Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal1999-200026728 nr. 21

26 728
Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001

nr. 21
AMENDEMENT VAN HET LID VENDRIK

Ontvangen 21 januari 2000

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

Hoofdstuk 1, afdeling A, artikel V Wet op de loonbelasting 1964 wordt als volgt gewijzigd:

I

In onderdeel P wordt in artikel 21c na onderdeel b, onder verlettering van de onderdelen c en d in d en e, ingevoegd:

c. aanvullende arbeidskorting (artikel 22aa);.

II

In onderdeel R wordt na artikel 22a ingevoegd:

Artikel 22aa

1. Voor de werknemer die loon uit tegenwoordige dienstbetrekking geniet in de zin van artikel 22a, en van wie dat loon met uitzondering van de bijzondere beloningen als bedoeld in artikel 26, eerste lid, niet meer bedraagt dan € 20 670 (f 45 551), is de aanvullende arbeidskorting van toepassing.

2. De aanvullende arbeidskorting bedraagt € 635 (f 1400).

3. Indien het in het eerste lid bedoelde loon meer bedraagt dan € 13 780 (f 30 367), wordt het bedrag van de aanvullende arbeidskorting verminderd met 9,216% van dat loon voorzover dat meer bedraagt dan € 13 780 (f 30 367).

4. Indien de arbeidsduur van de belastingplichtige doorgaans minder bedraagt dan 36 uren per week, wordt dit artikel toegepast nadat het bedrag genoemd in het tweede lid, de loongrenzen en het percentage zijn verlaagd. De verlaagde loongrenzen en het verlaagde percentage worden berekend door de in dit artikel genoemde loongrenzen en het genoemde percentage te vermenigvuldigen met de breuk W / 36, waarbij W staat voor het aantal arbeidsuren dat de belastingplichtige doorgaans per week werkt. Indien de arbeidsduur van de belastingplichtige in het kalenderjaar niet doorgaans eenzelfde aantal uren per week bedraagt, wordt W gesteld op het aantal uren per week dat de belastingplichtige doorgaans in het kalenderjaar gemiddeld werkt.

III

In onderdeel R wordt in artikel 22d «de artikelen 22, 22a, 22b» vervangen door «de artikelen 22, 22a, 22aa, 22b», wordt «artikel 22a» vervangen door «artikel 22a en 22aa», wordt « 8.2.1, 8.2.2, 8.2.5» vervangen door «8.2.1, 8.2.2, 8.2.2a, 8.2.5» en wordt «artikel 8.2.2» vervangen door: artikel 8.2.2 en 8.2.2a.

Toelichting

Dit amendement introduceert in de Wet op de loonbelasting (in artikel 22aa) een aanvullende arbeidskorting voor werknemers die uit tegenwoordige arbeid niet meer loon verdienen dan 150% van het wettelijk minimumloon (waarbij de bijzondere beloningen buiten beschouwing blijven). Bij een loon uit tegenwoordige arbeid dat gelijk is aan het wettelijk minimumloon bedraagt de aanvullende arbeidskorting op jaarbasis € 635 (f 1400). Bij een loon boven het wettelijk minimumloon wordt het bedrag van de aanvullende arbeidskorting zodanig verminderd dat deze bij een loon uit tegenwoordige arbeid van 150% van het wettelijk minimumloon nihil is. Bij een loon dat door een kortere arbeidsduur minder bedraagt dan het minimumloon, wordt de arbeidskorting naar evenredigheid van het aantal uren verminderd.

voorbeeld 1

Bij een loon van € 17 223 (d.w.z. 125% van het wettelijk minimumloon) bedraagt de aanvullende arbeidskorting (bij een arbeidsduur van doorgaans tenminste 36 uur per week):

€ 635 -/- 9,216% van (€ 17 223 -/- € 13 780) = € 318 (f 701).

Indien de arbeidsduur van de belastingplichtige doorgaans minder bedraagt dan doorgaans 36 uren per week, wordt dit artikel toegepast nadat de inkomensgrenzen en percentages zijn verlaagd naar evenredigheid van de arbeidsduur.

voorbeeld 2

Bij een arbeidsduur van doorgaans 18 uren per week tegen een loon dat gelijk is aan het wettelijk minimumloon bedraagt de aanvullende arbeidskorting dus: 18/36 x € 635 (f 1400) = € 318 (f 701).

voorbeeld 3

Bij een arbeidsduur van doorgaans 18 uren per week tegen een loon dat gelijk is aan twee maal het wettelijk minimumloon bedraagt de aanvullende arbeidskorting: 18/36 x nihil = nihil.

Indien de arbeidsduur van de belastingplichtige in het kalenderjaar niet doorgaans eenzelfde aantal uren per week bedraagt, wordt in de berekening van de aanvullende arbeidskorting op jaarbasis uitgegaan van het aantal uren dat de belastingplichtige doorgaans in het kalenderjaar gemiddeld werkt.

voorbeeld 4

Indien de belastingplichtige gedurende de eerste zes maanden van het kalenderjaar doorgaans 18 uren per week bedraagt en gedurende de laatste zes maanden van het jaar doorgaans 36 uren per week bedraagt, tegen een loon dat gelijk is aan het wettelijk minimumloon bedraagt de aanvullende arbeidskorting dus: [(18+36)/2] / 36 x € 635 (f 1400) = € 477 (f 1051).

voorbeeld 5

Indien de belastingplichtige de eerste zes maanden van het kalenderjaar niet werkt en gedurende de laatste zes maanden van het jaar doorgaans 36 uren per week bedraagt, tegen een loon dat gelijk is aan het wettelijk minimumloon bedraagt de aanvullende arbeidskorting dus: [(0+36)/2] / 36 x € 635 (f 1400) = € 318 (f 701).

De bedragen en percentages worden jaarlijks automatisch aangepast overeenkomstig de aanpassingen in de Wet inkomstenbelasting 2001 (artikel 22d).

Vendrik