Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal1999-200026728 nr. 34

26 728
Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001

nr. 34
VIJFDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 31 januari 2000

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

Hoofdstuk 2, artikel I. Overgangsrecht inkomstenbelastingwordt als volgt gewijzigd:

A. In onderdeel D, tweede lid, onderdeel b, wordt «negen jaar» vervangen door: tien jaar.

B. Na onderdeel D wordt een nieuw onderdeel ingevoegd:

Da. Tijdelijke tegemoetkoming recente medegerechtigden

1. Voor de kalenderjaren 2001 tot en met 2006 blijft artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat luidde op 31 december 2000, van toepassing bij staking van een onderneming door een medegerechtigde als bedoeld in artikel 3.2.1.1a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001, waaruit hij in het kalenderjaar 2000 winst uit onderneming genoot, mits is voldaan aan de voorwaarden bedoeld in het tweede lid.

2. Het eerste lid is slechts van toepassing indien:

a. de in dat lid bedoelde medegerechtigdheid van de belastingplichtige nog niet bestond op 12 januari 2000 en voor 1 januari 2001 is ontstaan, hetgeen wordt aangetoond door middel van een op 31 december 2000 bestaande schriftelijke overeenkomst tot toetreding tot het samenwerkingsverband waaruit de medegerechtigdheid voortvloeit, en

b. op het moment van de toetreding bij de belastingplichtige naar objectieve maatstaven de gerede verwachting aanwezig kon zijn dat de looptijd van dat samenwerkingsverband ten hoogste zeven jaar zou belopen.

3. Voor de toepassing van het eerste lid:

a. komen enkel voordelen in aanmerking die betrekking hebben op bedrijfsmiddelen die voor 1 januari 2003 in gebruik zijn genomen of zijn vervaardigd en waarvoor de investeringsverplichtingen zijn aangegaan in het kalenderjaar 2000 of waarvan de voortbrengingskosten in belangrijke mate zijn gemaakt in het kalenderjaar 2000;

b. blijven buiten beschouwing voordelen die betrekking hebben op onroerende zaken en rechten die direct of indirect op onroerende zaken betrekking hebben, en

c. wordt het bedrag van de vrijstelling verminderd – maar niet verder dan tot nihil – met de volgens dit onderdeel door de belastingplichtige ter zake van andere ondernemingen in vorige jaren of in dit jaar genoten bedragen aan vrijstelling.

TOELICHTING

In de derde nota van wijziging is een overgangsmaatregel voor medegerechtigden opgenomen. Deze tijdelijke tegemoetkoming medegerechtigden houdt – kort gezegd – in dat de huidige stakingsvrijstelling tot en met 2006 nog van toepassing is voor een medegerechtigde die voor of op 12 januari 2000 is toegetreden. Gebleken is dat deze overgangsmaatregel niet in alle gevallen soelaas zou bieden. Het gaat hierbij zowel om projecten die zich reeds in een vergevorderd stadium bevinden, als om projecten die in het jaar 2000 nog gestart zouden worden. Met het oog op dergelijke projecten, met name in de film- en zeescheepvaart, wordt in deze nota van wijziging extra overgangsrecht voorgesteld, naast de hiervoor genoemde tijdelijke tegemoetkoming medegerechtigden.

Dit extra overgangsrecht houdt – kort gezegd – in dat indien een medegerechtigde na 12 januari 2000 doch uiterlijk op 31 december 2000 is toegetreden, hij in aanmerking komt voor een tijdelijke tegemoetkoming recente medegerechtigden. De cumulatieve voorwaarden in de eerdergenoemde overgangsregeling in de derde nota van wijziging gelden op vergelijkbare wijze voor het extra overgangsrecht. Een medegerechtigde die na 12 januari doch uiterlijk op 31 december 2000 is toegetreden, komt in aanmerking voor het extra overgangsrecht indien de toetreding aangetoond wordt door middel van een (op 31 december 2000 bestaande) schriftelijke overeenkomst. Voorts diende op het moment van toetreding tot het samenwerkingsverband bij de belastingplichtige naar objectieve maatstaven de gerede verwachting te bestaan, dat het samenwerkingsverband een beperkte looptijd zou hebben, in dit geval zeven jaar.

Het extra overgangsrecht komt er op neer dat de huidige stakingsvrijstelling nog van toepassing is tot en met 2006, zij het dat daarvoor aanvullende voorwaarden zijn gesteld in het derde lid. De stakingsvrijstelling wordt verminderd met de eerder op grond van deze regeling genoten stakingsvrijstelling ter zake van een of meer ondernemingen in hetzelfde kalenderjaar of een eerder jaar. Deze vermindering heeft tot doel te voorkomen dat verschillende malen gebruik kan worden gemaakt van de regeling. Voor alle duidelijkheid zij opgemerkt dat de vermindering niet ziet op de stakingsvrijstelling op grond van de tijdelijke tegemoetkoming medegerechtigden (onderdeel D). Voorts is bepaald dat de stakingsvrijstelling alleen wordt verleend terzake van voordelen ter zake van bedrijfsmiddelen – niet zijnde onroerende zaken – waarin in het jaar 2000 is geïnvesteerd en die in gebruik zijn genomen of zijn vervaardigd voor 1 januari 2003. Waar het gaat om voortbrengingskosten is bepaald dat deze in belangrijke mate moeten zijn gemaakt in het kalenderjaar 2000. Met de eis van ingebruikneming voor 1 januari 2003 wordt aangesloten bij de termijn voor desinvesteringsbijtelling (artikel 3.2.2.36, zesde lid, Wet IB2001). Dit om te voorkomen dat er in 2000 anticipatie-gedrag optreedt door in 2000 investeringsverplichtingen in de tijd naar voren te halen, terwijl de uitvoering (bouw) van de investering eerst in een (veel) later jaar zal plaatsvinden.

Voorts is, gelet op signalen uit de praktijk, de beperkte looptijd het in de derde nota van wijziging voorgestelde onderdeel D verruimd van ten hoogste negen naar ten hoogste 10 jaar.

De budgettaire derving van deze nota van wijziging bedraagt ten opzichte van de derde nota van wijziging circa 30 miljoen per jaar voor de periode 2000 – 2006.

De Staatssecretaris van Financiën,

W. A. F. G. Vermeend

De Minister van Financiën,

G. Zalm