Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal1999-200026728 nr. 5

26 728
Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001

nr. 5
VERSLAG

Vastgesteld 25 november 1999

De vaste commissie voor Financiën1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, brengt als volgt verslag uit van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de regering de gestelde vragen tijdig zal hebben beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.

I. ALGEMEEN

1. Inleiding

De leden van de PvdA-fractie hebben met grote belangstelling kennisgenomen van de regeringsvoorstellen inzake de Invoeringswet Wet Inkomstenbelasting 2001 en het daarbij horende overgangsrecht. Zij onderschrijven het algemene uitgangspunt dat de regering hanteert ter motivering van een beperkt overgangsrecht, zijnde het streven om slechts in die gevallen waarvoor dit passend is een redelijk overgangsrecht te creëren. Ook steunen zij de regering in de redenering dat het niet de bedoeling is om bestaande faciliteiten en tegemoetkomingen waarin het nieuwe systeem bewust geen plaats voor is ingeruimd, via eerbiedigende werking ook na 2001 onbeperkt van toepassing te laten blijven. De baten van de belastingherziening, met name de lagere marginale tarieven, vallen immers per 1 januari 2001 ook deze belastingplichtigen toe.

Niettemin zouden deze leden het op prijs stellen als de regering een nadere toelichting geeft op de zekerheid die zij kan verschaffen. Dit zou met name gelden daar waar de voorgestelde maatregelen geen eerbiedigende werking hebben ten aanzien van bestaande faciliteiten en tegemoetkomingen, en de voorstellen voldoende zijn getoetst op hun juridische houdbaarheid, met name ook in het licht van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, mede in het kader van eventuele Europese jurisprudentie. Zij denken daarbij bijvoorbeeld aan de beginselen van opgewekt vertrouwen en rechtszekerheid.

De leden van de VVD-fractie constateren dat de regering heeft gekozen voor een beperkt overgangsrecht. Kan de regering aangeven wat de achterliggende motieven hiervoor zijn?

Kan de regering aangeven wanneer bij nieuwe wetgeving sprake dient te zijn van onmiddellijke werking en wanneer van eerbiedigende werking?

Het wetsvoorstel Invoeringswet Wet Inkomstenbelasting 2001 (Belastingherziening 2001) bevat de bepalingen die noodzakelijk zijn om de Belastingherziening 2001 per januari 2001 in werking te laten treden. Via de Invoeringswet wordt de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001 geregeld en in samenhang daarmee de aanpassing van andere relevante fiscale wetten, alsmede het benodigde overgangsrecht. Om te voorkomen dat bestaande faciliteiten en tegemoetkomingen, die in het nieuwe stelsel bewust geen plaats hebben gekregen, ook na 2001 onbeperkt van toepassing blijven, is gekozen voor een beperkt overgangsrecht. De leden van de CDA-fractie hebben op sommige punten grote moeite met het in hun ogen wel zeer beperkte overgangsrecht.

Nu de kostenaftrek is afgeschaft wordt de belastingvrije vergoeding van kosten van meer gewicht. In de ogen van de leden van de CDA-fractie legt dit een zware druk op de integriteit van het openbaar bestuur. De onbelastbaarheid van algemene onkostenvergoedingen leidt nu al vaak tot ergernis, getuige de publiciteit rondom de onbelaste toelagen die Commissarissen der Koningin en burgemeesters ontvangen en declareren. Deze ergernis zal in de ogen van deze leden groter worden wanneer in de inkomstenbelastingsfeer geen kosten meer afgetrokken kunnen worden. Het zogenaamde «zíj wel gevoel». De leden van de CDA-fractie stellen voor dat de regering, in het licht van de recent opgedoken discussies en onderzoeken en mede gelet op het integriteitbeleid, meer gedetailleerde richtlijnen voor de overheidssector publiceert waarbij de rechter bij zijn oordeelsvorming steun zou kunnen vinden.

Tevens menen deze leden dat het overgangsrecht in algemene zin niet evenwichtig is. Enerzijds wordt op een aantal gebieden niet de conclusie getrokken dat een stelselherziening betekent dat de belastingheffing over bepaalde inkomsten en uitgaven definitief wijzigt uit angst voor claimverlies en anticipatiegedrag. Anderzijds worden langlopende contracten (bijvoorbeeld in de lijfrentesfeer) niet geëerbiedigd. Tevens worden gedetailleerde regelingen voorgesteld over relatief onbelangrijke zaken. Gewezen kan worden op bijvoorbeeld de voorgestelde maatregelen betreffende de afrekening over de FOR (artikel K), de beperkte eerbiedigende werking van oude lijfrenteovereenkomsten (artikel O) (bijvoorbeeld het opnemen van de datum 14 september 1999), beperkte eerbiedigende werking bij bepaalde rechten bij emigratie (artikel R) en het van toepassing verklaren van de oude wetgeving op lopende termijnen van huren, pachten en renten (artikel AK).

In algemene zin kan men zich afvragen waarom het overgangsrecht voor de Wet IB 2001 dat nog vele jaren van belang kan blijven, is opgenomen in een Invoeringswet die voor de toekomstige gebruiker minder toegankelijk zal zijn dan de Wet IB 2001 zelf. In de Wet IB 1964 was het gebruik om de overgangsbepalingen achter in de wet op te nemen. Door raadpleging van de artikelsgewijze commentaren op de wet en de registers komt de gebruiker op een veel gemakkelijker manier bij het overgangsrecht.

Moet niet zo veel als mogelijk worden voorkomen dat belastingplichtigen voor het bepalen van hun fiscale positie op het terrein van de inkomstenbelasting meerdere wetten moeten raadplegen? Waarom worden allerlei bepalingen die moeten blijven doorwerken, zoals artikel 70a van de Wet IB 1964, niet in de Wet IB 2001 in een hoofdstuk Overgangs- en slotbepalingen worden opgenomen?

Naar aanleiding van het nader advies van de Raad van State inzake het aanmerkelijk belangregime in buitenlandse verhoudingen rijst de vraag, hoe de regering de toepassing van de meesleep/meetrekregelingen ziet, gelet op de verschillende belastingverdragen. Aan te nemen is dat de interne wetswijzigingen de verdragspositie van Nederland niet anders maken, of anders gezegd er vindt geen herkwalificatie plaats. Onroerend goed blijft onroerend goed voor de toepassing van de verdragen en is dit onroerend goed in het buitenland gelegen, dan kan de vervreemdingswinst in Nederland worden belast. Is dit een juiste stelling? Zo ja, bestaan er uitzonderingen? Indien een Nederlander met aanmerkelijk belang zijn onroerend goed naar het buitenland verhuist wordt hem een conserverende aanslag opgelegd, ook wanneer de voordelen, waaronder vermogenswinsten aan het land waar het gelegen is, ter belastingheffing zijn toe gewezen?

Zou de regering kunnen toelichten waarom er in de wetsvoorstellen voor gekozen is om via artikel XXI van de invoeringswet directe wijzigingen aan te brengen in de wet IB 2001, zodra deze wet in werking is getreden. Is een nota van wijziging op de Wet IB 2001daarvoor niet de geëigende weg?

De leden van de fractie van D66 hebben met grote belangstelling kennisgenomen van de Invoeringswet Wet IB 2001. Het valt deze leden op dat invoering met grote stappen wordt voorgesteld, waardoor de behoefte aan eerbiedigende werking en maatschappelijk aanvaardbare overgangsbepalingen hier en daar geweld kan worden aangedaan. De leden van de D66-fractie vrezen dat dit niet ten goede komt aan het maatschappelijk draagvlak voor de overgang van de Wet IB 1964 naar de Wet IB 2001.

In het navolgende gaan zij in op de onduidelijkheden van de voorgestelde overgangsregelingen en op de vragen en opmerkingen die zij hebben bij het voorgestelde overgangsrecht. Zij doen dat aan de hand van de artikelsgewijze toelichting.

De leden van de fractie van GroenLinks hebben met uitputtende belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. In de parlementaire behandeling van de belastingherziening 2001 begint het begrip «deadline» een andere betekenis te krijgen, zo is hun ervaring. Zij plegen soms te fantaseren dat dit gevoelens van herkenning oproept bij de regering en de hen ondersteunende ambtenaren, zulks in het kader van een evenwichtige verdeling van de administratieve lastendruk.

De leden van de fractie van GroenLinks maken van de gelegenheid gebruik nader te informeren naar het denkwerk van de staatssecretaris van Financiën. Laatstgenoemde heeft op maandag 15 november 1999 tijdens een belastingdebat, gehouden in de Balie, het Amsterdamse centrum voor politiek en cultuur, aangekondigd te «denken aan zoiets als een kinderkorting». De staatssecretaris maakte op deze avond, zo begrijpen deze leden, ter zake van de kinderopvang een markante uitzondering op zijn communicatiebeleid om in het algemene publieke debat geen (nieuwe) antwoorden te geven, alvorens het parlement in te lichten. Het was des te verheugender dat twee leden der Tweede Kamer de prudente ontboezeming van de staatssecretaris hebben kunnen «meenemen» ten einde deze schriftelijk vast te leggen.

Het verheugt de leden van de fractie van GroenLinks dat de staatssecretaris voortschrijdend inzicht niet wil uitsluiten en zij hopen dat dit denkwerk tot een nieuwe invulling van artikel 3.9.1 tot en met 3.9.4 Wet IB 2001 zal leiden. In combinatie met artikel 3.1.1 Wet IB 2001 leiden deze artikelen tot een degressieve wijze van verrekening van kosten van kinderopvang, die de doelmatigheid en doeltreffendheid van een dergelijke fiscale facilitering zal beperken. Immers, juist onder in het loongebouw blijken de kosten van kinderopvang (indien überhaupt plaatsen beschikbaar) vaak te hoog in vergelijking met het te verwerven loon uit (deeltijd) arbeid. Analoog aan andere aftrekposten die een stimulerende ontwikkeling beogen te hebben, zoals de aftrek van de hypotheekrente, brengt de fiscaliteit zo het meeste geld naar de belastingplichtige die dit geld het minste nodig heeft. De beoogde stimulans krijgt zo het karakter van een ongerichte subsidie. Versterking van de fiscale stimulans door de omzetting van de huidige aftrek in een korting is een eerste stap op weg naar een doelmatiger (fiscaal) beleid inzake kinderopvang. De leden van de fractie van GroenLinks zijn benieuwd naar de resultaten van dit denkwerk.

Zij hadden overigens de indruk dat de staatssecretaris met betrekking tot het voorgaande in enige mate leunde op model C uit bijlage 2 uit de nota Kinderopvang van de regering. Is dat correct? Zo ja, betekent zulks ook dat in den brede het denkwerk ten aanzien van de kinderopvang wordt versneld en de door de staatssecretaris aangekondigde fundamentele discussie over het financieringsmodel in de kinderopvang niet in 2002, maar veel eerder wordt afgerond? Zo kan helderheid ontstaan over het te kiezen financieringsmodel, alsmede de bijdrage van de fiscaliteit in deze ontwikkeling.

Het is de leden van de fractie van GroenLinks opgevallen dat veel protest uit de samenleving is gerezen betreffende (het gebrek aan) de eerbiedigende werking op onderdelen in de Invoeringswet. Op welke wijze denkt de regering dergelijke oordelen te pareren?

Kiest de regering, de kritiek aangehoord hebbende, voor een lijn waarin «bestaande fiscale gevallen» tot de datum van indiening van de Verkenning of het regeerakkoord of het wetsvoorstel Wet IB 2001, hun oude fiscale rechten behouden waarbij tot in lengte van dagen bij de eindafrekening ook bestaande tarieven worden gehanteerd? Of houdt de regering vast aan een korte overgangstermijn, waarna het nieuwe regime alle belastingplichtigen zal omvatten?

Overweegt de regering de overgangstermijn te flexibiliseren met een beroep op redelijkheid en billijkheid, of bestaat de lijn van de regering daarin dat onder een nadere, heldere verwijzing naar en onderbouwing van oneigenlijk behaalde fiscale voordelen in het verleden, naar het oordeel van de regering per 1 januari 2001 een aantal oude fiscale rechten onmiddellijk moeten worden geschrapt?

Brengt de regering voldoende onder de aandacht dat, de verschillende fracties in het parlement gehoord hebbende, een nader te wijzigen 3e pijler vermoedelijk veel lijfrenteleed compenseert, omdat bij velen dan een aanwijsbaar pensioentekort resteert?

Brengt de regering dan ook voldoende naar voren dat het nieuwe stelsel ertoe leidt, dat de fiscale claim op alle pensioenbesparingen behoorlijk wordt gereduceerd door de nieuwe lagere toptarieven en dat ook personen wiens premies straks op grond van het nieuwe lijfrenteregime niet meer in aftrek toegelaten worden, deel uitmaken van de inkomensgroepen die het grootste deel van deze fiscale «subsidie» zal toevallen?

De leden van de fractie van GroenLinks werpen de algemene vraag op wat de houding is van de regering ten aanzien van de fiscale claim die rust op de pensioenvermogens. De daarin opgepotte premiegelden zijn ooit fiscaal verrekend tegen hogere marginale tarieven dan welke thans (in vergelijking tot het voor-Oortse regime) gelden wanneer de pensioenvoorziening tot uitbetaling komt en in de nabije toekomst (ten opzichte van het huidige regime) zijn te voorzien.

Kan de regering een berekening geven van de actuele fiscale claim? In welke mate wordt deze claim in de toekomst verzilverd? Is het reëel te stellen dat, gelet op de huidige omvang van de fiscaal gefaciliteerde oudedagsvermogens, de fiscale claim met zo'n 40 à 50 miljard gulden wordt verminderd?

De leden van de fracties van GPV en RPF hebben met belangstelling kennisgenomen van onderhavig wetsvoorstel. Hoewel zij in grote lijnen een positieve houding aannemen ten opzichte van de voorgestelde maatregelen met het oog op de invoering van de Wet IB 2001, bestaan er bij deze leden enkele vragen waarop zij hieronder nader zullen ingaan.

2. Aanpassing fiscale regelgeving

2.1. Inkomstenbelasting

arbeidskorting

De leden van de fractie van GroenLinks verwijzen naar hun inbreng bij het wetvoorstel IB 2001 en brengen in herinnering dat zij voorstander zijn van een arbeidskorting, die tevens wordt toegekend in het inkomenstraject dat beneden de 50% WML ligt. Daarbij zou de korting naar rato van het inkomen kunnen worden toegekend, zoals dat al is gebeurd in het traject tussen 50% en 100% WML. Hoe verhoudt een dergelijke door de leden van de GroenLinks-fractie gewenste uitbreiding van het toepassingsbereik van de arbeidskorting zich tot het probleem, dat de in het kader van de loonbelasting toegekende arbeidskorting later wellicht deels moet worden «teruggegeven» bij de jaarafrekening ten behoeve van de inkomstenbelasting? Zien zij het goed dat dit tijdvakprobleem dan meteen is opgelost.

Deze leden zien overigens de door de regering gekozen oplossing als een stap in de goede richting. Op jaarbasis bezien komen ook genieters van arbeidsinkomens onder de 50% WML in aanmerking voor de arbeidskorting, indien niet het gehele jaar gewerkt is. Toch is dit zuur voor inkomensgroepen die op jaarbasis hetzelfde inkomen genieten, maar voor de loonbelasting en per saldo voor de inkomstenbelasting niet boven de 50% WML uitkomen. Onregelmatige arbeid wordt zo bevoordeeld boven regelmatige arbeid. Ziet de regering dit ook?

Zou het ook van betekenis kunnen zijn om niet de hoogte van het genoten inkomen uit arbeid als grondslag te nemen voor toekenning van de arbeidskorting, maar het aantal gewerkte uren?

pensioentekorten

De leden van de PvdA-fractie wijzen er in dit verband nog eens op dat zij zelf aanvullende voorstellen hebben gepresenteerd bij de voorstellen inzake de oudedagsvoorziening in de Wet Inkomstenbelasting 2001. Deze houden in, dat de bewijslast voor het aantonen van het al of niet bestaan van een pensioentekort verschuift van de belastingplichtige naar de Belastingdienst.

Zij hebben er in dit verband op gewezen dat de grootste inspanning wellicht gevraagd wordt bij het opzetten van een registratiesysteem, meer dan bij het vervolgens beheren van dat systeem. In dit verband zouden zij het op prijs stellen van de regering te vernemen welke gevolgen de uitvoering van deze aanvullende voorstellen, als zij op dit punt een verbetering worden geacht, zouden hebben voor het invoeringstraject van de Wet IB op dit punt.

De leden van de fractie van D66 verwijzen voor wat betreft hun algemene reactie over kapitaalverzekeringen naar de inbreng bij de Wet IB 2001. Met betrekking tot onderhavig overgangsrecht voor bestaande polissen merken zij op dat de overgangsregeling voor kapitaalverzekeringen niet voldoet aan het uitgangspunt van vereenvoudiging. Het geheel vormt een zodanig complex geheel van regelingen, dat slechts weinig belastingplichtigen een en ander kunnen doorgronden. Dit is te meer bezwaarlijk aangezien het overgangsrecht veel belastingplichtigen treft.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of de systematiek van de voorwaardelijke verlening van een lijfrenteaftrek ertoe kan leiden dat voltijdwerkers, die met inlevering van loon in deeltijd gaan werken en hun pensioenaanspraak overeenkomstig bijstellen, een extra fiscale claim kunnen verwachten ingeval zij lijfrentes hebben afgesloten in de periode dat de betreffende belastingplichtige voltijds arbeid verrichte. Zo ja, kan de regering hiervan een cijfermatig voorbeeld geven? Vindt de regering deze straf op het werken in deeltijd wenselijk?

Hoe beoordeelt de regering de situatie waarin partners die voorheen een alleenverdienerhuishoudens voerden allebei in deeltijd gaan werken? Lopen zij het risico dat de voorwaardelijke verlening van lijfrenteaftrek in gevaar komt of gelden er bijzonder regels? Zo nee, kan de regering met een voorbeeld aangeven hoe in voornoemde gevallen de betreffende regeling geen problemen oplevert?

De leden van de fracties van GPV en RPF constateren dat als gevolg van de voorgestelde wijziging van artikel 3.8.2 de premieaftrek van lijfrentes wordt teruggedraaid en het daarover behaalde rendement belast, indien in een later stadium een pensioentekort wordt ingehaald. Is de veronderstelling van genoemde leden juist, dat de regering wil voorkomen dat belastingplichtigen door bewust gedrag in staat worden gesteld om fiscaal gefaciliteerd een bovenmatig pensioen op te bouwen? Zo ja, waarom vindt de regering het dan gewenst dat een werknemer met een beperkte pensioenopbouw, die ter aanvulling hierop heeft gekozen voor een lijfrente en wiens werkgever met terugwerkende kracht de pensioenregeling verbetert, geconfronteerd kan worden met een belastingheffing tegen het progressieve tarief van box I over de betaalde lijfrentepremies en het gerealiseerde rendement?

Deelt de regering de mening van genoemde leden dat als gevolg van de verschillende normeringen die gelden voor de pensioenopbouw in de tweede en de derde pijler, het voor veel werknemers onduidelijk zal zijn of er sprake is van een bovenmatige pensioenopbouw?

Wat vindt de regering van de suggestie van deze leden om werknemers die kiezen voor een lijfrente op het moment dat er sprake is van een tekort in de pensioenopbouw, hierover niet met terugwerkende kracht af te rekenen, behalve indien als gevolg hiervan het pensioen boven de normering uitkomt die geldt voor de pensioenopbouw in de tweede pijler?

conserverende aanslag

In diverse bepalingen omtrent verliesverrekening en in de Invorderingswet wordt zowel de term «conserverende aanslag», als «te conserveren inkomen» gebruikt. In beide gevallen wordt het inkomen waarvoor een conserverende aanslag wordt opgelegd bedoeld. De leden van de CDA-fractie stellen voor om één term te gebruiken en bij voorkeur de term «te conserveren inkomen» te laten vervallen, omdat het inkomen niet wordt «geconserveerd» maar alleen de aanslag.

2.2. Loonbelasting

De leden van de PvdA-fractie verwijzen naar hun inbreng bij de Wet IB 2001 op dit punt en constateren dat de regering in strijd met het regeerakkoord voorstelt om de nog onlangs verruimde deblokkeringmogelijkheden van bedrijfsspaarregelingen ten behoeve van oudedagsvoorzieningen weer ongedaan te maken. Deze leden hebben in dat verband duidelijk gemaakt benieuwd te zijn of juist op dit punt het voorgestelde overgangsrecht niet buitengewoon hard uit werkt, omdat juist werknemers met een bescheiden inkomen die binnen een CAO-afspraak door middel van een spaarloonregeling voor lijfrentes sparen, bij het wegvallen van deze faciliteit wel eens in de situatie zouden kunnen geraken dat zij niet in staat zullen zijn het lijfrentesparen voort te zetten en vervolgens geconfronteerd worden met een zeer onvoordelige afkoopsituatie. Ook het zondermeer stopzetten van zo'n regeling levert nadelige gevolgen op in verband met de hoge kosten die verzekeringsmaatschappijen in rekening brengen. Kan de regering commentaar leveren op dit scenario? Kan de regering daarbij ook ingaan op mogelijke varianten waarbij recht wordt gedaan aan lopende spaarregelingen zoals in CAO's zijn vastgelegd?

De leden van de PvdA-fractie constateren dat inmiddels de commissie Habbema advies heeft uitgebracht over «Fiscus en Cultuur». Is de regering voornemens deze aanbevelingen al te verwerken in en rond de invoering van de Wet IB 2001? Wanneer vernemen deze leden het regeringsstandpunt? Ziet de regering bijvoorbeeld al aanleiding om de artiestenregeling nu nader vast te stellen?

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of de regering een kwantitatief beeld kan geven van de omvang van de niet belaste vergoedingen. Zij hebben de indruk dat het hier handelt om een omvangrijke beperking van het loonbegrip. Zien zij dit juist? Welke derving van belastinginkomsten is hiermee gemoeid?

Zij constateren dat met ingang van 2001 de vergoedingen ter zake van bedrijfsfitness niet als belastbaar loon wordt beschouwd. Komen dit soort voordelen bij grote groepen werknemers terecht? Als dat niet het geval is, is dan nog sprake van een vergoeding die naar algemeen gevoelde maatschappelijke opvatting onbelast zou moeten blijven?

Zij vragen naar de reden van de delegatiebepaling in het nieuwe artikel 15c in de wet op de loonbelasting (artikel V, IWIB 2001) en zij vinden de strekking van het artikel te algemeen. Immers in de nieuwe artikelen 15a en 15b wordt een uitgebreide opsomming gegeven van hetgeen wel of niet als vrije vergoeding wordt aangemerkt. Een delegatiebepaling zou hooguit gerechtvaardigd zijn om aan het daarin gestelde nader invulling te geven. De leden van de fractie van GroenLinks achten het onjuist als het loonbegrip anders dan via wetgeving wordt aangepast en vragen de regering om een reactie. Hetzelfde geldt voor het bepaalde in het nieuwe artikel 17 WLB.

Tevens vragen deze leden naar de prangende kwestie van het telefoonabonnement. Volgens deze leden heeft de NOB een punt in haar commentaar op de ontwikkeling van de techniek in de telecomsector, waardoor het buiten de loonheffing houden van een vergoeding voor een tweede of volgend abonnement als problematisch gezien moet worden. Hoe moeten deze regels overigens gezien worden in het licht van het sterk toenemende internetverkeer? Zijn vergoedingen voor een zakelijk internetabonnement onbelast? De leden van de fractie van GroenLinks vernemen graag wanneer de commissie «Cultuur en Belastingen» haar werkzaamheden afrondt en welk wetgevingstraject de bewindslieden in gedachten hebben.

De 35% regeling

De Nedeco-regeling is een aftrekregeling die op het ogenblik is vormgegeven in een besluit, zo stellen de leden van de CDA-fractie. Zij is erop gericht om de extra kosten die een werknemer maakt, omdat hij zijn werkzaamheden in bepaalde – minder goed ontwikkelde – gebieden in de wereld verricht, in aftrek te kunnen brengen op zijn inkomen. Onder het voorgestelde regime kan deze regeling niet meer in zijn huidige vorm blijven bestaan, aangezien werknemers in deze opzet de kosten die verband houden met het vervullen van de dienstbetrekking, niet meer in aftrek op hun inkomen kunnen brengen. In de invoeringswet is derhalve een delegatiebepaling opgenomen (artikel H. Invoeringswet waarbij artikel 15, lid 3 Wet loonbelasting 1964 wordt gewijzigd) die de staatssecretaris van financiën de bevoegdheid geeft een vrije vergoeding toe te kennen aan deze groep werknemers. Met betrekking tot deze delegatiebepaling hebben deze leden de volgende vragen en opmerkingen.

Deze leden achten het wenselijk om de AMvB die gebaseerd is op de onderhavige delegatiebepaling, tijdens de behandeling van het onderhavige wetsvoorstel openbaar te maken. Daarnaast is het door de voorgestelde formulering van dit artikel onduidelijk of de fictieve buitenlandse belastingplicht zoals deze op het ogenblik in de 35%-regeling is opgenomen kan blijven bestaan. De delegatiebepaling is hiertoe naar de mening van deze leden te beperkt. Indien de keuze voor de buitenlandse belastingplicht onder de nieuwe wetgeving blijft bestaan, hetgeen wenselijk is om Nederland aantrekkelijk te houden voor personen met specifieke deskundigheid die in Nederland niet of slechts in geringe mate aanwezig zijn, zal de delegatiebepaling moeten worden uitgebreid.

Naar de mening van deze leden is het wenselijk om de AMvB die gebaseerd is op deze delegatiebepaling openbaar te maken tijdens de behandeling van het onderhavige wetsvoorstel, zodat het parlement kennis kan nemen van de reikwijdte van de voorgestelde aanpassingen.

De leden van de CDA-fractie pleiten ervoor de condities waaronder de regeling kan worden toegepast te handhaven. Met het oog op het beperken van claims van werknemers op het de werkgever toekomende voordeel van de regeling, dringen deze leden aan op de in het 2e lid van artikel 15 neergelegde zinsnede «in verband met extra kosten van levensonderhoud» te schrappen. Bovendien zouden de betrokken werknemers de gelegenheid moeten krijgen de in de 35%-regeling neergelegde keuzemogelijkheid voor fictieve buitenlandse belastingplicht – die eenmalig bij de aanvang van het gebruik van de regeling moet worden gemaakt – op 1 januari 2001 te herzien. Dit vanwege het vervallen van onder andere de aftrek van hypotheekrente op buiten Nederland gelegen onroerende zaken en van de uitgaven voor levensonderhoud van kinderen ouder dan 27 jaar.

In de huidige vorm wordt de Nedeco-aftrek veelal buiten de werkgever om in de aangifte inkomstenbelasting geclaimd door de werknemer. Gezien de systematiek van de wet is dit in de toekomst niet meer mogelijk. De werkgever zal de werknemer een vrije vergoeding kunnen geven voor de dagen dat hij in het (nader te specificeren) buitenland werkzaam is. Dit brengt echter voor de werkgever een zeer zware administratieve last met zich mee, die er naar de mening van de leden van de CDA-fractie in veel gevallen toe zal leiden dat werkgevers geen vergoeding aan de betreffende werknemers zullen verstrekken. Op deze wijze zal de belastingdruk op het inkomen van deze werknemers stijgen, hetgeen zal inhouden dat zij in mindere mate bereid zullen zijn hun werkzaamheden in minder ontwikkelde gebieden in de wereld te verrichten. Dit achten deze leden geen goede ontwikkeling. Zij stellen voor om de Nedeco-regeling als genormeerde aftrekpost op te nemen in de Wet IB'01, voor die gevallen dat de werkgever gezien de zware administratieve lasten niet bereid is een vrije vergoeding te verstrekken als bedoeld in de Wet LB'64. Een dergelijke bepaling zou bijvoorbeeld kunnen worden opgenomen in Hoofdstuk 3, afdeling 9a Wet IB'01. Voor kinderopvang is een soortgelijke regeling opgenomen in Hoofdstuk 3, afdeling 9 Wet IB'01.

Voorts vragen deze leden of op werknemers die vóór 31 december 2001 tijdelijk in Nederland worden tewerkgesteld en die de 35%-regeling krijgen toegekend, voor de geldigheidsduur van deze beschikkingen onverkort de oude resolutie van toepassing blijft. Dus ook op salarisbetalingen gedaan na 1 januari 2001.

De leden van de fractie van GroenLinks zijn nieuwsgierig naar het gebruik van de 35%-regeling. De redengeving voor de neerwaartse bijstelling van het percentage naar 30% doet een ruim gebruik van de regeling vermoeden. Kan de regering de grondslagversmalling uit hoofde van deze regeling kwantificeren?

2.3. Vennootschapsbelasting

De leden van de VVD-fractie zijn nog niet overtuigd van de voorgestelde strafheffing van een 20% vennootschapsbelasting bij «excessieve uitdeling». Is het niet reëler om gewoon te kijken naar de dividendpolitiek van de vennootschappen van de laatste jaren en het daar bij te laten? Naar het oordeel van deze leden brengt de voorgestelde regelgeving ook onredelijke situaties met zich mee. Wat te doen als een bedrijf enorm groeit en de laatste jaren enorme winststijgingen heeft gemaakt of gaat maken. In zo'n situatie is het onredelijk om te spreken van«excessieve uitdelingen» als dit het gevolg van groei is. In dit soort situaties kan toch geen sprake zijn van onredelijk gebruik?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen nadere uitleg over het gestelde met betrekking tot de kostenarresten, die naar het oordeel van de regering van geringer belang zullen zijn. Zij missen de betekenis hiervan en het ontgaat de relatie met de invoering van box III.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen naar de reden van het advies dat de staatssecretaris vraagt aan «een werkgroep», ter zake van de fiscale behandeling van schuldvorderingen. Kan de regering toelichten waarom op dit onderdeel nader advies nodig is? Het komt deze leden voor dat het hier een belangrijk aspect van de nieuwe systematiek in box III betreft. Hoe kan het dat de regering nu geen uitsluitsel kan geven over wat fiscaal als eigen of vreemd vermogen moet worden beschouwd? Is dit door de regering over het hoofd gezien? Welke status heeft de werkgroep en wie hebben daar zitting in?

Het komt de leden van de fractie van GroenLinks verstandig voor dat de regering heeft willen voorzien in een anti-misbruikbepaling tegen excessieve winstuitdelingen.

De leden van de fracties van GPV en RPF vragen naar een nadere beschouwing omtrent de concurrentiepositie van binnenlandse fiscale en niet-fiscale beleggingsinstellingen, in verhouding tot beleggingsinstellingen die in het buitenland zijn gevestigd. Bestaat de mogelijkheid dat de voorgestelde maatregelen, die zijn opgenomen in het overgangsrecht met betrekking tot het tegengaan van dividend-stripping en de overgangsmaatregelen met betrekking tot de vennootschapsbelasting, een negatieve uitwerking hebben op de concurrentiepositie van Nederland als vestigingsplaats?

2.4. Dividendbelasting

De leden van de fractie van GroenLinks vragen naar de eventuele budgettaire consequenties van de aangepaste regeling tegen dividend-stripping.

2.5. Omzetbelasting

De leden van de fractie van GroenLinks verwijzen naar hun inbreng bij het wetsvoorstel IB 2001. Zij vragen de regering zo precies mogelijk aan te geven welke inkomensgroepen welk deel van de lastenverzwaring uit hoofde van de verhoging van het algemene BTW-tarief dragen.

Hoe beoordeelt de regering het feit dat een omvangrijk deel van levering van arbeidsintensieve diensten onder het te verhogen algemene tarief blijft vallen, ondanks de inzet van de regering om de arbeidsintensieve dienstverlening onder het verlaagde tarief te brengen? Welk aandeel in de grondslag van het algemeen tarief komt voor rekening van deze diensten? In welke mate bevordert dit «zwart werken»?

Is het juist om te veronderstellen dat vooral of zelfs uitsluitend particuliere IB-belastingplichtigen en de (semi-)overheidsinstellingen de verhoging van het algemene BTW-tarief niet kunnen ontlopen, terwijl IB/VPB-ondernemers en zelfstandigen met een BTW-nummer de verhoging kunnen verrekenen met de door hen te ontvangen BTW? Is hier dan sprake van een ongewenste lastenverschuiving? Kan de regering inzicht geven in de omvang van deze lastenverschuiving? Worden de collectieve budgetten hiervoor gecompenseerd?

Is de regering van opvatting dat deze BTW-verhoging valt aan te merken als een vergroening van de belastingmix? Zo ja, op grond waarvan komt zij tot deze overtuiging? Kan zij deze bewering staven met te verwachten milieueffecten?

De leden van de fracties van GPV en RPF constateren dat de regering met het oog op grensoverschrijdende concurrentieverhoudingen een verschil van maximaal 3% tussen het Nederlandse algemene tarief en het laagste algemene tarief van de omzetbelasting in de ons omringende landen acceptabel vindt. Kan de regering uiteenzetten tot welke concurrentiegevolgen de voorgestelde aanpassing leidt?

2.7. Invorderingswet

De leden van de CDA-fractie vragen wat de stand van zaken is, na de herhaalde toezegging van de regering, met betrekking tot het voornemen om procedures naar aanleiding van een aansprakelijkstelling bij één soort rechter te concentreren en dus niet langer te verdelen over civiele en fiscale rechter (zie TK 1997–1998, 25 600 Hfd IXB, nr. 22, blz. 4, waar een wetsvoorstel voor eind 1998 in het vooruitzicht wordt gesteld).

3. Aanpassing sociale verzekeringswetgeving

De leden van de VVD-fractie vragen of er aanpassingen hebben plaatsgevonden in de premieheffing werknemersverzekeringen. Zo ja, waaruit blijkt dit? Zo nee, is de regering van mening dat zo de coördinatie tussen loonbelasting en premieheffing in gevaar komt?

Het wetsvoorstel voorziet ten onrechte niet in soortgelijke aanpassingen in de premieheffing werknemersverzekeringen. De coördinatie tussen loonbelasting en premieheffing komt daardoor in gevaar. De leden van de CDA-fractie vragen een reactie van de regering.

4. Overgangsrecht

4.1. Algemeen

Ondernemerschap

Zoals reeds in hun inbreng bij de Wet IB 2001 besloten, vragen de leden van de PvdA-fractie in hoeverre de regering verwacht dat de verhoging van het AB-tarief zal leiden tot versnelde winstneming voor 1 januari 2001. Deze leden vragen de regering te bezien of hier aanvullende invoeringswetgeving wenselijk en mogelijk is.

Het Verbond van Verzekeraars merkt in haar brief van 21 oktober 1999 het volgende op: «Het overgangsrecht zoals ingevoerd bij Brede herwaardering 1 kenmerkt zich door het grotendeels respecteren van bestaande verzekeringsovereenkomsten gedurende de gehele looptijd. Voor lijfrenten is geregeld in artikel 75 Wet IB 1964, dat het regime zoals dat voor 1 januari 1992 gold, met enkele restricties blijvend van toepassing is verklaard op bestaande verzekeringen. Kapitaalverzekeringen vallen in beginsel vanaf 1 januari 1992 wel onder het nieuwe regime, maar de wijze waarop een eventueel belastbaar rentebestanddeel wordt berekend, vindt nog plaats zoals dat voor Brede herwaardering het geval was. Deze eerbiedigende werking werd door de staatssecretaris reeds in 1987 bij de publicatie van het zogenoemde voorontwerp van wet nadrukkelijk aangekondigd». In het persbericht dat toen werd uitgegeven, stond onder meer «de contracten die onder de huidige regeling zijn of worden afgesloten vóór de datum van inwerkingtreding van de nieuwe regelingen zullen ten volle worden gerespecteerd». In de Kamer voegde hij hier aan toe: «Het ten volle respecteren van contracten afgesloten vóór de datum van inwerkingtreding van de Brede herwaardering houdt in dat het vóór die datum vigerende regime onverkort zal gelden voor de gehele looptijd van die contracten». De leden van de VVD-fractie vragen een goed onderbouwde reactie.

Deze leden hebben in het algemeen moeite met delegatiebepalingen. Zie tevens hetgeen hierover is opgemerkt bij de zogenaamde «rompwet». De leden van de VVD-fractie wensen kennis te nemen van de inhoud van delegatiebepalingen, alsmede van de algemene maatregelen van bestuur. Kan de regering toezeggen dat voor de finale behandeling van de stelselherziening, de Tweede Kamer inhoudelijk op de hoogte wordt gesteld van de zogenaamde nadere regelgeving?

De leden van de CDA-fractie bespeuren grote onrust in de maatschappij met betrekking tot de vraag of reeds aangegane verzekeringsovereenkomsten door de overheid nu worden gerespecteerd of niet. De leden van de CDA-fractie betreuren deze onrust.

Deze leden hebben grote moeite met het feit dat langlopende contracten niet geëerbiedigd worden. Tevens hebben zij moeite met het extreem beperkte overgangsrecht voor kapitaalsverzekeringen en lijfrentepolissen dat daarbij wordt voorgesteld. Voor kapitaalverzekeringen geldt maar een overgangsperiode van 2 jaar, waarin bestaande kapitaalverzekeringen kunnen worden omgezet in een kapitaalverzekering eigen woning, waarbij dan aan de nieuwe eisen moet worden voldaan. Daarna vallen de overgebleven kapitaalverzekeringen onverkort in box 3. Voor lijfrenten geldt in feite helemaal geen overgangsrecht. In de ogen van de leden van de CDA-fractie verhoudt zich dat niet tot het overgangsrecht zoals ingevoerd bij de Brede Herwaardering I, dat zich kenmerkt door het grotendeels respecteren van bestaande verzekeringsovereenkomsten gedurende de gehele looptijd.

De leden van de CDA-fractie bespeuren onrust in de maatschappij met betrekking tot de vraag of reeds aangegane verzekeringsovereenkomsten door de overheid nu worden gerespecteerd of niet. Voor kapitaalverzekeringen geldt een overgangsperiode van 2 jaar, waarin bestaande kapitaalverzekeringen kunnen worden omgezet in een kapitaalverzekering eigen woning, waarbij dan aan de nieuwe eisen moet worden voldaan. Daarna vallen de overgebleven kapitaalverzekeringen in box 3. Lijfrenten komen nog slechts voor premieaftrek in aanmerking indien zij voldoen aan de nieuwe wetgeving. Wat dat betreft geldt in feite dus helemaal geen overgangsrecht. Is het – mede in het licht van de houding van de staatssecretaris ten tijde van de Brede Herwaardering – niet redelijk om contracten die vóór 15 september 1999 zijn gesloten nog te eerbiedigen? Strookt de benadering van de regering nu met deze toezeggingen? Is de regering niet bevreesd voor aanspraken op schadevergoeding door particulieren in deze?

Op grond van welke (andere) filosofie heeft de regering nu gekozen voor een volstrekt andere aanpak van de burger die een polis heeft waar het overgangsrecht betreft? Welke categorieën mensen voelen de beperking van het overgangsrecht in hun portemonnee? Kan de regering cijfervoorbeelden geven op dit punt? Is de regering bereid om een vriendelijker overgangsrecht te overwegen?

Tenslotte willen deze leden wijzen op de situatie dat ouders, mede in verband met de schaarste van studentenwoningen, voor hun kind een woning hebben gekocht en dit pand om niet in gebruik gegeven hebben. Onder het huidige regime geeft de studerende zoon of dochter het huurwaardeforfait aan. Voor de ouders is de (hypotheek)rente aftrekbaar. Onder het nieuwe regime valt de woning zowel bij de studerende zoon of dochter als de ouders onder box 3 en moet ieder de waarde in het economische verkeer van hun bezitting aangeven, de studerende zoon/dochter de (jaarlijks afnemende) vruchtgebruikswaarde en de ouders de (jaarlijks toenemende) blote eigendomswaarde. Nu dergelijke panden veelal uit kamernoodsituaties en voor kortere tijd gekocht zijn is een overgangsregeling rechtvaardig.

In de memorie van toelichting lezen de leden van de fracties van GPV en RPF dat met betrekking tot het overgangsrecht de activa worden gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer, behalve ingeval dit tot een onjuiste uitkomst zou leiden. Wanneer is er sprake van een onjuiste uitkomst?

De leden van de fracties van GPV en RPF constateren dat de rente welke betrekking heeft op het jaar 2000 en pas in 2001 wordt genoten in box I wordt afgerekend. Er bestaat bij deze leden echter onduidelijkheid of de nog niet opeisbare rente over 2000 op 1 januari 2001 in box I of box III valt. De leden van de fracties van GPV en RPF vragen hierover duidelijkheid, omdat voor de bepaling van de vermogensrendementsheffing wordt uitgegaan van het gemiddelde van het vermogen op 1 januari en 31 december van enig jaar.

De leden van de fracties van GPV en RPF vragen waarom het dividend dat in 2001 wordt ontvangen niet in box I wordt afgerekend. Bestaat hierdoor niet het gevaar dat een groot aantal belastingplichtigen in het jaar 2000 het spaargeld zullen gebruiken voor dividendproducten zoals aandelen, waarover in 2001 een veel lagere belasting hoeft te worden betaald?

4.2. Verliesverrekening

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of de voorwaartse verliesrekening van oude verliezen tot 1 januari 2001 in box I de meest aangewezen optie is.

Deze leden vinden de verliesrekening überhaupt ruim van opzet. Voornoemde overgangsregeling bevat, zoals de regering ook aangeeft, een wijze van verrekening die voor de meeste belastingplichtigen het voordeligst is. Is dat vanzelfsprekend? Dat is elders toch ook geen leidraad voor overgangsrecht? Is een wat robuuster overgangsrecht niet meer op zijn plaats? Kan de regering een schatting maken van de oude verliezen die op deze wijze in 2001 in box I zullen worden gepresenteerd?

Ten aanzien van de achterwaartse verliesverrekening vragen de leden van de fractie van GroenLinks naar de achtergrond bij de praktische onhaalbaarheid van afsplitsing van vermogensinkomsten op de belastbare inkomens waarmee verliezen worden verrekend. Kan de regering met een voorbeeld aangeven waarom zulks niet werkbaar zou zijn?

4.4. Spaar- en beleggingsproducten en levensverzekeringen

De leden van de GroenLinks-fractie brengen naar voren dat de regering ten aanzien van lijfrentes wel het streven had de nieuwe wetgeving onmiddellijk op 1 januari 2001 van kracht te doen zijn. Zij vragen onderbouwing van het verschil in benadering van de overgangsbepalingen.

kapitaalverzekeringen

Voor een goed inzicht in het effect van de voorgenomen maatregelen achten de leden van de PvdA-fractie het essentieel een beter inzicht te krijgen in de samenstelling van de huidige portefeuille kapitaalverzekeringen, zoals die momenteel in Nederland wordt aangehouden. Zij hebben bij hun inbreng voor de Wet IB 2001 al om nadere informatie op dit punt gevraagd.

De leden van de PvdA-fractie constateren dat houders van vrijgestelde kapitaalverzekeringen de mogelijkheid krijgen tot 2003 hun kapitaalverzekering alsnog aan hun eigen huis te verbinden teneinde hun vrijstelling te kunnen behouden. Begrijpen deze leden het goed, dat dit betekent dat het ook mogelijk blijft voor partners om twee onderscheiden kapitaalverzekeringen, beide gebonden aan het gezamenlijke eigen huis, te behouden? Kan de regering meer in zijn algemeenheid aangeven welke kapitaalverzekeringen niet kunnen worden aangepast aan het nieuwe regime? Gaat het hier om kapitaalverzekeringen afgesloten door huurders, kapitaalverzekeringen gehouden door huisbezitters die hun hypotheek reeds hebben afgelost of huisbezitters met een kapitaalverzekering groter dan de uitstaande hoofdsom van hun hypothecaire lening? Vallen deze categorieën inderdaad onder de groep kapitaalverzekeringhouders die hun kapitaalverzekering niet kunnen koppelen aan het eigen huis? Zijn er nog anderen? Kan de regering berekenen om hoeveel mensen het hier gaat?

Al bij hun inbreng voor de Wet IB 2001 hebben deze leden aandacht gevraagd voor de behandeling van huurders versus kopers. Kan de regering aangeven in hoeverre zij het redelijk en mogelijk acht een overgangsregeling te creëren voor huurders in het bezit van een kapitaalverzekering, met name daar waar deze kapitaalverzekering wordt aangehouden met het oog op het aanvullen van een pensioentekort en/of ter financiering van studiekosten van studerende kinderen?

Begrijpen de leden van de PvdA-fractie het goed dat een kapitaalverzekering die voor 1 januari 2003 wordt gekoppeld aan de eigen woning, nog niet onder de imputatieregeling van de Wet IB 2001 valt, in de zin dat het daaruit vrijvallende geld niet gebruikt hoeft te worden voor aflossing dan wel het in mindering te brengen op de hypothecaire schuld waarvoor aftrek wordt genoten? Kan de regering aangeven waarom dat niet het geval is?

Met betrekking tot de gevolgen voor kapitaalsverzekeringen hebben de leden van de VVD-fractie nog de volgende vragen en opmerkingen. Is het juist dat voor bestaande kapitaalsverzekeringen een driedeling wordt gemaakt, te weten in de eerste plaats kapitaalverzekeringen die worden omgezet naar een kapitaalverzekering eigen woning, welke zonder afrekening overgaan naar box 1. In de tweede plaats kapitaalverzekeringen die niet worden omgezet naar een kapitaalverzekering eigen woning, maar die, als het oude regime zou blijven gelden, zouden voorzien in een onbelaste uitkering. Deze kunnen zonder afrekening overgaan naar box 3. De uitleg in de memorie van toelichting lijkt echter ruimer dan de wettekst zelf. De memorie heeft het over «kapitaalverzekeringen die aan het einde van de overgangsperiode nog steeds voldoen aan de in artikel AL, eerste lid gestelde voorwaarden». Moet nu op het moment dat de overgangsperiode afloopt al ten minste vijftien jaar premie zijn betaald, of geldt dit op het moment dat de verzekering tot uitbetaling komt? In de derde plaats kan er sprake zijn van kapitaalsverzekeringen die niet worden omgezet naar een kapitaalverzekering eigen woning, die aan het einde van de overgangsperiode niet meer voldoen aan de in artikel AL eerste lid opgenomen voorwaarden. Deze gaan aan het einde van de overgangsperiode over naar box 3, waarbij moet worden afgerekend over het rentebestanddeel. Er zijn polissen die bij het begin van de overgangsperiode voldoen aan de bepalingen van artikel AL, eerste lid en er zijn polissen die dat vanaf aanvang al niet doen. Wat gebeurd er met polissen die vanaf aanvang niet voldoen aan de voorwaarden van artikel AL, eerste lid? Als het gaat om al 15 jaarlijkse betalingen aan het einde van de overgangsperiode, dan zullen er heel wat polissen met afrekening moeten overgaan, met alle gevolgen van dien. Kan de regering aangeven, hoe de volgende kapitaalverzekeringen worden behandeld volgens het overgangsregime? Kan daarbij aangegeven worden, indien sprake is van heffing over het rentebestanddeel, wanneer deze heffing plaatsvindt voor:

– een kapitaalverzekering die is afgesloten in 1991 en die valt onder de werking van artikel 76, met als einddatum 2005;

– een kapitaalverzekering die is afgesloten in 1992 met als einddatum 2002;

– een kapitaalverzekering die is afgesloten in 1992 met als einddatum 2005;

– een kapitaalverzekering die is afgesloten in 1998 met als einddatum 2013.

Is het juist dat bepaalde kapitaalsverzekeringen van voor de Brede Herwaardering niet kunnen voldoen aan de kapitaalsverzekering eigen woning? Het gaat dan om kapitaalsverzekeringen met een ingekorte duur van premiebetaling tussen de 12 en 19 jaar, met een op 1 januari 2003 resterende looptijd van minder dan 20 jaar en kapitaalsverzekeringen waarbij sprake is van een verhouding tussen de hoogste en de laagste premie van meer dan 1:10. Kan de regering exact aangeven wat onder «regulier afwikkelen» moet worden verstaan en wat niet? Voor de uitvoeringspraktijk is dit van groot belang.

Kan de regering aangeven of het overgangsrecht zich ook uitstrekt tot de in te voeren vermogensrendementheffing (in relatie tot de «oude» vermogensbelasting).

De leden van de VVD-fractie vragen de regering nader te onderbouwen waarom kapitaalsverzekeringen met een looptijd van 15 jaar, zoals deze onder de huidige wet nog gefaciliteerd zijn, in het wetsvoorstel niet meer gefaciliteerd worden? Is het juist dat veel van deze kapitaalsverzekeringen gebuikt worden voor de studie van de kinderen? Hoeveel van dit soort polissen zijn er afgesloten? Heeft de regering enige indicatie in welke inkomenscategorieën deze polissen het meest worden afgesloten?

De leden van de VVD-fractie vragen om een reactie op de voorbeelden gegeven door het Hypotheek Centrum in haar brief d.d. 1 november 1999. Een man, vrijgezel, 40 jaar oud, sluit op 1-8-1989 een spaarhypotheek groot f 400 000,–. Rente 8,7%, 20 jaar vast. Duur levensverzekering 25 jaar. Op 1-11-1992 gaat hij verbouwen en verhoogt de hypotheek. Hij sluit een tweede spaarpolis (in verband met de wet Brede Herwaardering) groot f 220 000,– met een duur van 22 jaar. Aldus wordt bereikt dat op 65-jarige leeftijd het pand vrij van hypotheek zal zijn en de totale uitkering blijft ruim binnen de door de wet gestelde grenzen.

Door de voorgestelde wetswijziging zal de waarde in de eerste polis, in 2003 groot f 122 000,– bij de vrijstelling worden opgeteld, waardoor de totale vrijstelling op ca f 390 000,– uitkomt. De totale uitkering op de einddatum bedraagt echter f 620 000,–, waardoor een bedrag van f 230 000,– (minus een bedrag door indexatie) in aanmerking komt voor de saldomethode.

Ten opzichte van zijn huidige situatie betekent dit een forse verslechtering. Mogelijke oplossingen zijn voor lopende contracten de vrijstelling te fixeren op het verzekerde bedrag in de polis, zoals ook het geval is in het huidige recht.

Een man, 54 jaar, sluit op 1-6-1990 een spaarhypotheek groot f 367 000,– met een looptijd van 16 jaar. Premie 4 x f 30 000,- en 12 x f 3 000,–. Hij wil met de polis ook beslist de hypotheek aflossen. In de nieuwe wetgeving moet de polis naar box 3 gezien de looptijd. Jaarlijks wordt 1,2% vermogensrendementheffing geheven over de (groeiende) waarde. De waarde van deze polis bedraagt in 2003 f 277 500,–, waarover f 3 329,– vermogensrendementheffing is verschuldigd. De som van de extra te betalen vermogensrendementheffing over de resterende duur van de polis bedraagt f 15 379,–. Op grond van het wetsvoorstel kán deze man niet eens gebruik maken van de omzettingsmogelijkheid naar een kapitaalverzekering eigen woning.

Een man, 53 jaar, sluit op 1-12-1991 een spaarhypotheek van f 400 000,–, duur 12 jaar, teneinde bij pensionering de hypotheek af te lossen. Premie 4 jaar f 35 000,– en 8 jaar f 7 000,– (5 : 1). Ook deze polis gaat naar box 3. In 2003 mag de man een bedrag van f 4 800,– afrekenen voor de vermogensrendementheffing. Zal hij trouwens de uitkering gebruiken voor aflossing van de hypotheek?

Een man, 34 jaar, sluit in 1991 een hypotheek van f 192 000,– met een duur van 30 jaar. Premie f 1 050,– per jaar. Door wijziging van de rente, stijgt de premie naar f 2 600,– per jaar, maar blijft nog binnen de bandbreedte. Bij het afsluiten van de verzekering is een oude begrafenisverzekering uit 1981 volledig ingebracht in de polis, waardoor de totale verzekeringsduur 40 jaar wordt. Ook het premieverleden vormt een probleem (beginpremie was f 146,– per jaar, maar viel toen binnen de toegestane bandbreedte van 20 : 1. Deze verzekering kan niet aangepast worden naar een kapitaalverzekering eigen woning en moet dus per 1-1-2003 naar box 3. Gezien de waarde van de polis in 2003 van f 40 100,– zal de totale vermogensrendementheffing over de resterende duur van 18 jaar ca f 23 300,– bedragen.

Een man, 24 jaar, sluit in 1970 een gemengde levensverzekering bij de hypotheek, jaarpremie f 2 000,–. Hij verhuist in 1978 en verhoogt de polis tot een jaarpremie van f 6 000,–. Hij lost en deel van de lening af in 1984 en verlaagt de polis tot een jaarpremie van f 4 000,–. Einddatum polis is 2006. Hiermee wordt bereikt dat de hypotheek van f 300 000,– op 60-jarige leeftijd kan worden afgelost. Het verzekerde kapitaal van f 165 000,– zal in 2006 inclusief winst op ca f 300 000,– uitkomen. Deze man heeft geen keus. Hij moet naar box 3 en zal gaan overwegen de uitkering niet te gebruiken voor aflossing van de hypotheek. De waarde van de polis bedraagt in 2003 f 236 000,–, zodat in totaal ca f 11 000,– vermogensrendementheffing verschuldigd is over de resterende looptijd.

De leden van de VVD-fractie vragen tevens een reactie op de volgende casus. Stel iemand heeft een begrafenisverzekering uit 1981 volledig ingebracht in een spaarhypotheek die in 1991 is afgesloten. Is in dat geval de datum van het afsluiten van zo'n begrafenisverzekering bepalend voor de 30-jaars periode? Zo ja, is het dan in de overgangsperiode mogelijk om die polissen weer te splitsen?

Met betrekking tot de kapitaalsverzekeringen met pensioenclausule merkt de VVD-fractie het volgende op. Staatssecretaris Vermeend heeft op 29 oktober 1999 de brief inzake de fiscale behandeling van kapitaalsverzekeringen met pensioenclausule, die hij tijdens de behandeling van de Wet fiscale behandeling van pensioenen (Witteveen) toezegde, aan de Eerste Kamer gezonden. De vraag was of kapitaalverzekeringen met pensioenclausule die zijn afgesloten ter dekking van een pensioenregeling op basis van salaris diensttijd, fiscaal moeten worden beschouwd als beschikbare premieregeling. Bij dergelijke pensioentoezeggingen wordt een beoogd ouderdomspensioen op basis van salaris en diensttijd vertaald in een verzekerd kapitaal, dat op grond van een aantal uitgangspunten voldoende is om het beoogde ouderdomspensioen aan te kopen op de pensioendatum. Het verzekerde kapitaal treedt in de plaats van het beoogde pensioen. Is het kapitaal en/of de rente lager, dan is ook het aan te kopen ouderdomspensioen lager dan beoogd.

De leden van de VVD-fractie stellen dat de kwalificatie «beschikbare premieregeling» of «salaris diensttijdregeling» fiscaal relevant is geworden door de invoering van artikel 18a Wet LB 1964. Indien sprake is van een beschikbare premieregeling, moet de premie worden betaald aan de hand van de in artikel 18a, derde lid opgenomen criteria (de zogenaamde 3–2-1–0-formule, ten minste 4% rekenrente en geen inflatie). Bij een salaris diensttijdregeling die wordt uitgevoerd via een kapitaalsverzekeringen met pensioenclausule, wordt echter wel uitgegaan van het feitelijke salaris en de verhogingen daarvan. Verhoging van salaris leidt tot verhoging van de verzekerde kapitalen. Er is bij dergelijke contracten dus sprake van backservice, hetgeen bij beschikbare premieregelingen per definitie niet het geval kan zijn. De staatssecretaris komt tot de conclusie dat dergelijke «hybride» contracten noch aan de voorwaarden voor een eindloon- of middelloonregeling, noch aan die voor een beschikbare premieregeling voldoen. Voor bestaande hybride contracten die niet aan de in de pensioenwetgeving opgenomen voorwaarden voldoen, zal in overleg met de betrokken partijen (pensioenuitvoerders en werkgevers/werknemers) worden bezien op welke wijze deze in de overgangsperiode van vijf jaar binnen het kader van de Wet fiscale behandeling van pensioenen kunnen worden gebracht. Concreet betekent dit dat dergelijke regelingen kunnen worden voorgelegd aan de Kennisgroep pensioenen van de Belastingdienst. In gezamenlijk overleg met betrokkenen kan de regeling dan binnen de kaders van de Wet fiscale behandeling pensioenen worden gebracht. Is het juist dat de regering tot de conclusie is gekomen dat kapitaalsverzekeringen met pensioenclausule, die zijn afgesloten ter uitvoering van een salaris diensttijd regeling, niet per definitie als beschikbare premieregelingen moeten worden beschouwd?

In het wetsvoorstel Invoeringswet Wet IB2001 is echter een wijziging van artikel 18a, negende lid voorgesteld die erin voorziet dat de 100% toets bij beschikbare premieregelingen alleen aan het begin en aan het eind zou moeten plaatsvinden en dus niet tussentijds. Voor alle andere pensioenvormen moet dus wel permanent tijdens de looptijd worden getoetst. Voor zuivere salaris-diensttijdregelingen is dit geen probleem. Als de aanspraak goed is geformuleerd, weet men van tevoren of, en zo ja, wanneer de 100% grens is bereikt. Bij een kapitaalsverzekeringen met pensioenclausule is dit echter niet zo. Door winstbijschrijving en/of stijging van de rente kan het verzekerde kapitaal zodanig toenemen dat een ouderdomspensioen van meer dan 100% kan worden aangekocht. Op basis van het huidige artikel 18a, negende lid behoeft ook voor kapitaalsverzekeringen met pensioenclausule op salaris-diensttijdbasis niet tussentijds te worden getoetst. Dit als gevolg van het amendement De Vries/Van Zijl bij de behandeling van Witteveen (26 020, nr. 20). De leden van de VVD-fractie vragen waarom de regering nu toch een wijziging van artikel 18a, negende lid voorstelt.

De leden van de CDA-fractie vragen waarom niet is voorzien in eerbiedigende werking voor spaar- en beleggingsproducten en levensverzekeringen na 2001. Deze leden vinden het argument dat anders geprofiteerd zou worden van de lagere tarieven zwak.

Ten aanzien van kapitaalverzekeringen vragen de leden van de GroenLinks-fractie waarom eigenlijk sprake moet zijn van een overgangstermijn van 2 jaar.

Tenslotte brengen de leden van de fractie van GroenLinks naar voren dat zij nog steeds veel aanbiedingen zien van financiële producten waarin op geen enkele wijze melding wordt gemaakt van de ophanden zijnde herziening van de fiscale wetgeving. Maakt de regering hier werk van?

Uit de memorie van toelichting begrijpen de leden van de GPV- en RPF-fractie dat er kapitaalverzekeringen bestaan die gedurende de overgangsperiode niet kunnen worden aangepast. Kan de regering meer verduidelijken aan welke kapitaalverzekeringen genoemde leden moeten denken of onder welke omstandigheden de aanpassing niet kan plaatsvinden?

De leden van de fracties van GPV en RPF lezen tevens in de memorie van toelichting dat een belastingplichtige eenmalig aanspraak kan maken op de maximale vrijstelling ter zake van een kapitaalverzekering, waarbij een uitzondering wordt gemaakt voor de kapitaalverzekeringen die nog onder de fiscale regels van voor de Brede Herwaardering vallen. Waarom wordt dit onderscheid gemaakt?

lijfrenten

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering ook nader kan motiveren wat de reden is dat de aftrek van zogenoemde lijfrentepremieskennelijk ook niet geldt voor kapitaalverzekering die reeds aan de eigen woning zijn gekoppeld. Kan de regering naar aanleiding van het bij Onderdeel AL tot en met AO (Artikel I Overgangsrecht Inkomstenbelasting) ingaan op de gang van zaken rondom de Brede Herwaardering voor het al of niet hanteren van eerbiedigende werking bij bestaande polissen?

Hoe beziet de regering de redenering dat polissen die destijds uitdrukkelijk geëerbiedigd werden, nu ook geëerbiedigd zouden moeten worden? Om hoeveel polissen zou het daarbij gaan? Wat zou het budgettaire belang zijn? In hoeverre beoordeelt de regering de relevantie van het moment van Brede Herwaardering voor het hier voorgestelde overgangsrecht anders voor lijfrenten dan voor kapitaalverzekeringen?

Kan de regering tevens aangeven waarom de kennelijke redenen om ten tijde van de Brede Herwaardering bestaande polissen te respecteren nu kennelijk onvoldoende zwaar wegen om bij deze belastingherziening bestaande polissen te respecteren?

Kan de regering, zo vragen deze leden, ingaan op de suggestie van Dr. J.Th.L. Brouwer (concept artikel FED, via PWC toegestuurd aan de vkc Fin per brief van 22 Oktober 1999; pagina 17) dat het mogelijk moet zijn om, als de regering ervoor kiest bestaande contracten niet te respecteren, op een budgettair neutrale wijze belastingplichtigen de mogelijkheid te bieden deze contracten na 2003 belastingvrij af te laten kopen?

Kan de regering in een aantal casusposities uitwerken hoe het overgangsrecht financieel uitwerkt voor polishouders? Kan de regering daarbij ook de kosten betrekken van het stopzetten van de verzekering?

Is de regering bereid nader te kijken naar lijfrentecontracten afgesloten voor de Brede Herwaardering 1? De leden van de VVD-fractie vragen ook een reactie op het volgende. Stel iemand wil van zijn huidige lijfrentecontract af. Welke mogelijkheden heeft hij dan? Stel dat hij zou willen afkopen, wat niet kan omdat afkoop bij wet verboden is. Zou het niet reëel zijn als er voor dit soort situaties een wettelijke mogelijkheid, bijvoorbeeld gedurende de overgangsperiode, wordt gecreëerd om af te kopen zonder dat dit een zware fiscale prijs heeft? Is het bijvoorbeeld mogelijk dat zo'n lijfrentecontract wordt gesplitst? Op die manier zou bereikt kunnen worden dat het kapitaal dat in de toekomst vrij komt en gerelateerd is aan de premies die ooit zijn afgetrokken, progressief wordt belast en het gedeelte van de uitkering dat gerelateerd kan worden aan de lijfrentepremies die niet meer aftrekbaar zij ook onbelast is. Naar het oordeel van de leden van de VVD-fractie bereik je hiermee onmiddellijke werking van de nieuwe wetgeving, geen terugwerkende kracht, en een situatie voor belastingplichtigen die niet nadelig hoeft te zijn.

Naar het oordeel van deze leden zou het zogenaamde «SER-voorstel» inzake de oudedagsvoorziening ook tegemoet komen aan de problematiek van de onmiddellijke versus eerbiedigende werking. Gaarne een reactie van de regering Met betrekking tot deze problematiek verwijzen de leden van de VVD-fractie naar de inbreng op de zogenaamde «rompwet».

De leden van de CDA-fractie kunnen zich niet vinden in het feit dat niet in eerbiedigende werking is voorzien voor wat betreft de premieaftrek van lijfrenteverzekeringen. Dit betekent dat aftrek van de na 1 januari 2001 betaalde premies alleen nog mogelijk is, indien de overeenkomsten worden aangepast aan de eisen van het nieuwe regime en er een pensioentekort wordt aangetoond. Dit wijkt volledig af van de regeling bij de wijziging in het kader van Brede Herwaardering I, waar was voorzien in volledige eerbiediging van bestaande langlopende verplichtingen. Een aanpassing van bestaande contracten met verzekeringsmaatschappijen (bijvoorbeeld gedwongen volledige of gedeeltelijke premievrijmaking) kan leiden tot aanzienlijke kortingen op de rendementen voor verzekerden en derhalve tot een aanzienlijke schadepost voor de betrokken belastingplichtigen. Lopende contracten met eigen lijfrentevennootschappen zullen moeten worden beëindigd en kunnen alleen nog voortgezet worden bij een professionele verzekeraar. De motivering die in de memorie van toelichting wordt gegeven om deze langlopende verplichtingen niet langer te eerbiedigen zijn naar de mening van de Orde onvoldoende overtuigend om de met het overgangsrecht van Brede Herwaardering I gewekte verwachtingen niet langer te honoreren. Van «dubbel» profiteren, zoals in de memorie van toelichting werd aangegeven, is nauwelijks sprake aangezien volgens de «inkomensplaatjes» voor de hier aan de orde zijnde inkomensgroepen een vooruitgang van 1 à 2% voorzien is. Daarnaast is voor wat betreft de afwikkeling van de overeenkomsten het nieuwe regime van toepassing, zodat de mogelijkheden voor ongewenst gebruik niet groter of kleiner zijn dan de contracten die onder het nieuwe regime zullen worden gesloten. Ook meerjarige contracten die tot na 1 januari 2001 doorlopen zullen worden getoetst aan de nieuwe regelgeving en voor premieaftrek vanaf 2001 aan de nieuwe eisen moeten voldoen. De leden van de CDA-fractie vinden het niet redelijk om in te grijpen in meerjaarcontracten?

Een belangrijke vraag is overigens hoe omgegaan moet worden met het splitsen van een lijfrentepolis in box I en box III. De verzekeraar kan niet bepalen of de premie daadwerkelijk in aftrek is gekomen. Hoe gaat dit werken in de praktijk? De verzekeraar kan toch niet aan zijn opgaveplicht voldoen als hij niet kan weten of de premie in aftrek is gekomen? Hoe verloopt de inhoudingsplicht?

Voor wat betreft de saldolijfrenten (lijfrenteverzekeringen zonder premieaftrek) is voorzien in een beperkt overgangsrecht. Ook hierover hebben de leden nogal wat vragen. Belastingplichtigen zouden er namelijk voor kunnen opteren om saldolijfrente met ingang van 1 januari 2001 onder de reikwijdte van de vermogensrendementsheffing te brengen. In dat geval dient uiteraard wel te worden afgerekend over de tot en met 31 december 2000 opgebouwde rentecomponent. Deze afrekening kan plaatsvinden tegen een tarief van 45%. Waarom is gekozen voor een tarief van 45%?

Hoewel de overgangsregeling van saldolijfrenten voorziet in eerbiedigende werking tot 31 december 2020, dient op grond van artikel R lid 1 van het overgangsrecht direct te worden afgerekend over het belastbare saldo indien de verzekeringnemer emigreert na 1 januari 2001. Een mogelijkheid tot uitstel van betaling is niet voorzien. Deze leden stellen voor om deze regeling te herzien.

De leden van de fractie van GroenLinks kunnen begrijpen dat de regering een beperkt overgangsrecht heeft opgenomen. Ten aanzien van lijfrentes brengen deze leden naar voren dat een iets ruimere fiscale facilitering al veel problemen kan voorkomen. Overweegt de regering zulks?

Voorst dient de vraag beantwoord te worden, zo brengen de leden van de GroenLinks-fractie naar voren, wat de betekenis is van het overgangsrecht dat ten tijde van de Brede Herwaardering I is aangenomen.

5. Budgettaire aspecten

De leden van de VVD-fractie vragen welke rol de mogelijke budgettaire effecten hebben gespeeld? Kan de regering aangeven wat de budgettaire effecten zijn indien alle lopende contracten, bijvoorbeeld afgesloten voor 14 september 1999 zouden worden geëerbiedigd? Kan de regering aangeven wat de budgettaire effecten zijn als bijvoorbeeld alle contracten worden geëerbiedigd zoals die ten tijde van de Brede herwaardering 1 geëerbiedigd zijn? Kan de regering aangeven om hoeveel nog lopende contracten van voor de Brede herwaardering 1 het gaat?

Met betrekking tot de lijfrentecontracten hebben de leden van de VVD-fractie de volgende vragen en opmerkingen. Ook als het gaat om al dan niet eerbiedigende werking van bestaande contracten, dan wel onmiddellijke werking van het wetsvoorstel geldt de vraag aan de regering hoe zij nu en in de toekomst met deze «thema's» omgaat. Kan de regering toelichten wat de budgettaire effecten zijn als alle tot 14 september 1999 afgesloten lijfrentecontracten worden geëerbiedigd.

De belastingherziening 2001 wordt gekoppeld aan een lastenverlichting en lijkt dan ook erg budgettair gedreven. Op vragen waarom er geen sprake is van een overgangsregime voor bestaande polissen wordt dan ook steevast het non-fiscale argument gebruikt dat daar geen ruimte voor is. Waarom wordt in de financiële onderbouwing van het plan geen rekening gehouden met het feit dat er dit jaar zo'n 1,5 miljard aan lijfrente- en pensioenkapitalen tot uitkering komen, vragen de leden van de CDA-fractie. Uit berekeningen blijkt dat dit bedrag in de komend jaren oploopt tot zo'n 4 miljard gulden op jaarbasis, belast via box I.

Het laat zich denken dat een aantal houders van kapitaalverzekeringen juist vanwege de gewijzigde fiscale positie tot eerdere beëindiging van de overeenkomst zullen overgaan. Deze krijgen dan nog de gevolgen onder de rubriek «niet reguliere afwikkeling» te verwerken. Dit alles vanwege de onjuistheid ten principale, om niet het regime te doen blijven gelden van het jaar waarin de polis is afgesloten. Het is voor de beoordeling interessant te weten wat de budgettaire kosten zijn, wanneer het fiscale regime wat gold ten tijde dat de polis van kapitaalverzekering ongewijzigd wordt voortgezet, dus ook ten aanzien van de rente na 2002. Deze leden vragen een gemotiveerde schatting, onder te verdelen in de twee categorieën polissen van voor de Brede Herwaardering en polissen afgesloten onder het regime van de Brede Herwaardering.

De leden van de D66-fractie weten wat het budgettair effect is als polissen die voor 14 september 1999 zijn afgesloten tot einde looptijd worden behandeld volgens het fiscale regime dat gold onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964, met andere woorden als toen verleende fiscale vrijstellingen worden geëerbiedigd.

De leden van de fractie van GroenLinks zijn benieuwd naar de budgettaire effecten van de verruimde toepassing van arbeidskorting en vragen tevens of de regering het budgettaire effect van het nieuwe regime voor kapitaalverzekeringen kan aangeven.

6. Uitvoeringsaspecten

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering commentaar zou kunnen leveren op de zienswijze van sommige commentatoren, dat het bij de huidige regeringsvoorstellen geenszins de bedoeling is dat de Belastingdienst elke individuele lijfrenteaftrek beziet op zijn verenigbaarheid met het al of niet hebben van een pensioentekort, maar dat deze toets steekproefsgewijs plaats zal vinden?

Ook bij de inbreng voor de Wet IB'01 hebben de leden van de PvdA-fractie al duidelijk gemaakt dat de vaststelling van de grondslag voor de forfaitaire vermogensrendementsheffing het nodige vraagt van de professionele vermogensbeheerders. Zo wordt bijvoorbeeld in de memorie van toelichting melding gemaakt van de nieuwe renseigneringsverplichtingen. Kan de regering toelichten welke veranderingen in de renseigneringsverplichtingen van banken en verzekeraars zij voor staat en in hoeverre daarover reeds overeenstemming met diezelfde banken en verzekeraars is bereikt?

Zal van de professionele vermogensbeheerders een automatische opgaaf van de samenstelling van het vermogen van cliënten gevraagd gaan worden? Tot in welke mate van detail?

Hoe loopt het overleg met de administratieplichtigen over deze zaken? Is hier al overeenstemming bereikt? Wat houdt de koppeling aan het sofi-nummer precies in? Betekent dit dat er sprake zal zijn van een automatische doorkoppeling van vermogensdata, zoals ze bij vermogensbeheerders aanwezig zijn, naar de Belastingdienst?

Wat zijn de gevolgen van de wijziging van artikel 52 AWR voor de administratieve lastendruk van personen die belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden genieten, vragen de leden van de VVD-fractie.

Wat zijn de gevolgen voor de administratieve lastendruk van deze wetswijziging voor particulieren die vermogensbestanddelen ter beschikking stellen (bijvoorbeeld een pand verhuren) aan een huisgenoot die een onderneming heeft of overige werkzaamheden verricht? Bestaat deze administratieve last in dezelfde mate voor andere particulieren? Deelt de regering de mening van de leden van de VVD-fractie dat het van belang is de administratieve lastendruk in dit kader voor alle belastingplichtigen zoveel mogelijk te beperken?

Is het zinvol in de aangiftebiljetten een vraag op te nemen naar de opgave van het volledige bedrag van het betrokken inkomens- of vermogensbestanddeel, zodat de inspecteur bij het regelen van de aanslag van de andere partner gemakkelijk kan controleren of beide partners tezamen 100% hebben aangeven?

De leden van de CDA-fractie constateren dat de administratieve verplichtigingen, zoals gezegd, ook nu weer toenemen, hetgeen een kostenverhoging betekent. Buitenlandse bedrijven die zich in West-Europa willen vestigen zullen dit punt ook onder ogen zien. Het is daarom van belang te weten hoe omvangrijk de fiscale administratieve lasten zijn, in vergelijking met de ons omringende landen als België, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk? Kan de regering een dergelijk overzicht verschaffen?

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de wens, dat «massale renseignementen eigener beweging» verstrekt gaan worden door administratieplichtigen. Deze leden begrijpen dat een goede, eenduidige administratie van degenen op wie de verlangde renseignementen betrekking hebben noodzakelijk is en dat gebruik van het SoFi-nummer daartoe de beste garanties biedt. Met het oog op de omvang en ingrijpendheid van deze administratieactiviteiten verzoeken zij de regering aan te geven hoe gegarandeerd kan worden dat onterecht gebruik en misbruik van de bestanden in kwestie worden uitgesloten.

Voorts willen deze leden van de regering graag enkele voorbeelden van landen die een systeem van «massale renseignementen eigener beweging» kennen en vernemen zij graag welke landen binnen de EU een soortgelijk systeem hebben. De leden van de fractie van D66 verzoeken de regering inzicht te verschaffen in de uitvoeringslast van de belastingdienst van voorgestelde overgangsregeling.

II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

HOOFDSTUK 1. AANPASSINGEN

AFDELING A. MINISTERIE VAN FINANCIËN

Artikel II Successiewet 1956

Artikel 5 Successiewet1956

De leden van de VVD-fractie constateren dat in het voorgesteld artikel 5 Successiewet een verscherping is aangebracht met betrekking tot de definitie «binnenlandse schulden». Binnenlandse schulden kunnen alleen nog in mindering komen van de binnenlandse bezittingen voor zover de schulden zijn aangegaan ter financiering, verwerving, verbetering of het onderhoud van de onroerende zaak. In de memorie van toelichting staat dat deze wijziging geen inhoudelijk wijziging tot gevolg heeft. Is dit juist, zo vragen de leden van de VVD-fractie. De leden van de VVD-fractie vragen of het klopt dat een schuld ter zake van een herfinanciering niet meer als binnenlandse schuld kwalificeert.

C m.b.t. artikel 20 Successiewet

De leden van de VVD-fractie vragen of het terecht is dat voor meegesleepte onroerende zaken slechts IB-latentie van 7,5% in aanmerking mag worden genomen. Is het voor een verkrijger van vermogensbestanddelen mogelijk om de inkomstenbelasting uit te stellen, zo vragen deze leden. Het is bijvoorbeeld heel goed mogelijk dat de te vererven vermogensbestanddelen (onroerende zaken) binnen zeer korte termijn verkocht dienen te worden. De IB-latentie is in dat geval aanmerkelijk hoger dan 7,5%. De leden van de VVD-fractie vragen wat de regering ervan vindt om, wanneer de IB-latenties niet voor de nominale waarde in aanmerking mogen worden genomen, in ieder geval de IB-latenties over de meegesleepte vermogensbestanddelen voor de nominale waarde in aanmerking moeten worden genomen. Wat zijn hiervan de gevolgen?

Onderdeel B (art. 5 Sw)

De leden van de CDA-fractie constateren dat bovenstaand artikel wordt voorgesteld om het huidige artikel 5 Successiewet 1956 te wijzigen. Dit is ook noodzakelijk aangezien de verwijzing naar de Wet op de vermogensbelasting 1964 niet meer mogelijk is. In het voorgestelde artikel 5 Successiewet is een verscherping aangebracht met betrekking tot de definitie «binnenlandse schulden». Binnenlandse schulden kunnen alleen nog in mindering komen van de binnenlandse bezittingen voor zover de schulden zijn aangegaan ter financiering, verwerving, verbetering of het onderhoud van de onroerende zaak. In de memorie van toelichting wordt gesteld dat deze wijziging geen inhoudelijk wijziging tot gevolg heeft. De leden van de CDA-fractie vragen of dit juist is. Naar het oordeel van deze leden kwalificeert een schuld ter zake van een herfinanciering niet meer als binnenlandse schuld. De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat dit een ongewenste uitbreiding is en concluderen derhalve dat de toevoeging «... voor zover deze schulden zijn aangegaan ter financiering van de verwerving, de verbetering of het onderhoud van de onroerende zaak» dient te vervallen.

Tevens vragen de leden van de CDA-fractie aandacht voor de reeds eerder gevoerde discussie of het recht van overgang niet in strijd is met de Europese regelgeving en niet in strijd is met het recht op vrije vestiging en de vrijheid van kapitaalverkeer. Ook een eventuele ongelijke behandeling tussen de verkrijging van een binnenlandse onderneming (wel recht van overgang) en de verkrijging van aandelen in een personenvennootschap (geen recht van overgang) wordt niet besproken. De leden van de CDA-fractie adviseren om aan bovengenoemde argumenten aandacht te besteden en de mogelijkheden voor afschaffing van het recht van overgang nader te bezien.

Onderdeel C (art. 20 Sw)

De leden van de CDA-fractie constateren dat in dit artikel wordt voorgesteld om het huidige artikel 20, vijfde, zesde en zevende lid te vervangen. Dit is ook noodzakelijk in verband met de wijziging van het nieuwe begrippenkader in de Wet inkomstenbelasting. In de memorie van toelichting wordt gesteld dat de systematiek van de aftrek van bepaalde latente inkomstenbelastingschulden niet ter discussie staat en de aanpassingen primair een technisch karakter hebben. De leden van de CDA-fractie vragen waarom bij de wijziging geen aandacht is besteed aan een reeds langer bestaande discussie over de vraag of het wel terecht is dat de IB-latentie (als aftrek van de verkrijging) slechts gesteld wordt op een percentuele forfaitaire contante waarde van de claim (zie ook WFR 1998/1143). Naar het oordeel van deze leden zijn overtuigende argumenten aanwezig om de belastinglatenties voor de nominale waarde in aanmerking te nemen. De belastinglatentie op aanmerkelijk-belangvoordelen bedraagt in het wetsvoorstel 7,5%. De verhoging van 2,5% hangt samen met de verhoging van het aanmerkelijk-belangtarief van 25% naar 30%. Als gevolg van de meesleepregeling (artikel 4.3.4 Wet IB 2001) worden ook boekwinsten op vermogensbestanddelen die ter beschikking zijn gesteld aan de BV door de aanmerkelijk-belanghouder belast met 30% aanmerkelijk-belangheffing. De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat voor meegesleepte onroerende zaken het in ieder geval niet terecht is dat slechts een 7,5% IB-latentie in aanmerking mag worden genomen. Naar het oordeel van deze leden is het voor een verkrijger van vermogensbestanddelen niet mogelijk om de inkomstenbelasting uit te stellen. Het is bijvoorbeeld heel goed mogelijk dat de te vererven vermogensbestanddelen (onroerende zaken) binnen zeer korte termijn verkocht dienen te worden. De IB-latentie is in dat geval aanmerkelijk hoger dan 7,5%. De leden van de CDA-fractie concluderen derhalve dat wanneer de IB-latenties niet voor de nominale waarde in aanmerking mogen worden genomen, in ieder geval de IB-latenties over de meegesleepte vermogensbestanddelen voor de nominale waarde in aanmerking moeten worden genomen.

De leden van de CDA-fractie constateren dat volgens het huidige artikel 33,eerste lid, onderdeel 9 Successiewet 1956 er een objectieve vrijstelling is voor het schenkingsrecht voor iemand te wiens laste over die verkrijging IB of een voorheffing van die belasting wordt geheven. Dit artikel ondergaat in de voorgestelde Invoeringswet geen wijziging. Het voordeel uit sparen en beleggen wordt berekend over het gemiddelde van de rendementgrondslag (waar bezittingen –/– schulden) aan het begin van het kalenderjaar en de rendementsgrondslag aan het einde van het kalenderjaar. Door schenking van vermogensbestanddelen zal bij de begiftigde de rendementgrondslag aan het einde van het jaar toenemen. De leden van de CDA-fractie willen weten of de hierover verschuldigde IB door de begiftigde tot een vrijstelling in het schenkingsrecht leidt. Zo nee, waarom niet, zo vragen deze leden.

De leden van de fractie van D66 zien met veel belangstelling uit naar het rapport van de commissie Moltmaker over de modernisering van de Successiewet. Zij wijzen op de noodzaak van aanpassing van deze wetgeving aan de huidige diversiteit van relatiepatronen in de samenleving.

De leden van de fractie van D66 verzoeken de regering te reageren op dereactie van de NOB van 18 oktober waar wordt ingegaan op artikel 33, eerste lid, onderdeel 9 Successiewet 1956 dat in onderhavige invoeringswet niet wordt gewijzigd.

De leden van de fractie van D66 lezen in de memorie van toelichting dat met de herformulering van binnenlandse schulden in artikel 5, vierde lid Successiewet geen inhoudelijke wijziging is beoogd. De NOB vraagt zich in de reactie van 18 oktober af of dit juist is. Hoe staat de regering hier tegenover, zo vragen genoemde genoemde leden.

De leden van de D66-fractie verzoeken de regering om een reactie op het commentaar van de NOB dat refereert aan de discussie over de systematiek van de aftrek van latente IB-schulden.

Artikel III. Wet op de herkapitalisatie 1957

De leden van de fractie van GroenLinks vragen naar de redenen van het intrekken van de wet op de herkapitalisatie 1957.

Artikel IV. Algemene wet inzake rijksbelastingen

De leden van de VVD-fractie vragen wat wordt bedoeld in artikel 16, lid 2 met gevallen waarin artikel 2.4.4., vierde lid, aanhef, onder 11 van de Wet IB 2001 ten onrechte niet is toegepast. Vallen hier ook de gevallen onder waarin een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel in het geheel niet is aangegeven, zo vragen deze leden. De leden van de VVD-fractie vragen of dit ook geldt voor de gevallen waarin partners enkele bestanddelen van de rendementsgrondslag niet of tot een te laag bedrag aangeven, maar waarin zij de posten en bedragen die ze wel aangeven zodanig toerekenen dat bij hen tezamen 100% daarvan wordt vermeld.

De leden van de VVD-fractie vragen of de mogelijkheid tot navordering bestaat zonder nieuw feit ook ten aanzien van de partner wiens aanslag het laatst is geregeld, wanneer de inspecteur pas nadien merkt dat een inkomensbestanddeel niet of niet tot het juiste bedrag is aangegeven. Klopt het dat in die situatie de in de memorie van toelichting genoemde ratio van toepassing is dat de inspecteur de vrijheid moet hebben de aanslagen van partners onafhankelijk van elkaar op te leggen, zo vragen deze leden.

De leden van de VVD-fractie vragen hoe artikel 52a zich verhoudt tot de Wet Persoonsregistraties en welke garanties er bestaan voor de beveiliging van dit soort persoonsbestanden bij administratieplichtigen. De leden van de VVD-fractie willen graag meer inzicht in de reikwijdte van de administratieve verplichtingen die de fiscus het bedrijfsleven op grond van het voorgestelde artikel 53, lid 2 AWR kan opleggen. Waarom is er geen soortgelijke bepaling toegevoegd aan art. 47b AWR naar aanleiding van art. 30, lid 2, zo vragen deze leden.

De leden van de VVD-fractie vragen of bij de voorgestelde verlaging van de faciliteiten voor werknemerssparen het handhaven van de eindheffing van 10% over het door de werknemers gespaarde bedrag (artikel 31, tweede lid, letter f, junco derde lid, letter c van de Wet op de loonbelasting 1964) noodzakelijk is. De leden van de VVD-fractie vinden dat vanuit vereenvoudigingsoogpunt het de voorkeur verdient dat deze heffing komt te vervallen.

De leden van de CDA-fractie constateren dat het voorstel genoemd in onderdeel K inhoudt dat de administratie- en bewaarplicht van artikel 52 AWR ook zal gelden voor personen die belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden genieten. Hierdoor wordt van personen met inkomsten uit nevenwerkzaamheden op straffe van omkering van de bewijslast en strafrechtelijke vervolging verlangd dat zij, net als ondernemers, een complete administratie bijhouden en gedurende zeven jaar bewaren. De leden van de CDA-fractie zijn van oordeel dat hiermee op deze belastingplichtigen wel een zeer zware administratieve last wordt gelegd, die niet geldt voor andere particulieren. Hetzelfde geldt ten aanzien van particulieren die vermogensbestanddelen ter beschikking stellen (bijv. een pand verhuren) aan een huisgenoot die een onderneming of overige werkzaamheden verricht. Ook voor hen introduceert het wetsvoorstel een administratie- en bewaarplicht. De leden van de CDA-fractie vragen waarom er geen administratieplicht bestaat wanneer een particulier vermogensbestanddelen rendabel maakt door ze ter beschikking te stellen aan een eigen BV, een BV van diens partner, of een onafhankelijke derde.

De leden van de CDA-fractie vragen of er wel voldoende duidelijkheid bestaat over de omvang van de administratieplicht voor personen met inkomsten uit overige werkzaamheden. In het voorgestelde artikel 52, lid 1 AWR staat dat de omvang van de administratieplicht wordt bepaald door «de eisen van ... die werkzaamheid.» De leden van de CDA-fractie verzoeken de regering toe te lichten wat die eisen bij particulieren met inkomsten uit overige werkzaamheden inhouden. In de memorie van toelichting bij artikel 3.4.1.1 wordt gesuggereerd dat de nieuwe regeling geen grote verzwaring van administratieve lasten zou betekenen, en dat volstaan zou kunnen worden met een administratie op kasbasis bij personen waarvan de werkzaamheden een beperkte omvang hebben en de omvang van de vorderingen en schulden van jaar tot jaar niet veel verschilt. De leden van de CDA-fractie betwijfelen of de administratieplicht inderdaad zo beperkt kan blijven, nu het resultaat op grond van artikel 3.4.2.2 in samenhang met artikel 3.2.2.14 moet worden bepaald volgens goed koopmansgebruik. Een administratie op kasbasis voldoet in de regel niet aan de eisen van goed koopmansgebruik. De leden van de CDA-fractie willen weten hoe de regering hier tegenover staat.

De leden van de CDA-fractie constateren dat op grond van de genoemde voorstellen een administratieplichtige gehouden zal zijn uit eigen beweging gegevens en inlichtingen waarvan de kennisneming voor de heffing van belasting van belang kan zijn aan de inspecteur te verstrekken. Daarbij geldt dat bij of krachtens de belastingwet regels voor het verstrekken van deze gegevens en inlichtingen gesteld kunnen worden. De administratiesplichtige zal van de personen op wie de gegevens en inlichtingen betrekking hebben opgave verlangen van het sociaal-fiscaalnummer en dit nummer in de administratie moeten opnemen. Tevens zal de identiteit van deze personen vastgesteld moeten worden aan de hand van een afschrift van een identiteitsbewijs, waarvan een afschrift in de administratie moet worden opgenomen. De leden van de CDA-fractie hebben moeite met deze aanpassing. In de eerste plaats zijn zij van mening dat de voorgestelde wijzigingen kunnen leiden tot een aanzienlijke lastenverzwaring voor administratieplichtigen. Gelet op de ruime redactie van de verplichting tot het verstrekken van gegevens en inlichtingen en de voorgestelde delegatiebepaling voor het geven van nadere regels over de verstrekking van deze gegevens en inlichtingen, achten genoemde leden het gewenst dat de exacte aard van de uit eigen beweging te verstrekken gegevens en inlichtingen wordt toegelicht. Daarbij suggereren de leden van de CDA-fractie concreet aan te sluiten bij de in de memorie van toelichting opgenomen motiveringen van de voorgenomen wijzigingen: de vermogensrendementsheffing en de mogelijkheid gerichter aangiftebiljetten toe te kunnen sturen.

Daarbij vragen de leden van de CDA-fractie hoe dit artikel zich verhoudt tot de wet persoonsregistratie, en welke garanties er bestaan voor de beveiliging van dit soort persoonsbestanden bij administratieplichtigen.

(art. 53 AWR). De leden van de CDA-fractie hebben twee bezwaren tegen artikel 53 AWR.

In de eerste plaats achten de leden van de CDA-fractie de toelichting op de wijziging wel heel summier. Aan de administratieplichtigen worden in artikel 53 nieuwe verplichtingen opgelegd. Worden hierdoor de administratieve lasten niet verhoogd, zo vragen genoemde leden. De leden van de CDA-fractie willen weten wat de noodzaak hiertoe is. Hoe kan de administratieplichtige controleren dat aan hem het juiste sofi-nummer is verstrekt, zo vragen deze leden. In dit verband rijst de vraag of het niet gewenst is, ten einde fraude te voorkomen, dat op allerlei identiteitsbewijzen ook het sociaal – fiscaalnummer wordt opgenomen. Hoe staat de regering hier tegenover, zo vragen deze leden. In de tweede plaats willen de leden van de CDA-fractie het volgende opmerken. In het voorgestelde artikel 10.2.1 Wet IB is de verplichting om uit eigen beweging nader aan te duiden gegevens aan de fiscus te verstrekken enigszins geconcretiseerd ten aanzien van de inkomstenbelasting. Deze ruime delegatiebepalingen moeten echter nog in veel opzichten worden uitgewerkt, en bieden de regering daardoor mogelijkheden om aan het bedrijfsleven zeer vergaande – nieuwe – administratieve verplichtingen op te leggen. De leden van de CDA-fractie zijn van oordeel dat over de reikwijdte van deze verplichtingen bij de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel meer duidelijkheid moet ontstaan, waarbij ook rekening zou moeten worden gehouden met de kosten en het tijdsbeslag voor het bedrijfsleven. Deze leden wijzen als voorbeeld op de memorie van toelichting bij het voorgestelde artikel 10.2.1. Daarin kondigt de regering aan dat de spontane informatieplicht betrekking zal hebben op rente en dividend. De leden van de CDA-fractie vragen of het belang van de fiscus bij deze informatie opweegt tegen de kosten die de administratieplichtigen daarvoor moeten maken. Immers, als gevolg van het nieuwe stelsel van heffing over een forfaitair rendement zijn de daadwerkelijk ontvangen rente en dividenden veelal niet relevant voor de heffing van inkomstenbelasting. Hoe staat de regering hier tegenover, zo vragen deze leden.

Het moet de leden van de D66-fractie van het hart dat de benodigde regelgeving op dit punt illustreert wat het nadeel is als het belastingstelsel niet echt is geïndividualiseerd. De D66-fractie verneemt graag waarom ervoor is gekozen de inkomstenbelasting niet langer als «directe belasting» aan te duiden.

Artikel V. Wet op de loonbelasting 1964

De leden van de PvdA fractie verwijzen voor wat betreft artikel V in het bijzonder onderdeel B artikel 2 lid 3 en 4 graag naar het commentaar van de NOB en vernemen gaarne de reactie van de regering.

Voor reizen voor opleiding of studie mag een vergoeding van 60ct/km gegeven worden. Over openbaar vervoer wordt niets gezegd. De leden van de Pvda-fractie vragen of de werkelijke kosten van openbaar vervoer onbelast mogen worden vergoed. Is hier sprake van asymmetrie met IB 2001, zo vragen deze leden.

De leden van de PvdA-fractie begrijpen dat de verhuiskostenvergoeding in de vergoedingensfeer blijft bestaan terwijl in de aftreksfeer de verhuiskostenregeling is vervallen. Kan de regering toelichten in hoeverre zij deze asymmetrie in juridisch opzicht houdbaar acht, zo vragen deze leden. De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering deze regeling in overeen- stemming acht met het beleid gericht op bevordering van arbeidsmobiliteit.

Voor wat betreft de voorgestelde delegatiebepalingen onder artikel 15c verwijzen de leden van de PvdA-fractie naar het commentaar van de NOB en vragen de regering om een toelichting.

De leden van de VVD-fractie constateren dat artikel 2, lid 3 van de Wet op de loonbelasting waarin de inhoudingsplicht voor loonbelasting wordt uitgebreid tot alle werknemers die in het buitenland werken in dienst van een in Nederland gevestigde inhoudingsplichtige (ook als deze nooit in Nederland gewoond of gewerkt heeft) een uitbreiding vormt van de belastingjurisdictie. De leden van de VVD-fractie vrezen dat dit voorstel leidt tot een sterke uitbreiding van de administratieve lasten van het internationaal werkzame bedrijfsleven. Hoe staat de regering hier tegenover, zo vragen deze leden. Moet het keuzerecht voor (bepaalde) buitenlandse belastingplichtigen om als binnenlandse belastingplichtigen te worden aangemerkt voor toepassing box 1 ook niet in de Wet op de loonbelasting moet worden opgenomen, zo vragen deze leden.

De leden van de VVD-fractie constateren dat artikel 15, lid 2 een delegatiebepaling bevat met betrekking tot aanwijzing van vrije vergoedingen voor bepaalde groepen werknemers die van buiten Nederland in dienstbetrekking worden genomen door een Nederlandse werkgever (expatriates). Door de voorgestelde formulering van dit artikel is het onduidelijk of de fictieve buitenlandse belastingplicht zoals deze op het ogenblik in de 35%-regeling is opgenomen kan blijven bestaan. Blijft op werknemers die vóór 31 december 2001 tijdelijk in Nederland worden tewerkgesteld en die de 35%-regeling krijgen toegekend, voor de geldigheidsduur van deze beschikkingen onverkort de oude resolutie van toepassing, dus ook op salarisbetalingen gedaan na 1 januari 2001, zo vragen deze leden. De leden van de VVD-fractie willen weten wat de verhouding is tussen artikel 15a, letter h, ten 21 en artikel 15b, lid 1, letter f.

De leden van de VVD-fractie vragen hoe de regering staat tegenover de onderstaande redenering van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs. «De delegatiebepalingen met betrekking tot aanwijzing van vrije vergoedingen zijn zodanig ruim en talrijk, dat er in feite een blanco volmacht wordt gegeven aan de Staatssecretaris om naar eigen inzicht te bepalen of gemaakte kosten door de werkgever belastingvrij kunnen worden vergoed. De Orde is van mening dat een dergelijke ruime delegatiebepaling de rechtsonzekerheid in de hand zou kunnen werken. Naar de mening van de Orde zou de delegatiebepaling derhalve restrictiever dienen te worden geformuleerd. De vrijheid van de Staatssecretaris zou zich naar de mening van de Orde dienen te beperken tot het geven van uitbreiding aan hetgeen dat naar maatschappelijke opvattingen als een vrije vergoeding kan worden aangemerkt. De toets of een vergoeding naar maatschappelijke opvattingen niet als een vrije vergoeding kan worden aangemerkt, is naar de mening van de Orde voorbehouden aan de (belasting)rechter».

De leden van de VVD-fractie achten het wenselijk dat de regering de algemene maatregel van bestuur gebaseerd op het voorgestelde artikel 15, lid 3 die de Staatssecretaris de bevoegdheid geeft een vrije vergoeding toe te kennen aan deze groep werknemers, openbaar te maken tijdens de behandeling van het onderhavige wetsvoorstel.

Is het juist dat werknemers met een ISDN-abonnement, die één of meerdere van deze telefoonnummers uitsluitend of nagenoeg uitsluitend zakelijk gebruiken, op basis van artikel 15b, eerste lid, letter g niet in aanmerking komen voor een vrije vergoeding voor (het zakelijke deel) van het abonnement, zo vragen genoemde leden.

Volgens artikel 16a, lid 1, sub b moet de werkgever de OV-vervoerbewijzen voor controle beschikbaar houden, anders is de vergoeding niet vrij. Niet duidelijk is wat er gebeurd als de werkgever de vervoerbewijzen weggooit nadat de vergoeding – op dat moment terecht – zonder inhouding van loonbelasting is uitbetaald. De leden van de VVD-fractie vragen of de inspecteur de vergoeding alsnog bij de werknemer in de inkomstenbelasting kan belasten.

De in het eerste lid van artikel 16c bedoelde kosten worden geacht niet meer te bedragen dan 11 054 gulden. De leden van de VVD-fractie vragen of het dan gaat om de werkelijke kosten of om het excedent boven de drempelbedragen die op basis van het eerste lid gesteld zullen worden.

Een symmetrie tussen vergoedingen en verstrekkingen in artikel 16 en 17 draagt bij aan een vereenvoudiging van de wetgeving. De leden van de VVD-fractie vragen of de symmetrie echter wel volledig is doorgetrokken. Hierbij wordt gewezen op de redactie van artikel 13 LB (en artikel 3.10.1 Wet IB'01). Deze bepaling houdt in dat niet in geld genoten loon (lees: verstrekkingen), voor zover de verwerving van het loon het gebruik of verbruik van het loon daarvan meebrengt, de waarde wordt gesteld op ten hoogste de waarde van de besparing. Nu deze bepaling niet van toepassing lijkt te zijn op vergoedingen, lijkt hiermee wederom een asymmetrische behandeling van vergoedingen en verstrekkingen te ontstaan. Hoe staat de regering hier tegenover, zo vragen genoemde leden. De leden van de VVD-fractie vragen of deze asymmetrie kan worden weggenomen, bijvoorbeeld door de waarderingsnormen voor verstrekkingen en vergoedingen gelijk te trekken en op een duidelijke wijze in de wet vast te leggen.

Naar aanleiding van artikel 19a, lid 1, letter f, 1 vragen de leden van de VVD-fractie wat de rechtsgrond is voor het verschaffen van inlichtingen. Wat zijn de gevolgen als het lichaam geen informatie verschaft, zo vragen deze leden.

Naar aanleiding van artikel 1 LB merken de leden van de CDA-fractie op dat er landen zijn (bijv. de VS) die de belastingplicht koppelen aan de nationaliteit en niet aan de woonplaats of de plaats waar wordt gewerkt. Is het niet redelijk om vast te leggen dat Nederland slechts afziet van belastinginhouding wanneer betrokkene doordat hij elders woont of werkt aan de belastingheffing is onderworpen, zo vragen deze leden. De leden van de VVD-fractie constateren dat artikel 1 van de Wet LB ook inhoudingsplichtingen zal gaan vermelden. Verdient een soortgelijke aanpassing in artikel 1 van de Wet op de dividendbelasting en artikel 1 van de Wet op de Kansspelbelasting geen overweging, zo vragen deze leden . Zo nee, waarom niet, zo vragen deze leden.

Met betrekking tot artikel 11 LB hebben de leden van de CDA-fractie verschillende opmerkingen en vragen. Is het niet uit hoofde van een goede systematische opbouw gewenst dat de toets aan «algemene maatschappelijke opvattingen» ook hier ter afbakening van het loonbegrip wordt ingevoerd? Graag een reactie.

De leden van de CDA-fractie vinden het criterium van artikel 11, lid 2, sub a/b en artikel 15, lid 1 sub b dat vergoedingen en verstrekkingen naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als een beloningsvoordeel worden ervaren is vaag. Deze leden zijn van mening dat dit tot veel geschillen aanleiding kan geven in gevallen waarin de norm niet in (lagere) wetgeving is uitgewerkt.

De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat de steeds voortgaande wijzigingen in de regelingen het spaarloon regime aanzienlijk minder populair maakt. Is het daarom niet gewenst dat de regering ter beperking van de administratieve belastingdruk tezamen met het georganiseerde bedrijfsleven modellen verstrekt van de nodige reglementswijzigingen, zo vragen deze leden. De leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe zij het vertrouwen op dit voor veel werknemers en werkgevers belangrijke terrein willen terugwinnen.

Betreffende artikel 11, 1e lid, onderdeel j, van de Wet LB, wijzigingen in het regime voor bedrijfsspaarregelingen.

De leden van de CDA-fractie constateren dat de regering voorstelt onder meer de mogelijkheid af te schaffen binnen de blokkeringsperiode de gespaarde gelden te deblokkeren voor het betalen van lijfrente- en pensioenpremies en voor het betalen van een premie voor een kapitaalverzekering voor zover die niet op de eigen woning betrekking heeft. Deze leden betreuren het voornemen om opnieuw een beperking aan te brengen in de bedrijfsspaarregelingen. Zij vinden dat dit voornemen op gespannen voet staat met de opvatting van de regering dat de bedrijfsspaarregelingen ook gebruikt moeten kunnen worden voor het sparen voor perioden van onbetaald verlof, eigen scholingsmogelijkheden en het starten van een eigen onderneming. Het is onlogisch om enerzijds de mogelijkheden voor tussentijdse onbelaste deblokkeringen te verruimen en anderzijds de ruimte om onbelast te sparen drastisch te beperken.

Met betrekking tot de premiespaarregeling gaan de leden van de CDA-fractie ervan uit dat in het geval dat per 1 januari 2001 een nieuw regime voor bedrijfsspaarregelingen wordt ingevoerd, spaarpremies die een werkgever onder het nieuwe regime toekent op in het jaar 2000 gespaarde bedragen, onder het in het jaar 2000 geldende regime voor bedrijfsspaarregelingen vallen. Hoe staat de regering hier tegenover, zo vragen deze leden.

Onderdeel F

De leden van de CDA-fractie vragen of bij het begrip «loon» niet dient te worden aangegeven dat het om loon gaat wat «naar algemeen maatschappelijke opvattingen» als beloning wordt aangemerkt. Dit punt kan een rol spelen bij buitenissige relatiegeschenken en verstrekkingen. Het verduisteren van aan de werkgever behorende goederen wordt in het algemeen overigens ook niet als «beloning» gezien. De leden van de CDA-fractie vragen of de consequentie is dat dan ter zake ook geen loonbelasting is verschuldigd.

Onderdeel G (art. 14 LB)

Door dit voorstel kan een werknemer de kosten die hij maakt bij het verrichten van zijn werkzaamheden niet langer in mindering brengen op zijn belastbare loon, slechts de vaste aftrekbedragen genoemd in het voorgestelde artikel 14 kunnen nog in mindering worden gebracht. Hoewel de mogelijkheid voor de werkgever bestaat om dergelijke kosten belastingvrij te vergoeden, vragen de leden van de CDA-fractie of in alle gevallen een afwenteling van de door de werknemer gemaakte kosten mogelijk is. Deze leden vragen daarbij vooral de aandacht voor de verhuiskosten die een werknemer maakt bij de aanvaarding van een nieuwe dienstbetrekking.

Onderdeel I

De leden van de CDA-fractie zijn bang dat door de lengte van dit artikel, dat voor brede bevolkingsgroepen van belang is, het artikel ontoegankelijk is voor burgers. Kan het niet opgesplitst worden, zo vragen deze leden.

Nu de kostenaftrek is afgeschaft wordt de belastingvrije vergoeding van kosten van meer gewicht. In de ogen van de leden van de CDA-fractie zal dit een bron van geschillen opleveren. Het gaat daarbij om twee soorten kosten, namelijk kosten die worden gemaakt in de zogenoemde kassiersfunctie en kosten die niet in deze functie worden gemaakt. In de memorie van toelichting wordt als voorbeeld genoemd de medewerker in Alkmaar die de opdracht krijgt een relatiegeschenk te kopen. Dan vervult de medewerker een soort kassiersfunctie, hij schiet zijn werkgever de kosten voor. Een ander veel voorkomend voorbeeld is de vraag van de werkgever om te gaan eten in een restaurant met een bepaalde relatie die op bezoek is. De volgende stap is dat de werkgever de declaratie honoreert van de werknemer die op eigen initiatief met een relatie gaat lunchen. Ook dan gaat er een afrekening richting werkgever. De zaak wordt anders indien de werkgever de werknemer een bedrag toekent om «aan zakenrelaties of aan vakliteratuur te besteden». Daarbij is het vreemde dat wanneer een individuele werknemer zich b.v. geen vaklitteratuur aanschaft hij de vergoeding belastingvrij kan genieten. Hoe staat de regering hier tegenover, zo vragen genoemde leden.

De leden van de CDA-fractie vragen zich in dit kader af of het niet beter is om het Engelse criterium over te nemen «alleen die koste zijn aftrekbaar/kunnen vergoed worden welke gemaakt moeten worden door een ieder die een dergelijk beroep/functie uitoefent». Daarbij gaat het dus om kosten die niet in de kassiers-functie gemaakt zijn. In geval van het relatiegeschenk bijvoorbeeld wordt het geschenk ( BTW) middels de medewerker door het bedrijf verworven. De situatie wordt anders indien de medewerker zelf de tijdelijke eigenaar wordt. Deze betaalt het uit een algemene kostenvergoeding.

De integriteit van het openbaar bestuur speelt hierbij ook een belangrijke rol. De onbelastbaarheid van algemene onkostenvergoedingen leiden nu al vaak tot ergernis, getuige de publiciteit rondom de onbelaste toelagen ontvangende (en soms toch declarerende) Commissarissen van de Koningin en burgemeesters. Deze ergernis zal groter worden wanneer in de inkomstenbelasting -sfeer geen kosten meer afgetrokken kunnen worden. De leden van de CDA-fractie vragen de regering of zijn het niet verstandig vindt dat er voor de overheid in het licht van de recent opgedoken discussies en onderzoeken en mede gelet op het integriteitbeleid meer gedetailleerde richtlijnen worden gepubliceerd waarin de rechter bij zijn oordeelsvorming steun zou kunnen vinden.

Het komt de leden van de CDA-fractie dan ook gewenst voor om ook aan een onkostenvergoeding (niet gedekt door declaraties bij de werkgever) de eis te verbinden dat deze geen belastbaar loon/inkomen oplevert indien en voor zover deze is besteed aan uitgaven die een ieder moet maken die het beroep/ambt uitoefent. Wat is het oordeel van de regering over deze suggestie, zo vragen deze leden.

De leden van de CDA-fractie vragen hoe groot de regering de budgettaire besparing acht ten opzichte van het huidige – resp. het voorgestelde regime in?

Subsidiair laat zich denken dat een «vergoeding vooraf» loon wordt wanneer er onderbesteding ter zake van het beoogde doel plaats vindt.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe groot zij de budgettaire opbrengst acht bij invoering van deze regel ten opzichte van het huidige -resp. het voorgestelde regime.

Ten einde de symmetrie met de aftrek van kosten te herstellen ware volgens de leden van de CDA-fractie ook te overwegen een algemene onkostenvergoeding vooraf waarbij geen declaraties worden ingediend gelijk te stellen aan het gebruteerde arbeidskostenforfait. Hoe staat de regering hier tegenover, zo vragen deze leden.

De leden van de CDA-fractie vragen wat de budgettaire besparing ten opzichte van het huidige – resp. het toekomstige regime zal zijn. Wat acht de regering overigens de budgettaire consequenties van haar voorstellen ten opzichte van het huidige regime, zo vragen deze leden.

artikel 15, eerstel lid, onderdeel b

Vrije vergoedingen worden gedefinieerd als vergoedingen voor zover zij naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als beloningsvoordeel worden ervaren. Hoe denkt de regering vast te stellen wat «naar algemene maatschappelijke opvattingen al dan niet als beloningsvoordeel wordt ervaren», zo willen de leden van de CDA-fractie weten. Het wordt toch een rare zaak wanneer de wetgever bij een door hem geconstateerde ontwikkeling in de jurisprudentie zelf definieert wat de «maatschappelijke opvatting» is. Wanneer men niet wil dat het «Volksempfinden» al of niet de normen stelt komt het er op neer dat de rechter dit oordeel zal moeten geven. Wat verandert er dan materieel in vergelijking met de huidige situatie, zo vragen deze leden.

Bij de uitleg van de term «het naar algemene maatschappelijke opvattingen ervaren als beloningsvoordeel» stelt de memorie van toelichting dat de jurisprudentie ook een belangrijke rol speelt. De leden van de CDA-fractie vinden dit een onzekere redenering. Hoe is het gesteld met de rechtszekerheid van de burgers, als op voorhand al de rol van de rechter naar voren wordt geschoven, zo vragen deze leden.

Naar aanleiding van artikel 15, lid 1, letter g, vragen de leden van deCDA-fractie hoe een werkgever kan beoordelen of bij een tweede of volgende telefoonabonnement van de werknemer het zakelijke karakter van meer dan bijkomend belang is.

Met betrekking tot artikel 15 a vragen de leden van de CDA-fractie, of indien de werknemer in dienst is van een ondernemer die ter zake van zijn prestaties omzetbelasting verschuldigd is, het niet voor de hand ligt dat het muziekinstrument of de computer voor rekening van de werkgever wordt aangeschaft en in natura ter beschikking wordt gesteld. Vormt dit loon, zo vragen genoemde leden. Is de regering van oordeel, gegeven dit feit, dat wanneer de aftrekpost niet zou bestaan werkgevers in toenemende mate op zulke verstrekkingen in natura zouden overgaan, zo vragen genoemde leden.

De leden Verburg en Reitsma hebben kamervragen gesteld betreffende bedrijfsfitness (98–99–1148). Op grond van de toezegging van de staatssecretaris zou de Uitvoeringsregeling LB 1990 gewijzigd worden. Deze regeling is nog niet aangepast. De leden van de CDA-fractie vragen wanneer die aanpassing van de uitvoeringsregeling kan worden verwacht. Waarom is in de memorie van toelichting van de Invoeringswet geen duidelijkheid hierover gegeven, zo vragen deze leden.

Volgens art. 16a, lid 1 sub b moet de werkgever de OV-vervoerbewijzen voor controle beschikbaar houden, anders is de vergoeding niet vrij. Niet duidelijk is wat er gebeurd als de werkgever de vervoerbewijzen weggooit nadat de vergoeding op dit moment terecht zonder inhouding van loonbelasting is uitbetaald. De leden van de CDA-fractie vragen of de inspecteur de vergoeding dan alsnog bij de werknemer in de inkomstenbelasting kan voegen.

In artikel 15c krijgt de minister van Financiën de bevoegdheid om bij ministeriële regeling de artikelen 15a en 15b als het ware aan te vullen met nieuwe posten. Zodra dat heeft geleid tot uitkristallisatie zullen de nieuwe posten door middel van wetswijziging van de uitvoeringsregeling naar de wet kunnen worden overgebracht. De leden van de CDA-fractie vragen wanneer de regering zal overgaan tot het aanvullen van nieuwe posten en wanneer de nieuwe posten geacht zullen worden te zijn «uitgekristalliseerd».

Onderdeel K

De leden van de CDA-fractie vragen wat de rechtsgrond is voor het verschaffen van inlichtingen. Wat zijn de gevolgen als het lichaam geen informatie verschaft, zo vragen deze leden.

Onderdeel Y

Naar aanleiding van artikel 30, lid 2 vragen de leden van de CDA-fractie waarom er geen soortgelijke bepaling is toegevoegd aan artikel 47b AWR.

Onderdeel E (art. 30f LB)

De onbelaste deblokkering voor de opname van verlof wordt afgestemd op de verlofspaarregeling in die zin dat op het maximumbedrag dat in het kader van de verlofspaarregeling kan worden gespaard, het saldo van het uitstaande spaarloon in mindering wordt gebracht. De leden van de CDA-fractie vragen of dit aan de hand van een voorbeeld kan worden uitgelegd. Bij aanwending voor de betaling van premies van lijfrenten zal in lijn met het spaarkarakter van de werknemersspaarregelingen eerst na afloop van de blokkeringperiode van vier jaar het geld voor dit doel kunnen worden aangewend. De leden van de CDA-fractie vragen hoe de huidige contracten behandeld zullen worden. Voor werknemers die alleen gebruik maken van de premiespaarregeling ontstaat een verruiming. Waarom krijgen deze werknemers te maken met een verruiming terwijl de werknemers met een spaarloonregeling te maken krijgen met een verkrapping, zo vragen deze leden.

Onderdeel AA (art. 25 LB)

Het gezamenlijke maximum van de premiespaarregeling en de spaarloon- en winstdelingsregeling is vastgesteld op f 1 500. De leden van de CDA-fractie vragen of dit tot gevolg heeft dat voor zover spaarloon wordt genoten in de vorm van aandelenoptierechten het maximum wordt verdubbeld. Wat is daarvan de achterliggende gedachte, zo vragen deze leden.

De voorgestelde wetgeving bevat nieuwe bepalingen die betrekking hebben op werknemers die in dienst van een Nederlandse werkgever zijn en hun dienstbetrekking in het buitenland uitoefenen. Deze werknemers worden geacht de dienstbetrekking (ook fictieve) in Nederland uit te oefenen. Deze – overigens niet onderbouwde – uitbreiding van de Nederlandse belastingplicht is internationaal gezien ongebruikelijk. De bepaling leidt ertoe dat lokale (fictieve) werknemers in landen die geen inkomstenbelasting kennen, in Nederland belasting over hun loon moeten betalen indien gewerkt wordt met een Nederlandse vennootschap. De leden van de CDA-fractie zien niet in welk redelijk doel deze bepaling dient. Zij bemoeilijkt het starten van activiteiten in andere landen vanuit Nederland en is daarom nadelig voor het Nederlandse bedrijfsleven. Deze leden dringen erop aan desbetreffende bepalingen te schrappen. Hoe staat de regering hier tegenover, zo vragen genoemde leden.

Omdat de aftrek van consumptieve rente in de Wet op de inkomstenbelasting 2001 komt te vervallen, is het voor werkgevers niet meer mogelijk zonder fiscale gevolgen renteloze of laagrentende leningen te verstrekken aan haar personeel. Dit middel is in het verleden veelvuldig gebruikt om werknemers in staat te stellen om zaken te financieren die voor de vervulling van de dienstbetrekking noodzakelijk zijn. Te denken valt in dit kader aan de financiering van een auto die voor de dienstbetrekking noodzakelijk is, en aan computers die in het kader van een PC-privé-regeling door de werknemers zijn aangeschaft. De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat voor dergelijke renteloze of laagrentende personeelsleningen een ruimhartige overgangsregeling in de Invoeringswet zou moeten worden opgenomen. Is de regering voornemens hierin te voorzien, zo vragen deze leden. Zo nee, waarom niet?

In de Wet op de loonbelasting 1969 is in 1994 de bedrijfsspaarregeling opgenomen. De redenen voor de invoering van deze regeling waren het bevorderen van de werkgelegenheid, het bijdragen aan de bezitvorming van werknemers, het stimuleren van werknemersparticipaties en het bevorderen van meer flexibiliteit in de loonsfeer. Naar de mening van de leden van de CDA-fractie zijn de genoemde redenen nog niet achterhaald. Deze leden stellen voor de vrijstellingen zoals deze thans gelden, in stand te laten.

Indien de vorenstaande opmerkingen niet worden overgenomen vragen de leden van de CDA-fractie of bij de voorgestelde verlaging van de faciliteiten voor werknemersparen het handhaven van de eindheffing van 10% over het door de werknemers gespaarde bedrag (artikel 31, tweede lid, letter f, juncto derde lid, letter c van de Wet op de loonbelasting 1964) noodzakelijk is. Vanuit oogpunt van vereenvoudiging bepleiten de leden van de CDA-fractie dat deze heffing komt te vervallen.

Een eerbiedigende werking met betrekking tot de bedrijfsspaarregeling ontbreekt. Waarom worden ingegane contracten niet gehonoreerd, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Deze leden bepleiten bij lijfrentepolissen door werknemers, waarbij langlopende contracten zijn aangegaan de deblokkering te handhaven. Zijn de bewindslieden daartoe bereid, zo vragen genoemde leden. Zo nee, waarom niet?

Daarnaast bevat de memorie van toelichting het voorstel dat de mogelijkheid van deblokkering van spaargelden binnen de vaste blokkeringsperiode via het zogenaamde verzekeringssparen zal komen te vervallen. De leden van de CDA-fractie wijzen erop dat vele werknemers juist, in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever, dergelijke verzekeringen hebben afgesloten vanwege de mogelijkheid om het spaarloon en premiespaargeld hiervoor aan te wenden. Daarbij gaat het in verband met de (huidige) eisen voor onbelastbaarheid veelal om langlopende contracten (15 jaar en langer). De leden van de CDA-fractie pleiten voor die gevallen een adequate overgangsmaatregel op te nemen.

De leden van de fractie van D66 verzoeken de regering te reageren op de reactie van de NOB dat de wijzigingen in de loonbelasting als gevolg van onderhavige belastingherziening ertoe leiden dat verschillen met betrekking tot het loonbegrip en het begrip dienstbetrekking alleen maar groter worden. De leden van de fractie van D66 willen graag van de regering weten waarom onderhavige herziening geen aanleiding heeft gegeven voor coördinatie van het fiscale en sociale loonbegrip. Wanneer kan dit worden verwacht, zo vragen deze leden.

Onderdeel E

De leden van de fractie van D66 hebben moeite met het voorstel in artikel 11, lid 4 om de onbelaste deblokkering van de spaarloonregeling voor verzekeringssparen te schrappen. Deze leden pleiten ervoor om lopende verplichtingen van belastingplichtigen die voor 14 september 1999 spaarloon ten behoeve van een lijfrentecontract hebben gedeblokkeerd te respecteren tot het bedrag van die lijfrenteovereenkomst, maar gemaximeerd tot het bedrag van de oude spaarloonregeling (1706,– in 1999). De leden van de D66-fractie verwijzen in dit kader naar de inbreng van deze leden bij het Wetsvoorstel inkomstenbelasting 2001. Zij verzoeken de regering hierop te reageren.

Onderdeel G

De leden van de fractie van D66 verwijzen naar hetgeen bij de inbreng inkomstenbelasting 2001 met betrekking tot het vervallen van de aftrek van werkelijke kosten is opgemerkt.

Onderdeel I

De leden van de fractie van D66 verzoeken de regering toe te lichten hoe het in artikel 15a, onderdeel f genoemde bedrag van f 992,– of meer, waarbij voor zaken een afschrijving in aanmerking moet worden genomen, zich verhoudt tot artikel 11, lid 1, onderdeel u waar wordt bepaald dat een werkgever een vergoeding ineens voor een computer van maximaal f 5000,– mag verstrekken.

De leden van de D66-fractie merken op dat in artikel 15b, lid 1, onderdeel g het eerste telefoonabonnement van vrije vergoeding is uitgesloten indien het zakelijk karakter van bijkomend belang is. De NOB vreest in haar reactie van 18 oktober 1999 dat de keuze voor ISDN-abonnementen door de redactie van het onderhavig artikel onnodig worden beperkt. De leden van de D66-fractie verzoeken de regering hier op in te gaan.

Met het oog op de voorgestelde delegatiebepaling van artikel 15 c met betrekking tot aanwijzingen van vrije vergoedingen verzoeken de leden van de fractie van D66 de regering toe te lichten wanneer sprake is van algemene maatschappelijke opvattingen en door wie of wat deze worden bepaald. Zij verzoeken in dit verband te reageren op de reactie van de NOB van 18 oktober waarin introductie van een nieuw criterium niet noodzakelijk wordt geacht.

De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet in te gaan op de reactie van de NOB (pt. 64) bij artikel 17, lid 2 met betrekking tot de asymmetrische behandeling van vergoedingen en verstrekking. Zij vragen hoe de regering tegenover het voorstel staat om waarderingsnormen voor verstrekkingen en vergoedingen gelijk te trekken en eenduidig in de wet vast te leggen.

Onderdeel J

De leden van de fractie van D66 verzoeken de regering te reageren op de stellingname van de NOB (pt. 153) af te zien van de wijziging van artikel 18a, lid 9.

Onderdeel AA–AB

De leden van de fractie van D66 hebben kennisgenomen van de beperking van de diverse spaarregelingen tot een gezamenlijk maximum van f 1500,–. De leden van de D66-fractie verwijzen naar de inbreng op de Wet inkomstenbelasting 2001 ten aanzien van de door de Kamer aanvaarde motie die de regering oproept om het bezit door werknemers van aandelen of certificaten van aandelen in het kapitaal van de inhoudingsplichtige vennootschap te bevorderen.

Onderdeel E

De leden van de fractie van GroenLinks verwijzen naar hun inbreng bij het verslag van de Wet IB'01. Zij vinden het vreemd dat de deblokkeringsmogelijkheid voor het pensioensparen – per 1 juli 1999 ingevoerd – nu reeds ongedaan wordt gemaakt. Kan de regering toelichten waarom dat gebeurd is en wat de materiële gevolgen zijn van het onderhavige voorstel.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of per saldo het aanwenden van het spaarloon voor pensioenopbouw aanmerkelijk zal verminderen of vooral in tijd zal worden uitgesteld. Hoe wordt de spaarloonregeling cq. de winstdelingsregeling en de premiespaarregeling momenteel benut, zo vragen deze leden.

De regering spreekt van wekelijks koopavonden, zo brengen de leden van de fractie van GroenLinks naar voren. Dat is niet meer in overeenstemming met de verruimde winkelsluitingstijden. Zij verwijzen tevens naar hun vragen omtrent het zakelijk gebruik van telefonie.

Onderdeel R

De leden van de fractie van GroenLinks verwijzen naar hun vragen omtrent de tijdvakproblematiek. Zien de leden van de GroenLinks-fractie het juist dat bij het toekennen van de arbeidskorting bijzondere beloningen in de LB-sfeer buiten beschouwing blijven maar bij de aangifte voor de IB wel meetellen en daarmee kunnen leiden tot een hogere arbeidskorting. Is een inschatting te geven van de mate waarin dit effect daadwerkelijk optreedt, zo vragen de leden van de GroenLinks-fractie.

Artikel VI. Wet op de dividendbelasting 1965

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering commentaar kan geven op de kritieken van het VNO/NCW (blz. 7/8) met betrekking tot de inkoop eigen aandelen.

De leden van de VVD-fractie vragen of de toepassing van de 3-maandsregel ook doorwerkt naar de toepassing van (alle) belastingverdragen die verwijzen naar de uiteindelijk gerechtigde.

Artikel 3a, lid 1

De leden van de VVD-fractie vragen of bevestigd kan worden dat een bijbetaling in het kader van een aandelenfusie, juridische fusie of splitsing geen belastbare opbrengst van aandelen vormt.

Artikel 3a, lid 4 roept de vraag op bij de leden van de VVD-fractie hoe men kan vaststellen of beleggingen afzondering van ingehouden winst representeren.

Onderdeel A (art. 1 DB) jo. hoofdstuk I, art. VIII, onderdeel AA (art. 25, lid 2)

In de voorliggende wetsontwerpen komt het onderwerp van de dividendstripping verschillende malen aan de orde: artikel 9.2 Wet inkomstenbelasting 2001, artikel 25 Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en artikel 1 Wet op de dividendbelasting 1964. De bedoeling van de voorgestelde wijzigingen, het tegengaan van dividendstripping, is juist. De vraag komt naar voren bij de leden van de CDA-fractie of het middel afdoende is. Op het eerste gezicht lijkt het om «Spielerei» te voorkomen de voorkeur te verdienen «is vastgesteld» te vervangen door «is aangekondigd» dan wel «vastgesteld» en «na de verkrijging» te vervangen door «na de ter betaling stelling». De praktijk is echter dat bij de aankondiging van een dividend bij een beursfonds er nimmer een wijziging optreedt. Economisch gezien is de vaststelling door de algemene vergadering van aandeelhouders toch een formaliteit. Zaken kunnen worden gedaan op basis van de aankondiging. De leden van de CDA-fractie vragen waarom de regering denkt met deze «halve» maatregel te kunnen volstaan, juist nu door de rendementsheffing het aantal personen dat als intermediair kan worden gebruikt zeer sterk is toegenomen. Overigens zij opgemerkt dat de datum van de dividendvaststelling bij beursvennootschappen in het algemeen vast staat. De periode van 10 dagen is voor «professionals» makkelijk te ontgaan. Wekt de voorgestelde bepaling niet louter de illusie dat een weg tot ontgaan van de belasting wordt afgesneden, zo vragen deze leden. De leden van de CDA-fractie vragen hoe men dividendstripping voorkomt in de ons omringende landen en in de VS.

Alleen de belastingplichtige die met betrekking tot een dividenduitkering als uiteindelijk gerechtigde kan worden aangemerkt heeft recht op verrekening van ingehouden dividendbelasting. Als niet-uiteindelijk gerechtigd wordt beschouwd diegenen die de aandelen heeft verworven binnen tien dagen vóór de dag waarop de opbrengst door het uitkerende lichaam is vastgesteld en de aandelen binnen drie maanden na de verkrijging heeft vervreemd. Artikel 25, lid 2 regelt het niet in aanmerking nemen van de dividendbelasting als voorheffing, terwijl artikel 1, lid 1 Wet Dividendbelasting 1965 de bezitseis stelt in geval om teruggaaf of vermindering van dividendbelasting wordt verzocht op grond van en verdrag ter voorkoming van dubbele belasting. Voor meer actieve beleggingsmaatschappijen en voor beroepsmatige effectenhandelaren vormen deze anti-dividendstrippingsbepalingen een ernstige administratieve complicatie. De leden van de CDA-fractie vragen of bij de vervreemding van aandelen binnen drie maanden het LIFO- of het FIFO-stelsel dient te worden gevolgd.

Onderdeel D (art. 3b DB)

In artikel 3b wordt de fiscale positie van de herbeleggingsreserve onder het nieuwe regime geregeld. Met betrekking tot de particuliere belegger zijn de problemen opgelost. Aandelen in een beleggingsinstelling kunnen ook worden gehouden door een BV of NV. Het lijkt redelijk dat wanneer de aandelen worden gehouden als onderdeel van een bedrijfsvermogen de uitkering uit een herbeleggingsreserve in mindering kan worden gebracht op de boekwaarde van de aandelen indien dit overigens past in door belanghebbende gekozen stelsel. De leden van de CDA-fractie vragen of dit oordeel juist is.

In artikel 3.2.2.50 Wet inkomstenbelasting 2001 is het gevolg vastgelegd van de overbrenging naar het buitenland van vermogensbestanddelen. In de sfeer van de vennootschapsbelasting is de verplaatsing van de werkelijke leiding opgenomen. Is het niet raadzaam in de Wet op de dividendbelasting op te nemen dat bij verplaatsing van de werkelijke leiding of zetel afrekening dient plaats te vinden, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

De memorie van toelichting maakt niet duidelijk of de toepassing van de 3-maandsregel ook doorwerkt naar de toepassing van (alle) belastingverdragen die verwijzen naar de uiteindelijke gerechtigde. De leden van de CDA-fractie vragen of de regering dit kan toelichten.

De leden van de D66-fractie verzoeken de regering te reageren op de opmerkingen van VNO-NCW (pt.2.21) en de NOB (pt.195 t/m 203) aangaande het voorkomen van dividendstripping.

De leden van de fractie van D66 verzoeken de regering een reactie te geven op de opmerkingen van de NOB (pt.28 t/m 36) en van VNO-NCW (pt. 2.14) inzake fusie en splitsing.

Artikel VII. Wet op de omzetbelasting 1968

De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering de grenseffecten analyseert. In het verleden werd toch een verschil van 2 procent punten met het Duitse tarief als zeer ongewenst beschouwd. Is er nu geen kans dat «kopersstromen» een andere richting kiezen, zo vragen deze leden. In de memorie van toelichting staat vermeld dat onder meer bij het afschaffen van de fiscale grenzen met ingang van 1 januari 1993 uitgangspunt is geweest dat een verschil van maximaal 3% tussen het Nederlandse algemene tarief en het laagste algemene tarief in de ons direct omringende lidstaten acceptabel is met het oog op grensoverschrijdende concurrentieverhoudingen. Waar is dit percentage van 3% op gebaseerd, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

De verhoging van het algemene btw-tarief betekent dat de gemiddelde voorbelastingdruk bij agrariërs toeneemt, hetgeen een verhoging van het landbouwforfait met 0,3% rechtvaardigt, zo vermeldt de memorie van toelichting. De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan toelichten waar het percentage van 0,3% op is gebaseerd. Zij vragen de regering wanneer het definitieve landbouwforfait wordt bepaald.

Artikel VIII. Wet op de vennootschapsbelasting 1969

Onderdeel A, juncto onderdeel AA van Artikel VIII Wet op de Vennootschapsbelasting 1969

De leden van de PvdA-fractie verzoeken de regering commentaar te geven op de kritieken van het NOB (blz. 81–83) en VNO/NCW (blz. 15) met betrekking tot dividendstripping.

De leden van de VVD-fractie vragen of het uitstellen van belasting wel als misbruik kan worden gezien binnen het Europese recht. Is het juist dat de regering een vooropgestelde vorm van misbruik opneemt waarvan het Hof in de zaak Leur-Bloem juist heeft geoordeeld dat zulks niet is toegestaan, zo vragen de leden van de VVD-fractie.

De leden van de VVD-fractie vragen of de bewijsvermoedens in artikel 14a, lid 6 Vpb (driejaarstermijn) en artikel 3a, lid 4, Div.bel. (afsplitsing beleggingen) verenigbaar zijn met de Fusierichtlijn? Is deze verdeling van de bewijslast, zoals genoemd in artikel 14, lid 4, slotzin wel in overeenstemming met de fusierichtlijn, zo vragen deze leden.

Geldt deze regeling, zoals genoemd in artikel 25, lid 2, ook als de aandelen binnen 3 maanden worden vervreemd aan een verbonden lichaam, zo vragen genoemde leden. En als ze worden vervreemd in het kader van een fusie, zo willen genoemde leden weten. En als ze worden vervreemd nadat de belastingplicht van het lichaam (bv. door zetelverplaatsing) is geëindigd, zo willen genoemde leden weten. De leden van de VVD-fractie vragen wat in dit verband precies onder vervreemden moet worden verstaan.

De leden van de VVD-fractie vragen met betrekking tot artikel 28, lid 2 sub g wanneer bij een rekening-courantvordering sprake is van een situatie die de status van fiscale beleggingsinstelling niet in gevaar brengt.

In het voorgestelde artikel 10, onderdeel f komt de huidige verwijzing naar artikel 24, vierde lid, Wet IB 1964 te vervallen. De leden van de VVD-fractie vragen of dit betekent dat de gebruikelijke rente en huur in de sfeer van de vennootschapsbelasting voortaan aftrekbaar is op grond van artikel 8, eerste lid, Vpb en het Zweedse Grootmoederarrest (HR 31 mei 1978, BNB 1978/252). Zo ja, waarom geldt dit dan niet voor het gebruikelijke loon van artikel 12a LB, zo vragen deze leden.

De leden van de CDA-fractie hebben de volgende vragen over het artikel 8 lid 3 Vpb. Zij leggen de regering de volgende casus voor. Een CV met een BV als beherend vennoot heeft een kapitaal van 50 miljoen. De BV/CV koopt na een geldlening te zijn aangegaan een schip voor 150 miljoen. Het kapitaal is verdeeld in 1000 participaties die gelijkelijk in de winst delen. Tien horen er toe aan de BV A, beherend vennoot. Negentig aan een BV P beleggingsmaatschappij. Een rederij BV Q met meerdere schepen neemt deel voor 300 participaties. Een BV R die als doelstelling heeft het nemen van commanditaire participaties in Scheep – CV's participeert voor 100 participaties, een Antilliaanse NV S die het beleggen in schepen in haar doelstelling heeft opgenomen neemt 200 participaties, en in Nederland wonende particuliere verkrijgen beleggers 300. Op hoeveel investeringsaftrek kunnen de verschillende aan de vennootschapsbelasting onderworpen lichamen nu aanspraak maken, zo willen deze leden weten.

Een Nederlandse BV participeert als commanditair vennoot in een buitenlandse CV of een daarmee gelijk te stellen rechtsvorm. De participatie ligt niet in de lijn van de normale bedrijfsuitoefening maar de Nederlandse BV wordt wel in het land waar de CV is gevestigd ter zake van het winstaandeel aan de belasting onderworpen. De leden van de CDA-fractie vragen deze BV in een dergelijke situatie in Nederland aanspraak kan maken op vermindering uit hoofde van voorkoming van dubbele belasting. Hoe ligt dit wanneer het een particulier betreft; kan deze aanspraak maken op een vermindering van belasting uit hoofde van voorkoming van dubbele belasting, zo vragen deze leden.

In het voorgestelde artikel 10, onderdeel f, Vpb komt de huidige verwijzing naar artikel 24, vierde lid, Wet IB 1964 te vervallen. De leden van de CDA-fractie vragen of dit betekent dat de gebruikelijke rente en huur in de sfeer van de vennootschapsbelasting voortaan aftrekbaar is op grond van artikel 8, eerste lid, Vpb en het Zweedse Grootmoederarrest (HR 31 mei 1978, BNB 1978/252). Zo ja, waarom geldt dit dan niet voor het gebruikelijke loon van artikel 12a LB, zo vragen deze leden.

Bij vervreemding binnen 3 jaar moet de belastingplichtige aantonen dat er zakelijke overwegingen waren (zie art. 14, lid 4, slotzin Vpb). De leden van de CDA-fractie vragen of deze verdeling van de bewijslast in overeenstemming met de fusierichtlijn is.

De leden van de CDA-fractie constateren dat in de voorgestelde wetsartikelen en de toelichting daarop worden verschillende begrippen worden gebruikt met betrekking tot de relevante 10-dagen termijn. In de artikelen 9.2. lid 2, 25 lid 2 Vpb en 1 lid 1 Div.bel. wordt gesproken van «binnen tien dagen voorafgaand aan de dag waarop de opbrengst wordt vastgesteld» terwijl de toelichting op artikel 1 lid 1 in de Div.bel. spreekt over situaties waarbij «aandelen rond de dividenduitkering worden verhangen» en in het Nader Rapport inzake het voorstel van wet voor de Invoeringswet Wet Inkomstenbelasting 2001 wordt vermeld dat door middel van wetgeving is geregeld dat de juridisch eigenaar «op het moment dat het dividend betaalbaar wordt gesteld» niet kan worden aangemerkt als economisch genieter. De vaststellingsdatum, betaalbaarstellingsdatum en uitkeringsdatum kunnen bij beursaandelen substantieel uit elkaar liggen. De leden van de CDA-fractie zouden graag bevestigd zien dat één datum als uitgangspunt dient te worden genomen en dat de datum die in de wet genoemd wordt als uitgangspunt geldt.

De regeling tegen dividendstripping roept de nodige vragen op bij de leden van de CDA-fractie. Geldt deze regeling ook als de aandelen binnen drie maanden worden vervreemd aan een verbonden lichaam, zo willen deze leden weten. En als ze worden vervreemd in het kader van een fusie, zo vragen deze leden. En als ze worden vervreemd nadat de belastingplicht van het lichaam (bijv. door zetelverplaatsing) is geëindigd, zo vragen deze leden. De leden van de CDA-fractie willen weten wat in dit verband precies onder vervreemden moet worden verstaan.

De leden van de CDA-fractie vragen of de bedoeling van de wijziging van artikel 28, lid 2, is om tegen te gaan dat de eigen woning wordt gefinancierd middels een lening van een beleggingsinstelling waarin de huiseigenaar een aanmerkelijk belang heeft. Deze wijziging zou een een boxen-constructie moeten voorkomen. De bepaling is echter algemeen geformuleerd en geldt dus ook voor een lening gebruikt om een beleggingspand te financieren. Van een belastingvoordeel is dan geen sprake. De leden van de CDA-fractie vragen de regering een toelichting hierop.

Artikel 33a (oud) wordt nu artikel 34. Dit roept de vraag op bij de leden van de CDA-fractie waarom artikelen bij een wetswijziging met behoud van hun inhoud een ander nummer moeten krijgen. Voor de gebruiker van artikelsgewijze registers in commentaren en rechtspraakverzameling is dat bijzonder onpraktisch.

De leden van de CDA-fractie hebben de volgende opmerkingen met betrekking tot artikel 17a Vpb onderdeel sub 1 en 2. De Invoeringswet Inkomstenbelasting 2001 (hierna ook: de Invoeringswet) voorziet in een nieuw artikel 17a Vpb. Het artikel fingeert in onderdeel a, dat in Nederland gelegen onroerende zaken tot een «Nederlandse onderneming» worden gerekend. De term «Nederlandse onderneming» wordt (tussen haakjes) omschreven in het voorgestelde artikel 17 Vpb in lid 3, onderdeel a. Onder «onroerende zaken» dienen volgens de tekst van artikel 17a (onder meer) tevens te worden begrepen «rechten die direct of indirect betrekking hebben op in Nederland gelegen onroerende zaken». Meer in het bijzonder stellen de leden van de CDA-fractie vast dat het voorstel een principiële wijziging vormt ten opzichte van de huidige wet voor niet in Nederland gevestigde lichamen die bijvoorbeeld juridisch en economisch eigenaar zijn van in Nederland gelegen onroerende zaken die niet behoren tot hun ondernemingsvermogen. Deze groep van belastingplichtigen wordt thans immers slechts in de heffing van vennootschapsbelasting betrokken terzake van de zuivere inkomsten uit deze zaken op grond van artikel 49, lid 1, onderdeel c, sub 2. Eventuele vermogensresultaten vallen buiten het bereik van laatstgenoemd artikel. Met name buitenlandse onroerend goed fondsen die geïnvesteerd hebben in Nederlands onroerend goed, worden nu, zonder principiële discussie, opeens in de heffing betrokken ten aanzien van door hen behaalde vermogensresultaten. De leden van de CDA-fractie achten de voorgestelde stelselwijziging dan ook onvoldoende gemotiveerd. Zij wijzen er op dat het voorstel in het buitenland een negatief beeld geeft van de betrouwbaarheid van de Nederlandse belastingwetgever.

De leden van de CDA-fractie constateren voorts dat de Invoeringswet niet expliciet voorziet in een overgangsregeling op grond waarvan de voorgestelde bepaling eerst toepassing kan vinden op (onder meer) vermogensresultaten op onroerende zaken (en rechten waaraan deze zijn onderworpen) ontstaan vanaf de datum van inwerkingtreding van artikel 17a (zogenaamde «step up»). De leden van de CDA-fractie menen dat een dergelijk «step up regeling» opgenomen dient te worden in het wetsvoorstel.

De leden van de D66-fractie onderschrijven het streven de commanditaire vennoot niet langer als ondernemer te beschouwen en daartoe de transparantie van de deelname in een besloten commanditaire vennootschap te handhaven. De leden van de D66-fractie kunnen zich voorstellen dat de regering behoefte heeft aan een advies uit het bedrijfsleven en de wetenschappelijke wereld inzake het onderscheid tussen eigen en vreemd vermogen qua fiscaliteit, maar deze leden vragen op welke termijn de regering hierover uitsluitsel denkt te geven. Leidt (tijdelijke) onduidelijkheid op dit punt niet tot nieuwe problemen, zo vragen deze leden.

De leden van de D66-fractie verzoeken de regering te reageren op de opmerkingen van de NOB (pt. 28 t/m 36) met betrekking tot artikel 13 en 14 in verband met mogelijke conflicten met de Fusierichtlijn en de daarmee samenhangende (komende) jurisprudentie, en daarbij te betrekken de opmerkingen van VNO-NCW (pt.2.14). De leden van de D66-fractie vragen de regering een reactie te geven op de opmerkingen van de NOB (pt. 37 t/m 42) met betrekking tot artikel 15c en 15d in verband met het onderwerp eindafrekening.

X

De leden van de D66-fractie wijzen erop dat zij bij het voorstel om in de Wet inkomstenbelasting 2001 alle bijzondere tarieven te laten vervallen (vervallen artikel 23), nog vraagtekens hebben. Zij nemen aan dat eventuele aanpassingen van de Wet inkomstenbelasting 2001 door zullen moeten werken in dit deel van de Invoeringswet.

Artikel XIII. Invorderingswet 1990

De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat nu artikel 50 Invorderingswet wordt gewijzigd van de gelegenheid gebruik moet worden gemaakt het recht van bezwaar en beroep toe te kennen aan alle aansprakelijk gestelden. Een dergelijk voorstel is al opgenomen in het wetsvoorstel ketenaansprakelijkheid confectiesector, maar de behandeling daarvan is op andere gronden opgehouden. Hoe staat de regering hier tegenover, zo vragen de leden.

Artikel XXI. Wet inkomstenbelasting 2001

De leden van de PvdA-fractie verwijzen voor wat betreft artikel 10.2.1 naar hun algemene commentaar op de renseigneringsverplichtingen zoals zij die naar aanleiding van de forfaitaire vermogensrendementsheffing hebben kenbaar gemaakt. Kan de regering toelichten of er met de administratieplichtigen al overeenstemming is bereikt over de bij of krachtens Amvb te verstrekken renseignementen.

De leden van de VVD-fractie constateren dat de regeling van artikel 3.8.2, lid 1 onderdeel k (aanpak van bovenmatige oudedagsvoorzieningen door het terugnemen van eerder verleende lijfrenteaftrek plus heffing over het rendement daarop) voor de belastingplichtige ongunstiger is dan een maatregel in de pensioensfeer (bv. belasting over de toegekende pensioenaanspraken voor zover de totale oudedagsvoorziening daardoor bovenmatig wordt). Immers, dan wordt de belastingplichtige niet geconfronteerd met belastingheffing over het rendement op de eerder betaalde lijfrentepremies. Als de oudedagsvoorziening bovenmatig wordt doordat de belastingplichtige in plaats van extra pensioenrechten extra lijfrenten afsluit, wordt er trouwens ook niet met terugwerkende kracht gecorrigeerd. De werknemer die een pensioenverbetering heeft gekregen (bv. door verbetering van een voor hem geldende collectieve pensioenregeling) zal niet altijd de liquide middelen hebben om de verschuldigde belasting op basis van artikel 3.8.2, lid 1 letter k te betalen. Hij krijgt met de pensioenverbetering immers geen geld in handen en de lijfrente kan niet worden afgekocht (zie art. 1.6a, lid 1 Wet IB 2001). Wat is de reactie van de regering op deze casus, zo vragen de leden van de VVD-fractie.

De memorie van toelichting bij artikel. 10.2.1 kondigt een renseigneringsplicht aan voor rente en dividend. De leden van de VVD- en de CDA-fractie vragen wat daarvan het nut is, nu in Box III geheven wordt over een fictief rendement.

De leden van de CDA-fractie hebben de volgende kanttekeningen bij de wijziging van artikel 3.8.2 IB '01. Kan de regering een nadere toelichting geven waarom bij verbetering van een pensioenaanspraak de in het verleden in aftrek gebrachte lijfrentepremies gecorrigeerd dienen te worden. Bovendien is het strijdig met de toezeggingen bij de Brede Herwaardering. Wanneer een werkgever of bijvoorbeeld een bedrijfspensioenfonds overgaat tot verbetering van een regeling, heeft dit voor werknemers onmiddellijk gevolgen in de lijfrentesfeer. De werknemer heeft hier in het geheel geen invloed op. Welke redelijkheid is er om in alle gevallen tot correctie over te gaan, zo vragen genoemde leden.

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan motiveren waarom de premieaftrek op oude contracten gesloten bij de eigen BV, waarvan is toegezegd dat ze ten volle worden gerespecteerd zou worden, in dit wetsvoorstel wordt geschrapt. De bestaande lijfrentecontracten vallen toch onder de eerbiedigende werking, zo vragen deze leden. In dit verband verwijzen de leden van de CDA-fractie naar de toezeggingen bij de Brede Herwaardering. Op basis van het wetsvoorstel IB 2001 zullen contracten omgebouwd moeten worden met alle gevolgen van dien. Hoe staat de regering hier tegenover, zo vragen genoemde leden.

De leden van de CDA-fractie vragen of de administratieve last voor de Belastingadministratie niet is te verminderen door telkens bij het bereiken van 40e resp. de 50e en 60 jarige leeftijd te bezien of het totaal aan opgebouwde rechten niet is doorgeschoten.

Voorts wordt letter k aan artikel 3.8.2. toegevoegd. De wet kent twee pensioentekorten namelijk het jaartekort van artikel 3.7.5 en het «niet te verwaarlozen tekort» van lid 4. Wie nu lijfrenten heeft bedongen in verband met een benzinetekort en dat pensioendecor ziet opgeheven door verbetering van zijn pensioenaanspraak ingevolge een pensioenregeling, dan wel door middel van inkoop van dienstjaren dan wel diensttijd binnen een pensioenregeling moet de afgetrokken lijfrentepremies verhoogd met rente bij zijn inkomen tellen. Ziet deze sanctie op beide tekorten waarbij moet worden opgemerkt dat de sanctie geen onderscheid maakt maar de methode van het jaartekort is eigenlijk niet gerelateerd aan een eindloon. Het jaartekort wordt niet opgeheven door de pensioenverbetering. Dat doet die verbetering natuurlijk wel ten aanzien van het «niet te verwaarlozen pensioentekort».

Met betrekking tot artikel 3.12.1. IB '01 hebben de leden van de CDA-fractie een aantal vragen. Artikel 3.12.1 bepaalt dat voor de bepaling van het verlies uit box 1 het inkomen waarvoor een conserverende aanslag wordt opgelegd niet meetelt. Met andere woorden: indien een belastingplichtige in het jaar van bijvoorbeeld emigratie te conserveren inkomen heeft met daarnaast andere inkomsten in box 1 die negatief zijn dan kunnen deze verliezen, zonder rekening te houden met het te conserveren inkomen, worden verrekend met inkomen uit het verleden en in de toekomst. Indien er echter geen positief inkomen is om mee te verrekenen dan kan overtreding van de voorwaarden van de conserverende aanslag ertoe leiden dat de aanslag alsnog wordt geïnd terwijl geen belasting verschuldigd zou zijn indien het inkomen niet was begrepen in een conserverende aanslag. De leden van de CDA-fractie constateren dat artikel 3.12.1 dus bedoeld is als tegemoetkoming maar dat deze bepaling onder omstandigheden nadelig kan uitwerken. Zij stellen voor om dit onbedoelde neveneffect weg te nemen, bijvoorbeeld door toe te staan dat bij inning van de conserverende aanslag deze met nog openstaande compensabele verliezen (althans het daarmee corresponderende belastingbedrag) kan worden verrekend.

De regeling van artikel 3.8.2., lid 2, onderdeel k (aanpak bovenmatige oudedagsvoorzieningen door het terugnemen van eerder verleende lijfrente-aftrek plus heffing over het rendement daarop) is voor de belastingplichtige ongunstiger dan een maatregel in de pensioensfeer (bijv. belasting over de toegekende pensioenaanspraken voor zover de totale oudedagsvoorziening daardoor bovenmatig wordt.) Immers, dan wordt de belastingplichtige niet geconfronteerd met belastingheffing over het rendement op de eerder betaalde lijfrentepremies. Als de oudedagsvoorziening bovenmatige wordt doordat de belastingplichtige in plaats van extra pensioenrechten extra lijfrenten afsluit, wordt er trouwens ook niet met terugwerkende kracht gecorrigeerd.

De leden van de CDA-fractie vragen hoe de situatie is wanneer twee dienstbetrekkingen tegelijkertijd worden vervuld ar. 8.2.2 IB '01) met betrekking tot ar. 8.2.2 IB '01). Betekent de bepaling dat er bij de heffing van de inkomstenbelasting niet op de genoten meerdere heffingskorting wordt terug gekomen, zo vragen deze leden.

De leden van de CDA-fractie vragen wat de reden is dat de ondernemers die door de wetswijziging een einde zien komen aan hun ondernemersbestaan als bedoeld in artikel 3.2.1.2. zich niet kunnen rangschikken onder het regime van artikel 3.2.1.1a. Waarom is niet ter zake een keuzerecht opgenomen staken of doorgaan op de voet van artikel 3.2.1.1a, zo vragen deze leden. Hoe is de verhouding tussen het bepaalde in dit artikel A lid 6 en artikel 3.2.1.1a, zo vragen genoemde leden.

Hoe verloopt het met een vermogensbestanddeel, wanneer een commanditaire deelname, waarover fiscaal is afgerekend en die vervolgens tot een aanmerkelijk belang gaat behoren. Geldt de step-up regeling opgenomen in artikel 4.7.2.5 ook in deze situatie, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

Onderdeel G

De leden van de fractie van D66 achten het een logische voorkeur niet de inkoop of verbetering van pensioenaanspraken binnen de arbeidsrelatie maar achteraf bezien in het verleden ten onrechte verleende lijfrentepremie-aftrek als een handeling in strijd met de voorwaarden aan te merken. De leden van de D66-fractie vragen of een en ander niet leidt tot onacceptabele gevolgen, in de zin dat een belastingplichtige zijns ondanks niet langer aftrekbare premies moet blijven betalen voor eerder terecht aangegane verplichtingen.

Onderdeel S

De leden van de D66-fractie verwijzen naar hetgeen zij heeft opgemerkt bij Hoofdstuk 1, artikel IV, onderdelen J t/m O (Algemene wet inzake rijksbelastingen).

HOOFDSTUK 2. OVERGANGSRECHT

Artikel I. Overgangsrecht inkomstenbelasting

A. Staking bij einde ondernemerschap

Door de herziening wordt de niet meer kwalificerende ondernemer geacht zijn onderneming te staken. De leden van de PvdA-fractie vragen of het terecht is dat iemand die onder het huidige regime van de verhoogde stakingsvrijstelling gebruik zou hebben gemaakt, slechts recht heeft op de lage vrijstelling als hij op 31–12–2000 nog geen 55 jaar is, maar dat wel wordt in 2001, nu zijn stakingswinst wel in 2001 wordt belast. De leden van de PvdA-fractie vragen of ook voor de fictieve staking als gevolg van de belastingherziening de 3-jaarsperiode voor voortzetters geldt om in aanmerking te komen voor de stakingsvrijstelling. De leden van de PvdA-fractie vragen of de desinvesteringsbijtelling alleen geldt als er alsnog een relevante vervreemding in 2001 plaatsvindt. Hebben latere vervreemdingen geen bijtelling meer tot gevolg, zo vragen deze leden.

De leden van de PvdA-fractie vragen wat wordt bedoeld met «dat de verhoging niet meer beloopt dan het bedrag van de vrijstelling, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel d, van die wet». Is de doorschuiving van de FOR naar een andere onderneming van de belastingplichtige aan voorwaarden verbonden, zo vragen genoemde leden. Zo ja, welke? De leden van de PvdA-fractie vragen over welk jaar het stakingssaldo als te conserveren inkomen wordt aangemerkt.

De leden van de PvdA-fractie vragen of er een nadere uitleg kan worden gegeven wanneer er uitstel van betaling wordt verleend nu de heffing pas over het jaar 2001 plaatsvindt.

C. Geen staking bij einde ondernemerschap van onderneming met winst uit zeescheepvaart aan de hand van tonnage

De laatst jaren zijn er niet alleen veel commanditair vennootschappen in de zeescheepvaartwereld in het leven geroepen maar ook in de onroerend goed sector heeft deze rechtsvorm opgang gemaakt. De leden van de CDA-fractie vragen waarom het regime van dit artikel niet voor de commanditaire vennoten van deze commanditaire vennootschappen beschikbaar is. Bestaat er voor deze ongelijkheid wel een redelijke grond, zo vragen deze leden.

Voor bestaande commanditaire vennootschappen in zeescheepvaart en de filmindustrie zijn overgangsmaatregelen voorzien. De leden van de CDA-fractie vragen welke overgangsmaatregelen zijn gekozen en waarom voor deze twee sectoren is gekozen.

D. Staking zeescheepvaartonderneming

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering aan de hand van een voorbeeld een verduidelijking kan geven van hetgeen in lid 1 wordt bepaald.

M. Waardering vermogensbestanddelen bij overgang van inkomsten uit arbeid naar een werkzaamheid

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering aan de hand van een paar voorbeelden de praktische uitwerking van lid 2 en 3 kan geven.

Met betrekking tot de waardering van vermogensbestanddelen bij overgang van inkomsten uit arbeid naar een werkzaamheid hebben de leden van de CDA-fractie een aantal vragen. De bepaling regelt op welke wijze belastingheffing plaatsvindt over belastbaar inkomen uit overige werkzaamheden, in die situaties waarin de vermogensbestanddelen op grond van de wetswijziging per 1 januari 2001 tot het vermogen van een werkzaamheid gaan behoren. De waarde van de vermogensbestanddelen wordt in dit verband gesteld op de waarde in het economische verkeer per 1 januari 2001. In lid 2 wordt op deze hoofdregel een uitzondering gemaakt voor goodwill, rechten van intellectuele eigendom, vergunningen, ontheffingen, concessies en andere dispensaties van publiekrechtelijke aard, alsmede vermogensbestanddelen waarvan de opbrengst onder de huidige wet belast zou zijn geweest als inkomsten uit andere arbeid bij vervreemding. Voor deze activa geldt een waardering op de aanschaffings- of voortbrengingskosten. In de memorie van toelichting (blz. 106) wordt dit systeem verdedigd met een beroep op de arresten omtrent de inbreng van activa vanuit de sfeer van de inkomsten uit arbeid in de winstsfeer. De leden van de CDA-fractie vragen of deze onderbouwing wel voldoende is voor de voorgestelde systematiek, nu genoemde jurisprudentie bepaald niet zonder kritiek is gebleven, en deze kritiek niet door de staatssecretaris wordt weerlegd.

De leden van de CDA-fractie vragen voorts aandacht voor het feit dat op grond van de voorgestelde tekst van de invoeringswet een belastingclaim wordt gevestigd die onder de thans geldende wet niet met zekerheid vastligt. Nu de wet spreekt over vermogensbestanddelen waarvan de opbrengst onder de huidige wet bij vervreemding belast zou zijn geweest, is immers onzeker of die belastingclaim onder de huidige wet geëffectueerd kan worden (bij voorbeeld vervreemding zonder opbrengst). Situaties waarin thans geen heffing mogelijk zou zijn, vanwege het ontbreken van een realisatiemoment, worden «gerepareerd» door een compenserende belastingclaim te vestigen per 1 januari 2001. Nog pregnanter komt de onredelijkheid van deze reparatie-activiteit met terugwerkende kracht naar voren in de gevallen die worden bestreken door de onderdelen a tot en met c van het tweede lid van artikel M. De aanvangswaarde per 1 januari 2001 wordt op grond van die artikelen in bepaalde gevallen zelfs gesteld op de historische kostprijs verminderd met de bedragen die onder het oude regime in mindering op het inkomen zijn gekomen als kosten ten aanzien van de inkomsten uit andere arbeid (a), als buitengewone lasten (c), en die buiten de heffing zijn gebleven doordat deze geheel of gedeeltelijk om niet door belastingplichtige binnen de sfeer van de inkomsten uit andere arbeid werden verkregen (b). In alle genoemde gevallen is onder de huidige wet geen sprake van een effectieve heffingsmogelijkheid, bij voorbeeld indien kosten binnen de sfeer van de inkomsten uit arbeid in aftrek zouden zijn gebracht, en realisatie van het voordeel achterwege blijft, dan wordt op de kostenaftrek onder het huidige regime niet teruggekomen. De leden van de CDA-fractie achten deze vorm van belastingverzwaring niet acceptabel en stellen voor in alle omstandigheden de waarde in het economische verkeer als aanvangswaarde voor de toepassing van artikel 3.4.2.1 te hanteren. Hoe staat de regering hier tegenover, zo vragen deze leden.

Voorts zijn de leden van de CDA-fractie van mening dat de toepassing van deze overgangsbepaling moeilijkheden zal opleveren voor geestelijken, free lance journalisten enz. Tweedehands boeken, computers enz. plegen – gelet op de oorspronkelijke kostprijs – alleen met verlies te worden verkocht. Van veel zaken als boeken zal de aanschafprijs niet meer te achterhalen zijn zo men al de waarde in het economisch verkeer kan vaststellen. Wordt middels een dergelijke overgangsbepaling niet als het ware met een kanon op een muis geschoten, zo vragen genoemde leden.

De leden van de CDA-fractie vragen of het niet verstandiger is het nieuwe regime slechts van toepassing te laten zijn op na 31 december 2000 of – indien de regering dit te ver gaand acht – op na 31 december 1999 aangeschafte voorwerpen.

De leden van de CDA-fractie vragen of het niet beter was geweest om voor rechten van intellectuele eigendom waarderingsvoorschriften op te nemen. Een auteursrecht zou bijvoorbeeld kunnen worden geschat op een aantal malen de opbrengst van de laatste x jaren, zo zeggen deze leden.

O. Bestaande rechten op periodieke uitkeringen en verstrekkingen

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering een nadere toelichting kan geven op hetgeen in de memorie van toelichting op pagina 84 en 85 wordt vermeld over de saldomethode. Met name op dat deel van de tekst op pagina 85 beginnend met «Ter voorkoming van misverstand zij opgemerkt ...». De leden van de PvdA-fractie vragen de regering toe te lichten hoe de heffing verloopt ten aanzien van een onder het vierde lid vallende lijfrente verzekering van een buitenlands belastingplichtige. Zij vragen hoe afkoopsommen met betrekking tot de in lid 5 bedoelde verzekeringen (polissen afgesloten voor 1-1-1992) in het huidige stelsel worden behandeld.

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering om het volgende toe te lichten. Uitkeringen die gebaseerd zijn op premiebetalingen van zowel voor als na 1 januari 2001 cq. 14 september 1999 moeten op grond van het overgangsrecht worden gesplitst. Het wetsvoorstel en de toelichting daarbij geven niet aan volgens welke berekeningsmethode die splitsing moet plaatsvinden.

P. Afrekenoptie voor bepaalde rechten op periodieke uitkeringen en verstrekkingen

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering of het keuzerecht van de belastingplichtige geldt voor de hele polis of alleen voor dat deel dat betrekking heeft op de premiebetalingen vóór 14-9-1999. Zij vragen de regering of het juist is dat voor het verzoek op grond van lid 3 het 45% tarief geldt voor dat deel van het inkomensbestanddeel dat boven de 3e schijf van 42% uitkomt. De leden van de PvdA-fractie vragen de regering of zij heeft overwogen belastingplichtigen een keuze te laten dat dit inkomensbestanddeel reeds in het jaar 2000 in de heffing wordt betrokken, als dit voor hen gunstiger is.

De leden van de CDA-fractie constateren dat in dit onderdeel de belastingplichtige de keuze wordt gegeven om voor bepaalde rechten op periodieke uitkeringen en verstrekkingen af te rekenen per 31 december 2000 of in het jaar van de ontvangen uitkeringen. Indien voor afrekening per 31 december 2000 gekozen wordt vindt de heffing plaats in 2001. De leden begrijpen niet waarom niet ook gekozen kan worden voor afrekening in 2000. In een aantal gevallen kan het voordelig zijn om hiervoor te kiezen. De leden van de CDA-fractie stellen dan ook voor in het tweede lid van dit artikel toe te voegen dat afrekening ook in 2000 plaats kan vinden. In het verlengde hiervan is niet duidelijk of er een conserverende aanslag opgelegd wordt of dat er feitelijk belasting betaald moet worden. Dit laatste is niet wenselijk nu er niets ontvangen wordt. Kan de regering dit toelichten, zo vragen deze leden.

De leden van de fractie van D66 verzoeken de regering in te gaan op de vraag van de NOB (pt. 143) waarom niet gekozen kan worden voor afrekening in 2000.

Q. Afrekenverplichting ter zake van bepaalde rechten op periodieke uitkeringen en verstrekkingen

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering of zij kan toelichten wat de reden is dat de hier bedoelde verzekeringen met premiebetalingen tussen 14-9-1999 en 1-1-2001 niet onder de eerbiedigende werking van onderdeel O kunnen vallen. Dezelfde vraag geldt voor lid 3, zo vinden deze leden.

In onderdeel Q wordt de hiervoor genoemde keuze alleen gegeven voor zover er na 14 september 1999 geen premies betaald zijn. Hierdoor wordt, volgens de memorie van toelichting, manipulatie voorkomen. De leden van de CDA-fractie begrijpen niet waarom bestaande overeenkomsten die na 14 september 1999 tot een reguliere premiebetaling leiden voor dat gedeelte geen gebruik van de optieregeling kunnen maken. Misbruik speelt hier geen rol, zo vinden deze leden. De leden van de CDA-fractie stellen dan ook voor reguliere contracten de optiemogelijkheid toe te kennen. Bijkomend voordeel (voor de Belastingdienst) is dat er geen splitsing van de betaalde premies voor en na 14 september hoeft plaats te vinden. Hoe staat de regering hier tegenover.

R. Beëindiging eerbiedigende werking voor bepaalde rechten op periodieke uitkeringen en verstrekkingen bij emigratie

Onderdeel R voorziet in afrekening over saldolijfrenten bij emigratie. Hier is in afwijking van het huidige recht een afrekening over nog rijpende inkomsten geïntroduceerd. Naar huidig recht vindt geen afrekening plaats bij emigratie van een belastingplichtige met bijvoorbeeld een saldolijfrente, een rentespaarbrief of een nog niet tot uitkering gekomen kapitaalverzekering waarvan de uitkering voor een ingezetene belast is. Nu wordt op de valreep, via overgangsrecht, alsnog een exitheffing gecreëerd waaraan in de Wet IB 1964 tientallen jaren kennelijk geen behoefte bestond. Hoe staat de regering hier tegenover, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

Bij emigratie van de rechthebbende op een saldolijfrente is het gewone tabeltarief van toepassing; als de belastingplichtige in Nederland blijft wonen voorziet het overgangsrecht daarentegen in afrekening tegen een bijzonder tarief van 45%. De leden van de CDA-fractie vragen de regering een toelichting bij dit verschil.

S. Omzetting stakingswinst in lijfrente; rekening houden met bestaande rechten

De leden van de PvdA-fractie willen weten wat de toegevoegde waarde is van dit artikel in het kader van hetgeen geregeld is in artikel 3.7.7 Wet IB 2001.

Voor de leden van de CDA-fractie wordt het niet duidelijk of alleen de vroeger betaalde premies als opgebouwde voorziening worden aangemerkt of ook het rendement daarop.

T. Inpassen van betaalde lijfrentepremies

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering of zij aan de hand van een voorbeeld een praktische uitwerking kan geven van hetgeen geregeld is in onderdeel T.

W. Voorwaartse verliesverrekening

De leden van de CDA-fractie vragen de regering of zij kan toelichten hoe dit verlies zal worden bepaald, indien het niet om een ondernemingsverlies gaat.

De leden van de CDA-fractie zijn er voorstander van verrekening van verliezen van vóór 1-1-2001 als volgt te laten plaatsvinden: primair met inkomen uit box I, vervolgens – op verzoek – met inkomen uit box III en tenslotte met inkomen uit box II. Deze systematiek wordt immers ook gehanteerd bij het in mindering brengen van de persoonsgebonden aftrek; ook deze worden eerst in mindering gebracht op het box I- inkomen, dan op het box III-inkomen en tenslotte op het box II-inkomen. Zo wordt ook vermeden dat belastingplichtigen door de invoering van de nieuwe Wet IB 2001 in een slechtere positie terecht komen. Hoe staat de regering hier tegenover, zo vragen deze leden.

Artikel 3.12.1 bepaalt dat voor de bepaling van het verlies uit box 1 het inkomen waarvoor een conserverende aanslag wordt opgelegd niet meetelt. Met andere woorden: indien een belastingplichtige in het jaar van bijvoorbeeld emigratie te conserveren inkomen heeft met daarnaast andere inkomsten in box 1 die negatief zijn dan kunnen deze verliezen, zonder rekening te houden met het te conserveren inkomen, worden verrekend met inkomen uit het verleden en in de toekomst. Indien er echter geen positief inkomen is om mee te verrekenen dan kan overtreding van de voorwaarden van de conserverende aanslag ertoe leiden dat de aanslag alsnog wordt geïnd, terwijl geen belasting verschuldigd zou zijn indien het inkomen niet was begrepen in een conserverende aanslag. De leden van de CDA-fractie constateren dat artikel 3.12.1 dus bedoeld is als tegemoetkoming maar dat deze bepaling onder omstandigheden nadelig kan uitwerken. Zij stellen voor om dit onbedoelde neveneffect weg te nemen, bijvoorbeeld door toe te staan dat bij inning van de conserverende aanslag deze met nog openstaande compensabele verliezen (althans het daarmee corresponderende belastingbedrag) kan worden verrekend. Hoe staat de regering hier tegenover, zo vragen genoemde leden.

De leden van de fractie van D66 constateren dat voor de toepassing van de verliesverrekening het te conserveren inkomen buiten beschouwing blijft. De NOB (pt. 4) wijst op een onbedoeld neveneffect en stelt voor dat inning van de conserverende aanslag met nog openstaande compensabele verliezen kan worden verrekend. De leden van de D66-fractie willen graag weten wat de regering hiervan vindt.

Onderdelen W en X

Met betrekking tot de voorwaartse en achterwaartse verliesverrekening hebben de leden van de CDA-fractie de volgende vragen en opmerkingen. De Invoeringswet geeft de regeling voor compensabele verliezen over de datum van 1 januari 2001 heen. Onderdeel W geeft regels voor de voorwaartse verliescompensatie met jaren ná 1-1-2001, onderdeel X voor de achterwaartse verliescompensatie met jaren vóór 1-1-2001. De leden van de CDA-fractie vragen aandacht voor onderdeel W. Aldaar worden verliezen uit de jaren vóór 1-1-2001 binnen de huidige carry-forward termijnen uitsluitend verrekend met het inkomen uit werk en woning uit box I. Verrekening met inkomen uit box 2 en box 3 is niet mogelijk, ook niet als het inkomen uit box 1 volstrekt onvoldoende is om de verliescompensatie te benutten en er bijvoorbeeld wel voldoende box III-inkomen is. Hoewel de voorgestelde regeling in de memorie van toelichting wordt gepresenteerd als een regeling die gunstig uitwerkt voor de belastingplichtige, zijn er situaties denkbaar, waarbij belastingplichtigen de facto niets meer aan de compensabele verliezen hebben. Alsdan treedt dus in vergelijking met de huidige situatie een verslechtering op.

De leden van de fractie van D66 onderschrijven het uitgangspunt dat de verliesverrekening plaatsvindt volgens de verliesverrekeningssystematiek van het jaar waarin het verlies is ontstaan. Verrekening van verlies wordt beperkt tot box I. De leden van de fractie van D66 vragen aandacht voor situaties waar het inkomen uit box I onvoldoende is om de verliescompensatie te benutten, terwijl er wel voldoende box III inkomen is. De leden van de D66-fractie verzoeken de regering hier op in te gaan en daarbij de systematiek te betrekken die ook wordt gehanteerd voor de persoonsgebonden aftrek en aan te geven om hoeveel belastingplichtigen het hier zou kunnen gaan.

Y. Middeling

In de Wet inkomstenbelasting 2001 mag het jaar waarin men de 65 jarige leeftijd bereikt ook in een middeling worden betrokken. De leden van de CDA-fractie vragen of het niet gewenst is om dit ook mogelijk te maken voor de laatste jaren onder de huidige wetgeving.

AC. Genotsrechten en aanmerkelijk belang

De leden van de PvdA-fractie vragen wat er gebeurt met dat deel van de verkrijgingsprijs van een tijdelijk genotsrecht dat nog niet in aftrek is gekomen op het tijdstip van overgang van dit genotsrecht naar box 3.

De leden van de CDA-fractie vragen of er ter zake van de rechten als «beneficiary» van tot een trustvermogen behorende aanmerkelijk belangaandelen geen overgangsbepalingen noodzakelijk zijn dan wel gewenst. Zij constateren dat de op 1 januari 2001 bestaande tijdelijke genotsrechten op aanmerkelijk-belangaandelen, -winstbewijzen en -schuldvorderingen als verkrijgingsprijs krijgen het gedeelte van het bedrag dat ter zake van de verkrijging van de gerechtigdheid is voldaan en nog niet als aftrekbare kosten in aanmerking is genomen. In dat verband vragen de leden van de CDA-fractie welke verkrijgingsprijs wordt toegekend aan een tijdelijk genotsrecht dat krachtens erfrecht is ontstaan en waarvoor de verkrijger geen tegenprestatie heeft voldaan.

AE. Fictieve aanmerkelijk belangen ontstaan na 1 januari 1997

De leden van de CDA-fractie constateren dat een natuurlijk persoon die per 31 december 2000 een fictief aanmerkelijk belang heeft, ingevolge Artikel I, onderdeel AE van de Invoeringswet IB '01 een aanmerkelijk belang verkrijgt voor de toepassing van de Wet IB '01. Onder omstandigheden kan het interessant zijn om onmiddellijk na 1 januari 2001 op verzoek ter zake van dit fictief aanmerkelijk belang af te rekenen. Een eventuele afrekeningsmogelijkheid kan echter niet worden gebaseerd op artikel 4.7.1.1, lid 3 en evenmin op onderdeel AG van de Invoeringswet. Deze bepaling verwijst namelijk uitsluitend naar onderdeel AF en niet (mede) naar onderdeel AE. Een soortgelijk probleem doet zich voor bij Artikel I, onderdeel AI, Invoeringswet IB '01 dat ziet op vóór 1 januari 1997 ontstane fictieve aanmerkelijke belangen. De leden van de CDA-fractie bepleiten een dergelijke afrekeningsmogelijkheid en zijn daarnaast van oordeel (zie ook hierna) dat de afrekening nog mogelijk zou moeten zijn tegen het tarief van 25%. Hoe staat de regering hier tegenover, zo vragen deze leden.

AF. Kwalificatie aanmerkelijk belang

De leden van CDA-fractie constateren dat het onder de nieuwe Wet IB 2001 mogelijk is dat een bestaand aanmerkelijk belang door de inwerkingtreding van de nieuwe Wet IB 2001 per 1-1-2001 niet langer tot een aanmerkelijk belang wordt gerekend. Zij verwijzen naar de memorie van toelichting bij Artikel I, onderdeel AF, Invoeringswet betreffende het voorbeeld van samenwonende, niet gehuwde en geregistreerde partners die niet kiezen voor de fiscale status van partner. Artikel I, onderdeel AF, Invoeringswet bestempelt deze aandelen dan tot een (fictief)aanmerkelijk belang voor de toepassing van de Wet IB 2001. Vervolgens kan op verzoek deze (fictief)aanmerkelijk belang-claim ingevolge Artikel I, onderdeel AG, worden afgerekend. Indien de leden van de CDA-fractie het goed zien, wordt de aanmerkelijk belang-winst dan in 2001 in aanmerking genomen en wel tegen het dan geldende nieuwe 30%-tarief. Is dit geen onevenredige verzwaring ten opzichte van de huidige regeling, aangezien onder de huidige wetgeving tot 1-1-2001 de aanmerkelijk belang-claim kan worden afgerekend tegen het 25%-tarief, zo vragen genoemde leden. Het had naar de mening van deze leden voor de hand gelegen om afrekening tegen het 25%-tarief mogelijk te maken. Hoe staat de regering hier tegenover, zo vragen deze leden.

AJ. Waardering vermogensbestanddelen bij overgang naar inkomen uit aanmerkelijk belang

Voor de step-up in het kader van een aanmerkelijk belang ter beschikking gestelde onroerende zaken, machines en dergelijk, treft men een regeling aan in het onderdeel AJ van artikel 1 Hoofdstuk 2 van de Invoeringswet. Deze regeling geldt echter alleen bij de overgang van de oude wet naar een nieuwe wet in 2001. Er zullen zich evenwel ook na 2001 gevallen voordoen waarbij vastgoed, machines en dergelijke overgaan van box III naar box II en veel vaker nog van box I naar box II. Teneinde te voorkomen dat de nieuwe regeling in de genoemde speciale gevallen van verschuiving tussen de boxen een grote terugwerkende kracht krijgt, dient artikel 4.7.2.5. uitgebreid te worden met alle in het kader van een aanmerkelijk belang ter beschikking gestelde bedrijfsmiddelen. De leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe zij hier tegenover staat.

Op grond van het 1e lid van artikel AJ worden vermogensbestanddelen die als gevolg van de meesleepregeling bij het begin van 2001 tot een aanmerkelijk belang zijn gaan behoren, bij het begin van dat jaar te boek gesteld voor de waarde in het economische verkeer op dat tijdstip. Deze zogenoemde step-up-regeling geldt ten onrechte niet voor de situaties waarin vermogensbestanddelen ná 2001 tot een aanmerkelijk belang gaan behoren. De leden van de CDA-fractie pleiten ervoor de step-upregeling ook op deze situaties van toepassing te laten zijn. Daartoe zou artikel 4.7.2.5. van het wetsvoorstel Wet IB aangepast moeten worden, zo vinden deze leden.

AK. Lopende termijnen

De leden van de PvdA-fractie vragen of onderdeel AK ook voor verschuldigde termijnen geldt. Zo nee, kan de regering de reden hiervan toelichten, zo vragen deze leden. De leden van de PvdA-fractie vragen of de overbedelingsrente ook onder dit onderdeel valt.

Wat betreft het overgangsrecht van lopende termijnen hebben de leden van de CDA-fractie nog de volgende opmerkingen. In Artikel I, onderdeel AK is opgenomen dat lopende termijnen van huren, pachten en renten van schuldvorderingen tot 31 december 2000 op het moment van uitkeren in 2000 of later jaren alsnog in de heffing (van box I) betrokken worden. Nu onder lopende termijnen niet begrepen is de verschuldigde termijnen van huren, enz. over de periode tot 31 december 2000 en die in 2001 of later betaald worden, constateren deze leden een onevenwichtigheid. In vele gevallen is de rente achteraf verschuldigd. Zo zal bijvoorbeeld begin januari 2001 de rente over het 4e kwartaal 2000 betaald worden. De leden van de CDA-fractie stellen dan ook voor dit onderdeel uit te breiden en het begrip verschuldigde termijnen toe te voegen. Hoe staat de regering hier tegenover, zo vragen genoemde leden.

Onder hetzelfde artikel valt ook de zogenaamde overbedelingsrente. Bij de huidige wetgeving is deze veelal pas belast bij het overlijden van de langstlevende. Gelijktijdig kunnen de erfgenamen dezelfde rente aftrekken. Met de overgangsregeling uit Artikel I, onderdeel AK wordt de gerijpte rente belast, terwijl er nimmer aftrek plaats vindt. De leden van de CDA-fractie stellen voor deze onevenwichtigheid, die niet bedoeld kan zijn, op te heffen door de gerijpte overbedelingsrente niet in de heffing te betrekken. Hoe staat de regering hier tegenover, zo vragen deze leden.

Indien de huur van een verhuurd pand voor het eerste kwartaal 2001 wordt betaald in december 2000 ( het moge toch bekend zijn dat huur moet worden voldaan voor de aanvang van de huurtermijn) dan is deze belast in het jaar 2000; onderhoudskosten ter zake van werkzaamheden verricht in 2000 betaald in 2001 zijn niet aftrekbaar. De leden van de CDA-fractie vragen de regering of het niet beter is om het overgangsrecht zo in te kleden dat de een meer evenwichtige benadering wordt bewerkstelligd. Of adviseert de regering verhuurders te wachten – tot na 1 januari 2001 – met het uitschrijven van een factuur, zo vragen deze leden. Dezelfde onevenwichtigheid doet zich ook voor bij sommige financiële «producten». Het gaat om de principiële vraag of de wetgever wel het evenwicht in zijn eigen voordeel mag schenden, zo vinden genoemde leden. De leden van de CDA-fractie vragen of een dergelijke benadering ook los van de geoorloofdheid niet tot wrevel zal leiden onder de belastingplichtigen.

De leden van de D66-fractie vragen de regering een reactie te geven op de opmerkingen van de NOB (pt. 145) inzake verschuldigde termijnen en overbedelingsrente.

Artikel AKa. Uitgestelde termijnen

De leden van de PvdA-fractie vragen waarom in lid 1 niet staat dat artikel 42a Wet IB'64 voor het jaar 2001 van toepassing is.

De leden van de D66-fractie vragen de regering een reactie te geven op de opmerkingen van de NOB (pt. 145) inzake verschuldigde termijnen en overbedelingsrente.

AL. Vrijgestelde kapitaalverzekeringen (2001 en 2002)

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering toe te lichten waarom een overigens kwalificerende kapitaalverzekering eigen woning niet bij de eigen BV kan worden afgesloten. Welke problemen doen zich in dergelijke gevallen voor, zo vragen deze leden. Zij vragen waarom een kapitaalverzekering met een looptijd van 15 jaar via het overgangsrecht niet kan worden omgezet in een kapitaalverzekering eigen woning. Kan de regering daar een nadere toelichting op geven, zo vragen genoemde leden. De leden van de PvdA-fractie vragen wat de zinsnede in onderdeel AL, lid 3 «wordt op dat tijdstip bij de verzekeringnemer (...) een kapitaalsuitkering bij in leven zijn in aanmerking genomen ter grootte van de waarde in het economisch verkeer op dat tijdstip van de verzekering» betekent. Uit de memorie van toelichting blijkt dat niet omgezette polissen in principe zonder heffing over gaan naar box 3 en dus in de grondslag voor de heffing aldaar wordt betrokken. Kan het principe «geen heffing, tenzij» hier niet wat duidelijker naar voren komen, zo vragen deze leden. De leden van de PvdA-fractie vragen wat er gebeurt in de overgangsperiode met polissen die een looptijd van 12 jaar hebben en in 2003 tot uitkering komen.

Wat betreft het overgangsrecht van de vrijgestelde kapitaalverzekeringen hebben de leden van de CDA-fractie de volgende vragen en opmerkingen. Ten aanzien van de kapitaalverzekeringen is een eerbiedigende werking voorzien voor een periode van 2 jaar. Voor alle overeenkomsten die na die datum expireren zal het rente-element voor zover aangegroeid na 1 januari 2003 belast worden. Verzekeringen sluit men echter af voor de lange termijn. Gelet op het overgangsrecht wat in het kader van de Brede Herwaardering werd toegepast op onder het oude regime afgesloten polissen mocht en mag men er toch van uitgaan dat ook de fiscale behandeling van onder het regime van de Brede Herwaardering afgesloten polissen gewaarborgd is. Dit blijkt voor de periode na 2002 niet het geval zal zijn. Men komt dan terecht in een oerwoud van regelingen. Een zekere facilitering in het leven wordt geroepen bij omzetting in een aan de eigen-woning gekoppelde verzekering. De vrijstellingen zijn echter destijds losgekoppeld van het bezit van een eigen-woning ten einde huurders niet ongunstig te discrimineren van eigenaars. Hoe staat de regering hier tegenover, zo vragen deze leden.

De leden van de CDA-fractie vragen wat bedoeld wordt met de voorwaarde dat ten minste 15 jaar jaarlijks premies moeten zijn voldaan. Moet de periode van 15 jaar zijn verstreken op 1 januari 2001, zo vragen deze leden. Dan zijn alle lopende polissen die na 1986 zijn gesloten van de toepassing van deze overgangsbepaling uitgesloten. Gelet op de memorie van toelichting lijkt dat niet de bedoeling, zo vinden genoemde leden.

De leden van de CDA-fractie vragen wat los van de fiscaliteit de schade kan zijn van een voortijdige afkoop. Zij vragen hoe groot naar inschatting van de regering de uitkering is bij tussentijdse afkoop ter zake van een gemengde kapitaalverzekering van een door een 45 jarige man afgesloten polis waarbij deze tot uitkering «regulier» komt bij het bereiken van de 65 jarige leeftijd of bij eerder overlijden, waarvoor gedurende 20 jaar gelijkblijvende premies moeten worden voldaan en waarvan resp. 3 jaar 5 en 10 jaar gelijk blijvende premies zijn betaald.

In de memorie van toelichting staat dat voor zover lopende kapitaalverzekeringen gedurende de overgangsperiode niet kunnen worden aangepast deze met ingang van 1 januari 2003 deel zullen gaan uitmaken van de grondslag van de vermogensrendementsheffing. De leden van de CDA-fractie vragen wat er moet worden gedaan met kapitaalverzekeringen die niet kunnen worden aangepast. Geldt daarvoor de overgangsregeling, zo vragen deze leden. Zo nee, vindt de regering dat redelijk, zo vragen deze leden. De leden van de CDA-fractie hoe de gestelde voorwaarden in onderlinge samenhang moeten worden gezien. Moeten de voorwaarden a t/m c cumulatief zijn voldaan, zo vragen deze leden.

De leden van de CDA-fractie hoe het zit met de toezegging van voor de Brede Herwaardering stammende polissen met een looptijd van 12 jaar die onder het overgangsrecht vallen. Zij vragen de regering meer duidelijkheid te geven omtrent de onderlinge samenloop. Waarom wordt de in het kader van Brede Herwaardering I gedane toezegging, dat bestaande contracten ten volle zullen worden gerespecteerd, niet nagekomen, zo vragen genoemde leden. Waarom ontbreekt eerbiedigende werking voor ná Brede Herwaardering I gesloten contracten, zo vragen genoemde leden. Wanneer de regering geen ruimer overgangsrecht geeft aan bestaande kapitaalverzekeringen, is de regering dan bereid de mogelijkheid te openen om deze na 2003 belastingvrij af te kopen, zo vragen genoemde leden.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering de voor- en nadelen daaromtrent uiteen te zetten. De leden van de CDA-fractie wijzen de regering op de recentelijk uitgevaardigde regels voor vrijstelling van kapitaalverzekeringen bij de eigen BV. De staatssecretaris schreef in 1998 nog dat hij ernaar streefde «de onzekerheid over de fiscale behandeling zoveel mogelijk weg te nemen». Is dat geen reden om voor een eerbiedigende werking van bestaande contracten te pleiten, zo vragen deze leden.

De leden van de fractie van D66 vragen de regering waarop de verwachting is gebaseerd dat een belastingplichtige op 31 december 2000 in staat is te bezien of een lopende kapitaalverzekering direct met ingang van 1 januari 2001 wel of niet in de heffing van het forfaitaire rendement moet worden betrokken of dat deze in aanmerking komt voor de overgangsperiode van twee jaar.

De leden van de fractie van D66 lezen in de memorie van toelichting (blz.136) dat in het verleden kapitaalverzekeringen zijn gefaciliteerd met een (gedeeltelijke) vrijstelling omdat er van uit werd gegaan dat de uitkering een functie had in de sfeer van de oudedagsvoorziening. Zij willen van de regering weten waarom deze bestemming voor kapitaalverzekeringen nu niet meer aan de orde lijkt te zijn. De regering betoogt dat een overgangsregeling nodig is omdat anders belastingplichtigen genoodzaakt worden vroegtijdig hun overeenkomst af te wikkelen. Waarom is deze noodzaak na 2003 niet aan de orde, zo vragen deze leden. Wat bedoelt de regering met vroegtijdig, zo willen genoemde leden weten. Geldt dit niet sowieso voor iedere belastingplichtige die de overeenkomst eerder afwikkelt dan is overeengekomen, dus ook na 2003, zo vragen deze leden. De leden van de D66-fractie vragen waarom dit niet als een ongewenst effect wordt beschouwd.

AM. Niet vrijgestelde kapitaalverzekeringen (afrekening in 2001)

In de memorie van toelichting staat vermeld dat afrekening op grond van dit onderdeel plaatsvindt volgens de fiscale behandeling zoals de belastingplichtige die bekend was bij het afsluiten van de overeenkomst. De leden van de PvdA-fractie vragen of het niet zo is dat het heffingsmoment hier naar voren in de tijd wordt gehaald. Kan dit niet tot een liquiditeitsprobleem leiden bij de belastingplichtige nu de heffing gebaseerd is op een fictieve uitkering en er derhalve geen daadwerkelijke uitkering wordt ontvangen waaruit de belasting kan worden voldaan, zo vragen deze leden.

AN. Kapitaalverzekeringen eigen woning (vanaf 2003)

Voor wat betreft het overgangsrecht van de kapitaalverzekering eigen woning is de overgangsregeling voor de kapitaalverzekeringen opgenomen. Deze regeling is zeer ingewikkeld. Zo moeten er berekeningen gemaakt worden voor polissen oud-regime (voor 1992) van 12 en 15 jaar en polissen nieuw regime 15 en 20 jaar. Daarbij moet de splitsing aangebracht worden van koppeling of geen koppeling aan de eigen woning. Er bestaan derhalve 8 varianten. De leden van de CDA-fractie stellen voor om voor alle polissen welke zijn afgesloten voor 1 januari 2001 het geldende regime te handhaven. Voorwaarde is dat deze regulier afgewikkeld dienen te worden. Alleen bij expiratie van polissen welke zijn afgesloten tussen 1 januari 1992 en 31 december 2000 wordt de waarde gekort op de dan geldende vrijstelling. Deze regeling is met name van belang voor diegene die geen eigen woning heeft of een kortlopende polis afgesloten heeft ten behoeve van bijvoorbeeld de studiekosten van de kinderen. De leden van de CDA-fractie schatten dat het hier om vele tienduizenden gevallen gaat. Bij handhaving van de voorgestelde wetgeving worden de huurders van woningen wel heel erg gediscrimineerd ten opzichte van de eigenaren.

De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat voor de polissen oud regime (voor 1992) door de wetgever gedane toezeggingen worden ingeperkt. Hiermee wordt aan de door de wetgever opgewekte verwachtingen niet voldaan. Deze polissen hebben onder de huidige wetgeving, mits voldaan aan de overige wettelijke voorwaarden, een onbeperkte vrijstelling. Door deze vrijstelling in artikel AN te beperken tot de waarde per 1 januari 2003 vindt er alsnog een limitering plaats bij diegenen door voor 1992 langlopende overeenkomsten aangegaan zijn. Dit betekent dat bij expiratie van die polis een (groot) deel van de oprenting alsnog belast gaat worden tegen het progressieve tarief van box I. De leden van de CDA-fractie stellen voor de totale waarde van deze polissen vrij te stellen.

De leden van de CDA-fractie hebben er echter wel begrip voor dat dergelijke polissen die thans geen einddatum kennen niet onbeperkt een eigen status kunnen behouden. Op dit punt stellen deze leden voor om de polissen uiterlijk na 30 jaar tot expiratie te laten komen. Dit betekent dat het overgangsregime uiterlijk in 2022 eindigt. Deze termijn sluit aan bij de 30-jarige termijn van het nieuwe regime voor kapitaalverzekeringen en bij de overgangsregeling voor saldolijfrenten die tot 2021 loopt (artikel O). Hoe staat de regering hier tegenover, zo vragen genoemde leden.

De leden van de fractie van D66 verzoeken de regering te reageren op de brief van Hooge Huys Verzekeringen van 3 november 1999 waarin een onduidelijkheid aan de orde wordt gesteld ten aanzien van artikel 3.6.9 IB01 en onderhavig artikel AN. Voorts verzoeken deze leden in te gaan op de reactie van de NOB van 28 oktober (pt. 146).

AO. Overige kapitaalverzekeringen (vanaf 2003)

De leden van de PvdA-fractie constateren dat ook onderdeel AO, lid 2 op een heffing lijkt te duiden. Indien hier wel een heffingsmoment wordt bedoeld, om welke soort polissen gaat het dan, zo vragen deze leden. Om polissen die op 1-1-2001 wel aan de voorwaarden van onderdeel AL voldeden maar op 1-1-2003 niet meer, zo vragen genoemde leden.

Met betrekking tot de overige kapitaalverzekeringen staat in de memorie van toelichting dat de rentecomponent in deze polissen geheel wordt belast wanneer de overeenkomsten niet op reguliere wijze wordt afgewikkeld. Dit zou betekenen dat de vrijstelling van art. 26a, lid 2, Wet IB 1964 dan buiten toepassing blijft, maar in de wettekst kunnen de leden dat niet terugvinden. De belastingdienst zal het overgangsregime voor vrijgestelde en niet-vrijgestelde polissen moeten controleren. Daarbij is van belang welke premies in een (groot) aantal voorafgaande jaren zijn betaald. Het is de vraag hoe de belastingdienst dit bij de vele honderdduizenden kapitaalpolissen wil gaan onderzoeken. Uit eerdere aangiften zal hiervan haast nooit iets blijken. De leden van de CDA-fractie vragen de regering de reageren op de hierboven geschetste situatie.

Artikel III. Overgangsrecht omzetbelasting

In de overgangsbepalingen worden regelingen getroffen ter zake van het toepasselijke tarief bij leveringen en diensten waarbij het tijdstip van factureren en het tijdstip van de prestatie niet met elkaar overeenkomen. De overgangsbepalingen ter zake komen overeen met de «normale» overgangsbepalingen bij tariefsaanpassingen. De leden 3 en 4 van Artikel III zien uitsluitend op onroerende zaken. Ter zake van termijnbepalingen voor de leveringen van onroerende zaken, die zijn vervallen voor 1 januari 2001, is het oude tarief van toepassing. Een soortgelijke regeling wordt getroffen voor zogenoemde 3–1-h-leveringen van onroerende zaken. Dergelijke regelingen worden niet getroffen voor leveringen van roerende zaken. Soortgelijke situaties doen zich echter ook bij roerende zaken voor. Gedacht kan worden aan de scheepsbouw, de levering van medische onderzoeksapparatuur, etc. Bij dergelijke kapitaalgoederen wordt immers eveneens vaak in termijnen betaalt voor de uiteindelijke oplevering. Niet valt in te zien waarom een dergelijke regeling niet ook voor roerende zaken zou kunnen worden getroffen. De leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe zij hier tegenover staat.

De leden van de fractie van D66 vernemen graag hoe de regering aankijkt tegen de vraag van de NOB (pt. 210) waarom voor roerende zaken niet een regeling analoog aan die voor onroerende zaken mogelijk is.

Artikel IV. Overgangsrecht vennootschapsbelasting

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe de regering het commentaar beziet van sommige bedrijven, met name financiële instellingen, dat volstrekt normale bedrijfsvoering al zou kunnen leiden tot dividenden die krachtens de invoeringswet als excessief worden gezien en dus getroffen worden door een additionele heffing. Kan de regering ingaan op de kritiek van de NOB (p 84/85) en VNO/NCW (p 9/10), zo vragen deze leden.

De leden van de VVD-fractie hebben de volgende opmerkingen. «De voorgestelde overgangsmaatregel onder B, inhoudende een extra heffing van 20% vennootschapsbelasting als compenserende heffing over «excessieve» uitdelingen waarop een inkomstenbelastingclaim verloren gaat, lijkt een rechtvaardiging te ontberen. Immers, de huidige inkomsten-uit-vermogenclaim vervalt niet, maar wordt vervangen door de forfaitaire rendementsheffing. Bovendien is naar de mening van de Orde sprake van een niet te rechtvaardigen overkill in situaties waarbij sprake is van bijzondere baten en/of (een deel van) de aandeelhouders niet onder de forfaitaire rendementsheffing vallen. Een «excessief» dividend in de zin van deze regeling kan zich gemakkelijk voordoen bij bijzondere omstandigheden, zoals het afstoten van activiteiten, bij liquidaties, andere herstructureringen en na overnames, zonder dat sprake is van bewust uitstel van dividenduitkering met het oog op de forfaitair rendementsregeling. Tevens is het mogelijk dat er «excessief dividend» wordt uitgekeerd in reële concernverhoudingen, waarbij de aandeelhouder nog geen 3 jaar een pakket aandelen houdt van tenminste 5%. In ieder geval pleit de Orde, indien het huidige voorstel wordt gehandhaafd, voor het verhogen van de in artikel 2 genoemde bedragen met incidentele bijzondere baten, alsmede om een uitzondering toe te staan op de 3 jaarseis in gevallen waarbij duidelijk is dat er geen sprake is van een verhanging met het oog op het ontgaan door particuliere aandeelhouders van deze uitdelingsheffing.

Bovendien dient volgens de Orde nog een verzachting te worden aangebracht met betrekking tot aandeelhouderswisselingen die voor 14 september 1999 hebben plaatsgevonden: van anticipatiegedrag kan bij deze aandeelhouderswisselingen immers geen sprake zijn geweest. Verder wijst de Orde er op dat de gekozen grens van 5% geen rekening houdt met de toepassing van de deelnemingsvrijstelling op kleinere belangen (artikel 13, lid 3) en op kleinere aanmerkelijk belangposities (meetrekregeling).

Tot slot kan worden opgemerkt dat de voorgestelde regeling met zich meebrengt dat alle vennootschappen met kleine aandeelhouders per 1 januari 2001 de waarde in het economische verkeer van het totale vermogen van de vennootschap moeten vaststellen, aangezien de stille reserves ook van belang zijn voor de uitdelingsheffing. Ten aanzien van beursgenoteerde vennootschappen zou het voor de hand liggen om voor de waarde in het economische verkeer aan te sluiten bij de beurskoers op 31-12-2000.» Wat is de reactie van de regering hierop, zo vragen de leden van de VVD-fractie.

De leden van de CDA-fractie hebben vooralsnog grote moeite met de voorgestelde «surtax» voor ondernemingen (bij overmatige winstuitdelingen in welke vorm dan ook loopt een vennootschap gedurende de jaren 2001 tot en met 2005 het risico over het overmatige deel 20% vennootschapsbelasting te moeten betalen). Deze maatregel wordt voorgesteld om uitstel van dividend tot na 1 januari 2001 te voorkomen. Deze maatregel is in de ogen van de leden van de CDA-fractie te grof en werkt selectief. Bovendien kan zij leiden tot een dubbele heffing. Tenslotte moet er rekening mee gehouden worden dat de regeling in strijd is met EU-recht en belastingverdragen. De leden van de CDA-fractie voelen, als geoordeeld wordt dat een compenserende heffing noodzakelijk is, meer voor een verhoogde dividendbelasting op «excessieve» dividendbetalingen, waarbij een deel van de dividendbelasting niet verrekenbaar is in de handen van een belastingplichtige die onder de forfaitaire rendementsheffing valt, dan wel indien aannemelijk is dat de aandelen om niet zakelijke redenen zijn overgedragen.

Bij overmatige winstuitdelingen in welke vorm dan ook loopt een vennootschap gedurende de jaren 2001 tot en met 2005 het risico over het overmatige deel 20% vennootschapsbelasting te moeten betalen. Deze maatregel wordt voorgesteld om uitstel van dividend tot na 1 januari 2001 te voorkomen. De leden van de CDA-fractie hebben vooralsnog moeite met deze voorgestelde wetswijziging. Zij hebben enkele vragen aan de regering. In de eerste plaats is de ratio van de wetswijziging de leden nog steeds niet helder. Winstuitkeringen zijn onder het nieuwe regime van box III niet meer relevant voor de hoogte van de verschuldigde belasting. Het is niet consequent om dan nog 5 jaar lang een afwijkend regime te laten gelden. De angst dat vennootschappen in afwachting van het nieuwe regime zouden wachten met belaste winstuitkeringen is grotendeels ongegrond. Het progressieve tarief over dividenden zorgt ervoor dat thans nauwelijks belastbaar dividend wordt genoten; meestal kiest de particuliere aandeelhouder voor onbelast stockdividend. Dividenden die genoten worden kunnen thans tot zekere hoogte delen in de dividend-vrijstelling. Verder is het onder het huidige regime mogelijk dat de tegenwaarde van ingehouden winsten door een particulier onbelast wordt genoten doordat hij zijn aandelen verkoopt. De memorie van toelichting wijst hier ook op. De mogelijkheid blijkt ook in de periode 2001–2006 bestaan. Het is dan niet evenwichtig om een andere vorm van realisatie van die reserves namelijk door uitdeling extra te belasten. De maatregel is in de ogen van de leden van de CDA-fractie te grof, omdat zij ook dividenden treft die worden uitgekeerd aan aandeelhouders die niet in box III worden belast, zoals lichamen, particulieren die in het buitenland wonen, en ingezetenen voor wie de aandelen tot hun ondernemingsvermogen behoren of tot een aanmerkelijk belang (hierbij valt te denken aan gevallen waarin de aanmerkelijk belanghouder het pakket nog geen drie jaar bezit). Ten aanzien van de groep aandeelhouders met een belang van 5% of meer, die de aandelen op het moment van winstuitkering drie jaar bezitten gaat geen fiscale claim verloren (namelijk belast ingevolge de aanmerkelijk belangregeling of onbelast op grond van de deelnemingsvrijstelling). Hoewel de 5% aandeelhouder niet rechtstreeks door de surtax wordt getroffen, komt de door de vennootschap te betalen surtax ten aanzien van de niet kwalificerende aandeelhouders toch pro rata voor zijn rekening. (een vennootschap heeft 80% niet aanmerkelijkbelang aandeelhouders en 20% ab-houders. Het in een jaar als bovenmatig te kwalificeren dividend bedraagt 100. De surtax bedraagt 80/100x20% = 16. Deze surtax is door de vennootschap verschuldigd waardoor deze pro rata weer voor rekening van de ab-aandeelhouders komt (namelijk voor 20/100 van 16 is 3,2). De surtax treft derhalve ook de aandeelhouders ter zake waarvan geen fiscale claim verloren gaat. Voor intercompany dividenden wordt in het thans voorliggende wetsvoorstel geen uitzondering gemaakt. De leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe zij hier tegenover staat.

De leden van de CDA-fractie constateren dat daarbij in het criterium van de gemiddelde winstuitdeling geen rekening wordt gehouden met de situatie waarin ingeval van een keuzedividend, de keuze van aandeelhouders in de periode vóór 2001 als gevolg van de rendementsheffing kan afwijken van de keuze na 2001. Hoe staat de regering hier tegenover, zo vragen deze leden.

De leden van de CDA-fractie constateren dat evenmin rekening wordt gehouden met de situatie waarin in de jaren voorafgaand aan 2001 geen winst is gemaakt en geen dividend is uitgekeerd, terwijl na 2001 wel sprake is van winstgevendheid – en uitdelingen. De 20%-heffing kan derhalve betrekking hebben op na 2001 gemaakte winst. Hoe staat de regering hier tegenover, zo vragen deze leden.

Het hanteren van 4% van een onberekenbare beurskoers (lid 2, onder a) voor het bepalen van de ruimte waarbinnen zonder 20%-heffing winstuitkeringen mogelijk zijn, kan een ongewenste invloed hebben op de op vaste en consistente uitgangspunten gebaseerde dividenduitkeringen, omdat ze buiten de reikwijdte van de heffing worden geplaatst. Hoe staat de regering hier tegenover, zo vragen deze leden. De leden van de CDA-fractie vinden dat de maatregel selectief werkt, doordat zij alleen in Nederland gevestigde vennootschappen treft. Hoe staat de regering hier tegenover, zo vragen deze leden. Zij kan voorts leiden tot een dubbele heffing, wanneer in een concernstructuur die minder dan drie jaar bestaat dividenden van een kleindochtervennootschap via een tussenholding naar de topholding worden uitgekeerd. Hoe staat de regering hier tegenover, zo vragen deze leden.

De leden van de CDA-fractie constateren dat zij een belemmering kan vormen voor overnames en fusies, waarbij het in een aantal gevallen noodzakelijk is om de daarbij betrokken vennootschappen door middel van een relatief omvangrijke dividenduitkering «lichter» te maken. Hoe staat de regering hier tegenover, zo vragen deze leden. Zij werkt ten nadele van bedrijven die in de drie jaren voorafgaande aan de wetswijziging vanwege verliezen geen dividend hebben uitgekeerd, die er daarna weer «bovenop» komen.

Er moet rekening mee gehouden worden dat de regeling in strijd is met EU-recht en belastingverdragen omdat zij, gelet op het vervallen van de inhoudingsplicht voor dividendbelasting, in wezen als een niet-verrekenbare bronheffing zou kunnen worden gezien. Deze gelijkenis gaat nog verder dan die van de Engelse ACT. Daarover loopt reeds een procedure voor het Europese Hof van Justitie. De leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe zij hier tegenover staat.

Indien een vennootschap na 1 januari 2001 meer winst behaalt dan in voorgaande jaren mag deze winst worden uitgekeerd zonder surtax, mits de waarde in het economisch verkeer van de activa en passiva verminderd met gestort kapitaal en fiscale reserves niet daalt onder de waarde in het economisch verkeer van het laatste boekjaar voor invoering van de nieuwe wettelijke regeling. Deze toets geldt voor het totaal der winstuitkeringen tot en met 31 december 2005. Hoe staat de regering tegenover de volgende problemen die kunnen ontstaan:

a) Bij een gebroken boekjaar (stel tot 1 mei 2000) wordt in november 2000 dividend uitgekeerd. De surtax geldt nog niet, maar het dividend beïnvloedt wel het peilvermogen per 1 mei 2000.

b) Een vennootschap behaalt in de jaren 2001–2003 substantieel hogere winsten en keert die winsten uit. In de jaren 2004 en 2005 worden grote verliezen geleden, waardoor het vermogen van de vennootschap zakt onder het peilvermogen. Gevolgen: heffing van surtax en dividendbelasting ten onrechte ingehouden.

c) De waarde in het economische verkeer van activa en passiva op peildatum moet per vennootschap worden vastgesteld. Vaststelling bij een voor bezwaar vatbare beschikking is niet te voorzien.

d) De waarde als bedoeld onder c) moet mogelijk tevens goodwill inhouden. Door gewijzigde marktomstandigheden, stijging van de rente en dergelijke, kan de waarden van goodwill aan het einde van 2005 belangrijk zijn gedaald, met als gevolg dat alle dividenden van 2001 tot en met 2005 als overmatig moeten worden aangemerkt.

e) Bij overlijden van de aanmerkelijk belang-houder na 1 januari 2001 kan zonder surtax niet uit de vennootschap worden geput om successierechten te kunnen betalen. De erfgenamen voldoen namelijk niet aan de bezitseis van drie jaren. Bovendien is voor dit soort gevallen het 20% inkomstenbelastingtarief vervallen.

De leden van de CDA-fractie voelen, als geoordeeld wordt dat een compenserende heffing noodzakelijk is, meer voor een verhoogde dividendbelasting op «excessieve» dividendbetalingen, waarbij een deel van de dividendbelasting niet verrekenbaar is in de handen van een belastingplichtige die onder de forfaitaire rendementsheffing valt, dan wel indien aannemelijk is dat de aandelen om niet zakelijke redenen zijn overgedragen. In artikel 4, lid 1, Wet op de dividendbelasting 1965 zou een tijdelijke uitzondering op de vrijstellingsbepaling in deelnemingsverhoudingen kunnen worden opgenomen in dat soort situaties, waarbij tegenbewijs mogelijk moet zijn. In ieder geval pleiten de leden van de CDA-fractie, indien het huidige voorstel wordt gehandhaafd, voor het verhogen van de in artikel 2 genoemde bedragen met incidentele bijzondere baten, alsmede om een uitzondering toe te staan op de 3 jaarseis in gevallen waarbij duidelijk is dat er geen sprake is van een verhanging met het oog op het ontgaan door particuliere aandeelhouders van deze uitdelingsheffing.

Bovendien dienen volgens de leden van de CDA-fractie nog een verzachting te worden aangebracht met betrekking tot aandeelhouderswisselingen die voor 14 september 1999 hebben plaatsgevonden: van anticipatiegedrag kan bij deze aandeelhouderswisselingen immers geen sprake zijn geweest.

Verder wijzen deze leden er op dat de gekozen grens van 5% geen rekening houdt met de toepassing van de deelnemingsvrijstelling op kleinere belangen (artikel 13, lid 3) en op kleinere aanmerkelijk belangposities (meetrekregeling).

Tot slot kan worden opgemerkt dat de voorgestelde regeling met zich meebrengt dat alle vennootschappen met kleine aandeelhouders per 1 januari 2001 de waarde in het economische verkeer van het totale vermogen van de vennootschap moeten vaststellen, aangezien de stille reserves ook van belang zijn voor de uitdelingsheffing. Ten aanzien van beursgenoteerde vennootschappen zou het voor de hand liggen om voor de waarde in het economische verkeer aan te sluiten bij de beurskoers op 31-12-2000.

De leden van de fractie van D66 steunen maatregelen die ongewenst anticipatiegedrag proberen tegen te gaan. Belangrijke voorwaarde bij dergelijke maatregelen is wel dat deze in verhouding staan tot het te verwachten anticipatiegedrag. De leden van de fractie van D66 hebben de indruk dat de maatregelen in onderhavig voorstel verder strekken dan gevallen waarin duidelijk sprake is van anticipatiegedrag. In dit verband verzoeken de leden van de fractie van D66 het kabinet te reageren op de reacties terzake van Loyens &Volkmaars van 19 oktober, de NVB van 20 oktober, VNO-NCW van 21 oktober (pt. 2.12) en de NOB van 18 oktober (pt. 204) en daarbij ook in te gaan op de suggesties voor alternatieve oplossingen.

Artikel V. Overgangsrecht invordering

Artikel B regelt onder meer de in het buitenland gevestigde commanditaire vennoot die tengevolge van de Wet IB 2001 ophoudt winst uit onderneming te genieten gedurende 10 jaar renteloos uitstel van betaling krijgt voor de inkomstenbelasting verschuldigd terzake van de winst ontstaan met en bij de daardoor optredende staking. De leden van de CDA-fractie achten het wenselijk dat deze overgangsregeling genuanceerd wordt in die zin dat slechts belasting behoeft te worden betaald voorzover blijkt dat stakingswinst daadwerkelijk is gerealiseerd.

De leden van de fractie van D66 verzoeken de regering te reageren op de reactie van de NOB van 18 oktober (pt. 185) ter zake.

De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën,

Van Gijzel

De griffier voor dit verslag,

Janssen


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Schutte (GPV), Reitsma (CDA), Rosenmöller (GroenLinks), Van Zijl (PvdA), Van Gijzel (PvdA), voorzitter, Witteveen-Hevinga (PvdA), Voûte-Droste (VVD), Noorman-den Uyl (PvdA), Giskes (D66), Kamp (VVD), Marijnissen (SP), Crone (PvdA), Van Dijke (RPF), Bakker (D66), De Vries (VVD), De Haan (CDA), ondervoorzitter, Stroeken (CDA), Patijn (VVD), Van Beek (VVD), Balkenende (CDA), Vendrik (GroenLinks), Bos (PvdA), Remak (VVD), Wijn (CDA) en Kuijper (PvdA).

Plv. leden: Van der Vlies (SGP), Verburg (CDA), Harrewijn (GroenLinks), Smits (PvdA), Duijkers (PvdA), Koenders (PvdA), Balemans (VVD), Van Oven (PvdA), Schimmel (D66), Hofstra (VVD), De Wit (SP), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Hoekema (D66), Van Walsem (D66), Wilders (VVD), Dankers (CDA), Hillen (CDA), Blok (VVD), Weekers (VVD), Bijleveld-Schouten (CDA), Rabbae (GroenLinks), Hindriks (PvdA), Hessing (VVD), Van den Akker (CDA) en Timmermans (PvdA).