Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2000-200126800-VI nr. 90

26 800 VI
Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Justitie (VI) voor het jaar 2000

nr. 90
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 18 september 2000

Bij brief van 2 maart 2000 (26 800 VI, nr. 69) heeft de Minister van Justitie de Tweede Kamer geïnformeerd over zijn besluit om de ITB voor de harde kern structureel en landelijk in te voeren, nader uitgewerkt in het rapport «Individuele trajectbegeleiding (ITB) voor de harde kern».

De vaste commissie voor Justitie1 heeft naar aanleiding van deze brief en het daaraan ten grondslag liggende rapport de navolgende vragen aan de regering gesteld.

De vragen en de door de minister gegeven antwoorden zijn hieronder afgedrukt.

Met betrekking tot het standpunt van de Minister van Justitie in het rapport

1

De regering heeft gekozen voor een verbreding van de doelgroep. Kan de regering aangeven hoe groot de omvang van deze doelgroep is, die mogelijk in aanmerking komt voor de ITB? Zo nee, is de regering bereid een nulmeting voorafgaand aan het de ITB te verrichten? (pag. I)

Omtrent de potentiële doelgroep en de te verwachte instroom van harde kern jongeren zijn slechts globale schattingen te geven.

Berekeningen aan de hand van gegevens uit het Herkenningsdienstsysteem (HKS) van de politie geven een indicatie van de potentiële doelgroep. Uitgaande van de definitie van de harde kern zoals geformuleerd in de notitie «Eenheid van begrip III», is in de G25 ongeveer 10% van de jeugdige verdachten (12 t/m 24 jaar) die met de politie in aanraking is gekomen, als harde kern te betitelen (Integrale Veiligheidsrapportage 2000, over aspecten van veiligheid 1998/1999, BZK 2000). Dit zou neerkomen op een absoluut aantal van ca. 2600 jongeren. Naar aanleiding van de ontvangen adviezen heeft de regering echter besloten om in het kader van de invoering van de ITB geen strakke definitie te hanteren. Hierdoor wordt de potentiële doelgroep verbreed en kan het absolute aantal groter zijn. Omtrent de omvang van het verbrede deel van de potentiële doelgroep zijn geen betrouwbare aantallen te noemen.

De verwachting is dat slechts een deel van de potentiële doelgroep daadwerkelijk instroomt in de ITB. Zoals in het rapport «Individuele trajectbegeleiding (ITB) voor de harde kern» is aangegeven, worden er selectiecriteria gehanteerd en vindt er indicatiestelling plaats door de Raad voor de Kinderbescherming dan wel de reclassering. Omdat de instroom hierdoor mede afhankelijk is van de persoonlijke omstandigheden van de jongere, is moeilijk te kwantificeren hoeveel jongeren feitelijk voor ITB in aanmerking komen. Voorshands wordt ervan uitgegaan dat een op de drie jongeren van de potentiële doelgroep zal instromen.

Bovengenoemde analyse van HKS-gegevens kan worden beschouwd als een 0-meting. Als aanvulling daarop zullen de uitvoeringsorganisaties (op lokaal/regionaal niveau) gezamenlijk nagaan hoeveel jongeren naar schatting zullen instromen in de ITB.

Een nader uit te voeren evaluatie-onderzoek naar de landelijke implementatie van de ITB zal zicht moeten geven op de vraag wat de omvang van de instroom is en in hoeverre de schattingen reëel zijn geweest.

2

Met dit besluit komt de ITB voor de harde kern dicht in de buurt van het eerste beleidsspoor van de CRIEM-nota (Tweede Kamer, 1997–1998, 25 726, nr. 1). Kan aangegeven worden waarin deze twee beleidsinstrumenten verschillen en dan met name voor wat betreft beschikbare middelen, de financieringsbronnen en verdeling van de intensiveringmiddelen over de twee instrumenten, regierol, uitvoering en betrokken uitvoeringsinstanties en de bepalende kenmerken van het onderscheid tussen de doelgroepen? (pag. I)

De ITB in het kader van CRIEM (ITB-CRIEM) is gericht op jeugdigen (12 t/m 17 jaar) uit etnische minderheidsgroepen die voor het eerst dan wel voor lichte delicten in aanraking komen met het strafrecht. Gezien het feit dat het hier een «lichte» justitiële doelgroep betreft, wijkt de ITB-CRIEM op bepaalde punten af van die voor de harde kern.

Waar de ITB voor de harde kern (voor jongeren van 12 t/m 24 jaar) een sanctionerend en sterk controlerend karakter heeft, ligt bij ITB-CRIEM het accent meer op ondersteuning van de jeugdige en diens ouder(s); meer dan het delictgedrag, is de problematiek van de etnische jeugdige het uitgangspunt voor de keuze van intensieve begeleiding. De begeleiding wordt eerst dan gegeven, wanneer het vermoeden bestaat dat er «meer aan de hand is» met de jeugdige en reguliere begeleiding in deze situatie ontoereikend is. De intensieve begeleiding heeft in principe plaats gedurende een periode van drie maanden.

Evenals bij de ITB voor minderjarige harde kern jongeren, verricht de Raad voor de Kinderbescherming de indicatiestelling voor ITB-Criem. De begeleiding wordt uitgevoerd door de afdelingen jeugdreclassering van de GVI's waarbij evenals bij de ITB voor de harde kern sprake is van een caseload van 1 op 8. Ook voor de uitvoering van ITB-CRIEM is het vormen van een lokaal samenwerkingsnetwerk, waarin onder meer (justitiële) ketenpartners, lokaal bestuur en minderhedenorganisaties participeren, een vast onderdeel.

De financiering van de (in- en) uitvoering van de beide ITB-varianten vindt enerzijds plaats uit de Van Montfransgelden (4,6 mln. landelijk in te zetten en bestemd voor de harde kern, zowel minderjarig als meerderjarig) en anderzijds uit de CRIEM-gelden (een oplopend bedrag tot 15 mln. in 2002 waarvan in beginsel de helft bestemd is voor de minderjarige lichte CRIEM-doelgroep en de andere helft voor minderjarige en meerderjarige harde kern jongeren, in principe in de GSB-gemeenten).

3

Kan de regering ingaan op de stelling, dat de ITB-methodiek eigenlijk voor een bredere doelgroep in een strafrechtelijk kader inzetbaar moet zijn? Waarom blijft vooralsnog de noodzaak aanwezig de aandacht te richten op een categorie daders die door recidive veel maatschappelijke overlast veroorzaken? (pag. I)

De regering streeft ten aanzien van jeugdcriminaliteit naar een evenwichtig beleid waarin zowel preventieve, curatieve als repressieve middelen worden ingezet. Er worden veel activiteiten verricht die ten doel hebben jeugdcriminaliteit te voorkomen. Toch zijn er jongeren op wie deze inspanningen geen effect hebben en die een criminele carrière ontwikkelen. Zolang preventie geen vat heeft op alle jeugdigen, blijft de noodzaak aanwezig de aandacht tevens te richten op delinquente jongeren.

Het uitgangspunt bij het harde kern beleid is om een aanpak te ontwikkelen voor een problematische categorie jeugdige delinquenten die, door de mate waarin zij delicten pleegt en met politie en justitie in aanraking komt, veel schade en overlast veroorzaakt. Bij het streven naar vermindering van jeugdcriminaliteit en daarmee het terugdringen van maatschappelijke overlast, is het relevant om díe jongeren aan te pakken die in verhouding een groot deel van deze criminaliteit voor hun rekening nemen. In de uitvoeringspraktijk bestaat in het algemeen de tendens om in plaats van een relatief zware categorie delinquenten, een lichtere doelgroep in begeleiding te nemen. Hiermee zou echter de doelstelling en beleidsprioriteit van de regering om ook de harde kern aan te pakken onder druk komen te staan.

Niettemin is de ITB-methodiek geschikt om in te zetten ten behoeve van verschillende doelgroepen. De ITB wordt dan ook – in aangepaste vorm – breder toegepast. Behalve bij de harde kern vindt ITB plaats in het kader van CRIEM. Jeugdigen uit etnische minderheidsgroepen die in aanraking zijn gekomen met het strafrecht ter zake het plegen van lichte vormen van criminaliteit, kunnen op indicatie van de Raad voor de Kinderbescherming door middel van ITB worden begeleid. ITB-CRIEM is hiermee een instrument dat moet voorkomen dat jeugdigen afglijden naar een criminele loopbaan.

De combinatie van het beleid ten aanzien van de harde kern en de CRIEM-doelgroep maakt dat een groot deel van de (strafrechtelijk) jeugdigen door middel van ITB wordt bereikt.

4

Zijn de met de uitvoering belaste organisaties voldoende toegerust voor deze nieuwe taak? Waaruit blijkt dit? (pag. I)

De instellingen die met de begeleiding van de betreffende jongeren worden belast, te weten de GVI-Jeugdreclassering (de afdelingen jeugdreclassering van de (gezins)voogdij-instellingen) en de Stichting Reclassering Nederland, zijn voldoende toegerust voor deze taak. Dit blijkt uit de volgende ontwikkelingen.

De structurele financiering van de intensieve begeleiding wordt opgevangen binnen zowel huidige budgetten als de extra middelen die ten behoeve van ITB voor de harde kern beschikbaar zijn gesteld in het kader van de Intensiveringsgelden Jeugd en Geweld (waarvan het onderdeel CRIEM).

Naast financiering van de begeleidingstaken, waarvoor extra medewerkers worden aangetrokken, is dit jaar voor de afdelingen jeugdreclassering van de GVI's een eenmalige subsidie beschikbaar gesteld ten behoeve van het vrijstellen van een ITB-coördinator. Deze functionaris zal vooruitlopend op de daadwerkelijke begeleidingen, de inspanningen verrichten die nodig zijn om de begeleidingen te kunnen uitvoeren (voorbereidingsfase, opbouw netwerk, e.d.).

Ook is een extern bureau ingeschakeld die de afdelingen jeugdreclassering van de GVI's regionaal ondersteuning biedt in de startfase.

Daarnaast worden de GVI's door zowel het departement van Justitie als door hun koepelorganisatie ondersteund in de realisering van het voorgenomen beleid.

De Stichting Reclassering Nederland besteedt de komende maanden aandacht aan het vaststellen van het beleidskader, waarna vanaf 2001 het accent wordt gelegd op de implementatie van nieuwe trajecten.

Om de landelijke invoering van de ITB door zowel de GVI-Jeugdreclassering als de Stichting Reclassering Nederland op elkaar af te stemmen is een verdere uitwerking van het methodisch kader, mede op basis van de al aanwezige expertise, in voorbereiding.

Tevens zullen de medewerkers van de (jeugd)reclassering die de begeleidingen gaan uitvoeren worden geschoold.

Het gehele implementatieproces wordt door een landelijke werkgroep, bestaande uit vertegenwoordigers van het Ministerie van Justitie, het Openbaar Ministerie, de Raad voor de Kinderbescherming, Stichting Vedivo (de koepelorganisatie voor de afdelingen jeugdreclassering van de (gezins)voogdij instellingen) en de Stichting Reclassering Nederland begeleid.

Tenslotte past een deel van de taken die in het kader van de ITB worden uitgevoerd, binnen de reguliere taken van de betrokken organisaties waardoor hiervoor geen extra toerusting is vereist.

5

Kan de regering ingaan op beveiligingsaspecten rondom ITB? Zal elektronisch toezicht daar deel van gaan uitmaken? (pag. I)

De ITB voor de harde kern kenmerkt zich door een intensieve begeleiding. De intensiteit van deze begeleiding komt, behalve in de inhoud van de begeleiding (directief, confronterend, bindende afspraken), tot uitdrukking in de contactfrequentie. Een caseload van 1 op 8 maakt het mogelijk frequent contact te onderhouden met de jongere. Tot aan het eind van de begeleidingsperiode heeft de begeleidende instantie twee keer per week contact met de jongere. Zowel de begeleidende instantie als de samenwerkende netwerkpartners (bijvoorbeeld politie, onderwijs) controleren of de jongere zich aan de gemaakte afspraken houdt. Wanneer blijkt dat de jongere de afspraken verwijtbaar niet nakomt dan volgt altijd een reactie die tot gevolg heeft dat de zaak wederom aan het OM wordt voorgelegd.

In het kader van de aan u toegezegde beleidsnota inzake de heroriëntatie op de toepassing van vrijheidsstraffen en vrijheidsbeperkende straffen bij volwassenen («Sancties in perspectief»), worden onder andere de mogelijkheden van elektronisch toezicht als controlemiddel onderzocht (beleidsnota naar aanleiding van verslag van de Eerste Kamer bij de Penitentiaire Beginselenwet, Kamerstuk I 1997/98, 24 263, nr. 62f, blz. 7). De beleidsnota «Sancties in perspectief» zal ik u binnenkort doen toekomen.

De wenselijkheid van elektronisch toezicht bij meerderjarigen zal bij de verdere implementatie van ITB worden bezien. Voor het nagaan van de mogelijkheid en wenselijkheid van elektronisch toezicht bij minderjarigen, zullen eerst de onderzoeksresultaten met betrekking tot huidige experimenten worden afgewacht.

6

Kan de regering ingaan op de rol van het slachtoffer in de methodiek van ITB? (pag. I)

De regering acht de methodiek van ITB uitermate geschikt om de jongere te confronteren met de materiële en/of immateriële gevolgen van zijn (delict)gedrag voor hemzelf en voor anderen.

Tijdens de ITB zal aandacht worden besteed aan het slachtoffer. Een vast onderdeel van de begeleiding zal zijn dat de (jeugd)reclasseringsmedewerker nagaat op welke wijze herstelrecht kan worden toegepast. In de beschrijving van de werkwijze van ITB die momenteel in voorbereiding is, zullen handreikingen worden gedaan voor de toepassing daarvan. Daarbij zullen mogelijke vormen van herstelrecht worden uitgewerkt. Te denken valt aan schade- of conflictregelingen in het strafproces waarbij naast een financiële vergoeding van de materiële en/of immateriële schade ook een immateriële vergoeding (bijv. excuusbrief) mogelijk is. Een andere mogelijkheid zal zijn om door middel van een vrijwillige confrontatie van de dader met het slachtoffer onder leiding van een mediator de psychische/emotionele kant van het delict te belichten. Voor het slachtoffer betekent dit een poging tot herstel van geschonden, persoonlijke integriteit en zelfvertrouwen. Voor de dader betekent dit dat hij aan schuldverwerking toekomt en de verantwoordelijkheid voor de eigen daden op zich neemt, waardoor hij zich kan distantiëren van zijn daad en zich actief tegenover het slachtoffer en de samenleving kan rehabiliteren.

7

Welke prognose kan de regering aan de hand van de omvang van de potentiële doelgroep geven over de verwachte instroom in de ITB? (pag. I)

Zie het antwoord op vraag 1.

8

Is ITB tevens gericht op het effectief en langdurig afkicken van drugsverslaafden die in een begeleidingstraject geplaatst worden? (pag. I)

Neen. Voor jongeren met ernstige verslavingsproblematiek is andere hulpverlening geïndiceerd dan de ambulante begeleiding middels de ITB kan bieden.

9

Welke waarborgen kan de regering geven over de slagvaardige uitvoering van de ITB, bijvoorbeeld het versneld ter zitting brengen, gezien de afhankelijkheid van actoren als capaciteitsvereisten bij de rechterlijke macht? (pag. I)

Op dit moment vallen geen waarborgen te geven voor versnelde zittingen. De uitvoeringsorganisaties zullen op lokaal/regionaal niveau onderzoeken of er afspraken zijn te maken omtrent het snel aanbrengen van zaken bij de rechter. De landelijke invoering van de ITB zal door middel van een nog te starten onderzoek worden geëvalueerd. Bezien zal worden of in dit onderzoek ook kan worden stilgestaan bij de haalbaarheid of toepassing van versnelde zittingen.

Om toch slagvaardig te kunnen handelen kan de ITB worden toegepast in het kader van een schorsing van de preventieve hechtenis – weliswaar met uitzondering van bejegeningen die expliciet als hoofdstraf kunnen worden opgelegd (zie hiervoor ook het antwoord op vraag 17).

10

Op welke wijze kan voorkomen worden dat het accent van de begeleiding komt te liggen op de minst problematische jongeren? Hoe en in hoeverre wordt hier in het onderzoek tijdens de gefaseerde invoering rekening mee gehouden? Is een systeem van onafhankelijke indicatie hier een oplossing voor? (pag. II)

Zowel in het rapport «Individuele trajectbegeleiding (ITB) voor de harde kern» als in de circulaire aan de uitvoeringsorganisaties waarin de subsidievoorwaarden zijn gesteld, is helder aangegeven wat de intentie omtrent de doelgroep is. Het is evenwel niet geheel ondenkbaar dat minder problematische jongeren instromen. Daarom zal ook gedurende de implementatiefase herhaaldelijk aandacht worden besteed aan de beoogde doelgroep. Bijvoorbeeld tijdens de training/scholing van begeleiders; in de beschrijving van de werkwijze ITB zal een onderdeel hieraan worden gewijd; en in de landelijke implementatiewerkgroep komt dit punt aan de orde zodat tijdig problemen kunnen worden gesignaleerd.

In het te starten evaluatieonderzoek zal de vraag naar de «zwaarte» van de begeleide jongeren worden meegenomen.

Zoals ook in de beantwoording van vraag 11 naar voren komt, is er reeds sprake van een onafhankelijke indicatie. De uitvoeringsorganisaties leggen de Rechterlijke Macht een advies voor. De rechter besluit uiteindelijk of ITB wordt opgelegd.

11

Bij de indicatiestelling en de uitvoering van de ITB zijn dezelfde organisaties betrokken. In hoeverre is hier sprake van onafhankelijkheid en objectiviteit bij de indicatiestelling? (pag. II)

Bij minderjarigen vindt indicatiestelling plaats door de Raad voor de Kinderbescherming terwijl de afdelingen jeugdreclassering van de (gezins)voogdij-instellingen de begeleidingen uitvoeren. Hoewel ten aanzien van meerderjarigen de verantwoordelijkheid voor indicatiestelling en uitvoering bij dezelfde organisatie ligt, is de onafhankelijkheid en objectiviteit gewaarborgd. Een indicatiestelling – ten aanzien van zowel minderjarigen als meerderjarigen – behelst een advies dat aan de Rechterlijke Macht wordt voorgelegd. De rechter besluit uiteindelijk of (in het kader van schorsing van de voorlopige hechtenis respectievelijk bij eindvonnis) ITB als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd.

12

Hoe wordt bereikt dat het accent komt te liggen op de harde kern? Wat is de omvang van de voor ITB in aanmerking komende groep jongeren indien de aanvankelijk voorgestelde ondergrens wordt gehanteerd en wat is de omvang hiervan indien de voorgestelde verruiming van de onderkant wordt gehanteerd. (pag. II)

Zie het antwoord op vraag 1.

13

Is de regering bereid de ITB eveneens voor anderen dan de harde kern beschikbaar te stellen, bijvoorbeeld bij jongeren waarbij verder afglijden zou kunnen worden voorkomen? (pag. II)

Het antwoord op de vraag is gecombineerd met het antwoord op vraag 3.

14

Veel adviezen op de voorstellen opperen dat de doelgroep te nauw gedefinieerd is. Is de definitie van harde kern niet te beperkt, gezien de verwachting dat vele jongeren die in de huidige projecten zitten al niet onder de definitie zouden vallen? (pag. II)

Naar aanleiding van de ontvangen adviezen is besloten een minder strakke definitie van «harde kern» te hanteren. De doelgroep is hierdoor minder strikt afgegrensd. Naar verwachting kan hiermee een deel van de jongeren die momenteel in het kader van ITB worden begeleid tot de doelgroep worden gerekend.

15

Wat zijn de consequenties van de opvatting van de regering dat de ITB gezien moet worden als de laatste kans voor harde kern jongeren ten aanzien van (alternatieve) strafbaarheid en detentie? Voelt de regering voor het voorstel de ITB als preventiemiddel te hanteren? (pag. II)

De «laatste kans» verwijst naar de mogelijkheid die een harde kern jongere krijgt geboden, om door middel van een intensieve begeleiding met strikte afspraken en controle, detentie te voorkomen. Het ligt niet in de rede dit aanbod te herhalen na eventuele verwijtbare mislukking van de ITB.

De ITB voor de harde kern is in die zin expliciet als preventiemaatregel bedoeld, n.l. tertiaire preventie. ITB is te beschouwen als preventie van voortzetting van de criminele carrière.

16

Welke mogelijkheden ziet de regering om de Individuele Trajectbegeleiding bij gerechtelijk eindvonnis, met snelle aanvang en voldoende «lik-op-stuk» mogelijkheden, wettelijk vast te leggen? (pag. III)

Er zijn geen voornemens om voor ITB een apart wettelijk kader te scheppen. Er kan gebruik gemaakt worden van het bestaand wettelijk kader. ITB wordt bij eindvonnis opgelegd als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke veroordeling tot een vrijheidsstraf. De wettelijke grondslag is gelegen in artikel 14a eerste en tweede lid, juncto 14c, tweede lid onder 5, van het Wetboek van Strafrecht waarin de voorwaardelijke veroordeling met bijzondere voorwaarden is geregeld.

Teneinde snel te kunnen starten met de ITB zullen de uitvoeringsorganisaties per arrondissement nagaan of er afspraken zijn te maken omtrent het versneld aanbrengen bij de rechter van deze zaken. (Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 9).

17

Kan na het bij schorsing van de voorlopige hechtenis opleggen van een ITB, nog het bevestigen hiervan bij eindvonnis volgen? Kan daarbij alsnog meer verdergaande verplichtingen worden opgelegd, rekening worden gehouden met een eventuele verrekening etc.? (pag. III)

Neen. Bij de schorsing van de voorlopige hechtenis mag geen voorschot worden genomen op het eindvonnis, aangezien het systeem van het Wetboek van Strafvordering zodanig is dat een hoofdstraf slechts door de rechter bij eindvonnis kan worden opgelegd. De ITB in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis dient derhalve geen elementen te bevatten die expliciet als hoofdstraf kunnen worden opgelegd, zoals een leer- of een werkstraf. Dit laat onverlet dat er met instemming van alle partijen verplichtende afspraken kunnen worden gemaakt, bijvoorbeeld omtrent te volgen cursussen of arbeidsgewenning, die dan nimmer het karakter van een eindvonnis mogen hebben.

De rechter zal bij de strafoplegging doorgaans rekening houden met de gevolgde ITB in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis. De rechter behoudt ook de mogelijkheid om de verdachte bij eindvonnis verdergaande verplichtingen op te leggen.

In artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht is bepaald dat bij het opleggen van een vrijheidsstraf de rechter beveelt, dat de tijd die door de veroordeelde in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de straf geheel in mindering wordt gebracht. Een dergelijke verplichting geldt niet voor een gevolgde ITB, al zal de rechter bij de strafoplegging ook hiermee rekening houden.

18

Er wordt nu gekozen voor een systeem waarbij daar waar het vooralsnog niet mogelijk blijkt om de ITB binnen redelijke termijn bij eindvonnis op te leggen, de toepassing van ITB bij het onder voorwaarde schorsen van de voorlopige hechtenis tot de mogelijkheden behoren.

Waarom wordt er niet direct gekozen voor een eenduidig systeem? Wat wordt verstaan onder een redelijke termijn? Wat is erop tegen om de ITB direct als een bijzondere voorwaarde bij een schorsing van de voorlopige hechtenis mogelijk te maken? Zou dit niet leiden tot veel kortere doorlooptijden dan bij het voorgestelde systeem? (pag. III)

De reden dat niet gekozen is voor een eenduidig systeem is gelegen in het feit dat ITB voor de harde kern zich toespitst op delinquenten die al enige keren met justitie in aanraking zijn gekomen voor ernstige feiten en die nu, bij voorkeur maar niet uitsluitend, voor het eerst in aanmerking komen voor een forse vrijheidsstraf. De zwaarte van de ITB voor de harde kern – bijvoorbeeld de verplichtende elementen in de begeleiding en de strikte controle – en de gedachte dat de begeleiding in de plaats komt van een (deel van de) vrijheidsstraf hebben ertoe geleid dat de voorkeur uitgaat naar het opleggen van ITB voor de harde kern, bij eindvonnis. Gezien het karakter van de ITB en het pedagogische voordeel van een snelle reactie, is het echter ook van essentieel belang om snel met de begeleiding te starten. Dit vereist dat er spoedig nadat de jongere is opgepakt en de geëigende instanties hebben geïndiceerd dat betrokkene in aanmerking zou kunnen komen voor ITB, een zitting plaatsvindt waarop de ITB door de rechter kan worden opgelegd. Gelet op onder andere capaciteitsproblemen bij de Rechterlijke Macht is dit niet altijd haalbaar. Daar waar het vooralsnog niet mogelijk blijkt om ITB binnen redelijke termijn bij eindvonnis op te leggen, zal de toepassing van ITB bij het onder voorwaarden schorsen van de voorlopige hechtenis tot de mogelijkheden behoren.

Van een redelijke termijn is sprake indien binnen drie tot zes weken na de aanhouding van de verdachte een zitting plaatsvindt waarop de ITB door de rechter kan worden opgelegd.

ITB in het kader van schorsing van de voorlopige hechtenis behoort tot de mogelijkheden. Zoals in de beantwoording van vraag 17 reeds is aangegeven, mag de ITB in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis echter geen elementen bevatten die expliciet als hoofdstraf kunnen worden opgelegd.

ITB in het kader van schorsing van de voorlopige hechtenis leidt vooralsnog inderdaad tot een snellere reactie op strafbaar gedrag.

19

Op termijn kan het programma voor de toepassing van ITB in het kader van voorlopige hechtenis een oplossing bieden. Aan welke termijn wordt hier gedacht? Wat is de reden dat niet direct voor deze mogelijkheid wordt geopteerd? (pag. III)

Gelet op de aard en inhoud van ITB bestaat de mogelijkheid om ITB als scholings- en trainingsprogramma te erkennen. De Beginselenwet Justitiële Jeugdinrichtingen voorziet in de invoering van dit scholings- en trainingsprogramma in de fase van de voorlopige hechtenis. Het scholings- en trainingsprogramma kan de juridische titel zijn voor ITB als alternatief voor de modaliteit van schorsing van voorlopige hechtenis.

Gestreefd wordt om genoemde wet begin 2001 in werking te laten treden. Gelijktijdig met de inwerkingtreding van het wetsvoorstel zal tevens een nieuwe Algemene maatregel van Bestuur worden ingevoerd, waarin nadere regels en kwaliteitseisen ten aanzien van het scholings- en trainingsprogramma worden gesteld.

20

In het kader van het scholings- en trainingsprogramma ingevolge het wetsvoorstel Beginselenwet Justitiële Jeugdinrichtingen zal de toepassing van ITB worden uitgewerkt. Kan worden aangegeven of de financiering en breedte van opzet van deze scholings- en trainingsprogramma's afdoende zijn ten behoeve van deze uitwerking? Welk tijdsdoel stelt de regering zich ten aanzien van het gereed zijn van deze uitwerking? (pag. III)

Zoals reeds in de beantwoording van vraag 19 is aangegeven, kan ITB als scholings- en trainingsprogramma worden erkend. De financiering is onderdeel van de implementatie van de Beginselenwet Justitiële Jeugdinrichtingen.

21

De modaliteit van de schorsing wordt niet de meest gewenste geacht, omdat er minder verstrekkende verplichtingen kunnen worden opgelegd, ofschoon de modaliteit van de schorsing een snelle interventie mogelijk maakt. Kan er duidelijk worden aangegeven waar zich bij de begeleiding van de jongere deze minder verstrekkendheid precies zal manifesteren? (pag. III)

De ITB kan in het kader van de voorlopige hechtenis geen elementen bevatten die expliciet als hoofdstraf kunnen worden opgelegd. Zo kan een verdachte in het kader van een schorsing voorlopige hechtenis niet worden verplicht om onbetaalde arbeid te verrichten of een sociale vaardigheidstraining te volgen. Gelet op het systeem van het Wetboek van Strafvordering mag in de fase van de voorlopige hechtenis geen voorschot worden genomen op het eindvonnis; er is immers nog geen schuldigverklaring uitgesproken.

22

Er wordt uitgegaan van een case-load van 1 op 8. Op welke kwalitatieve analyse is deze case-load planning gebaseerd? (pag. III)

De voorlopig vastgestelde caseload van 1 op 8 is gebaseerd op de ervaringen die in de afgelopen jaren zijn opgedaan in verschillende harde kern projecten. Op grond van de opgedane ervaringen is een inschatting gemaakt van de benodigde tijd per taakonderdeel, waarna een voorlopige kostprijsberekening is gemaakt. Gedurende de eerste periode van de invoering van de ITB zal worden nagegaan of deze inschatting bijstelling behoeft. Naar verwachting zal in het najaar van 2001 de definitieve kostprijs worden vastgesteld.

23

Kan de regering een toelichting geven op de gevolgen van ITB voor de capaciteit bij de rechterlijke macht? (pag. III)

De omschrijving van de doelgroep, te weten recidiverende jongeren die een detentiewaardig delict hebben gepleegd, betekent dat de betreffende jongeren ook zonder ITB berecht zouden moeten worden. Omdat berechting van harde kern jongeren onder de reguliere werkzaamheden zijn te rangschikken, zijn de gevolgen van ITB voor de rechterlijke macht gering.

Wel is te verwachten dat een strategie van versneld op zitting brengen van deze zaken capaciteitsproblemen met zich mee zal brengen.

24

Welke samenwerkingsvorm kiest de regering met overlegpartners als de SRN, de Raad voor de Kinderbescherming, de CRS en de NVvR bij de verdere implementatie, de uitvoering en de evaluatie van de ITB? (pag. III)

Zie het antwoord op vraag 4

De Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing en de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak zijn destijds om advies gevraagd omtrent het voorstel om de ITB voor de harde kern landelijk en structureel in te voeren. Zij zullen niet betrokken zijn bij de verdere implementatie van de ITB.

25

Wat is de regering van plan concreet te doen aan het geconstateerde gebrek in het ITB voorstel aan evenwicht tussen aandacht voor het slachtoffer (rehabilitatie), de bescherming van de samenleving en het rechtsherstel van slachtoffers? (pag. III)

Zie het antwoord op vraag 6 en vraag 5.

26

Het plan voor een apart snelrechttraject voor de harde kern wordt bekritiseerd. Kan de regering beargumenteren waarom de bestaande snelrechtregelingen voor die specifieke groepen niet voldoen, en waarom een apart traject noodzakelijk zou zijn? (pag. III)

Ik blijf voorstander van toepassing van snelrecht bij de berechting van harde kern jongeren die in aanmerking komen voor ITB gezien de ruimere mogelijkheden bij opleggen bij eindvonnis. De nadruk ligt echter niet op het ontwikkelen van een apart snelrechttraject voor deze categorie jongeren, waar reeds een adequate toepassing van snelrecht bestaat. De intentie is om een procedure te volgen die tot snelle doorstroming leidt. De praktijk zal moeten uitwijzen of de bestaande snelrechtregelingen ook voor deze groep voldoen.

27

Wat garandeert volgens de regering dat de ITB niet teveel overdetermineerd, in de zin dat er voor zelfstandige leer- en ervaringsprocessen en keuzes die daaruit zouden volgen geen enkele ruimte meer overblijft? (pag. III)

De ITB voor de harde kern kenmerkt zich onder meer door een strakke begeleiding waarin de jongeren weinig ruimte wordt gelaten voor andere keuzes dan hetgeen van tevoren is afgesproken. Met het oog op de achtergrond (delictgedrag) van de jongeren en het manifeste onvermogen om zelfstandig hun criminele carrière te beëindigen heeft de begeleiding vooral in de beginfase een expliciet sturend karakter. Dit laat onverlet dat de inhoud van de begeleiding, c.q. de concrete invulling van het plan van aanpak en de daaraan gekoppelde afspraken, gebaseerd zijn op de wensen en mogelijkheden van de betreffende jongere. Leer- en ervaringsprocessen op diverse leefgebieden zijn inherent aan de ITB.

28

Kan de regering aangeven hoeveel ruimte hij aan de leden van de harde kern kan toestaan voor het plegen van strafbare gedragingen, zonder dat dit onmiddellijk het einde van de ITB zou betekenen? (pag. III)

Bij constatering van recidive door jongeren die in begeleiding zijn, zal de gebruikelijke wettelijke reactie volgen. Er vindt verhoor plaats door de politie en de zaak zal worden voorgelegd aan het Openbaar Ministerie. Deze kan de zaak aan de rechter voorleggen. De rechter beslist of de begeleiding wordt voortgezet, hervat of beëindigd en of alsnog een reguliere straf volgt.

Deze reactie bij delictgedrag staat overigens los van de vraag hoe zal worden opgetreden indien een jongere zich tijdens de begeleiding niet aan de gemaakte afspraken houdt. In principe heeft dit consequenties voor betrokkene. De verstrekkendheid van de gevolgen is echter afhankelijk van o.a. de aard van de gedragingen en de persoon van de dader. Zo zal het incidenteel niet nakomen van afspraken door een jongere die na een aantal maanden begeleiding reeds veel vooruitgang heeft geboekt om een andere reactie vragen, dan het stelselmatig schenden van afspraken door een jongere die zich al geruime tijd onwillig toont en zich onttrekt aan de begeleiding. Er kan derhalve niet eenduidig worden aangegeven hoeveel ruimte er zal worden gegeven alvorens een begeleiding te stoppen. In de praktijk zal dit van geval tot geval worden beoordeeld.

Verschillende (jeugd)reclasseringsinstellingen hebben in de afgelopen jaren ervaring opgedaan met een systeem van gele en rode kaarten. Een gele kaart wordt uitgereikt bij wijze van waarschuwing. Het uitdelen van een rode kaart heeft tot gevolg dat de zaak wordt terugverwezen naar het Openbaar Ministerie. Er zal worden nagegaan of een nadere uitwerking van dit systeem kan worden opgenomen in de beschrijving van de werkwijze van de ITB, die momenteel in voorbereiding is.

29

Gezien het doel van de ITB om zoveel mogelijk in de eigen omgeving begeleiding te geven, is het mogelijk dat in sommige buurten op bepaalde lokale organisaties een onevenredig groot beslag wordt gelegd. Worden deze organisaties daar in financiële zin voor gecompenseerd? Zo ja, op grond van welke regeling? Zo nee, hoe kan de betrokkenheid van deze organisaties dan gegarandeerd worden? Wat is de rol van de lokale overheid hierin? (pag. IV)

De werkzaamheden van de trajectbegeleiders van de uitvoerende organisaties (Gezinsvoogdij-instellingen en Stichting Reclassering Nederland) omvatten ook het ten behoeve van en samen met de cliënt regelen van alle zaken die nodig zijn voor een geregeld leven en een reëel toekomstperspectief. Daarbij kan worden gedacht aan het weer terugplaatsen op school, het saneren van schulden, het regelen van huisvesting of het toeleiden naar werk. Daarbij is medewerking van bijvoorbeeld schoolleiding en gemeentelijke instellingen onontbeerlijk.

De uitvoering van de ITB in de GSB-gemeenten is te beschouwen als de bijdrage «in natura» van Justitie aan het grotestedenbeleid. De CRIEM-gelden, die in dit verband ook zijn terug te vinden op de mede-comptabele staat van de Minister van GSI, worden hiervoor benut. Naast deze inzet van Justitie in de GSB-gemeenten voeren deze gemeenten met behulp van de middelen voor de sociale pijler van het grotestedenbeleid (fonds Sociale Integratie en Veiligheid) beleid ter versterking van de positie van de achterstandswijken. Naar verwachting zijn dit juist de wijken die met een meer dan gemiddeld aantal ITB-cliënten worden geconfronteerd, waarmee zij voldoende zullen kunnen inspelen op een eventueel extra beroep op voorzieningen ten behoeve van de uitvoering van de ITB. Op deze wijze wordt recht gedaan aan de opzet van een integraal grotestedenbeleid.

Op de regierol die de gemeenten ook in het kader van het grotestedenbeleid toekomt zal een beroep worden gedaan met betrekking tot de benodigde medewerking van de verschillende instanties.

30

In hoeverre worden de Bureaus Jeugdzorg betrokken bij de ITB voor de harde kern? (pag. IV)

De intensieve begeleiding van minderjarigen wordt uitgevoerd door de afdelingen jeugdreclassering van de GVI's. De Bureaus Jeugdzorg worden betrokken bij de ITB voor de harde kern, voor zover de Gezinsvoogdij-instellingen reeds onderdeel uitmaken van de Bureaus Jeugdzorg.

31

In hoeverre wordt er in deze opzet rekening gehouden met de oververtegenwoordiging van etnische minderheden en uitvoering van de ITB? Waar blijkt dit uit? Op welke wijze worden de vertegenwoordigende organisaties van deze groepen bij de ITB betrokken? Hoe verhoudt zich dit tot het Criem-traject? (pag. IV)

De ITB betreft een individuele begeleiding, hetgeen impliceert dat de begeleiding van een jongere wordt afgestemd op de specifieke situatie, achtergrond en problematiek van de betreffende jongere. Dit betekent dat bij de begeleiding van jongeren uit etnische minderheden rekening wordt gehouden met cultuurspecifieke aspecten. Zo zullen de ouders – wellicht meer dan bij autochtone jongeren gebruikelijk is – expliciet betrokken worden bij de begeleiding. Ook zal het vinden van een vertrouwenspersoon voor de jongere binnen de eigen gemeenschap een wezenlijk onderdeel zijn van de begeleiding. Op lokaal niveau zal worden nagegaan welke vertrouwenspersoon of vertegenwoordiger van minderhedenorganisaties bij de begeleiding van een individuele jongere een rol kan vervullen.

Een dergelijke benadering van jongeren uit etnische minderheden in het algemeen, zal bij de ITB voor de harde kern weinig anders zijn dan bij de ITB in het kader van CRIEM.

In de beschrijving van de werkwijze ITB die momenteel in voorbereiding is, zal expliciet aandacht worden besteed aan de begeleiding van jongeren uit etnische minderheden.

32

Op welke wijze zal ITB worden gekoppeld aan een cliënt-volg-systeem? Hoe is de nazorg na afloop van de ITB vormgegeven? Kan ITB gecombineerd met andere maatregelen of programma's worden opgelegd? (pag. IV)

Per 1 januari 2001 zal het Cliëntvolgsysteem Jeugdcriminaliteit (CVS-JC) landelijk zijn ingevoerd. Hierdoor zullen de betrokken organisaties (Raad voor de Kinderbescherming, politie en Openbaar Ministerie) snel inzicht kunnen verkrijgen in de delinquente achtergrond van de jeugdige.

De «nazorg» van de ITB valt onder de reguliere (jeugd)reclasseringsactiviteiten. Dat wil zeggen dat na een periode van intensieve begeleiding, het contact met de jongere kan worden voortgezet in het kader van een reguliere (jeugd)reclasseringsbegeleiding. De rechter kan dit ook als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke straf opleggen.

De vraag of ITB kan worden gecombineerd met andere maatregelen of programma's kan als volgt worden beantwoord.

Met betrekking tot meerderjarigen

Als ITB wordt opgelegd als bijzondere voorwaarde bij een (geheel of gedeeltelijke) voorwaardelijke veroordeling tot een vrijheidsstraf, dan is een combinatie met een geldboete of een taakstraf (jurisprudentie van de Hoge Raad en het Wetsvoorstel Taakstraffen) mogelijk; ook kan dit worden gecombineerd met een bijkomende straf, zoals ontzetting van bepaalde rechten, of een vermogensmaatregel, zoals betaling aan de staat van een som geld ten behoeve van het slachtoffer. Formeel gezien kan ITB bij een terbeschikkingstelling (TBS) met voorwaarden als voorwaarde worden opgelegd. Aangenomen moet echter worden dat deze personen in beginsel niet tot de doelgroep van de ITB behoren.

Tenslotte zou ITB in het kader van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf een onderdeel van het penitentiair programma kunnen vormen.

Met betrekking tot minderjarigen

Als ITB wordt opgelegd als bijzondere voorwaarde bij een (geheel of gedeeltelijke) voorwaardelijke veroordeling tot jeugddetentie of een maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ), dan is een combinatie met de hoofdstraf geldboete mogelijk; ook kan dit worden gecombineerd met een bijkomende straf, zoals de verbeurdverklaring, of een vermogensmaatregel, zoals de schadevergoeding. Tenslotte zou ITB in de toekomst in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis een onderdeel van het scholings- en trainingsprogramma kunnen vormen.

33, 34 en 35

De invoering van de ITB zal gefaseerd plaatsvinden. Op basis van welke criteria zal worden bepaald of een arrondissement in het begin of het eind van het implementatietraject wordt geplaatst? (pag. IV)

Wat is de mening van de regering over het verschil van behandeling van de harde kern in verschillende regio's vanwege de gefaseerde implementatie van ITB? (pag. IV)

De fasering moet er toe leiden dat de uiteindelijk landelijke invoering op een zoveel mogelijk uniforme wijze plaatsvindt, met inachtneming van enige lokale differentiatie.

Aan wat voor een soort lokale differentiatie wordt hier precies gedacht? (pag. IV)

Omtrent de gefaseerde invoering van de ITB kan worden gemeld dat inmiddels is besloten tot landelijke invoering van de ITB voor de harde kern (als mede de ITB voor de CRIEM-doelgroep). De ervaringen die in de afgelopen jaren reeds zijn opgedaan met ITB maken het mogelijk de ITB direct landelijk te implementeren. Teneinde de uitvoeringsorganisaties hierbij te ondersteunen zijn – zoals reeds aangegeven bij het antwoord op vraag 4 – middelen beschikbaar gesteld voor het vrijstellen van zogenaamde ITB-coördinatoren en is externe ondersteuning mogelijk voor die instellingen die daar behoefte aan hebben. Inmiddels zijn bij vrijwel alle afdelingen jeugdreclassering van de GVI's de voorbereidingen voor de feitelijke uitvoering van de ITB op gang gekomen. Daarmee wordt tevens recht gedaan aan de verplichtingen die Justitie in het kader van het grotestedenbeleid aan de gemeenten heeft.

Een beschrijving van de werkwijze van ITB voor de harde kern die door zowel de jeugdreclassering als de Stichting Reclassering Nederland zal worden gehanteerd, bevordert een uniforme benadering van deze doelgroep. Daarnaast zal sprake zijn van enige «lokale differentiatie», in die zin, dat bijvoorbeeld bij de uitvoering van de begeleiding gebruik wordt gemaakt van bepaalde voorzieningen die lokaal gebonden zijn; dat de netwerken zijn samengesteld op grond van aanwezige lokale/regionale organisaties; of dat de uitvoeringsorganisatie van de een dan wel de andere handreiking uit de beschrijving gebruik maakt.

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie,

Van Heemst

De griffier voor dit verslag,

Fenijn


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Swildens-Rozendaal (PvdA), Van de Camp (CDA), Biesheuvel (CDA), Scheltema-de Nie (D66), Zijlstra (PvdA), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Apostolou (PvdA), Middel (PvdA), Van Heemst (PvdA), voorzitter, Rouvoet (RPF), Rabbae (GroenLinks), Van Oven (PvdA), Kamp (VVD), Dittrich (D66), ondervoorzitter, O. P. G. Vos (VVD), Van Wijmen (CDA), De Wit (SP), Weekers (VVD), Wijn (CDA), Van der Staaij (SGP), Ross-van Dorp (CDA), Patijn (VVD), Niederer (VVD), Nicolaï (VVD) en Halsema (GL).

Plv. leden: Wagenaar (PvdA), Balkenende (CDA), Verhagen (CDA), Van Vliet (D66), Duijkers (PvdA), Arib (PvdA), Kuijper (PvdA), Albayrak (PvdA), Barth (PvdA), Schutte (GPV), Karimi (GroenLinks), Santi (PvdA), Passtoors (VVD), Hoekema (D66), Van den Doel (VVD), Rietkerk (CDA), Marijnissen (SP), De Vries (VVD), Eurlings (CDA), Van Walsem (D66), Buijs (CDA), Rijpstra (VVD), Van Baalen (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD) en Oedayraj Singh Varma (GroenLinks).