven.

Militair personeel Beroeps Onbepaalde Tijd (BOT)

De correctie betreft een tijdelijke omzetting van BOT naar burgerpersoneel.

Militair personeel Beroeps Bepaalde Tijd (BBT)

De mutatie betreft een bijstelling op basis van het actualiseren van het BBT-bestand.

Voor alle categorieën geldt dat het HGIS-personeel structureel is ondergebracht bij het beleidsterrein 08. Multi-service projecten en activiteiten.

Ressort Kerndepartement

Algemeen

Het ressort Kerndepartement (KD) bestaat naast de algemene leiding (minister, staatssecretaris, secretaris-generaal en plaatsvervangend secretaris-generaal (inclusief enkele onder hem ressorterende diensten) uit:

– defensiestaf;

– directoraat-generaal personeel;

– directoraat-generaal materieel;

– directoraat-generaal economie en financiën;

– de zelfstandige directies:

– directie juridische zaken;

– directie algemene beleidszaken;

– directie voorlichting;

– defensie accountantsdienst.

Daarnaast is nog een aantal bijzondere organisatie-eenheden aan de directoraten-generaal respectievelijk directies toegevoegd, zoals de staf van de Inspecteur-generaal der krijgsmacht en defensiepersoneel werkzaam bij de permanente vertegenwoordiging van Nederland bij de Navo.

Het Kerndepartement heeft een drietal hoofdtaken, te weten:

– advisering van de bewindslieden;

– integrale sturing van de krijgsmachtdelen op hoofdlijnen;

– controle op de uitvoering van het beleid door de krijgsmachtdelen.

Personeel Kerndepartement

In de novemberbrief (Kamerstukken II 1994/95, 23 900 X, nr. 8) is meegedeeld dat de beleids- en de beleidsondersteundende capaciteit van de Centrale organisatie (CO) met 25% zal worden ingekrompen. De reductie-operatie moet in 2000 zijn voltooid en het overtollig personeel moet in 2002 zijn herplaatst.

Met betrekking tot de reductie-operatie van het Kerndepartement dienen in 1999 en 2000 nog twee tranches van 5% te worden gerealiseerd. Hoewel de voortgang van de reductie-operatie tot nu toe redelijk volgens plan is verlopen, is geconstateerd dat de invulling van het laatste deel van het reductietraject steeds meer onder druk is komen te staan. In de sturing van de reductie-operatie staat de personele omvang centraal. De diverse reorganisatie- en verbeterprocessen vragen extra capaciteit. Gegeven het incidenteel karakter van de werkzaamheden waarbij tevens een onafhankelijke opstelling is vereist, wordt deze capaciteit gevonden door inhuur van externe deskundigen.

Sinds 1996 heeft een aantal (tijdelijke en structurele) beleidsintensiveringen plaatsgevonden, waaronder de uitbreiding van de Defensie Crisisbeheersingscentrum (DCBC) en de oprichting van de Veteranenuitvoeringsorganisatie (VUIT). De VUIT-organisatie zal op basis van de huidige gegevens in 2000 zijn afgebouwd. Gezien de leeftijdsopbouw van de VUIT-organisatie wordt verwacht dat een relatief groot beroep zal worden gedaan op de wachtgeldregeling.

Ontwikkeling personeelsbestand

De defensiebrede vacaturestop beperkt de aanname van personeel. Naast aandacht voor het kwantitatieve aspect van het personeelsbestand zal het Kerndepartement als krimpende organisatie aandacht besteden aan de kwalitatieve aspecten van het (burger) personeelsbestand. Naast het beheersen en sturen van de in- en uitstroom is doorstroom van personeel daarbij een belangrijk element. Een onderzoek naar de mobiliteitsbereidheid onder het personeel zal in 1999 moeten uitmonden in een aantal concrete maatregelen. Daarbij zal het doelgroepenbeleid zijn inbegrepen. In 1999 is tevens gestart met een «trainee interservice pool» (TRIP) voor het functiegebied economie en financiën.

Werving

Voorzover passend in het reductieverloop worden de ontstane vacatures in de eerste plaats opgevuld door herplaatsingskandidaten. Indien er geen herplaatsingskandidaten zijn en de functie toch gevuld moet worden, zal een beroep op de arbeidsmarkt worden gedaan. Zonodig zal via tijdelijke contracten worden gewerkt.

Opleidingen

In het kader van het mobiliteitsbeleid wordt aandacht geschonken aan het aspect opleidingen. Gestreefd wordt naar het gebruik van opleidingen om kennis te actualiseren en te verbreden. Door een juiste afstemming van de eisen van de organisatie en individuele mogelijkheden moet dit een belangrijke bijdrage leveren aan breed inzetbaar personeel.

Materieel Kerndepartement

Het huisvestingsbeleid is gericht op concentratie van het KD in het complex Plein/Kalvermarkt. Voor de huisvesting van de MID is het beleid erop gericht dat eind 1999 de stafcomponenten van de dienst op het van Alkemadecomplex te Den Haag zijn geconcentreerd.

Om tegemoet te komen aan de acute huisvestingsproblemen van de MID, worden voorlopig delen van de MID gehuisvest in een gebouw waarin ook TNO-FEL is ondergebracht.

De informatievoorziening van de CO kan in drie aandachtgebieden worden onderverdeeld:

– concern-informatiesystemen (salarissen- en begrotingsadministratie);

– management-informatiesystemen;

– standaard infrastructuur Plein (STIP).

De invoering van de Standaardinfrastructuur Plein (STIP) en de daarmee voor ieder beschikbare software applicaties heeft tot gevolg gehad dat de aanvraag van hardware en software voor kantoorautomatisering is teruggelopen. In het jaar 2003 is sprake van een incidenteel lager te besteden bedrag voor materiële uitgaven. Voornamelijk is dit het gevolg van een inmiddels achterhaalde meerjarenraming die onder deze sluitpost is verwerkt. Te gelegener tijd zal de raming voor materiële uitgaven op middellange termijn worden aangepast, zodra voor dat bewuste jaar zicht bestaat op een gedetailleerd bestedingsplan.

De verplichtingen en uitgaven Kerndepartement

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingen
 1998199920002001200220032004
01.20.01 Ambtelijk burgerpersoneel63 01467 70070 83262 97859 99559 95159 951
01.20.02 Militair personeel27 73127 10727 48227 27626 89826 88126 881
01.20.03 Overige personele uitgaven17 87217 14219 61420 60816 15716 15716 457
01.20.04 Materiële uitgaven121 64564 80971 43763 70553 85744 11740 729
Stalling efficiency besparing  – 2 400  
Stand ontwerpbegroting 2000230 262176 758186 965174 557156 907147 106144 018
Stand 1e suppletore begroting 1999 189 624165 839153 908153 433134 634 
Nieuwe mutaties – 12 86621 12620 6593 47412 472 

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelUitgaven
 1998199920002001200220032004
01.20.01 Ambtelijk burgerpersoneel62 93467 70070 83262 97859 99559 95159 951
01.20.02 Militair personeel27 13127 10727 48227 27626 89826 88126 881
01.20.03 Overige personele uitgaven16 50017 14219 61420 60816 15716 15716 457
01.20.04 Materiële uitgaven89 67488 21777 05852 79658 65140 46454 403
Stalling efficiency besparing  – 2 400  
Stand ontwerpbegroting 2000196 239200 166192 586163 658161 701143 453157 692
Stand 1e suppletore begroting 1999 189 157165 839153 908153 433134 634 
Nieuwe mutaties 11 00926 7479 7508 2688 819 
Specificatie mutaties nieuwe uitgavenmutaties (bedragen x f 1000)
Omschrijving19992000200120022003
Technische bijstellingen:      
– Loon- en prijsaanpassingen 19999 6928 6798 6378 7148 359
Sub-totaal technische bijstellingen:9 6928 6798 6378 7148 359
      
Beleidsmatige bijstellingen:      
– TRIP 3 800   
– Implementatie IV-beleid 5 187    
– Herhuisvesting MID (gebouw 32) 9 200    
– Stalling taakstelling efficiencybesparing – 2 400    
– Euro1 5662 9502 374375 
– Hoofdlijnennotitie  – 590– 440– 40
– Overige bijstellingen, per saldo– 249– 669– 671– 381500
Sub-totaal beleidsmatige bijstellingen:1 31718 0681 113– 446460
Totaal van de mutaties11 00926 7479 7508 2688 819

Toelichting nieuwe mutaties

Technische bijstellingen

Loon- en prijsaanpassingen 1999

De uitgavenniveaus zijn aangepast aan het loon- en prijsniveau 1999.

Beleidsmatige bijstellingen

TRIP («trainee interservice pool»)

De aanpassing van de raming houdt verband met het Trainee-programma waar, onder verantwoordelijkheid van de Centrale Organisatie, personeel voor defensiebrede vakgebieden zoals financiën, verwerving en informatica, wordt begeleid via een stageprogramma.

Implementatie IV-beleid

Deze mutatie betreft de benodigde fondsen voor de informatie-architectuur, het standaardiseren van informatiesystemen en de vervanging van informatiesystemen van defensiebrede bedrijfsprocessen, inclusief testen en implementeren.

Herhuisvesting MID (gebouw 32)

In 1999 heeft de Koninklijke landmacht een vrijkomend flatgebouw op het kazernecomplex aan de Van Alkemadelaan in Den Haag overgedragen aan de Centrale organisatie. Dit maakt onderdeel uit van een herhuisvestingsplan van onder meer de MID. Het bewuste gebouw dateert van de jaren 60 en moet nu worden aangepast aan de eisen op grond van de ARBO-wet. Daarvoor zijn met name in het jaar 2000 extra middelen benodigd.

Stalling taakstelling efficiencybesparing

De uit de Hoofdlijnennotitie en de Miljoenennota 2000 voortvloeiende taakstelling voor het jaar 2000 is in afwachting van concrete maatregelen gestald.

Euro

De totale uitgaven die zijn gemoeid met de overgang naar de Euro, worden door de Centrale organisatie geraamd op f 14,9 miljoen. Dit bedrag wordt gespreid over een aantal jaren besteed. De hier vermelde mutatie heeft betrekking op de toevoeging van gelden in verband met de co-financiering van 50% vanuit de daarvoor beschikbare generale middelen. De gelden worden besteed aan inhuur van projectmanagement en uitgaven voor de centrale aanschaf van software pakketten voor de gehele defensie-organisatie.

Hoofdlijnennotitie

Deze mutatie betreft het aandeel van het beleidsterrein Algemeen in de in het Regeerakkoord opgenomen structurele bezuiniging op het ministerie van Defensie.

Overige bijstellingen, per saldo

Deze mutatie betreft een herziening van de raming voor de wachtgelden en inactiviteitswedden, een compensatie ten laste van dit ressort wegens hogere uitgaven voor subsidies, een overheveling naar het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (voor een correctie op het huisvestingsbudget) en een budgetoverheveling naar beleidsterrein 09. Dico voor te leveren diensten, zoals vervoersondersteuning.

Ressort Militaire Inlichtingendienst (MID)

Algemeen

De Militaire Inlichtingendienst (MID) voert zijn werkzaamheden uit op basis van de Wet op de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten (WIV). Naar aanleiding van een uitspraak van de afdeling bestuursrecht van de Raad van State, ligt een geactualiseerd wetsontwerp momenteel bij de Tweede Kamer. Hiermee komt de wet weer in overeenstemming met het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens.

Personeel MID

In 1997 is de centralisatie van de MID onder de Centrale organisatie gerealiseerd. Een organisatie-onderzoek is eind 1998 voltooid en begin 1999 geaccordeerd. Inmiddels zijn de aanbevelingen uitgewerkt in concrete maatregelen en is begonnen met de reorganisatie. De daling van de sterkte betreft de eerder opgelegde reductie.

Materieel MID

De wettelijke basis voor de activiteiten van de MID, en daarmee voor de investeringsbehoefte, ligt vast in de Wet op de Inlichtingen en Veiligheidsdiensten. Bij de geïntegreerde MID ligt het accent op onderlinge samenwerking tussen diensten die voorheen uitsluitend met het eigen krijgsmachtdeel communiceerden en die geografisch zijn gespreid (onder andere Amsterdam, Eibergen en Den Haag). De geïntegreerde MID vergt op onderdelen andersoortige apparatuur, waarbij ook rekening wordt gehouden met de ontwikkelingen van de communicatietechniek.

Het beleid van de MID is er op gericht dat uiterlijk in 2000 de stafcomponenten van de dienst op het Van Alkemadecomplex zijn geconcentreerd. Tot dan zullen extra uitgaven noodzakelijk zijn vanwege verhuizingen en het herbeleggen van vrijgekomen accommodaties.

De verplichtingen en uitgaven Militaire Inlichtingendienst (MID)

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingen
 1998199920002001200220032004
01.20.05 Ambtelijk burgerpersoneel32 92734 88632 67132 59232 56632 54332 543
01.20.06 Militair personeel29 89634 95737 07837 39037 36737 34637 346
01.20.07 Overige personele uitgaven5 0714 9006 2935 9195 9195 9195 919
01.20.08 Materiële uitgaven18 55815 08111 27120 18128 17923 11527 559
Stand ontwerpbegroting 200086 45289 82487 31396 082104 03198 923103 367
Stand 1e suppletore begroting 1999 87 01684 70493 587101 55396 353 
Nieuwe mutaties 2 8082 6092 4952 4782 570 
De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelUitgaven
 1998199920002001200220032004
01.20.05 Ambtelijk burgerpersoneel32 92934 88632 67132 59232 56632 54332 543
01.20.06 Militair personeel30 49934 95737 07837 39037 36737 34637 346
01.20.07 Overige personele uitgaven4 9274 9006 2935 9195 9195 9195 919
01.20.08 Materiële uitgaven32 76616 00211 76420 14827 17927 31527 315
Stand ontwerpbegroting 2000101 12190 74587 80696 049103 031103 123103 123
Stand 1e suppletore begroting 1999 87 93785 19793 554100 553100 553 
Nieuwe mutaties 2 8082 6092 4952 4782 570 
Specificatie nieuwe uitgavenmutaties (bedragen x f 1000)
Omschrijving19992000200120022003
Technische bijstellingen:      
– Loon- en prijsaanpassingen 19994 3264 0143 9003 8833 775
Sub-totaal technische bijstellingen:4 3264 0143 9003 8833 775
      
Beleidsmatige bijstellingen:      
– Verrekening met ministerie van Justitie– 1 205– 1 205– 1 205– 1 205– 1 205
– Overheveling naar Dico– 313– 200– 200– 200 
Sub-totaal beleidsmatige bijstellingen:– 1 518– 1 405– 1 405– 1 405– 1 205
Totaal van de mutaties2 8082 6092 4952 4782 570

Toelichting nieuwe mutaties

Technische bijstellingen

Loon- en prijsaanpassingen 1999

De uitgavenniveaus zijn aangepast aan het loon- en prijsniveau 1999.

Beleidsmatige bijstellingen

Verrekening met het ministerie van Justitie

Deze mutatie betreft een bijstelling van een met het ministerie van Justitie verrekenbaar bedrag voor aanschaf van materieel.

Overheveling naar Dico

Deze mutatie betreft een overheveling naar beleidsterrein 09. Dico voor de bewerking van de MID-archieven door de Centrale Archief Selectiedienst.

Artikelonderdeel 01.20.09 Wachtgelden en inactiviteitswedden

De uitgaven op dit artikelonderdeel hebben betrekking op de diverse wachtgeldregelingen voor burger- en militair personeel van het KD en de MID. Separaat zichtbaar zijn de uitgaven voor wachtgelden in verband met het Sociaal Beleidskader (SBK) en de Uitstroom Bevorderende Maatregel Ouderen (UBMO).

Het beleid blijft er op gericht de instroom in de wachtgeldregelingen zoveel mogelijk te beperken, door middel van een actieve herplaatsingsinspanning en het het gebruik van SBK-instrumenten waaronder om-, her- en bijscholing. Sinds 1996 omvat dit artikel ook de uitgaven die betrekking hebben op de uitvoeringskosten van de Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor Overheid en Onderwijs (USZO).

De bedragen wachtgelden en inactiviteitswedden

 
OmschrijvingEenheid1998199920002001200220032004
Wachtgelden SBK/UBMO burgerpersoneelAantal uitkeringsjaren1931811601471129090
Reguliere wachtgelden burgerpersoneelAantal uitkeringsjaren 183327251512
WAO burgerpersoneelAantal uitkeringsjaren 61422303333
Overige wachtgelden burgerpersoneelAantal uitkeringsjaren50262315181020
Wachtgelden en inactiviteitswedden exclusief uitvoeringskostenx f 10006 6556 9467 0136 7155 9834 9844 160
         
Bij: Uitvoeringskostenx f 10003 1081 3711 1471 1471 1471 1471 147
Totale uitgaven ontwerpbegroting 2000x f 10009 7638 3178 1607 8627 1306 1315 307
         
Stand 1e suppletore wet 1999x f 1000 7 9796 8856 5586 1185 233 
Nieuwe mutatiesx f 1000 3381 2751 3041 012898 

Toelichting nieuwe mutaties

WAO en Bovenwettelijke arbeidsongeschiktheid

In verband met de keuze voor eigen risicodragerschap voor de WAO zijn de uitkeringsbedragen – voorzover betrekking hebbend op de eigen-risicoperiode – vanuit beleidsterrein 02. Pensioenen en uitkeringen overgeheveld.

Uitgaven Sociaal Beleidskader

De geraamde uitgaven voor wachtgelden in verband met het Sociaal Beleidskader (SBK) en de Uitstroombevorderende Maatregel Ouderen (UBMO) worden beïnvloed door de nog in uitvoering zijnde reorganisatie van de Centrale organisatie. Verdere bijstellingen van de geraamde uitgaven zijn dan ook niet uit te sluiten. Het beleid blijft er op gericht de instroom in de wachtgeldregelingen te beperken, vooral door het gebruik van de SBK-instrumenten gericht op de tewerkstelling van overtollig personeel van de Centrale organisatie, zowel binnen als buiten de (rijks)overheid.

In onderstaand overzicht zijn de voorziene uitgaven voor het SBK opgenomen. De uitgaven hebben zowel betrekking op burgerpersoneel als op militair personeel van de Centrale organisatie. De verantwoording van de uitgaven vindt, met uitzondering van de wachtgelden, plaats ten laste van de artikelonderdelen «ambtelijk burgerpersoneel», «militair personeel» en «overige personele uitgaven». De uitgaven voor wachtgelden en inactiviteitswedden worden geraamd en verantwoord ten laste van dit artikelonderdeel.

 
Uitgaven Sociaal Beleidskader (x f 1000)1998199920002001200220032004
– om-, her-, bijscholing505050505000
– outplacement10010010010010000
– verplaatsen253030303000
– wachtgelden SBK/UBMO burgerpersoneel5 3524 8894 9474 6504 2483 5532 855
– wachtgelden SBK/UBMO militair personeel0000000
– BDOS plaatsingen burgerpersoneel2 5501 4791 2182 175000
– BDOS plaatsingen militair personeel0000000
Totaal uitgaven Sociaal Beleidskader8 0776 5486 3457 0054 4283 5532 855

De uitgaven voor SBK maatregelen laten over de middellange termijn een dalende lijn zien. De herplaatsing van overtollig personeel verloopt goed. Het tijdelijk detacheren van personeel (zowel intern als extern de organisatie) blijkt daarbij een goed instrument om definitieve plaatsing op een andere functie te bewerkstelligen. Ultimo 2000 zal de laatste tranche van de reductietaakstelling CO/Haagse staven moeten zijn ingevuld. Tevens zal dan de Veteranen Uitvoeringsorganisatie (VUIT) zijn afgebouwd. Dit leidt tot een tijdelijke stijging van de kosten voor BDOS-personeel.

01.21 Subsidies en bijdragen

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel zijn de uitgaven geraamd voor:

– subsidies aan verschillende instellingen;

– bijdragen aan andere ministeries, ten behoeve van verenigingen, stichtingen en comités.

Subsidies worden verleend aan instellingen die voor Defensie een zeker nut hebben en mede afhankelijk zijn van financiële hulp van Defensie. De doelstellingen van deze instanties worden uiteengezet in bijlage 6 van de memorie van toelichting.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999  129 803128 855128 588128 608128 598 
Mutaties 1e suppletore wet 1999  
Stand 1e suppletore wet 1999  129 803128 855128 588128 608128 598 
Nieuwe mutaties:         
Technische bijstellingen:         
– Loon- en prijsaanpassing 1999  3 0323 0173 0173 0173 017 
Beleidsmatige bijstellingen:         
– Ramingsbijstelling  – 16– 98– 141– 14581 
Totaal nieuwe mutaties  3 0162 9192 8762 8723 098 
Stand ontwerpbegroting 2000 127 530132 819131 774131 464131 480131 696131 900
Stand ontwerpbegroting 2000 (in EUR 1000) 57 87160 27159 7969 65659 66359 76159 854

Toelichting op de nieuwe mutaties

Technische bijstellingen

Loon- en prijsaanpassing 1999

De uitgavenniveaus zijn aangepast aan het loon- en prijsniveau 1999.

Beleidsmatige bijstellingen

Ramingsbijstelling

De ramingsbijstelling is het gevolg van actualisering van enkele subsidies en bijdragen.

De meerjarenraming per artikelonderdeel

 
Artikelonderdelen (bedragen x f 1000)verplichtingen en uitgaven
 1998199920002001200220032004
I. Subsidies        
– Het Comité international de médecine et de pharmacie militaires0444444
– De Koninklijke vereniging ter beoefening van de krijgswetenschap, ten behoeve van de buitengewone leerstoel militair recht aan de Universiteit van Amsterdam en het tijdschrift de «Militaire spectator»450549549549549549549
– Veteranenplatform218270300300300300300
– Defensie Vrouwennetwerk10101010101010
– Atlantic Exchange program15151515151515
– Stichting Dienstverlening Veteranen10 28410 55610 92211 13811 35411 57011 786
– Stichting Maatschappij en Krijgsmacht498515515515515515515
– Stichting Vrouw en uniform26000000
– Stichting Homosexualiteit en Krijgsmacht55555555555555
– Koninklijke Nederlandse vereniging van reserve-officieren126000000
– Nederlandse Reservisten Federatie Krijgsmacht0100100100100100100
– Stichting Koepelorganisatie militaire tehuizen (KOMT)1 9961 9471 9471 9471 9471 9471 947
– Stichting Protestants Interkerkelijk Thuisfront50505050505050
– Stichting Nationaal Katholiek Thuisfront25252525252525
– Stichting bijzondere scholen voor onderwijs op algemene grondslag6 533000000
– Stichting vereniging voor reservemilitairen143000000
– Bond Nederlandse Militaire Oorlogsslachtoffers (BNMO)4998700000
Totaal subsidies20 92814 18314 49214 70814 92415 14015 356
        
II Bijdragen aan:        
– ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (VIII):        
* in de doelfinanciering TNO-DO100 093102 259101 682101 682101 682101 682101 670
* Stichting bijzondere scholen voor onderwijs op algemene grondslag 8 2008 2008 2008 2008 2008 200
– ministerie van Buitenlandse Zaken (V):        
* Nationaal Bureau voor Verbindingsbeveiliging3 0304 7514 1243 7483 5483 5483 548
* Stichting Nederlands Instituut voor Internationale Betrekkingen «Clingendael»1 7581 7581 7581 7581 7581 7581 758
* het Internationaal Comité van het Rode Kruis0707070707070
* Stichting Atlantische Commissie298298298298298298298
– ministerie van Verkeer en Waterstaat (XII):        
* bijdrage aan het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium1 0001 0001 0001 0001 0001 0001 000
– ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI):       
* bijdrage ten behoeve van het Informatie- en Cordinatie-orgaan Dienstverlening Oorlogsgetroffenen (ICODO)423300150  
Totaal bijdragen106 602118 636117 282116 756116 556116 556116 544
Totaal subsidies20 92814 18314 49214 70814 92415 14015 356
Totaal artikel127 530132 819131 774131 464131 480131 696131 900

Stichting bijzondere scholen voor onderwijs op algemene grondslag

Met ingang van 1999 is deze subsidie omgezet in een bijdrage aan de begroting (VIII) van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Deze omzetting heeft geen gevolgen voor het totaal van de uitgaven van dit artikel.

Ingevolge interne regelgeving dienen subsidies eens in de drie jaar te worden geëvalueerd.

De subsidie aan de Koninklijke Vereniging ter beoefening van de Krijgswetenschap is geëvalueerd. De doelstelling van de vereniging en de daaraan gekoppelde activiteiten zijn geactualiseerd en de subsidie wordt voortgezet.

De doelstellingen van de Stichting Homosexualiteit en krijgsmacht zijn nog steeds actueel. Derhalve wordt de subsidie gecontinueerd. Dit geldt ook voor de Stichting KOMT.

De subsidie aan de STOAG is geëvalueerd en de doelstellingen zijn geactualiseerd. Zoals eerder vermeld is deze subsidie omgezet in een bijdrage.

01.22 Geheime uitgaven

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Overeenkomstig artikel 19 van de Comptabiliteitswet 1976 en de regeling Rijksbegrotingsvoorschriften, is artikel 01.22 bij Defensie aangewezen als het artikel waarop de geheime uitgaven worden verantwoord.

De geheime uitgaven worden jaarlijks door de President van de Algemene Rekenkamer gecontroleerd.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999  1 1001 1001 1001 1001 100 
Mutaties 1e suppletore wet 1999  
Stand 1e suppletore wet 1999  1 1001 1001 1001 1001 100 
Nieuwe mutaties  
Stand ontwerpbegroting 2000 1 3001 1001 1001 1001 1001 1001 100
Stand ontwerpbegroting 2000 (in EUR 1000) 590499499499499499499

01.23 Internationale verplichtingen

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Nederland hecht grote waarde aan het lidmaatschap van de Navo en de samenhang die op politiek-militair gebied hieruit voortvloeit. De gemeenschappelijk gefinancierde Navo-programma's, waaraan Nederland deelneemt, leveren een belangrijke bijdrage. Het betreft hier met name het Navo Veiligheids Investeringsprogramma, de Navo Militaire Begroting, het «Airborne Early Warning en Control System» (Awacs-) programma.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999  136 222144 915145 118144 582144 582 
Mutaties 1e suppletore wet 1999  
Stand 1e suppletore wet 1999  136 222144 915145 118144 582144 582 
Nieuwe mutaties  7 802– 1 597– 1 600– 1 593– 1 593 
Stand ontwerpbegroting 200087 96774 348144 024143 318143 518142 989142 989136 353
Stand ontwerpbegroting 2000 (in EUR 1000)39 91833 73865 35565 03565 12664 88664 88661 874
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999  146 522152 615152 818152 282152 282 
Mutaties 1e suppletore wet 1999  
Stand 1e suppletore wet 1999  146 522152 615152 818152 282152 282 
Nieuwe mutaties  
Stand ontwerpbegroting 2000 104 759146 522152 615152 818152 282152 282152 282
Stand ontwerpbegroting 2000 (in EUR 1000) 47 53866 48969 25469 34669 10369 10369 103

Toelichting op de nieuwe verplichtingenmutaties

De mutaties in de verplichtingensfeer worden hoofdzakelijk veroorzaakt door het meerjarig vastleggen van verplichtingen voor investeringen AWACS.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

 
Artikelonderdeel (x f 1000)Uitgaven
 1998199920002001200220032004
Navo Veiligheids Investeringsprojecten in Nederland15 16623 54531 76231 76231 23331 23331 233
Bijdrage aan Navo Veiligheids Investerings-programma21 00664 35664 35664 35664 35664 3 5664 356
Investeringen AWACS21 33911 7219 2979 3009 2939 2939 293
Exploitatie AWACS15 57414 80014 80014 80014 80014 80014 800
Bijdrage aan de militaire begroting van de Navo29 05228 10028 10028 10028 10028 10028 100
Overige bijdragen2 6224 0004 3004 5004 5004 5004 500
Stand ontwerpbegroting 2000104 759146 522152 615152 818152 282152 282152 282
Stand 1e suppletore begroting 1999 146 522152 615152 818152 282152 282 
Nieuwe mutaties 00000 

Toelichting per artikelonderdeel

Navo Veiligheids Investeringsprojecten in Nederland

Het betreft hier de uitgaven voor de Navo investeringsprojecten in Nederland. Het gaat vooral om de vervanging en restauratie van oliepijpleidingen. Daarnaast zullen werkzaamheden plaats gaan vinden ten behoeve van verbeteringen en vernieuwingen van commando- en communicatiemiddelen. Een groot deel van de uitgaven voor deze activiteiten komt in aanmerking voor verrekening met de Navo. De hieruit voortvloeiende ontvangsten worden verantwoord op het ontvangstenartikel 01.20. De uitgaven waarvoor de Navo het gastland verantwoordelijk houdt (zoals bijvoorbeeld B.T.W. en diverse lokale voorzieningen) en díe uitgaven waarbij slechts een bepaald deel is overeengekomen, worden ook op dit artikelonderdeel verantwoord, maar niet met de Navo verrekend.

Bijdrage aan het Navo Veiligheids Investeringsprogramma

De Nederlandse bijdrage aan het Navo Veiligheids Investeringsprogramma wordt geraamd op f 64,4 miljoen, zijnde circa 5% van het totale programma. Als gevolg van de toetreding van Polen, Tjechië en Hongarije zal het gemiddelde Nederlandse bijdrage-percentage zeer geleidelijk teruglopen. Door implementatie van projecten ten behoeve van deze landen zal het Nederlandse contributie-niveau echter niet wijzigen.

Investeringen AWACS

Nederland draagt bij aan de instandhouding en verbetering van het gemeenschappelijk gefinancierde Airborne Early Warning and Command System (AWACS). Deze vloot bestaat momenteel uit een zeventiental vliegende radarplatforms met de vliegbasis Geilenkirchen als thuisbasis. De activiteiten van deze vloot bestaan momenteel uit het surveilleren boven «brandhaarden» of gebieden die daarvoor in aanmerking komen. De huidige investeringen hebben betrekking op een tweetal verbeteringsprogramma's. Deze programma's betreffen met name de verbetering en vernieuwing van radars en verbindingsmiddelen.

Exploitatie AWACS

Voor de activiteiten, die gemoeid zijn met de exploitatie van AWACS, wordt jaarlijks een bedrag geraamd van f 14,8 miljoen, hetgeen neerkomt op ongeveer 3,75% van de gemeenschappelijk gefinancierde begroting. Deze bijdrage in de exploitatiekosten berust op de, in het «operation and support»- budget voorziene behoeften die noodzakelijk zijn voor de exploitatie van de AWACS vloot.

Bijdrage militaire begroting van de Navo

Aan de activiteiten die door de militaire hoofdkwartieren en agentschappen worden ontplooid, draagt Nederland ongeveer 3% van de totaal gemeenschappelijk gefinancierde uitgaven bij. De Nederlandse bijdrage is relatief verminderd door de volledige deelname van Spanje aan de militaire structuur van de Navo en door de toetreding van drie nieuwe landen.

Overige bijdragen

Voor Nederlandse deelname in overige activiteiten, waaronder incidentele specifieke projecten, pensioenen voor Nederlandse functionarissen die in het verleden Navo-functies hebben vervuld en diverse voorzieningen van Navo, zoals de internationale school van SHAPE, wordt jaarlijks een bedrag geraamd van f 4,5 miljoen.

01.24 Garanties

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Het ministerie van Defensie heeft de volgende garanties verleend:

– voor de lening aan de Woonstichting «Ons Belang» voor een maximum van f 0,4 miljoen met een looptijd tot het jaar 2002;

– voor Eurometaal is de garantie doorlopend met een maximum van f 2 miljoen.

Naar de huidige inzichten zijn de uitgaven tot en met het jaar 2004 nihil.

01.25 Milieumaatregelen

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

In dit artikel zijn de uitgaven opgenomen voor aan milieumaatregelen gerelateerd wetenschappelijk onderzoek. Daarnaast worden hier ook contributies aan milieu-organisaties en de inhuur van externe deskundigen op milieugebied verantwoord.

Voor wetenschappelijk onderzoek op milieugebied wordt met ingang van 1998 jaarlijks een bedrag van f 2,9 miljoen geraamd. Naast het reeds voorziene onderzoek naar oppervlaktewater- en luchtverontreiniging zijn ook onderzoeken naar overige vormen van milieubelasting onder dit artikel gebracht.

Op grond van de Hoofdlijnennotitie zijn op dit artikel financiële middelen toegevoegd voor milieu-activiteiten, oplopend van f 5 miljoen in 2000 tot f 20 miljoen in het jaar 2003.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999  19 3602 8602 8602 8602 860 
Mutaties 1e suppletore wet 1999  
Stand 1e suppletore wet 1999  19 3602 8602 8602 8602 860 
Nieuwe mutaties:         
Beleidsmatige bijstellingen:        
– Ramingsbijstelling  – 14 781     
– Nieuw milieubeleid   5 00010 00015 00020 000 
Totaal nieuwe mutaties  – 14 7815 00010 00015 00020 000 
Stand ontwerpbegroting 20003368 4454 5797 86012 86017 86022 86022 860
Stand ontwerpbegroting 2000 (in EUR 1000)1523 8322 0783 5675 8368 10510 37310 373
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999  19 3602 8602 8602 8602 860 
Mutaties 1e suppletore wet 1999  
Stand 1e suppletore wet 1999  19 3602 8602 8602 8602 860 
Nieuwe mutaties:         
Beleidsmatige bijstellingen:        
– Ramingsbijstelling  – 10 000     
– Nieuw milieubeleid   5 00010 00015 00020 000 
Totaal nieuwe mutaties  – 10 0005 00010 00015 00020 000 
Stand ontwerpbegroting 2000 4 0009 3607 86012 86017 86022 86022 860
Stand ontwerpbegroting 2000 (in EUR 1000) 1 8154 2473 5675 8368 10510 37310 373

Toelichting op de nieuwe verplichtingen- en uitgavenmutaties

Ramingsbijstelling

De ramingsbijstelling betreft de inventarisatie van het asbestprobleem. De prijsstelling van de hieraan gerelateerde dienstverlening valt lager uit dan was voorzien.

Nieuw milieubeleid

Deze mutatie heeft betrekking op nieuw milieubeleid zoals vermeld in de Hoofdlijnennotitie. De invulling van dit beleid, dat is gericht op duurzame energie, zal voor 2001 en daarna worden uitgewerkt in de Defensienota. Voor het jaar 2000 zijn de navolgende projecten te noemen:

 
KMDTe honoreren projecten
KM2 windmolens te Den Helder
KMarZonne-energiesysteem Koningin Beatrix-kazerne te Den Haag
KluFotofoltaïsche- en thermische zonne-energie
KLZonnecentrales bij staven, mobilisatiecomplexen, magazijn te Bathmen en acculaadstation te Soesterberg en plaatsing soluvents op de Engelbrecht van Nassaukazerne en Strijpsche Kampen

01.26 Technologie-ontwikkeling

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel zijn de uitgaven geraamd voor de ontwikkeling en toepassing van (technologische) kennis ten behoeve van Defensie. Deze activiteiten worden – vaak in internationaal verband – uitgevoerd door Nederlandse bedrijven, (onderzoeks)instellingen en universiteiten. Incidenteel wordt uit dit artikel ook bijgedragen aan een materieelont-wikkelingsproject voor een krijgsmachtdeel, indien de ontwikkeling van nieuwe technologische kennis een belangrijk deel van een dergelijk project uitmaakt. Het ministerie van Economische Zaken neemt financieel deel aan technologie- en materieelontwikkelingsprojecten indien hierdoor de internationale concurrentiepositie van de Nederlandse industrie wordt verbeterd. Het overleg over de financiële bijdrage van Economische Zaken vindt plaats in de commissie ontwikkeling defensiematerieel (Codema).

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999  27 91525 90025 40025 40025 400 
Mutaties 1e suppletore wet 1999  
Stand 1e suppletore wet 1999  27 91525 90025 40025 40025 400 
Nieuwe mutaties:         
Technische bijstellingen:         
– Prijsbijstelling 1999  600770560560560  
Beleidsmatige bijstellingen:         
– Implementatie IV-beleid   3 7002 8001 600  
– Luchtvaartcluster   10 50012 00013 0004 500 
– Ramingsbijstelling  13 917– 9 718– 1 560– 5 104– 10 250 
Sub-totaal beleidsmatige bijstellingen  13 9174 48213 2409 496– 5 750 
Totaal nieuwe mutaties:  14 5175 25213 80010 056– 5 190 
Stand ontwerpbegroting 200033 86554 85942 43231 15239 20035 45620 2109 410
Stand ontwerpbegroting 2000 (in EUR 1000)15 36724 89419 25514 13617 78816 0899 1714 270
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999  31 00429 95029 45029 45029 450 
Mutaties 1e suppletore wet 1999  
Stand 1e suppletore wet 1999  31 00429 95029 45029 45029 450 
Nieuwe mutaties:         
Technische bijstellingen:         
– Prijsbijstelling 1999  600770560560560  
Beleidsmatige bijstellingen:         
– Implementatie IV-beleid   3 7002 8001 600  
– Luchtvaartcluster   10 50012 00013 0004 500 
– Ramingsbijstelling  57374  
Sub-totaal beleidsmatige bijstellingen  57314 27414 80014 6004 500 
Totaal nieuwe mutaties  1 17315 04415 36015 1605 060 
Stand ontwerpbegroting 2000 35 47332 17744 99444 81044 61034 51030 010
Stand ontwerpbegroting 2000 (in EUR 1000) 16 09714 60120 41720 33420 24315 66013 618

Toelichting op de nieuwe verplichtingen- en uitgavenmutaties

Technische bijstellingen

De uitgavenniveaus zijn aangepast aan het prijsniveau 1999.

Beleidsmatige bijstellingen

Implementatie IV-beleid

Deze mutatie betreft de fondsen voor de informatie-architectuur, het standaardiseren van informatiesystemen en de vervanging van informatiesystemen van defensiebrede bedrijfsprocessen inclusief testen en implementeren.

Luchtvaartcluster

De luchtvaartcluster bestaat uit een bundeling van bedrijven uit de Nederlandse industrie en onderzoeksinstellingen op het gebied van luchtvaart. In december 1997 is het regeringsstandpunt uitgebracht inzake de herstructurering en stimulering van het Nederlandse luchtvaartcluster. Vervolgens is in maart 1998 besloten f 150 miljoen ter beschikking te stellen voor een voorbereidend technologie-programma gericht op het positioneren van het Nederlandse luchtvaartcluster voor een participatie in Joint Strike Fighter (JSF). Hiervan komt f 100 miljoen ten laste van de begroting van het ministerie van Economische Zaken en f 50 miljoen ten laste van Defensie, waarvan f 45 miljoen voor de Centrale organisatie en het resterende bedrag bij de Koninklijke luchtmacht.

Ramingsbijstelling

De nieuwe mutaties in de verplichtingen- en uitgaven zijn, met inachtneming van de reeds aangegane verplichtingen, het gevolg van het actualiseren van de ramingen van de technologie-ontwikkelingsprojecten.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

 
ArtikelonderdeelUitgaven
 1998199920002001200220032004
Bijdrage ruimtevaartprogramma5 2004 2003 2003 2003 2003 2003 200
Onderzoek en technologie26 77124 47738 79438 61038 41028 31023 810
Gebruik kennis en kunde3 5023 5003 0003 0003 0003 0003 000
Stand ontwerpbegroting 200035 47332 17744 99444 81044 61034 51030 010
Stand 1e suppletore begroting 1999 31 00429 95029 45029 45029 450 
Nieuwe mutaties 1 17315 04415 36015 1605 060 

Wijziging van de artikelonderdelen

De voormalige nationaal gerichte artikelonderdelen technologie-ontwikkeling in het kader van Codema, nationale technologie-ontwikkeling en de opbouw en instandhouding van kennis en kunde voor Defensie zijn samengevoegd met de voormalige internationaal gerichte artikelonderdelen internationale technologie-ontwikkeling in WEAG/Euclid-verband en internationale technologie-ontwikkeling in overig verband. Door deze samenvoeging is een nieuw artikelonderdeel ontstaan: «Onderzoek en technologie».

Toelichting per artikelonderdeel

Bijdrage ruimtevaartprogramma

Defensie neemt samen met het ministerie van Economische Zaken deel aan het nationaal ruimtetechnologieprogramma van het Nederlands instituut voor Vliegtuigontwikkeling en Ruimtevaart (NIVR). Met de deelname aan dit programma draagt Defensie bij aan het kabinetsbesluit uit 1986 om industriële ruimtevaartactiviteiten te stimuleren. De defensiebijdrage aan het NRT-programma is de afgelopen jaren teruggebracht van f 6 miljoen in 1996 naar f 3,2 miljoen vanaf 2000.

Onderzoek en technologie

De uitgaven die worden verantwoord op dit artikelonderdeel hebben betrekking op nationale en internationale technologie-ontwikkeling. De uitgaven van dit onderdeel zijn deels bedoeld voor de ontwikkeling, met name door nationale industrie en onderzoeksinstellingen, van voor Defensie relevante nieuwe technologieën. Hiervoor wordt waar mogelijk tevens gebruik gemaakt van resultaten van wetenschappelijk onderzoek. De uitgaven voor onderzoek bij universiteiten, academische ziekenhuizen en andere instellingen komen eveneens ten laste van dit artikel.

Voor internationale technologie-ontwikkeling in WEAG-verband is er het Euclidprogramma. De WEAG-landen streven naar gemeenschappelijke projecten, waaraan elk land in beginsel een gelijke bijdrage levert. Het resultaat is voor alle deelnemende landen beschikbaar. De financiering van Euclidprojecten geschiedt volgens een verdeelsleutel, die rekening houdt met de tussen de deelnemende landen overeengekomen werkverdeling. Niet alle projectvoorstellen van internationaal samenwerkende industrieën/instituten zijn inpasbaar in Euclid. Nederland sluit daarom ook buiten het Euclidprogramma internationale samenwerkingsovereenkomsten. Ook wordt de mogelijkheid opengehouden om met niet-WEAG landen, zoals Verenigde Staten, Canada, Zweden en Midden- en Oost-Europese landen te kunnen samenwerken. Met deze landen worden samenwerkingsovereenkomsten gesloten. De opdrachten komen vooral bij de wetenschappelijke en technologische instituten terecht.

Gebruik kennis en kunde

Het gebruik van kennis en kunde door de Centrale organisatie (CO) heeft betrekking op uitgaven voor wetenschappelijke advisering en beleidsondersteuning. Het betreft onder andere onderzoek op het gebied van milieu, informatietechnologie, levensduurkosten, outputmetingen, scenario-ontwikkelingen, personeel, inlichtingen en technologische verkenningen. Dit artikelonderdeel heeft een ander karakter dan de artikelonderdelen, die op technologie-ontwikkeling zijn gericht. Niettemin is, uit praktische overwegingen en vanwege de relatief geringe financiële omvang, het artikelonderdeel in het begrotingsartikel 01.26 opgenomen. De toenemende behoefte aan gebruik van kennis en kunde door de CO is een ontwikkeling waarmee nog geen rekening is gehouden. Naar verwachting zullen de uitgaven voor het gebruik van kennis en kunde in de loop der jaren toenemen. Vooral ondersteuning van de beleidsvorming en advisering op het gebied van medische- en personeelszaken en informatisering, alsmede ondersteuning bij zaken met een hoge politieke wenselijkheid, zullen toenemen.

01.27 Loonbijstelling

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Via dit artikel worden de ontvangen bedragen voor de loonbijstelling en de incidentele looncomponent als nieuwe mutaties over de beleidsterreinen verdeeld.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999  49 27963 27769 13085 98877 659 
Mutaties 1e suppletore wet 1999  232 797212 957200 208192 918188 613 
Stand 1e suppletore wet 1999  282 076276 234269 338278 906266 272 
Nieuwe mutaties  – 275 253– 245 669– 235 895– 221 528– 205 186 
Stand ontwerpbegroting 2000  6 82330 56533 44357 37861 08660 910
Stand ontwerpbegroting 2000 (in EUR 1000)  3 09613 87015 17626 03727 72027 640

Toelichting op de nieuwe verplichtingen- en uitgavenmutaties

De nieuwe mutaties vloeien voort uit het arbeidsvoorwaardenakkoord 1999–2000, de vergoeding van 0,6% voor incidenteel loon en de compensatie van gewijzigde premies (technische loonbijstelling 1999). In de toelichting bij de betreffende begrotingsartikelen zijn de loonbijstellingsmutaties gespecificeerd.

Toelichting op de geraamde bedragen

De gepresenteerde reeks heeft betrekking stallingen verband houdend met onder andere de in het Arbeidsvoorwaardenakkoord 1999–2000 tot stand gebrachte versoberingen in de ziektekostenvergoedingen ter dekking van de in de periode 2000–2002 conform het Regeerakkoord 1998 aan de orde zijnde taakstelling op ziektekosten.

01.28 Prijsbijstelling

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Via dit artikel worden de ontvangen bedragen voor de prijsbijstelling als nieuwe mutaties over de beleidsterreinen verdeeld.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999   – 404 000– 433 000– 462 000– 462 000 
Mutaties 1e suppletore wet 1999  – 115 51629 78130 07430 53330 479 
Stand 1e suppletore wet 1999  – 115 516– 374 219– 402 926– 431 467– 431 521 
Nieuwe mutaties:         
– aanvullende vergoeding prijsbijstelling 1999  100 36999 38996 63998 77998 366 
– uitdeling prijsbijstelling 1999 over de artikelen van beleidsterreinen  – 121 643– 120 455– 117 124– 119 719– 119 218 
– bijstelling verkoopopbrengsten  20 000 193 000196 000158 500 
– overheveling naar uitgavenartikel 08.05    50 00050 00050 000  
– taakstelling efficiencybesparing jaar 2000   50 000    
– diverse herschikkingen met andere begrotingsartikelen  116 790395 285266 411278 407298 873 
Totaal mutaties  115 516424 219488 926503 467486 521 
Stand ontwerpbegroting 2000  050 00086 00072 00055 00039 000
Stand ontwerpbegroting 2000 (in EUR 1000)  022 68939 02532 67224 95817 697

Toelichting op de nieuwe verplichtingen- en uitgavenmutaties

Aanvullende vergoeding prijsbijstelling 1999

Bij Voorjaarsnota 1999 was slechts 25% van de toen berekende prijsbijstelling 1999 uitgekeerd. Deze vergoeding is verwerkt met de 1e suppletore begroting 1999. Gegeven de (positieve) ontwikkeling van de economie is besloten tot een aanvullende vergoeding van de prijsbijstelling. In deze aanvulling van 75% is tevens rekening gehouden met hogere vergoedingspercentages.

Uitdeling prijsbijstelling 1999

De totaal verkregen prijsbijstelling 1999 is aan de beleidsterreinen van Defensie uitgedeeld. In de toelichting bij de betreffende begrotingsartikelen zijn de overeenkomstige mutaties gespecificeerd.

Bijstelling verkoopopbrengsten

Voor het jaar 1999 wordt een hogere opbrengst van f 20 miljoen verwacht van de verkopen van de af te stoten roerende en onroerende goederen door tussenkomst van de dienst der Domeinen.

Uitgaande van de Hoofdlijnennotitie vindt verhoging plaats van de verkopen van af te stoten roerende en onroerende goederen door tussenkomst van de dienst der Domeinen met f 193 miljoen in 2001, f 196 miljoen in 2002, f 158,5 miljoen in 2003 en f 60,5 miljoen in 2004. Voor het jaar 2005 wordt tot slot nog rekening gehouden met een opbrengst van f 32,5 miljoen.

Overheveling naar het uitgavenartikel 08.05

Het gestalde bedrag uit de Hoofdlijnennotitie van f 50 miljoen per jaar vanaf 2001 (nader te beleggen met maatregelen op het gebied van wetenschappelijk onderzoek, het compensatiebeleid en het samenvoegen van – delen van materieelverwervingsdiensten), wordt middels deze overheveling gestald op het nieuwe uitgavenartikel 08.05 Efficiencybesparingen/kwaliteitsverbetering.

Taakstelling efficiencybesparing jaar 2000

Het gestalde bedrag uit de Hoofdlijnennotitie van f 50 miljoen voor het jaar 2000 is, in afwachting van concrete maatregelen, over de beleidsterreinen verdeeld en zichtbaar geparkeerd op de artikelen Personeel en materieel bij die beleidsterreinen.

Diverse herschikkingen met andere begrotingsartikelen

Met de begroting 1999 zijn de bedragen gestald die betrekking hebben op de taakstellingen uit het Regeerakkoord 1998. Rekening houdend met de hiervoor genoemde verwachte meeropbrengsten van verkopen via de dienst der Domeinen en de genoemde overheveling naar het nieuwe begrotingsartikel 08.05 worden middels de genoemde herschikkingen de gestalde bedragen tegengeboekt. Het betreft hier in het bijzonder de financiële uitwerking van de Hoofdlijnennotitie.

Toelichting op de geraamde bedragen

Voor de goede orde zij vermeld dat de resterende ramingsbedragen betrekking hebben op stallingsbedragen waarvoor nog maatregelen in de sfeer van (nieuw) personeelsbeleid en de verhoging van de ontslagleeftijd van militairen moeten worden genomen in het traject naar het opstellen van de Defensienota 2000.

01.29 Overige departementale uitgaven

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel komen uitgaven ten behoeve van het gehele ministerie van Defensie. Het betreft uitgaven voor:

– voorlichting;

– schadevergoedingen;

– hulpprogramma's aan Navo-lidstaten, zoals steun aan landen met «developing defence industries» (DDI);

– samenwerkingsprogramma's met de Midden- en Oost-Europese landen waaronder uitgaven voor wapenbeheersing;

– exploitatiekosten van het WEU-satellietcentrum;

– overige uitgaven, zoals drukwerk en publicatiekosten en de uitgaven in het kader van de wettelijke bepalingen omtrent telecommunicatie en frequentiebeheer;

– uitgaven met betrekking tot bouwactiviteiten (artikelonderdeel 05-infrastructuur);

op dit artikelonderdeel worden momenteel de uitgaven verantwoord die betrekking hebben op kosten van renovaties en onderhoud van de defensiegebouwen in gebruik bij TNO/DO;

– uitgaven met betrekking tot de Ziektekostenvoorziening Defensiepersoneel (ZVD-regeling);

– de rentebedragen in het kader van de vermogensconversie agentschappen.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999  135 990122 415122 318122 318122 319 
Mutaties 1e suppletore wet 1999  – 21 026174174174174 
Stand 1e suppletore wet 1999  114 964122 589122 492122 492122 493 
Nieuwe mutaties:         
Technische bijstellingen:        
– Prijsaanpassing 1999  3838383838 
Beleidsmatige bijstellingen:         
– Overheveling naar Pensioenen en uitkeringen   – 24 371– 24 709– 25 675– 25 951 
– Ramingsbijstelling  – 4 150– 862– 1 619– 480– 1 251 
Sub-totaal beleidsmatige bijstellingen  – 4 150– 25 233– 26 328– 26 155– 27 202 
Totaal nieuwe mutaties  – 4 112– 25 195– 26 290– 26 117– 27 164 
Stand ontwerpbegroting 20004 780103 032110 85297 39496 20296 37595 32994 629
Stand ontwerpbegroting 2000 (in EUR 1000)2 16946 75450 30244 19543 65543 73343 25842 941
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999  135 990122 415122 318122 318122 319 
Mutaties 1e suppletore wet 1999  – 21 026174174174174 
Stand 1e suppletore wet 1999  114 964122 589122 492122 492122 493 
Nieuwe mutaties:         
Technische bijstellingen:         
– Prijsaanpassing 1999  3838383838  
Beleidsmatige bijstellingen:         
– Overheveling naar Pensioenen en uitkeringen   – 24 371– 24 709– 25 675– 25 951 
– Ramingsbijstelling   – 359– 896– 230– 1 251 
Sub-totaal beleidsmatige bijstellingen   – 24 730– 25 605– 25 905– 27 202 
Totaal nieuwe mutaties:  38– 24 692– 25 567– 25 867– 27 164 
Stand ontwerpbegroting 2000 101 686115 00297 89796 92596 62595 32995 129
Stand ontwerpbegroting 2000 (in EUR 1000) 46 14352 18644 42443 98343 84743 25843 168

Toelichting op de nieuwe verplichtingen- en uitgavenmutaties

Technische bijstellingen

Prijsaanpassingen 1999

De uitgavenniveaus zijn aangepast aan het prijsniveau 1999.

Beleidsmatige bijstellingen

Overheveling naar beleidsterrein Pensioenen en uitkeringen

Vanaf 1 januari 1999 is het ziektekostenverzekeringsstelsel voor militairen voor UKW'ers van toepassing. De voor de premiebetaling benodigde budgetten zijn overgeheveld naar beleidsterrein 02. Pensioenen en uitkeringen.

Ramingsbijstelling

De toegang tot de ZVD-regeling voor het actief dienend personeel is per 1 januari 2000 afgesloten. De in de arbeidsvoorwaardenovereenkomst 1999/2000 overeengekomen maximering van de tegemoetkoming ZVD voor burgerpersoneel heeft geleid tot een neerwaartse bijstelling.

Tevens is in deze mutatie begrepen de door de agentschappen DTO en DGW&T in het kader van de vermogensconversie in rekening te brengen rentebedragen.

De onderverdeling naar artikelonderdelen

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingen
 1998199920002001200220032004
01.29.01 Voorlichting5 5933 2585 6655 6655 6655 6655 665
01.29.02 Schadevergoedingen10 33812 60812 89012 89012 89012 89012 890
01.29.03 Samenwerkingsprogramma's4 0882 3013 0623 0623 0623 0623 062
01.29.04 Overige uitgaven13 4968 65320 36818 94818 54818 24817 798
01.29.05 Infrastructuur1162 0321 5512 3712 9442 1981 948
01.29.06 ZVD-regeling69 40182 00053 85853 26653 26653 26653 266
Stand ontwerpbegroting 2000103 032110 85297 39496 20296 37595 32994 629
Stand 1e suppletore begroting 1999 114 964122 589122 492122 492122 493 
Nieuwe mutaties – 4 112– 25 195– 26 290– 26 117– 27 164 
De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelUitgaven
 1998199920002001200220032004
01.29.01 Voorlichting4 8204 1865 7365 6655 6655 6655 665
01.29.02 Schadevergoedingen10 88612 81512 89012 89012 89012 89012 890
01.29.03 Samenwerkingsprogramma's3 2114 6743 7443 2853 0623 0623 062
01.29.04 Overige uitgaven13 1319 06820 36818 94818 54818 24818 048
01.29.05 Infrastructuur2392 2591 3012 8713 1942 1982 198
01.29.06 ZVD-regeling69 39982 00053 85853 26653 26653 26653 266
Stand ontwerpbegroting 2000101 686115 00297 89796 92596 62595 32995 129
Stand 1e suppletore begroting 1999 114 964122 589122 492122 492122 493 
Nieuwe mutaties 38– 24 692– 25 567– 25 867– 27 164 

Toelichting per artikelonderdeel

Voorlichting

De uitgaven voor specifieke voorlichting, films, exposities, Defensie-informatiecentra, voorlichtingsbrochures, Defensiemaandbladen en de Defensiekrant worden onder dit artikelonderdeel verantwoord. De totale oplagen per jaar van de diverse Defensiemaandbladen zijn als volgt te specificeren (in aantallen stuks):

Defensiekrant1 786 000 
Alle Hens312 000 
Legerkoerier744 000 
Vliegende Hollander276 000 
Militair Rechtelijk Tijdschrift11 700 

Voor de voorlichtingsuitgaven (exclusief de personele exploitatiekosten) wordt jaarlijks een bedrag van omstreeks f 5,6 miljoen geraamd.

Schadevergoedingen

Hieronder vallen de uitgaven voor de vergoeding van schade waarbij de krijgsmachtdelen zijn betrokken, waaronder die in verband met oefeningen en vliegtuigongevallen. Deze uitgaven, waarvoor meerjarig f 12,890 miljoen wordt geraamd, zijn als volgt verdeeld:

 
Bedragen x f 1000199920002001200220032004
Koninklijke marine1 0001 0001 0001 0001 0001 000
Koninklijke landmacht5 8155 8905 8905 8905 8905 890
Koninklijke luchtmacht2 0002 0002 0002 0002 0002 000
Oefenschade3 0003 0003 0003 0003 0003 000
Gerechtelijke procedures1 0001 0001 0001 0001 0001 000
Totaal12 81512 89012 89012 89012 89012 890

Hulp- en samenwerkingsprogramma's

Hierin zijn opgenomen de bijdragen geraamd voor de deelname aan het WEU-programma voor satellietwaarneming (te Torrejon in Spanje) en de steun aan landen met een ontwikkelende defensie-industrie, te weten Griekenland, Portugal en Turkije. Voorts worden hier de uitgaven geraamd voor de wapenbeheersings- en samenwerkingsprogramma's met de Navo-lidstaten en de Midden- en Oost-Europese landen.

 
Bedragen x f 1000199920002001200220032004
WEU-programma750750750750750750
DDI-steun468      
Samenwerkingsprogramma's3 4562 9942 5352 3122 3122 312
Totaal4 6743 7443 2853 0623 0623 062

Overige uitgaven

Deze uitgaven, waarvoor in 2000 ongeveer f 20,4 miljoen wordt geraamd, hebben betrekking op:

– uitgaven voor drukwerk ten behoeve van het ministerie van Defensie, waaronder reglementen, voorschriften en formulieren;

– uitgaven in het kader van de wettelijke bepalingen voor telecommunicatie en frequentiebeheer;

– uitgaven voor het technisch beheer van onroerende goederen door de Dienst Gebouwen, Werken en Terreinen. Hieronder vallen algemeen technisch beheer door diverse regionale directies en begeleiding van bodemsaneringsprogramma's.

 
Bedragen x f 1000199920002001200220032004
– Drukwerk3 1243 0742 9242 8242 8242 824
– Telecommunicatie en frequentiebeheer3 4243 4243 4243 4243 4243 424
– Technisch beheer2 5202 8701 9001 9001 9001 900
– Rentebedragen agentschappen 11 00010 70010 40010 1009 900
Totaal9 06820 36818 94818 54818 24818 048

De verlaging vanaf 2001 bij het onderdeel technisch beheer wordt met name veroorzaakt door het gereed komen van de funnel van de AWACS vliegbasis Geilenkirchen (f 0,450 miljoen) en de afname van ingenieurskosten (f 0,450 miljoen) met betrekking tot internationale infrastructuur.

Ten laste van dit artikelonderdeel worden tevens de door de agentschappen DTO en DGW&T in het kader van de vermogensconversie in rekening te brengen rentebedragen van f 11 miljoen voor 2000, f 10,7 miljoen voor 2001, f 10,4 miljoen in 2002, f 10,1 miljoen in 2003 en f 9,9 miljoen in 2004 geraamd en verantwoord.

Infrastructuur

Deze uitgaven hebben betrekking op nieuwbouw, onderhoud en renovatie van defensiegebouwen in gebruik bij TNO/DO. Afhankelijk van de soort activiteit wordt per vierkante meter een prijs gehanteerd die varieert van f 2100 tot f 4500. Daarnaast worden de faciliteiten in Rijswijk aan de wettelijke eisen aangepast.

Ziektekostenvoorziening defensiepersoneel (ZVD)

Hierin is opgenomen het defensie-aandeel in de Rijksregeling Ziektekostenvoorziening Overheidspersoneel.

02. BELEIDSTERREIN PENSIOENEN EN UITKERINGEN

02.02 Militaire pensioenen en uitkeringen

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

De pensioenvoorziening en uitkeringen voor militair personeel waren voorheen grotendeels in eigen beheer bij Defensie. Overeenkomstig een in december 1998 met het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) afgesloten overeenkomst zal het beheer en de uitvoering van pensioenen voor personen ouder dan 65 jaar en van de militaire nabestaandenpensioenen die verband houden met overlijden als gevolg van het uitoefenen van de militaire dienst in 2000 overgaan naar het ABP. Dit houdt in dat alsdan de uitvoering van de militaire ouderdoms- en nabestaandenpensioenen in zijn geheel bij het ABP is ondergebracht. Voor de militaire nabestaandenpensioenen is sprake van volledige kapitaaldekking. Voor diensttijd vanaf 2000 wordt ten behoeve van de militaire ouderdomspensioenen op het kapitaaldekkingsstelsel overgegaan. Ouderdomspensioenen betrekking hebbend op tot 2000 opgebouwde diensttijd en (aanvullende) nabestaandenpensioenen worden op declaratiebasis met het ABP verrekend.

De uitvoering van de sociale zekerheid is in handen van de Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid voor Overheid en Onderwijs. Op artikel 02.02 worden in dit kader verantwoord de uitgaven met betrekking tot de militaire invaliditeitspensioenen, daarmee verband houdende voorzieningen en verstrekkingen (sociale zorg), bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkeringen voor militairen voorzover geen betrekking hebbend op de voor de WAO van toepassing zijnde eigen risicoperiode, uitkeringen op basis van de Uitkeringswet Gewezen Militairen (UKW) en overige uitkeringen. De werkloosheids- en wachtgelduitkeringen voor militair- en burgerpersoneel, de WAO-uitkeringen voor militair- en burgerpersoneel gedurende de eigen risicoperiode en de daarop aanvullende bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkeringen worden verantwoord op de artikelen personeel en materieel van de respectieve beleidsterreinen.

In verband met het bovenstaande worden op dit artikel de volgende bedragen verantwoord:

– de door ABP op declaratiebasis in rekening te brengen militaire ouderdomspensioenen en (aanvullende) nabestaandenpensioenen;

– de door USZO op declaratiebasis in rekening te brengen uitgaven met betrekking tot de militaire invaliditeitspensioenen, daarmee verband houdende voorzieningen en verstrekkingen (sociale zorg), bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkeringen voor militairen voorzover geen betrekking hebbend op de voor de WAO van toepassing zijnde eigen risicoperiode, uitkeringen op basis van de Uitkeringswet Gewezen Militairen (UKW) en overige uitkeringen;

– het nominale deel van de door Defensie aan het ABP te verrichten betalingen ten behoeve van de opbouw van kapitaaldekking van de militaire nabestaandenpensioenen. (De daarnaast te verrichten loonsomgerelateerde premiebetalingen worden verantwoord op de artikelen personeel en materieel van de respectieve beleidsterreinen/ressorts);

– Programma-uitgaven in het kader van het veteranenbeleid, met uitzondering van de op het beleidsterrein 01. Algemeen verantwoorde subsidies.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
 1998199920002001200220032004
Stand ontwerp-begroting 1999 1 658 0701 628 2991 617 6061 648 1581 640 964 
Mutaties 1e suppletore wet 1999 134 90054 20064 50070 70073 030 
Stand 1e suppletore wet 1999 1 792 9701 682 4991 682 1061 718 8581 713 994 
Nieuwe mutaties:        
Technische bijstellingen:        
– loon- en prijsbijstelling 1999 63 26756 59256 65458 02457 542 
Beleidsmatige bijstellingen:        
– herschikking verzekerdenadministratie (VZA) – 38 900– 13 000     
– overheveling tussen beleidsterreinen 6 800– 300– 1 800– 3 600– 4 700 
– overheveling van beleidserrein Algemeen (ZVD)  24 37124 70925 67525 951 
– lening aan ABP   31 88386 39487 217 
– actualisering pensioenen en uitkeringen – 5 800– 3 000– 1 600– 19 1007 700 
Totaal mutatie 25 36764 663109 846147 393173 710 
Stand ontwerp-begroting 20001 690 2901 818 3371 747 1621 791 9521 866 2511 887 7041 905 188
Waarvan relevant voor uitgavenkader1 690 2901 804 3791 738 6351 760 0691 779 8571 800 4871 817 251
waarvan niet relevant voor uitgavenkader   31 88386 39487 21787 937
Stand ontwerp-begroting 2000 (in EUR 1000)767 020825 125792 828813 152846 868856 603864 537

Toelichting op de nieuwe verplichtingen- en uitgavenmutaties

Technische bijstellingen

Loon- en prijsaanpassingen 1999

De uitgavenniveaus zijn aangepast aan het loon- en prijsniveau 1999.

Beleidsmatige bijstellingen

Herschikking verzekerdenadminstratie

Als gevolg van de overname door het ABP van het beheer en de uitvoering van de militaire diensttijdpensioenen is de noodzaak voor het opzetten van een verzekerdenadministratie voor deze categorie pensioenen komen te vervallen. Afrekening zal met het ABP plaatsvinden doordat het ABP deze kosten binnen de reguliere kostenopslag in de door Defensie af te dragen premie opneemt. De met de VZA samenhangende budgetreeksen worden middels een herfasering in de tijd aangewend voor arbeidsvoorwaarden in latere jaren.

Overheveling tussen beleidsterreinen in verband met diverse regelingen

Meer-/minderuitgaven verband houdend met de UKW als gevolg van de binnen de UKW opgenomen gelimiteerde mogelijkheid van instroom eerder danwel later dan de reguliere ontslagleeftijd worden op realisatiebasis met de respectieve beleidsterreinen verrekend.

Voorts worden de bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkeringen – voorzover het gaat om aanvullingen op de WAO gedurende de voor de WAO van toepassing zijnde eigen risicoperiode – vanaf 1999 verantwoord op de artikelen personeel en materieel van de respectieve beleidsterreinen. De betrokken voor het militaire personeel aan de orde zijnde budgetten worden naar de respectieve beleidsterreinen overgeheveld.

Vanaf 1 januari 1999 is het ziektekostenverzekeringsstelsel voor militairen ook voor UKW-ers van toepassing. De voor de premiebetaling aan de Stichting Ziektekostenverzekering Krijgsmacht (SZVK) benodigde budgetten zijn overgeheveld uit beleidsterrein 01. Algemeen.

Lening aan ABP

Met ingang van 2000 zal voor de nieuw op te bouwen militaire ouder- domspensioenen op het kapitaaldekkingsstelsel worden overgegaan. Een van de elementen om dit mogelijk te maken is een reeks 10-jarige leningen van Defensie aan het ABP. De uitgaven gemoeid met deze leningen worden aangemerkt als niet relevant voor het uitgavenkader van de Rijksbegroting in enge zin. Bij de toelichting op de artikelonderdelen wordt nader op deze systematiek ingegaan.

Actualisering pensioenen en uitkeringen

De mutaties die ten grondslag liggen aan de in de wet opgenomen bedragen, zijn het gevolg van de door de beleidsterreinen geactualiseerde in- en uitstroom van militair personeel in de diverse uitkerings- en pensioenregelingen.

De onderverdeling naar artikelonderdelen
ArtikelonderdeelUitgaven
Bedragen x f 10001998199920002001200220032004
– Militaire nabestaandenpensioenen61 84063 43963 80364 57065 48666 35267 242
– Militaire diensttijdpensioenen607 870637 132635 069633 943632 921633 164633 800
– Kapitaaldekking nominale bijdrage 79 85057 70368 14274 74276 84479 144
– Kapitaaldekking lening ABP (hoofdsom)31 26683 51480 84078 166
– Kapitaaldekking lening ABP (rente)6172 8806 3779 771
– Militaire invaliditeitspensioenen184 974186 401181 791177 550172 740167 820163 227
– Uitkeringswet gewezen militairen705 422754 771756 974766 641784 744807 083824 614
– Sociale zorg12 53414 00014 00014 00014 00014 00014 000
– Overige uitkeringen17 17715 00015 00015 00015 00015 00015 000
– Reserve-overdracht16 33818 60016 80016 80016 80016 80016 800
– Veteranenbeleid84 13549 1446 0223 4233 4243 4243 424
Stand ontwerp-begroting 20001 690 2901 818 3371 747 1621 791 9521 866 2511 887 7041 905 188
Stand 1e suppletore begroting 1999 1 792 9701 682 4991 682 1061 718 8581 713 994 
Nieuwe mutaties 25 36764 663109 846147 393173 710 

Toelichting per artikelonderdeel

Militaire nabestaandenpensioenen

De militaire weduwen- en wezenpensioenen komen ten laste van dit artikelonderdeel indien het overlijden van de actieve of post-actieve militair is toe te schrijven aan de gevolgen van de uitoefening van de militaire dienst. De uitgaven voor de overige militaire weduwen- en wezenpensioenen komen ten laste van het ABP dat voor de uitvoering daarvan zorgdraagt.

Militaire diensttijdpensioenen

Hieronder worden de uitgaven opgenomen voor pensioenen ten behoeve van voormalige beroepsmilitairen die de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt en waarbij geen sprake is van invaliditeit als gevolg van het uitoefenen van de militaire dienst.

Kapitaaldekking

Voor de vanaf 1 januari 2000 nieuw op te bouwen militaire ouderdomspensioenaanspraken wordt overgegaan op kapitaaldekking. De post «Kapitaaldekking (nominale bijdrage)» betreft de premiebetalingen aan het ABP die met deze kapitaaldekking samenhangen.

Omdat Defensie bij het totstandkomen van de pensioenovereenkomst met het ABP tijdelijk onvoldoende middelen beschikbaar heeft om aan de volledige premieverplichting te voldoen, is met het ABP tot een financieringsafspraak gekomen. Gedurende de periode dat de beschikbare middelen kleiner zijn dan de premieverplichting ontstaat een vordering van het ABP op Defensie. Door het ABP worden de over deze vordering gemaakte kosten (rente en overige funding costs) aan Defensie doorberekend.

Deze kosten worden gebaseerd op door het ministerie van Defensie aan het ABP te verstrekken leningen met aflossing ineens na 10 jaar. De voor deze Defensie-uitgaven benodigde middelen worden door het ministerie van Financiën aan de Defensiebegroting toegevoegd.

In verband met de totstandkoming van de kapitaaldekking zullen de begrotingslasten verband houdend met de pensioenuitkeringslasten voor diensttijd opgebouwd vanaf 1 januari 2000 vrijvallen. Deze vrijval zal worden ingezet voor de kapitaaldekking. Dit leidt op termijn tot de situatie dat de feitelijk betaalde premiebedragen groter zijn dan de verschuldigde premiebedragen verhoogd met de rente en overige funding costs. Het desbetreffende saldo zal worden aangewend ter aflossing van de vordering van het ABP op Defensie en aan de uitgavenzijde (artikel 02.02) van de Defensiebegroting worden verantwoord.

De vanaf 2011 aan de orde zijnde aflossingen van de 10-jarige leningen door het ABP aan Defensie worden aan de ontvangstenzijde van de Defensiebegroting verantwoord. De overeenkomstige aflossing van de lening aan het ministerie van Financiën door het ministerie van Defensie wordt alsdan aan de uitgavenzijde (artikel 02.02) van de Defensiebegroting verantwoord.

Militaire invaliditeitspensioenen

Hieronder worden uitgaven opgenomen die betrekking hebben op de uitkeringen als gevolg van invaliditeit.

Uitkeringswet gewezen militairen

De uitgaven in het kader van de Uitkeringswet gewezen militairen vertonen, als gevolg van de bestandssamenstelling, een stijgende trend.

Sociale zorg

Hieronder vallen materiële voorzieningen in het kader van sociale zorg aan postactieve militairen, alsmede de uitvoering van de regeling gezondheidszorg. Jaarlijks wordt hiervoor gemiddeld f 14 miljoen geraamd.

Overige uitkeringen

Deze uitgaven, die worden verantwoord bij het artikelonderdeel overige uitkeringen, hebben betrekking op:

– Uitkering RRDPL (Reglement Rechtsbijstand Dienstplichtigen);

– Gratificatie Invaliditeitspensioenen Beroepspersoneel;

– Gratificatie Invaliditeitspensioenen Verlofspersoneel;

– Uitkering Algemeen Militair Ambtenaren Reglement;

– Overlijdensuitkeringen;

– Wet Arbeidsongeschiktheid Militairen (WAMIL);

– Uitkeringen voor ontslag;

– Pensioenkosten algemeen.

Rekening wordt gehouden met een bedrag van jaarlijks gemiddeld f 15 miljoen.

Reserve-overdracht

Sinds 1 december 1987 biedt de Algemene Militaire Pensioenwet de mogelijkheid bij dienstverlating de financiële gevolgen van pensioenbreuk te voorkomen. Dit komt er op neer dat de actuariële tegenwaarde van het bij Defensie opgebouwde recht op ouderdoms- en weduwenpensioen wordt overgedragen aan het pensioenfonds van de nieuwe werkgever. Sedert 8 juli 1994 is sprake van een wettelijk recht op reserve-overdracht.

In de begroting is ervan uitgegaan dat in belangrijke mate van dit recht gebruik wordt gemaakt. In het kader van de privatisering van het ABP en het Spoorwegpensioenfonds gaat het sinds 1994 ook om waarde-overdracht bij overgang naar een burgerfunctie binnen de overheid. Er is rekening gehouden met de toename van het aantal beroepsmilitairen bepaalde tijd en de stimulering van de uitstroom in het kader van de herstructurering van de krijgsmacht.

Vanaf 2000 wordt hiervoor jaarlijks ongeveer f 17 miljoen geraamd.

Veteranenbeleid

De uitgaven wegens nazorg voor veteranen bedragen jaarlijks f 3,4 miljoen. In 2000 zijn de laatste programmakosten zichtbaar voor de uitvoering van de eenmalige uitkering van f 1 000,00 netto als gevolg van de motie Zijlstra met betrekking tot het veteranenbeleid. De kosten verbonden aan de uitvoering van de «Uitkeringswet 2- tot 5-jarige diensttijd veteranen» zijn in de periode 1997–2000 in totaal ruim f 142 miljoen. Daarvan is f 36 miljoen met het initiatief wetsvoorstel Van Ardenne-Van der Hoeven gemoeid, waardoor ook de overheidspensioengenieters onder de werking van de wet zijn gebracht. In totaal zullen naar verwachting bijna 110 000 veteranen een uitkering ontvangen.

03. BELEIDSTERREIN KONINKLIJKE MARINE

Algemeen

De uitgaven binnen het artikel 03.20 Personeel en materieel bij het beleidsterrein Koninklijke marine zijn verdeeld in vijf ressorts: Commandant der Zeemacht in Nederland, Commandant der Zeemacht in het Caribisch gebied, Commandant van het Korps Mariniers, Ondersteunende eenheden en Admiraliteit. De artikelen 03.21 Subsidies en bijdragen en 03.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur completeren de uitgavenbegroting van de Koninklijke marine.

De totale uitgaven van de Koninklijke marine voor de jaren 1999 tot en met 2004 zijn als volgt te specificeren:

 
 1998199920002001200220032004
Uitgaven       
03.20 Personeel en materieel        
– Commandant der Zeemacht Nederland706 003748 625724 627697 526683 514672 220671 667
– Commandant der Zeemacht CARIB108 198113 837110 303108 521107 511107 257106 767
– Commandant van het Korps mariniers200 953217 200216 930219 523227 421235 852240 018
– Ondersteunende eenheden553 007564 855531 814515 355512 423504 699507 888
– Admiraliteit540 481465 416418 093436 915419 716421 574424 433
– Wachtgelden en inactiviteitswedden29 60836 58939 46443 14746 00644 48344 483
Totaal Personeel en materieel2 138 2502 146 5222 041 2312 020 9871 996 5911 986 0851 995 256
03.21 Subsidies529533483483483483483
03.22 Groot materieel en infrastructuur644 582906 957898 464850 178865 253943 501912 596
Totale uitgaven (x NLG 1000)2 783 3613 054 0122 940 1782 871 6482 862 3272 930 0692 908 335
Totale uitgaven (x EUR 1000)1 263 0341 385 8501 334 1941 303 0971 298 8671 329 6071 319 745

03.20 Personeel en materieel

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Door de integratie van de begrotingsartikelen personele- en materiële uitgaven en het Verbeterd Economisch Beheer (Kamerstukken II 1995/1996, 24 400 X, nr. 113) wordt inzicht verschaft in de bedrijfsvoeringsuitgaven van resultaatverantwoordelijke eenheden (RVE'n).

Het beleid is gericht op een resultaatgerichte bedrijfsvoering, waarbij budgetten en beheersbevoegdheden zoveel mogelijk decentraal worden neergelegd. Daarmee wordt beoogd de doelmatigheid te verhogen. De decentrale manager, in casu de commandant of directeur van de RVE wordt daarmee in staat gesteld de middelen (personeel, materieel en financieel) optimaal in te zetten. In 2000 zal de aandacht zich richten op verbetering van beheerskaders en beheersmaatregelen om sturing op afstand te optimaliseren.

Per ressort worden vier vaste artikelonderdelen gepresenteerd: ambtelijk burgerpersoneel, militair personeel, overige personele uitgaven en materiële uitgaven. De wachtgelduitgaven voor het burger- en het militair personeel worden geraamd en verantwoord op het artikelonderdeel 03.20.21.

De uitgaven van het actief dienend personeel zijn geraamd met behulp van het Systeem Nieuwe Integrale Personeelsbegroting (SNIP). De uitkomst hiervan is aangepast voor ontwikkelingen in de komende jaren en voor de categorieën die niet in het SNIP zijn opgenomen, zoals niet-actief dienend personeel en niet-Nederlands hulppersoneel op de Nederlandse Antillen en Aruba.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999  2 042 1841 970 6051 963 1041 957 5611 956 505 
Mutaties 1e suppletore wet 1999  28 170– 4 016– 4 226– 4 226– 4 234 
Stand 1e suppletore wet 1999  2 070 3541 966 5891 958 8781 953 3351 952 271 
Nieuwe mutaties  126 31966 33551 43660 57231 730 
Stand ontwerpbegroting 2000299 4422 106 8992 196 6732 032 9242 010 3142 013 9071 984 0011 995 256
Stand ontwerpbegroting 2000 (in EUR 1000)135 881956 069996 807922 501912 241913 871900 300905 408
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999  2 037 2781 980 7071 972 7521 958 6201 957 564 
Mutaties 1e suppletore wet 1999  29 200– 2 986– 3 201– 3 201– 3 209 
Stand 1e suppletore wet 1999  2 066 4781 977 7211 969 5511 955 4191 954 355 
Nieuwe mutaties:         
Commandant der Zeemacht Nederland  56 54373 55749 30438 63633 701 
Commandant der Zeemacht Carib  11 82511 21110 64711 45111 381 
Commandant van het Korps Mariniers  13 28620 75622 19930 95239 423 
Ondersteunende eenheden  36 62453 98250 92444 64036 659 
Admiraliteit  – 40 324– 99 751– 87 092– 91 588– 97 180  
Wachtgelden en inactiviteitswedden  2 0903 7555 4547 0817 746 
Totaal nieuwe mutaties  80 04463 51051 43641 17231 730 
Stand ontwerpbegroting 2000 2 138 2502 146 5222 041 2312 020 9871 996 5911 986 0851 995 256
Stand ontwerpbegroting 2000 (in EUR 1000) 970 296974 049926 270917 084906 013901 246905 408

De nieuwe verplichtingen- en uitgavenmutaties worden naar oorzaak bij de ramingen van de ressorts en het artikelonderdeel Wachtgelden en inactiviteitswedden toegelicht.

Bij de bovenstaande ramingen behoren de volgende aantallen vte'n.

Opbouw begrotingssterkte (vte'n op basis van 38-urige werkweek)
Omschrijving199920002001200220032004
Burgers – stand begroting 199914 3204 1564 1454 0834 068 
Burgers – mutaties12625252524 
Burgers – stand ontwerpbegroting 200014 3464 1814 1704 1084 0924 092
MP/BOT – stand begroting 19998 5408 4188 4238 4098 329 
MP/BOT – mutaties– 135– 290– 457– 424– 357 
MP/BOT – stand ontwerpbegroting 20008 4058 1287 9667 9857 9728 029
MP/BBT – stand begroting 199924 3094 1714 1544 1544 131 
MP/BBT – mutaties2126260226188229 
MP/BBT – stand ontwerpbegroting 200024 4354 4314 3804 3424 3604 360
Totale sterkte – stand begroting 199917 16916 74516 72216 64616 528 
Totale sterkte – mutaties17– 5– 206– 211– 104 
Totale sterkte – stand ontwerpbegroting 200017 18616 74016 51616 43516 42416 481

1 exclusief niet-actief burgerpersoneel (zie tevens bijlage 13).

2 exclusief ANTARUMIL.

Toelichting

De daling van de totale begrotingssterkte vanaf 2001 wordt veroorzaakt door de verwerking van de Hoofdlijnennotitie in de aantallen personeel. Het betreft het saldo van de reducties (onder meer het afstoten van twee fregatten en drie Orion maritieme patrouillevliegtuigen) en anderzijds de uitbreiding van het Korps Mariniers.

De verhoging van het aantal burgermedewerkers wordt met name veroorzaakt door enkele noodzakelijke uitbreidingen, zoals extra brandwachten in het kader van de rampenbestrijding, en wet- en regelgeving op het gebied van ARBO- en milieumanagement.

Voorts heeft een verschuiving in de opbouw van het militaire personeelsbestand plaatsgevonden waardoor het aantal BOT daalt en het aantal BBT stijgt.

Ressort Commandant der Zeemacht in Nederland

Het ressort Commandant der Zeemacht in Nederland (CZMNED) is een Resultaat Verantwoordelijke Eenheid (RVE) onder de BDZ. Jaarlijks komen de BDZ en de CZMNED een convenant overeen betreffende de realisatie van het gewenste operationeel product en de verstrekking van de daartoe behorende middelen.

Dit ressort bestaat uit de Groep Escorte Schepen, de Groep Maritieme Helikopters, de Groep Maritieme Patrouille Vliegtuigen, de Onderzeedienst, de Mijnendienst en de Overige eenheden van CZMNED, zoals het Maritiem Operatiecentrum Nederland, het commandement, kazernes en walinrichtingen.

De verplichtingen en uitgaven Commandant der Zeemacht in Nederland

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingen
 1998199920002001200220032004
03.20.01 Ambtelijk burgerpersoneel79 09871 41770 63270 44070 25770 10570 105
03.20.02 Militair personeel505 132512 899508 928484 694471 967462 241462 241
03.20.03 Overige personele uitgaven46 37243 28442 26840 75340 12539 85739 862
03.20.04 Materiële uitgaven71 017139 23099 512100 522119 69299 14499 459
Stand ontwerpbegroting 2000701 619766 830721 340696 409702 041671 347671 667
Stand 1e suppletore begroting 1999 691 187647 483647 105644 005637 646 
Nieuwe mutaties 75 64373 85749 30458 03633 701 
De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelUitgaven
 1998199920002001200220032004
03.20.01 Ambtelijk burgerpersoneel79 09871 41770 63270 44070 25770 10570 105
03.20.02 Militair personeel505 132512 899508 928484 694471 967462 241462 241
03.20.03 Overige personele uitgaven47 61543 28442 26840 75340 12539 85739 862
03.20.04 Materiële uitgaven74 158121 025102 799101 639101 165100 01799 459
Stand ontwerpbegroting 2000706 003748 625724 627697 526683 514672 220671 667
Stand 1e suppletore begroting 1999 692 082651 070648 222644 878638 519 
Nieuwe mutaties 56 54373 55749 30438 63633 701 
Specificatie nieuwe mutaties (bedragen x f 1000)
Omschrijving19992000200120022003
Technische bijstellingen:      
– loon- en prijsaanpassingen 199926 48229 52424 80923 24620 436
– VEB-mutaties47 78649 94151 39351 43851 423
– Overige mutaties, per saldo– 264– 522– 222– 222– 222
Sub-totaal technische bijstellingen:74 00478 94375 98074 46271 637
Beleidsmatige bijstellingen:      
– haven-, sluis- en loodsgelden 1 2961 3101 238998
– onderhoud Lynx 3 0003 0003 0003 000
– aanpassing van de begrotingssterkte– 17 663– 9 496– 9 426– 8 936– 8 936
– overige mutaties, per saldo2021 11315265384
Hoofdlijnennotitie:      
– reductie twee S-fregatten  – 13 373– 22 291– 22 282
– reductie drie P3-C Orions  – 5 605– 6 505– 8 503
– overheveling één P3-C Orion naar Antillen – 1 299– 2 597– 2 597– 2 597
Sub-totaal beleidsmatige bijstellingen:– 17 461– 5 386– 26 676– 35 826– 37 936
Totaal van de nieuwe mutaties56 54373 55749 30438 63633 701

Toelichting op de nieuwe mutaties

Verplichtingen

De verplichtingenmutaties hangen samen met de bovenstaande mutaties in de uitgaven. Daarnaast is als gevolg van de aanbesteding in de jaren 1999 (+ f 10,070 miljoen) en 2002 (+ f 10,6 miljoen) van de driejarige FMS-case ten behoeve van onderdelen voor de P-3C Orion patrouillevliegtuigen de raming bijgesteld. Voorts is door de voorziene aanbesteding van het driejarige contract in de jaren 1999 (+ f 8,8 miljoen) en 2002 (+ f 8,8 miljoen) voor de beveiliging van objecten de raming nader bijgesteld.

Uitgaven

Technische bijstellingen

Loon- en prijsaanpassingen 1999

De uitgavenniveaus zijn aangepast aan het loon- en prijsniveau 1999.

VEB-mutaties

Als gevolg van verdere decentralisatie van taken en bevoegdheden in het kader van het VEB heeft een overheveling plaatsgevonden van diverse budgetten. Het betreft hier met name de uitgaven voor verplaatsingskosten, klein onderhoud van gebouwen en terreinen, huisvesting, ingenieursdiensten en voortstuwing- en energie-opwekkende systemen.

Beleidsmatige bijstellingen

Haven-, sluis- en loodsgelden

Op grond van een uitgevoerde analyse is gebleken dat de haven-, sluis- en loodsgelden in het verleden te laag zijn geraamd. Daarom wordt de raming verhoogd.

Onderhoud Lynx budgetten

Als gevolg van de veroudering van de Lynx-helikopters nemen de kosten van onderhoud, herstel en herbevoorrading toe.

Aanpassing van de begrotingssterkte

In de begroting 1999 zijn de salarissen voor de eerste maal decentraal bij de ressorts ondergebracht. Dit is een uitvloeisel van de kanteling van de Defensiebegroting. Voor de begroting 2000 dient de initiële verdeling uit de begroting 1999 van de aantallen over de ressorts te worden aangepast, mede op basis van de realisatiegegevens over 1998. In de begroting van de Koninklijke marine is deze herschikking budgetneutraal.

Vanwege een wettelijke verplichting voor rampenbestrijding dient de Koninklijke marine op het Marine Vliegkamp Valkenburg de brandweercapaciteit aldaar met twaalf vte'n burgerpersoneel en vijf vte'n militair personeel uit te breiden. Daarnaast worden in verband met de overbrenging van het Opslag- en Distributiecentrum (ODC) naar het Marinebedrijf 162 vte'n burgerpersoneel overgeheveld.

Hoofdlijnennotitie

In de Hoofdlijnennotitie is opgenomen dat het fregattenbestand van de Koninklijke marine met twee standaardfregatten wordt verminderd. Het eerste af te stoten standaardfregat wordt op 1 januari 2001 en het tweede op 1 januari 2002 uit dienst gesteld. De personele sterkte van de Commandant Zeemacht in Nederland wordt hierdoor gefaseerd verminderd met 324 vte'n militair personeel. Van het tweede af te stoten fregat worden 65 kaderleden niet gereduceerd, in verband met de extra benodigde bemanning van het tweede Landing Platform Dock (LPD). Het betreft functies die een lang vooropleidingstraject binnen de Koninklijke marine vereisen en waarvoor een minimum aantal jaren kennis en ervaring nodig is. Dit personeel kan niet rechtstreeks van de arbeidsmarkt worden betrokken en moet daarom worden aangehouden.

Verder is in de Hoofdlijnennnotitie in de periode 2001 tot 2003 een reductie met drie P-3C Orions aangegeven. De sterkte van Commandant Zeemacht in Nederland zal hierdoor worden verminderd met 76 vte'n militair personeel en één vte burgerpersoneel.

Vanaf 1 juli 2000 zal één van de resterende tien P-3C Orions worden overgebracht naar de Nederlandse Antillen. De sterkte van Commandant Zeemacht in Nederland zal hierdoor met nog eens 20 vte'n militair personeel worden verminderd.

Operationele doelstellingen CZMNED

De operationele doelstellingen van het ressort CZMNED geven een overzicht van de inzetbaarheid van de eenheden van dit ressort. Uit het overzicht blijkt hoeveel eenheden (hoeveelheid) beschikbaar zijn binnen hoeveel dagen (reactietijd). Uitgangspunt daarbij is dat binnen de aangegeven reactietijd steeds de hoogste gereedheid te leveren is (kwaliteit).

De eenheden met een reactietijd van 2 tot 5 dagen zijn continu inzetbaar voor operaties die de hoogste gereedheid vergen. De overige eenheden maken in vredestijd deel uit van een opwerkcyclus om binnen de aangegeven reactietijd personeel en materieel gereed te hebben voor deze operaties, zodat zij de direct inzetbare eenheden kunnen aflossen. De eenheden die zich in de opwerkcyclus bevinden worden bovendien ingezet voor nationale taken zoals vlagvertoon of kustwachttaken op de Noordzee.

 
Gereedheidstermijn Type eenheidbinnen2 dagenbinnen5 dagenbinnen10 dagenbinnen20 dagenbinnen30 dagenbinnen60 dagenbinnen 180 dagenbinnen 365 dagen
Fregatten22 42211
Bevoorradingsschepen   11    
Amfibische schepen (LPD)   1     
Onderzeeboten1  2   1
Mijnenbestrijdingsvaartuigen1 432122
Hydrografische vaartuigen   2     
Maritieme patrouillevliegtuigen12* 3 32 

*Wordt 1 per 1-7-2000.

Activiteitentoelichting

Het ressort CZMNED heeft de volgende hoofdactiviteiten:

– het inzetbaar maken en houden van de operationele eenheden van de vloot;

– het inzetten van de operationele eenheden van de vloot.

In het kader van de Belgisch-Nederlandse samenwerking worden deze activiteiten door de Commandant der Zeemacht in Nederland in zijn functie van Admiraal Benelux ook ontplooid ten behoeve van de toegewezen eenheden van de Belgische marine.

De activiteiten die moeten worden uitgevoerd voor het inzetten van de operationele eenheden van de (gezamenlijke Nederlands-Belgische) vloot worden door CZMNED nader uitgewerkt in het jaarlijkse «Belgian and Netherlands Operation Schedule» (BENOPS). Deze activiteiten omvatten onder andere deelname aan een veelheid van Navo-, Partnerschap voor Vrede (PvV)-, multinationale en nationale oefeningen en opwerkactiviteiten.

Ook omvat het BENOPS activiteiten die samenhangen met de inzet voor vredesoperaties, het uitvoeren van kustwachttaken, de inzet van eenheden ten behoeve van operationele verrichtingen van het ressort Commandant van het Korps mariniers, het uitvoeren van technische, operationele en materiële beproevingen en evaluaties, het leveren van eenheden ten behoeve van opleidingen, inzet van eenheden ten behoeve van voorlichting en «public relations» en activiteiten welke voortvloeien uit internationale en nationale verplichtingen en afspraken. CZMNED levert permanent een fregat met een boordhelikopter en twee Orion-maritieme patrouillevliegtuigen voor de inzet door CZMCARIB in het Caribisch gebied.

Voor het jaar 2000 worden naar verwachting onder meer de volgende belangrijke activiteiten uitgevoerd:

– permanente deelname met elk één fregat met boordhelikopter aan de Standing Naval Forces Atlantic (STANAVFORLANT) en de Standing Naval Forces Mediterranean (STANAV-FORMED);

– permanente stationering van één fregat met boordhelikopter in het Caribisch gebied;

– permanente deelname met één mijnenjager aan de «Mine Counter Measure Force North» (MCMFORNORTH, voorheen STANAVFORCHAN);

– deelname met één mijnenjager aan de «Mine Counter Measure Force Mediterranean» (MCMFORMED);

– deelname aan taken van de Kustwacht Nederland;

– deelname aan nationale en internationale vlootdagen;

– inzet van een vlootverband voor vlagvertoon in Zuidoost-Azië (met inbegrip van Japan).

Voor het uitvoeren van de activiteiten zijn onderstaande vaardagen en vlieguren nodig. De ramingen zijn exclusief het uitvoeren van eventuele vredesoperaties.

 
 meeteenhedenrealisatie 1998ontwerpbegroting 1999vermoedelijke uitkomsten 1999raming 2000raming 2001
Groep escorteschepenvaardagen1 4761 7551 6811 5711 461
Onderzeedienstvaardagen424480480480480
Mijnendienstvaadagen1 4401 3601 3601 4401 440
Groep maritieme patrouillevliegtuigenvlieguren3 3243 5503 9503 2753 000
Groep maritieme helikoptersvlieguren5 0865 8505 8505 8505 850

Ressort Commandant der Zeemacht in het Caribisch gebied

Het ressort Commandant der Zeemacht in het Caribisch gebied (CZMCARIB) is een Resultaat Verantwoordelijke Eenheid (RVE) onder de BDZ. Jaarlijks komen de BDZ en CZMCARIB een convenant overeen betreffende de realisatie van het gewenste operationele product en de verstrekking van de daartoe benodigde middelen.

Dit ressort bestaat uit:

– het commandement der zeemacht in het Caribisch gebied;

– de marinebasis Parera, de marinekazerne Suffisant te Curaçao en de marinierskazerne Savaneta te Aruba;

– twee infanteriecompagnieën mariniers en een ondersteuningspeloton die deel uitmaken van het deels mobilisabele Vierde Mariniersbataljon;

– de Antilliaanse en Arubaanse militie;

– het transportschip Hr.Ms. Pelikaan;

– de radiostations in het Caribisch gebied.

Hoewel zij niet onder dit ressort vallen, heeft CZMCARIB ook de beschikking over:

– het stationsschip met boordhelikopter en twee (medio 2000 drie) Orion maritieme patrouillevliegtuigen van het ressort CZMNED;

– tot medio 2000 het 336 Squadron (KLu) met de twee daartoe behorende F-27 M;

– overige eenheden van de Nederlandse strijdkrachten indien zij opereren in het Caribisch gebied;

– twee helikopters voor de helikoptervliegopleiding (HVO) en (resterende capaciteit) voor de Kustwacht.

De Commandant der Zeemacht in het Caribisch gebied vervult de nevenfunctie van Commandant Kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba. In de Amerikaanse «Joint Inter Agency Task Force East» (JIATF-EAST) organisatie voor de bestrijding van drugs vervult CZMCARIB de functie van Task Group Commander.

Het fregat met helikopter, de maritieme patrouillevliegtuigen en de Lynx-helikopters worden opgewerkt door CZMNED, die ook in logistieke zin verantwoordelijk blijft gedurende inzet in het Caribisch gebied. Een deel van de exploitatiekosten voor deze eenheden komt daarom ten laste van CZMNED.

De verplichtingen en uitgaven Commandant der Zeemacht in het Caribisch gebied

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en de uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingen en uitgaven
 1998199920002001200220032004
03.20.05 Ambtelijk burgerpersoneel5 8676 1036 0696 0616 0556 0526 052
03.20.06 Militair personeel73 61377 29876 43675 73974 91074 61574 153
03.20.07 Overige personele uitgaven7 49110 77711 04610 83910 87110 75210 823
03.20.08 Materiële uitgaven21 22719 65916 75215 88215 67515 83815 739
Stand ontwerpbegroting 2000108 198113 837110 303108 521107 511107 257106 767
Stand 1e suppletore begroting 1999 102 01299 09297 87496 06095 876 
Nieuwe mutaties 11 82511 21110 64711 45111 381 
Specificatie nieuwe mutaties (bedragen x f 1000)
Omschrijving19992000200120022003
Technische bijstellingen:      
– loon- en prijsaanpassingen 19996 1296 0105 6605 5155 458
– VEB-mutaties4 9796 5276 7046 5126 547
– overige mutaties– 920– 924– 916– 899– 899
Sub-totaal technische bijstellingen:10 18811 61311 44811 12811 106
Beleidsmatige bijstellingen:      
– aanpassing begrotingssterkte961679679679679
– overige mutaties, per saldo6769151 0981 0021 454
Hoofdlijnennotitie:      
– overheveling één P3-C Orion naar Antillen – 583– 583– 583– 583
– opheffen 336 Squadron – 1 413– 1 995– 775– 1 275
Sub-totaal beleidsmatige bijstellingen:1 637– 402– 801323275
Totaal van de nieuwe mutaties11 82511 21110 64711 45111 381

Toelichting op de nieuwe mutaties:

Verplichtingen

De verplichtingenmutaties hangen samen met de hierboven genoemde uitgavenmutaties.

Uitgaven

Technische bijstellingen

Loon- en prijsaanpassingen 1999

De uitgavenniveaus zijn aangepast aan het loon- en prijsniveau 1999.

VEB-mutaties

Als gevolg van verdere decentralisatie van taken en bevoegdheden in het kader van het VEB heeft een overheveling plaatsgevonden van diverse budgetten. Het betreft hier met name de uitgaven voor verplaatsingskosten en de persoonsgebonden toelagen en uitkeringen, geneeskundige verzorging en brandstoffen.

Beleidsmatige bijstellingen

Aanpassing begrotingssterkte

In de begroting 1999 zijn de salarissen voor de eerste maal decentraal bij de ressorten ondergebracht. Dit is een uitvloeisel van de kanteling van de Defensiebegroting. Voor de begroting 2000 dient de initiële verdeling uit de begroting 1999 van de aantallen over de ressorts te worden aangepast, mede op basis van de realisatiegegevens over 1998. In de begroting van de Koninklijke marine is deze herschikking budgetneutraal.

ANT/ARUMIL

In verband met het opschorten van de dienstplicht op Aruba wordt, om toch in de behoefte van personeel te kunnen voorzien, door de Koninklijke marine vrijwillig personeel geworven. Daarnaast is het aantal opgeroepen Antilliaanse militairen voor de eerste opkomst verlaagd en zijn vanaf het jaar 2002 de langdurig vrijwillig nadienende militairen uitgefaseerd.

Hoofdlijnennotitie

In de Hoofdlijnennotitie is het voorstel opgenomen dat vanaf 1 juli 2000 één van de resterende tien P-3C Orions zal worden overgebracht naar de Nederlandse Antillen. Enkele budgetten van de Commandant Zeemacht in het Caribisch gebied zijn in het kader van deze maatregel aangepast.

De uitgaven voor het 336 Squadron worden, voor zowel de Koninklijke luchtmacht als de Koninklijke marine, momenteel verantwoord op artikel 08.04 Homogene groep Internationale Samenwerking. De verlaging van de uitgaven voor deze vte'n zal aldaar plaatsvinden.

Tevens vindt een neerwaartse bijstelling van enkele budgetten van CZMCARIB plaats, met name die voor groot onderhoud van deze vliegtuigen.

De uitgaven voor het klein onderhoud zijn opgenomen in de begroting van de Koninklijke luchtmacht. Verlaging van de uitgaven zal aldaar plaatsvinden.

Operationele doelstellingen CZMCARIB

De operationele doelstellingen van het ressort CZMCARIB geven een overzicht van de inzetbaarheid van de eenheden van dit ressort. Uit het overzicht blijkt hoeveel eenheden (hoeveelheid) beschikbaar zijn binnen hoeveel dagen (reactietijd). Uitgangspunt daarbij is dat binnen de aangegeven reactietijd steeds de hoogste gereedheid te leveren is (kwaliteit).

De eenheden met een reactietijd van twee tot vijf dagen zijn continu inzetbaar voor operaties die de hoogste gereedheid vergen. De overige eenheden maken in vredestijd deel uit van een opwerkcyclus om binnen de aangegeven reactietijd personeel en materieel gereed te hebben voor deze operaties, zodat zij de direct inzetbare eenheden kunnen aflossen. De eenheden die zich in de opwerkcyclus bevinden worden bovendien ingezet voor nationale taken zoals vlagvertoon of militaire bijstand.

Doelstellingen operationele gereedheid CZMCARIB
Gereedheidstermijn Type eenheidbinnen2 dagenbinnen5 dagenbinnen10 dagenbinnen20 dagenbinnen30 dagenbinnen60 dagenbinnen 180 dagenbinnen 365 dagen
Fregatten1       
Ondersteuningsvaartuigen   1     
Maritieme patrouillevliegtuigen20*      
F27M1**  1**     
Marinierspelotons met gevechts- en logistieke ondersteuning2  4     
Marinierspelotons Antilliaanse militie   2    
Marinierspeloton Arubaanse militie   1    

*Wordt 1 per 1-7-2000.

**Tot 1-7-2000.

Activiteitentoelichting

Het product van het ressort CZMCARIB bestaat uit inzetbare eenheden en uitgevoerde activiteiten. Hiertoe ontplooit CZMCARIB de volgende hoofdactiviteiten:

– het inzetbaar maken en houden van de ter beschikking gestelde schepen, vliegtuigen en marinierseenheden;

– het inzetten van de ter beschikking gestelde operationele eenheden.

De activiteiten omvatten: de deelname aan nationale en internationale oefeningen in de regio, nationale maritieme presentie, individuele opwerkactiviteiten, drugsbestrijding in het kader van de Commander Task Group, uitvoeren van algemene taken waaronder opsporing en redding boven zee (OSRD), ondersteuning van de justitiële rechtshandhaving in de territoriale zee en de Economische Exclusieve Zone (EEZ) van de Nederlandse Antillen en Aruba, het oproepen, keuren, selecteren, opleiden en op peil houden van de geoefendheid van de dienstplichtige Antilliaanse en de vrijwillige (na)dienende Arubaanse militie, het uitvoeren van militaire bijstand en militaire steun in het openbaar belang, het leveren van eenheden voor opleidingen, de inzet van eenheden voor voorlichting en «public relations» en voorts overige activiteiten welke voortvloeien uit internationale en nationale (Koninkrijks-) verplichtingen en afspraken.

Voor het uitvoeren van de activiteiten van het ressort zijn onderstaande vaardagen, vlieguren en manoefendagen nodig. De ramingen zijn exclusief het uitvoeren van eventuele vredesoperaties.

 
 meeteenhedenrealisatie 1998ontwerpbegroting 1999vermoedelijke uitkomsten 1999raming 2000raming 2001
Schepenvaardagen243214214254254
Groep maritieme patrouillevliegtuigenvlieguren1 9741 8501 8501 9252 000
F27-Mvlieguren1 2761 3001 300600 
Helikoptersvlieguren368525525525525
Marinierspelotonsmanoefendagen14 42416 00016 00016 00016 000
AntMil/AruMilmanoefendagen3 9423 6853 6853 6853 685

Ressort Commandant van het Korps Mariniers

Het ressort Commandant van het Korps Mariniers (CKMARNS) is een Resultaat Verantwoordelijke Eenheid (RVE) onder de BDZ. Jaarlijks komen de BDZ en CKMARNS een convenant overeen betreffende de realisatie van het gewenste operationeel product en de verstrekking van de daartoe benodigde middelen.

Dit ressort bestaat uit de volgende organisatiedelen:

– het hoofdkwartier van CKMARNS;

– de groep operationele eenheden mariniers (GOEM), waarin de operationele eenheden zijn ondergebracht met uitzondering van het vierde mariniersbataljon, dat onder operationeel gezag staat van CZMCARIB. In vredestijd bestaat de GOEM uit het eerste en het tweede mariniersbataljon, het gevechtssteunbataljon, het amfibisch ondersteuningsbataljon en het logistieke bataljon. De Bijzondere Bijstandseenheid (BBE) is een onderdeel van het gevechtssteunbataljon.

– de marinierskazernes te Doorn, Rotterdam en Texel;

– het Mariniersopleidingscentrum;

– de mobilisabele eenheden, waaronder het derde mariniersbataljon, de gevechtsveldreserve en de bewakingsdetachementen;

– de marinierskapel der Koninklijke Marine.

De verplichtingen en uitgaven Korps Mariniers

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en de uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingen en uitgaven
 1998199920002001200220032004
03.20.09 Ambtelijk burgerpersoneel2 3382 8692 8622 8552 8472 8442 844
03.20.10 Militair personeel158 708168 551169 292171 698178 079185 279188 810
03.20.11 Overige personele uitgaven14 15215 68416 19515 94816 10016 26116 380
03.20.12 Materiële uitgaven25 75530 09628 58129 02230 39531 46831 984
Stand ontwerpbegroting 2000200 953217 200216 930219 523227 421235 852240 018
Stand 1e suppletore begroting 1999 203 914196 174197 324196 469196 429 
Nieuwe mutaties 13 28620 75622 19930 95239 423 
Specificatie nieuwe mutaties (bedragen x f 1000)
Omschrijving19992000200120022003
Technische bijstellingen:      
– loon- en prijsaanpassingen 19999 6318 6768 1238 5818 741
– VEB-mutaties2 0277 3057 3057 3057 305
– overige mutaties 1 5531 5531 5531 553
Sub-totaal technische bijstellingen:11 65817 53416 98117 43917 599
Beleidsmatige bijstellingen:      
– aanpassing begrotingssterkte1 9971 226– 945– 1 366– 1 788
– herbevoorrading 1 9001 9001 9001 900
– overige mutaties– 36996– 158– 268– 376
Hoofdlijnennotitie:      
– extra mariniers  4 42113 24722 088
Sub-totaal beleidsmatige bijstellingen:1 6283 2225 21813 51321 824
Totaal van de nieuwe mutaties13 28620 75622 19930 95239 423

Toelichting op de nieuwe mutaties:

Verplichtingen

De verplichtingenmutaties hangen samen met de hierbovengenoemde uitgavenmutaties.

Uitgaven

Technische bijstellingen

Loon- en prijsaanpassingen 1999

De uitgavenniveaus zijn aangepast aan het loon- en prijsniveau 1999.

VEB-mutaties

Als gevolg van verdere decentralisatie van taken en bevoegdheden in het kader van het VEB heeft een overheveling plaatsgevonden van diverse budgetten. Het betreft hier met name de uitgaven voor verplaatsingskosten, voeding, inventarisgoederen en klein materieel.

Beleidsmatige bijstellingen

Aanpassing begrotingssterkte

In de begroting 1999 zijn de salarissen voor de eerste maal decentraal bij de ressorts ondergebracht. Dit is een uitvloeisel van de kanteling van de Defensiebegroting. Voor de begroting 2000 dient de initiële verdeling uit de begroting 1999 van de aantallen over de ressorts te worden aangepast, mede op basis van de realisatiegegevens over 1998. In de begroting van de Koninklijke marine is deze herschikking budgetneutraal.

Daarnaast worden als gevolg van het centraliseren van de initiële rij-opleidingen bij de Koninklijke landmacht 14 vte'n militair personeel naar dat beleidsterrein overgeheveld.

Herbevoorrading

Als uitkomst van een onderzoek naar de juiste hoogte van het gedecentraliseerde budget voor herbevoorrading met mariniersartikelen wordt de raming structureel verhoogd.

Hoofdlijnennotitie

In de Hoofdlijnennotitie is opgenomen dat vanaf 2001 de parate sterkte van het Korps Mariniers gefaseerd zal worden uitgebreid met ongeveer 300 functies. Dit zal geschieden door het volledig paraat stellen van een derde mariniersbataljon. Hierdoor stijgt de sterkte inclusief niet-beschik-baarheid met 357 vte'n. Vooralsnog wordt ervan uitgegaan dat deze uitbreiding per 1 januari 2004 zal zijn voltooid.

Operationele doelstellingen CKMARNS

De operationele doelstellingen van het ressort CKMARNS geven een overzicht van de inzetbaarheid van de eenheden van dit ressort. Uit het overzicht blijkt hoeveel eenheden (hoeveelheid) beschikbaar zijn binnen hoeveel dagen (reactietijd). Uitgangspunt daarbij is dat binnen de aangegeven reactietijd steeds de hoogste gereedheid te leveren is (kwaliteit).

De eenheden met een reactietijd van twee tot vijf dagen zijn continu inzetbaar voor operaties die de hoogste gereedheid vergen. De overige eenheden maken in vredestijd deel uit van een opwerkcyclus om binnen de aangegeven reactietijd personeel en materieel gereed te hebben voor deze operaties, zodat zij de direct inzetbare eenheden kunnen aflossen. De eenheden die zich in de opwerkcyclus bevinden worden bovendien ingezet voor nationale taken zoals noodhulp of ceremonieel.

Doelstellingen operationele gereedheid CKMARNS
Gereedheidstermijn Type eenheidbinnen2 dagenbinnen5 dagenbinnen10 dagenbinnen20 dagenbinnen30 dagenbinnen60 dagenbinnen 180 dagenbinnen 365 dagen
Mariniersbataljon met gevechts en logistieke ondersteuning*  12** 1  
Bijzondere bijstandseenheid (BBE)1***       

* Uit een dergelijk bataljon kunnen zelfstandige en uitzendbare marinierseenheden, onder het niveau van bataljon, worden samengesteld zoals een infanteriecompagnie, mortiercompagnie, bootcompagnie en lange afstandverkenningscompagnie, tegenluchtdoeleenheid, die alle binnen de aangegeven inzetbaarheidstermijn kunnen worden ingezet.

** Eén volledig, één deels paraat

*** Waarvan 1 peloton op 6 uren.

Activiteitentoelichting

Het ressort Commandant van het Korps Mariniers ontplooit de volgende hoofdactiviteiten:

– het inzetbaar maken en houden van de operationele eenheden;

– het uitvoeren van de opgedragen inzet.

Het jaarprogramma omvat activiteiten die samenhangen met de inzet voor vredesoperaties, het beschikbaar hebben van eenheden voor noodhulp, de inzet van eenheden en personeel voor operationele verrichtingen van CZMNED, de inzet van eenheden voor voorlichting, «public relations», ceremonieel en personeelswerving en voorts activiteiten welke voortvloeien uit internationale en nationale (Koninkrijks-)ver- plichtingen en afspraken. Een bataljon en een mortiercompagnie van het Korps Mariniers zijn paraat als respectievelijk strategische en tactische reserve voor inzet in het kader van Sfor in Bosnië-Herzegowina.

De activiteiten van het Korps Mariniers omvatten ook deelname aan een veelheid van oefeningen in Navo-, UKNL-, PvV- en WEU-verband, «cross training» met verschillende landen op groeps-, pelotons- of compagniesniveau, alsmede het uitvoeren van opleidings- en opwerkactiviteiten en nationale oefeningen.

Voor het uitvoeren van de activiteiten van het ressort zijn onderstaande manoefendagen nodig. De ramingen zijn exclusief het uitvoeren van eventuele vredesoperaties.

 
 meeteenhedenrealisatie 1998ontwerpbegroting 1999vermoedelijke uitkomsten 1999raming 2000raming 2001
Operationele marinierseenhedenmandagen126 000155 000155 000155 000156 500

Ressort Ondersteunende Eenheden

Het ressort Ondersteunende Eenheden bestaat uit het Marinebedrijf, het «Centrum voor Automatisering van Wapen- en Commando Systemen» en de opleidingseenheden van de Koninklijke marine. Het Marinebedrijf is ontstaan uit de samenvoeging van de Rijkswerf, het SEWACO-bedrijf en het «Marine Elektronisch en Optisch Bedrijf Oegstgeest» (MEOB-O). De verhuizing van MEOB-O naar Den Helder en de fysieke integratie tot één marinebedrijf zal naar verwachting in het jaar 2000 zijn voltooid.

De verplichtingen en uitgaven Ondersteunende eenheden

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingen
 1998199920002001200220032004
03.20.13 Ambtelijk burgerpersoneel189 432202 727193 612192 274187 103185 764185 764
03.20.14 Militair personeel140 155141 617135 540132 968130 996130 834130 834
03.20.15 Overige personele uitgaven32 50043 32938 29633 55935 04128 43625 317
03.20.16 Materiële uitgaven185 288174 682161 866154 054156 783157 165165 973
Stand ontwerpbegroting 2000547 375562 355529 314512 855509 923502 199507 888
Stand 1e suppletore begroting 1999 525 731475 332461 931465 283465 540 
Nieuwe mutaties 36 62453 98250 92444 64036 659 
De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelUitgaven
 1998199920002001200220032004
03.20.13 Ambtelijk burgerpersoneel189 432202 727193 612192 274187 103185 764185 764
03.20.14 Militair personeel140 155141 617135 540132 968130 996130 834130 834
03.20.15 Overige personele uitgaven39 30043 32938 29633 55935 04128 43625 317
03.20.16 Materiële uitgaven184 120177 182164 366156 554159 283159 665165 973
Stand ontwerpbegroting 2000553 007564 855531 814515 355512 423504 699507 888
Stand 1e suppletore begroting 1999 528 231477 832464 431467 783468 040 
Nieuwe mutaties 36 62453 98250 92444 64036 659 
Specificatie nieuwe mutaties (bedragen x f 1000)
Omschrijving19992000200120022003
Technische bijstellingen:      
– loon- en prijsaanpassingen 199913 49615 59813 25812 23811 739
– VEB-mutaties9 28116 26121 51821 70121 526
– dienstverlening Marinebedrijf2 4202 4792 7032 5212 575
– overige mutaties, per saldo – 597– 597– 597– 597
Sub-totaal technische bijstellingen:25 19733 74136 88235 86335 243
Beleidsmatige bijstellingen:      
– aanpassing begrotingssterkte12 6246 4488 1287 5687 568
– herbevoorrading6 3771 9727764 9523 614
– inhuur 5 564– 8234 927– 500
– opleiding 1 5391 4681 2371 239
– instandhouding– 3 4064 0808 7861 9413 536
– overige mutaties, per saldo– 4 1681 7261 206– 2 79795
Hoofdlijnennotitie:      
– reductie twee S-fregatten – 1 030– 5 384– 8 936– 13 675
– reductie drie P3-C Orions    – 346
– overheveling een P3-C Orion naar Antillen – 58– 115– 115– 115
Sub-totaal beleidsmatige bijstellingen:11 42720 24114 0428 7771 416
Totaal van de nieuwe mutaties36 62453 98250 92444 64036 659

Toelichting op de nieuwe mutaties:

Verplichtingen

De verplichtingenmutaties hangen samen met de hierbovengenoemde uitgavenmutaties.

Uitgaven

Technische bijstellingen

Loon- en prijsaanpassingen 1999

De uitgavenniveaus zijn aangepast aan het loon- en prijsniveau 1999.

VEB-mutaties

Als gevolg van verdere decentralisatie van taken en bevoegdheden in het kader van het VEB heeft een overheveling plaatsgevonden van diverse budgetten. Het betreft hier met name de uitgaven voor verplaatsingskosten, de persoonsgebonden toelagen en uitkeringen, levensmiddelen, voeding en huisvesting.

Dienstverlening Marinebedrijf

Als gevolg van een verhoging van de dienstverlening door het Marine Elektronisch en Optisch Bedrijf (MEOB) aan de Koninkljke landmacht worden fondsen aan de begroting van de Koninklijke marine toegevoegd.

Beleidsmatige mutaties

Aanpassing begrotingssterkte

In de begroting 1999 zijn de salarissen voor de eerste maal decentraal bij de ressorts ondergebracht. Dit is een uitvloeisel van de kanteling van de Defensiebegroting. Voor de begroting 2000 dient de initiële verdeling uit de begroting 1999 van de aantallen over de ressorts te worden aangepast, mede op basis van de realisatiegegevens over 1998. In de begroting van de Koninklijke marine is deze herschikking budgetneutraal.

Daarnaast worden in verband met de overbrenging van het Opslag- en Distributiecentrum (ODC) naar het Marinebedrijf 162 vte'n burgerpersoneel overgeheveld.

Herbevoorrading

Als gevolg van een actualisering van de raming van de voor de vloot benodigde herbevoorradingsbudgetten stijgt het benodigde budget. Dit is met name een gevolg van het opereren met nieuwe scheepstypen, zoals het nieuwe bevoorradingsschip Hr. Ms. Amsterdam en het landing platform dock Hr. Ms. Rotterdam.

Inhuur

De mutaties in de ramingen worden met name veroorzaakt door aanpassingen in het vaar- en onderhoudsplan. Voor een aantal onderhoudswerkzaamheden wordt door de Rijkswerf personeel ingehuurd. Door verschuiving van de onderhoudsmomenten vindt een aanpassing van de inhuurmomenten plaats.

Opleiding

Door de samenvoeging van de drie onderhoudsbedrijven van de Koninklijke marine tot één Marinebedrijf bestaat in verband met de noodzakelijke bij-, her- en omscholing van het personeel extra opleidingsbehoefte.

Instandhouding

De instandhouding bij het Marinebedrijf betreft grotendeels het onderhoud aan de schepen. Door een betere ramingsmethode van dit onderhoud wordt een beter inzicht in de toekomstige interne capaciteit en daarmee aan de behoefte aan het uitbesteed onderhoud verkregen. Hierdoor blijkt het dat het budget naar boven dient te worden bijgesteld.

Hoofdlijnennotitie

Met de in de Hoofdlijnennotitie aangegeven maatregelen zullen bij het Marinebedrijf vooral de budgetten voor instandhouding en herbevoorrading alsmede van het onderhoud van elekronisch materiaal neerwaarts worden bijgesteld. Bij de opleidingseenheden van de Koninklijke marine vindt door deze maatregel een reductie van 54 vte'n plaats.

Activiteitentoelichting

De activiteiten van het ressort Ondersteunende Eenheden zijn erop gericht voorwaarden te scheppen zodat de eenheden van de Koninklijke marine in materieel en in personeel opzicht kunnen voldoen aan de vereiste operationele doelstellingen.

Materieel-logistiek

De activiteiten binnen het materieel-logistieke functiegebied omvatten het innoveren, instandhouden en verbeteren van de platform- en de sensor-, wapen- en commandosystemen van de eenheden van de Koninklijke marine en het beschikbaar stellen van de materiële middelen die nodig zijn om het materieel van de Koninklijke marine in gebruiksgerede staat te brengen en te houden.

 
Benoemd onderhoud/ meeteenheidrealisatie 1998ontwerp-begroting 1999vermoedelijke uitkomsten 1999raming 2000raming 2001
Aantal MJO's44444
Aantal TTO's66666

Het meerjaarlijks onderhoud (MJO), aangegeven in het vaar- en oefenschema, is het onderhoud aan een eenheid van de vloot dat nodig is om de materiële gereedheid ten minste tot aan een volgende geplande onderhoudsperiode van die eenheid op een kosteneffectieve wijze op peil te houden. De eenheid is gedurende langere tijd niet belast met operationele taken.

Het tussentijds onderhoud (TTO) is een tussen de MJO's vallende korte reparatieperiode, tijdens de periodieke dokbeurt, waarbij in principe alleen met de directe veiligheid en materiële gereedheid verband houdende werkzaamheden worden uitgevoerd. De eenheid is gedurende kortere tijd niet belast met operationele taken.

 
Incidenteel onderhoud/meeteenheidrealisatie 1998ontwerp-begroting 1999vermoedelijke uitkomsten 1999raming 2000raming 2001
Aantal reparatie-orders11 74310 86810 90010 90010 900

Het incidenteel onderhoud betreft noodzakelijke reparaties tussen de geplande reparatieperioden (MJO/TTO).

 
Engineeringrealisatie 1998ontwerp-begroting 1999vermoedelijke uitkomsten 1999raming 2000raming 2001
Marinebedrijf182 449183 498150 986143 585142 185

De uren «engineering» betreffen het ontwerpen en ontwikkelen van kleinere verbeteringen die voortkomen uit het gebruik van het materieel. Ook het configuratiebeheer valt hieronder (het bewaren van de uniformiteit van het materieel binnen een klasse).

Opleidingen

Binnen het functiegebied opleidingen zijn de activiteiten voornamelijk gericht op het geven van onderwijs aan militairen. Dit onderwijs omvat initiële opleidingen aan nieuw binnenstromend personeel, cursussen en opleidingen voor het vervullen van specifieke functies, loopbaanfase-opleidingen voor de ontwikkeling en het geschikt maken voor een hoger functieniveau, het ondersteunen met expertise bij het opwerken van operationele eenheden en het ontwikkelen van cursussen en opleidingen voor bediening, onderhoud en het vinden van storingen van nieuw materieel.

 
Opleidingenrealisatie 1998ontwerp-begroting 1999vermoedelijke uitkomsten 1999raming 2000raming 2001
Initiële opleidingen1 4811 3151 3001 3001 300
Loopbaanfase-opleidingen722721700700700
Functie-opleidingen24 22020 72417 00017 00017 000
Totaal opleidingen26 42322 76019 00019 00019 000
KIM-publicaties15581818181

In verband met een andere berekeningswijze als gevolg van aangepaste definities (het vanaf 1999 niet meer meenemen van scripties van KIM-studenten in de aantallen publicaties) is het aantal KIM-publicaties vanaf 1999 lager. Het aantal opleidingen is gebaseerd op de actuele ramingen.

Ressort Admiraliteit

Het ressort Admiraliteit van de Koninklijke marine bestaat uit: de Marinestaf, de Directie Materieel, de Directie Personeel en de Directie Economisch Beheer.

De verplichtingen en uitgaven Admiraliteit

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingen
 1998199920002001200220032004
03.20.17 Ambtelijk burgerpersoneel65 18464 07862 55762 41562 25262 18162 181
03.20.18 Militair personeel119 524110 598102 626100 05698 34998 21998 219
03.20.19 Overige personele uitgaven48 66946 00545 95847 74847 61948 05346 463
03.20.20 Materiële uitgaven283 925279 181204 432219 640212 785214 410217 570
Stand ontwerpbegroting 2000517 302499 862415 573436 915419 716421 574424 433
Stand 1e suppletore begroting 1999 513 011512 799516 951512 593520 043 
Nieuwe mutaties – 13 149– 97 226– 87 092– 91 588– 97 180 
De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelUitgaven
 1998199920002001200220032004
03.20.17 Ambtelijk burgerpersoneel65 18464 07862 55762 41562 25262 18162 181
03.20.18 Militair personeel119 524110 598102 626100 05698 34998 21998 219
03.20.19 Overige personele uitgaven54 69044 50544 45846 24846 11946 55346 463
03.20.20 Materiële uitgaven301 083246 235208 452228 196212 996214 621217 570
Stand ontwerpbegroting 2000540 481465 416418 093436 915419 716421 574424 433
Stand 1e suppletore begroting 1999 505 740517 844524 007511 304518 754 
Nieuwe mutaties – 40 324– 99 751– 87 092– 91 588– 97 180 
Specificatie nieuwe uitgavenmutaties (bedragen x f 1000)
Omschrijving19992000200120022003
Technische bijstellingen:      
– loon- en prijsaanpassingen 199917 56725 01424 05123 58923 063
– VEB-mutaties– 64 073– 80 034– 86 920– 86 956– 86 801
– dienstverlening Dico– 6 350– 6 217– 6 309– 6 196– 6 186
– overige mutaties, per saldo– 559– 2 770– 245– 245– 245
Sub-totaal technische bijstellingen:– 53 415– 64 007– 69 423– 69 808– 70 169
Beleidsmatige bijstellingen:      
– aanpassing begrotingssterkte7 7315 1935 4035 4735 473
– instandhouding schepen – 7 281– 6 638– 7 357– 9 089
– instandhouding P3-C Orions 2 4171 0941 4811 812
– munitie 2 1022 9031 6302 304
– brandstof – 9 941– 9 898– 9 622– 13 804
– stalling doelmatigheidstaakstelling – 17 625   
– overige mutaties, per saldo5 360– 8 861– 3 647– 3 769– 2 502
Hoofdlijnennotitie:      
– reductie twee S-fregatten – 966– 5 312– 8 693– 8 693
– reductie drie P3-C Orions  – 953– 953– 3 197
– overheveling een P3-C Orion naar Antillen – 782– 1 564– 1 564– 1 564
– extra mariniers  9431 5942 249
Sub-totaal beleidsmatige bijstellingen:13 091– 35 744– 17 669– 21 780– 27 011
Totaal van de nieuwe mutaties– 40 324– 99 751– 87 092– 91 588– 97 180

Toelichting op de nieuwe mutaties:

Verplichtingen

De verplichtingenmutaties hangen samen met de hierbovengenoemde uitgavenmutaties. Uitzondering daarop vormen de verschuivingen van de aanbestedingsmomenten van 1998 naar 1999 aangaande het Indringer Detectie Systeem (+ f 24,9 miljoen) en het groot onderhoud (SDLM-C) voor de P3-C Orion-vliegtuigen (+ f 4,8 miljoen).

Uitgaven

Technische bijstellingen

Loon- en prijsaanpassingen 1999

De uitgavenniveaus zijn aangepast aan het loon- en prijsniveau 1999.

VEB-mutaties

Als gevolg van verdere decentralisatie van taken en bevoegdheden heeft een overheveling plaatsgevonden van diverse budgetten. Het betreft hier met name de uitgaven voor verplaatsingskosten en de persoonsgebonden toelagen en uitkeringen, levensmiddelen, kleding en uitrusting, voeding en huisvesting.

Dienstverlening Dico

De mutatie betreft een overheveling van budget naar het Defensie Interservice Commando. Het betreft extra fondsen voor werving en selectie en een aantal restontvlechtingen.

Beleidsmatige bijstellingen

Aanpassing begrotingssterkte

In de begroting 1999 zijn de salarissen voor de eerste maal decentraal bij de ressorts ondergebracht. Dit is een uitvloeisel van de kanteling van de Defensiebegroting. Voor de begroting 2000 dient de initiële verdeling uit de begroting 1999 van de aantallen over de ressorts te worden aangepast, mede op basis van de realisatiegegevens over 1998. In de begroting van de Koninklijke marine is deze herschikking budgetneutraal.

Arbodienst

Vanwege de verplichtingen voor de werkgever in het kader van de arbeidsomstandighedenwet wordt het functiebestand uitgebreid met vijf vte'n burgerpersoneel en zeven vte'n militair personeel.

Instandhouding Schepen

De raming voor de instandhouding kan bij dit ressort worden verlaagd. Dit kan deels worden verklaard door de verbeterde ramingsmethodiek. De mutatie hangt samen met de verhoogde raming bij het marinebedrijf voor dit onderwerp. Daarnaast is ter invulling van de bijdrage aan de algemene budgettaire problematiek van de Rijksbegroting rekening gehouden met een taakstellende korting op deze raming.

Instandhouding P3-C Orions

Als gevolg van optimalisatie in de verhouding tussen het inbesteden en het uitbesteden van het onderhoud en herstel van de P3-C Orions wordt de raming voor het uitbestede onderhoud naar boven bijgesteld.

Munitie

Als gevolg van een herschikking binnen de voor munitie beschikbare fondsen stijgt de raming voor oefen- en opleidingsmunitie. Dit wordt gecompenseerd door een daling van de raming van de op artikel 03.22 te belasten munitie. Daarnaast is ter invulling van de bijdrage aan de algemene budgettaire problematiek van de Rijksbegroting rekening gehouden met een taakstellende korting op deze raming.

Brandstof

Als gevolg van de ontwikkeling van de brandstofprijzen worden de ramingen neerwaarts bijgesteld. Daarnaast is ter invulling van de bijdrage aan de algemene budgettaire problematiek van de Rijksbegroting rekening gehouden met een taakstellende korting op deze raming.

Stalling taakstelling efficiencybesparing

De uit de Hoofdlijnennotitie en de Miljoenennota 2000 voortvloeiende taakstelling voor het jaar 2000 is in afwachting van concrete maatregelen gestald.

Hoofdlijnennotitie

Met de in de Hoofdlijnennotitie voorgestelde maatregelen zal bij de Admiraliteit een aantal budgetten, met name de aanschaf van munitie, alsmede opleidingen en brandstoffen, neerwaarts worden bijgesteld. Het budget voor werving zal stijgen, met het oog op de gefaseerde uitbreiding van de parate sterkte van het Korps Mariniers.

Activiteitentoelichting

De activiteiten van het ressort Admiraliteit omvatten:

– het voeren van het operationeel beleid van de Koninklijke marine;

– het doen functioneren van de militaire eenheden en inrichtingen van de Koninklijke marine voor zover deze onder de Admiraliteit zijn gesteld, in onderlinge samenhang en elk afzonderlijk ter uitvoering van de opgedragen taken in vredestijd en in geval van oorlogsvoorbereiding;

– het voeren van een personeelsbeleid en het onderhouden van een personeel-logistiek proces, dat er op is gericht de organisatie van de Koninklijke marine, te allen tijde en in alle omstandigheden te doen beschikken over de gewenste hoeveelheid voor zijn taak berekend en gemotiveerd personeel;

– het voeren van materieelbeleid gericht op de materieel-logistieke processen «voorzien in», «instandhouden» en «afvoeren»;

– het bevorderen en bewaken van de doelmatigheid van de Koninklijke marine door het vormgeven aan en het uitvoeren van het financieel-economisch beleid en het toetsen van de rechtmatigheid van de bestedingen;

– het voeren van een bedrijfsvoerings- en automatiseringsbeleid.

Uitgavenverdeelstaat

 
bedragen x f 10001998199920002001200220032004
Uitgaven Admiraliteit540 481465 416418 093436 915419 716421 574424  433
Volledig toe te rekenen aan:        
– apparaatsuitgaven Admiraliteit262 286245 577236 511231 875228 582228 800228 800
Specifiek (uniek) toe te rekenen aan:        
– CZMNED71 63432 47931 28422 51817 65616 86820 050
– CZMCARIB9 7686 2774 7824 6394 8424 7964 796
– CKMARNS2277634851 1111 1151 121823
– Ondersteunende eenheden18 5253 72012 01620 0722 68215 90923 855
– Stalling taakstelling efficiencybesparing  – 17 625  
Niet specifiek toe te rekenen178 041176 600150 640156 700164 839154 080146 109

Toelichting op de uitgavenverdeelstaat

De uitgaven voor het ressort Admiraliteit betreffen enerzijds uitgaven ten behoeve van de eigen bedrijfsvoering, anderzijds uitgaven ten behoeve van het functioneren van andere KM-ressorts.

De uitgaven ten behoeve van de eigen bedrijfsvoering zijn opgenomen in de regel apparaatsuitgaven Admiraliteit. Het betreft hier de uitgaven voor personele en materiële middelen voor alle onder het ressort vallende eenheden. Deze laatste post bestaat onder andere uit huisvestingskosten, bureauzaken, informatiesystemen en inventarisgoederen en klein materieel.

De uitgaven ten behoeve van het functioneren van andere ressorts van de Koninklijke marine kunnen worden onderscheiden in specifiek en niet-specifiek toe te rekenen uitgaven. Deze uitgaven houden voornamelijk verband met het centraal voorzien in de functie materieel. Gezien de benodigde technische en commerciële deskundigheid en de doelmatigheidsbesparing als gevolg van de vraagaggregatie, wordt een groot deel van de materiële middelen voor met name de operationele taakuitvoering centraal verworven.

Hiervoor zijn de op dit moment nog niet gedecentraliseerde budgetten opgenomen. Het beleid van de Koninklijke marine is gericht op verdere decentralisatie van budgetten en bevoegdheden. Deze doelstelling zal zich op termijn vertalen in een verschuiving van budgetten en de daarvoor benodigde bevoegdheden van het ressort Admiraliteit naar de overige ressorts (eenheden).

De specifiek (uniek) toe te rekenen uitgaven bestaan uit personele en materiële uitgaven. Dit betreft onder andere brandstoffen. Daarnaast zijn uitgaven, genoemd onder niet-specifiek toe te rekenen uitgaven – met uitzondering van de uitgaven voor instandhouding – met name aan het ressort CZMNED toegerekend.

De niet-specifiek toe te rekenen uitgaven bestaan uit personele en materiële uitgaven. Dit betreft onder andere geneeskundige verzorging, opleiding, bureaukosten (waaronder communicatie-kosten), oefenmunitie en de instandhouding.

Stalling taakstelling efficiencybesparing

De uit de Hoofdlijnennotitie en de Miljoenennota 2000 voortvloeiende taakstelling voor het jaar 2000 is in afwachting van concrete maatregelen gestald.

Artikelonderdeel 03.20.21 Wachtgelden en inactiviteitswedden

De uitgaven op dit artikelonderdeel hebben betrekking op de diverse wachtgeldregelingen voor het burger- en militair personeel van de Koninklijke marine. Naast het reguliere wachtgeld worden op dit artikelonderdeel ook de uitgaven voor wachtgelden en uitstroombevorderende maatregelen geraamd en verantwoord die voor de Koninklijke marine uit het Sociaal Beleidskader (SBK) voortvloeien.

De geraamde aantallen wachtgelden en inactiviteitswedden
OmschrijvingEenheid1998199920002001200220032004
Wachtgelden SBK/UBMO burgerpersoneelaantal uitkeringsjaren243343354399433401384
Overige wachtgelden burgerpersoneelaantal uitkeringsjaren68737277746862
WAO- burgerpersoneelaantal uitkeringsjaren 174266899898
Wachtgelden SBK/UBMO militairenaantal uitkeringsjaren1623211713108
Werkloosheidsbesluit BBT-militairenaantal uitkeringsjaren199227292278247246246
WAO- militair personeelaantal uitkeringsjaren 92744616868
Overige wachtgelden militair personeelaantal uitkeringsjaren39633833302318
Wachtgelden en inactiviteitswedden excl. uitvoeringskostenx f 1 00024 17431 14534 00237 66840 51538  99038 990
Bij: uitvoeringskostenx f 1 0005 4345 4445 4625 4795 4915 4935  493
Totale uitgaven ontwerpbegroting 2000x f 1 00029 60836 58939 46443 14746 00644 48344 483
Stand 1e suppletore begroting 1999x f 1 000 34 49935 70937 69338 92536 737 
Nieuwe mutatiesx f 1 000 2 0903 7555 4547 0817 746 

Toelichting nieuwe mutaties

WAO en Bovenwettelijke arbeidsongeschiktheid

In verband met de keuze voor eigen risicodragerschap voor de WAO zijn de uitkeringsbedragen – voorzover betrekking hebbend op de eigen-risicoperiode – vanuit beleidsterrein 02. Pensioenen en uitkeringen overgeheveld.

Uitgaven Sociaal Beleidskader

De geraamde uitgaven voor wachtgelden in verband met het Sociaal Beleidskader (SBK) en de Uitstroombevorderende Maatregel Ouderen (UBMO) worden beïnvloed door de nog in uitvoering zijnde reorganisatie van de Koninklijke marine. Het beleid blijft er op gericht de instroom in de wachtgeldregelingen te beperken, vooral door het gebruik van de SBK-instrumenten gericht op de tewerkstelling van overtollig personeel van de Koninklijke marine, zowel binnen als buiten de (Rijks)overheid.

In onderstaand overzicht zijn de voorziene uitgaven voor het Sociaal Beleidskader opgenomen. De uitgaven hebben zowel betrekking op burgerpersoneel als op militair personeel van de Koninklijke marine. De verantwoording van de uitgaven vindt, met uitzondering van de wachtgelden, plaats ten laste van de desbetreffende artikelonderdelen «ambtelijk burgerpersoneel», «militair personeel» en «overige personele uitgaven». De uitgaven van de wachtgelden worden geraamd en verantwoord ten laste van dit artikelonderdeel 03.20.21.

 
Uitgaven Sociaal Beleidskader (x f 1000)1998199920002001200220032004
– om-, her-, bijscholing en outplacement172280280280280280280
– verplaatsen45100100100100100100
– wachtgelden SBK/UBMO burgerpersoneel11 71217 60418 21520 82722 82121 11220 202
– wachtgelden SBK/UBMO militair personeel696675665576476393352
– BDOS plaatsingen burgerpersoneel1 6253 6646 5235 7081 11200
– BDOS plaatsingen militair personeel9103 3582 4581 117000
Totaal uitgaven Sociaal Beleidskader15 16025 68128 24128 60824 78921 88520 934

03.21 Subsidies en bijdragen

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel worden uitgaven geraamd voor subsidies. De subsidies worden verleend aan instanties die activiteiten uitvoeren, waardoor het belang van de Koninklijke marine direct of indirect wordt gediend. De doelstellingen van deze instanties worden uiteengezet in de subsidiebijlage.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999  533483483483483 
Mutaties 1e suppletore wet 1999  
Stand 1e suppletore wet 1999  533483483483483  
Nieuwe mutaties  
Stand ontwerpbegroting 2000 529533483483483483483
Stand ontwerpbegroting 2000 (in EUR 1000) 240242219219219219219
De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en de uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingen en uitgaven
 1998199920002001200220032004
03.21.01 Koninklijke marine jachtclub117117117117117117117
03.21.02 Marine Watersportvereniging71717171717171
03.21.03 Marine Sanatoriumfonds5555555
03.21.04 Kon. Vereniging Marine Officieren75757575757575
03.21.05 Zeekadetkorps Nederland50505050505050
03.21.06 Stichting Mil. Tehuizen Overzee15151515151515
03.21.07 Bijdrage aan het ministerie van Economische Zaken (XIII) ten behoeve van het Nederlands Instituut voor Maritieme Ontwikkeling (NIM)196200150150150150150
Stand ontwerpbegroting 2000529533483483483483483
Stand 1e suppletore begroting 1999529533483483483483 
Nieuwe mutaties000000 

03.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel worden de uitgaven geraamd voor investeringen in groot materieel en infrastructuur.

Het beleid is gericht op verbetering van het bestaande materieel, opheffing van tekortkomingen en vervanging van verouderd materieel. De nadruk ligt op investeringen ten behoeve van luchtverdediging, mijnenbestrijding en vergroting van de strategische mobiliteit bij inzet voor crisisbeheersingsoperaties. De belangrijkste projecten in de komende jaren zijn de aanbouw van de fregatten van de De Zeven Provinciën-klasse, de Capability Upkeep Program (CUP)-Orion, het Project Aanpassing Mijnenbestrijdingscapaciteit (PAM) en het project NH-90.

De maatregelen naar aanleiding van onder andere de Hoofdlijnennotitie hebben geleid tot een brede integrale prioriteitstelling in de planning van zowel de verplichtingen als de uitgaven van de investeringsprojecten. Een groot deel van de voorgestelde mutaties is terug te voeren op deze herijking. Om de mutaties overzichtelijk te houden zijn alleen de aanpassingen die in de Hoofdlijnennotitie genoemd worden en mutaties die over het algemeen meer dan f 25 miljoen bedragen en als beleidsrelevant worden aangemerkt separaat weergegeven. De voorgestelde mutaties op de post overige projecten bestaat uit het saldo van een aantal mutaties op veelal kleine projecten en vloeit deels voort uit de verwerking van de Hoofdlijnennotitie en overige taakstellingen.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999  2 931 713369 109989 839529 821605 415 
Mutaties 1e suppletore wet 1999  
Stand 1e suppletore wet 1999  2 931 713369 109989 839529 821605 415 
Nieuwe mutaties         
Fregatten van de De Zeven Provinciën-klasse  74 30060 40019 70044 60044 900 
PAM  – 356 000304 3005 8001 2002 700 
Vervanging L-fregatten      – 303 200 
Vervanging Zuiderkruis  – 2 400 – 274 200– 32 700– 9 400 
Tweede Landing Platform Dock (LPD)     4 000296 000 
Hydrografisch opnemingsvaartuig  1 30089 70010 5004 500400 
ATAS  – 104 600      
Theatre Missile Defence System (TMD)  8 5006 500 285 000  
NH-90  – 1 000– 47 800– 207 200100400 
Cup Orion  – 327 400327 700    
MILSATCOM  – 1 300– 16 00084 100– 3 300– 9 400 
Verbindingen mariniers   – 1 4003 50038 900  
Munitie  – 200 80088 300– 38 200– 314 400201 300 
Project Millennium  – 12 80016 200    
Project vorming één marinebedrijf  36 100– 30 000    
Infrastructurele projecten  66 500– 10 50014 20012 900– 3 900 
Overige projecten, per saldo   70 444– 11 345– 6 76151 6322 986 
Totaal nieuwe mutaties  – 749 156776 055– 388 56192 432222 786 
Stand ontwerpbegroting 20001 695 0941 019 4882 182 5571 145 164601 278622 253828  201742 896
Stand ontwerpbegroting 2000 (in EUR 1000)769 200462 623990 401519 653272 848282 366375 821337 112
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999  903 5131 021 809910 839952 621973 115 
Mutaties 1e suppletore wet 1999  22 20120 000  
Stand 1e suppletore wet 1999  925 7141 041 809910 839952 621973 115 
verwerking Hoofdlijnennotitie en overige taakstellingen        
Fregatten van de De Zeven Provinciën-klasse  10 606– 25 8224 76621 830– 32 585 
PAM  – 22 681– 112 412– 61 181– 89 59563 633 
Vervanging Zuiderkruis  – 1 621– 810– 25 325– 81 040– 78 001 
Tweede Landing Platform Dock (LPD)     2 00015 000 
ATAS   – 5 500– 15 800– 26 100– 29 500 
Theatre Missile Defence System (TMD)  4 0005 0005 0001 00015 000 
Cup Orion   – 22 380– 1 95040 50671 595 
Verbindingen mariniers   – 1 400– 800– 23 200– 12 300 
Munitie  – 31 613– 22 180– 11 200– 3 600– 13 848 
Project vorming één marinebedrijf  5 038– 11 60011 600   
Overige bijstellingen        
Hydrografisch opnemingsvaartuig  1 33521 96435 65839 3048 104 
NH-90  1 011547– 28 027– 28 051–55 944 
MILSATCOM  – 342– 5 20816 76427 33113 704 
Project Millennium  – 7 7406 408    
Infrastructurele projecten  – 22 070– 1 2908 68614 961– 5 039 
Overige projecten, per saldo  45 32031 3381 14817 28610 567 
Totaal nieuwe mutaties  – 18 757– 143 345– 60 661– 87 368– 29 614 
Stand ontwerpbegroting 2000 644 582906 957898 464850 178865 253943 501912 596
Stand ontwerpbegroting 2000 (in EUR 1000) 292 499411 559407 705385 794392 635428 142414 118

Onderverdeling naar artikelonderdelen

Onderstaand wordt inzicht gegeven in de onderdelen van het artikel, waarbij de belangrijkste ontwikkelingen binnen deze artikelonderdelen alsmede een nadere specificatie van grote beleidsrelevante projecten worden aangegeven.

Artikelonderdeel Schepen

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Schepen796 926552 500533 500412 227573 941559 891512 298442 658452 280415 321

Op dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd voor investeringen in het varend materieel van de Koninklijke marine.

De volgende projecten worden thans financieel afgerond: Multi-Purpose fregatten en vervanging Poolster (Bevoorrader), Landing Platform Dock (amfibisch transportschip) en de onderzeeboten van de Walrus-klasse.

Voor het project fregatten van de De Zeven Provinciën-klasse zijn de verplichtingen voor de bouwmeestercontracten en het grootste deel van de Sensor-, Wapen- en Commandosystemen eveneens aanbesteed.

De projecten Aanpassing Mijnenbestrijdingscapaciteit (PAM), het tweede Landing Platform Dock en de hydrografische opnemingsvaartuigen zijn in voorbereiding. De projecten PAM, vervanging L-fregatten en vervanging Zuiderkruis zijn verschoven in de tijd.

De projecten fregatten van de De Zeven Provinciën-klasse, Aanpassing Mijnenbestrijdingscapaciteit (PAM), het tweede Landing Platform Dock en de hydrografische opnemingsvaartuigen worden hieronder toegelicht.

Project fregatten van de De Zeven Provinciën-klasse

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
De Zeven Provinciën-klasse724 446195 10090 300346 559502 497462 713419 055364 836282 145271 521

Het project fregatten van de De Zeven Provinciën-klasse betreft een serie van vier luchtverdedigings- en commandofregatten die de twee geleide wapenfregatten van de Tromp-klasse en twee van de vier momenteel nog resterende standaardfregatten zullen vervangen. De Koninklijke marine verzorgt zelf de verwerving en de integratie van de Sewaco-systemen.

De proefvaart van het eerste schip is voorzien in 2001 en de overdracht aan de Koninklijke marine in 2002. De volgende drie schepen volgen telkens een jaar later. In het project wordt onder meer samengewerkt met Duitsland en Spanje.

De verplichtingen die in 1999 en 2000 worden aangegaan, hebben onder andere betrekking op het informatieverwerkend systeem, onderdelen van communicatiesystemen, quad pack cannisters voor het Evolved Sea Sparrow Missile (ESSM)-systeem en boordreservedelen.

Op 23 maart 1999 is het parlement ingelicht over de voortgang van het project middels de tweede jaarrapportage LCF. Het budget voor het LCF-project bedraagt f 3219,7 miljoen voor nieuwbouw en f 94,3 miljoen voor walreservedelen.

Teneinde invulling te geven aan de oplossing van de financiële problematiek in het kader van de Hoofdlijnennotitie en overige taakstellingen heeft een herfasering op dit project plaatsgevonden; de voorgestelde mutaties vloeien hieruit voort.

Project Aanpassing Mijnenbestrijdingscapaciteit

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
PAM6 697329 700336 2004 49310 60056 00054 31534 300146 400120 400

Het Project Aanpassing Mijnenbestrijdingscapaciteit (PAM) betreft de samenvoeging van de eerdere projecten «Vervanging mijnenbestrijdingscapaciteit Dokkumklasse» en «Capability Upkeep Program Alkmaar-klasse». Het project omvat de noodzakelijke aanpassingen van de schepen van de Alkmaar-klasse en het creëren van de mijnenveegcomponent door de bouw van mijnenveegdrones.

De verplichtingen die in 1999 worden aangegaan hebben betrekking op onder andere het mijnenvernietigingssysteem, de sonarsystemen en het command en control-systeem. Naar verwachting wordt in 2000 gestart met de verwerving van de drones en de akoestische veegsystemen.

Teneinde invulling te geven aan de oplossing van de financiële problematiek in het kader van de Hoofdlijnennotitie en overige taakstellingen is dit project met één jaar vertraagd; de voorgestelde mutaties vloeien hieruit voort.

Project Tweede Landing Platform Dock (LPD)

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
LPD       200015 00020 000

Een tweede Landing Platform Dock (LPD) vergroot de mogelijkheden van strategisch transport. Het voorziet in de behoefte aan transport van materieel en personeel en in de behoefte aan de vereiste hoeveelheid capaciteit voor het vervullen van de vele rollen bij (oefeningen voor) maritieme operaties, als voor het garanderen van een permanente beschikbaarheid van strategische mobiliteit over zee. De aanbesteding van het tweede Landing Platform Dock vindt naar verwachting in 2003 plaats. Het schip zal in het jaar 2007 in de vaart komen. Het totale budget is vooralsnog vastgesteld op f 300,0 miljoen.

De in de Hoofdlijnennotitie voorgenomen investeringen voor de bouw van een tweede LPD zijn hier opgenomen.

Hydrografische opnemingsvaartuigen

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Hydrogr. opnemingsvaartuigen 1 30089 700 1 33521 96435 65839 3048 104 

Het project hydrografische opnemingsvaartuigen waarborgt de instandhouding van de hydrografische capaciteit van de Koninklijke marine. Het project omvat de bouw van twee nieuwe hydrografische opnemingsvaartuigen, ter vervanging van de twee huidige opnemers Buyskes en Blommendal. De totale projectomvang bedraagt f 106,4 miljoen. De aanbesteding vindt naar verwachting in 2000 plaats. Het eerste schip zal dan in het eerste, het tweede schip zal in het vierde kwartaal van 2002 in de vaart komen.

Als gevolg van de actualisering van de ramingen vinden er wijzigingen plaats in de aan te gane verplichtingen en betalingsmomenten hetgeen per saldo leidt tot de voorgestelde bijstellingen.

Artikelonderdeel vliegtuigen

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Vliegtuigen2 7641 149 800329 60010 13223 00045 74766 560113 260123 758132 560

Op dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd voor het vliegend materieel van de Koninklijke marine. Het betreft hier voornamelijk de vervanging van de Lynx-helikopters en het Capability Upkeep Program (CUP) van de P3-C Orion maritieme patrouillevliegtuigen. Deze projecten worden hieronder toegelicht. Andere projecten die op dit artikelonderdeel worden geraamd, zijn de Bolted Main Rotorheads voor de Lynx-helikopters en het Global Positioning System (GPS) voor de P3-C Orion maritieme patrouillevliegtuigen.

Project NH-90

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
NH-902 5881 120 6001 9009 83319 90038 30023 40030 60013 30059 700

Het NH-90 project is een internationaal samenwerkingsproject dat wordt uitgevoerd met Frankrijk, Duitsland en Italië. Voor Nederland gaat het om de vervanging van de 22 Lynx-helikopters van de Koninklijke marine door 20 NH-90 helikopters in de maritieme versie.

Eind 1997 is de offerte van de industrie voor de pre-productie- en productiefase ontvangen. De prijsstelling en de onderbouwing van deze offerte vormden voor de landen de aanleiding voor een onderzoek naar mogelijke kostenreducties bij de industrie. De resultaten van dit onderzoek zijn verwerkt door de industrie en hebben geleid tot een aangepaste offerte in juli 1998. De onderhandelingen op basis van deze offerte zijn nog gaande.

Voor zowel de productievoorbereiding als de productie zelf wordt uitgegaan van het aangaan van de verplichtingen in 1999. Oplevering van de eerste helikopters is uitgesteld van 2004 naar 2007. Oplevering in 2004 zou met zich meebrengen dat Nederland «lead customer» van de maritieme versie van de NH-90 helikopter zou zijn, wat extra risico's met zich mee zou kunnen brengen. Door de toestellen later af te nemen, wordt voorkomen dat Nederland direct met die risico's wordt geconfronteerd.

De verplichtingen en uitgaven zijn als gevolg van deze ontwikkeling aangepast. Het parlement is op 27 oktober 1998 (Kamerstukken II, 25 928, nr.2) ingelicht over de voortgang van het project. Het totale budget voor de NH-90 bedraagt f 1 736,1 miljoen.

Project Capability Upkeep Programme voor de P3-C Orions

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
CUP Orion  327 700   33 60080 300108 09870 500

Het Capability Upkeep Programme (CUP) voor de P3-C Orions maritieme patrouillevliegtuigen van de Koninklijke marine betreft de modernisering van de sensor-, wapen- en commandosystemen. De raming voor het project is opgehoogd van f 278,5 miljoen naar f 327,7 miljoen in verband met de toevoeging van de separaat geraamde bedragen voor de P3-C Orion radio-, peil-, zoek- en ontvangstapparatuur en 99-kanaals sonoboei-ontvanger.

In de Hoofdlijnennotitie is een afname van het aantal vliegtuigen van dertien naar tien stuks voorzien. Van deze tien vliegtuigen zullen zeven de volledige CUP ondergaan. De overige drie worden uitgerust met speciale verkenningsapparatuur, ter verbetering van de uitvoering van kustwachttaken in het Caribisch gebied.

Teneinde invulling te geven aan de oplossing van de financiële problematiek in het kader van de Hoofdlijnennotitie en overige taakstellingen is dit project vertraagd, de voorgestelde mutaties vloeien hieruit voort.

Verwacht wordt dat aanbesteding in 2000 zal plaatsvinden, waarna in 2001 de eerste betalingen zullen plaatsvinden. In de tweede helft van 1999 zal het gecombineerde DMB-B/C document aan het parlement worden aangeboden.

Artikelonderdeel Elektronisch materieel

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Elektronisch materieel46 31260 30028 30021 15777 65237 43744 54762 11575 00174 320

Op dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd voor het elektronisch materieel van de Koninklijke marine, voor zover deze niet in een projectbudget onder een ander artikelonderdeel zijn opgenomen.

Voor de volgende projecten worden onder meer uitgaven geraamd: Theatre Missile Defence System (TMD), het project satellietcommunicatie voor militair gebruik (MILSATCOM), de vervanging verbindingsapparatuur Mariniers, het geïntegreerd verbindingsproject, de Elektronische Oorlogsvoering Walrus-klasse, het Local Area Missile System (LAMS), het project Update Lynx full-mission flighttrainer en de operational flight trainer Orion.

Het project het Verbeterd Actief Onderzeebootbestrijdingssysteem (ATAS) is vertraagd tot na 2004.

De projecten ATAS, TMD, MILSATCOM en Vervanging verbindingsapparatuur Mariniers worden onderstaand toegelicht.

Project Verbeterd Actief Onderzeeboot Bestrijdingssysteem (ATAS)

Het Active Towed Array System (ATAS) is bedoeld voor het verbeteren van de actieve opsporingscapaciteit onder andere bij de meer complexe onderzeebootbestrijdingsoperaties dicht bij land en in ondiep water. Het voornemen bestaat de M-fregatten met deze systemen uit te rusten. Het project bevindt zich thans in een gecombineerde voorstudie/studiefase.

Teneinde invulling te geven aan de oplossing van de financiële problematiek in het kader van de Hoofdlijnennotitie en overige taakstellingen is dit project met 5 jaar vertraagd; de voorgestelde mutaties vloeien hieruit voort. De aanbesteding zal naar verwachting in 2006 plaatsvinden.

Project Theatre Missile Defence (TMD)

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
TMD 8 5006 500 4 0005 0005 0001 00015 00035 000

Het project TMD voorziet in een verdediging tegen tactische ballistische raketten. De intentie is om de fregatten van de De Zeven Provinciën-klasse uit te rusten met de benodigde hardware en software voor TMD. De Koninklijke marine reserveert vooralsnog derhalve f 300 miljoen voor dit project.

De in de Hoofdlijnennotitie voorgenomen investeringen voor dit project zijn hier opgenomen. In 1999 zal naar verwachting een verplichting worden aangegaan ten behoeve van een uit te voeren studie naar een maritieme TMDE-capaciteit.

Project Satellietcommunicatie voor militair gebruik (MILSATCOM)

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
MILSATCOM1 2424009002341 3081 21220 35739 10123 9472 554

Dit project voorziet in de krijgsmachtbrede behoefte aan satelliet- communicatiecapaciteit voor militair gebruik. De Koninklijke marine is belast met de uitvoering van het project. Het project bestaat uit een korte en lange termijn deel. Het korte termijn deel betreft het inhuren van civiele en militaire ruimtecapaciteit en het realiseren van het grootste gedeelte van de grondcapaciteit. Voor dit deel van het project is een investeringsbudget geraamd van f 88,5 miljoen. Dit budget is met ingang van 1999 geheel in de begroting van de Koninklijke marine ondergebracht.

Het lange termijn deel betreft de verdere verwerving van ruimtecapaciteit en het resterende deel van de grondcomponent. Dit deel zal aan het project worden toegevoegd.

Het DMP-B document is op 9 februari 1998 aan het parlement aangeboden (Kamerstukken II, 1997/98, 25 886 X, nr.1). De vaste commissie voor Defensie heeft op 17 december 1998 het DMP-B document voor kennisgeving aangenomen.

In 1999 zal over het korte termijn deel een C-brief deel aan het parlement worden aangeboden.

Als gevolg van de actualisering van de ramingen vinden er wijzigingen plaats in de aan te gane verplichtingen en betalingsmomenten hetgeen per saldo leidt tot de voorgestelde bijstellingen.

Project Vervanging verbindingsapparatuur mariniers

De huidige generatie verbindingsapparatuur van het Korps Mariniers zal in zijn geheel worden vervangen. Bij de verwerving van nieuwe verbindingsapparatuur geeft de Koninklijke marine prioriteit aan internationaal gestandaardiseerde apparatuur. Bij de behoefte is rekening gehouden met de voorgenomen uitbreiding van de parate sterkte van het Korps Mariniers met een derde bataljon als uitvloeisel van de Hoofdlijnennotitie Defensie. In 2002 wordt begonnen met de verwerving. De eerste leveringen zijn gepland vanaf 2003.

Als gevolg van de verwerking van de Hoofdlijnennotitie en overige taakstellingen heeft een herfasering op dit project plaatsgevonden.

Artikelonderdeel munitie

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Munitie8 427159 600100 6004 19213 38448 52065 08081 410131 200116 500

Op dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd voor de aanschaf van kapitale munitie zoals onder andere de Harpoon-missiles, Standard-Missiles (SM), torpedo's, Nato Sea Sparrow Missiles (NSSM) en Evolved Sea Sparrow Missiles (ESSM). Tevens wordt rekening gehouden met de aanschaf van conventionele munitie, zoals die voor de klein kaliber wapens en de kanons, voor zover deze munitie als aanvulling van de oorlogsvoorraden wordt verworven.

Als norm voor de kapitale munitie wordt de «NATO Maritime Stockpile Policy Guidance» (NMSPG) gehanteerd, waarin ook rekening wordt gehouden met het dreigingsbeeld. Hierin zijn de normen voor de Koninklijke marine vastgesteld, uitgaande van de sterkte en samenstelling van de vloot. Bij de raming is de vigerende NMSPG-norm als basis genomen.

Teneinde invulling te geven aan de oplossing van de financiële problematiek in het kader van de Hoofdlijnennotitie en overige taakstellingen heeft een verkleining van de munitievoorraad plaatsgevonden. Het budget is met name als gevolg hiervan neerwaarts bijgesteld.

Artikelonderdeel Overig groot materieel

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Overig groot materieel97 163137 45750 564113 117135 302103 85969 96867 21083 16295 795

Dit artikelonderdeel betreft projecten die naar hun aard niet in één van de andere artikelonderdelen van het groot materieel kunnen worden ondergebracht, waaronder automatisering van de bestuurlijke informatiesystemen en projecten die niet groter zijn dan f 5,0 miljoen. Het betreft hier met name de volgende projecten:

Project vorming één marinebedrijf

Als uitvloeisel van de doelmatigheidsoperatie is besloten tot het vormen van één onderhoudsbedrijf voor de Koninklijke marine. Het nieuwe bedrijf zal worden gevormd uit de Rijkswerf, het SEWACO-bedrijf en het Marine Elektronisch en Optisch Bedrijf (MEOB)-Oegstgeest. De verhuizing van het MEOB-Oegstgeest naar Den Helder en de volledige integratie tot één marinebedrijf zal naar verwachting in 2000 zijn voltooid. De afdeling avionica van de onderhoudsdienst van Marinevliegkamp De Kooy zal eveneens worden ondergebracht bij Marinebedrijf te Den Helder. In 1997 zijn de afzonderlijke bedrijven reeds bestuurlijk samengevoegd.

Als gevolg van de verwerking van de Hoofdlijnennotitie en overige taakstellingen heeft een herfasering op dit project plaatsgevonden.

Project Millennium

De millenniumproblematiek doet zich voor bij alle informatiesystemen, zowel bij wapen- en commandosystemen als bij bestuurlijke informatiesystemen. De systemen die vitaal zijn voor de continuïteit van de primaire taakstelling van de Koninklijke marine hebben prioriteit gekregen bij het onderzoek en het oplossen van het millenniumprobleem.

Naar verwachting zal in 2000 nog een aantal maatregelen moeten worden afgerond, meer dan in de begroting van 1999 was voorzien; de uitgaven en verplichtingen zijn naar aanleiding hiervan aangepast.

Artikelonderdeel Infrastructuur

 
Bedragen x f 1000VerplichtingenUitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Infrastructuur67 896122 900102 60083 75783 678103 01091 72598 60078 10078 100

Op dit artikelonderdeel wordt het (nieuw-)bouwprogramma voor gebouwen, werken en terreinen geraamd. Binnen dit artikelonderdeel vinden als gevolg van het actualiseren van de ramingen diverse bijstellingen plaats. In de nieuwe ramingen zijn onder meer de volgende ontwikkelingen verwerkt:

– op de Marinekazerne Willemsoord te Den Helder zal in 1999 worden begonnen met de bouw van het Maritiem Operationeel Centrum Nederland en de legering van officieren. De raming is in verband met de complexiteit en de toenemende collocatie van functionaliteiten naar boven bijgesteld;

– de nieuwbouw voor de onderhoudsdienst op Marinevliegkamp De Kooy is herzien: de afdeling avionica, afkomstig van het MEOB-Oegstgeest, zal nu worden ondergebracht bij het Marine-bedrijf te Den Helder. Als gevolg daarvan dient voor het project het ontwerp te worden aangepast;

– op de Marinekazerne Amsterdam is de bouw van het bedrijfsrestaurant uitgesteld vanwege vertraging in het voortraject. Het project zal in 2000 worden begonnen en in 2002 worden voltooid;

– de nieuwbouw van een multifunctioneel gebouw voor het Korps Mariniers op de Van Ghentkazerne te Rotterdam is vertraagd en zal in 2001/2002 plaatsvinden;

– op het Marinevliegkamp Valkenburg is de nieuwbouw van het bedrijfsrestaurant en de zieken boeg uitgesteld vanwege vertragingen bij het opstellen van het programma van eisen;

– de nieuwbouw ten behoeve van de legering van officieren op de Alexanderkazerne (in samenwerking met de Koninklijke landmacht) is vertraagd door lange proceduretijden en budgettaire beperkingen. Verwacht wordt dat in 2000 met de bouw kan worden begonnen.

04. BELEIDSTERREIN KONINKLIJKE LANDMACHT

Algemeen

De uitgaven binnen het artikel 04.20 Personeel en materieel bij het beleidsterrein Koninklijke landmacht zijn verdeeld in vijf ressorts (en het artikelonderdeel wachtgelden): het 1(GE/NL) Legerkorps, het Nationaal Commando, het Commando Opleidingen Koninklijke landmacht, de groep Overige eenheden Bevelhebber Landstrijdkrachten (BLS) en de Landmachtstaf. De artikelen 04.21 Subsidies en 04.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur completeren de begroting van de Koninklijke landmacht.

De uitgaven van het beleidsterrein Koninklijke landmacht voor de jaren 1999 tot en met 2004 zijn als volgt te specificeren:

 
 1998199920002001200220032004
Uitgaven       
04.20 Personeel en materieel        
– 1 (GE/NL) Legerkorps1 060 723967 8261 016 6841 207 1171 208 5631 203 2401 213 173
– Nationaal Commando1 173 2731 477 2111 391 2431 220 7781 208 3671 193 1541 178 852
– Commando Opleidingen Koninklijke landmacht325 470462 855439 839440 549443 339448 283448 612
– Overige eenheden Bevelhebber der Landstrijdkrachten842 289550 764494 035460 952429 738410 485419 382
– Landmachtstaf89 867165 945159 086163 136155 719154 563154 935
– Wachtgelden en inactiviteitswedden107 416101 49288 71074 80769 01666 30863 450
Totaal 04.20 Personeel en materieel3 599 0383 726 0933 589 5973 567 3393 514 7423 476 0333 478 404
04.21 Subsidies en bijdragen1 8331 8331 8331 8361 8391 8391 839
04.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur712 1681 045 1201 005 963924 9681 057 288994 369943 066
Totale uitgaven (x NLG 1000)4 313 0394 773 0464 597 3934 494 1434 573 8694 472 2414 423 309
Totale uitgaven (x EUR 1000)1 957 1722 165 9142 086 2062 039 3532 075 5312 029 4142 007 210

04.20 Personeel en materieel

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Naar aanleiding van de gewijzigde begrotingsindeling, als gevolg van de integratie van de begrotingsartikelen personeel en materieel en het Verbeterd Economisch Beheer (Kamerstukken II 1995/1996, 24 400 X, nr. 113), wordt met ingang van de begroting 1998 inzicht gegeven in de bedrijfsvoeringsuitgaven van de vijf ressorts. Per ressort worden vier vaste artikelonderdelen gepresenteerd: ambtelijk burgerpersoneel, militair personeel, overige personele uitgaven en materiële uitgaven. De wachtgelduitgaven voor het burger- en het militair personeel worden op het artikelonderdeel 04.20.21 verantwoord.

De uitgaven voor het actief dienend personeel zijn geraamd met behulp van het Systeem Nieuwe Integrale Personeelsbegroting (SNIP). De uitkomst hiervan is aangepast voor de categorieën die niet in het SNIP zijn opgenomen (Niet-Nederlands Hulppersoneel, NATRES-personeel en zakgelders) en voor ontwikkelingen in de komende jaren.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999  3 657 1013 453 4183 513 5683 393 7343 386 596 
Mutaties 1e suppletore wet 1999  135 631– 1 283– 3 040880631 
Stand 1e suppletore wet 1999  3 792 7323 452 1353 510 5283 394 6143 387 227 
Nieuwe mutaties  18 53651 93055 50456 30877 300 
Stand ontwerpbegroting 2000488 2913 659 6323 811 2683 504 0653 566 0323 450 9223  464 5273 518 878
Stand ontwerpbegroting 2000 (in EUR 1000)221 5771 660 6691 729 4781 590 0751 618 1951 565 9601 572 1341 596 797
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerp-begroting (x f 1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999  3 659 1543 535 0243 497 5273 453 4063 424 801 
Mutaties 1e suppletore wet 1999  48 403– 1 283– 3 040880631 
Stand 1e suppletore wet 1999  3 707 5573 533 7413 494 4873 454 2863 425 432 
Nieuwe mutaties         
1(GE/NL) Legerkorps  30 92524 710225 985246 877243 749 
Nationaal Commando  26 09412 481– 140 912– 157 057– 174 086 
Commando Opleidingen KL  14 5192 8221 4085 4437 460 
Overige eenheden BLS  – 53 57113 816– 6 056– 28 213– 24 269 
Landmachtstaf  3 56921 67026 46227 45227 612 
Wachtgelden en inactiviteitswedden  – 3 000– 19 643– 34 035– 34 046– 29 865 
Totaal nieuwe mutaties  18 53655 85672 85260 45650 601 
Stand ontwerpbegroting 2000 3 599 0383 726 0933 589 5973 567 3393 514 7423 476 0333 478 404
Stand ontwerpbegroting 2000 (in EUR 1000) 1 633 1721 690 8271 628 8881 618 7881 594 9201 577 3551 578 431

Toelichting op de nieuwe verplichtingen- en uitgavenmutaties

De verplichtingen- en uitgavenmutaties worden toegelicht bij de ramingen van de ressorts en het artikelonderdeel Wachtgelden en inactiviteitswedden.

Bij de bovenstaande ramingen behoren de volgende aantallen vte'n.

Opbouw personeelssterkte (vte'n op basis van 38-urige werkweek)
Omschrijving199920002001200220032004
Burgers – stand begroting 199919 2629 0278 8848 7688 639 
Burgers – mutaties113837– 1– 58– 106 
Burgers – stand ontwerpbegroting 200019 4009 0648 8838 7108 5338 489
MP/BOT – stand begroting 199911 32111 01710 74110 54910 376 
MP/BOT – mutaties– 246– 90– 53– 6– 8 
MP/BOT – stand ontwerpbegroting 200011 07510 92710 68810 54310 36810 270
MP/BBT – stand begroting 199912 28612 41712 56912 81913 104 
MP/BBT – mutaties– 171– 228– 7292338 
MP/BBT – stand ontwerpbegroting 200012 11512 18912 49712 91113 44213 775
Totale sterkte – stand begroting 199932 86932 46132 19432 13632 119 
Totale sterkte – mutaties– 279– 281– 12628224 
Totale sterkte – stand ontwerpbegroting 200032 59032 18032 06832 16432 34332 534

1exclusief niet-actief burgerpersoneel (zie tevens bijlage 13)

Toelichting personeelsoverzicht

Burgerpersoneel

De bijstellingen in de aantallen hebben betrekking op onder andere de nieuwe regelgeving in het kader van de ARBO-wet met betrekking tot activiteiten die de Koninklijke landmacht in «Single Service Management» verricht voor andere beleidsterreinen en bijstellingen als gevolg van de lopende reorganisaties.

Militair personeel

In het «Beroepspersoneel onbepaalde tijd» zijn onder andere verwerkt de opleidingen die de Koninklijke landmacht verzorgt voor andere beleidsterreinen en de bijstelling in het kader van de correctie herschikking gevechtskracht. Bij «Beroepspersoneel bepaalde tijd» zijn de aantallen personeel onder andere bijgesteld in het kader van de herschikking gevechtskracht, uitbreiding parate capaciteit, de wervingsresultaten in 1998 en interservice-opleidingen.

Ressort 1(GE/NL) Legerkorps

Het ressort betreft het Nederlandse deel van 1(GE/NL) Legerkorps. Dit bestaat uit 1(NL) Divisie «7 December», 11 Luchtmobiele brigade en het Nederlandse aandeel in de binationale legerkorpsstaf en de binationale legerkorpstroepen (Command Support Group).

De verplichtingen en uitgaven 1(GE/NL) Legerkorps

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingen
 1998199920002001200220032004
04.20.01 Ambtelijk burgerpersoneel20 80613 19313 560122 398113 79899 91897 006
04.20.02 Militair personeel919 963835 931886 560955 079964 898972 375982 402
04.20.03 Overige personele uitgaven41 33839 04743 35450 56148 83647 98848 371
04.20.04 Materiële uitgaven124 37569 85073 21079 07981 03182 95985 394
Stand ontwerpbegroting 20001 106 482958 0211 016 6841 207 1171 208 5631 203 2401 213 173
Stand 1e suppletore begroting 1999 927 096991 974981 132961 686959 491 
Nieuwe mutaties 30 92524 710225 985246 877243 749 
De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelUitgaven
 1998199920002001200220032004
04.20.01 Ambtelijk burgerpersoneel20 80613 19313 560122 398113 79899 91897 006
04.20.02 Militair personeel919 963835 931886 560955 079964 898972 375982 402
04.20.03 Overige personele uitgaven41 09639 36043 35450 56148 83647 98848 371
04.20.04 Materiële uitgaven78 85879 34273 21079 07981 03182 95985 394
Stand ontwerpbegroting 20001 060 723967 8261 016 6841 207 1171 208 5631 203 2401 213 173
Stand 1e suppletore begroting 1999 936 901991 974981 132961 686959 491 
Nieuwe mutaties 30 92524 710225 985246 877243 749 
Specificatie nieuwe mutaties
Omschrijving19992000200120022003
Technische bijstellingen:      
– loon- en prijsaanpassingen 199930 92535 07337 82652 16252 655
Sub-totaal technische bijstellingen30 92535 07337 82652 16252 655
Beleidsmatige bijstellingen:      
* Hoofdlijnennotitie:     
– aanpassing begrotingssterkte:      
– uitbreiding parate capaciteit 11 90116 94720 55826 190
– integratie NVC  129 986119 789102 756
– herverdeling opu/mu 1 79715 23715 35414 625
* Overige beleidsmatige bijstellingen:      
– overige aanpassingen begrotingssterkte – 15 31535 41548 92255 897
– overige materiële uitgaven – 8 746– 9 426– 9 908– 8 374
Sub-totaal beleidsmatige bijstellingen: – 10 363188 159194 715191 094
Totaal van de mutaties30 92524 710225 985246 877243 749

Toelichting nieuwe mutaties

Aangezien de verplichtingen- en uitgavenmutaties nagenoeg dezelfde oorzaken hebben, geldt hetgeen hieronder vermeld wordt voor de uitgaven eveneens voor de verplichtingen. Indien belangrijke verschillen optreden dan zal daar expliciet melding van worden gemaakt.

Loon- en prijsaanpassingen 1999

De uitgavenniveaus zijn aangepast aan het loon- en prijsniveau 1999.

Hoofdlijnennotitie

Uitbreiding parate capaciteit

Om de uitzendbaarheid te vergroten wordt de parate capaciteit van de brigades versterkt door per brigade één extra infanteriecompagnie paraat te stellen. Het parate pantserinfanterie-bataljon bestaat dan uit drie parate en een reserve compagnie. Medio 2000 zal worden aangevangen met de initiële vulling van de eerste compagnie. Medio 2003 zal de uitbreiding volledig gerealiseerd zijn. Voorts worden de parate verkenningseskadrons van het divisie-verkenningsbataljon geruild met de mobilisabele verkenningseskadrons van respectievelijk 13 Gemechaniseerde Brigade te Oirschot en 43 Gemechaniseerde Brigade te Havelte. Hierdoor worden deze twee brigades nog verder paraat en geheel gelijkvormig met 41 Gemechaniseerde Brigade, die al een paraat verkenningseskadron tot zijn beschikking had. De uitbreiding van de geniecapaciteit betreft vooral het paraat stellen van een constructiecompagnie.

Integratie Nationaal Verzorgingscommando

De uitvoerende capaciteit van het huidige Nationaal Verzorgingscommando (NVC) wordt geïntegreerd in het legerkorps, waardoor een verzorgingseenheid met zowel een operationele als een regionale verzorgingsverantwoordelijkheid ontstaat. Uit doelmatigheidsoverwegingen worden hiermee ook niet-legerkorps klanten verzorgd, zoals COKL, NATCO en, voorzover dit nu al het geval is, de andere krijgsmachtdelen. Bestaande problemen in de logistieke ondersteuning van vredesoperaties zullen bij deze operatie zoveel mogelijk worden opgelost.

Herverdeling OPU/MU

In verband met de herverdeling van de begrotingssterktes tussen de verschillende ressorts zijn de hieraan gerelateerde overige personele en materiële uitgaven eveneens herverdeeld.

Overige aanpassingen begrotingssterkte

De overige aanpassingen in de begrotingssterkte worden vooral veroorzaakt doordat geneeskundige elementen van het NATCO en van de CDPO worden geïntegreerd in de organisatie van het legerkorps. Daarnaast wordt een Divisie Gevechtssteun Commando (DGC) opgericht, die in vredestijd verantwoordelijk is voor de aansturing van alle gevechtssteun eenheden op divisieniveau. De tegenvallende wervingsresultaten in 1998 bij beroepspersoneel bepaalde tijd (BBT) werken nog door in latere jaren, waardoor in 2000 per saldo nog een neerwaartse mutatie ontstaat en vanaf 2001 een opwaartse trend wordt ingezet.

Overige mutaties

Deze mutaties betreffen met name automatiseringsuitgaven. Centrale coördinatie inzake informatietechnologie heeft geleid tot landmacht-brede heroverwegingen ten aanzien van de invulling van de voorliggende behoeftestellingen, de prioriteitsstellingen hiervan en de wijze van verwerving. Het streven is gericht op meer standaardisatie van computersystemen en -applicaties binnen de Koninklijke landmacht. Hierbij wordt een groot deel van de decentrale verwervingen ondergebracht bij het NATCO. Dit heeft tot een neerwaartse bijstelling geleid van de automatiseringsuitgaven.

Operationele doelstellingen 1(GE/NL)Legerkorps

Het product van 1(GE/NL)Legerkorps bestaat uit het leveren van inzetgerede eenheden. Dit product is vertaald in de operationele doelstellingen van het ressort. Uit onderstaand overzicht blijkt hoeveel eenheden operationeel gereed zijn binnen hoeveel dagen (reactietijd). Desgevraagd kunnen delen van eenheden op kortere termijn beschikbaar zijn. Uitgangspunt daarbij is dat binnen de aangegeven reactietijd steeds de vastgestelde gereedheid wordt geleverd. De tabel gaat uit van de volledige implementatie van het accentperiodesysteem. Het accentmodel houdt een driedeling in, waarbij eenheden zich steeds zes maanden opwerken naar het voor inzet benodigde niveau, vervolgens zes maanden inzetgereed zijn en, na eventuele inzet, maximaal zes maanden recupereren. De gereedheidstermijnen gelden voor parate delen van de eenheden, voor reservecomponenten geldt in principe een gereedheidstermijn van 180 dagen.

Doelstellingen operationele gereedheid 1(GE/NL)Legerkorps (NL deel)
Gereedheidstermijn Type eenheidbinnen 2dagenbinnen 5 dagenbinnen 10 dagenbinnen 20 dagenbinnen 30 dagenbinnen 60 dagenbinnen 180 dagenbinnen 365 dagen
1(GE/NL)Legerkorps*      1 
– Staf 1(GE/NL)Legerkorps    1   
– Verbindingsbataljon   12 1 
– Commandotroepencompagnie 1 11   
Luchtmobiele Brigade**   1     
– Luchtmobiel infanteriebataljon met gevechts- en logistieke ondersteuning  12    
Divisie      1  
– Divisie Gevechtssteun Commando***   11 7  
– Divisie Verzorgings Commando****   4  1  
Gemechaniseerde Brigade**      3  
– Pantserinfanteriebataljon met gevechts- en logistieke ondersteuning   1113 
– Tankbataljon met gevechts- en logistieke ondersteuning   111  
– Afdeling Veldartillerie   111  

Noten:

* Voor nationale taken zijn alle parate eenheden van de KL op korte termijn beschikbaar.

** Uit een brigade kunnen diverse zelfstandige en uitzendbare eenheden naast de in het overzicht opgenomen bataljons, worden samengesteld zoals (pantser)infanteriecompagnieën, mortiercompagnie, (pantser)geniecompagnieën, stingercompagnie, luchtdoelartilleriebatterijen, bevoorradingscompagnieën, herstelcompagnieën en geneeskundige compagnieën, die alle binnen (en vaak sneller dan) de aangegeven inzetbaarheidstermijn kunnen worden ingezet.

*** Het betreft hier zelfstandige en uitzendbare eenheden als een verkenningsbataljon, pantsergeniebataljons, een constructiebataljon en afdelingen (veld/luchtdoel)artillerie, die alle kunnen worden ingezet voor een vredesoperatie, binnen (en vaak sneller dan) de aangegeven inzetbaarheidstermijn.

**** Het betreft hier zelfstandige en uitzendbare eenheden als een materieeldienstbataljon, geneeskundige dienstbataljon, bevoorradings- en transportbataljons, die alle kunnen worden ingezet voor een vredesoperatie, binnen (en vaak sneller dan) de aangegeven inzetbaarheidstermijn.

Activiteiten 1(GE/NL)Legerkorps

Om de opgedragen taken binnen de vereiste reactietijden te kunnen uitvoeren en voortdurend bepaalde eenheden gereed te hebben voor inzet in vredesoperaties, is een constante hoge graad van geoefendheid noodzakelijk. De eenheden worden daadwerkelijk ingezet voor vredesoperaties en er wordt zowel binnen als buiten de Koninklijke landmacht steun verleend. De activiteiten van het ressort 1(GE/NL)Legerkorps kunnen worden onderverdeeld in:

– eenheden gereedstellen voor daadwerkelijke vredesoperaties;

– opleiden en oefenen;

– overige steunverlening;

– operationeel onderhoud en bevoorrading.

Een goede geoefendheid is één van de pijlers van een professionele landmacht. Er wordt in toenemende mate opgetreden, en derhalve geoefend, in internationale verbanden en met andere krijgsmachtdelen. De inzet in vredesoperaties vergt veelal nog aanvullende opleidingen in verband met specifieke omstandigheden. Naast het reguliere oefen- en opleidingsschema wordt 1(GE/NL)Legerkorps belast met het uitvoeren van overige steunverlenende activiteiten en het plegen van operationeel onderhoud. De capaciteit voor onderhouds- en bevoorradingswerk-zaamheden wordt in 2001 uitgebreid door de overname van eenheden van het huidige Nationaal Verzorgings Commando.

Inzet tijdens vredesoperaties vindt niet plaats onder verantwoordelijkheid van het ressort 1(GE/NL)Legerkorps. Wel worden eenheden gereedgesteld, hetgeen betekent dat zij volledig opgeleid en eventueel organisatorisch worden aangepast en vervolgens afgeleverd. Het is nauwelijks mogelijk om aan te geven aan welke operaties het ressort 1(GE/NL)Legerkorps de komende jaren zal deelnemen. Als gevolg van KFOR heeft er in 1999 een forse toename van het aantal ingezette militairen plaats gevonden, tot ongeveer 3000 in de tweede helft van 1999. Het ressort houdt de komende jaren rekening met een jaarlijkse inzet van ongeveer 2000 manjaren.

 
 1999 (ontwerpbegroting)1999 (vermoedelijk beloop)20002001
Inzet (manjaren)1 3502 2252 0002 000
Oefenen (manweken)126 000119 000124 000132000

Ressort Nationaal Commando

Het ondersteunend ressort Nationaal Commando (NATCO) is ingericht op basis van resultaatverantwoordelijke eenheden, georganiseerd volgens de principes van een lijnstaforganisatie. De organisatie van het NATCO bestaat in 2000 uit de volgende eenheden: Staf, de drie Regionale Militair Commando's, het Netherlands Armed Forces Support Agency Germany (NASAG), het National Support Command, het Landelijk Bevoorradingsbedrijf KL, het Nationaal Verzorgingscommando, het Hoger Onderhoudsbedrijf KL, de Prepositioned Organizational Material Site (POMS), de Arbodienst Koninklijke landmacht, het Explosieven Opruimings-commando Koninklijke landmacht en het Koninklijk Tehuis voor Oud-militairen en Museum Bronbeek.

De verplichtingen en uitgaven Nationaal Commando

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingen
 1998199920002001200220032004
04.20.05 Ambtelijk burgerpersoneel470 260492 446474 359346 711341 413340 288339 209
04.20.06 Militair personeel227 452224 968212 539138 023134 324134 817134 805
04.20.07 Overige personele uitgaven98 677166 966173 148148 570141 960142 525167 439
04.20.08 Materiële uitgaven511 099609 531549 868632 474558 604584 346570 762
Stand ontwerpbegroting 20001 307 4881 493 9111 409 9141 265 7781 176 3011 201 9761 212 215
Stand 1e suppletore begroting 1999 1 467 8171 358 1701 416 6171 343 6151 363 496 
Nieuwe mutaties 26 09451 744– 150 839– 167 314– 161 520 
De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelUitgaven
 1998199920002001200220032004
04.20.05 Ambtelijk burgerpersoneel470 261492 446474 359346 711341 413340 288339 209
04.20.06 Militair personeel227 452224 968212 539138 023134 324134 817134 805
04.20.07 Overige personele uitgaven62 332164 350160 381157 897135 658134 966143 204
04.20.08 Materiële uitgaven413 228595 447543 964578 147596 972583 083561 634
Stand ontwerpbegroting 20001 173 2731 477 2111 391 2431 220 7781 208 3671 193 1541 178 852
Stand 1e suppletore begroting 1999 1 451 1171 378 7621 361 6901 365 4241 367 240 
Nieuwe mutaties 26 09412 481– 140 912– 157 057– 174 086 
Specificatie nieuwe mutaties:
Omschrijving19992000200120022003
Technische bijstellingen:      
– loon- en prijsaanpassingen 199936 23345 67748 62348 41447 793
Sub-totaal technische bijstellingen:36 23345 67748 62348 41447 793
Beleidsmatige bijstellingen:      
* Hoofdlijnennotitie:     
– aanpassing begrotingssterkte:      
* reorganisatie onderhouds- en beheersfunctie – 4 082– 134 477– 125 920– 112 541
* reorganisatie overig Natco – 9 821– 16 439– 23 207– 30 502
– herverdeling opu/mu – 2 169– 30 014– 29 869– 28 017
* Overige beleidsmatige bijstellingen:      
– overige aanpassingen begrotingssterkte 13 803– 39 673– 40 409– 43 075
* kleding en uitrusting– 10 000– 17 39016 804– 8 992– 14 120
* overige mutaties– 139– 13 53714 26422 9266 376
Sub-totaal beleidsmatige bijstellingen:– 10 139– 33 196– 189 535– 205 471– 221 879
Totaal van de mutaties26 09412 481– 140 912– 157 057– 174 086

Toelichting op de nieuwe verplichtingen- en uitgavenmutaties

Loon- en prijsaanpassingen 1999

De uitgavenniveaus zijn aangepast aan het loon- en prijsniveau 1999.

Algemeen

Door de verkleining van de Koninklijke landmacht en de toename van de inzet bij vredesoperaties, werd het noodzakelijk om de organisatiestructuur van het NATCO tegen het licht te houden. De conclusie is dat de aansturing kan worden verbeterd. Naast de reeds in gang gezette personele afbouw van het NATCO kan door overheveling van direct aan het operationele product gerelateerde taken naar het legerkorps, efficiencywinst worden geboekt. Door deze maatregelen, waarvan die gericht op samenvoeging, respectievelijk opheffing van staven de meest wezenlijke vormen, kan het NATCO in de toekomst met ongeveer 800 personen minder toe.

Hoofdlijnennotitie

Reorganisatie onderhouds- en beheersfunctie

In het kader van de overheveling van taken naar het legerkorps wordt de uitvoerende capaciteit van het huidige Nationaal Verzorgingscommando (NVC) in 2001 geïntegreerd in het legerkorps. Hierdoor ontstaat een verzorgingseenheid met zowel een operationele als een regionale verzorgingsverantwoordelijkheid. Voorts wordt de opleg van materieel van reserve-eenheden en -componenten en de opleg van munitie geoptimaliseerd. Hierdoor kan een aantal complexen worden afgestoten.

Reorganisatie overig NATCO

De verbetering van de aansturing leidt tot een aanzienlijke verkleining: het voornemen is één bestuurslaag te laten verdwijnen en de drie regionale militaire commando's met hun zestien garnizoenen samen te brengen in vijf militaire regio's. De ondersteuning van de Nederlandse eenheden in Duitsland door de NASAG blijft ongewijzigd.

Herverdeling OPU/MU

In verband met de herverdeling van de begrotingssterktes tussen de verschillende ressorts zijn de hieraan gerelateerde overige personele en materiële uitgaven eveneens herverdeeld.

Overige aanpassingen begrotingssterkte

De overige aanpassingen begrotingssterkte hebben betrekking op de verdere stroomlijning van de NATCO-organisatie in het kader van de studie NATCO-2000. De uitvoering van deze studie zal eerst in het jaar 2001 tot resultaten leiden. In het jaar 2000 wordt nog een meerbehoefte verwacht als gevolg van vertragingen in lopende reorganisaties, latere sluiting van kazernecomplexen en vertraagde oplevering van personeelsbesparende automatiseringssystemen.

Kleding en uitrusting

De invloed van het op grotere schaal verlengen van het dienstverband door het Beroepspersoneel bepaalde tijd en de bijgestelde wervingsbehoefte van dit personeel heeft met name gevolgen voor de omvang van de eerste verstrekkingen. Er zal sprake zijn van een lagere behoefte aan persoonlijke standaarduitrustingen. Dit heeft een neerwaarts effect op het budget. De lopende reorganisatie van de logistieke inrichting – namelijk de oprichting van het Landelijk Bevoorradingsbedrijf Koninklijke landmacht onder het NATCO onder gelijktijdige reorganisatie van de Directie Materieel eind 1998 – heeft geleid tot (tijdelijke) capaciteitsproblemen ten aanzien van met name project- en contractmanagers. Ten aanzien van het budget Kleding en Uitrusting heeft dit gevolgen voor onder meer de projecten vervanging NBC-kleding en gevechtslaarzen. Voor deze projecten wordt een vertraging in de projectvoering voorzien, wat een uitstel van bestel- en aflevermomenten tot gevolg zal hebben. De oorspronkelijke in 1999 en 2003 geplande bestellingen zullen naar verwachting met één jaar worden vertraagd.

Correctie ontvlechting DM

Het betreft hier een herverdeling van budgetten met het ressort Overige eenheden BLS als gevolg van een verbeterd inzicht in de daadwerkelijke taakverdeling en het centraal in plaats van decentraal afdoen van lopende (reeds verplichte) onderhoudsprogramma's.

Overige mutaties

Deze mutaties betreffen met name ramingsbijstellingen op automatiseringsuitgaven. Centrale coördinatie inzake informatietechnologie heeft geleid tot landmacht-brede heroverwegingen ten aanzien van de invulling van de voorliggende behoeftestellingen, de prioriteitsstellingen hiervan en de wijze van verwerving. Er wordt gestreefd naar meer standaardisatie van computersystemen en -applicaties binnen de Koninklijke landmacht waarbij het NATCO een groot deel van de decentrale verwervingen verricht. Dit heeft geleid tot opwaartse bijstellingen.

Activiteitentoelichting en prestatie-indicatoren

Het Nationaal Commando is een serviceverlenend commando van de Koninklijke landmacht, dat anderen, binnen en buiten de Koninklijke landmacht, door het aanbieden van een scala aan produkten en diensten, in staat stelt hun taken succesvol uit te voeren. Het staat garant voor de bewaking van kazernes en strategische objecten en voor de ondersteuning van bondgenoten op Nederlands grondgebied en biedt faciliteiten op het gebied van oefeningen, werken, educatie, recreatie, huisvesting en geneeskundige verzorging. Het onderhoudt materieel van allerlei aard en voorziet in de opslag en distributie daarvan. Tevens draagt het zorg voor steunverlening en militaire bijstand, bijvoorbeeld in de vorm van humanitaire noodhulp en rampenbestrijding.

De ontwikkeling in de bedrijfsvoering, de vraag naar meer transparantie en de voorziene veranderingen in de organisatie van het NATCO hebben geleid tot een evaluatie van de door de resultaatverantwoordelijke eenheden te leveren prestaties. De ervaringen in de praktijk en de resultaten van de evaluatie hebben bijgedragen aan de volgende herziene clustering van diensten:

– facilitaire diensten: dit betreft het cluster van diensten op het gebied van geneeskundige verzorging, infrastructuur en milieu, integrale veiligheidszorg, telematica, geleverde voedings- en kantinediensten en overige facilitaire diensten;

– operationele diensten: hieronder vallen alle steunverleningen;

– specifieke diensten: dit betreft de ouderenzorg, arbozorg, gedetineerdenzorg en explosievenopruiming;

– logistieke diensten: hieronder wordt verstaan het uit te voeren onderhoud, bevoorrading, beheer en opleg.

Voor de jaren 1999, (ontwerpbegroting) 2000, en 2001 (voorlopige prognose) is ten aanzien van bovenstaande hoofdprodukten de volgende capaciteitsinzet gepland (x 1000 manuren):

 
 199920002001
facilitaire diensten5 1505 7304 620
operationele diensten140100100
specifieke diensten750430430
logistieke diensten3 2002 8401 540

In het activiteitenplan zijn de geplande organisatiewijzigingen binnen de Koninklijke landmacht verwerkt. De geneeskundige verzorging gaat geheel over naar 1(GE/NL)Legerkorps, de ondersteuning op het gebied van de telematica (met uitzondering van postvoorziening) wordt vanaf januari 2001 verzorgd door de Defensie Telematica Organisatie (Dico) en de ouderenzorg (KTOMM) gaat eveneens over naar het Dico. De Arbodienst KL wordt ondergebracht bij de Centrale Directie Personeel en Organisatie. Het onderhoud, de bevoorrading, het beheer en de opleg dat voorheen door het Nationaal Verzorgings Commando werd verzorgd zal worden overgebracht naar 1(GE/NL)Legerkorps.

Ressort Commando Opleidingen Koninklijke landmacht

Het ressort Commando Opleidingen Koninklijke landmacht (COKL) bestaat uit twaalf resultaatverantwoordelijke eenheden. Dit betreft, naast de Staf, negen opleidingscentra – Manoeuvre, Vuursteun, Genie, Logistiek, Rijden, Ede, Initiële Opleidingen, de Koninklijke Militaire School en het Instituut voor Leiderschap, Media en Opleidingskunde – en twee bijzondere organisatie-eenheden (de Begeleidingsorganisatie Civiel Onderwijs (BOCO) en de Lichamelijke Oefening en Sportorganisatie (LOenS)).

De verplichtingen en uitgaven Commando Opleidingen Koninklijke landmacht

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingen
 1998199920002001200220032004
04.20.09 Ambtelijk burgerpersoneel49 34461 10761 71163 04364 04065 76066 475
04.20.10 Militair personeel210 028330 932309 241308 084309 761312 637312 226
04.20.11 Overige personele uitgaven38 76444 82244 04044 25644 73745 14445 212
04.20.12 Materiële uitgaven26 41725 80424 84725 16624 80124 74224 699
Stand ontwerpbegroting 2000324 553462 665439 839440 549443 339448 283448 612
Stand 1e suppletore begroting 1999 448 146437 017439 141437 896440 823 
Nieuwe mutaties 14 5192 8221 4085 4437 460 
De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelUitgaven
 1998199920002001200220032004
04.20.09 Ambtelijk burgerpersoneel49 34461 10761 71163 04364 04065 76066 475
04.20.10 Militair personeel210 028330 932309 241308 084309 761312 637312 226
04.20.11 Overige personele uitgaven38 88944 83944 04044 25644 73745 14445 212
04.20.12 Materiële uitgaven27 20925 97724 84725 16624 80124 74224 699
Stand ontwerpbegroting 2000325 470462 855439 839440 549443 339448 283448 612
Stand 1e suppletore begroting 1999 448 336437 017439 141437 896440 823 
Nieuwe mutaties 14 5192 8221 4085 4437 460 
Specificatie nieuwe mutaties
Omschrijving19992000200120022003
Technische bijstellingen:      
– loon- en prijsaanpassingen 199914 519– 2 291– 2 139– 854– 1 870
Sub-totaal technische bijstellingen:14 519– 2 291– 2 139– 854– 1 870
Beleidsmatige bijstellingen:      
* Hoofdlijnennotitie:     
– aanpassing begrotingssterkte 4 7345 3677 20110 531
– herverdeling opu/mu 8249961 5211 496
* Overige beleidsmatige mutaties – 445– 2 816– 2 425– 2 697
Sub-totaal beleidsmatige bijstellingen: 5 1133 5476 2979 330
Totaal van de mutaties14 5192 8221 4085 4437 460

Toelichting nieuwe mutaties

Loon- en prijsaanpassingen 1999

De uitgavenniveaus zijn aangepast aan het loon- en prijsniveau 1999.

Algemeen

Het Commando Opleidingen KL (COKL) is een aantal jaren geleden reeds omgevormd tot een ressort met een kleine (concern)staf en een aantal resultaat verantwoordelijke opleidingscentra. Vorig jaar is het Opleiding Centrum Initiële Opleidingen (OCIO) met zijn schoolbataljons van het legerkorps naar COKL overgegaan, mede om een betere afstemming te kunnen garanderen tussen de initiële en de functie-opleidingen van de Koninklijke landmacht. Ook de opleidingen die bestemd zijn voor alle krijgsmachtdelen, de zogenaamde interservice-opleidingen, verlopen naar wens.

Begrotingssterkte

De vergroting van de operationele capaciteit leidt tot een meerbehoefte in de opleidingscapaciteit.

Dit geldt met name voor de opleidingscentra Manoeuvre, Vuursteun, Genie, Rijden, LO&S, BOCO en Initiële Opleidingen. Deze uitbreidingen lopen in de pas met de uitbreiding bij het legerkorps. De onderbrenging van de diverse gemeenschappelijke opleidingen bij het COKL leidt eveneens tot een personele toename.

Herverdeling OPU/MU

In verband met de herverdeling van de begrotingssterktes tussen de verschillende ressorts zijn de hieraan gerelateerde overige personele en materiële uitgaven eveneens herverdeeld.

Overige mutaties

Dit betreft met name een neerwaartse bijstelling in de automatiseringsuitgaven. Centrale coördinatie inzake informatietechnologie heeft geleid tot landmacht-brede heroverwegingen ten aanzien van de invulling van de voorliggende behoeftestellingen, de prioriteitsstellingen hiervan en de wijze van verwerving. Het streven is gericht op meer standaardisatie van computersystemen en -applicaties binnen de Koninklijke landmacht. Hierbij wordt een groot deel van de decentrale verwervingen ondergebracht bij het NATCO.

Activiteitentoelichting en prestatie-indicatoren

Het COKL verzorgt individuele opleidingen voor zover deze niet aan de Koninklijke Militaire Academie zijn opgedragen of zijn uitbesteed aan het Instituut Defensie Leergangen. Het is belast met het ontwikkelen van beleid en het verzorgen van individuele opleidingen, met inbegrip van lichamelijke opvoeding, sport, fysieke training, het certificeren van het militair onderwijs en het bieden van civiele (bij)scholingsmogelijkheden. Tevens betreft dit methoden en technieken van onderwijs en het gebruik van audiovisuele hulpmiddelen ten behoeve van opleiden en oefenen. Het COKL begeleidt het personeel van de Koninklijke landmacht en bemiddelt inzake te volgen opleidingen.

Het COKL maakt onderscheid tussen primaire en secundaire producten. Primaire producten zijn gekoppeld aan de missie en de taken van het COKL. De secundaire producten zijn hier niet direct aan gerelateerd, maar dienen wel door het COKL te worden uitgevoerd.

Clustering van de primaire activiteiten leidt tot een onderscheid in de volgende hoofdproductgroepen:

• opleidingen ten behoeve van uitzending (in aantal opleidingsplaatsen);

• algemene militaire/kaderopleidingen (AMO/AKO; in aantallen geslaagde leerlingen): opleidingen in het kader van de algemene opleiding van een militair; het betreft hier opleidingen die voorzien in de basis militaire vaardigheden;

• initiële functie opleidingen (in aantal opleidingsplaatsen): functie-opleidingen die aan een instromende militair wordt gegeven om de eerste functie naar behoren te functioneren, volgt op de AMO/AKO;

• loopbaanopleiding (in aantal opleidingsplaatsen): opleidingen die gevolgd moeten worden om in aanmerking te komen voor een hogere rang en/of functie;

• functie- en overige opleidingen (in aantal opleidingsplaatsen): grote variëteit aan opleidingen waaronder functie-opleidingen, die het goed of beter functioneren van medewerkers van de Koninklijke landmacht ondersteunt;

• LO/Sport-opleiding en training (in uren);

• maatschappelijke meerwaarde, civiel onderwijs ten behoeve van BBT'ers (in positief afgeronde studiecontracten BBT'ers);

• kennisproducten (in aantallen documenten): studies, voorschriften en documenten die door de kenniscentra van de opleidingscentra worden geleverd ten behoeve van LAS en DM;

• trainingsproducten (in aantallen): faciliteiten om de geoefendheid van eenheden en individuen op peil te houden c.q. te brengen (bijvoorbeeld instructeurscapaciteit of gebruik van schietbanen).

Voor 1999 en het jaar 2000 zijn de volgende aantallen voorzien:

 
 Eenheid 19992000
– Opleiding voor uitzendingenopleidingsplaats8 1128 348
– Algemene militaire/kaderopleidingopleidingsplaats4 5895 194
– Initiële functie-opleidingenopleidingsplaats9 65110 971
– Loopbaanopleidingenopleidingsplaats1 1921 311
– Functie en overige opleidingenopleidingsplaats29 37832 081
– LO/Sport opleiding en traininguren204 499216 953
– Maatschappelijke meerwaardeaantal1 6801 944
– Kennisproductenaantal494461
– Trainingsproductenaantal30 29631 218

De toename in de raming van het aantal opleidingen gebaseerd op de uitbreiding van het aantal functies.

Ressort Overige eenheden Bevelhebber der Landstrijdkrachten (BLS)

Het ressort Overige eenheden BLS bestaat uit de Koninklijke Militaire Academie, de Topografische Dienst Nederland, de Centrale Dienst Personeel en Organisatie (CDPO) en de Directie Materieel (DM). Daarnaast zijn er nog enkele kleine organisatie-elementen ondergebracht bij dit ressort, zoals het personeel van de Koninklijke landmacht bij de Navo-staven.

De verplichtingen en uitgaven Overige eenheden BLS

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingen
 1998199920002001200220032004
04.20.13 Ambtelijk burgerpersoneel117 664110 525110 316113 252112 929112 788112 779
04.20.14 Militair personeel190 998153 962167 444165 767164 751165 076165 061
04.20.15 Overige personele uitgaven111 77380 23658 07955 24153 63452 71152 632
04.20.16 Materiële uitgaven264 706289 66353 99380 38566 67059 58296 021
Stand ontwerpbegroting 2000685 142634 386389 832414 645397 984390 157426 493
Stand 1e suppletore begroting 1999 687 957419 205428 122420 088400 293 
Nieuwe mutaties – 53 571– 29 373– 13 477– 22 104– 10 136 
De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelUitgaven
 1998199920002001200220032004
04.20.13 Ambtelijk burgerpersoneel117 664110 525110 316113 252112 929112 788112 779
04.20.14 Militair personeel190 998153 962167 444165 767164 751165 076165 061
04.20.15 Overige personele uitgaven150 51162 59556 30570 43761 37053 75553 822
04.20.16 Materiële uitgaven383 116223 682159 970111 49690 68878 86687 720
Stand ontwerpbegroting 2000842 289550 764494 035460 952429 738410 485419 382
Stand 1e suppletore begroting 1999 604 335480 219467 008457 951434 754 
Nieuwe mutaties – 53 57113 816– 6 056– 28 213– 24 269 
Specificatie nieuwe mutaties
Omschrijving19992000200120022003
Technische bijstellingen:      
– loon- en prijsaanpassingen 199936 88144 46741 84942 73343 461
Sub-totaal technische bijstellingen:36 88144 46741 84942 73343 461
Beleidsmatige bijstellingen:      
* Verwerking Hoofdlijnennotitie en overige taakstellingen:      
– herverdeling opu/mu – 1 916– 589– 1 320– 1 175
– stalling taakstelling efficiencybesparing – 31 650   
* Overige beleidsmatige bijstellingen:      
– aanpassing begrotingssterkte – 21 604– 16 206– 18 700– 10 179
– automatiseringsuitgaven (DM) – 13 000– 15 000– 23 407– 20 413
– manoeuvre (DM) – 8 808– 10 447– 8 000– 8 000
– overheveling andere beleidsterreinen– 90 591– 6 869– 7 093– 6 911– 6 965
– ontvlechting DM 51 000    
– overige mutaties1392 1961 430– 12 608– 20 998
Sub-totaal beleidsmatige bijstellingen:– 90 452– 30 651– 47 905– 70 946– 67 730
Totaal van de mutaties– 53 57113 816– 6 056– 28 213– 24 269

Toelichting op de nieuwe verplichtingen- en uitgavenmutaties

Aangezien de verplichtingen- en uitgavenmutaties op hoofdlijnen nagenoeg dezelfde oorzaken hebben, geldt wat hieronder vermeld wordt voor de uitgaven eveneens voor de verplichtingen.

Technische bijstellingen

Loon- en prijsaanpassingen 1999

De uitgavenniveaus zijn aangepast aan het loon- en prijsniveau 1999. In het arbeidsvoorwaardencontract 1999/2000 is overeengekomen dat de cadetten op de KMA een salaris in plaats van zakgeld zullen ontvangen. Deze maatregel zal per 1 augustus 1999 worden geïmplementeerd.

Beleidsmatige bijstellingen

Aanpassing begrotingssterkte

De aanpassing van de begrotingssterkte van met name het militair personeel wordt veroorzaakt door een lagere aanmelding van het aantal vrijwillig te herplaatsen militairen dan waarmee planmatig rekening was gehouden. De uitgaven voor het vrijwillig te herplaatsen personeel worden geraamd bij dit ressort.

Automatiseringsuitgaven

Centrale coördinatie inzake informatietechnologie heeft geleid tot landmacht-brede heroverwegingen ten aanzien van de invulling van de voorliggende behoeftestellingen, de prioriteitsstellingen hiervan en de wijze van verwerving. Het streven is gericht op meer standaardisatie van computersystemen en -applicaties binnen de Koninklijke landmacht. Hierbij wordt een groot deel van de decentrale verwervingen ondergebracht bij het NATCO. Dit heeft geleid tot neerwaartse bijstellingen in de automatiseringsuitgaven.

Manoeuvre

De daling van het budget Manoeuvre hangt met name samen met het niet doorgaan van het nog uit te voeren toestandsafhankelijk onderhoud naar aanleiding van het opheffen van mobilisabele tankbataljons en het afstoten van een aantal Leopard-2 gevechtstanks.

Overheveling naar andere beleidsterreinen

In overleg met diverse beleidsterreinen is een aantal nadere bijstellingen overeengekomen.

Stalling taakstelling efficiencybesparing

De uit de Hoofdlijnennotitie en de Miljoenennota voortvloeiende taakstelling voor het jaar 2000 is in afwachting van concrete maatregelen gestald.

Correctie ontvlechting Directie Materieel

Het betreft hier een herverdeling van budgetten met het ressort NATCO als gevolg van een verbeterd inzicht in de fasering van het daadwerkelijke ontvlechtingstraject en het niet decentraliseren van de afdoening van de lopende (reeds verplichte) onderhoudsprogramma's.

Activiteitentoelichting

De Overige eenheden BLS ondersteunen de Landmachtstaf en de ressorts bij het uitvoeren van de hun opdragen taken. De diensten van de huidige directies, die vanwege doelmatigheidsoverwegingen niet gedecentraliseerd worden, worden als centraal ondersteunend aangemerkt. Zij ondersteunen de Landmachtstaf bij het ontwikkelen van beleid, instrumenten en planalternatieven.

Binnen het ressort Overige eenheden BLS is de Koninklijke Militaire Academie (KMA) zowel voor de Koninklijke landmacht als de Koninklijke luchtmacht het instituut dat de opleiding en vorming verzorgt tot officier, zowel voor beroepspersoneel bepaalde tijd als voor beroepspersoneel voor onbepaalde tijd. In 2000 bedraagt de gemiddelde sterkte aan leerlingen en cadetten 591. Ook verricht de KMA wetenschappelijk onderzoek ten behoeve van het onderwijs in de militaire bedrijfskunde. De KMA dient daarnaast de kennis en kunde van het wetenschappelijk personeel (burgers en militairen) beschikbaar te stellen voor het helpen oplossen van militair bedrijfskundige vraagstukken binnen de krijgsmacht. De KMA wordt aangemerkt als resultaatverantwoordelijke eenheid van de Koninkljike landmacht. De KMA ontvangt derhalve van de Koninklijke landmacht één bedrijfsvoeringsbudget waarna de Koninklijke landmacht dit vervolgens verrekent met de Koninklijke luchtmacht.

De Topografische Dienst Nederland voorziet de Koninklijke landmacht van geografische informatie in de vorm van bestanden, kaartseries en afgeleide produkten.

Uitgavenverdeelstaat

 
bedragen x f 10001998199920002001200220032004
Uitgaven Overige eenheden BLS842 289550 764494 035460 952429 738410 485419 382
Volledig toe te rekenen aan:        
– apparaatsuitgaven Overige eenheden BLS380 461341 238371 382368 567359 496358 803359 171
Specifiek (uniek) toe te rekenen aan:        
– 1 (GE/NL) Legerkorps156 225209 526154 30392 38570 24251 68260 211
Niet specifiek toe te rekenen        
– KL-brede uitgaven305 603      
– stalling taakstelling efficiencybesparingen  – 31 650    

Toelichting op de uitgavenverdeelstaat

Met de oprichting van het Landelijk BevoorradingsBedrijf KL (LBBKL) en de gelijktijdige reorganisatie van de DM eind 1998 zijn de taken en de bevoegdheden in het kader van de voorraadbeheersing door deze directie met ingang van 1999 overgedragen aan het NATCO. Het gaat hierbij met name om kleding, voeding, reservedelen, componenten, overige onderhoudsvoorzieningen en algemene verbruiksartikelen.

De huidige DM richt zich met name op de grotere onderhoudsprojecten. Deze projecten betreffen (sensor-, wapen-, commando- en communicatie)systemen en (wiel- en rups)voertuigen, die direct zijn gerelateerd aan de taakuitvoering van 1(GE/NL)Legerkorps. Derhalve zijn alle programma-uitgaven van de DM toegerekend aan dit ressort. Als lopende grote projecten kunnen worden genoemd het toestandafhankelijk onderhoud aan 180 Leopard-2 gevechtstanks en de uitbesteding van 234 YPR's in het kader van het «onderhoudsprogramma 2000». Voorts worden onder meer de verlenging van het leasecontract AIR-VSAT (als interimoplossing tot de invoering van Milsatcom) en het basisonderhoud van de Mortieropsporingsradar in de planperiode voorzien.

Stalling taakstelling efficiencybesparing

De uit de Hoofdlijnennotitie en de Miljoenennota voortvloeiende taakstelling voor het jaar 2000 is in afwachting van concrete maatregelen gestald.

Ressort Landmachtstaf

Tot het ressort Landmachtstaf worden de volgende eenheden gerekend: de Beleidsstaf, waaronder de Directeur Beleid en Planning, de Directeur Control en de Directeur Personeel, de Operationele Staf BLS, een onder- steunend element met daarin het kabinet van de BLS en een stafgroep met een aantal kleine eenheden. De Landmachtstaf ondersteunt de bevelhebber bij de aansturing van de Koninklijke landmacht en schept de beleidsmatige voorwaarden om de eenheden en/of het individuele (reserve)personeel van de Koninklijke landmacht gereed te hebben en beschikbaar te stellen voor alle taken in het gehele crisisbeheersingsspectrum.

De verplichtingen en uitgaven Landmachtstaf

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingen
 1998199920002001200220032004
04.20.17 Ambtelijk burgerpersoneel27 18826 28426 42226 55426 69726 84327 019
04.20.18 Militair personeel28 95929 09630 81231 10731 28931 25131 248
04.20.19 Overige personele uitgaven5 3225 3864 8704 9094 9534 9254 942
04.20.20 Materiële uitgaven67 082100 02796 982100 56692 78091 54491 726
Stand ontwerpbegroting 2000128 551160 793159 086163 136155 719154 563154 935
Stand 1e suppletore begroting 1999 157 224137 416136 674128 267126 951 
Nieuwe mutaties 3 56921 67026 46227 45227 612 

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelUitgaven
 1998199920002001200220032004
04.20.17 Ambtelijk burgerpersoneel27 18826 28426 42226 55426 69726 84327 019
04.20.18 Militair personeel28 95929 09630 81231 10731 28931 25131 248
04.20.19 Overige personele uitgaven4 9815 5044 8704 9094 9534 9254 942
04.20.20 Materiële uitgaven28 739105 06196 982100 56692 78091 54491 726
Stand ontwerpbegroting 200089 867165 945159 086163 136155 719154 563154 935
Stand 1e suppletore begroting 1999 162 376137 416136 674128 267126 951 
Nieuwe mutaties 3 56921 67026 46227 45227 612 
Specificatie nieuwe mutaties (bedragen x f 1000)
Omschrijving19992000200120022003
Technische bijstellingen:      
– loon- en prijsaanpassingen 19993 5693 4003 2033 1833 160
Sub-totaal technische bijstellingen:3 5693 4003 2033 1833 160
Beleidsmatige bijstellingen:      
* Hoofdlijnennotitie     
– herverdeling opu/mu 374521582614
* Overige beleidsmatige bijstellingen:      
– aanpassingen begrotingssterkte 4101 1091 4121 590
– groot onderhoud 18 86223 07123 65923 679
– overige ramingsbijstellingen – 1 376– 1 442– 1 384– 1 431
Sub-totaal beleidsmatige bijstellingen: 18 27023 25924 26924 452
Totaal van de mutaties3 56921 67026 46227 45227 612

Toelichting nieuwe mutaties

Aangezien de verplichtingen- en uitgavenmutaties nagenoeg dezelfde oorzaken hebben, geldt hetgeen hieronder vermeld wordt voor de uitgaven eveneens voor de verplichtingen.

Loon- en prijsaanpassingen 1999

De uitgavenniveaus zijn aangepast aan het loon- en prijsniveau 1999.

Beleidsmatige bijstellingen

De aanpassing van de begrotingssterkte wordt met name veroorzaakt door een uitbreiding van de Operationele Staf als gevolg van de stijgende werklast in verband met vredesoperaties.

Groot onderhoud

De verhoging van het budget groot onderhoud is benodigd ten behoeve van het uitvoeren van wettelijk noodzakelijke voorzieningen en de reeds ingezette inhaalslag om achterstallig onderhoud aan gebouwen te kunnen doorvoeren.

Activiteitentoelichting

De Landmachtstaf ondersteunt de bevelhebber bij de aansturing van de Koninklijke landmacht. Belangrijke aktiviteiten van de LAS zijn het uitwerken van de grondslagen en hoofdlijnen van het beleid van de Koninklijke landmacht en het scheppen van de beleidsmatige voorwaarden om de eenheden en/of het individuele (reserve)personeel van de Koninklijke landmacht gereed te hebben en beschikbaar te stellen voor alle taken in het gehele crisisbeheersingsspectrum. De LAS draagt zorg voor het integreren van het beleid in de ter beschikking staande financiële ruimte, het opstellen van plandocumenten en het verzorgen van de informatie uitwisseling met de centrale organisatie. Daarbij waarborgt de LAS een doelmatige inrichting en uitvoering van de bedrijfsprocessen en verschaft zij inzicht in de kwaliteit van de bedrijfsvoering. Tenslotte verzorgt de LAS de beleidsmatige voorbereiding, de coördinatie en de evaluatie van alle uitzendingen en treedt op als aanspreekpunt en coördinator naar de Defensiestaf (met inbegrip van het Defensie Crisisbeheersingscentrum) en naar instanties buiten de Koninklijke landmacht.

Artikelonderdeel 04.20.21 Wachtgelden en inactiviteitswedden

De uitgaven op dit artikelonderdeel hebben betrekking op de diverse wachtgeldregelingen voor het burger- en militair personeel van de Koninklijke landmacht. Naast het regulier wachtgeld worden op dit artikelonderdeel ook de uitgaven voor wachtgelden en uitstroombevorderde maatregelen geraamd en verantwoord die voor de Koninklijke landmacht uit het Sociaal Beleidskader (SBK) voortvloeien. Volgens het gestelde in artikel 4, lid 6, punt a van de comptabiliteitswet wordt bij dit artikelonderdeel als verplichting opgenomen het bedrag dat als uitgaaf wordt geraamd.

De geraamde aantallen wachtgelden en inactiviteitswedden
OmschrijvingEenheid1998199920002001200220032004
Wachtgelden SBK/UBMO burgerpersoneelaantal uitkeringsjaren569530508427371305264
WAO-burgerpersoneelaantal uitkeringsjaren 50121190257285285
Overige wachtgelden burgerpersoneelaantal uitkeringsjaren354350349353382406419
Wachtgelden SBK/UBMO militairenaantal uitkeringsjaren965910847757696650600
Werkloosheidsbesluit BBT-militairenaantal uitkeringsjaren360420511516532550559
WAO-militair personeelaantal uitkeringsjaren 205998138155155
Overige wachtgelden militair personeelaantal uitkeringsjaren75633833302318
Wachtgelden en inactiviteitswedden exclusief uitvoeringskostenx f 1 00091 03384 47470 61056 00749 41646 10843 250
Bij: uitvoeringskostenx f 1 00016 38317 01818 10018 80019 60020 20020 200
Totale uitgaven ontwerpbegroting 2000x f 1 000107 416101 49288 71074 80769 01666 30863 450
Stand 1e suppletore begroting 1999x f 1 000 104 492108 353108 842103 06296 173 
Nieuwe mutatiesx f 1 000 – 3 000– 19 643– 34 035– 34 046– 29 865 

Nieuwe mutaties

De nieuwe mutaties in de uitgavenopbouw zijn als volgt te specificeren:

 
bedrag x f 100019992000200120022003
– wachtgelden SBK/UBMO burgerpersoneel – 4 784– 6 525– 6 011– 4 623
– overige uitkeringen burgerpersoneel – 2 257– 3 583– 4 326– 4 886
– wachtgelden SBK/UBMO militair personeel – 10 165– 20 399– 19 982– 16 662
– werkloosheidsbesluit BBT-militairen– 3 000– 5 272– 6 837– 7 264– 7 217
– overige wachtgelden militair personeel – 97– 312– 886– 1 467
– uitvoeringskosten 2 9323 6214 4234 990
Totaal– 3 000– 19 643– 34 035– 34 046– 29 865

Toelichting op de nieuwe mutaties

Het wachtgeld- en inactiviteitsbeslag neemt in de periode 2000–2004 af van ongeveer f 88 miljoen in 2000 tot ongeveer f 63 miljoen in 2004. Deze vermindering van de uitgaven is vooral het gevolg van de lagere instroom c.q. verblijfsduur in de SBK/UBMO-regelingen voor burger- en militair personeel.

Ook de instroom en verblijfsduur in de regeling werkloosheidsbesluit militair personeel is lager dan verwacht in de ontwerpbegroting 1999.

Deze gunstige ontwikkelingen zijn toe te schrijven aan de intensieve begeleiding van het uitstromende personeel naar de civiele arbeidsmarkt en de intensieve begeleiding door het USZO van het personeel met een werkloosheidsuitkering. Bovendien is geen nieuwe instroom in de dure SBK/UBMO-regelingen meer te verwachten. Overigens is de toegenomen werkgelegenheid op de civiele arbeidsmarkt van de afgelopen jaren een belangrijke beperkende factor voor nieuwe instroom in de wachtgelden en werkloosheidsuitkeringen.

De positieve ontwikkelingen in de aantallen per uitkeringsjaar worden negatief beïnvloed door een stijging van het uitkeringsbedrag per jaar ten opzichte van de ontwerpbegroting 1999. Dit is onder andere het gevolg van de uitstroom van personeel dat reeds één of meerdere keren hun contract hebben verlengd, waardoor hogere aanspraken ontstaan. Voorts wordt de stijging veroorzaakt door het feit dat het moeilijk te bemiddelen personeel langer in de diverse wachtgeldregelingen en werkloosheidsuitkeringen verblijft.

Toelichting wachtgelden en werkloosheidsuitkeringen

Algemeen

De studies die naar aanleiding van de voornemens in de Hoofdlijnennotitie zijn uitgevoerd, resulteren in een kwalitatieve mismatch en overtolligheid. De Koninklijke landmacht gaat er van uit dat deze problematiek kan worden opgelost zonder instroom in wachtgeldregelingen.

Wachtgelden SBK/UBMO/Overige uitkeringen burgerpersoneel

De in de ontwerpbegroting 1999 verwachte toename in de diverse SBK-wachtgelden als gevolg van de uitvoering van de grote reorganisaties bij onder andere NATCO en de DM is niet uitgekomen. De instroom c.q. verblijfsduur in 1999 in de SBK/UBMO-regelingen is achtergebleven. Doordat er geen nieuwe instroom meer is te verwachten, werkt de lagere realisatie van dit bestand ook door in de latere jaren.

De instroom c.q. verblijfsduur ten opzichte van de «overige wachtgelden» en werkloosheidsuitkeringen is eveneens beperkt gebleven en ongeveer 130 aantallen (in uitkeringsjaren) lager dan verwacht in de ontwerpbegroting 1999 (483–350). Dit lagere aantal werkt in beperkte mate door in de latere jaren, daar de instroom, wegens uitfasering van de SBK-wachtgelden, in de werkloosheidsuitkering uiteraard op termijn zal toenemen.

Het financiële voordeel van de lagere realisatie wordt echter gedeeltelijk teniet gedaan door de stijging van het uit te keren bedrag ten opzichte van de ontwerpbegroting 1999. De stijging van de uitkering wordt veroorzaakt doordat het moeilijk te bemiddelen personeel langer in de regeling verblijft.

Wachtgelden SBK/UBMO/Overige wachtgelden militair personeel

De afname van het militair personeel in de SBK/UBMO-regelingen gaat voortvarender dan verwacht ten opzichte van de ontwerpbegroting 1999. Hierdoor bouwt dit bestand aanzienlijk sneller af, terwijl dit eveneens doorwerkt naar latere jaren, daar geen nieuwe instroom meer is te verwachten. Verder wordt een daling van het uit te keren bedrag per jaar verwacht, omdat in de meeste gevallen geen volledige uitkering benodigd zal zijn, doch slechts een aanvullende uitkering. De ontwikkeling van de «overige wachtgelden»-regelingen geven slechts een geringe afwijking te zien ten opzichte van de ontwerpbegroting 1999.

Werkloosheidsbesluit militairen

Als gevolg van de doorwerking uit 1998 en de aanname dat de Koninklijke landmacht de mismatch en overtolligheid zelf oplost wordt wederom een verlaging van de aantallen (in uitkeringsjaren) verwacht ten opzichte van de in de ontwerpbegroting 1999 opgenomen aantallen. Deze lagere instroom c.q. verblijfsduur in de regeling is toe te schrijven aan de intensieve begeleiding van dit personeel door zowel de Koninklijke landmacht als door het USZO. De Koninklijke landmacht verzorgt een maatschappelijke opleiding ten behoeve van de uitstromende militair, terwijl het USZO zorg draagt voor een intensieve begeleiding van de militair die toch in een werkloosheidsuitkering is ingestroomd. Uiteraard spelen de contractverlengingen en de gunstige situatie op de civiele arbeidsmarkt een rol van betekenis bij de lagere instroom.

Het financiële effect van deze lagere aantallen wordt ongunstig beïnvloed door een stijging van het uit te keren bedrag (per jaar). Deze stijging is onder andere het gevolg van een toename in uitstromende militairen die reeds één of meerdere malen hun contract hebben verlengd en daardoor recht hebben op een hogere en een langduriger uitkering.

WAO en Bovenwettelijke arbeidsongeschiktheid

In verband met de keuze voor eigen risicodragerschap voor de WAO zijn de uitkeringsbedragen – voorzover betrekking hebbend op de eigen-risicoperiode – vanuit beleidsterrein 02. Pensioenen en uitkeringen overgeheveld.

Uitvoeringskosten

De intensievere begeleiding door het USZO van een wachtgeldgenietende leidt tot hogere uitvoeringskosten, die naar rato over de beleidsterreinen wordt verdeeld.

Uitgaven Sociaal Beleidskader

De uitgaven voor dit beleidskader nemen af als gevolg van de gunstige ontwikkelingen bij de uitgaven voor de SBK/UBMO-wachtgeldregelingen. De instroom c.q. verblijfsduur in deze regelingen zijn lager dan aangenomen in de ontwerpbegroting 1999 met betrekking tot de gevolgen van de reorganisaties bij het NATCO en de DM. Deze ontwikkelingen zijn nader toegelicht bij het desbetreffende artikelonderdeel.

De gevolgen van de verdere stroomlijning van de organisatie levert een kwalitatieve mismatch en overtolligheid op. Deze consequenties zijn in het onderstaande overzicht niet verwerkt, daar de Koninklijke landmacht zal trachten deze problematiek zelf op te lossen door de toepassing van herscholingstrajecten en herplaatsingsmogelijkheden.

De overige uitgaven verbonden aan het Sociaal Beleidskader, zoals uitgaven voor om-, her- en bijscholing en verplaatsingen van het hiervoor in aanmerking komende personeel, zijn bijgesteld voor met name de scholingskosten en outplacement.

De geplande uitgaven voor BDOS-personeel zijn voor de periode 2000–2004 niet bijgesteld.

De verantwoording van de hier vermelde uitgaven vindt plaats bij de desbetreffende artikelonderdelen «ambtelijk burgerpersoneel», «militair personeel», «overige personele uitgaven» en «wachtgelden en werkloosheidsuitkeringen».

 
Uitgaven Sociaal Beleidskader (x f 1000)1998199920002001200220032004
– om-, her-, bijscholing en outplacement13 3006 2006 2005 2004 0002 5001 500
– verplaatsen60050030050    
– wachtgelden SBK/UBMO burgerpersoneel23 50021 70019 70016 20013 10011 1008 700
– wachtgelden SBK/UBMO militair personeel42 30039 10025 50016 10013 00011 60010 800
– BDOS plaatsingen burgerpersoneel3 1004 7002 700    
– BDOS plaatsingen militair personeel22 50016 20011 5002 300  
Totaal uitgaven Sociaal Beleidskader105 30088 40065 90039 85030 10025 20021 000

04.21 Subsidies en bijdragen

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel worden uitgaven geraamd voor subsidies aan de stichtingen Koninklijk Nederlands Leger- en Wapenmuseum (KNLW) «Generaal Hoefer» en Jeugdwerk Duitsland. Deze stichtingen zijn uitsluitend of hoofdzakelijk werkzaam op het terrein van de Koninklijke landmacht. De doelstellingen van deze instanties worden uiteengezet in de subsidiebijlage.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999  1 8541 8531 8581 8611 861 
Mutaties 1e suppletore wet 1999  – 21– 20– 22– 22– 22 
Stand 1e suppletore wet 1999  1 8331 8331 8361 8391 839 
Nieuwe mutaties  
Stand ontwerpbegroting 2000 1 8331 8331 8331 8361 8391 8391 839
Stand ontwerpbegroting 2000 (in EUR 1000) 832832832833835835835

Aan de volgende instanties verstrekt de Koninklijke landmacht subsidies:

 
ArtikelonderdeelUitgaven
 1998199920002001200220032004
Stichting Jeugdwerk Duitsland250250250250250250250
Stichting KNLW «Generaal Hoefer»1 5831 5831 5831 5861 5891 5891 589
Totaal1 8331 8331 8331 8361 8391 8391 839

04.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel worden de uitgaven geraamd voor investeringen in groot materieel en infrastructuur die niet onder het begrotingsartikel 04.20 Personeel en Materieel worden geraamd en verantwoord.

Het beleid is gericht op verbetering van het bestaande materieel, opheffing van tekortkomingen, zowel kwantitatief als kwalitatief en de vervanging van verouderd materieel door modern hoogwaardig materieel. Door snelle ingrijpende ontwikkelingen van moderne technologieën worden hoge eisen gesteld aan het materieel, met name op de aspecten bescherming, vuurkracht, mobiliteit en leidbaarheid. Voor het materieel binnen de operationele eenheden van de Koninklijke landmacht is voor de komende jaren een aantal hoofdaandachtspunten onderkend, te weten verbetering van de logistieke ondersteuning, communicatiemiddelen, luchtverdedigingsmiddelen en geniematerieel. Daarnaast is het project Millennium opgenomen waarin fondsen zijn gereserveerd voor projectmatige detectie, analyse, reparatie en testen van systemen.

De herstructurering van de Koninklijke landmacht leidt tevens tot maatregelen op infrastructureel gebied. Het beleid is erop gericht de legering op het voor een beroepsleger beoogd kwalitatief niveau te brengen en tot een optimale kazernebelegging en oefen- en schietterrein indeling te komen. Bovendien worden infrastructuurprojecten uitgevoerd, welke noodzakelijk zijn als gevolg van de invoering van de ARBO-wet en milieuwetgeving.

De maatregelen naar aanleiding van de Hoofdlijnennotitie en overige taakstellingen hebben geleid tot een brede integrale prioriteitstelling in de planning van zowel de verplichtingen als de uitgaven van de investeringsprojecten. Vrijwel alle mutaties binnen de artikelonderdelen zijn terug te voeren op deze herijking. Om de mutaties overzichtelijk te houden zijn alleen de aanpassingen die in de Hoofdlijnennotitie genoemd worden of gerelateerd zijn aan de overige taakstellingen en mutaties die over het algemeen meer dan f 25 miljoen bedragen als beleidsrelevant aangemerkt en separaat weergegeven. De post «diversen» in zowel de verplichtingen als de uitgaven heeft derhalve een relatief grote omvang, maar bestaat dus uit een groot aantal relatief kleinere mutaties in projecten.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999  2 646 4301 131 0302 375 0181 081 346566 570 
Mutaties 1e suppletore wet 1999  – 1 058 8161 296 600177 800  
Stand 1e suppletore wet 1999  1 587 6142 427 6302 552 8181 081 346566 570 
Nieuwe mutaties:         
Verwerking Hoofdlijnennotitie en overige taakstellingen: (groot mate- rieel)         
– uitname BO-105C    – 15 500    
– aanpassing TICCS   – 278 000174 000    
– verkleinen en vertragen SHORAD   – 330 000 279 200  
– aanpassing mijnvervanging    – 25 000   
– aanpassing verschietbare mijnen   – 75 000    
– aanpassing verstrooibare mijnen     – 115 000  
– aanpassing Single Channel Radio Access   – 35 000  35 000 
– MILSATCOM naar KM    – 137 900   
– CIMIC   10 000     
– vertragen gevechtswaarde verbetering Leo-2  – 5 000– 73 000 – 22 000  
– vertragen wissellaadsystemen (proto's)  – 6 0006 000    
– vertragen wissellaadsystemen    – 108 000   
–  verkleinen project Logistiek 2000   – 4 000    
Hoofdlijnennotitie: (infrastructuur):         
– JADC    8 00010 0007 000 
– Oprichten BVE'n en Painfcien   32 00019 500   
– Opleg reserve materieel   18 000    
– Oprichten regiostaven NATCO   7 2001 600   
– Diversen (incl. opr. Constr.cie)   10 0004 5004 000  
Overige mutaties (Groot materieel):         
– Vervanging M109 (fase 1)   – 5 000– 715 000720 000  
– Vervanging straalzender    – 82 00077 600  
– Verstrooibare mijnen    – 115 000115 000  
– Aggregaten 60 KW   36 500– 36 500   
– GNK uitr. role 2  36 00049 140– 64 000   
– Verbrandingscapaciteit munitie   25 750    
– Licht verkennings- en bewakingsvoertuig   85 700    
– Vervanging mijnsysteem (luchtmobiel)   – 50 00050 000    
– Vervanging brugleggende tank Leopard 1     – 170 000   
– Herfaseren wissellaadsysteem    – 295 000– 45 000  
– Vervanging tenten en kachels      – 30 000 
– Battlefield management system     – 50 000  
– Vervanging MitrMAG   64 000– 64 000   
– Midlife Upgrade Zodiac   – 30 000    
– Diversen  – 20 114233 436– 11 04638 244– 400 
Overige mutaties (infrastructuur):         
– Overheveling naar Dico nieuwbouw OCMGD  – 2 400– 9 600– 3 520   
– Diversen  – 45 100117 796113 120– 97 119– 76 858 
Totaal nieuwe mutaties  – 42 614– 194 078– 1 301 746744 925– 65 258 
Stand ontwerpbegroting 20001 481 000490 4401 545 0002 233 5521 251 0721 826 271501 312906 300
Stand ontwerpbegroting 2000 (in EUR 1000)672 049222 552701 0901 013 542567 712828 726227 485411 261
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999  1 050 0281 133 6391 078 0411 201 1901 084 449 
Mutaties 1e suppletore wet 1999  13 46864 0006 000  
Stand 1e suppletore wet 1999  1 063 4961 197 6391 084 0411 201 1901 084 449 
Nieuwe mutaties:         
Verwerking Hoofdlijnennotitie en overige taakstellingen: (groot mate- rieel)         
– uitname BO-105C    – 5 000– 5 500– 5 000 
– aanpassing TICCS    – 20 000– 53 000– 16 000 
– verkleinen en vertragen SHORAD   – 27 800– 65 000– 15 000– 13 000 
– aanpassing mijnvervanging    – 15 000– 10 000   
– aanpassing verschietbare mijnen     – 35 000– 17 000 
– aanpassing verstrooibare mijnen     – 15 000– 40 000 
– aanpassing Single Channel Radio Access   – 8 000– 17 000– 10 00010 000 
– MILSATCOM naar KM    – 22 600– 32 600– 21 500 
– CIMIC   5 0005 000   
– herfaseren Pabestrijding L.D. (SFM)   – 7 500 7 500  
– herfaseren gevechtsveld controle radar   – 9 70019 600– 10 000  
– vertragen DS/IOT   – 18 0004 00015 000  
– herfaseren vervanging brugleggende tank   – 2 0003 0004 000– 5 000 
– Reductie Mob component   – 1 500– 3 000– 3 000– 5 000 
– verkleinen gevechtsw. verbetering Leo 2     – 2 000– 10 000 
– vertragen gevechtsw. verbetering Leo 2   – 20 000 10 00010 000 
– herfaseren Midlife upgrade Zodiac    – 7 0004 0003 000 
– Vervanging Zau MB      – 10 000 
– C2 impl. 1 GNC    – 5 000   
– herfaseren Stingerbol   – 9 000 9 000  
– herfaseren EOV fase 2   – 7 0007 000   
– vertragen wissellaadsystemen (proto's)   – 5 0005 000   
– herfaseren gevechtsdekkingen   –5 000 5 000  
– verkleinen project Logistiek 2000   – 4 000     
– Diversen    – 9002 1002 900 
Overige mutaties (Groot materieel):  – 15 976– 71 958– 58 2452 12757 508 
Hoofdlijnennotitie (infrastructuur):         
– JADC     5 00020 000 
– Oprichten BVE'n en Painfcien   9 00025 00017 500  
– Opleg reserve materieel   4 00011 0003 000  
– Oprichten regiostaven Natco   3 2005 600    
– Diversen (incl. oprichting constrcie)   7 0007 5004 000  
Overige mutaties (infrastructuur):         
– Overheveling > Dico nieuwbouw OCMGD  – 2 400– 9 600– 3 520   
– Diversen   – 13 818– 29 508– 41 029– 50 988 
Totaal nieuwe mutaties  – 18 376– 191 676– 159 073– 143 902– 90 080 
Stand ontwerpbegroting 2000 712 1681 045 1201 005 963924 9681 057 288994 369943 066
Stand ontwerpbegroting 2000 (in EUR 1000) 323 168474 255456 486419 732479 776451 225427 945

De onderverdeling naar artikelonderdelen

Onderstaand wordt inzicht gegeven in de onderdelen van het artikel, waarbij de belangrijkste ontwikkelingen binnen deze artikelonderdelen alsmede een nadere specificatie van grote projecten worden aangegeven. De maatregelen naar aanleiding van onder andere de Hoofdlijnennotitie hebben geleid tot een brede integrale prioriteitstelling in de planning van zowel de verplichtingen als de uitgaven van de investeringsprojecten. Vrijwel alle mutaties binnen de artikelonderdelen zijn terug te voeren op deze herijking. Om de mutaties overzichtelijk te houden zijn alleen de aanpassingen die in de Hoofdlijnennotitie genoemd worden en mutaties die over het algemeen meer dan f 25 miljoen bedragen als beleidsrelevant aangemerkt en separaat weergegeven. De post «diversen» in zowel de verplichtingen als de uitgaven heeft derhalve een relatief grote omvang, maar bestaat dus uit een groot aantal relatief kleinere mutaties in projecten.

Artikelonderdeel Automatisering

 
Bedragen x f 1000Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Automatisering88 809128 36480 99067 212139 87874 22057 16555 94363 85569 650

In dit onderdeel zijn de investeringsuitgaven opgenomen die samenhangen met de verwerving van informatiesystemen en met de automatisering die de bedrijfsvoering van de Koninklijke landmacht ondersteunen.

Een belangrijk aandachtspunt is het bereiken van een betere ondersteuning van de logistieke processen. Uitgaven zijn voorzien voor het project V-kaart, betreffende het ontwikkelen van een pc-beveiligingskaart. Voorts ligt het accent op het in 1999 in te voeren LAN-2000.

Ook de uitgaven voor de millenniumproblematiek en de aanpassingen in het kader van de euro zijn in dit onderdeel opgenomen.

Als gevolg van de verwerking van de Hoofdlijnennotitie en overige taakstellingen heeft een verkleining van het project Logistiek 2000 plaatsgevonden.

Artikelonderdeel Logistiek

 
Bedragen x f 1000Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Logistiek57 595106 523336 43049 69786 440100 400108 300139 67078 000128 220

Dit artikelonderdeel heeft betrekking op de investeringen in het kader van de logistieke ondersteuning van de Koninklijke landmacht. Het betreft de verwerving van een grote diversiteit aan uitrustingsstukken voor de uitvoering van logistieke taken. De in de jaren 2000 en 2001 geplande investeringen voor de oprichting van een CIMIC (Civil Military Cooperation)-groep zijn in dit artikelonderdeel opgenomen.

In de begroting is een aantal projecten voorzien om logistieke voertuigen die het einde van hun levensduur hebben bereikt, te vervangen. Zowel de materieelveroudering als de intensievere samenwerking in internationaal verband is voor de Koninklijke landmacht reden geweest om een aantal studies op het gebied van de logistiek te initiëren. De resultaten van de studies zijn mede bepalend voor de aard en aantallen van aan te schaffen materieel.

De uitgaven op dit artikelonderdeel worden gedaan voor de projecten lichte vrachtauto's en de prototypen voor het project wissellaadsystemen. Om de onderhoudskosten van in opslag gehouden materieel te verminderen worden droge luchtsystemen aangeschaft. Voor de verbetering van geneeskundige voorzieningen is in het verleden het project mobiele geneeskundige installaties verworven en voor explosie-veilige machines bij renovatie van munitie en verpakkingsmaterieel worden nu uitgaven voorzien. Er wordt rekening gehouden met de verwerving van vernietigingscapaciteit voor munitie (restanten), diverse typen aggregaten en de vervanging vrachtauto MB508 (gewondentransport).

De omvang van het project wissellaadsystemen is verkleind naar aanleiding van de voornemens uit de Hoofdlijnnotitie, terwijl verwerving van de prototypen voor dit project is vertraagd.

Artikelonderdeel Commandovoering, verbindingen en gevechtsinlichtingen

 
Bedragen x f 1000Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Commandovoering53 886142 300128 300156 991142 630160 71086 81096 62087 03080 600

De investeringen in dit onderdeel hebben betrekking op de communicatie- en informatiesystemen die het operationele command en control proces ondersteunen.

De ramingen voor dit artikelonderdeel hebben ondermeer betrekking op reeds aangegane verplichtingen voor de projecten Combat Net Radio, Remotely Piloted Vehicle (RPV) en de vervanging van Hoog Frequent Enkel Zijband radio's (HF-EZB) inclusief de manpackversie. Eveneens zijn uitgaven voorzien voor afstandbedieningsapparatuur.

Het project Single Channel Radio Access (SCRA), dat samen met Duitsland werd gevoerd, is in overleg tussen beide landen gestopt. Hiermee wordt invulling gegeven aan een deel van de restproblematiek in de Hoofdlijnennotitie. Gelet op de blijvende behoefte aan tactische mobiele communicatie wordt het project met enige vertraging, alternatief voortgezet.

Het project Military Satellite Communications (MilSatCom) is overgedragen aan de Koninklijke marine.

Project Remotely Piloted Vehicle (RPV)

 
Bedragen x f 1000Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
RPV 13 200  60 36041 830    

Het project RPV voorziet in middelen voor het verkrijgen van gevechtsinlichtingen op middelbare afstand. Hiertoe is in 1995 een verplichting aangegaan voor de levering van de «sperwer», een onbemand vliegtuigje. De totale financiële omvang van het project is f 156,5 miljoen. In 1999 zullen de eerste systemen worden afgeleverd.

Project Single Channel Radio Access (SCRA)

 
Bedragen x f 1000Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
SCRA 3 900 5 2003 3002 800  10 00025 000

Het project SCRA, dat samen met Duitsland werd gevoerd, is in overleg tussen beide landen gestopt. Gelet op de blijvende behoefte aan tactische mobiele communicatie wordt het project met enige vertraging, alternatief voortgezet. In de plannen is hiervoor ongeveer f 39 miljoen opgenomen. Als interimoplossing wordt voor de meest acute behoefte in 1999 voor f 8 miljoen HF-EZB apparatuur verworven.

Project midlife upgrade Zodiac

 
Bedragen x f 1000Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Zodiac 1 50082 200 1 680 24 20039 00019 000 

De basis voor dit project ligt in het feit dat het huidige tactische communicatiesysteem Zodiac is ingevoerd in de jaren 1980–1985 en volledig toegesneden op de destijds geldende operationele optreden. Om dit systeem aan te passen aan het gewijzigde operationeel optreden, aan de verdergaande digitalisering en aan de gewijzigde omvang en aard van de informatiestromen, alsmede in verband met de technische veroudering van systeemdelen dient het communicatiesysteem in de komende periode een midlife upgrade te ondergaan. Bij dit project is, in het kader van prioriteitsstelling, ervoor gekozen om vooruitlopend op verdergaande studie, de financiële omvang te beperken tot f 84,4 miljoen.

Artikelonderdeel Elektronisch materieel

 
Bedragen x f 1000Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Elektronisch materieel21 23484 30011 50020 11629 79016 76020 89026 50013 50013 500

In dit onderdeel zijn de investeringen opgenomen die betrekking hebben op middelen voor elektronische oorlogsvoering. De geraamde uitgaven hebben betrekking op de completering voor de eerste fase van het project elektronische oorlogsvoering (EOV) (inbegrepen de (beperkte) uitbreiding van het frequentiebereik van de verkenningssystemen voor het uitvoeren van vredesoperaties) en de verwerving van fase twee.

Project EOV fase 1

 
Bedragen x f 1000Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
EOV fase 1 39 30011 500 29 79011 7603 89015 5005 5005 500

Dit project voorziet de Koninklijke landmacht in middelen om vijandelijke eenheden te lokaliseren en te identificeren op basis van uitgezonden signalen. Hierbij bestaat tevens de mogelijkheid middels stoor- en misleidingsoperaties het gebruik van deze signalen te bemoeilijken. Het project heeft een financiële omvang van f 452,7 miljoen en bevindt zich in de eindfase.

Daarnaast zijn uitgaven geraamd voor de ontwikkeling van fase 2 van het EOV project.

Project EOV fase 2

 
Bedragen x f 1000Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
EOV fase 2 45 000   5 00017 00010 0005 0005 000

Dit systeem moet de Koninklijke landmacht in staat stellen om vijandelijke grondgebonden radaruitzendingen op te sporen, te identificeren en te lokaliseren. Voor de invulling van deze behoefte zal de Koninklijke landmacht bezien of Nederland na de Duitse prototypefase kan aansluiten bij dit project. Als gevolg van de verwerking van de Hoofdlijnennotitie en overige taakstellingen heeft een herfasering op dit project plaatsgevonden.

Artikelonderdeel NBC materieel

 
Bedragen x f 1000Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
NBC-materieel4 3798 80018 900 75014 24010 2407 80014 7006 500

Dit onderdeel staat in het teken van investeringen op het gebied van alarmerings-, verkennings-, beschermings- en ontsmettingsapparatuur. Hoewel internationaal wordt gestreefd naar het terugdringen van nucleaire, biologische en chemische (NBC) wapens blijft het risico reëel aanwezig dat Nederlandse militairen tijdens de uitvoering van hun taken worden geconfronteerd met (de dreiging van) dit soort wapens. Op het gebied van nucleaire en chemische alarmering, bescherming en verkenning is een aantal projecten in realisatie dan wel opgenomen in de plannen.

De uitgaven hebben betrekking op diverse NBC-voorzieningen waaronder het project compagnies-ontsmetting, de vervanging van tactische en residuele dosismeters en collectieve beschermingsmiddelen.

Artikelonderdeel Luchtverdediging

 
Bedragen x f 1000Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Luchtverdediging6 07124 20019 00065 20985 32069 32025 24014 30060 300102 000

De Koninklijke landmacht zal in de komende periode maatregelen treffen om de beschikbaarheid en inzetbaarheid van haar huidige luchtverdedigingssystemen zeker te stellen. Ter voorbereiding op de latere vervanging van luchtverdedigingsmiddelen participeert de Koninklijke landmacht nu in een multinationale Navo-studie die zich richt op de ontwikkeling van de opvolgers van deze middelen.

De uitgaven die in 2000 worden voorzien, betreffen reeds aangegane verplichtingen voor de projecten gevechtswaarde-instandhouding van de Pantserrups tegen Luchtdoelen (GWI-PRTL) en Stinger-RMP. In de planning is rekening gehouden met de uitgaven van een modificatie pakket voor de Stinger-RMP die zal worden aangebracht in relatie tot verbetering van de effectiviteit van helikopterdreiging.

In verband met het voornemen uit de Hoofdlijnennotitie tot de mogelijke oprichting van een Joint Air Defence Centre (JADC) inclusief een gezamenlijke school, wordt het huidige project Nieuwbouw Stingerbol 2 en modificatie Stingerbol 1 bevroren en wordt de bouw van twee Stingerbollen in de periode 2001–2002 op vliegbasis De Peel als mogelijk alternatief meegenomen in de uitwerking van de studie naar het JADC. In dit kader is ook de financiële omvang van het project Target Information Command and Control System (TICCS) neerwaarts bijgesteld.

Project Gevechtswaarde instandhouding PRTL

 
Bedragen x f 1000Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
PRTL 4 000  85 32068 79013 150   

Het project Gevechtswaarde instandhouding PRTL (GWI PRTL) wordt in samenwerking met Duitsland uitgevoerd. Het betreft het uitvoeren van basisonderhoud met een beperkt aantal verbeteringen (systeem aanpassingen). De gevechtswaarde instandhouding wordt uitgevoerd aan 60 stukken. De totale financiële omvang van dit project bedraagt f 388,1 miljoen.

Project SHORAD

 
Bedragen x f 1000Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
SHORAD        50 00090 000

Dit project Short Range Air Defence (SHORAD) betreft de verwerving van een aanvullende component voor de verdediging van eenheden en objecten die het mogelijk maakt om vliegtuigen en helikopters al op grotere afstand (circa tien kilometer) te kunnen bestrijden. Het systeem vormt een noodzakelijke aanvulling op de huidige luchtverdedigingsmiddelen. De totale financiële omvang van dit project voor de Koninklijke landmacht bedraagt f 279,2 miljoen. Dit project zal in samenwerking met de Koninklijke luchtmacht worden gerealiseerd. Een voornemen uit de Hoofdlijnennotitie is het SHORAD project in omvang te verkleinen en te temporiseren. De verwerving is nu voorzien vanaf 2002. Het SHORAD project is nauw gerelateerd aan het project TICCS. Beide projecten zullen integraal worden beschouwd, mede met het oog op mogelijke samenwerking met de Koninklijke luchtmacht in het Joint Air Defence Centre (JADC).

Artikelonderdeel Manoeuvre

 
Bedragen x f 1000Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Manoeuvre89 715628 0131 118 750157 918268 550263 603281 102450 165357 932253 239

Dit onderdeel heeft betrekking op investeringen die samenhangen met tanks, (gevechts)voertuigen en bewapening. Ook de onderwijsleermiddelen en simulatoren voor deze uitrustingsstukken vallen hieronder. Het project vervanging helikopter BO-105C is uit dit artikelonderdeel genomen.

Technologische ontwikkelingen leiden tot vernieuwde inzichten in operationeel optreden, of het nu gaat om de bondgenootschappelijke verdedigingstaak in Navo-verband of om vredesondersteunende operaties in VN-verband. Mede op grond hiervan is voor de gevechtstank Leopard 2 een verbeteringsprogramma gestart, dat de gevechtswaarde op een aanmerkelijk hoger peil brengt. De huidige pantserbestrijdingsmiddelen zijn technisch en operationeel verouderd en zullen worden vervangen.

In dit onderdeel is rekening gehouden met uitgaven voortvloeiende uit reeds aangegane verplichtingen voor onder meer de verbetering van de Leopard 2 en de instroom van pantservoertuigen voor vredesoperaties.

Voor de ontwikkeling van het project vervanging pantservoertuigen en het project MRAT/ATGW3 zijn de bestellingen gepland in 1999. Voor het duelsimulatoren en geïnstrumentaliseerd oefenterrein, het short range antitank wapen, het project TACTIS en de gevechtsveld controle radar zijn bestellingen voorzien in 2000.

In 1999 zal naar verwachting ook de beslissing worden genomen om het antitank wapen voor de middellange afstand aan te schaffen. De ontwikkeling voor het project Licht Verkennings- en Bewakingsvoertuig (LVB) vordert en wordt in samenwerking met Duitsland uitgevoerd. Met de verwerving van de serie voor dit project is in 2000 rekening gehouden. Op basis van de voornemens uit de Hoofdlijnennotitie is het project vervanging helikopter BO-105C uit dit artikelonderdeel genomen en worden de projecten pantserbestrijding lange dracht en gevechtsveld controle radar geherfaseerd.

Project Verbetering Leopard 2

 
Bedragen x f 1000Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Leopard 2 2 500221 600 145 660103 30057 21062 60026 00030 000

Het project Verbetering Leopard 2 wordt in fasen uitgevoerd, waarbij verbeteringen worden doorgevoerd in de commandovoeringsmogelijkheden en de bescherming door het aanbrengen van aanvullende bepantsering en in de vuurkracht door het aanbrengen van een verlengde schietbuis en de verwerving van verbeterde munitie. De Leopard 2 is daarmee in staat alle moderne tanks uit te schakelen.

Het aanbrengen van de verbeterde bescherming is voor een deel van het bestand reeds in realisatie.

Als gevolg van de verwerking van de Hoofdlijnennotitie en overige taakstellingen heeft een herfasering op dit project plaatsgevonden voor wat betreft de verlenging van de schietbuis. Daarnaast is de financiële omvang van het project neerwaarts bijgesteld naar aanleiding van het voornemen tot het opheffen van de mobilisabele tankbataljons en daarmee samenhangend het afstoten van een aantal tanks. De totale financiële omvang van dit project bedraagt f 781,8 miljoen.

Project Pantservoertuigen vredesoperaties

 
Bedragen x f 1000Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Pantservoertuigen    112 5209 930490   

Met het project Pantservoertuigen vredesoperaties heeft de Koninklijke landmacht een aantal jaren geleden in navolging van andere Navo-landen besloten de eisen ten aanzien van de bescherming van in het kader van VN-operaties uitgezonden personeel te verhogen. De verwerving van pantservoertuigen voor vredesoperaties heeft in 1997 plaatsgevonden en de eerste voertuigen zijn in de tweede helft van 1998 geleverd. De financiële omvang van dit project bedraagt f 162,8 miljoen.

Project Vervanging pantservoertuigen

 
Bedragen x f 1000Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Vervanging pantservoertuigen 75 000   17 00016 00016 00016 00010 000

Het project Vervanging Pantservoertuigen betreft de vervanging van alle pantservoertuigen van het type YPR en M577. Het project wordt gefaseerd uitgevoerd. Voor de vervanging van de YPR'n van de verkenningseenheden en alle M577-voertuigen zoekt Nederland aansluiting bij het Duits/Frans/Britse project «Pantserwielvoertuig».

Project Duelsimulatoren en instrumentatie

 
Bedragen x f 1000Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Duelsimulatoren  100 000  20 00034 00046 000  

Met het project Duelsimulatoren en instrumentatie wordt voorzien in een set duelsimulatoren en een mobiele instrumentatieset voor oefeningen van zowel operationele eenheden tot en met compagniesniveau, zo mogelijk in internationaal verband. Bij het project wordt gezocht naar samenwerkingsmogelijkheden met andere landen. De financiële omvang van dit project bedraagt ongewijzigd f 100 miljoen.

Het project is vertraagd bij de besluitvorming in de studiefase. Hiermee is mede invulling gegeven aan de verwerking van de Hoofdlijnennotitie en overige taakstellingen.

Artikelonderdeel Vuursteun

 
Bedragen x f 1000Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Vuursteun3 90154 40081 00042 03727 06027 49027 35039 55094 000122 000

Op dit onderdeel zijn de investeringen ten behoeve van de veldartillerie opgenomen. Voor doelopsporing zijn verbeteringen voorzien voor de voorwaartse waarnemers in de vorm van een opbouw op het waarnemingsvoertuig. Voor de langere afstanden worden de zogenaamde «grondgebonden doelopsporingsmiddelen ten behoeve van de grondwapensysteembestrijding» voorzien. Dit zijn geavanceerde radarsystemen, waarmee op grotere afstand, vijandelijke grondwapensystemen kunnen worden gelokaliseerd wanneer deze vuur uitbrengen.

Er zijn onder meer uitgaven geraamd voor fase 1 van het vuursteun-informatiesysteem (VUIST fase 1) met inbegrip van de integratie met de nieuwe Combat net radio en de integratie van mortieren in het project en van uitgaven voor artilleriemunitie en een prototype voor het project waarnemingsopbouw.

De verplichtingen voor het project vervanging M109 zijn in 2002 voorzien. Met name de uitgaven die met dit project samenhangen leiden vanaf 2003 tot oplopende uitgaven in dit artikelonderdeel.

Project VUIST fase 1

 
Bedragen x f 1000Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
VUIST fase 1 5 600  23 00016 820    

Het project VUIST 1 betreft een project om het vuursteuninformatie- systeem te automatiseren. De verplichting hiervoor is in 1997 aangegaan. De totale financiële omvang van dit project bedraagt f 118,7 miljoen. De leveringen zijn in de tweede helft van 1998 aangevangen.

In 2000 is de verwerving voorzien van de projecten VUIST 2, grondgebonden doelopsporingsmiddelen. De vervanging ballistisch meteostation en het project integratie mortieren in VUIST zijn verplicht in 1999.

Artikelonderdeel Gevechtssteun

 
Bedragen x f 1000Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Gevechtssteun5 69852 60043 00011 31925 81028 59035 80018 30032 00020 000

In dit onderdeel zijn investeringen opgenomen ten behoeve van geniematerieel. Tot dit onderdeel behoren ook de middelen voor de ondersteuning van de mobiliteit van de eigen eenheden. Het betreft hier onder andere brugslagmiddelen en middelen voor het onder operationele omstandigheden maken van doorgangen door vijandelijke mijnenvelden.

De voor 2000 voorziene uitgaven hebben betrekking op ondermeer geniemunitie en het onderzoek naar middelen ten behoeve van ontmijningsoperaties. Op de langere termijn zullen voorzieningen worden getroffen voor het verkrijgen van de mijndoorbraak capaciteit. In 1999 is de deelname in de ontwikkeling gepland voor het project vervanging brugleggende tank Leopard 1. De budgetten voor diverse mijnsystemen zijn naar aanleiding van de voornemens in de Hoofdlijnennotitie neerwaarts bijgesteld en geherfaseerd. In 2000 is de verwerving voorzien van het mijnenveegsysteem.

Artikelonderdeel Infrastructuur

 
Bedragen x f 1000Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Infrastructuur159 151315 500395 682141 669238 892250 630272 071208 440193 052147 357

Ten laste van dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd voor nieuwbouw en renovatie van kazernes mede als gevolg van de herstructurering van de Koninklijke landmacht op het gebied van legering van militairen en de aanvullende voorzieningen zoals compagniesburelen, voedings- en kantinefaciliteiten en opleidingsfaciliteiten. Voor bewaking en beveiliging van objecten worden infrastructurele en elektronische voorzieningen getroffen. Ook worden investeringen voorzien ten behoeve van de inrichting van oefen- en schietterreinen, onder meer voor het verkrijgen van oefenmogelijkheden voor vredes(ondersteunende) operaties. Daarnaast worden uitgaven voorzien voor de verplaatsing van het Opleidingscentrum Rijden naar de Strijpse Kampen in Oirschot. Op de langere termijn worden investeringen voorzien voor de verbetering van de infrastructuur van de Mechanische Centrale Werkplaats te Leusden. Binnen dit onderdeel worden eveneens de bodemsaneringsprogramma's gerealiseerd. Voorts zijn opgenomen de infrastructurele gevolgen van voornemens uit de Hoofdlijnennotitie onder meer de eerste fase aangaande verplaatsingen ten behoeve van de mogelijke oprichting van het Joint Air Defence Centre, noodzakelijke investeringen in met name Oirschot en Havelte en Wezep voor de verplaatsingen en oprichting van Brigadeverkenningseskadrons, extra parate pantserinfanteriecompagnieën en een extra genieconstructiecompagnie. In de ramingen zijn tevens de infrastructurele gevolgen voor de concentratie van opleg van materieel, de nieuwe indeling van de regio's bij het Nationaal Commando en de overheveling van logistieke taken van het Nationaal Commando naar 1(GE/NL)Legerkorps meegenomen. De overige mutaties betreffen een aantal investeringen die nodig zijn voor een nadere optimalisering van belegging van bestaande objecten, alsmede verschuivingen die hebben plaatsgevonden met betrekking tot diverse projecten.

05. BELEIDSTERREIN KONINKLIJKE LUCHTMACHT

Algemeen

De uitgaven binnen het artikel 05.20 Personeel en materieel bij het beleidsterrein Koninklijke luchtmacht zijn, naast het artikelonderdeel wachtgelden en inactiviteitswedden, verdeeld in drie ressorts: Tactische luchtmacht (TL), Decentrale Ondersteunende eenheden (DOE) en Hoofdkwartier Koninklijke luchtmacht (HKKLu). Het artikel 05.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur completeert de begroting van de Koninklijke luchtmacht.

De totaal geraamde uitgaven van de Koninklijke luchtmacht voor de jaren 1998 tot en met 2004 zijn als volgt te specificeren:

 
 1998199920002001200220032004
Uitgaven       
05.20 Personeel en materieel        
– Tactische Luchtmacht717 754753 752854 767845 061837 762832 503836 943
– Decentrale Ondersteunende eenheden347 381369 521273 924275 882274 864271 558271 280
– Hoofdkwartier Koninklijke Luchtmacht843 316850 833770 398819 876802 830822 493835 521
– Wachtgelden en inactiviteitswedden27 53925 30824 00421 32220 15618 37218 337
Totaal Personeel en materieel1 935 9901 999 4141 923 0931 962 1411 935 6121 944 9261 962 081
05.22 Groot materieel en infrastructuur997 122673 593389 926560 492635 438848 687821 103
Totale uitgaven (x NLG 1000)2 933 1122 673 0072 313 0192 522 6332 571 0502 793 6132 783 184
Totale uitgaven (x EUR 1000)1 330 9881 212 9581 049 6031 144 7211 166 6921 267 6861 262 954

05.20 Personeel en materieel

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Naar aanleiding van de gewijzigde begrotingsindeling als gevolg van de integratie van de begrotingsartikelen personeel en materieel en het Verbeterd Economisch Beheer (Kamerstukken II 1995/1996, 24 400 X, nr. 113) wordt sinds de begroting voor 1998 inzicht verschaft in de bedrijfsvoeringsuitgaven per organisatorisch ressort van Resultaat Verantwoordelijke Eenheden (RVE'n).

Het beleid is erop gericht de bevoegdheden en budgetten te leggen waar ook de uitvoering plaatsvindt, mits dit effectief en doelmatig is. Dit past in het beleid om via decentralisatie te komen tot een Verbeterd Economisch Beheer. Gelijktijdig met de reorganisatie van de topstructuur Koninklijke luchtmacht zijn in 1999 de depots bestuurlijk geïntegreerd tot het Logistiek Centrum KLu (LCKLu) en de scholen samengevoegd tot de Koninklijke Militaire School Luchtmacht (KMSL). Met deze reorganisatie worden taken, verantwoordelijkheden en budgetten gedecentraliseerd vanuit het ressort HKKLu naar de ressorts TL en DOE. Als gevolg daarvan heeft vanaf 2000 herschikking van RVE'n binnen de begrotingsindeling plaatsgevonden. Daarnaast zijn initiële leerlingen niet langer planmatig verdeeld over de diverse ressorts, maar (in lijn met de begrotingsbelasting) volledig verwerkt in het ressort DOE. Technische bijstellingen in de begrotingssterkte per categorie en ressort zijn hierdoor grotendeels te verklaren.

In het kader van een betere balans tussen leeftijds- en ervaringsopbouw en vergroting van de flexibiliteit streeft de Koninklijke luchtmacht naar een vergroting van het aantal BBT-ers onder gelijktijdige afname van het aantal BOT-ers. Planmatig wordt uitgegaan van een jaarlijkse groei van het aantal BBT-ers met ongeveer 2%. In combinatie met lopende en nog te voeren reorganisaties resulteert dit op termijn in een daling van de totale uitgaven militair personeel.

Per ressort worden vier vaste artikelonderdelen gepresenteerd: ambtelijk burgerpersoneel, militair personeel, overige personele uitgaven en materiële uitgaven. De wachtgelduitgaven voor het burger- en militair personeel worden op het artikelonderdeel 05.20.13 geraamd en verantwoord.

De uitgaven van het actief dienende personeel zijn geraamd met behulp van het Systeem Nieuwe Integrale Personeelsbegroting (SNIP). De uitkomst hiervan is aangepast voor de categorieën die niet in het SNIP zijn opgenomen en voor ontwikkelingen in de komende jaren.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999  1 918 7761 764 8771 836 3361 786 2311 842 596 
Mutaties 1e suppletore wet 1999  1521 5992 710– 1 210– 571 
Stand 1e suppletore wet 1999  1 918 9281 766 4761 839 0461 785 0211 842 025 
Nieuwe mutaties:         
– Tactische luchtmacht  23 55632 04927 67215 14215 006 
– Decentrale Ondersteunende Eenheden  9 893– 17 454– 18 818– 20 424– 19 998 
– Hoofdkwartier Koninklijke luchtmacht  22 483193 417230 010– 61 292– 62 505 
– Wachtgelden en inactiviteitswedden  1 2793 7103 7554 2514 778 
Totaal nieuwe mutaties  57 211211 722242 619– 62 323– 62 719 
Stand ontwerpbegroting 2000600 7882 028 3651 976 1391 978 1982 081 6651 722 6981 779 3061 882 092
Stand ontwerpbegroting 2000 (in EUR 1000)272 626920 432896 733897 667944 618781 726807 414854 056
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999  1 810 7751 827 0171 849 9911 880 5371 880 058 
Mutaties 1e suppletore wet 1999  56 552– 15 801– 12 090– 2 210– 22 971 
Stand 1e suppletore wet 1999  1 867 3271 811 2161 837 9011 878 3271 857 087 
Nieuwe mutaties:         
– Tactische luchtmacht  25 22232 04927 67215 14215 006 
– Decentrale Ondersteunende Eenheden  9 893– 17 454– 18 818– 20 424– 19 998 
– Hoofdkwartier Koninklijke luchtmacht  95 69393 572111 63158 31688 053 
– Wachtgelden en inactiviteitswedden  1 2793 7103 7554 2514 778 
Totaal nieuwe mutaties  132 087111 877124 24057 28587 839 
Stand ontwerpbegroting 2000 1 935 9901 999 4141 923 0931 962 1411 935 6121 944 9261 962 081
Stand ontwerpbegroting 2000 (in EUR 1000) 878 514907 295872 662890 381878 342882 569890 354

Toelichting op de nieuwe verplichtingen- en uitgavenmutaties

De nieuwe verplichtingen- en uitgavenmutaties worden naar oorzaak bij de ramingen van de ressorts en het artikelonderdeel Wachtgelden en inactiviteitswedden toegelicht.

Bij de bovenstaande ramingen behoren de volgende aantallen vte'n.

Opbouw begrotingssterkte (vte'n op basis van 38-urige werkweek)
Omschrijving199920002001200220032004
Burgers – stand begroting 199911 7171 6611 6291 6291 629 
Burgers – mutaties13837373737 
Burgers – stand ontwerpbegroting 200011 7551 6981 6661 6661 6661 666
MP/BOT – stand begroting 19998 0047 8337 6877 5987 525 
MP/BOT – mutaties– 208– 66– 122– 182– 184 
MP/BOT – stand ontwerpbegroting 20007 7967 7677 5657 4167 3417 266
MP/BBT – stand begroting 19993 4683 5373 6083 6803 755 
MP/BBT – mutaties0– 2– 40– 62– 61 
MP/BBT – stand ontwerpbegroting 20003 4683 5353 5683 6183 6943 768
Totale sterkte – stand begroting 199913 18913 03112 92412 90712 909 
Totale sterkte – mutaties– 170– 31– 125– 207– 208 
Totale sterkte – stand ontwerpbegroting 200013 01913 00012 79912 70012 70112 700

1exclusief niet-actief burgerpersoneel (zie tevens bijlage 13)

Toelichting

De stijging van de begrotingssterkte burgerpersoneel ten opzichte van de begroting 1999 betreft de technische bijstelling om de begrotingssterkte in lijn te brengen met de gewenste sterkte.

De daling van de aantallen militair personeel wordt met name veroorzaakt door de verwerking van de maatregelen uit het Regeerakkoord 1998 en de Hoofdlijnennotitie. Binnen het totaal van militair personeel is dan ook rekening gehouden met een jaarlijkse groei van het aantal BBT-ers van 2%, onder gelijktijdige afname van het aantal BOT-ers.

Ressort Tactische Luchtmacht (TL)

Het ressort Tactische Luchtmacht bestaat uit de volgende clusters van Resultaat Verantwoordelijke Eenheden:

a. Jachtvliegtuigen, bestaande uit de F-16 vliegbases Leeuwarden, Twenthe en Volkel. Op dit moment maken ook de Object-Luchtverdedigingseenheden (OLVD) deel uit van deze subplanningseenheid. De OLVD-eenheden beschikken over SHORAD wapensystemen (HAWK, Flycatcher/40L70 en STINGER). Daarnaast beschikt de Vliegbasis Leeuwarden nog over een Search & Rescue eenheid uitgerust met 3 AB-412 helikopters.

b. Tactische Helikoptergroep KLu (THGKLu) omvattende de vliegbases Soesterberg en Gilze Rijen. De THGKLu beschikt over transporthelikopters (CH47 Chinook, AS-532 Cougar), gevechtshelikopters (AH-64 A/D Apache) en Light Utility Helikopters (Bo-105 en Alouette III).

c. Grond-Lucht Geleide Wapens (GLGW) bestaande uit de Groep Geleide Wapens op de De Peel. Deze eenheid opereert met PATRIOT, HAWK en STINGER wapensystemen.

d. Luchttransport opererend vanaf de Vliegbasis Eindhoven met KDC-10, C-130H, Fokker 50/60 en Gulfstream transportvliegtuigen.

e. «Air Operations Control» Station bestaande uit het Command and Reporting Centre (CRC) en het MILATCC Nieuw Milligen.

Daarnaast is er nog een aantal kleinere eenheden die rechtstreeks onder de CTL vallen zoals de Luchtmacht Meteorologische Groep en de 2e Luchtmacht Verbindingsgroep.

De verplichtingen en uitgaven Tactische Luchtmacht

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingen
 1998199920002001200220032004
05.20.01 Ambtelijk burgerpersoneel32 73433 74632 20930 49930 45530 04230 042
05.20.02 Militair personeel529 130550 383643 690630 819619 955616 235617 975
05.20.03 Overige personele uitgaven43 66161 28957 90560 74262 31359 14961 849
05.20.04 Materiële uitgaven113 895106 668120 963123 001125 039127 077127 077
Stand ontwerpbegroting 2000719 420752 086854 767845 061837 762832 503836 943
Stand 1e suppletore begroting 1999 728 530822 718817 389822 620817 497 
Nieuwe mutaties 23 55632 04927 67215 14215 006 
De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelUitgaven
 1998199920002001200220032004
05.20.01 Ambtelijk burgerpersoneel32 73433 74632 20930 49930 45530 04230 042
05.20.02 Militair personeel529 130550 383643 690630 819619 955616 235617 975
05.20.03 Overige personele uitgaven43 97861 60657 90560 74262 31359 14961 849
05.20.04 Materiële uitgaven111 912108 017120 963123 001125 039127 077127 077
Stand ontwerpbegroting 2000717 754753 752854 767845 061837 762832 503836 943
Stand 1e suppletore begroting 1999 728 530822 718817 389822 620817 497 
Nieuwe mutaties 25 22232 04927 67215 14215 006 
Specificatie nieuwe mutaties (bedragen x f 1000)
Omschrijving19992000200120022003
Technische bijstellingen:      
– loon- en prijsaanpassingen 199925 28827 71627 92025 80333 371
– decentralisatie12 64620 02920 11419 61121 250
Sub-totaal technische bijstellingen37 93447 74548 03445 41454 621
      
Beleidsmatige bijstellingen:      
– aanpassing van de begrotingssterkte– 8 108– 13 826– 19 690– 26 885– 34 548
– overige bijstellingen, per saldo– 4 604– 1 870– 672– 3 387– 5 067
Sub-totaal beleidsmatige bijstellingen:– 12 712– 15 696– 20 362– 30 272– 39 615
Totaal van de nieuwe mutaties25 22232 04927 67215 14215 006

Toelichting op de nieuwe mutaties:

Technische bijstellingen

Loon- en prijsaanpassingen 1999

De uitgavenniveaus zijn aangepast aan het loon- en prijsniveau 1999.

Decentralisatie

Als gevolg van de reorganisatie topstructuur Koninklijke luchtmacht en de daarmee gepaard gaande verdere decentralisatie van verantwoordelijkheden en bevoegdheden van het HKKLu naar het TL-ressort, zijn eveneens de bijbehorende budgetten gedecentraliseerd (De maatregelen uit de Hoofdlijnennotitie zijn vooralsnog arbitrair in het ressort verwerkt).

Beleidsmatige bijstellingen

Aanpassing van de begrotingssterkte

De aanpassing van de raming burgerpersoneel is deels een effect van de herschikking binnen de ressorts en deels een effect van het laatste jaar van de vertraagde afbouw van het burgerpersoneelsbestand. De aanpassing van de uitgavenreeks militair personeel is het gevolg van de maatregelen naar aanleiding van het Regeerakkoord 1998 en de aanpassing van de ressortindeling.

Overige mutaties

Een aantal kleinere bijstellingen is doorgevoerd als gevolg van meeruitgaven voor de exploitatie van de Tactische Helikopter Groep en de Vliegbasis Eindhoven en wettelijke verplichtingen (Arbo, Beroepen Individuele Gezondheidszorg). Voor het compenseren van de achtergebleven werving BBT, een verhoogd irregulier verloop BOT, alsmede voor het opvangen van piekbelastingen heeft ook aanpassing van de budgetten voor inhuur tijdelijk personeel plaatsgevonden (f 1,385 miljoen).

Operationele doelstellingen ressort Tactische Luchtmacht

Het uiteindelijke product van de Koninklijke luchtmacht bestaat uit het leveren van slagkracht. De slagkracht van de Koninklijke luchtmacht komt tot uiting in de operationele doelstellingen waaraan de Koninklijke luchtmacht dient te voldoen. Deze operationele doelstellingen betreffen vooral inzet en gereedheid ten behoeve van crisisbeheersingsoperaties. Hierbij valt op te merken dat de THGKLu nog niet volledig inzetbaar is als gevolg van het niet voltallig zijn van de gehele vloot helikopters. De planning is dat medio 2003 de gehele THGKLu de «Fully Operational Capability» (FOC) -status zal bereiken.

Doelstellingen operationele gereedheid ressort Tactische Luchtmacht*
Gereedheidstermijn Type eenheidbinnen 2 dagenbinnen 5 dagenbinnen 10 dagenbinnen 20 dagenbinnen 30 dagenbinnen 60 dagenbinnen 180 dagenbinnen 365 dagen
Air Operations Control Station**1        
Squadron jachtvliegtuigen 14 1   
Objectluchtverdedigingseenheid 11      
Triad squadron 11 2   
Squadron Lutra tankervliegtuigen 1       
Squadron Gevechts helikopters   2     
Squadron Transport helikopters   2    
Squadron Light Utility helikopters   1***  1*** 

* Voor nationale taken zijn alle eenheden van het ressort Tactische Luchtmacht op korte termijn beschikbaar

** inclusief radar post noord

*** betreft 12 helikopters

Activiteiten

Het ressort TL heeft de volgende hoofdactiviteiten:

– het inzetbaar maken en houden van de operationele eenheden van de Koninklijke luchtmacht;

– het inzetten van de operationele eenheden van de Koninklijke luchtmacht.

Deze activiteiten bestaan onder meer uit oefeningen van de verschillende eenheden, onderhoud en vlieguren en zijn vastgelegd in taakopdrachten. Omdat de nadruk van de inzet van de Koninklijke luchtmacht vooral ligt bij crisisbeheersingsoperaties, zullen de activiteiten deels onder crisisbeheersingsomstandigheden worden uitgevoerd. Dit betekent onder meer dat oefeningen in het buitenland onder primitieve omstandigheden worden uitgevoerd. Voorshands zijn de navolgende vlieguren en man(oefen)dagen gepland:

 
 Meeteenheidontwerpbegroting 1999vermoedelijke uitkomsten 1999raming 2000raming 2001
Jachtvliegtuigenvlieguren25 10025 10024 40023 500
OLVDmanoefendagen14 54514 54514 54514 545
Luchttransportvlieguren9 5009 5009 5008 000
Groep Geleide Wapensmanoefendagen20 36020 36020 36020 360
Taktische Helikopter Groepvlieguren17 91617 91619 23520 384
Gebruiksonderhoudmandagen3 5783 5783 5783 578

Behalve de hierboven genoemde activiteiten zullen tevens activiteiten in het kader van rampenbestrijding, calamiteitenbestrijding en (maatschappelijke) steunverlening worden gehouden.

Ressort Decentrale Ondersteunende Eenheden

Het ressort Decentrale Ondersteunende Eenheden bestaat uit het Depot Mechanisch Vliegtuigmaterieel en Straalmotoren (DMVS), het Depot Elektronisch Materieel (DELM), de Defensie Pijpleiding Organisatie (DPO), de Koninklijke Militaire School Luchtmacht (KMSL) en een aantal overige kleine organisatie-elementen zowel nationaal als internationaal. In 2000 wordt de bestuurlijke integratie van de depots tot het Logistiek Centrum Koninklijke luchtmacht (LCKLu) afgerond.

De verplichtingen en uitgaven Decentrale Ondersteunende Eenheden

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en de uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingen en uitgaven
 1998199920002001200220032004
05.20.05 Ambtelijk burgerpersoneel49 53151 27649 34348 31248 24247 60747 607
05.20.06 Militair personeel225 326242 591151 623149 537148 075147 888147 888
05.20.07 Overige personele uitgaven23 14729 41618 30820 14020 32919 98919 989
05.20.08 Materiële uitgaven49 37746 23854 65057 89358 21856 07455 796
Stand ontwerpbegroting 2000347 381369 521273 924275 882274 864271 558271 280
Stand 1e suppletore begroting 1999 359 628291 378294 700295 288291 556 
Nieuwe mutaties 9 893– 17 454– 18 818– 20 424– 19 998 
Specificatie nieuwe mutaties (bedragen x f 1000)
Omschrijving19992000200120022003
Technische bijstellingen:      
– loonaanpassingen 199911 6447 5837 0746 7426 487
Sub-totaal technische bijstellingen11 6447 5837 0746 7426 487
Beleidsmatige bijstellingen:      
– aanpassing van de begrotingssterkte– 4 271– 29 240– 29 783– 31 180– 30 492
– overige bijstellingen, per saldo2 5204 2033 8914 0144 007
Sub-totaal beleidsmatige bijstellingen:– 1 751– 25 037– 25 892– 27 166– 26 485
Totaal van de nieuwe mutaties9 893– 17 454– 18 818– 20 424– 19 998

Toelichting op de nieuwe mutaties:

Technische bijstellingen

Loonaanpassingen 1999

De uitgavenniveaus zijn aangepast aan het loonniveau 1999.

Beleidsmatige bijstellingen

Aanpassing van de begrotingssterkte

De lagere raming voor burgerpersoneel is een gevolg van de reorganisatie van de scholen en depots, alsmede van de verdere afbouw van het burgerpersoneelsbestand van de Koninklijke luchtmacht. Ook is met de herschikking van de ressorts per 2000 een aantal burgerfuncties overgeheveld naar het ressort Tactische Luchtmacht. Op grond van de nieuwe indeling worden bovendien de uitgaven voor leerlingen niet langer procentueel verdeeld over de ressorts maar volledig toegewezen aan het LCKLu in het ressort DOE.

Overige bijstellingen

De overige bijstellingen bestaan uit een groot aantal kleinere mutaties van diverse aard. Zo zijn de ramingen voor inhuur van tijdelijk personeel aangepast (f 1,929 miljoen) vanwege het uitvoeren van een aantal projecten, achterblijvende werving, een verhoogd irregulier verloop BOT, alsmede voor het opvangen van piekbelastingen. Daarnaast is voornamelijk als gevolg van de bestuurlijke integratie van de depots en de samenvoeging van de scholen meer inhuur O-, I- en A-deskundigheid benodigd (f 1,992 miljoen).

Activiteiten

De activiteiten die door het ressort DOE worden uitgevoerd zijn erop gericht zodanige voorwaarden te scheppen dat de eenheden van de Koninklijke luchtmacht zowel qua materieel als in personeel opzicht kunnen voldoen aan de vereiste operationele doelstellingen.

De activiteiten binnen het materieel-logistieke functiegebied omvatten het innoveren, instandhouden en verbeteren van de wapen- en overige systemen van de eenheden van de Koninklijke luchtmacht en het beschikbaar stellen van de materiële middelen die nodig zijn om het materieel van de Koninklijke luchtmacht in gebruiksgerede staat te brengen en te houden. De systemen waar de activiteiten betrekking op hebben betreffen F-16 jachtvliegtuigen, helikopters, lesvliegtuigen, geleide wapens en overige systemen. Voor het jaar 1999 tot en met 2001 zijn voor de genoemde systemen de volgende directe uren (capaciteit) gepland. De activiteiten en uren voor het beheer en de distributie van reservedelen en de indirecte uren zijn niet in het overzicht opgenomen.

 
Omschrijving (aantal uren x 1000)Ontwerp-begroting 1999Vermoedelijke uitkomsten 1999Raming 2000Raming 2001
DMVS    
– Planmatig/preventief aantal uren     
onderhoud/modificatie180231219220
– Aantal uren incidenteel/correctief onderhoud213187193195
– Aantal uren engineering87155159159
Totaal aantal uren480573571574
DELM    
– Planmatig/preventief aantal uren onderhoud/modificatie188177150134
– Aantal uren incidenteel/correctief onderhoud104121117115
– Aantal uren engineering64615454
Totaal aantal uren356359321303
Totaal    
– Planmatig/preventief aantal uren onderhoud/modificatie368408369354
– Aantal uren incidenteel/correctief onderhoud317308310310
– Aantal uren engineering151216213213
Totaal aantal uren836932892877

Bij de totstandkoming van de bestuurlijke integratie van DMVS en DELM zullen taken, bevoegdheden en budgetten worden gedecentraliseerd.

Verwacht wordt dat het preventief onderhoud DMVS nagenoeg constant blijft. Enerzijds zal de werklast voor de MLU F-16 modificatie afnemen. Anderzijds zal de werklast voor helikopterinspecties toenemen. Doordat een aantal grote modificatieprojecten ten einde loopt, neemt op DELM de werklast voor planmatig/preventief onderhoud af. Verwacht wordt dat de werklast verbonden aan correctief onderhoud op beide depots nagenoeg constant blijft.

De activiteiten van het opleidingsinstituut KMSL bestaat uit het verzorgen van opleidingen, in principe voor militair personeel, die niet worden verzorgd aan de Koninklijke Militaire Academie of het Instituut Defensie Leergangen. De opleidingsactiviteiten omvatten het geven van initiële- en bijscholingsopleidingen om nieuw en zittend personeel gereed te maken en te houden om te functioneren bij de Koninklijke luchtmacht. Verder worden cursussen en opleidingen gegeven die noodzakelijk zijn voor het vervullen van een functie en worden opleidingen verzorgd die noodzakelijk zijn om in aanmerking te kunnen komen voor een hogere functie en/of rang. Voor 1999 tot en met 2001 staan de volgende aantallen cursisten gepland:

 
Aantal cursisten ontwerp-begroting 1999vermoedelijke uitkomsten 1999raming 2000raming 2001
– algemene militaire en kaderopleidingen1 050852852858
– initiële opleidingen1 000717717717
– loopbaanopleidingen400328328328
– overige opleidingen111 0003 1533 2003 200
Totaal13 4505 0505 0975 103

1Met ingang van de begrotingsuitvoering 1999 is de definitie van de prestatie-indicator «overige opleidingen» gewijzigd. De opleidingen die worden gegeven door het IDL, de KMA en externe instanties worden vanaf dat moment buiten beschouwing gelaten. Derhalve worden nu alleen de opleidingen c.q. de prestaties van de KMSL weergegeven.

Ressort Hoofdkwartier Koninklijke luchtmacht (HKKLu)

Het ressort HKKLu wordt na de herziening topstructuur gevormd door de Staf Bevelhebber der Luchtstrijdkrachten, bestaande uit de Staf Plaatsvervangend Bevelhebber der Luchtstrijdkrachten (PBDL), de Directie Materieel KLu (DMKLu), de Directie Personeel KLu (DPKLu), de Directie Control KLu (DCKLu) en daarnaast het Korps Luchtmachtstaven (KLS).

De verplichtingen en uitgaven Hoofdkwartier Koninklijke luchtmacht

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingen
 1998199920002001200220032004
05.20.09 Ambtelijk burgerpersoneel42 97643 63642 75041 85741 79641 24541 245
05.20.10 Militair personeel86 93190 69785 07885 01284 74784 62184 581
05.20.11 Overige personele uitgaven180 575123 22686 436177 367103 361100 52292 437
05.20.12 Materiële uitgaven623 983572 374611 239635 164360 012430 485575 889
Stand ontwerpbegroting 2000934 465829 933825 503939 400589 916656 873794 152
Stand 1e suppletore begroting 1999 807 450632 086709 390651 208719 378 
Nieuwe mutaties 22 483193 417230 010– 61 292– 62 505 
De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelUitgaven
 1998199920002001200220032004
05.20.09 Ambtelijk burgerpersoneel42 97643 63642 75041 85741 79641 24541 245
05.20.10 Militair personeel86 93190 69785 07885 01284 74784 62184 581
05.20.11 Overige personele uitgaven191 785140 111153 216152 218136 076125 863126 356
05.20.12 Materiële uitgaven521 624576 389489 354540 789540 211570 764583 339
Stand ontwerpbegroting 2000843 316850 833770 398819 876802 830822 493835 521
Stand 1e suppletore begroting 1999 755 140676 826708 245744 514734 440 
Nieuwe mutaties 95 69393 572111 63158 31688 053 
Specificatie van de nieuwe uitgavenmutaties (bedrag x f 1000)
Omschrijving19992000200120022003
Technische bijstellingen:      
– loon- en prijsaanpassingen 199917 63315 94916 18116 50920 819
– decentralisatie– 12 646– 20 029– 20 114– 19 611– 21 250
Sub-totaal technische bijstellingen:4 987– 4 080– 3 933– 3 102– 431
Verwerking Hoofdlijnennotitie en overige taakstellingen:      
– onderhoud 306 Sqn  – 2 400– 4 800– 6 800
– onderhoud 120 Sqn  – 2 000– 2 000– 2 000
– militair personeel 306 Sqn  – 11 500– 18 900– 18 900
– vliegtuigbrandstoffen 306 Sqn  – 7 800– 7 800– 7 800
– stalling taakstelling efficiencybesparing – 15 675   
      
Overige beleidsmatige bijstellingen:      
– aanpassing van de begrotingssterkte– 2 15837 61338 20738 05937 862
– inhuur tijdelijk personeel6 1608 3674 9985 4985 498
– vliegopleidingen F-16/heli 20 20017 50010 0005 400
– M3/M4-tape en software aanpassingen7 00011 60012 20012 40017 600
– onderhoud F-168 10010 00011 70011 00013 700
– automatisering informatievoorziening 4 7007 7007 3004 800
– onderhoud infrastructuur1 5003 5005 000  
– munitie 3 0006 0003 000 
– leasekosten Apache-A17 500     
– reservedelen heli's10 000     
– overige projecten, per saldo42 60414 34735 9597 66139 124
Sub-totaal beleidsmatige bijstellingen:90 70697 652115 56461 41888 484
Totaal van de mutaties95 69393 572111 63158 31688 053

Toelichting nieuwe mutaties

Technische bijstelling

Loon- en prijsaanpassingen 1999

De uitgavenniveaus zijn aangepast aan het loon- en prijsniveau 1999.

Decentralisatie budgetten

Als gevolg van de reorganisatie topstructuur en de daarmee samenhangende verdere decentralisatie van verantwoordelijkheden en bevoegdheden (Verbeterd Economisch Beheer), vindt decentralisatie van budgetten naar de ressorts TL en DOE plaats.

Beleidsmatige bijstelling

Aanpassing van de begrotingssterkte

De verhoging van de verplichtingen (f 37,360 miljoen) en uitgaven ten behoeve van burger- en militair personeel is het gevolg van een technische bijstelling vanuit de ressorts TL en DOE (gewijzigde ressortindeling). In deze raming zijn met name de effecten te zien van de herziening topstructuur Koninklijke luchtmacht en de verdere decentralisatie.

Onderhoud, militair personeel en vliegtuigbrandstoffen betreffende het 306 Squadron en het onderhoud betreffende het 120 Squadron

Het opheffen van 306 Squadron en het integreren van 120 opleidingssquadron in het vierde TRIAD Squadron leiden tot een neerwaartse bijstelling van de ramingen.

Inhuur tijdelijk personeel

Voornamelijk als gevolg van vacatures in enkele kritische functiegroepen is het noodzakelijk de ramingen voor inhuur van tijdelijk personeel in 1999 en 2000 aan te passen. Deze inhuur geschiedt grotendeels ten behoeve van de ressorts TL en DOE.

Vliegopleidingen F-16 en helikopters

De uitgaven voor de vliegopleidingen worden geraamd en verantwoord bij het artikelonderdeel overige personele uitgaven. De vliegopleidingen worden voor het grootste deel gegeven in de Verenigde Staten. Als gevolg van autonome prijsstijgingen per cursusplaats moeten de ramingen voor zowel de F-16 als de helikoptervliegopleidingen worden bijgesteld. Tevens zijn meeruitgaven geraamd voor de conversie-opleiding van de Apache-A naar -D. De uitgaven voor deze vliegopleidingen sluiten aan bij de verplichtingen (contracten).

M3/M4-tape en software-aanpassingen

In de ontwerp-begroting 1999 zijn de benodigde fondsen voor de aanpassingen van de operationele software van de F-16 in het investeringsartikel 05.22 opgenomen. Daar het regulier onderhoud betreft zijn deze fondsen nu opgenomen in de materiële uitgaven.

Onderhoud F-16 vliegtuigen

Teneinde haar eigen onderhoudscapaciteit doelmatiger te kunnen invullen en de aanwezige overcapaciteit, die tot op heden in stand gehouden werd om in de behoeften van F-16 vliegende landen te voorzien, af te kunnen bouwen, heeft de Amerikaanse luchtmacht besloten zelf geen ondersteuning in het onderhoud meer te leveren doch dit uit te besteden bij commerciële bedrijven. Dit heeft voor de Koninklijke luchtmacht geleid tot een aanzienlijke stijging van de prijzen. Bovendien moet in het eerste kwartaal van 2000 een nieuw onderhoudscontract worden afgesloten. Met het afsluiten van een nieuw onderhoudscontract (2000 en 2001) zijn forse aanbetalingen gemoeid.

Automatisering informatievoorziening

Een actualisering van het informatievoorzieningsplan heeft geleid tot een verhoging van de raming voor exploitatie (onderhoud) van de systemen. Hierbij is tevens rekening gehouden met de exploitatie van nog in te voeren nieuwe IV-projecten.

Onderhoud infrastructuur

Mede als gevolg van wettelijke bepalingen dienen de ramingen voor (groot) onderhoud aan de infrastructuur van de Koninklijke luchtmacht te worden aangepast.

Munitie

Ten behoeve van de vervanging van 20 mm (trainings)munitie, «flares» en «squibs» en de vervanging van 40L70 HE-munitie is het noodzakelijk de ramingen voor munitie aan te passen.

Stalling taakstelling efficiencybesparing

De uit de Hoofdlijnennotitie en de Miljoenennota 2000 voortvloeiende taakstelling voor het jaar 2000 is in afwachting van concrete maatregelen gestald.

Overige bijstellingen

De overige bijstellingen betreffen diverse mutaties zoals een aanpassing van het automatiseringsbudget (als gevolg van hogere uitgaven voor systeemontwikkeling door DTO) en een meerbehoefte aan onderhoud van overige systemen, installaties en materieel.

Toelichting op de verplichtingenmutaties

De verplichtingenmutaties zijn voor een belangrijk deel gelijk aan die bij de uitgavenmutaties. De belangrijkste uitzonderingen hierop hebben betrekking op:

– het onderhoud aan F-16 jachtvliegtuigen (+ f 302,188 miljoen, aangezien deze verplichting, in tegenstelling tot de gebruikelijke jaarlijkse verplichting, nu in één keer in 2000 wordt aangegaan voor de realisatieperiode 2000–2008);

– gewijzigde aanbestedingsmomenten voor de onderhoudscontracten helikopters (+ f 12,281 miljoen);

– op grond van de huidige gegevens over de planning van contractsluitingen voor vliegopleidingen vindt een neerwaartse bijstelling plaats van f 15,581 miljoen in het jaar 2000;

– als gevolg van de bestaande voorraad en voorgenomen opheffing van het 306 Squadron worden de verplichtingen voor vliegtuigbrandstoffen verlaagd met f 46,022 miljoen.

Activiteiten

De activiteiten van het ressort HKKLu omvatten:

– het voeren van het operationele beleid van de Koninklijke luchtmacht;

– leidinggevende en ondersteunende werkzaamheden ten behoeve van de onder de Koninklijke luchtmacht ressorterende eenheden;

– het er mede voor zorg dragen dat de eenheden van de Koninklijke luchtmacht kunnen voldoen aan de gestelde normen en randvoorwaarden;

– het voeren van een personeelsbeleid dat erop is gericht de Koninklijke luchtmacht te allen tijde en in alle omstandigheden te doen beschikken over de gewenste aantallen, op hun taak berekend en gemotiveerd personeel;

– het voeren van materieelbeleid gericht op de materieel-logistieke processen «voorzien in», «instandhouding» en «afvoeren»;

– het bevorderen en bewaken van de doelmatigheid en doeltreffendheid van de Koninklijke luchtmacht door het vormgeven aan en het uitvoeren van het financieel-economisch beleid en het toetsen van de rechtmatigheid van de bestedingen.

Het ressort HKKLu wordt vanaf 1999 geherstructureerd. Hiermee zal een duidelijker scheiding tussen de taakvelden «beleid en plannen» en «beheer en uitvoering» plaatsvinden. Dit leidt tot een nadrukkelijker leggen van het taakveld beheer en uitvoering bij de ressorts TL en DOE (LCKLu en KMSL) die integraal door de BDL worden aangestuurd. De coördinatie en integratie van de bestuurlijke processen beleidsvorming, planvorming en behoeftestelling blijft bij het HKKLu liggen (Staf PBDL). De functionele beleidsdirecties (DMKLu, DPKLu en DCKLu) behouden in de nieuwe organisatie hun verantwoordelijkheden en bevoegdheden op de respectieve functionele terreinen waar het betreft het formuleren van beleid.

Uitgavenverdeelstaat

 
bedragen x f 1000199920002001200220032004
Uitgaven HKKLu850 833770 398819 876802 830822 493835 521
Volledig toe te rekenen aan:       
– apparaatsuitgaven HKKLu277 681225 728139 468137 315127 922153 912
Specifiek (uniek) toe te rekenen aan:       
– ressort TL105 093102 110100 52995 48283 40186 675
– ressort DOE265 720341 182353 441360 593372 975383 585
Niet specifiek toe te rekenen202 339117 053226 438209 440238 195211 349
Stalling taakstelling efficiencybesparing – 15 675    

Toelichting op de uitgavenverdeelstaat

De salarissen in het ressort HKKLu zijn in tegenstelling tot de ontwerpbegroting 1999 geheel toegerekend aan de apparaatsuitgaven HKKLu.

De initiële vliegopleidingen die onderdeel uitmaken van de overige personele uitgaven worden toegerekend aan het ressort DOE.

De materiële uitgaven die alleen aan TL zijn toe te rekenen, betreffen vooral het belangrijkste deel uitgaven ten behoeve van vliegtrainingen en oefeningen (waaronder de oefeningen Goose Bay en Red Flag). Deze uitgaven worden met de reorganisatie van de topstructuur van de Koninklijke luchtmacht gedecentraliseerd naar het TL-ressort.

De materiële uitgaven die uniek aan DOE zijn toe te rekenen betreffen voor het belangrijkste deel de aanschaf van onderdelen voor de helikopters en de vastvleugelige vliegtuigen, vliegtuigonderhoud (inbesteed en uitbesteed) en onderhoud bewapeningsmaterieel en het aandeel van de Koninklijke luchtmacht in het budget voor het Central European Pipeline System (CEPS) en de DPO. Door toerekening van het groot onderhoud aan het ressort DOE, is het aandeel van dit ressort aanzienlijk groter ten opzichte van de ontwerpbegroting 1999.

De niet specifiek toe te rekenen personele en materiële uitgaven betreffen onder andere uitrustingsgereedschap zoals kleding, tenten en rantsoenen. Hiervan worden hoeveelheden in voorraad gehouden voor het geval ze nodig zijn als eenheden worden uitgezonden. Daar vooraf niet exact is te bepalen welk personeel wordt uitgezonden, zijn deze uitgaven niet toewijsbaar. Voorts zijn hierin opgenomen uitgaven voor onderwijs en opleidingen en onderhoud infrastructuur.

De stalling voor de doelmatigheidsbesparing is het gevolg van de maatregelen uit de Miljoenennota 2000 en de Hoofdlijnennotitie. Het invullen van de concrete maatregelen is afhankelijk van de resultaten van de Taakgroep Taakstelling Defensie en nog niet separaat toe te rekenen aan een luchtmacht ressort.

Artikelonderdeel 05.20.13 Wachtgelden en inactiviteitsgelden

De uitgaven op dit artikelonderdeel hebben betrekking op de diverse wachtgeldregelingen voor het burger- en militair personeel van de Koninklijke luchtmacht. Naast het reguliere wachtgeld worden op dit artikelonderdeel ook de uitgaven voor wachtgelden en uitstroombevorderende maatregelen geraamd en verantwoord die voor de Koninklijke luchtmacht uit het Sociaal Beleidskader (SBK) voortvloeien.

De geraamde aantallen wachtgelden en inactiviteitswedden
OmschrijvingEenheid1998199920002001200220032004
Wachtgelden SBK/UBMO burgerpersoneelaantal uitkeringsjaren1821481361331107876
Reguliere wachtgelden burgerpersoneelaantal uitkeringsjaren 110119104873232
WAO burgerpersoneelaantal uitkeringsjaren 102336495555
Overige wachtgelden burgerpersoneelaantal uitkeringsjaren1152765455
Wachtgelden SBK/UBMO militairenaantal uitkeringsjaren115887551332626
Werkloosheidsbesluit BBT-militairenaantal uitkeringsjaren193165158124123118118
WAO militair personeelaantal uitkeringsjaren 72235495555
Overige wachtgelden militair personeelaantal uitkeringsjaren357996100989696
Wachtgelden en inactiviteitswedden excl. uitvoeringskostenx f 1 00022 56222 15721 10918 98618 04716 37816 343
Bij: uitvoeringskostenx f 1 0004 9773 1512 8952 3362 1091 9941 994
Totale uitgaven ontwerpbegroting 2000x f 1 00027 53925 30824 00421 32220 15618 37218 337
Stand 1e suppletore begroting 1999x f 1 000 24 02920 29417 56715 90513 594 
Nieuwe mutatiesx f 1 000 1 2793 7103 7554 2514 778 

Toelichting nieuwe mutaties

Het beleid van de Koninklijke luchtmacht is er op gericht om de instroom in ontslaguitkeringsregelingen Sociaal Beleidskader (SBK), zoveel mogelijk te voorkomen. Aan het einde van het proces van herstructurering en verkleining van de Koninklijke luchtmacht zijn de mogelijkheden voor herplaatsing bij BOT-ers en burgers echter niet in alle gevallen meer aanwezig. Daarnaast blijkt personeel in lagere rangen/schalen, op grond van een beperkte mobiliteit, in de praktijk niet altijd herplaatsbaar. Bij met name ouder personeel doet zich bovendien het probleem voor dat om- en bijscholing op grond van rendement en/of opleidbaarheid niet in alle gevallen mogelijk is. Dit leidt tot een kwalitatieve «mismatch» tussen het functie- en het personeelbestand.

Om haar taken te kunnen uitvoeren dient de Koninklijke luchtmacht te beschikken over voldoende aantallen, gemotiveerd en op de taak berekend personeel. Door verhoogde instroom van burgers en BOT-militairen in ontslaguitkeringsregelingen in de jaren 1999 t/m 2001 kunnen de kwalitatieve effecten van de ontstane «mismatch» tussen functie- en personeelsbestand worden geminimaliseerd en blijven er mogelijkheden bestaan voor aanstelling van nieuw gekwalificeerd personeel.

WAO en Bovenwettelijke arbeidsongeschiktheid

In verband met de keuze voor eigen risicodragerschap voor de WAO zijn de uitkeringsbedragen – voorzover betrekking hebbend op de eigen-risicoperiode – vanuit beleidsterrein 02. Pensioenen en uitkeringen overgeheveld.

Uitgaven Sociaal Beleidskader

De geraamde uitgaven voor wachtgelden in verband met het Sociaal Beleidskader (SBK) en de Uitstroombevorderende Maatregel Ouderen (UBMO) worden beïnvloed door de lopende en de komende reorganisatie van de Koninklijke luchtmacht. Verdere bijstellingen van de geraamde uitgaven zijn dan ook niet uit te sluiten. Het beleid blijft er op gericht de instroom in de wachtgeldregelingen te beperken, vooral door het gebruik van de SBK-instrumenten gericht op de tewerkstelling van overtollig personeel van de Koninklijke luchtmacht, zowel binnen als buiten de (rijks)overheid.

In onderstaand overzicht zijn de voorziene uitgaven voor het Sociaal Beleidskader opgenomen. De uitgaven hebben zowel betrekking op burgerpersoneel als op militair personeel van de Koninklijke luchtmacht. De verantwoording van de uitgaven vindt, met uitzondering van de wachtgelden, plaats ten laste van de desbetreffende artikelonderdelen «ambtelijk burgerpersoneel», «militair personeel» en «overige personele uitgaven». De uitgaven van de wachtgelden worden geraamd en verantwoord ten laste van dit artikelonderdeel.

 
Uitgaven Sociaal Beleidskader (x f 1000)1998199920002001200220032004
– om-, her-, bijscholing en outplacement400400400400400400400
– wachtgelden SBK/UBMO burgerpersoneel6 5133 9613 5433 3612 9562 7052 705
– wachtgelden SBK/UBMO militair personeel6 5614 7543 4672 0781 276979979
– BDOS plaatsingen militair personeel 1 5614 3251 082  
Totaal uitgaven Sociaal Beleidskader13 47410 67611 7356 9214 6324 0844 084

05.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel worden de uitgaven geraamd voor investeringen in groot materieel en infrastructuur.

Het beleid is gericht op verbetering van het bestaande materieel, opheffing van tekortkomingen, zowel kwantitatief als kwalitatief en vervanging van verouderd materieel door modern hoogwaardig materieel.

Door snelle ingrijpende ontwikkelingen van moderne technologie worden hoge eisen gesteld aan het materieel, met name op de aspecten bescherming, vuurkracht, mobiliteit en precisie. Voor het materieel van de Koninklijke luchtmacht is voor de komende jaren een aantal kwalitatieve en kwantitatieve hoofdaandachtspunten onderkend, te weten verbetering en op termijn vervanging van de F-16, de vervanging van de Alouette III en Bölkow 105 helikopters, van luchtverkenningsmiddelen, communicatiemiddelen en bewapening. Tevens worden automatiserings- en informatiseringsprojecten uitgevoerd waarmee de Koninklijke luchtmacht in haar nieuwe structuur zo optimaal mogelijk wordt ondersteund. Daarnaast worden infrastructuurprojecten uitgevoerd, die noodzakelijk zijn als gevolg van de herstructurering van de Koninklijke luchtmacht, de invoering van de ARBO-wet en milieuwetgeving.

Onderstaand wordt per artikelonderdeel inzicht gegeven in de belangrijkste investeringsprojecten. Aangegeven worden de belangrijkste ontwikkelingen (inclusief Hoofdlijnennotitie), alsmede een nadere specificatie van de grote projecten waarvan de ontwikkeling ten grondslag ligt aan de in de onderstaande tabel opgenomen mutaties.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999  556 5371 457 3602 221 145951 507688 179 
Mutaties 1e suppletore wet 1999  47 714 5 000– 5 000– 15 000 
Stand 1e suppletore wet 1999  604 2511 457 3602 226 145946 507673 179 
Nieuwe mutaties:         
– MLU F-16 ontwikkeling, productie en inbouw  24 480      
– MLU F-16 gerelateerde projecten  21 541– 11 600  – 15 000 
– Vervanging F-16  9 43375– 242 800225725 
– Simulator transporthelikopters  – 50 00040 000    
– Diverse modificatie luchttransport     – 55 000  
– MLU modificatie e.d. helikopters (o.a. Longbow Apache)     – 173 000   
– Vervanging BO-105    150 000    
– Motortransport materieel algemeen  – 10 670– 20 47014 48132 66342 413  
– Integrated Electronic Warfare   – 31 50049 600– 48 600  
– Software M3-M4 tape  – 19 250– 38 600    
– Naderingsapparatuur  – 91 90092 000    
– GCA systemen (landingsapparatuur)   – 74 00069 400   
– MILSATCOM (naar KM)  – 39 500     
– NAFIN (fase 1a, 2 en 3)  – 72 400  – 25 000  
– Millennium  12 8008 000    
– KLUIM  27 464– 6 354– 25 3401 300  
– MLU lokale transmissie netwerken  24 484     
– SAMCCIS (samoc)   – 11 000    
– ATC Radio (alle vliegtuigen)  12 800     
– Receiver processor updat ALQ-131      – 80 700 
– Aanschaf ACRIU  15 500      
– NIMICS dase 2  – 2 900– 57 100– 140 000130 000  
– SHORAD   – 220 000118 000   
– Patriot PAC III   281 700– 281 700   
– PIP/Patriot (P DB-5/SD-5)  28 607 2 000   
– Voorwaarschuwing Stinger   8 100 – 8 100  
– ARM    – 30 000– 45 000  
– IRLLGW ASRAAM     – 34 500  
– Radar LLGW Amraam   – 226 100    
– Vervanging HAWK    – 687 500   
– Grondverdedigingsmaterieel (EOD behoeften)  5 90232 91165– 51 358– 3 750 
– Infra bouwprogramma  – 14 600– 20 00010 00010 000  
– Verbetering lucht grondwapens  – 11 100– 74 300    
– Overige projecten   94 523– 42 461– 12 793– 93 01044 293 
Totaal van de nieuwe verplichtingenmutaties  – 34 786– 370 699– 1 006 587– 359 380– 12 019 
Stand ontwerpbegroting 20001 386 425199 234569 4651 086 6611 219 558587 127661 160886 389
Stand ontwerpbegroting 2000 (in EUR 1000)629 13290 408258 412493 105553 411266 427300 021402 226
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999  577 630657 889745 111744 9721 098 288 
Mutaties 1e suppletore wet 1999  115 317– 10 600– 3 200– 40 000– 36 600 
Stand 1e suppletore wet 1999  692 947647 289741 911704 9721 061 688 
Nieuwe mutaties:         
verwerking Hoofdlijnnotitie en overige taakstellingen        
– verkleinen en vertragen SHORAD   – 51 500– 20 000   
– herfaseren MLU F-16 (incl. gerelateerde projecten)   – 57 400    
–  vertragen naderingsapparatuur   – 7 700    
– verkleinen en vertragen verbetering lucht-grond wapens   – 4 819– 4 300– 24 000– 27 600 
– verkleinen en vertragen inbouw MLU-kits   – 4 000– 7 000– 2 500  
– vervanging BO-105     90 00060 000 
– aanpassing project AMRAAM    – 1 100– 40 000– 128 300 
Overige bijtellingen:        
– MLU F-16 ontwikkeling, productie en inbouw  105 541– 3 39933 070– 14 400– 17 387 
– MLU F-16 gerelateerde projecten  – 3 29617 0772 611   
– Vervanging F-16  – 2 645– 1 751– 19 071– 33 175– 22 175 
– Simulator transporthelikopters   – 11 000– 21 00012 00010 000 
– MLU modificatie e.d. helikopters (o.a. Longbow Apache)      – 60 000 
– Motortransport materieel algemeen  – 6 083– 23 1364 913– 12 80527 579 
– Overig transportmaterieel (brandweer en containers)  2 363– 5053 62011 0955 350 
– Vervanging Orpheus LVS  – 157– 7 950– 1 100– 13 400– 5 000 
– Integrated Electronic Warfare  29 – 10 900– 8 30020 000 
– Target handover system     – 5 000– 5 000  
– Software M3-M4 tape  – 7 000– 11 600– 12 400– 12 600– 19 700 
– Naderingsapparatuur    – 34 1009 50030 000 
– GCA systemen (landingsapparatuur)   50– 22 000– 6 500– 7 600 
– MILSATCOM (naar KM)   – 10 400– 4 600– 6 500– 7 600 
– NAFIN (fase 1a, 2 en 3)  1 100– 29 00043 300– 27 000  
– Millennium  12 8008 000    
– KLUIM  5 9008 600– 15 0001 2001 200 
– Automatisering/infor- matievoorziening   700 13 30021 700 
– Mode S grondapparatuur    – 7 0007 000  
– MLU lokale transmissie netwerken  – 7 923 9 700– 300– 300 
– NIMICCS CRIAP (mobiel MSG-systeem)  – 600– 1 100– 1 200– 19 300– 35 000 
– SAMCCIS (samoc)    – 9 000– 2 000  
– ATC Radio (alle vliegtuigen)  – 1 000– 3 600– 7001 400– 200 
– Receiver processor updat ALQ-131      2 000 
– SHORAD    – 105 500 50 000 
– Patriot PAC III   5 000  – 10 000 
– Patriot (P DB-5/SD-5)  – 5 1982 14411 5719 000  
– Voorwaarschuwing Stinger  – 315– 800– 2 9005 800– 7 800 
– ARM    – 5 000– 25 000  
– IRLLGW ASRAAM      – 5 500 
– Radar LLGW Amraam  – 28 903     
– Verbetering lucht grondwapens  – 4 693      
– Grondverdedigingsmaterieel (EOD behoeften)  2 782– 697– 5 257– 8 199– 26 183 
– infra bouwprogramma  – 14 600– 20 00010 00010 000  
– Overige projecten  – 67 456– 48 5778 92423 250– 62 685 
Totaal van de nieuwe uitgavenmutaties  – 19 354– 257 363– 181 419– 69 534– 213 001 
Stand ontwerpbegroting 2000 997 122673 593389 926560 492635 438848 687821 103
Stand ontwerpbegroting 2000 (in EUR 1000) 452 474305 663176 941254 340288 349385 117372 600

Artikelonderdeel vliegtuigmaterieel

 
Bedragen x f 1000Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Vliegtuigmaterieel– 126 755115 72036 270526 785236 98371 418130 680185 004183 591211 888

De uitgaven ten laste van dit artikelonderdeel betreffen voor een belangrijk deel de uitgaven voor de instandhouding van de F-16 vliegtuigen. In 1993 is besloten dat 138 F-16 vliegtuigen een Mid Life Update (MLU) krijgen, zodat deze in ieder geval tot 2010 operationeel en technisch op hun taak berekend blijven. De uitgaven op dit artikelonderdeel zijn verbonden aan de MLU-ontwikkeling en de aanschaf en inbouw van de modificatiepakketten. In de periode tot en met 2001 zal de aandacht voornamelijk gericht zijn op de aanschaf en de inbouw van de MLU-kits in de Nederlandse F-16's, daarna vooral op het «up to date» houden van de operationele capaciteiten van de F-16.

Tevens komen ten laste van dit artikelonderdeel de uitgaven die bestemd zijn voor de projecten die een nationale aanvulling zijn op de MLU F-16. Dit betreft onder meer de aanschaf van nachtzicht- en laserdoelaanstralingsapparatuur. Voorts worden de uitgaven geraamd in het kader van de ontwikkeling en de verwerving van een vervanger voor de F-16.

Ook worden op dit artikelonderdeel de uitgaven geraamd die voornamelijk betrekking hebben op de aanschaf en modificatie van de overige (transport)vliegtuigen en de uitgaven voor de verwerving van simulatiecapaciteit ten behoeve van de transporthelikopters. De jaarlijks fluctuerende uitgaven worden hoofdzakelijk bepaald door contractueel vastgelegde betalingsschema's, die afgestemd zijn op de produktievoortgang bij de leveranciers.

De projecten MLU-ontwikkeling, produktie en inbouw, MLU gerelateerde projecten, vervanging F-16, simulator transporthelikopters, diverse modificaties luchttransport, Apache Longbow (Rader and Missiles) en vervanging Bo-105 en Al III worden onderstaand nader toegelicht.

Project MLU (Mid Life Update)-ontwikkeling, productie en inbouw

 
Bedragen x f 1000Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
MLU ontwikkeling, productie en inbouw– 178 16325 500 403 753168 38520 40585 84029 942  

De operationele capaciteit en de inzetmogelijkheden van de F-16 gevechtsvliegtuigen worden verbeterd door het uitvoeren van het Mid Life Update (MLU) programma. Als gevolg van het opheffen van het 306 Squadron, als onderdeel van de maatregelen uit de Hoofdlijnennotitie, wordt het MLU-programma bij minder F-16 vliegtuigen uitgevoerd. Daarnaast is de betalingsreeks voor het project MLU F-16 productie en inbouw geherfaseerd. Vanwege de genoemde factoren zijn zowel de uitgaven- als de verplichtingenraming voor het project MLU F-16 productie en inbouw bijgesteld.

Project MLU (Mid Life Update) gerelateerde projecten

 
Bedragen x f 1000Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
MLU gerelateerde projecten2 1907 4002 50071 83246 20043 20016 000   

Als onderdeel van de nationale aanvulling MLU is het project nachtzicht- en laserdoelaanstralingsapparatuur geherfaseerd. Dit heeft geleid tot mutaties ten opzichte van de vorige begroting. De totale financiële omvang van dit project is f 186,6 miljoen (inclusief infrastructuur en Night Vision Goggles) waarvan f 21,0 miljoen in voorgaande jaren reeds is betaald. Bovenstaande tabel geeft het totaal (waaronder diverse kleine projecten en het project Helmet Mounted Display) dat in de begroting is opgenomen voor MLU gerelateerde projecten.

Project Vervanging F-16

Na uitvoering van het MLU-programma zal de F-16 operationeel en technisch nog enige jaren in staat zijn als een volwaardig en modern gevechtsvliegtuig te kunnen opereren. Na 2010 zal, door de evoluerende dreiging en technische veroudering, de effectiviteit gaan afnemen. Om deze reden is het noodzakelijk dat de F-16 wordt vervangen. Om vanaf 2010 mee te kunnen doen in een vervangingsproject voor de F-16, participeert Nederland als «limited cooperative partner» in het Joint Strike Fighter (JSF)-project. Op dit moment bevindt dit project zich in een (voor)studiefase. Eind 2000 zal moeten worden besloten of Nederland ook aan de volgende fase, de Engineering & Manufacturing Development (EMD)- fase, zal deelnemen.

Project Simulator transporthelikopters

 
Bedragen x f 1000Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Simulator transporthelikopters  40 000428 5 00013 0001200010 000 

Indien geen simulatorcapaciteit voor transporthelikopters (TH's) voorhanden is, zullen specifieke trainingsaspecten, met name (vlieg)veiligheidsaspecten, zoals noodprocedures, zoveel mogelijk tijdens het vliegen met helikopters moeten worden geoefend. Sommige procedures kunnen in het geheel niet worden geoefend. Aangezien dit een extra druk op het oefen- en vliegprogramma legt en derhalve de mogelijkheden voor de overige trainingen en oefeningen beperkt, moet voor de specifieke trainingsaspecten simulatiecapaciteit worden verworven. Dit project bevindt zich in de (voor) studiefase. Inmiddels is duidelijk geworden dat een dergelijke simulator pas na 1999 beschikbaar zal komen. Daarom zijn de fondsen zodanig gepland dat een meer realistische kasgeldreeks in de plannen is opgenomen. De verwachting is dat er voor dit project een verplichting wordt aangegaan in 2000.

Project Diverse Modificaties Luchttransport

Door operationele en technische veroudering en wijzigingen in de regelgeving zullen op termijn modificaties aan de luchttransportvloot noodzakelijk zijn. De voorziene modificaties voor 2003 en 2004 bleken zodanig afgedekt met fondsen, dat een deel van de reserveringen kan worden geherfaseerd. Voorzien is dat vanaf 2006 structureel fondsen nodig zijn voor het kunnen uitvoeren van modificaties. Deze fondsen zijn derhalve opgenomen in de ramingen voor 2006 en verder.

Project Apache Longbow (Radar and Missiles)

Vanaf het jaar 2003 wordt voorzien in de uitbreiding van een aantal Apache wapensystemen met de Longbow modificatie en de aanschaf van bijbehorende radargeleide Hellfire raketten. Dit betekent een capaciteitsverbetering van de helikopters en verhoogt de overlevingkansen.

Project Vervanging Bo-105 en Al III

De in de inventaris van de Koninklijke luchtmacht aanwezige Bölkow-105 en Allouette III Light Utility Helicopters (LUH) zijn verouderd. Voorzien is dat deze helikopters worden vervangen door een beperkt aantal nieuwe helikopters. Voor de verwerving van de nieuwe helikopters is totaal f 150 miljoen gereserveerd. De verplichting voor de verwerving van een nieuw type zal naar verwachting in 2001 worden aangegaan.

Artikelonderdeel Vervoermiddelen

 
Bedragen x f 1000Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Vervoermiddelen8 56137 27974 32536 49318 66619 88645 62447 00768 51471 919

De uitgaven op dit artikelonderdeel betreffen de aanschaf en bedrijfsmatige vervanging van voertuigen. Hierbij wordt altijd gekeken naar de mogelijkheid om de voertuigen op kosteneffectieve wijze te renoveren in plaats van te vervangen. Aangezien veel voertuigen oud zijn, maar relatief weinig gereden hebben, zijn daar regelmatig mogelijkheden toe. In beginsel wordt de vervanging of renovatie van voertuigen in samenwerking met de Koninklijke landmacht gedaan. Voorbeelden van deze samenwerking zijn de voertuigen ten behoeve van de interne- en externe logistiek van de THGKLu en de verwerving van gepantserde voertuigen (onder andere van de Explosieven Opruimings Dienst). Daarnaast geschiedt de vervanging van «standaard» vrachtwagens en personenauto's in nauwe samenwerking met de Koninklijke landmacht. Alleen luchtmacht-specifieke voertuigen worden door de Koninklijke luchtmacht zelf verworven. Een voorbeeld is de verwerving van nieuwe vliegtuigbrandbestrijdingsvoertuigen ter vervanging van de verouderde bestaande voertuigen. In dit project worden tevens enkele vliegtuigbrandbestrijdingsvoertuigen ten behoeve van de Koninklijke marine verworven. De mutaties op de reeks Motortransport Materieel Algemeen en Overig Transportmaterieel zijn een gevolg van het leggen van de prioriteit bij het realiseren van de Reaction Force behoefte aan voertuigen en van het oplijnen van de behoefte voor de THGKLu en de daaraan gerelateerde samenwerking met de 11e Luchtmobiele Brigade.

Project Motortransportmaterieel (Algemeen)

 
Bedragen x f 1000Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Motortransportmaterieel2 14136 49341 88019 84010 56218 04141 05434 96265 01459 969

Project Overig transportmaterieel (Brandweermaterieel en bedrijfsmatige vervanging containers)

 
Bedragen x f 1000Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Overig transportmaterieel6 42078637 44516 6538 1041 8454 57012 04512 30011 950

Artikelonderdeel Elektrisch en elektronisch materieel

 
Bedragen x f 1000Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Elektrisch en elektronisch materieel80 813180 005371 866119 115166 34294 954153 206153 480228 079173 841

Onder dit artikelonderdeel vallen de uitgaven voor elektrisch en elektronisch materieel ten behoeve van systemen voor grond- en verbindingsapparatuur. In de ramingen is rekening gehouden met het NAFIN-project. Binnen dit artikelonderdeel zijn tevens fondsen opgenomen voor realisatie van het project KLUIM, alsmede ten behoeve van het oplossen van de Millenniumproblematiek.

Ook de vervanging van het verouderde luchtverkenningssysteem (Orpheus) van de F-16 is in dit artikelonderdeel geraamd. Voorts is een aantal met de modernisering van de F-16 samenhangende projecten op dit artikelonderdeel geraamd, zoals Digital Electronic Engine Control (DEEC). Bij de modernisering van de F-16 komen ook systemen aan de orde die enerzijds de zelfbescherming van de F-16 verbeteren en anderszins de werkdruk van de vlieger verlichten. Onder deze systemen vallen het Integrated Electronic Warfare Management System (IEWMS) en het Missile Approach Warning System (MAWS). MAWS waarschuwt tegen de nadering van infraroodraketten.

Vanaf 2002 zijn uitgaven geraamd ten behoeve van een nieuwe bunker voor het AOCS Nieuw Milligen. Het huidige LTN (Lokale Transmissie Netwerken) wordt opgewaardeerd naar Euro ISDN, de capaciteit wordt uitgebreid en de koppelingen met NAFIN worden gedigitaliseerd. Andere projecten die onder dit artikelonderdeel worden geraamd en verantwoord zijn Mode S apparatuur (ten behoeve van de verbetering van de informatie-uitwisseling tussen vliegtuigen en de luchtverkeersbeveiliging), MIDS (datacommunicatie-apparatuur voor vliegtuigen), NIMICS (aanpassingen van het lokale communicatiesysteem van het Air Operations Control Station (Nieuw Milligen) en UHF-grondapparatuur (ten behoeve van radioverbindingen met vliegtuigen).

Deze projecten worden onderstaand nader toegelicht.

Project Vervanging luchtverkenningsysteem (LVS)

 
Bedragen x f 1000Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Vervangings LVS57200199 600321 1 25036 90040 00049 00059 300

De Koninklijke luchtmacht beschikt voor de uitvoering van de luchtverkenningstaak over het Orpheus systeem, dat technisch en operationeel is verouderd. Zolang de vervanging niet is gerealiseerd, kent de Koninklijke luchtmacht beperkingen bij het leveren van «near real time» informatie voor politieke en militaire doeleinden. De bedrijfsmatige vervanging van het systeem door een luchtverkenningssysteem (LVS) met «near real time» capaciteiten en de daarbij behorende grondstations, is in de begroting opgenomen. Vanwege vertraging als gevolg van het later beschikbaar komen van de benodigde apparatuur voor een nieuw luchtverkenningssysteem van de F-16 zijn zowel de verplichtingen als de uitgaven geherfaseerd. De benodigde fondsen zijn nu gepland in 2000–2005. Als gevolg hiervan moet het Orpheus systeem langer worden gebruikt. De totale projectomvang blijft gehandhaafd op f 203,8 miljoen.

Project IEWMS (Integrated Electronic Warfare Management System)

Het opereren met de F-16 in gebieden met een grote dreiging noodzaakt tot het gebruik van elektronische oorlogsvoeringsmiddelen. De bediening hiervan vergroot de werklast van de vliegtuigbemanningen. Dit kan de uitvoering van de opgedragen missies negatief beïnvloeden en de vliegveiligheid in gevaar brengen. Om dit negatieve effect te minimaliseren, wordt de noodzaak onderkend om te beschikken over systemen (IEWMS) die de werklast als gevolg van de bediening van elektronische oorlogsvoeringsmiddelen zo klein mogelijk houden. Een IEWMS integreert de verschillende elektronische oorlogsvoeringsmiddelen en vermindert zo de werklast voor vliegers. Op dit moment zijn deze systemen niet beschikbaar zodat de fondsen moesten worden geherfaseerd. Daarnaast zijn de fondsen naar beneden bijgesteld als gevolg van het opheffen van het 306 Squadron.

Project Automatic Target Handover System (ATHS)

In de plannen van de Koninklijke luchtmacht waren fondsen gereserveerd voor het automatisch overdragen van doel-informatie van en door F-16 jachtvliegtuigen. Met de uitvoering van het MLU-programma beschikt de F-16 over een dergelijke, zij het meer beperkte, capaciteit. Mede gelet op een door te voeren prioriteitsstelling is besloten af te zien van een separaat systeem ten behoeve van Target Handover.

Project Software M3/M4-tape

Om met de F-16 te kunnen blijven opereren is het noodzakelijk om onderhoud te plegen aan de software van de F-16. Daarnaast zijn software-aanpassingen noodzakelijk om met de MLU F-16 en het gewijzigde wapenpakket te kunnen opereren. Aangezien het een aanpassing/modificatie betreft van een bestaand systeem, zijn de gereserveerde fondsen voor deze software aanpassingen nu onder de materiële exploitatie gebracht. Dientengevolge leidt dit tot een neerwaartse mutatie op het investeringsartikel.

Project Naderingsapparatuur

 
Bedragen x f 1000Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Naderingsapparatuur  92 000  10020 00041 90030 000 

Dit project betreft de vervanging van de huidige verouderde rondzoekradars van de vliegbases, die zorgdragen voor de zogenaamde «Sector Approach» (SAPP) van vliegtuigen. Een gewijzigde prioriteitstelling heeft geleid tot herfasering van de verplichtingen en uitgaven voor het project Naderingsapparatuur, die deels is aangewend voor de invulling van de taakstelling uit de Hoofdlijnennotitie. Een deel van de gereserveerde fondsen is verschoven van 2000 en 2001 naar 2002 en 2003. Thans wordt reeds een studie terzake uitgevoerd.

Project Landingsapparatuur (GCA systemen/MLS)

Op het moment dat vliegtuigen met de laatste fase van een vlucht bezig zijn (Final Approach, FAPP) worden zij hierbij ondersteund door landingsapparatuur. De huidige bij de Koninklijke luchtmacht in gebruik zijnde systemen, de Precision Approach Radars (PAR), zijn dusdanig verouderd dat zij dienen te worden vervangen. Hiervoor zijn in het verleden reeds fondsen opgenomen. Voor de verwerving van een «Instrument Landing System» (ILS) zijn de voor de vervanging PAR gereserveerde fondsen verminderd en geherfaseerd.

Project MILSATCOM (diverse sensorsystemen)

 
Bedragen x f 1000Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
MILSATCOM1 021  2 010    1 0002 000

Dit project is gericht op het verkrijgen van militaire satellietcommunicatie-capaciteit. Het project wordt als SSM/SSP-project geleid door de Koninklijke marine. De door de Koninklijke luchtmacht geraamde en opgenomen fondsen zijn overgeheveld naar de Koninklijke marine als gevolg van de Hoofdlijnennotitie. De gereserveerde fondsen voor de jaren 2003 en 2004 zijn ter dekking van de meeruitgaven die vooralsnog bij de Koninklijke luchtmacht staan geparkeerd.

Project NAFIN

 
Bedragen x f 1000Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
NAFIN1 43731 60052 1006 87021 40037 20055 800   

NAFIN beoogt de realisatie van een geïntegreerd telecommunicatienetwerk ten behoeve van de gehele defensie-organisatie. De structuur bestaat uit drie lagen: een transmissielaag, een schakellaag en een dienstenlaag. Het netwerk vervangt alle bestaande interlokale statische communicatienetwerken ten behoeve van spraak- en datacommunicatie. Het project wordt als SSM/SSP-project door de Koninklijke luchtmacht geleid. Er zijn tot 2001 fondsen geraamd voor NAFIN. Als gevolg van een gewijzigde technische invulling van NAFIN is het project geherfaseerd.

Project Millennium

 
Bedragen x f 1000Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Millennium8 00020 900 8 00016 8008 000    

Om de millenniumproblematiek bij de Koninklijke luchtmacht op te lossen is het project ONTIME ingericht. Het project dient in eerste instantie de hier bedoelde problematiek te inventariseren om deze vervolgens op te lossen. De milleniumproblematiek is niet alleen beperkt tot de ICT-systemen; ook software in wapensystemen, waaronder de «embedded software», wordt meegenomen in het project. Daar verschillende activiteiten in 1998 niet konden worden afgerond, zijn de benodigde fondsen doorgeschoven naar 1999 en 2000. Voor de activiteiten in het kader van de milleniumproblematiek is voor 1999 en 2000 respectievelijk f 16,8 miljoen en f 8 miljoen geraamd.

Project KLUIM

 
Bedragen x f 1000Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
KLUIM14 61291 60026 60015 32655 00048 10024 00011 2001 200 

Dit project heeft tot doel het aanleggen van een voor de luchtmacht kenmerkende ICT-architectuur op de onderdelen om administratieve en operationele informatie binnen de onderdelen van de Koninklijke luchtmacht te distribueren. Tevens zal KLUIM voorzien in de koppeling naar NAFIN om zo landelijke koppelingen te realiseren. De uitvoering van dit project heeft een hoge prioriteit aangezien de realisatie van een gestandaardiseerde ICT-middenlaag de ruggegraat vormt voor de verdere herstructurering van de informatievoorziening. Daarnaast wordt met dit project in belangrijke mate bijgedragen aan de oplossing van de millenniumproblematiek. De realisatie van KLUIM loopt tot 2003. Een nadere prioriteitsstelling in het project KLUIM heeft geleid tot een herfasering en een bijstelling van het project.

Project Mode S apparatuur

In het kader van de European Air Traffic Control Harmonization and Integration Program (EATCHIP) is besloten dat Mode S (datacommunicatiesysteem voor de uitwisseling van vluchtgegevens) in de vliegtuigen en de grondapparatuur moet worden ingevoerd. Aangezien de Koninklijke luchtmacht verplicht is de internationale regelgeving te volgen, zijn hiervoor fondsen opgenomen (2001–2003). Nadere informatie over de verplichting om mode S in te voeren heeft geleid tot het herfaseren van het project.

Project MLU Lokale Transmissie Netwerken

Begin jaren '90 is bij onderdelen van de Koninklijke luchtmacht het Lokaal Transmissie Netwerk (LTN) ingevoerd. Inmiddels zijn de ontwikkelingen in de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan tele- en datacommunicatie zodanig, dat het LTN systeem is verouderd. Om het LTN geschikt te maken voor het Euro-ISDN (koppeling naar civiele netwerken) en om de capaciteit naar NAFIN te vergroten en te digitaliseren (wat leidt tot verlaging van de kosten naar NAFIN) is het noodzakelijk het LTN op te waarderen (Mid Life Update LTN). Op deze wijze wordt tevens de levensduur van het LTN verlengd en kan de vervanging van het LTN worden uitgesteld tot na 2009. Als gevolg van de vertraging in het verwervingsvoorbereidingstraject, is het noodzakelijk het project te herfaseren en bij te stellen. Hierdoor zijn fondsen overgeheveld van 1999 naar 2001. De verplichting voor de MLU LTN zal worden aangegaan in 1999.

Project Nationale C2-component

Het Meldings- en Gevechtsleidingssysteem ACCS voorziet in de aansluiting van het AOCS Nieuw Milligen op het Navo-breed te implementeren Air Command and Control System (ACCS). De voorziene implementatie van het ACCS en met name de mobiele component leidt ertoe dat het project wordt geherfaseerd.

Project Receiver Processor ALQ 131

Met het in de Hoofdlijnennotitie voorgenomen opheffen van het 306 Squadron en het afstoten van 18 F-16 jachtvliegtuigen is de totale omvang van de behoefte aan gemoderniseerde receiver/processors ALQ 131 afgenomen. Door de vertraagde invoering van de ARM's is de behoefte aan de gemoderniseerde receiver/processors van de ALQ 131 meer urgent. Bij de fasering is voorrang gegeven aan de invulling van de Reaction-Force-behoefte. De verplichtingen zullen daarom eerder worden aangegaan in 2003.

Project NIMICS fase 2

Het project NIMICS fase 2 omvat diverse aanpassingen aan het lokale AOCS C3-systeem. Omdat de benodigde aanpassingen aan de lokale systemen niet los kunnen worden gezien van en beïnvloed worden door de invoering van het nationale deel van het ACCS, is een wijziging op de fasering noodzakelijk. De fondsen zijn gelijk verdeeld over 2003 en 2004.

Artikelonderdeel Bewapeningsmaterieel

 
Bedragen x f 1000Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Bewapeningsmaterieel37 51938 027307 94642 74733 65118 42656 22393 401181 399118 917

Bewapeningsprojecten, zoals de modificatie van het luchtverdedigingssysteem Patriot (voornamelijk voor het bereiken van een betere capaciteit tegen tactisch ballistische raketten), de gezamenlijk met de Koninklijke landmacht te verwerven SHORAD-systemen (voor de vervanging van de HAWK PIP II systemen voor de vliegbases), de verbetering/vervanging van de HAWK-systemen van TRIAD-eenheden en Stinger Manpad en Stinger voorwaarschuwingssystemen zijn bepalend voor de uitgaven op dit artikelonderdeel.

Project SHORAD

 
Bedragen x f 1000Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
SHORAD       20 00050 00026 000

Een voornemen uit de Hoofdlijnennotitie is het SHORAD project in omvang te verkleinen en te temporiseren. De fondsen zijn nu gereserveerd voor de periode 2002–2006. Omdat de Operationele Luchtverdedigingseenheden (OLVD) van de Koninklijke luchtmacht, waar de SHORAD onderdeel van is, en de Luchtverdedigingseenheden van de Koninklijke landmacht zullen worden gecoloceerd en geïntegreerd op de GGW De Peel, zal dit project, nog meer dan voorheen, in nauw verband met de Koninklijke landmacht worden gerealiseerd. De invulling van het project hangt samen met het door de Koninklijke landmacht en de Koninklijke luchtmacht op te richten Joint Air Defence Centre (JADC).

Project Patriot PAC III

 
Bedragen x f 1000Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Patriot PAC III  281 700  5 00021 00050 600100 90061 200

Om de capaciteit van het Patriot-systeem tegen Tactisch Ballistische Raketten (TBM's), kruisraketten en laagvliegende kleine doelen te verbeteren, wordt het Patriot-systeem aangevuld met PAC-III missiles en extra launchers. Omdat de contractonderhandelingen van de Amerikaanse overheid met de industrie en het daaraan gekoppelde realisatietraject resulteren in vertraging van het PAC-III project, zijn de opgenomen reeksen aangepast. In 2000 zullen de eerste betalingen worden gedaan. In eerste instantie zal een hoeveelheid raketten worden verworven die is afgestemd op de Reaction-Force-behoefte.

Door middel van een audit is vastgesteld dat het project PAC III goed wordt beheerst en de regelgeving in voldoende mate wordt nageleefd.

Project Patriot modificaties

Gelet op de steeds verder gaande samenwerking met de Vereningde Staten en Duitsland is het noodzakelijk modificaties op het Patriot-systeem uit te voeren, zoals die ook door de bondgenoten worden uitgevoerd. Deze modificaties staan bekend als PDB (Post deployment Build-up)/SD (Sweepdown)-modificaties en omvatten zowel software als hardware modificaties. In de plannen zijn hiervoor fondsen opgenomen. Tot 2002 loopt het PDB5/SD5 programma. Dit modificatieprogramma heeft als doel te voorzien in een groter en verbeterd detectiebereik van met name kleine en laagvliegende doelen. Hiermee wordt het systeem voorbereid op de PAC-III standaard. De vertraging in het PAC-III programma heeft tot gevolg dat fondsen zijn geherfaseerd. Daarnaast heeft er een herfasering in latere jaren plaatsgevonden van andere modificaties.

Project Stinger (voorwaarschuwing, MANPAD, simulator)

Om de effectiviteit van Stinger-teams te vergroten, zijn Stinger-projecten in de plannen opgenomen. Deze projecten voorzien in een simulator en in voorwaarschuwingsradars voor de Stinger-teams. Daarnaast is een uitbreiding van het aantal Stinger-systemen voorzien. Analoog aan de situatie bij de vliegtuigbewapening en de Patriot, wordt de nadruk gelegd op de invulling van de Reaction-Force behoefte. Hierdoor zijn de gereserveerde fondsen geherfaseerd.

Artikelonderdeel Springstoffen en munitie

 
Bedragen x f 1000Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Springstoffen en munitie3715 321133 40040 15831 6674091 9001 00031 90060 000

Dit artikelonderdeel betreft het kwalitatief en kwantitatief op peil houden van de oorlogsvoorraad munitie, bommen en raketten voor met name de F-16 vliegtuigen. Daarnaast zijn de behoeften op het gebied van Explosieven Opruiming op dit artikelonderdeel geraamd. Bij de modernisering van de bewapening van de F-16 is de aanschaf van moderne precisie-wapens, die een onbedoelde schade kunnen voorkomen. Hieronder vallen de lasergeleide bommen en de Maverick voor grondaanvallen. Daarnaast zullen op termijn, voor de zelfbescherming van de F-16, Anti Radiation Missiles (ARM's) worden verworven waarmee vijandelijke luchtverdedigingsradars kunnen worden uitgeschakeld. Voor luchtverdedigingstaken en zelfbescherming tegen vijandelijke vliegtuigen is de verwerving gepland van Infra Rood Lucht Lucht Geleide Wapens (ASRAAM). Voor de AH-64D bewapende helikopters zal vanaf 2004 een aanvulling op de aanwezige bewapening worden verworven.

Project ARM (Anti Radiation Missiles)

Om de F-16 te beschermen tegen de radar van Grond-Lucht geleidewapensystemen zullen op termijn ARM's worden verworven. Als gevolg van de prioriteitsstelling, de invoering van de MLU F-16, de herschikking van de fotoverkenningstaak en de invoering van een nieuw luchtverken-ningssysteem, wordt de invoering van de ARM's uitgesteld tot na 2004.

Project IRLLGW (Infra Rood Lucht-Lucht Geleide Wapens)/ASRAAM (Advanced Short Range Air-to-Air Missile)

 
Bedragen x f 1000Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
IRLLGW/ASRAAM        24 50030 000

De voorraad Infra Rood Lucht-Lucht Geleide Wapens bestaat uit verschillende typen wapens van uiteenlopende kwaliteit, die aan een geleidelijke vervanging toe zijn. Het opereren met kwalitatief mindere IRLLGW's en het ontbreken van het «helmet mounted cueing system» waarmee IRLLGW's onder een groter bereik (kijkhoek) kunnen worden afgeschoten, beïnvloedt de effectiviteit waarmee luchtverdedigingstaken kunnen worden uitgevoerd. Op grond van technologische ontwikkelingen is het geplande invoeringstijdstip van het project Infra Rood Lucht-Lucht Geleide Wapens met één jaar vertraagd. Als gevolg van de in de Hoofdlijnennotitie geschetste opheffing van het 306 Squadron is het project tevens in omvang verkleind. Hierdoor zullen in 2002 de verplichtingen voor de verwerving van een eerste serie ASRAAM raketten worden aangegaan. De eerste serie kent een omvang van f 104,5 miljoen. Een tweede serie ASRAAM-raketten zal worden verworven na 2004.

Project RADAR LLGW AMRAAM

 
Bedragen x f 1000Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
LLGW/AMRAAM3 593  32 89130 200800    

Initieel zou het middellange afstand Lucht-Lucht Geleide wapen AMRAAM in twee series worden geworven en ingevoerd. De eerste serie is afgestemd op de behoefte van de RF-squadrons en wordt vanaf medio 1998 ingevoerd. De laatste AMRAAM-raketten van de eerste serie zullen medio 2000 worden afgeleverd. Voor de aanvulling van de AMRAAM-raketten waren vanaf 1999 tot en met 2004 fondsen opgenomen. Naar aanleiding van het opheffen van het 306 Squadron, als onderdeel van de maatregelen uit de Hoofdlijnennotitie, en een nadere prioriteitsstelling, wordt afgezien van een tweede serie AMRAAM-raketten in de planperiode.

Project Vervanging HAWK

Als gevolg van prioriteitstelling bij het project «Verbetering/vervanging HAWK» is de aan te gane verplichting in het jaar 2001 vertraagd naar 2004.

Project Verbetering Lucht-Grond Bewapening

Als gevolg van de eisen die momenteel aan de Lucht-Grond Bewapening worden gesteld, is het noodzakelijk dat wapens worden verworven die met grote precisie, onder uiteenlopende weersomstandigheden, vanaf grote afstand kunnen worden ingezet. Inzet van deze wapens zal onbedoelde schade («collateral damage») beperken. Momenteel beschikt de Koninklijke luchtmacht slechts over een beperkt aantal van deze wapens. Om de bestaande situatie te verbeteren, zal in 2000 een verplichting worden aangegaan om in 2001 «laser guidance kits» ten behoeve van de bestaande munitie te verwerven. Voor de langere termijn zijn fondsen gereserveerd voor nieuwe Lucht-Grond Bewapening die voldoet aan de gestelde operationele eisen. Ter gedeeltelijke invulling van de taakstellingen is dit project in omvang en fasering aangepast.

Project Passieve Verdediging (voorheen: EOD-behoeften)

Voor passieve verdediging (waaronder de EOD-behoeften) zijn fondsen opgenomen. Omdat bij de passieve verdediging eerst de Reaction Force (RF)-behoefte wordt ingevuld, is de bestaande reeks aangepast aan de RF-behoefte. Hoewel binnen de totaalreeks de EOD-behoefte naar boven is bijgesteld, zijn de bijstellingen op de andere projecten zodanig dat de totale reeks voor passieve verdediging neerwaarts is bijgesteld en geherfaseerd.

Artikelonderdeel Overig materieel

 
Bedragen x f 1000Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Overig materieel16 55219 66713 55525 10012 78411 99215 67211 50211 20211 604

In algemene zin worden de uitgaven op dit artikelonderdeel bepaald door projecten (zoals de vervanging van werkplaats- en gronduitrustingen) met een geringe financiële omvang, die een bedrijfsmatig karakter hebben. Daarnaast worden vervangingen, aanpassingen en verbeteringen van met name werkplaats- en gronduitrustingen ingegeven door de Arbo- en Milieuwetgeving. De verplichtingen hiervoor zijn nagenoeg gelijk aan de jaarlijkse uitgaven.

Artikelonderdeel Infrastructuur

 
Bedragen x f 1000Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Infrastructuur182 173173 446149 299206 724173 500172 841157 187144 044144 002172 934

Ten laste van dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd voor renovatie en nieuwbouw van infrastructurele voorzieningen ten behoeve van de Koninklijke luchtmacht. De investeringen als gevolg van eisen die de milieuwetgeving stelt, worden ook op dit artikel geraamd en verantwoord. De behoefte aan nieuwbouw wordt onder meer bepaald door de herstructureringsmaatregelen binnen de Koninklijke luchtmacht.

De opdracht voor de realisatie van deze behoeften wordt vervat in het Behoefteplan Nieuwbouw Koninklijke luchtmacht (BPNKLu). De omvang van het BPNKLu is met de Dienst Gebouwen, Werken en Terreinen (DGW&T) afgestemd op de beschikbare verwerkingscapaciteit. Op dit artikelonderdeel worden tevens de DGW&T-apparaatsuitgaven, de geluidszonering en de uitgaven voor milieumaatregelen geraamd en verantwoord. In de Novemberbrief van 1994 is het beleid van het ministerie van Defensie ten aanzien van milieumaatregelen uiteengezet. Budgettair is het beleid binnen de Koninklijke luchtmacht ingevuld. Ten behoeve van de herstructurering van de Koninklijke luchtmacht heeft een nadere prioriteitstelling binnen de infrastructuurbehoeften plaatsgevonden.

06. BELEIDSTERREIN KONINKLIJKE MARECHAUSSEE

Algemeen

De uitgaven bij het beleidsterrein Koninklijke marechaussee zijn binnen het artikel 06.20 Personeel en materieel als één ressort (inclusief wachtgelden) opgenomen. Het artikel 06.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur completeert de begroting van de Koninklijke marechaussee.

De totale geraamde uitgaven van het beleidsterrein Koninklijke marechaussee voor de jaren 1998 tot en met 2004 zijn als volgt te specificeren:

 
 1998199920002001200220032004
Uitgaven       
06.20 Personeel en materieel426 753464 416464 911464 958469 345468 347469 018
06.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur48 49454 31938 44654 43053 26651 30949 466
Totale uitgaven (x NLG 1000)475 247518 735503 357519 388522 611519 656518 484
Totale uitgaven (x EUR 1000)215 658235 392228 413235 688237 151235 810235 278

Uitgaven die betrekking hebben op de samenwerking met de Nederlandse Antillen en Aruba en uitgaven die betrekking hebben op attachés worden, conform de nota «Herijking van het buitenlands beleid» (Kamerstukken II 1994/1995, 24 337 X, nr. 1), verantwoord op het artikel 08.04 Overige uitgaven Internationale Samenwerking.

06.20 Personeel en materieel

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Als gevolg van de gewijzigde begrotingsindeling naar aanleiding van de integratie van de begrotingsartikelen Personeel en materieel en het Verbeterd Economisch Beheer (Kamerstukken II 1995/1996, 24 400 X, nr. 113) wordt op dit artikel inzicht verschaft in de bedrijfsvoeringsuitgaven van de resultaat-verantwoordelijke eenheid Koninklijke marechaussee. De Koninklijke marechaussee vormt als geheel een resultaat-verantwoor- delijke eenheid. Ter toelichting op het bedrijfsvoeringsbudget wordt volstaan met een geïntegreerde tekst voor het artikel Personeel en materieel. De bedrijfsvoeringsuitgaven Koninklijke marechaussee worden in vijf vaste artikelonderdelen gepresenteerd: ambtelijk burgerpersoneel, militair personeel, overige personele uitgaven, materiële uitgaven en de wachtgelden en inactiviteitswedden. Het bedrijfsvoeringsbeleid van de Koninklijke marechaussee is gericht op de inzet van personeel voor de operationele taakuitvoering. De effectiviteit daarvan wordt in hoge mate bepaald door de beschikbaarheid van personeel. Een nieuwe taak of een taakintensivering zal derhalve veelal de vorm krijgen van een uitbreiding van de personeelssterkte van de Koninklijke marechaussee.

De verplichtingen en de uitgaven voor personeel en materieel van de Koninklijke marechaussee worden voor dit beleidsterrein als geheel geraamd en verantwoord.

De uitgaven van het actief dienende personeel zijn geraamd met behulp van het Systeem Nieuwe Integrale Personeelsbegroting (SNIP). De uitkomst hiervan is aangepast voor de categorieën die niet in het SNIP zijn opgenomen en voor ontwikkelingen in de komende jaren.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000,–)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999  449 335453 725449 951460 384454 932 
Mutaties 1e suppletore wet 1999  4 626– 869– 869– 869– 869 
Stand 1e suppletore wet 1999  453 961452 856449 082459 515454 063 
Nieuwe mutaties (zie uitgavenopbouw)  10 53013 03016 04415 88914 584 
Stand ontwerpbegroting 200014 082424 868464 491465 886465 126475 404468 647469 318
Stand ontwerpbegroting 2000 (in EUR 1000)6 390192 797210 777211 410211 065215 729212 663212 967
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000,–)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999  449 260452 750449 783454 325454 632 
Mutaties 1e suppletore wet 1999  4 626– 869– 869– 869– 869 
Stand 1e suppletore wet 1999  453 886451 881448 914453 456453 763 
Nieuwe mutaties:         
Technische bijstellingen:         
– loon- en prijsaanpassingen 1999  15 16714 60013 56112 71412 105 
Beleidsmatige aanpassingen:         
– intensivering aanmeldcentra   3 6003 6003 6003 600 
– overheveling naar andere beleidsterreinen  – 3 456– 3 627– 3 465– 3 318– 3 314 
– bijstelling verrekenbare ontvangsten   981981981981 
– stalling taakstelling efficiencybesparingen   – 3 900    
– overige bijstellingen, per saldo  – 1 1811 3761 3671 9121 212 
Sub-totaal beleidsmatige bijstellingen:  10 53013 03016 04415 88914 584 
Stand ontwerpbegroting 2000 426 753464 416464 911464 958469 345468 347469 018
Stand ontwerpbegroting 2000 (in EUR 1000) 193 652210 743210 967210 989212 979212 527212 831

Toelichting op de nieuwe verplichtingen- en uitgavenmutaties

Loon- en prijsaanpassingen 1999

De uitgavenniveaus zijn aangepast aan het loon- en prijsniveau 1999.

Intensivering aanmeldcentra

De mutatie die heeft geleid tot een beleidsmatige bijstelling van de verplichtingen en uitgaven op dit artikel met f 3,6 miljoen (van de f 4,0 miljoen totaal, de resterende f 0,4 miljoen is toegevoegd aan het artikel 06.22) heeft betrekking op een verhoging van de formatiesterkte van de Koninklijke marechaussee. De aanleiding hiervan is een, op verzoek van het ministerie van Justitie, gehouden onderzoek naar de taakverdeling tussen de politie en de Koninklijke marechaussee in de aanmeldcentra voor asielzoekers. Op grond hiervan is vastgesteld dat op dit moment voor de drie bestaande centra bij de Koninklijke marechaussee 37 vte'n meer benodigd zijn. De begrotingssterkte van de Koninklijke marechaussee is verhoogd met 40 vte'n, waarbij rekening is gehouden met een niet-beschikbaarheid van 3 vte'n.

Overheveling naar andere beleidsterreinen

Deze overheveling gaat met name naar Dico en heeft vooral te maken met een extra wervingsinspanning die geleverd moet worden en een bijdrage in de meeruitgaven voor specialistische hulp binnen het Centraal Militair Hospitaal.

Bijstelling verrekenbare ontvangsten

De mutatie van f 0,981 miljoen betreft de te verwachten hogere inkomsten als gevolg van het constateren van strafbare feiten en een meerontvangst op legesgelden door de toename van de uitgifte van nooddocumenten in relatie tot de hogere uitgaven die daarvoor moeten worden gemaakt.

Stalling taakstelling efficiencybesparing

De uit de Hoofdlijnennotitie en de Kaderbrief voortvloeiende taakstelling voor het jaar 2000 is in afwachting van concrete maatregelen gestald.

Overige bijstellingen

Deze mutatie betreft met name een aantal geringe budgetaanpassingen. Een toenemende exploitatielast noodzaakt tevens tot een herschikking van budgetten. Hiervoor zijn voor 2000 en verder prioriteiten gesteld ten aanzien van groot materieel.

Bij de bovenstaande ramingen behoren de volgende aantallen vte'n.

Opbouw begrotingssterkte (vte'n op basis van 38-urige werkweek)
Omschrijving199920002001200220032004
Burgers – stand begroting 19991251251251251251 
Burgers – mutaties133333 
Burgers – stand ontwerpbegroting 20001254254254254254254
MP/BOT – stand begroting 19993 2093 2773 2663 2523 232 
MP/BOT – mutaties 20– 7– 8– 12 
MP/BOT – stand ontwerpbegroting 20003 2093 2973 2593 2443 2203 207
MP/BBT – stand begroting 19991 8651 9021 8911 9842004 
MP/BBT – mutaties– 8615424347 
MP/BBT – stand ontwerpbegroting 20001 7791 9171 9332 0272 0512 064
Totale sterkte – stand begroting 19995 3255 4305 4085 4875 487 
Totale sterkte – mutaties– 8338383838 
Totale sterkte – stand ontwerpbegroting 20005 2425 4685 4465 5255 5255 525

1 exclusief niet-actief burgerpersoneel (zie tevens bijlage 13)

Toelichting

Burgerpersoneel

De mutatie van 3 vte'n burgerpersoneel is een correctie van niet-actief personeel naar actief personeel.

Militair personeel

Een belangrijke mutatie betreft de noodzakelijke uitbreiding van zowel het BOT en BBT personeel voor de aanmeldcentra Rijsbergen en Zevenaar en het asielzoekerscentrum op de luchthaven Schiphol. De wijziging is gebaseerd op het in opdracht van het ministerie van Justitie gehouden onderzoek naar de taakverdeling tussen de Politie en Koninklijke marechaussee rond de aanmeldcentra voor asielzoekers. Op grond van het onderzoek is vastgesteld dat voor de drie bestaande centra bij de Koninklijke marechaussee 37 vte'n meer militair personeel benodigd is. In totaal is de begrotingssterkte met 40 vte'n opgehoogd, verdeeld over 20 BOT en 20 BBT.

Ten aanzien van de sterkte van het BBT-personeel zal in 2000 de incidentele verlaging van 81 vte'n worden ingelopen die in 1999, op grond van de wervingsresultaten in 1998, moest worden doorgevoerd.

Verder is er in de reeksen nog een wijziging van het volume BOT-ers ten gunste van het volume BBT personeel verwerkt (vanaf 2001).

Tenslotte heeft er een overheveling van vijf vte'n naar de Koninklijke landmacht plaatsgevonden ten behoeve van rij-opleidingen.

De verplichtingen en de uitgaven

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingen
 1998199920002001200220032004
06.20.01 Ambtelijk burgerpersoneel13 21517 66717 72217 66517 64617 61817 667
06.20.02 Militair personeel312 884342 477352 747350 021352 902351 690351 709
06.20.03 Overige personele uitgaven45 09944 22043 03741 97742 38842 28542 240
06.20.04 Materiële uitgaven52 73859 16655 34354 61161 42255 90656 554
Stalling taakstelling efficiencybesparing  – 3 900    
06.20.05 Wachtgelden en inactiviteitswedden9329619378521 0461 1481 148
Stand ontwerpbegroting 2000424 868464 491465 886465 126475 404468 647469 318

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelUitgaven
 1998199920002001200220032004
06.20.01 Ambtelijk burgerpersoneel13 21517 66717 72217 66517 64617 61817 667
06.20.02 Militair personeel312 937342 477352 747350 021352 902351 690351 709
06.20.03 Overige personele uitgaven45 42544 22043 03741 97742 38842 28542 240
06.20.04 Materiële uitgaven54 24459 09154 36854 44355 36355 60656 254
Stalling taakstelling efficiencybesparing  – 3 900    
06.20.05 Wachtgelden en inactiviteitswedden9329619378521 0461 1481 148
Stand ontwerpbegroting 2000426 753464 416464 911464 958469 345468 347469 018

Activiteitentoelichting

Het interdepartementale beleidsonderzoek (IBO) naar de sturing en de bedrijfsvoering van de Koninklijke marechaussee is afgerond. Thans worden de aanbevelingen uitgewerkt in het project Beleid en Bedrijfsvoering Koninklijke marechaussee 2000 (BBKMAR 2000). Gestreefd wordt naar de afronding van dit project eind 2000, zodat de begrotingsvoorbereiding voor 2002 met behulp van de nieuwe systematiek kan worden uitgevoerd. Het doel van de nieuwe systematiek is te komen tot een meer op output-gerichte sturing op basis van gemaakte afspraken over te behalen resultaten per taakveld.

De Koninklijke marechaussee verricht diverse activiteiten binnen een drietal taakgebieden:

– militaire politietaken;

– civiele politietaken;

– algemene ondersteuning.

Het militaire taakgebied bestaat uit de volgende hoofdactiviteiten:

– de politietaak krijgsmacht, onder andere de opsporing van strafbare feiten, ordehandhaving, vredesoperaties, het begeleiden van militaire transporten en de controle op het vervoer van gevaarlijke stoffen;

– de beveiliging van militaire objecten.

Het civiele taakgebied bestaat uit de volgende hoofdactiviteiten:

– beveiliging Koninklijk Huis;

– grensbewaking;

– mobiel toezicht vreemdelingen;

– politie- en veiligheidstaak burgerluchtvaartterreinen;

– bestrijding grensoverschrijdende criminaliteit;

– beveiliging transporten van De Nederlandsche Bank N.V.

Bij het ondersteunend taakgebied kunnen de volgende activiteiten worden onderscheiden:

– stafondersteuning;

– executieve ondersteuning, waaronder:

– bijzondere beveilingen;

– verkeersbeveiliging;

– recherche-onderzoeken;

– ere-escorten;

– opleidingen.

Artikelonderdeel 06.20.05 Wachtgelden en inactiviteitswedden

De uitgaven op dit artikelonderdeel hebben betrekking op de diverse wachtgeldregelingen voor het burger- en militair personeel van de Koninklijke marechaussee. Volgens het gestelde in artikel 4, lid 6, punt a van de Comptabiliteitswet wordt bij dit artikelonderdeel als verplichting opgenomen het bedrag dat als uitgaaf wordt geraamd.

De geraamde aantallen wachtgelden en inactiviteitswedden

 
OmschrijvingEenheid1998199920002001200220032004
WAO burgerpersoneelaantal uitkeringsjaren 123455
Overige wachtgelden burgerpersoneelaantal uitkeringsjaren6531   
Werkloosheidsbesluit BBT-militairenaantal uitkeringsjaren5522221
WAO militair personeelaantal uitkeringsjaren 258111212
Overige wachtgelden militair personeelaantal uitkeringsjaren13,513127121414
Wachtgelden en inactiviteitswedden exclusief uitvoeringskostenx f 1 000,–717746722637831933933
Bij: uitvoeringskostenx f 1 000,–215215215215215215215
Totale uitgaven ontwerpbegroting 2000x f 1 000,–9329619378521 0461 1481 148
Stand 1e suppletore begroting 1999x f 1 000,– 7887428911 2661 514 
Nieuwe mutatiesx f 1 000,– 173195– 39– 220– 366 

Toelichting

De mutaties vanaf het jaar 2000 laten zich verklaren door het beleid van de Koninklijke marechaussee om BBT-ers contractverlenging aan te bieden. Mede gezien de krapte op de arbeidsmarkt, maken weinig BBT-ers gebruik van de wachtgeldregeling. Weinig mensen verlaten de dienst zonder nieuwe baan.

WAO en bovenwettelijke arbeidsongeschiktheid

In verband met de keuze voor eigen risicodragerschap voor de WAO zijn de uitkeringsbedragen voorzover betrekking hebbend op de eigen-risicoperiode – vanuit beleidsterrein 02. Pensioenen en uitkeringen overgeheveld.

06.22 Investeringen groot materieel en infrastructuur

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Ten laste van dit artikel worden de uitgaven geraamd en verantwoord voor investeringen in groot materieel en infrastructuur. Het beleid is gericht op verbetering van het bestaande materieel, opheffing van tekortkomingen, zowel kwantitatief als kwalitatief, en vervanging van verouderd materieel door modern hoogwaardig materieel. Door snelle ingrijpende ontwikkelingen van moderne technologieën worden hoge eisen gesteld aan het materieel, met name op de aspecten mobiliteit, bereikbaarheid, tele- en datacommunicatie. Voor het operationele materieel is voor de komende jaren een aantal kwalitatieve en kwantitatieve hoofdaandachtspunten onderkend, te weten: het C-2000-project en het KMARIM (districts- en brigadenetwerk). In samenhang met de oplossing van de millennium-problematiek worden de aan het KMARIM verbonden uitgaven met name in 1999 gerealiseerd. Bezien wordt of dit project een vervolg krijgt indien ook de posten van de marechaussee van dit netwerk moeten worden voorzien. Ten laste van dit artikel worden tevens de uitgaven geraamd voor nieuwbouw, renovatie en aankoop van onroerend goed. Ook de honoraria voor bewezen ingenieursdiensten door DGW&T worden op dit artikel geraamd en verantwoord.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000,–)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999  51 77041 50858 01842 15149 672 
Mutaties 1e suppletore wet 1999  
Stand 1e suppletore wet 1999  51 77041 50858 01842 15149 672 
Totaal nieuwe mutaties  2 349– 3 456– 1 4755 0793 437 
Stand ontwerpbegroting 200025 38033 69254 11938 05256 54347 23053 10952 138
Stand ontwerpbegroting 2000 (in EUR 1000)11 51715 28924 55817 26725 65821 43224 10023 659
Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000,–)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999  51 97042 40855 90548 18747 872 
Mutaties 1e suppletore wet 1999  
Stand 1e suppletore wet 1999  51 97042 40855 90548 18747 872 
Nieuwe mutaties:         
Technische prijsaanpassing 1999  1 2061 0971 2151 1511 148 
Beleidsmatige mutaties:         
– Aanpassing MilSatCom-project   – 1 800– 80– 60  
– Intensivering aanmeldcentra   400400400400 
– Overheveling naar beleidsterreinen  – 63– 758– 93   
– Project C-2000     7 1004 700 
– Diverse herschikkingen  1 206– 2 901– 2 917– 3 512– 2 811 
Totaal nieuwe mutaties  2 349– 3 962– 1 4755 0793 437 
Stand ontwerpbegroting 2000 48 49454 31938 44654 43053 26651 30949 466
Stand ontwerpbegroting 2000 (in EUR 1000) 22 00624 64917 44624 69924 17123 28322 447

Toelichting op de nieuwe verplichtingen- en uitgavenmutaties

Een toenemende exploitatielast noodzaakt tot een herschikking van budgetten. Voor 2000 en verder is door prioriteitsstelling op het artikel investeringen groot materieel en infrastructuur een oplossing gevonden voor het tekort op de overige personele en materiële uitgaven. Door het verschuiven van een aantal geplande projecten (voertuigen, elektrisch en elektronisch materieel en automatisering) kunnen de ontstane tekorten op dit artikel worden opgelost.

De budgetoverheveling naar Dico betreft een financiële bijdrage ten behoeve van het OCMGD.

De Koninklijke marine is krijgmachtbreed met de uitvoering van het MilSatCom-project belast. Daarvoor zijn door de Koninklijke marechaussee budgetten naar de Koninklijke marine overgeheveld.

De mutatie voor het C-2000 project heeft betrekking op de uitgaven voor de landelijke invoer van dit project. Vanaf 2002 is gefaseerd f 16,2 miljoen toegevoegd aan de begroting van de Koninklijke marechaussee. Volgens huidige inzichten en berekeningen is dit bedrag toereikend om de landelijke roll-out binnen de Koninklijke marechaussee hiermee af te dekken.

Artikelonderdeel Vervoermiddelen en vaartuigen

 
Bedragen x f 1000,–VerplichtingenUitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Vervoermiddelen en vaartuigen3 7567 5358 2004 7737 4358 20010 9509 1379 5008 800

Het voertuigenpark van de Koninklijke marechaussee bestaat uit transporters, personenauto's, motoren, vrachtauto's en pantserwagens. Door de groei van het wapen als gevolg van de uitbreiding van taken zal in de komende jaren invulling worden gegeven aan de materieelbehoefte op voertuigengebied.

Artikelonderdeel Elektrisch en elektronisch materieel

 
Bedragen x f 1000,–VerplichtingenUitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Elektrisch en elektronisch materieel4 2266 9955 3004 6266 9956 2007 50013 10010 7009 900

Tot 2002 is deelname van de Koninklijke marechaussee in de proefregio van het communicatie-project C-2000 voorzien. C-2000 is de opvolger van het Interim Landelijk Mobilofoonnet (ILM). Voorts is het geraamde budget benodigd voor verbindingsmiddelen en de vervanging en uitbreiding van mobilofoons en portofoons.

Artikelonderdeel Automatiseringsmiddelen

 
Bedragen x f 1000,–VerplichtingenUitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Automatiseringsmiddelen15 89516 7005 51214 96316 7005 0067 0006 1006 5006 500

In 1999 en 2000 zullen investeringen worden gedaan in automatiseringsmiddelen die in belangrijke mate bepalend zijn voor de bedrijfsvoering van de Koninklijke marechaussee. Als belangrijkste systemen kunnen worden genoemd de investeringen ter oplossing van het millennium- probleem, de voltooiing van de districts- en brigadenetwerken (KMARIM) en het Passagiers Afhandelings Systeem (PAS).

Artikelonderdeel Bewapeningsmaterieel

 
Bedragen x f 1000,–VerplichtingenUitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Bewapeningsmaterieel 1 8001 400181 8001 4001 4001 4001 4001 400

Het geraamde bedrag is bestemd voor de vervanging van defect geraakt materieel en de initiële aanschaf van wapens ten behoeve van instromend personeel.

Artikelonderdeel Telefooninstallaties

 
Bedragen x f 1000,–VerplichtingenUitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Telefooninstallaties9911 6901 1001 2271 7901 2001 5001 1001 1001 000

Het geraamde bedrag is bestemd voor de uitbreiding en vervanging van telefooninstallaties, faxen en mobiele telefoonapparatuur.

Artikelonderdeel Overig materieel

 
Bedragen x f 1000,–VerplichtingenUitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Overig materieel1 0554 8351 3722 0234 7871 3725 0484 3933 6623 715

Op dit artikelonderdeel worden de uitgaven voor kleinere bedrijfsmatige investeringen geraamd.

Artikelonderdeel Infrastructuur

 
Bedragen x f 1000,–VerplichtingenUitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Infrastructuur13 54314 54615 16820 86414 81215 06821 03218 03618 44718 151

Ten laste van dit artikelonderdeel worden de uitgaven geraamd voor nieuwbouw en renovatie van diverse complexen binnen de Koninklijke marechaussee. Door de groei van het wapen is er op een aantal locaties behoefte aan uitbreiding van bureau- en legeringsruimtes. Voor 1999 en 2000 is de renovatie van cellencomplexen voorzien, nieuwbouw van de brigade Coevorden alsmede de infrastructurele voorzieningen van het KMARIM project.

08. Beleidsterrein Multi-service projecten en activiteiten

Algemeen

De uitgavenbedragen van het beleidsterrein Multi-service projecten en activiteiten voor de jaren 1998 tot en met 2004 zijn als volgt te specificeren:

 
  1998199920002001200220032004
Uitgaven        
08.01 Luchtmobiele brigade 322 480362 691361 501327 619322 95859 75011 134
08.02 Vredesoperaties 222 388477 913355 207252 630248 124248 124248 124
08.04 Overige uitgaven Internationale Samenwerking 78 77396 75396 53778 24278 25077 79977 799
08.05 Efficiencybesparingen/ kwaliteitsverbetering    – 100 000– 125 000– 150 000– 150 000
Totale uitgaven (x NLG 1000) 623 641937 357813 245558 491524 332235 673187 057
Totale uitgaven (x EUR 1000) 282 996425 354369 034253 432237 931106 94484 883

08.01 Luchtmobiele brigade

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Overeenkomstig de door de Kamer aanvaarde motie Van Middelkoop (Kamerstukken II, 1990/91, 21 991 X, nr. 18) zijn de oprichting van de investeringen door de Luchtmobiele brigade onderworpen aan de procedure controle grote projecten. Tijdens het begrotingsonderzoek in november 1998 is door de Kamer ingestemd met het voorstel de rapportages meer in lijn te brengen met die over de overige grote materieelprojecten. Voortaan wordt twee maal per jaar over de oprichting van de Luchtmobiele brigade gerapporteerd; eenmaal separaat naar de stand van zaken op 1 januari en eenmaal in de ontwerpbegroting naar de stand van zaken per 1 juli.

De specifiek voor de oprichting van de luchtmobiele brigade benodigde investeringen worden op dit artikel verantwoord. Dit voorstel van wet bevat tevens de informatie zoals voorheen opgenomen in de halfjaarlijkse rapportage aan de Tweede Kamer omtrent de oprichting van de Luchtmobiele brigade.

Het totale taakstellende budget ten behoeve van de oprichting van de Luchtmobiele brigade neemt ten opzichte van de voorgaande, 14e halfjaarlijkse rapportage (Kamerstukken II, 1998–1999, 22 327 X, nr. 49) toe met de prijsbijstelling 1999 van f 43 miljoen en komt daarmee in totaal op f 3180 miljoen.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000,–)
 t/m 19971998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999  116 97537 79430 87555 560  
Mutaties 1e suppletore wet 1999  0000  
Stand 1e suppletore wet 1999  116 97537 79430 87555 560  
Nieuwe mutaties (zie uitgavenopbouw)  45 45047 40712 24417 825  
Stand ontwerpbegroting 20001 296 184117 188162 42585 20143 11973 385  
Stand ontwerpbegroting 2000 (in EUR 1000)588 18353 17873 70538 66319 56733 301  

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000,–)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999  339 567405 147304 982271 846  
Mutaties 1e suppletore wet 1999  14 500– 56 00012 00041 00059 000 
Stand 1e suppletore wet 1999  354 067349 147316 982312 84659 000 
Nieuwe(technische) mutaties:         
– Prijsaanpassing 1999  8 62412 35410 63710 112750 
Stand ontwerpbegroting 2000 322 480362 691361 501327 619322 95859 75011 134
Stand ontwerpbegroting 2000 (in EUR 1000) 146 335164 582164 042148 667146 55227 1135 052

Toelichting op de nieuwe technische verplichtingen- en uitgavenmutaties

Prijsaanpassingen 1999

De uitgavenniveaus zijn aangepast aan het prijsniveau 1999.

Artikelonderdeel Bewapende helikopter

 
Bedragen x f 1000,–VerplichtingenUitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Bewapende helikopter69 76090 00671 132193 817257 123300 559318 483317 37959 21011 134

In de 14e halfjaarlijkse rapportage zijn problemen gemeld met betrekking tot de levering aan de firma Boeing van de «Color Multifunctional Display». Intussen is een nieuwe leverancier gecontracteerd en is de productie hiervan weer gestart. De eerste zes Nederlandse AH-64D helikopters zijn compleet afgeleverd. De zevende helikopter is afgeleverd zonder CMD's. Deze zullen medio september 1999 worden ingebouwd. Vanaf september 1999 wordt de aflevering van AH-64D's, compleet met CMD's, hervat. Ten opzichte van het oorspronkelijke afleverschema is er een vertraging opgetreden van één tot twee helikopters. Deze zal eind 2000 zijn ingelopen. De vertraging heeft dus geen invloed op het bereiken van de Fully Operational Capable status in 2003.

Artikelonderdeel Transporthelikopter

 
Bedragen x f 1000,–Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Transporthelikopter31 17434 70211 569102 75181 33640 4119 1365 579540 

Inmiddels zijn alle Cougar helikopters geleverd en in gebruik genomen. De zes nieuwe Chinook helikopters worden in 1999 verwacht.

Alle Cougar helikopters zijn inmiddels uitgerust met voorzieningen voor een weerradar. In verband met de operaties rond Kosovo is het installeren van een pakket elektronische zelfbeschermingsmiddelen voor vier Cougars versneld. Aansluitend worden vier andere Cougars geschikt gemaakt voor een dergelijk pakket. De levering van de «Radar Warning Receiver» voor één vlucht (vijf Cougars) zal medio 2000 plaatsvinden.

De technische inzetbaarheid van de Cougars fluctueert, onder meer als gevolg van de te nemen (interim) maatregelen voor de aan de Kamer gemelde problemen met de brandstoftanks. Deze interimoplossing is succesvol, naar een definitieve oplossing wordt in overleg met de fabrikant gezocht.

Met het installeren van een pakket electronische zelfbeschermingsmiddelen voor één vlucht van vier Chinooks is begonnen. In verband met de operaties rond Kosovo zijn drie toestellen met voorrang uitgerust met het beschikbare deel van dit pakket. Om het voortzettingsvermogen te behouden worden momenteel nog drie Chinooks voorzien van dit pakket. De installatie hiervan zal in september 1999 worden voltooid. Voor één vlucht Chinooks wordt de «Radar Warning Receiver» in 2000 geleverd.

Artikelonderdeel Luchtmobiel speciaal voertuig

 
Bedragen x f 1000,–Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Luchtmobiel speciaal voertuig2344 459 11 8697 1564 211    

Eind 1996 is de bestelling geplaatst voor een licht, luchttransportabel voertuig. Dit voertuig wordt gebouwd door SP Aerospace en Vehicle Systems, het voormalige DAF Special Products. De leverancier heeft inmiddels 179 voertuigen afgeleverd, die deels al bij de Brigade zijn ingestroomd. Eén voertuig zal later worden geleverd, gelijktijdig met de 28 extra LSV'n voor gewondenafvoer, waarvoor de bestelorder in mei 1999 is geplaatst. Deze voertuigen zullen in de eerste helft van 2000 worden geleverd, waarna de Mechanisch Centrale Werkplaats zorg zal dragen voor de productie en de opbouw van het gewondentransport.

Artikelonderdeel Persoonsgebonden uitrusting

Op dit artikelonderdeel werden de uitgaven geraamd die voortvloeien uit de verwerving van parka's, speciale slaapzakken en overige persoonsgebonden uitrusting. Dit deelproject is afgesloten.

Artikelonderdeel Overige specifieke materieelprojecten

 
Bedragen x f 1000,–Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Overige specifieke materieelprojecten426 7772 5002 4171399 185    

De uitgaven hebben betrekking op speciaal voor de luchtmobiele genie en logistieke eenheden bestemd materiaal. Op dit moment worden speciale munitiesoorten verworven voor met name de genie.

Artikelonderdeel Infrastructuur grondcomponent

 
Bedragen x f 1000,–Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Infrastructuur grondcomponent 1 000  1 000     

De uitgaven hebben betrekking op infrastructurele aanpassingen voor de grondcomponent van de Luchtmobiele brigade te Assen en Schaarsbergen. Dit deelproject wordt in 1999 afgesloten.

Artikelonderdeel Infrastructuur luchtcomponent

 
Bedragen x f 1000,–Verplichtingen Uitgaven
 1998199920001998199920002001200220032004
Infrastructuur luchtcomponent15 97817 835 11 62615 9377 135    

De uitgaven hebben betrekking op infrastructurele aanpassingen voor de luchtcomponent van de Luchtmobiele brigade, de Tactische helikoptergroep van de Koninklijke luchtmacht, te Soesterberg en Gilze-Rijen.

08.02 Vredesoperaties

De grondslag van het artikel

Ten laste van dit artikel worden de uitgaven geraamd ten behoeve van crisisbeheersings- en humanitaire-operaties. De uitgaven betreffen het verplichte Nederlandse aandeel (contributies) in de kosten van VN-operaties (1,62%) en de additionele uitgaven die het gevolg zijn van de deelneming van de Nederlandse krijgsmacht aan humanitaire en vredesoperaties.

De additionele uitgaven hebben betrekking op:

– personele uitgaven, waaronder toelagen en reis- en verblijfskosten;

– materiële uitgaven, waaronder brandstofverbruik, munitieverbruik, verbruiksartikelen, gebruiksgereedmaken en onderhoud c.q. herstel van materieel.

Momenteel neemt de Nederlandse krijgsmacht deel aan een spectrum van humanitaire en vredesoperaties. Deze operaties betreffen met name Bosnië/Herzegowina (SFOR), Kosovo (thans Kfor, aansluitend op Allied Force en Allied Harbour) alsmede een aantal kleinere operaties elders in de wereld. De Sfor- en Kfor-operaties zijn door de Navo geleide operaties en worden dientengevolge niet door de Verenigde Naties (VN) gefinancierd. Als gevolg hiervan ontvangt Nederland voor deze operaties geen VN-vergoedingen.

In de loop van 1999 heeft het Kabinet besloten dat f 200 miljoen voor het jaar 1999 en f 99 miljoen voor het jaar 2000 wordt toegevoegd aan vredesoperaties als gevolg van de inzet van militaire middelen in Kosovo (Allied Force, Allied Harbour en Kfor). Ten tijde van de Voorjaarsnota is reeds f 50 miljoen voor het jaar 1999 en f 100 miljoen voor het jaar 2000 verwerkt, zodat onderstaande mutaties resteren.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw verplichtingen en uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000,–)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999  270 400251 701248 124248 124248 124 
Mutaties 1e suppletore wet 1999  50 000100 000  
Stand 1e suppletore wet 1999  320 400351 701248 124248 124248 124 
Nieuwe (technische) mutaties:         
– Besluitvorming HGIS Ministerraad  150 000– 1 000    
– Ramingsbijstelling  7 5134 5064 506  
Stand ontwerpbegroting 2000 222 388477 913355 207252 630248 124248 124248 124
Stand ontwerpbegroting 2000 (in EUR 1000) 100 915216 867161 186114 638112 594112 594112 594

De onderverdeling naar contributies en vredesoperaties (x f 1000,–)
OmschrijvingUitgaven
 20002001200220032004
VN-contributies31 00031 00031 00031 00031 000
Sfor136 000     
Kfor133 000     
UNFICYP7 0003 600   
Voorziening voor vredesoperaties48 207218 030217 124217 124217 124
Totaal355 207252 630248 124248 124248 124

VN-contributies

Deze contributies betreffen het verplichte Nederlandse aandeel in de kosten van VN-operaties. Thans is een verschuiving zichtbaar van operaties onder VN auspiciën naar door de Navo geleide humanitaire en vredesoperaties. Het bedrag voor VN-contributies wordt verlaagd naar f 31 miljoen.

Sfor

Dit betreft de uitgaven voor het bataljon van de Koninklijke landmacht met ondersteunende eenheden in Bosnië/Herzegowina. Politieke besluitvorming over de Nederlandse bijdrage aan Sfor bestrijkt de periode tot het jaar 2001.

Kfor

Dit betreft de uitgaven voor de afdeling veldartillerie, een samengestelde genie/humanitaire eenheid alsmede een aantal ondersteunende eenheden, waaronder een helikopterdetachement, in Kosovo. In de raming is rekening gehouden met de inzet gedurende een half jaar daar het huidige mandaat tot medio 2000 loopt.

UNFICYP

Sedert medio 1998 neemt een Nederlands contingent voor een periode van drie jaar deel aan de VN-vredesoperatie op Cyprus (UNFICYP).

Voorziening voor Vredesoperaties

Op deze regel is de resterende voorziening voor vredesoperaties vermeld.

Zo is het thans onvoldoende duidelijk op welke wijze en voor welke operatie de Koninklijke luchtmacht F-16 vliegtuigen, gestationeerd op de Italiaanse vliegbasis Amendola, in de nabije toekomst zal inzetten. Derhalve is deze operatie vooralsnog niet afzonderlijk in de raming opgenomen.

08.04 Overige uitgaven Internationale Samenwerking

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

Naast de uitgaven voor vredesoperaties ten laste van artikel 08.02 worden tevens de op dit artikel 08.04 geraamde uitgaven voor attachés tot de homogene groep internationale samenwerking (HGIS) gerekend. Tot de HGIS werd in de periode 1997 tot en met 1999 ook het defensie-aandeel in de uitgaven voor het project Humanitair ontmijnen (HOM-2000) gerekend. Tevens worden op dit artikel de uitgaven voor de Kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba (NA&A) geraamd en verantwoord. Met ingang van de ontwerpbegroting 2000 behoren deze echter niet meer tot de HGIS.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000,–)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999  82 82069 42666 97966 98366 510 
Mutaties 1e suppletore wet 1999  
Stand 1e suppletore wet 1999  82 82069 42666 97966 98366 510 
Nieuwe mutaties:         
Technische bijstellingen         
– Prijsaanpassingen 1999  2 0701 7351 6741 6741 662 
Beleidsmatige bijstellingen         
– Ramingsbijstelling  11 86325 3769 5899 5939 627 
Totaal nieuwe mutaties  13 93327 11111 26311 26711 289 
Stand ontwerpbegroting 2000 78 77396 75396 53778 24278 25077 79977 799
Stand ontwerpbegroting 2000 (in EUR 1000) 35 74643 90543 80735 50535 50835 30435 304

Toelichting nieuwe mutaties

De ramingsbijstelling bestaat enerzijds uit de toevoeging in de jaren 1999 en 2000 in verband met de aanvullende investeringen inzake de Kustwacht en anderzijds uit de structurele budgetaanpassing ten laste van de veroorzakende beleidsterreinen van ongeveer f 9,6 miljoen in verband met de geraamde attaché-uitgaven.

De verplichtingen en de uitgaven

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en de uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingen en uitgaven
 1998199920002001200220032004
08.04.01 Attachés40 97741 48341 50241 47741 48141 48041 480
08.04.02 Kustwacht NA&A36 53253 77055 03536 76536 76936 31936 319
08.04.03 Overige uitgaven1 2641 500     
Totaal78 77396 75396 53778 24278 25077 79977 799

Toelichting per artikelonderdeel

Attachés

Dit artikelonderdeel omvat de bezoldigingsuitgaven voor zowel attachés als het ondersteunende personeel.

Kustwacht NA&A

Binnen dit artikelonderdeel is het defensie-aandeel in de exploitatie- en investeringsuitgaven ten behoeve van de Kustwacht NA&A opgenomen. Bij het volledig operationeel zijn van de Kustwacht NA&A zullen de totale exploitatie-uitgaven f 41,3 miljoen bedragen. Voor (varend) materieel en de noodzakelijke aanpassing van infrastructuur is een investeringsbudget van f 78,6 miljoen benodigd. Het deel van de uitgaven dat wordt gedragen door het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt aldaar geraamd en verantwoord. De bijdragen van de Nederlandse Antillen en Aruba in de investerings- en exploitatielasten worden op de Defensiebegroting als verrekenbare ontvangsten opgenomen.

Overige uitgaven

Op dit artikelonderdeel zijn in het jaar 1999 de aan de eindejaarsmarge gerelateerde uitgaven ten behoeve van het project Humanitair Ontmijnen 2000 (HOM-2000) verantwoord. Dit betreft de laatste uitgave op HGIS voor het project HOM-2000.

08.05 Efficiencybesparingen/kwaliteitsverbetering

De grondslag en het uit te voeren beleid

Op dit artikel worden de besparingen geboekt als gevolg van maatregelen ter verbetering van de efficiency en de kwaliteit. Naast budgettaire voordelen op het gebied van wetenschappelijk onderzoek, het compensatiebeleid en het samenvoegen van – delen van – materieelverwervingsdiensten, worden voordelen beoogd met het Interdepartementale beleidsonderzoek «Uitbesteding ondersteunende eenheden Defensie». De taakstellende bedragen komen voort uit de Hoofdlijnennotitie en de besluitvorming over de Miljoenennota 2000. Het streven is er op gericht om uiterlijk bij het verschijnen van de Defensienota 2000 in elk geval inzicht te geven in de gebieden waarop, de tijdsperiode waarbinnen en de wijze waarop Defensie deze financiële taakstellingen gaat inlossen.

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000,–)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999         
Mutaties 1e suppletore wet 1999  
Stand 1e suppletore wet 1999   0000  
Nieuwe (beleidsmatige) mutaties:         
– Taakstelling te bereiken efficiencybesparing (ondersteunende diensten)   0– 50 000– 75 000– 100 000 
– Hoofdlijnennotitie   0– 50 000– 50 000– 50 000 
Totaal nieuwe mutaties   0– 100 000– 125 000– 150 000 
Stand ontwerpbegroting 2000   0– 100 000– 125 000– 150 000– 150 000
Stand ontwerpbegroting 2000 (in EUR 1000)   0– 45 378– 56 723– 68 067– 68 067

Toelichting nieuwe mutaties

Taakstelling te bereiken efficiencybesparing (ondersteunende diensten)

De taakstellende besparingen zullen worden gerealiseerd door efficiencybesparingen die voornamelijke bereikt moeten worden door de invoering van vormen van concurrentiestelling met betrekking tot ondersteunende eenheden van Defensie. Dit concept van competitieve dienstverlening is ontwikkeld in het interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) «Uitbesteding ondersteunende eenheden Defensie».

Hoofdlijnennotitie

Deze cluster van beoogde besparingen betreft onder andere de mogelijke samenvoeging van delen van de materieeldiensten, mogelijke wijzigingen in het beleid inzake de kosten van compensatie, de omvang van technologisch onderzoek en ontwikkeling.

09. Beleidsterrein Defensie Interservice Commando

Algemeen

Het Defensie Interservice Commando (Dico) is het beleidsterrein van Defensie waar diverse diensten en bedrijven met een defensiebrede ondersteunende taak zijn ondergebracht. Door de concentratie van gelijksoortige activiteiten bij interservice dienstverlenende organisaties is een doelmatige ondersteuning van de krijgsmacht mogelijk. De krijgsmachtdelen kunnen zich hierdoor beter op hun primaire taken concentreren.

Samenstelling Dico

Het Dico bestaat uit twee agentschappen, elf resultaat-verantwoordelijke eenheden en de staf van het Dico.

De agentschappen zijn:

– Dienst Gebouwen, Werken en Terreinen (DGW&T)

– Defensie Telematica Organisatie (DTO)

De begrotingen van beide agentschappen zijn opgenomen in wetsartikel 3 van de artikelsgewijze toelichting. Het beleidsterrein Dico concentreert zich op de overige diensten en bedrijven en de staf van het Dico. Daarbij wordt (begrotingstechnisch) de volgende indeling gehanteerd:

– Staf Dico

– Defensie Verkeers- en Vervoersorganisatie (DVVO)

– Defensie Werving en Selectie (DWS)

– Instituut Defensie Leergangen (IDL)

– Militair Geneeskundig Facilitair Bedrijf (MGFB)

– Overige Interservice Diensten (OID)

In 1998 is, uit doelmatigheidsoverwegingen, tot een verdere clustering van diensten bij het ressort Overige Interservice Diensten overgegaan. Tot de Overige Interservice Diensten worden de volgende organisatie-eenheden gerekend:

– Diensten voor Geestelijke Verzorging (DGV)

– Defensie Materieel Codificatiecentrum (DMC)

– Dienst Militaire Pensioenen (DMP)

– Defensie Archieven Registratie en Informatie Centrum (DARIC)

– Dienst Personeels- en Salarisadministratie (PSA)

– Bureau Internationale Militaire Sport (BIMS)

– Maatschappelijke Dienst Defensie (MDD)

Ontwikkelingen

In 1999 worden de voorbereidingen getroffen voor de overheveling van het Koninklijk Tehuis voor Oud-Militairen en Museum Bronbeek (KTOMM) van de Koninklijke landmacht naar het Dico. Ongeveer tegelijkertijd zal vanuit de Centrale Organisatie het Bureau Vorderingen, Inhoudingen en Kortingen (VIK) eveneens aan Dico worden overgedragen. Over het onderbrengen van het nog op te richten Veteraneninstituut voor Defensiepersoneel bij de MDD en de eventuele overdracht van de secretariaten van de Stichting Burgerpersoneelsfonds en van de personeelsvereniging Meer Vriendschap Onderling wordt nog gesproken. De budgetten en personeelsaantallen van de nog op te nemen diensten zijn nog niet in deze begroting verwerkt. Deze budgetten zullen tezijnertijd in overleg met de overdragende instanties worden overgeheveld. Naar verwachting zal in de loop van 2000 de DMP overgaan naar het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP). Voor wat betreft de overheveling van de Taakgroep Gegevensverzameling Verzekerdenadministratie is in deze begroting al wel rekening gehouden met de overheveling naar het ABP.

Besturing

Behoudens de agentschappen hebben alle overige eenheden de status van resultaat-verantwoordelijke eenheid en beschikken zij over decentrale uitgavenbudgetten voor personeel en materieel. Alle eenheden hebben een zodanige mate van zelfstandigheid, dat zij zelf een zakelijke relatie met de klanten bij Defensie kunnen onderhouden. Voor een goede afstemming van de dienstverlening met de klanten zijn bij de grotere eenheden afzonderlijke klantenraden ingesteld.

De besturing van het Dico is primair gericht op het op een doelmatige wijze leveren van een breed scala aan ondersteunende diensten. Via een door de Secretaris-Generaal ingesteld college oefenen de Bevelhebbers van de vier krijgsmachtdelen functioneel toezicht uit op de plannen en de uitvoering van de dienstverlenende taken.

De eenheden die onder de Overige Interservice Diensten vallen zijn te klein om de staffuncties, die benodigd zijn voor volledige resultaatverantwoordelijkheid, op te nemen in de eigen organisatie. Voor deze eenheden is bij staf Dico ondersteunende stafcapaciteit samengebracht, die deze eenheden faciliteert op het gebied van financiën, personeel en organisatie. Bij uitbreiding van het Dico met meer kleinere eenheden worden in voorkomend geval functies overgedragen door de betreffende beleidsterreinen.

Ontwikkelen en implementeren doelmatigheidskengetallen

Als onderdeel van de invoering van het Beleid Bedrijfsvoering Defensie bij het Dico, wordt het Voorhoedeproject Dico uitgewerkt. Dit project behelst het ontwikkelen en implementeren van doelmatigheidskengetallen bij de vier grootste resultaat-verantwoordelijke eenheden, te weten DVVO, DWS, MGFB en IDL. Deze doelmatigheidskengetallen leveren een extra bijdrage in de output-gerichte besturing van deze eenheden. Tevens wordt, door de vergelijkbaarheid in de tijd en met gelijksoortige organisaties buiten Defensie, een beter inzicht verkregen in de doelmatige aanwending van middelen en het tot stand komen van de eindproducten.

Voortgang herstructurering

De meeste diensten en bedrijven van het Dico hebben de fase van de initiële herstructurering na opname in het Dico achter de rug. Enkele eenheden bevinden zich nog in het reorganisatieproces. Begin 1999 is de co-locatie in Amsterdam van de Defensie Werving en Selectie voltooid. De reorganisaties in het kader van de doelmatigheidsoperatie bij het Militair Geneeskundig Facilitair Bedrijf en bij de Diensten voor Geestelijke Verzorging zullen in 1999 volgens schema worden voortgezet. De effecten van de uit de doelmatigheidsoperatie voortkomende personeelsreducties zullen daarmee nog herkenbaar zijn tot en met het jaar 2001. Met de herstructurering zijn de noodzakelijke randvoorwaarden voor een klantgericht en doelmatig Dico in belangrijke mate ingevuld.

Voor het goed functioneren van het Dico is het mede van belang dat een goede besturing en beheersing van de organisatie is zekergesteld. Begin 1999 zijn op grond van aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer en de Defensie Accountantsdienst intern Dico de benodigde verbeteringen aangebracht in de administratieve organisatie rond met name het financiële beheer en het materieelbeheer. De verbeteringen hebben ertoe geleid dat beide instanties een positief oordeel hebben geveld over deze vormen van beheer bij het Dico. Het daarbij in gang gezette verbeterproces moet ook op de lange termijn een goede besturing en beheersing waarborgen. Een onlangs doorgevoerde reorganisatie in de staf van het Dico levert daar mede een belangrijke bijdrage aan.

De uitgavenramingen van het beleidsterrein Dico voor de jaren 1998 tot en met 2004 zijn als volgt te specificeren:

 
  1998199920002001200220032004
Uitgaven        
09.02 Personeel en materieel         
– Staf Dico 7 47714 7287 98210 2728 7708 5288 311
– Defensie Verkeers- en Vervoersorganisatie (DVVO) 107 695120 807115 345114 332112 593112 626112 019
– Defensie Werving en Selectie (DWS) 106 484116 265110 396108 704108 326108 276108 276
– Instituut Defensie Leergangen (IDL) 18 88219 14419 23719 12219 09919 08619 086
– Militair Geneeskundig Facilitair Bedrijf (MGFB) 121 920124 704113 367108 304109 824110 520110 320
– Overige Interservice Diensten (OID) 79 11585 18070 16873 30771 92371 72071 580
– Wachtgelden en inactiviteitswedden 11 12812 20210 6899 6189 0808 3657 755
Totaal 09.02 Personeel en materieel 452 701493 030447 184443 659439 615439 121437 347
09.03 Investeringen groot materieel en infrastructuur 35 32819 41723 61711 7717 4617 3417 341
Totale uitgaven (x NLG 1000) 488 029512 447470 801455 430447 076446 462444 688
Totale uitgaven (x EUR 1000) 221 458232 538213 640206 665202 874202 596201 791

09.02 Personeel en materieel

De grondslag van het artikel en het te voeren beleid

In dit artikel zijn de bedrijfsvoeringsuitgaven opgenomen die nodig zijn voor de leiding en uitvoering van activiteiten door de tot het Dico behorende diensten en bedrijven. Het artikel omvat ondermeer de volgende componenten:

– loonkosten en overige tot het loon te rekenen kosten van het ambtelijk burgerpersoneel en het militair personeel;

– overige personele uitgaven;

– materiële uitgaven inclusief kleine investeringen, automatisering en telecommunicatie;

– activiteitgebonden uitgaven voor inhuur transportcapaciteit, werving en geneeskundige verzorging.

De bedrijfsvoeringsuitgaven zijn per ressort weergegeven. Per ressort worden vier vaste artikelonderdelen gepresenteerd: ambtelijk burgerpersoneel, militair personeel, overige personele uitgaven en materiële uitgaven. De wachtgelduitgaven voor het burger- en militair personeel worden geraamd en verantwoord op artikelonderdeel 09.02.25.

De verplichtingen en uitgaven

Opbouw uitgaven vanaf de vorige ontwerpbegroting (x f 1000,–)
  1998199920002001200220032004
Stand ontwerpbegroting 1999  439 362403 875396 251392 836392 525 
Mutaties 1e suppletore wet 1999  
Stand 1e suppletore wet 1999  439 362403 875396 251392 836392 525 
Nieuwe mutaties:         
– Staf Dico  5 351– 1 4311 94931371 
– Defensie Verkeers- en Vervoersorganisatie (DVVO)  13 16211 04911 03812 07412 505 
– Defensie Werving en Selectie (DWS)  27 21222 70220 90121 32121 075 
– Instituut Defensie Leergangen (IDL)  725902861839826 
– Militair Geneeskundig Facilitair Bedrijf (MGFB)  1 7976 6244 0024 3364 849 
– Overige Interservice Diensten (OID)  458– 9874 1782 8772 966 
– Wachtgelden en inactiviteitswedden  4 9634 4504 4795 0194 304 
Totaal nieuwe mutaties  53 66843 30947 40846 77946 596 
Stand ontwerpbegroting 2000 452 701493 030447 184443 659439 615439 121437 347
Stand ontwerpbegroting 2000 (in EUR 1000) 205 427223 727202 923201 324199 489199 264198 459

Toelichting op de nieuwe verplichtingen- en uitgavenmutaties

De nieuwe verplichtingen- en uitgavenmutaties worden naar oorzaak bij de ramingen van de ressorts en het artikelonderdeel Wachtgelden en inactiviteitswedden toegelicht.

Bij de bovenstaande ramingen behoren de volgende aantallen vte'n.

Opbouw begrotingssterkte (vte'n op basis van 38-urige werkweek)
Omschrijving19992 0002001200220032004
Burgers – stand begroting 199911 2801 2491 2111 1821 182 
Burgers – mutaties131– 9– 13– 26– 28 
Burgers – stand ontwerpbegroting 200011 3111 2401 1981 1561 1541 154
MP/BOT – stand begroting 19991 1001 0601 0581 0521 052 
MP/BOT – mutaties– 65– 52– 50– 47– 49 
MP/BOT – stand ontwerpbegroting 20001 0351 0081 0081 0051 0031 001
MP/BBT – stand begroting 1999327337337337337 
MP/BBT – mutaties4440444852 
MP/BBT – stand ontwerpbegroting 2000371377381385389391
Totale sterkte – stand begroting 19992 7072 6462 6062 5712 571 
Totale sterkte – mutaties10– 21– 19– 25– 25 
Totale sterkte – stand ontwerpbegroting 20002 7172 6252 5872 5462 5462 546

1 exclusief niet-actief burgerpersoneel (zie tevens bijlage 13)

Toelichting

De afname burgerpersoneel wordt met name veroorzaakt door de overgang van het Team Gegevens Verzekerdenadministratie (TGV) naar het ABP.

Daarnaast is een verschuiving zichtbaar van de dure categorie BOT naar de goedkopere categorie BBT.

Ressort Staf Dico

De staf van het Dico heeft als taak het ondersteunen van de Commandant Dico bij de aansturing van de onder het Dico ressorterende eenheden. Staf Dico heeft recentelijk een reorganisatie ondergaan. De staf is nu opgebouwd uit een stafgroep van commandant Dico, de controller Dico, een planning- en controlgroep voor de dagelijkse liaison met de eenheden en een groep die ondersteuning biedt op diverse functionele gebieden. Deze ondersteuningsgroep draagt mede zorg voor de ondersteuning van enkele Dico-eenheden op het gebied van financiën, personeel en organisatie. Het betreft in dit geval eenheden van Dico die te klein zijn om deze taken doelmatig zelf te kunnen uitvoeren.

Hoewel de eenheden van het Dico een grote mate van zelfstandigheid op het gebied van beheer van personeels- en materieelzaken hebben, wordt niettemin regelmatig een beroep gedaan op ondersteuning van Staf Dico, of teruggevallen op de krijgsmachtdelen. Momenteel wordt onderzocht op welke wijze Staf Dico ondersteuning dient te verlenen op het gebied van infrastructuur-, materieel-, personeels- en formatiebeheer.

Staf Dico is gevestigd in het gebouw aan de Koningin Marialaan te Den Haag. Deze locatie is nu nog in gebruik bij verschillende diensten van Defensie. Het ligt in de bedoeling Dico-eenheden in dit gebouw te concentreren. Staf Dico is daar nu reeds gehuisvest, alsmede de staf van het Militair Geneeskundig Facilitair Bedrijf en de staf van de Maatschappelijke Dienst Defensie. Mede als gevolg van de voorgenomen concentratie van Dico-eenheden in dit pand zal in overleg met het kerndepartement worden bezien in hoeverre overdracht van de exploitatie en het beheer van deze infrastructuur aan Staf Dico mogelijk en wenselijk is.

De verplichtingen en de uitgaven van ressort Staf Dico

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en de uitgaven (x f 1 000)
ArtikelonderdeelVerplichtingen en uitgaven
 1998199920002001200220032004
09.02.01 Ambtelijk burgerpersoneel 2 9913 1573 2273 1002 9832 8652 753
09.02.02 Militair personeel 2 7642 6822 5602 4412 3272 2182 113
09.02.03 Overige personele uitgaven 4096252 6251 625625625625
09.02.04 Materiële uitgaven 1 3138 2643 3203 1062 8352 8202 820
Stalling taakstelling efficiencybesparing  – 3 750  
Stand ontwerpbegroting 20007 47714 7287 98210 2728 7708 5288 311
Stand 1e suppletore begroting 19997 4779 3779 4138 3238 4578 457 
Nieuwe mutaties 5 351– 1 4311 94931371 
Specificatie nieuwe mutaties (bedragen x f 1000,–)
Omschrijving 19992000200120022003 
Technische bijstellingen:        
– Loon- en prijsaanpassingen 1999 158101756462 
Sub-totaal technische bijstellingen 158101756462  
        
Beleidsmatige bijstellingen:        
– Aanpassing begrotingssterkte 900900675450225 
– Stalling taakstelling efficiencybesparing  – 3 750    
– Overige bijstellingen, per saldo 4 2931 3181 199– 201– 216 
Sub-totaal beleidsmatige bijstellingen 5 193– 1 5321 8742499 
Totaal van de mutaties 5 351– 1 4311 94931371 

Toelichting nieuwe mutaties

Technische bijstellingen

Loon- en prijsaanpassingen 1999

De uitgavenniveaus zijn aangepast aan het loon- en prijsniveau 1999.

Beleidsmatige bijstellingen

Aanpassing begrotingssterkte

Er is sprake van een toenemende werklast van de staf als gevolg van diverse aan het beleidsterrein Dico gemandateerde beheerstaken en door te voeren verbetermaatregelen als gevolg van het bezwarenonderzoek van de Algemene Rekenkamer. Aangezien de bestaande capaciteit van Staf Dico als een knelpunt werd ervaren, is een tijdelijke uitbreiding van de capaciteit doorgevoerd. De personele cijfers zijn daarop aangepast.

Stalling taakstelling efficiencybesparing

De uit de Hoofdlijnennotitie en de Miljoenennota 2000 voortvloeiende taakstelling voor het jaar 2000 is in afwachting van concrete maatregelen gestald.

Overige bijstellingen

Op grond van de geplande uitgaven op het gebied van bijvoorbeeld informatievoorziening, inhuur en arbeidsomstandigheden heeft een bijstelling plaatsgevonden.

Ressort Defensie Verkeers- en Vervoersorganisatie (DVVO)

De Defensie Verkeers- en Vervoersorganisatie (DVVO) is belast met het op ieder gewenst moment voorbereiden en (doen) leveren van vervoers- en verkeersdiensten voor het gehele ministerie van Defensie. De DVVO verzorgt alle niet-operationele verkeers- en vervoersdiensten, voor zover zij betrekking hebben op:

– algemene verdedigingstaken;

– crisisbeheersingsoperaties;

– humanitaire operaties;

– overige vredestaken.

De DVVO bestaat uit een staf DVVO, geloceerd op de vliegbasis Soesterberg, een Verkeers- en Vervoers Coördinatie Centrum (VVCC), eveneens op de vliegbasis Soesterberg en drie regionale vervoerscentra (West, Oost en Zuid).

De organisatie van DVVO is afgestemd op de door de Regiegroep Doelmatigheid vastgestelde te behalen doelmatigheidswinsten. Als gevolg van de afschaffing van de opkomstplicht hebben aanpassingen in het chauffeursbestand plaatsgevonden. Mede door operationele eisen is de functie van dienstplichtig chauffeur grotendeels omgezet naar militaire BBT-functies, in afwijking van eerdere plannen om meer functies voor burgerchauffeurs te creëren. In een overgangsperiode zullen burgerchauffeurs militaire functies vervullen.

De vraag naar diensten van de DVVO, en met name naar de diensten van het VVCC, is grotendeels afhankelijk van de deelname door de krijgsmachtdelen aan grootschalige buitenlandse oefeningen en aan crisisbeheersingsoperaties. Het VVCC en de regionale vervoerscentra worden rechtstreeks benaderd door de resultaat-verantwoordelijke eenheden in hun werkgebied of regio. De DVVO-eenheden leveren hun diensten rechtstreeks aan deze eenheden. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de DVVO-capaciteit of van de bij de krijgsmachtdelen aanwezige (rest)capaciteit (virtuele transportcapaciteit). Indien de capaciteit van Defensiemiddelen niet of niet in voldoende mate aanwezig is, wordt (aanvullend) ingehuurd.

De DVVO is primair verantwoordelijk voor de doelmatigheid van het vervoer, echter niet voor de vervoersbehoefte zelf. De krijgsmachtdelen dienen hun transportaanvragen zelf kritisch te toetsen. De taken van DVVO bestaan uit:

– integraal afwegen van alle vervoersaanvragen;

– het plannen, coördineren en (doen) uitvoeren van het vervoer;

– het, ter ondersteuning van de operationele commandant, coördineren en (doen) uitvoeren van strategische verplaatsingen van eenheden;

– het uitvoeren van verkeers- en vervoersleiding ;

– het zorgdragen voor alle (aan de vervoersfunctie gekoppelde) douanefaciliteiten;

– het participeren in noodverkenningsteams en «movement control teams».

De verplichtingen en de uitgaven van het ressort DVVO

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en de uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingen en uitgaven
 1998199920002001200220032004
09.02.05 Ambtelijk burgerpersoneel16 03216 15316 26816 09615 91515 75815 758
09.02.06 Militair personeel30 16230 29930 76630 66730 66130 68130 637
09.02.07 Overige personele uitgaven5 1625 4145 2835 2835 2835 2835 283
09.02.08 Materiële uitgaven56 33968 94163 02862 28660 73460 90460 341
Stand ontwerpbegroting 2000107 695120 807115 345114 332112 593112 626112 019
Stand 1e suppletore begroting 1999 107 645104 296103 294100 519100 121 
Nieuwe mutaties 13 16211 04911 03812 07412 505 
Specificatie nieuwe mutaties (bedragen x f 1000,–)
Omschrijving19992000200120022003 
Technische bijstellingen:      
– Loon- en prijsaanpassingen 19991 8222 4042 5332 4462 309 
Sub-totaal technische bijstellingen:1 8222 4042 5332 4462 309 
Beleidsmatige bijstellingen:       
– Meerbehoefte inhuur transportcapaciteit11 9927 1927 1927 1927 192 
– Exploitatie informatiesystemen1 1701 0201 045995950 
– Overige bijstellingen, per saldo– 1 8224332681 4412 054 
Sub-totaal beleidsmatige bijstellingen:11 3408 6458 5059 62810 196 
Totaal van de mutaties13 16211 04911 03812 07412 505 

Toelichting nieuwe mutaties

Technische bijstellingen

Loon- en prijsaanpassingen 1999

De uitgavenniveaus zijn aangepast aan het loon- en prijsniveau 1999.

Beleidsmatige bijstellingen

Meerbehoefte inhuur transportcapaciteit

De meerbehoefte aan inhuur van transportcapaciteit betreft programma-uitgaven die direct gerelateerd zijn aan de klantvraag. Om fluctuaties in de begroting van het Dico en die van de klanten te voorkomen, wordt de vraag op voorhand grotendeels als structureel beschouwd.

Exploitatie informatiesystemen

De exploitatie van de computernetwerken en van enkele grote informatiesystemen bij DVVO is in handen van het agentschap DTO. De doorberekening van de hiermee gepaard gaande kosten komt voor rekening van DVVO.

Overige mutaties

Overige mutaties betreffen de overheveling van budget voor het inhuren van lokale expertise door DVVO in het buitenland, voor het overhevelen van enkele transportdiensten en voor de meerkosten voor het later verhuizen van enige DVVO-eenheden. In de post overige bijstellingen zijn met name kleinere budgetoverhevelingen opgenomen.

Activiteiten en prestatiegegevens

De volgende presentatie van de klantvraag is gebaseerd op het bedrijfsplan DVVO 1999–2004. Geconstateerd moet worden dat het door de klanten – het kerndepartement en de krijgsmachtdelen opleveren van meerjarige behoefte aan verkeers- en vervoersproducten nog onvoldoende invulling heeft gekregen. In voortdurend overleg met de klanten wordt ernaar gestreefd hier meer inzicht in te krijgen.

Het productieplan 2000 ziet er in hoofdlijnen als volgt uit:

 
OmschrijvingEenheidVolume 1999Volume 2000
Wegvervoer   
Diepladervervoerdagen25 60725 607
Lijndienstvervoerpallets247 180247 180
Munitievervoerdagen3 2803 280
Containervervoerdagen2 3002 300
Overig goederenvervoerpallets65 26365 263
Personenvervoer met chauffeurdagen10 51310 513
Personenauto zonder chauffeurdagen90 56790 567
Busvervoerdagen10 67410 674
Steunverlening opleidingendagen6 7456 745
Luchtvervoer   
Goederenvervoertonvlieguren6 8746 874
Personenvervoerpersonenvlieguren144 014144 014
    
Spoorvervoer   
Goederenvervoertonkilometers92 395 26692 395 266
    
Zeevervoer   
Goederenvervoerlanemetervaardagen176 527176 527
Ferryvervoerpersonenovertochten2 3562 356
 voertuigovertochten473473

Ressort Defensie Werving en Selectie (DWS)

Het ressort Defensie Werving en Selectie (DWS) is als interservice eenheid belast met de werving en selectie van het door de krijgsmachtdelen en de centrale organisatie benodigde burger- en militair personeel. Door DWS wordt personeel geworven, geselecteerd en voorgedragen voor aanstelling op functies binnen de krijgsmacht.

Begin 1999 is de co-locatie van DWS op de Marinekazerne Amsterdam (MKAD) afgerond. DWS bevat naast de staf een afdeling werving, waarin ook de banenwinkels van de Koninklijke landmacht zijn opgenomen en een afdeling selectie.

De belangrijkste ontwikkelingen voor de komende jaren in het deel van de arbeidsmarkt waarop DWS zich vooral richt, zijn:

– de geleidelijke afname van de doelgroep, met name door demografische factoren;

– een relatieve toename van vrouwen en allochtonen in de doelgroep;

– de stijging van de leeftijd waarop men op de arbeidsmarkt komt;

– de stijging van het gemiddelde opleidingsniveau.

Bij de werving zal aandacht worden besteed aan het werven van meer vrouwen en allochtonen. Daarnaast is er per krijgsmachtdeel een aantal bijzondere aandachtspunten aan te geven, die zich concentreren op kwetsbare of moeilijk te realiseren categorieën personeel. Dit zijn in het algemeen de functies voor technisch personeel en voor de gevechts- en gevechtsondersteunende functies.

De verplichtingen en de uitgaven van het ressort DWS

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en de uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingen en uitgaven
 1998199920002001200220032004
09.02.09 Ambtelijk burgerpersoneel12 34513 70513 39612 73612 33512 31912 319
09.02.10 Militair personeel20 78920 63720 45319 93619 88919 85919 859
09.02.11 Overige personele uitgaven3 0342 4542 4212 3512 3512 3512 351
09.02.12 Materiële uitgaven70 31679 46974 12673 68173 75173 74773 747
Stand ontwerpbegroting 2000106 484116 265110 396108 704108 326108 276108 276
Stand 1e suppletore begroting 1999 89 05387 69487 80387 00587 201 
Nieuwe mutaties 27 21222 70220 90121 32121 075 
Specificatie nieuwe mutaties (bedragen x f 1000)
Omschrijving19992000200120022003 
Technische bijstellingen:       
– Loon- en prijsaanpassingen 19993 5763 7243 6103 7203 674 
Sub-totaal technische bijstellingen:3 5763 7243 6103 7203 674 
       
Beleidsmatige bijstellingen:       
– Aanpassing wervingsbudget14 16713 23012 83012 83012 830 
– Opvoeren selectiebudget3 2003 0003 0003 0003 000 
– Exploitatiekosten informatiesystemen2 9002 4502 4502 4502 450 
– Inhuur O-, I- en A-deskundigheid633100100100100 
– Overige bijstellingen, per saldo2 736198– 1 089– 779– 979 
Sub-totaal beleidsmatige bijstellingen:23 63618 97817 29117 60117 401 
Totaal van de mutaties27 21222 70220 90121 32121 075 

Toelichting nieuwe mutaties

Technische bijstellingen

Loon- en prijsaanpassingen 1999

De uitgavenniveaus zijn aangepast aan het loon- en prijsniveau 1999.

Beleidsmatige bijstellingen

Aanpassing wervingsbudget

Aan de hand van de wervingsprogramma's die in overleg met de krijgsmachtdelen en het kerndepartement zijn vastgesteld, is het wervingsbudget structureel verhoogd.

Opvoeren selectiebudget

Het benodigde budget voor de declaraties voor de gemaakte reiskosten en de vergoeding van inkomstenderving voor sollicitanten was voorheen structureel niet opgenomen en wordt vanaf 1998 door DWS betaald.

Exploitatiekosten informatiesystemen

De exploitatiekosten van het computernetwerk bij DWS en van het geautomatiseerde informatiesysteem RIOS-DWS zijn in handen van het agentschap DTO. De doorberekening van de hiermee gepaard gaande kosten komt vanaf 1999 voor rekening van DWS. Voor 1999 is bovendien voor de instandhouding van beide systemen nog extra apparatuur benodigd.

Inhuur O-, I- en A-deskundigheid

Het netwerkbeheer van het DWS-netwerk wordt uitbesteed aan het agentschap DTO. Hiertoe is inhuur van DTO-capaciteit benodigd. Op het gebied van managementinformatie dient het RIOS-DWS te worden doorontwikkeld. Ook hiervoor wordt expertise ingehuurd. Verder is in het kader van het bezwarenonderzoek van de Algemene Rekenkamer inhuur van een financieel adviseur noodzakelijk.

Overige bijstellingen

De overige bijstellingen zijn gebaseerd op de laatste inzichten alsmede kleinere budgetoverhevelingen. Voor 1999 is hierin begrepen een overheveling voor vervanging en onderhoud van bedrijfsmiddelen.

Activiteiten

Voor 1999 en verdere jaren wordt uitgegaan van de volgende aanstellingsbehoeften militair personeel:

 
Krijgsmachtdeel199920002001200220032004
KM      
BOT211200200200200200
BBT1 6981 1001 1001 1001 1001 100
KL      
BOT510510510510510510
BBT3 8003 9004 0004 1004 1004 100
KLu      
BOT383535353535
BBT802850850850850850
KMar      
BOT757575757575
BBT587557557557557557
Natres750700700700700700
Totaal8 4717 9278 0278 1278 1278 127

Ressort Instituut Defensie Leergangen (IDL)

Het Instituut Defensie Leergangen (IDL) is het geïntegreerde opleidingscentrum voor loopbaanopleidingen en militaire aspectcursussen ten behoeve van Defensie-managers en staffunctionarissen bestemd voor midden-, hoger- en topniveau. Tevens worden internationale opleidingen voor officieren uit Midden- en Oost-Europa verzorgd.

De organisatie van het IDL bestaat naast een staf uit een facilitaire dienst, opleidingsafdelingen voor de respectievelijke krijgsmachtdelen en een interservice opleidingsafdeling. Het IDL heeft de volgende taken:

– het verzorgen van loopbaanopleidingen en militaire aspectcursussen voor officieren en hogere burgerambtenaren van Defensie;

– het verzorgen van opleidingen voor officieren uit Middenen Oost-Europa;

– het ondersteunen en faciliteren bij de organisatie en uitvoering van congressen, seminars en andere opleidingsactiviteiten van Defensie-onderdelen;

– het exploiteren van de restcapaciteit aan faciliteiten door verhuur aan andere overheidsinstellingen.

Binnen Defensie bestaat een structurele samenwerking tussen het IDL, KIM en KMA. De samenwerking tussen de drie instituten bestaat onder meer uit het onderling afstemmen van de opleidingen, het uitwisselen van docenten, gezamenlijk organiseren van seminars en het gemeenschappelijk uitgeven van publicaties. Buiten defensie heeft het IDL een samenwerkingsverband met het Instituut voor Internationale Betrekkingen Clingendael. Dit instituut verzorgt onderwijsmodules in hogere vormingen en de leergang topmanagement Defensie. Daarnaast worden gezamenlijk seminars georganiseerd.

De verplichtingen en de uitgaven van het ressort IDL

De onderverdeling naar artikelonderdelen van de verplichtingen en de uitgaven (x f 1000)
ArtikelonderdeelVerplichtingen en uitgaven