nr. 17
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 29 mei 2000
Onlangs heb ik u ter kennisneming het rapport van de Commissie inzake
de toetsing van benoembaarheid van ministers op Aruba toegezonden. Daarbij
heb ik vermeld dat het rapport aan de ministerraad van het Koninkrijk zou
worden voorgelegd, waarna ik u zou inlichten over de conclusies die de raad
aan het rapport verbindt.
Hierbij deel ik u mede dat het rapport in de ministerraad van het Koninkrijk
is besproken en dat de raad aan het rapport de volgende conclusies verbindt.
De commissie constateert dat de benoeming van de ministers een autonome
aangelegenheid van Aruba betreft en dat de verantwoordelijkheid van het Koninkrijk
in dit verband bestaat uit invulling geven aan het waarborgen van de deugdelijkheid
van bestuur als bedoeld in artikel 43, tweede lid van het Statuut voor het
Koninkrijk. Dit standpunt van de commissie wordt gedeeld. De raad tekent daarbij
aan dat de commissie er tevens op wijst dat de zorg voor de deugdelijkheid
van het bestuur allereerst de zorg van Aruba zelf is.
De opmerkingen van de commissie over de betekenis van de autonomie van
Aruba voor de daaruit voortvloeiende verantwoordelijkheid van bestuurders
en politici zijn van groot belang. De raad onderschrijft de stelling dat autonomie
betekent dat zij de verantwoordelijkheid durven te nemen voor het nemen van
moeilijke beslissingen. Het rapport bevat een goede beschrijving van de verantwoordelijkheden
van alle betrokkenen op Aruba bij het proces van ministersbenoemingen. De
waarde van het rapport zal tot uitdrukking moeten komen door de wijze waarop
betrokkenen in de praktijk de aanbevelingen zullen volgen.
De raad onderschrijft de bevindingen van de commissie over de criteria
die bij de benoeming van ministers moeten worden gehanteerd. De betekenis
van criteria kan niet los worden gezien van de verantwoordelijkheid van
bestuurders. Het hanteren van criteria zal van weinig betekenis zijn als niet
de bereidheid of de mogelijkheid bestaat door middel van concrete toepassing
daaraan een zinvolle betekenis te geven. De raad gaat er van uit dat deze
constatering van de commissie een aansporing zal zijn voor alle betrokkenen
bij de benoeming van ministers op Aruba zeer zorgvuldig hun taak te vervullen.
Wat betreft de criteria voor benoeming zelf, constateert de raad dat de
commissie geen nieuwe criteria heeft ontwikkeld. De commissie heeft zich aangesloten
bij de criteria die eerder in het kader van het Calidad-proces door de Commissie
Van der Griendt op Aruba zelf zijn ontwikkeld. Deze criteria zijn inmiddels
door de regering van Aruba en de Staten aanvaard. De commissie onderschrijft
het criterium van de Commissie Van der Griendt dat iemand niet tot minister
kan worden benoemd indien valt te voorzien dat de benoeming ernstig nadeel
toebrengt aan het landsbestuur of het daarin te stellen vertrouwen. Zij acht
dit criterium met een zeker open karakter onvermijdelijk gelet op de werking
van het criterium als vangnet voor situaties die niet kunnen worden voorzien.
De raad is van opvatting dat de commissie met goede redenen heeft afgezien
van het ontwikkelen van eigen en geheel nieuwe criteria.
De commissie doet wel belangrijke richtinggevende uitspraken over de invulling
van het hierboven genoemde criterium. De commissie is terecht van mening dat
over de invulling van het criterium altijd de meningen zullen kunnen verschillen,
waarover uiteindelijk in een politiek debat zal moeten worden beslist. De
commissie heeft daarnaast een aantal extreme gevallen aangegeven waarin een
persoon niet benoembaar moet worden geacht. Het gaat hierbij om gevallen waarin
er sprake is van gebleken corruptie en verrijking van zichzelf of anderen.
Daarnaast vindt de commissie een aanknopingspunt in de recent tot stand gekomen
Arubaanse wetgeving waarin de aansprakelijkheid van ministers is geregeld.
Deze wetgeving betreft de aansprakelijkheid voor het als minister verrichten
van handelingen waardoor in Aruba geldende wetgeving wordt geschonden en het
nalaten uitvoering te geven aan wettelijke voorschriften. Als gebleken is
dat een van deze situaties zich heeft voorgedaan, acht de commissie de betrokken
persoon niet benoembaar. De raad onderschrijft dit oordeel van de commissie,
waarbij hij aantekent dat het de taak is van alle betrokken Arubaanse politici
en autoriteiten te beoordelen of er van een dergelijke situatie sprake is.
Indien verschil van mening bestaat tussen de minister-president cq. formateur
en de Gouverneur omtrent benoembaarheid van een bepaalde kandidaat en na zorgvuldig
overleg met de Gouverneur de minister-president cq. formateur persisteert
bij zijn voordracht dient de Gouverneur de voordracht naar de Staten te zenden.
Het oordeel van de Staten zal uiteindelijk beslissend zijn.
Op Aruba zijn in het kader van het Calidad-proces inmiddels nieuwe regels
tot stand gebracht. Deze regels vormen een versterking van het
geheel van «checks and balances» waarin het bestuur zijn taken
uitoefent, waardoor de kwetsbaarheid van de deugdelijkheid van bestuur wordt
verminderd. De raad is van mening dat deze wetgeving en de nog tot stand te
brengen wetgeving een belangrijke bijdrage zullen leveren aan het verzekeren
van de deugdelijkheid van bestuur.
De mate waarin op Aruba zelf wordt zorggedragen voor de deugdelijkheid
van bestuur, is van belang voor de taak die het Koninkrijk in dit verband
heeft te vervullen. De commissie constateert terecht dat het ingrijpen in
de autonomie van Aruba om de deugdelijkheid van het bestuur te waarborgen,
alleen in het uiterste geval plaats kan vinden. Daarvoor moet vaststaan dat
alle mogelijkheden in het land zelf zijn beproefd en niet deugdelijk zijn
gebleken. De raad onderschrijft de conclusie van de commissie
dat naarmate in het land zelf zorgvuldiger wordt omgegaan met eisen van deugdelijkheid
van het bestuur, er minder of geen ruimte zal bestaan voor optreden van de
Koninkrijksregering. Het zal duidelijk zijn dat het Calidad-proces en de wetgeving
die daarvan het resultaat is, in dit verband van grote betekenis is.
De Koninkrijksregering heeft met betrekking tot de benoeming van ministers
van het land Aruba de uiterste terughoudendheid te betrachten, ook wanneer
zij risico's ziet voor de deugdelijkheid van bestuur. Voor ingrijpen van de
koninkrijksregering op de voet van artikel 43, tweede lid, van het Statuut
kan slechts aanleiding zijn indien het bestuur van het land is gedesintegreerd
of indien een bepaalde benoeming een rechtstreeks en onmiddellijk gevaar zou
scheppen voor de bestuurbaarheid van het land. Alleen in deze beide gevallen
komt de rol van de Gouverneur als orgaan van het Koninkrijk bij ministersbenoemingen
aan de orde.
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
G. M. de Vries